|
11.2.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 44/118 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Een doeltreffender EU-energiebeleid voor het MKB en met name micro-ondernemingen” (initiatiefadvies)
2011/C 44/19
Rapporteur: de heer DAVOUST
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 juli 2009 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over
„Een doeltreffender EU-energiebeleid voor het MKB en met name micro-ondernemingen”
De afdeling Vervoer, energie, infrastructuur en informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 juni 2010 goedgekeurd.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) onderstaand advies met 157 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
1.1 Op EU-niveau:
|
— |
het energiebeleid conform het Think Small First-beginsel uitvoeren en er daarbij voor zorgen dat organisaties van kleine en micro-ondernemingen deelnemen aan het wetgevingsproces en dat ook de kleinste bedrijven effectbeoordelingen opstellen, waarbij de sectorale aanpak ruim baan moet krijgen; |
|
— |
samen met de MKB-organisaties een platform oprichten voor permanent overleg over het effect van het energiebeleid van de EU op – met name de kleinste – bedrijven; |
|
— |
in overleg met de betrokken organisaties van bedrijven aangeven welke maatregelen de Europese programma's moeten bevatten om deze bedrijven in staat te stellen zich optimaal aan te passen aan de EU-richtsnoeren; |
|
— |
nagaan welke impact de programma's voor energie-efficiëntie hebben op de verschillende MKB-categorieën en een gids met goede praktijken verspreiden; |
|
— |
de manieren waarop het MKB toegang heeft tot en gebruik maakt van de bestaande EU-programma's op het gebied van energie-efficiëntie vereenvoudigen; |
|
— |
een plan voor ondersteuning van energie-efficiënte innovaties opstellen en een financieel instrument voor innovatiesteun creëren dat is afgestemd op de behoeften van kleine en micro-ondernemingen; |
|
— |
een kader creëren om op nationaal niveau te zorgen voor een grotere aanwezigheid en meer activiteit van Energy Service Companies (energiemaatschappijen) ten gunste van kleine bedrijven; |
|
— |
kleine bedrijven eenvoudiger toegang bieden tot de structuurfondsen, vooral via de organisaties die hen vertegenwoordigen; |
|
— |
een kader creëren dat de verspreiding van micro-installaties in de lidstaten ten goede komt. |
1.2 Op het niveau van de lidstaten:
|
— |
een nationaal platform voor overleg met MKB-organisaties creëren; |
|
— |
via sectorale campagnes en één-loket-systemen, die zich bij voorkeur bevinden binnen de organisaties die de betrokken bedrijven vertegenwoordigen, scholings- en voorlichtingsprogramma's ontwikkelen; |
|
— |
de financiering van investeringen ondersteunen, verzekeringskosten omlaag brengen en belastingprikkels invoeren; |
|
— |
zorgen voor financiële synergie tussen EU/lidstaten/organisaties van bedrijven die diverse vormen van steunverlening aan het kleinbedrijf ten goede komt; |
|
— |
in vertegenwoordigende organisaties milieu- en energieadviseurs aanstellen en onafhankelijke diensten voor energiediagnoses en -adviezen invoeren. |
1.3 Op het niveau van de regio's:
|
— |
begeleiding en advisering op energiegebied en scholing integreren; innovatiesteun en financiering van investeringen als prioriteiten opnemen in de regionale programma's; |
|
— |
micro-installaties via de structuurfondsen financieren. |
2. Inleiding
2.1 Achtergrond
2.1.1 De Europese Unie voert sinds kort een beleid om de energie-efficiëntie te vergroten; dit beleid is een van de onderdelen van de EU 2020-strategie. Voor kleine en middelgrote bedrijven houdt dit vooral in dat hun toegang tot energie sterk zal veranderen en dat zij hier op een rationele manier gebruik van moeten maken. Tot op heden is de situatie van deze bedrijven in EU-documenten over energie-efficiëntie niet specifiek aan de orde gekomen. De impact hiervan op hen is dan ook niet bekend.
2.1.2 In zijn advies „Aanscherping van de energie-efficiëntiemaatregelen en -programma's voor eindgebruikers” van 1 oktober 2009 (1) drong het EESC erop aan om de eindgebruikers (in het bijzonder kleine ondernemers) stelselmatig te betrekken bij de verwezenlijking van de nieuwe doelstellingen. Het pleitte er in dit verband onder meer voor om 1) het sectorale aspect van het EU-beleid te versterken, 2) de Europese energieprogramma's te vereenvoudigen, 3) na te gaan welke impact het energie-efficiëntiebeleid heeft op de eindgebruikers, met name het MKB en 4) ten behoeve van de eindgebruikers, vooral het MKB en de ambachtelijke sector, een Europese taskforce van deskundigen en een netwerk van onafhankelijke organisaties op het gebied van energie-efficiëntie op te zetten.
2.2 Doel van het advies
2.2.1 Volgens het EESC is het van wezenlijk belang om dit onderwerp te behandelen met de Small Business Act-aanpak en conform het Think Small First-beginsel, dat ook bepalend is voor de manier waarop de EU-programma's en –beleidsmaatregelen tot stand komen. Het advies gaat over het effect van het energiebeleid van de EU op het midden- en kleinbedrijf, dat 92 % van alle bedrijven in de EU uitmaakt. (2)
2.3 Kader van het advies
2.3.1 Het EESC wil de EU er met dit advies toe aanzetten om voortaan in haar beleid ook het MKB, en dan vooral kleine en micro-ondernemingen, in aanmerking te nemen. Het zal niet ingaan op de „vergroening” van arbeidsplaatsen, maar wel rekening houden met hoe werknemers begeleid worden als bedrijven zich instellen op de prioriteiten van het energiebeleid.
3. Algemene opmerkingen
3.1 De algehele impact van het energiebeleid op het kleinbedrijf
Het energiebeleid van de EU kan voor bepaalde segmenten van het midden- en kleinbedrijf de nodige ontwikkelingsmogelijkheden met zich meebrengen en als zodanig nieuwe banen opleveren. In dit verband vallen kleine en micro-ondernemingen in vier categorieën in te delen:
3.1.1 Energiegebruikers : de meeste kleine en micro-ondernemingen stuiten op de volgende vier problemen: 1) ze zijn niet op de hoogte van de voordelen van een rationeel energiegebruik, 2) ze gaan niet na wat het effect is van energiebezuiniging op hun activiteiten en hun personeel, 3) ze weten niet welke keuzes ze moeten maken en met wie ze deze in praktijk moeten brengen, 4) ze ontberen de financiële middelen voor investeringen in energie-efficiëntie, die bovendien pas op een te lange termijn rendement opleveren.
3.1.1.1 Dat ze niet goed op de hoogte zijn, komt vooral doordat ze te klein zijn om er in energie-efficiëntie gespecialiseerd personeel op na te kunnen houden.
3.1.1.2 Verder kan het bij energiebesparende investeringen om zeer hoge bedragen gaan, terwijl het rendement op de korte termijn niet zelden erg laag is. Meestal kunnen de kosten niet worden doorberekend in de productie of in de dienstverlening, en duurt het zeer lang voordat de energiebesparingen eindelijk opwegen tegen de investeringen.
Het gaat hierbij vaak om een periode van meer dan vijf jaar, wat een afschrikwekkend effect heeft op kleine bedrijven.
3.1.2 Dankzij installatiebedrijven of bedrijven die energiebesparend onderhoud plegen, raakt de consument vertrouwd met energie-efficiënte technieken. Het betreft vooral de volgende activiteiten:
|
3.1.2.1 |
De bouw, met de invoering van milieuvriendelijke bouwsystemen, het gebruik van energie-efficiënte producten of het gebruik van duurzame energie. Volgens kleine bedrijven die innovatieve producten installeren zijn verzekeringsmaatschappijen terughoudend met het toekennen van de nodige garanties, zoals de „garanties décennales” (tienjarige garanties), met als argument dat er over de stabiliteit en efficiëntie van de producten op de langere termijn geen zekerheid bestaat. Door deze terughoudendheid wordt de invoering van milieuvriendelijke technologie bij de consument thuis afgeremd. Het EESC stelt voor om 1) scholingsprogramma's te ontwikkelen om werknemers in de bouw vertrouwd te maken met nieuwe milieuvriendelijke bouwmethoden, met milieuvriendelijke materialen en met nieuwe manieren om de energieprestaties van gebouwen te meten, en 2) een nieuw financieel of andersoortig EU-instrument in het leven te roepen dat ervoor zorgt dat de kosten voor verzekeringsmaatschappijen ter dekking van risico's, en aldus de verzekeringskosten voor bedrijven, lager uitvallen. |
|
3.1.2.2 |
Installatie en onderhoud van energiebesparende apparaten bij particulieren en in bedrijven. Het in deze sector opererende MKB heeft direct te maken met de concurrentie van grote energieproducenten, die via door henzelf gecreëerde en gecontroleerde structuren actief zijn in de hele lidstaat. Gezien hun totale afhankelijkheid van nog grotere concerns, die toezicht houden op hun activiteiten, zijn zij eerder uit op de verkoop van traditionele energie dan op een betere energie-efficiëntie bij hun klanten. Het EESC 1) vindt dat de nationale en Europese autoriteiten er door middel van toezicht voor moeten zorgen dat deze markt zo transparant mogelijk functioneert en dat geen misbruik wordt gemaakt van een dominante positie, en 2) dringt aan op de ontwikkeling van scholingsprogramma's voor het MKB, zodat het beter als aanjager en adviseur van particulieren en bedrijven kan fungeren. |
3.1.3 Kleine bedrijven die energiebesparende producten ontwikkelen en fabriceren zijn vooral in de sector materialen en apparatuur zeer innoverend bezig.
3.1.3.1 Maar deze bedrijven vinden wel tal van obstakels op hun weg bij het uitontwikkelen, octrooieren (Gemeenschapsoctrooi?) en op de markt brengen van hun producten. Ze protesteren vaak tegen de welhaast monopolistische marktpositie van grote concerns of grote industriële laboratoria en tegen de steeds complexere certificeringssystemen, waardoor innovaties uiteindelijk in de kiem gesmoord worden en innovatieve producten van kleine bedrijven niet op de markt gebracht kunnen worden.
3.1.3.2 Er zijn daarom diverse maatregelen nodig:
|
— |
naar het voorbeeld van het Amerikaanse SBIRE-programma moet er een EU-plan komen met behulp waarvan organisaties die het kleinbedrijf vertegenwoordigen (3) beter is staat zijn om energie-efficiënte innovaties te ontdekken, de definitieve ontwikkeling, certificering en octrooiering hiervan in goede banen te leiden, en de markttoegang ervan te vergemakkelijken; |
|
— |
er moet een soepel en gemakkelijk toegankelijk financieel instrument in het leven worden geroepen om ervoor te zorgen dat duurzame innovaties van materialen en apparaten niet of nauwelijks kosten met zich meebrengen; |
|
— |
er moeten eenvoudiger, neutrale en gemakkelijk te hanteren technische procedures komen voor de normalisatie en certificering van energie-efficiënte innovaties door het kleinbedrijf, en er moet voor gewaakt worden dat deze normalisatie en certificering gebruikt worden als obstakel voor de toegang tot de markt voor energie-efficiëntie. Om dit laatste te voorkomen zouden technische EU-normen vóór hun definitieve goedkeuring eerst verplicht aan een effectbeoordeling kunnen worden onderworpen. |
3.1.4
3.1.4.1 Micro-installaties, waarbij bedrijven zelf energie produceren, is een nog onderschatte alternatieve methode die echter al wel in tal van lidstaten terrein wint. De energiecentrale kan op lokaal niveau gevoed worden met duurzaam materiaal. Bij deze techniek, die zeer geschikt is voor kleine bedrijven, wordt op een rationelere manier gebruik gemaakt van energie, waardoor 1) de algemene kosten dalen, 2) de energievoorziening zelfs als de stroom uitvalt gegarandeerd is, 3) het energieproductieniveau binnen de EU stijgt, 4) de opwarming van de aarde wordt bestreden en 5) de lokale werkgelegenheid wordt gestimuleerd.
3.1.4.2 De Commissie zou ter stimulering van deze techniek een wetgevend en operationeel kader moeten opstellen en de lidstaten ertoe moeten aanzetten om de verschillende struikelblokken voor de ontwikkeling ervan weg te nemen. Hierbij doet zij er vooral goed aan om 1) de stand van zaken te analyseren en goede praktijken te verspreiden, en 2) de ontwikkeling en het gebruik van micro-installaties in aanmerking te laten komen voor financiering uit de structuurfondsen en de diverse fondsen voor plattelandsontwikkeling.
4. Specifieke opmerkingen
4.1 Het ontbreken van een vast platform voor overleg tussen de EU-instellingen en de organisaties die de verschillende MKB-categorieën vertegenwoordigen
4.1.1 Het is een goede zaak dat de Commissie een dialoog is aangegaan met de organisaties die het MKB vertegenwoordigen, maar het schort nog altijd aan een strategische, structurele aanpak die speciaal op het kleinbedrijf en micro-ondernemingen is gericht. (4).Dit heeft drie nadelen:
|
— |
het is onmogelijk te weten of al bestaande of nieuwe initiatieven op het kleinbedrijf zijn afgestemd; |
|
— |
op welk niveau deze initiatieven worden uitgevoerd blijft in het ongewisse, en daarin zal maar moeilijk verbetering kunnen komen als wordt vastgehouden aan de huidige globale aanpak, die door een tekortschietende kennis van de concrete werkelijkheid wordt gekenmerkt. |
|
— |
veel lidstaten hebben in samenspraak met organisaties van bedrijven maatregelen uitgevoerd, maar welke maatregelen dit precies zijn is onbekend, waardoor goede praktijken en successen of mislukkingen niet als richtsnoer kunnen dienen. |
4.1.2 De panels voor het bedrijfsleven hebben zeker nut, maar kunnen geenszins in de plaats komen van vertegenwoordigende organisaties als de kamers van koophandel en de kamers van ambachten en neringen alsmede de sectorale branche-organisaties, die bedrijven met – op maat gesneden – raad en daad terzijde staan. De Commissie moet de prioriteiten vooral in overleg met deze organisaties vaststellen.
4.1.3 De al te globale top down-aanpak op EU-niveau mondt alleen maar uit in onuitvoerbare besluiten. Het EESC maakt zich sterk voor een nieuwe samenwerkingscultuur waarin conform de Europese Small Business Act een bottom up-aanpak wordt gehanteerd. Als een van de allereerste maatregelen moet er op EU-niveau en in de lidstaten zo'n platform voor de EU-instellingen en organisaties van bedrijven – met name kleine bedrijven en micro-ondernemingen – worden opgericht.
4.2 Geen informatie over het effect van EU-programma's op de kleinste bedrijven
4.2.1 Er zijn diverse EU-programma's die in het algemeen de energie-efficiëntie in kleine en middelgrote bedrijven bevorderen. Het effect van deze programma's is echter onbekend; uit geen enkel Europees onderzoek blijkt in hoeverre deze bedrijven er baat bij hebben gehad. Dat is betreurenswaardig: enerzijds is het niet mogelijk om een gids van goede praktijken op te stellen omdat niet bekend is welke praktijken zich als zodanig hebben bewezen, en anderzijds kan de Commissie zo geen programma's en maatregelen voorstellen die op het kleinbedrijf zijn afgestemd.
4.2.2 Het EESC verzoekt de Commissie 1) zo snel mogelijk een onafhankelijke analyse te maken van de impact van de programma's op het MKB, waarbij ze zich vooral moet richten op kleine bedrijven en micro-ondernemingen en eventuele problemen in kaart moet brengen, en 2) een gids van goede praktijken op te stellen.
4.3 De belangrijke rol van regio's en gebieden
4.3.1 Bestrijding van de klimaatverandering en een verstandig energiegebruik moeten prioriteiten worden van het toekomstige cohesiebeleid. Territoriale overheden zijn van cruciaal belang voor territoriale klimaatplannen en ondersteunen – onder meer energiebesparende – innovaties met behulp van regionale clusters, onderzoekscentra en middelencentra die zich vooral op het kleinbedrijf richten.
4.3.2 De bestuursorganen en territoriale overheden weten echter vaak niet welke problemen en behoeften de verschillende soorten kleine en middelgrote bedrijven hebben.
De territoriale beleidsmakers zouden (intensiever) moeten gaan overleggen met de sociaaleconomische partners ter plaatse over energie-efficiëntie en de structuurfondsen prioritair moeten gebruiken voor energiebeheer, met name in de kleinste bedrijven. Het EFRO zou onder meer als prioriteit moeten hebben om kleine ondernemers en hun werknemers te informeren en te scholen, te zorgen voor (krachtiger) flankerende maatregelen en adviezen van de kant van vertegenwoordigende organisaties en sectorale bedrijfsorganisaties, de beschikbaarheid van goed toegankelijke financieringsbronnen te garanderen en alle vormen van innovatie afzonderlijk of collectief te ondersteunen.
4.3.3 Het is echter wel verontrustend dat maar zo'n kleine gedeelte van de structuurfondsen – slechts 1 à 2 % in bepaalde regio's – bij het kleinbedrijf terechtkomt, waaraan vooral de te strenge administratieve en financiële eisen debet zijn. Het heeft er dus alle schijn van dat kleine bedrijven niet kunnen profiteren van de structuurfondsen als deze zo beheerd worden als nu het geval is. De EU-instellingen en de lidstaten zouden daarom samen met MKB-organisaties, en dan vooral organisaties die kleine en micro-ondernemingen vertegenwoordigen, moeten aangeven welke vereenvoudigingen nodig zijn.
4.4 Moeilijke mobilisering van investeringsgelden
4.4.1 De meeste kleine en middelgrote bedrijven hebben grote problemen om aan geld te komen voor investeringen in een rationeler energiegebruik en milieuvriendelijke productie. Banken staan momenteel niet altijd welwillend tegenover de financiering van dergelijke projecten, omdat er geringe bedragen mee gemoeid zijn (20 000 à 25 000 euro) en ze geen personeel hebben dat deze als risicovol te boek staande projecten goed kan beoordelen.
4.4.2 De barrière om voor EU-subsidies in aanmerking te komen: diverse EU-programma's mogen dan wel mede betrekking hebben op kleine en middelgrote bedrijven, maar in werkelijkheid blijken kleine en micro-ondernemingen er niet rechtstreeks gebruik van te kunnen maken. Zij moeten meedoen aan collectieve acties van de organisaties die hen vertegenwoordigen. Maar ook in dat geval worden voorstellen nog veel te vaak verworpen doordat de administratieve en financiële eisen te streng zijn en de opdrachtgevende diensten van de Commissie veelal weinig afweten van de situatie waarin kleine en micro-ondernemingen verkeren.
4.4.2.1 Wat dit betreft leiden de maatregelen voor een veiliger beheer van de Europese overheidsfinanciën, die zonder meer noodzakelijk zijn, wel tot een minder actief sociaal en economisch leven van burgers en kleine bedrijven en tot meer lokale werkloosheid. De Commissie doet er dan ook goed aan om hier bij de herziening van het Financieel Reglement eens goed naar te kijken.
4.4.3 Het EESC dringt erop aan de financiering van investeringen te vereenvoudigen en op alle niveaus de investeringssteun te rationaliseren. Diverse initiatieven zijn nodig om:
|
— |
de toegang van coöperatieve banken, banken met kleinere klanten en diverse financiële organen tot EIB- en EIF-fondsen te verbeteren, zodat zij investeringen in een rationeler energiegebruik kunnen financieren; |
|
— |
ter wille van deze investeringen de bankgarantieregelingen voor het MKB te vergroten en een risicogarantiestelsel op te zetten zodat verzekeringsmaatschappijen investeringen in energie-efficiëntie kunnen dekken; |
|
— |
het gebruik van microkredieten voor geringe investeringen te stimuleren en werknemers van lokale banken te leren hoe ze door kleine of middelgrote bedrijven ingediende voorstellen objectief moeten beoordelen; |
|
— |
het Financieel Reglement van de EU zodanig te herzien dat de eisen worden versoepeld of aangepast en een hernieuwde impuls te geven premies voor verkennende werkzaamheden en haalbaarheidspremies; |
|
— |
ervoor te zorgen dat energiemaatschappijen meer energierendementscontracten afsluiten, vooral met micro-ondernemingen. |
5. Een beleid voor meer begeleiding en advies
5.1 Informatie en scholing
5.1.1 Het informeren van alle bedrijven moet een prioriteit van het EU-actieprogramma zijn, maar het moet hierbij wel om gerichte voorlichting gaan die is afgestemd op de sector in kwestie; ook dienen alle kanalen, met name de organisaties die bedrijven vertegenwoordigen, te worden gebruikt. In diverse lidstaten voeren overheden en vertegenwoordigende sectorale beroepsorganisaties al dergelijke campagnes. Voorlichting van bedrijven kan op de volgende manieren gebeuren:
|
— |
een Europese, door regionale en nationale organisaties te voeren campagne waarbij een gids met goede praktijken wordt opgesteld; |
|
— |
ondersteuning van sectorale voorlichtingscampagnes van beroepsorganisaties; |
|
— |
invoering of uitbreiding van het één-loket-systeem voor milieu en energie, zo dicht mogelijk bij de betrokken bedrijven; |
|
— |
het aanwerven op regionaal niveau van adviseurs op milieu- en energiegebied in territoriale vertegenwoordigende organisaties. |
5.1.2 Scholing van ondernemers en de „vergroening” van arbeidsplaatsen zijn prioriteiten van de duurzame ontwikkeling. Een speciaal onderdeel van het ESF zou gereserveerd moeten worden voor de scholing in energie-efficiëntie van bazen en werknemers van kleine en micro-ondernemingen.
5.2 Begeleiding en advisering van bedrijven
5.2.1 Voor kleine en micro-ondernemingen is voor een effectieve uitvoering van energie-efficiënte maatregelen individuele begeleiding nodig. In diverse regio's ondersteunen decentrale overheden direct of met behulp van de structuurfondsen onafhankelijke audits en energieadviezen voor bedrijven.
Voor het EESC dient de aandacht hierbij vooral uit te gaan naar de invoering of ondersteuning van onafhankelijke diagnose-, energieadvies- en auditdiensten, met name binnen organisaties die bedrijven vertegenwoordigen en sectorale beroepsorganisaties.
5.3 Een beleid met belastingprikkels
5.3.1 Om kleine bedrijven aan te zetten tot investeringen in een grotere energie-efficiëntie van hun activiteiten zouden de lidstaten 1) materiële investeringen en investeringen in adviezen, audits en opleidingen moeten aanmoedigen, en 2) hun al voor particulieren geldende financiële stimuleringsregelingen ook van toepassing moeten verklaren op kleine bedrijven die in energiebesparing investeren.
Brussel, 14 juli 2010
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Mario SEPI
(1) PB C 318 van 23.12.2009, blz. 39
(2) In 2007 was het bedrijfsleven in de EU – in totaal 20,104 miljoen ondernemingen – als volgt opgebouwd: 18,16 micro-ondernemingen (minder dan 10 werknemers), 1,49 miljoen kleine bedrijven (10 à 25 werknemers), 303 400 middelgrote bedrijven (26 à 250 werknemers) en 159 000 grote bedrijven (meer dan 250 werknemers). Micro-ondernemingen zijn goed voor 30 % van het totale aantal banen, kleine bedrijven voor 21 %, middelgrote voor 17 % en grote bedrijven voor 33 %. Bron: EIM Business & Policy Research, EUROSTAT.
(3) Al naar gelang de lidstaat gaat het hierbij onder meer om de volgende organisaties: kamers van ambachten en neringen, kamers van koophandel, sectorale brancheorganisaties en bedrijfsverenigingen. Deze worden vanwege hun representatieve karakter erkend door de overheid en komen als zodanig met o.a. collectieve acties op voor de belangen van de bedrijven in het gebied waar zij bevoegd zijn.
(4) Tijdens zijn top van 23 en 24 maart 2006 drong de Europese Raad erop aan om rekening te houden met de verschillende MKB-categorieën en met het adagium „think small first” als leidend beginsel prioriteit te verlenen aan het kleinbedrijf.