11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/99


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Een Europees saneringsbeleid voor de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk in Europa” (initiatiefadvies)

2011/C 44/16

Rapporteur: de heer GENDRE

Corapporteur: de heer KONSTANTINOU

Het Europees Economisch en Sociaal Comité besloot op 16 juli 2009, overeenkomstig artikel 29 (2) van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Een Europees saneringsbeleid voor de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk in Europa.

De adviescommissie Industriële reconversie, die met de voorbereidende werkzaamheden terzake was belast, heeft haar advies op 1 juli 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 145 stemmen vóór en 2 tegen, bij 7 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De Europese grafische industrie staat voor enorme uitdagingen door de groei van internet als informatie- en reclamebron, het dalende aantal kranten- en tijdschriftenlezers en de harde concurrentie voor bepaalde producten uit de sector.

1.2   De rotatieoffset en rotatiediepdruk hebben het nog moeilijker: analisten schatten de productieovercapaciteit op 25 tot 30 %. Uit het verslag van de IFO Konjunkturtest over de Duitse grafische industrie blijkt dat de investeringen in de sector de marktendensen zijn gevolgd en dus sinds 2008 afnemen. 2006 en 2007 waren voor de grafische industrie vrij goede jaren (1) Sinds 2008 liggen de investeringscycli duidelijk lager, voornamelijk om de productiestroom te rationaliseren en te verbeteren.

1.3   Bij de overcapaciteit op de grafische markt komen nog andere concurrentiefactoren zoals de aantrekkingskracht van nieuwe media, invoer uit landen met lage productiekosten en de afnemende vraag. Deze ongunstige economische context heeft tot een daling van de prijzen geleid, met negatieve gevolgen voor de levensstandaard van de werknemers.

1.4   Bovendien is het door de economische crisis momenteel moeilijk om een lening te krijgen. Net als in heel wat andere sectoren moeten door deze negatieve tendensen de productiekosten absoluut omlaag. Deze toestand heeft de recente loononderhandelingen beïnvloed. Deze moeilijke context doet dan ook vrezen voor herstructureringen en massale ontslagen bij grafische bedrijven in het algemeen en bij de bedrijven in de meest kwetsbare marktsegmenten in het bijzonder.

1.5   De Europese Commissie publiceerde in 2007 de resultaten van een onderzoek naar het concurrentievermogen van de sector. Daar zijn voorstellen uit voortgevloeid voor een actieplan voor de grafische industrie. Het EESC steunt deze voorstellen, die langzamerhand in de bedrijven worden toegepast en relevant blijven. Het comité is verheugd over wat er inmiddels bereikt is, maar vindt nieuwe initiatieven nodig opdat de sector – met zijn moeilijkheden, nog versterkt door de crisis en de recessie die alle lidstaten van de EU treft – de uitdagingen op korte en middellange termijn het hoofd kan bieden.

1.6   Het EESC heeft kennis genomen van het bestaan van een nieuw gezamenlijk eenjarig project van vakbonden en werkgevers, waarmee de sociale partners richtsnoeren voor een sociaal verantwoorde herstructurering van de bedrijven willen vastleggen. Dit in 2009 gelanceerde project biedt werkgevers en vakbonden de mogelijkheid de problemen in de sector samen te analyseren en te overleggen over mogelijke oplossingen. De besprekingen zullen moeten leiden tot een actieplan om de overcapaciteit in de sector te verlagen.

1.7   Dat plan kan passen in het industriebeleid op langere termijn waarin ook wordt nagedacht over nieuwe activiteitenmodellen in de grafische industrie. De voortgang van deze inspanningen moet worden gevolgd door een groep op hoog niveau, met vertegenwoordigers uit de industrie, de werknemersvakbonden en deskundigen, samengesteld onder toezicht van de Europese Commissie. De groep moet aan de hand van een transparant systeem voor informatievergaring analyseren welke veranderingen er zullen komen en met welke instrumenten zij in goede banen kunnen worden geleid.

1.8   Momenteel bestaat de formele sociale dialoog tussen werkgevers en vakbonden enkel op ondernemingsvlak en op nationaal niveau. Het EESC vraagt de Commissie een comité voor Europese sociale dialoog voor de gehele sector op te richten.

1.9   De agenda voor een formele en gestructureerde Europese sociale dialoog kan het volgende omvatten:

1)

Bespreking van de verschillende maatregelen om banen te behouden via opleiding en omscholing in combinatie met arbeidstijdverkorting en aanpassing van de arbeidstijd, technische werkloosheid en het streven naar interne en externe mobiliteit, zowel binnen als buiten het bedrijf of het beroep.

2)

Bestudering van de inspanningen die nodig zijn om de productiecapaciteit aan te passen aan de markt zonder negatieve gevolgen voor de arbeidsomstandigheden.

3)

Gezamenlijke aanbeveling door de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers over de keuzes op het vlak van langetermijninvesteringen, met dien verstande dat de behoefte aan en grootte van nieuwe investeringen alleen door ieder bedrijf afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. Het in kaart brengen van de aspecten van een geschikte investeringsstrategie moet ervoor zorgen dat machines kunnen worden aangekocht ter vervanging van andere of om te voldoen aan de marktbehoeften, zodat bedrijven zijn uitgerust om efficiënt te werken binnen hun huidige of toekomstige afzetmogelijkheden.

4)

De noodzaak een diagnose op te stellen van de financiële situatie van de sector door de gepubliceerde gegevens te verzamelen en te consolideren zonder de vertrouwelijkheid van de strategische beslissingen die de bedrijven overwegen, te schaden. Dat is absoluut noodzakelijk om de bestaande manoeuvreerruimte beter te kunnen beoordelen.

5)

Het vaststellen van de beste praktijken op het vlak van werkomstandigheden, opleiding en omscholing, met naleving van de normen van het Europese sociale model en – waar zij bestaan – ook de collectieve overeenkomsten en akkoorden.

1.10   Het EESC vraagt de Commissie om de oprichting van een waarnemingscentrum of sectorraad voor de beroepen en competenties op Europees niveau, bedoeld om na te gaan welke behoeften de sector heeft of nog zal hebben en het opleidingsaanbod te helpen afstemmen op de vraag. Het waarnemingscentrum zou de permanente beroepsopleiding, de mobiliteit en de omscholing van werknemers stimuleren.

1.11   Het EESC stelt voor dat de bevoegde Europese verenigingen zeer binnenkort, met de financiële en logistieke steun van de Europese Commissie, een conferentie organiseren met alle betrokkenen, en met de Commissie zelf, om samen de stand van zaken op te maken en aldus na te gaan wat er op korte termijn te doen staat en een onafhankelijke studie over de nabije en verre toekomst van de sector te financieren. De sociale partners kunnen misschien de opdracht krijgen na te gaan welke maatregelen nodig zijn voor een duurzame werking van de markt en hoe het beroep zich kan ontwikkelen.

1.12   Er zou een analyse kunnen worden gemaakt van de rol van de brokers, om na te gaan hoe hun activiteit de prijsstelling beïnvloedt. Ook het gebruik van specialisatieovereenkomsten kan door de bedrijven worden bestudeerd zodat de productiecapaciteit doeltreffender kan worden gebruikt via schaalvoordelen en betere productietechnieken.

1.13   Het EESC roept de nationale en Europese overheden op om de sector een betere toegang te geven tot overheidsfinanciering via met name het Europees Sociaal Fonds, het EFRO en het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, voor het uitwerken van acties in verband met opleiding, omscholing en mobiliteit van werknemers in de grafische sector. Het Comité roept de ondernemingen op om na te gaan hoe de EIB de aanschaf van nieuwe technologieën voor nieuw te ontwikkelen activiteiten kan helpen financieren.

2.   Achtergrond

2.1   De ontwikkelingen van de grafische industrie in Europa hangen nauw samen met die van de leveranciers van papier, inkt en machines voor het drukken en met die van de opdrachtgevers, die zelf ook problemen hebben en zich organiseren om die te overwinnen, bijvoorbeeld door een concentratie door te voeren.

2.2   Deze moeilijkheden vloeien voort uit de structurele veranderingen (nog versterkt door de crisis) in de wereld van de communicatie, met de groei van internet waardoor de markt sterk verandert. De grote invloed van het internet is merkbaar in de hele waardeketen doordat reclamebudgetten dalen, waardoor de grafische media broodnodige inkomsten mislopen (een proces dat deels onomkeerbaar is) en de pluraliteit van informatie in het gedrang komt.

2.3   Voor bedrijven die actief zijn op gebieden waarin het niet uitmaakt wanneer een product op de markt komt (bepaalde categorieën boeken in het bijzonder), leiden de nieuwe transport- en communicatiemogelijkheden tot meer concurrentie van drukkers in India of China. Het lijkt erop dat brokers, die de laagste prijs nastreven, steeds meer geneigd zijn bestellingen bij Aziatische drukkers te plaatsen en zo een deflatie in de hand werken die schadelijk is voor het investeringsklimaat. Catalogi verschijnen ook steeds vaker online in plaats van op papier en deze ontwikkelingen hebben dan ook desastreuze gevolgen voor de Europese sector van de rotatiediepdruk en de rotatieoffset.

2.4   Volgens de meest recente cijfers van Eurostat telt de Europese grafische industrie 132 571 bedrijven en meer dan 853 672 werknemers (2), en hebben zeven landen (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, België, Nederland en Spanje) samen 80 % van het totale aantal werknemers in de sector in het Europa van de 25 in dienst. Meer dan 95 % van de Europese grafische ondernemingen heeft minder dan 50 personeelsleden of ongeveer 60 % van het totale aantal banen, terwijl minder dan 1 % meer dan 250 werknemers heeft, ongeveer 13 % van het totale aantal banen. Om een vollediger en duidelijker beeld van de sector te krijgen zijn meer gedetailleerde cijfers nodig, die momenteel niet bestaan.

2.5   Dit advies heeft in de eerste plaats betrekking op de rotatiediepdruk en de rotatieoffset vanwege het grote aantal „drukken” of publicaties, en niet zozeer op de problemen in de krantensector of in de sector van het drukken van verpakkingen, die toch als andere markten worden beschouwd. Heel wat kranten hebben namelijk hun eigen drukkerij en hebben dus slechts zijdelings te maken met deze specifieke sector. In de sector van de rotatieoffset en de rotatiediepdruk zijn er grafische ondernemingen die erg grote hoeveelheden producten produceren. Het gaat om aparte drukprocédés met elk hun eigen specifieke machines. Offset wordt gebruikt door grote ondernemingen met rotatieoffset en kleine ondernemingen met offsetvellen. De Europese sectoren van de offset en de rotatiediepdruk zijn samen goed voor 56 % van de totale klassieke drukkerijmarkt in Europa (3). De betrokken bedrijven produceren boeken, jaarboeken, catalogi en tijdschriften die meestal in erg grote oplagen worden gedrukt, tussen de 10 000 en de 300 000 exemplaren.

2.6   De helft van de productie zijn tijdschriften, de andere helft catalogi, reclamefolders en boeken. Voor de gehele productie wordt 5 miljoen ton papier gebruikt. De meeste tijdschriften en heel wat verpakkingen worden in Europa met rotatiediepdruk gedrukt. De sector van de rotatiediepdruk heeft een jaarlijkse capaciteit van meer dan 5 miljoen ton, waarvan 80 % geconcentreerd is in slechts 5 landen. In Europa staan er 222 van deze drukpersen.

2.7   Zowel in de rotatieoffset (ongeveer 30 bedrijven) als in de rotatiediepdruk (ongeveer 25 bedrijven) bestaan er in Europa voornamelijk grote bedrijven. Zij beconcurreren elkaar om hun eigen marktaandeel in een dalende markt te versterken. Inmiddels krijgt rotatiediepdruk ook meer concurrentie van web offset. De bedrijven staan onder steeds meer druk en de sociale partners moeten onderhandelen over herstructureringen, waarbij zij proberen het personeelsbestand, werkomstandigheden en lonen zoveel mogelijk op peil te houden.

3.   Motivering

3.1   De problemen van de Europese grafische industrie als geheel zijn nog nijpender voor de rotatieoffset en de rotatiediepdruk, die met zware structurele én conjuncturele problemen moesten afrekenen: grote veranderingen in de mediawereld met de groei van internet, waardoor de markt voor gedrukte producten slinkt, overcapaciteit en overinvestering, concentratie.

3.2   Algemene ontwikkeling van de mediawereld

3.2.1   Het volume van de producten zal de komende jaren blijven dalen doordat meer publicaties online verschijnen, door de reclame op internet en doordat deze ontwikkeling het gedrag van de lezers ook verandert.

De afgelopen vijf jaren daalde de productie van jaarboeken en catalogi. Deze productie is echter van levensbelang voor de Europese rotatieoffset en rotatiediepdruk. Als deze tendens doorzet zullen er nieuwe herstructureringen, fusies en sluitingen van sites komen, met het bijhorende extra banenverlies.

3.2.2   De afgelopen tien jaren heeft de Europese tijdschriftensector een neerwaartse trend gekend met dalende verkoopcijfers en prijzen (4). Behalve in Spanje en Italië, waar een lichte stijging valt te noteren, hebben volgens Intergraf de zes belangrijkste tijdschriftenproducerende landen tussen 2001 en 2004 een teruggang gekend. Uit recentere cijfers blijkt dat de Italiaanse en Spaanse markt nu krimpen. In 2009 daalden in Italië de investeringen in reclame voor tijdschriften met 28,7 % (Nielsen), terwijl de tijdschriftenproductie 10,5 % in gewicht daalde (Istat). Deze tendens houdt dus aan en zal ook blijven duren zolang de sector overcapaciteit heeft. Om beter te verkopen richten bedrijven zich op een meer gespecialiseerd publiek, waardoor de oplagen verkleinen. Dat heeft negatieve gevolgen voor de sector van rotatieoffset en rotatiediepdruk, die alleen dankzij heel grote oplagen kunnen besparen op de productiekosten.

3.2.3   De krantenuitgevers hebben hun aantal titels verlaagd omdat het aantal lezers afnam. Zo werden in 2008 in het Verenigd Koninkrijk maar liefst 53 titels – voornamelijk gratis dagbladen - geschrapt. Sommige groepen bieden gecombineerde abonnementen aan (papieren en digitale krant) om zo de complementariteit tussen beide informatie- en reclamevormen te verhogen. Mogelijk kan dit de neergang in de sector enigszins vertragen en de omscholing van bepaalde werknemers vergemakkelijken.

3.2.4   In Europa gaat meer dan de helft van de drukkosten naar papier. Aangezien bedrijven hun papier afzonderlijk aankopen hebben zij het moeilijk om de concurrentie aan te gaan met de groepsaankopen in landen in Zuidoost-Azië. In een recent rapport schat de Stationers' and Newspaper Makers' Company dat de vraag naar krantenpapier in 2020 met de helft (56 %) zal zijn gedaald. Datzelfde rapport vermeldt ook dat de vraag voor tijdschriften met een derde zal dalen omdat er meer online zal verschijnen en dit de reclamemarkt zal beïnvloeden, om nog maar te zwijgen van de gevolgen van digitale media voor de sector van de zakentijdschriften (5).

3.2.5   In het verleden hadden de grote uitgeverijen hun eigen drukkerijen. De afgelopen tien jaren hebben veel van hen die activa verkocht om zich op hun kernactiviteiten te concentreren. Uitgevers die nog een eigen drukkerij hebben, zijn intussen zeldzaam. Bovendien besteden zij hun drukwerk – soms via brokers – uit aan de drukker die de laagste prijs rekent, waardoor er een extra druk komt op de activiteit van grafische bedrijven in een toch al verzwakte sector. Dankzij de overcapaciteit kunnen de grote en machtige uitgeverijen een prijsverlaging afdwingen. Daardoor verkleint de marge van de grafische bedrijven, met alle bijhorende negatieve gevolgen voor de lonen van de werknemers.

3.2.6   Ook de uitgevers van catalogi en tijdschriften oefenen druk uit op de fabricageprijzen van hun producten. Omdat de concurrentie voor ieder contract hevig is, proberen de meeste grafische bedrijven hun kosten te drukken door te besparen op lonen, waardoor de arbeidsvoorwaarden minder gunstig worden.

3.2.7   De financiële crisis heeft rampzalige gevolgen voor de grafische ondernemingen die moeilijker krediet krijgen van de banken omdat hun reputatie verzwakt is. Bovendien leidt dit tot een beperking van de reclamebudgetten en dat heeft dan weer negatieve gevolgen voor hun omzet.

3.2.8   Hoewel het goed zou zijn dat grafische bedrijven hun activiteiten diversifiëren, is dat blijkbaar moeilijk: de meeste bedrijven hebben nu, met name in de prepress, de financiële middelen noch de benodigde locaties om te investeren.

3.2.9   De kleine en middelgrote productie-eenheden lijken zich daarentegen gemakkelijker in te stellen op structurele veranderingen en conjuncturele moeilijkheden; zij werken flexibeler en kunnen meer rekening houden met behoeften van een meer uiteenlopende clientèle. In de toekomst kunnen zij bijdragen aan het outplacement van een moeilijk in te schatten deel van werknemers die bij de grote bedrijven hun baan verloren hebben.

3.3   Overcapaciteit en overinvesteringen

3.3.1   De hogere overcapaciteit (6) op de Europese markt van rotatieoffset en rotatiediepdruk wordt veroorzaakt door de afnemende vraag op de Europese markt en door de overinvestering en heeft een negatieve invloed op de krappe marges van de bedrijven. De kans bestaat bovendien dat de bedrijven draconische maatregelen treffen om de kosten te verlagen, in een wanhoopspoging om hun marges te behouden of om te kunnen overleven. Heel wat bedrijven moeten onder de totale kostprijs verkopen om hun verliezen toch enigszins te beperken.

3.3.2   Volgens een studie van UNI Europa Graphical was de grafische productie van de sector in 2008 opnieuw gelijk aan die van 2004 (7). Ondanks de ongunstige conjunctuur hebben de Europese rotatiediepdrukbedrijven tussen 2005 en 200828 nieuwe machines gekocht. Die investeringen waren natuurlijk wel nodig omdat bijvoorbeeld het materiaal aan vernieuwing toe was of de marktbehoeften waren veranderd. Bovendien was er ook bijkomende capaciteit nodig om eventuele productiepieken efficiënter te kunnen opvangen. Die machines kunnen drukwerk sneller afleveren en verhogen zo de overcapaciteit die voor de crisis naar schatting tussen 15 en 20 % (8) bedroeg. In de huidige crisis is er sprake van 25 tot 30 % overcapaciteit.

3.3.3   Volgens de Duitse vakbond Ver.di heeft de uitbreiding van de grafische capaciteit in Europa de concurrentiedruk nog verhoogd en moordend gemaakt. Uit de analyse blijkt ook dat die investeringen de druk om de kosten te verlagen en concurrenten uit de markt te stoten, alleen nog maar hebben verhoogd, waardoor er al massale ontslagen zijn gevallen.

3.3.4   De overcapaciteit en overinvestering hebben al tot een aantal grote faillissementen geleid. Zo was Quebecor World een van de belangrijkste grafische bedrijven in Europa, met wereldwijd meer dan 20 000 personeelsleden. In 2008 heeft Quebecor Worlds zijn faillissement aangevraagd omdat de concurrentie te zwaar werd en er steeds meer digitaal werd gedrukt. In 2009 heeft het bedrijf zijn schulden terugbetaald en zijn Europese activiteiten overgedragen aan het investeringsfonds HHBV; sindsdien heet het World Color. Behalve bedrijven die faillissement aanvragen zijn er ook tal van bedrijven die fusies doorvoeren als reactie op problemen, waardoor in de hele sector omvangrijke herstructureringen zijn doorgevoerd met banenverlies tot gevolg.

3.3.5   Net als in heel wat andere sectoren heeft de economische crisis grote invloed gehad op de loononderhandelingen die in 2009 zijn gevoerd. Zelfs als hun banen behouden bleven stonden de werknemers onder druk om de loonkosten te doen dalen, wat een negatieve impact had op de arbeidsvoorwaarden en de lonen. De collectieve onderhandelingen in 2009 hebben tot een daling met gemiddeld 0,9 % van de koopkracht van de werknemers in de Europese grafische sector geleid (9). De uitbreiding van de markt heeft de negatieve spiraal van de prijzen en de loonkosten nog versterkt en de concurrentie verscherpt.

3.4   Concentratie

3.4.1   De afgelopen jaren is het aantal papier-, inkt- en drukpersproducenten gedaald; de hogere concentratie maakt het de leveranciers dus makkelijker om voorwaarden te stellen.

3.4.2   Uit een recente studie van de Europese grafische sector blijkt dat de overcapaciteit, de overinvesteringen, de kleine vraag, de lagere prijzen voor de producten, de dalende omzet en de toenemende concurrentie op de markt hebben geleid tot fusies, overnames en nieuwe faillissementen (10).

3.4.3   Door fusies en aankopen zijn de ondernemingen gegroeid, en is ook hun vastberadenheid toegenomen om de concurrenten uit de markt te stoten. Zo ontstond in 2005 door de fusie van de mediagroepen Bertelsmann, Gruner + Jahr en Springer Prinovis, de grootste rotatiediepdrukonderneming in de Europese grafische industrie. Daarnaast is de groep Schlott AG de Europese nummer twee geworden dankzij de overname van het bedrijf REUS (in Pilsen, CZ) en vouw- en drukcapaciteit in Biegelaar (NL) in 2006 en 2007. Begin 2008 heeft een Nederlandse investeringsgroep de Europese grafische activiteiten van Quebecor overgenomen. De Britse groep Polestar zoekt partners om zijn marktpositie te versterken.

4.   Vooruitblik

4.1   Met al deze moeilijkheden bevindt de sector van de rotatieoffset en rotatiediepdruk in Europa zich in een kwetsbare positie, die op lange termijn problematisch kan worden als de beleidsmakers niet snel samen met de andere partijen in actie komen. De sociale partners zijn tot het besluit gekomen dat de sector zich alleen duurzaam kan blijven ontwikkelen als een reorganisatie en herstructurering wordt doorgevoerd. De komende tien jaar zullen wellicht aanvullende rationaliseringen nodig zijn, met de bijbehorende ontslagen. De sociale partners menen dan ook dat nu initiatieven moeten worden genomen om de crisis te bezweren in het belang van de werkgevers en werknemers. De crisis is trouwens zo ernstig dat de vakbonden momenteel de gevolgen ervan bestuderen en constructieve strategieën trachten te ontwikkelen om de werkgelegenheid te behouden, omschakelingen te plannen, te voorkomen dat arbeidsomstandigheden verslechteren en de lonen op peil te houden.

4.2   De Europese Commissie heeft in 2007 samen met de beroepsorganisaties een actieplan van zes punten voor de grafische sector voorgesteld:

1)

Steun voor de dynamiek van de Europese grafische drukkerij in een wereldmarkt

a)

Partnerschappen en allianties

b)

Beheer van productiekosten

2)

Ontwikkeling van diensten met een grote toegevoegde waarde voor de klanten

3)

Betere opleiding

4)

Sterker Europees referentiekader – standaardisering en harmonisering

5)

Gecoördineerde verhoging van middelen voor onderzoek en innovatie

6)

Verbetering van het imago van de grafische industrie.

Het EESC steunt dit voorstel, dat ook nu nog actueel is, en is verheugd over de al geboekte resultaten. Nu de problemen in de sector nog vergroot zijn door de crisis en de daaropvolgende recessie in alle EU-lidstaten, meent het Comité dat dringende maatregelen nodig zijn om de sector te helpen het hoofd te bieden aan de uitdagingen op korte termijn.

4.3   De financiële crisis versterkt ook nog de dringende behoefte aan een gezamenlijke reactie van de sociale partners. Meer dan ooit is een echt Europees industrieel beleid nodig, gebaseerd op de inhoud van het voorstel van de Commissie. De concentratie moet niet meer dan nodig toenemen, al kan mogelijk wel een consolidering worden doorgevoerd via overgangsmaatregelen, zoals een arbeidstijdverkorting die zoveel mogelijk banen kan vrijwaren en het pad kan effenen naar een efficiënte omschakeling en interne en externe mobiliteit. In overeenstemming met verordening (EG) 2658/2000 (die momenteel wordt herzien) kunnen ondernemingen waarvan het aandeel op de markt niet meer dan 20 % bedraagt, specialisatieovereenkomsten overwegen om te komen tot schaal- of toepassingsvoordelen of betere productietechnologieën en zo bij te dragen aan hun voortbestaan.

4.4   De activiteit van brokers zou kunnen worden bestudeerd om na te gaan welke invloed zij hebben op de prijsvorming. Het principe van vrije en onvervalste concurrentie moet kunnen gelden, met inachtneming van degelijke arbeids- en loonvoorwaarden en collectieve overeenkomsten zoals zij in de EU bestaan.

4.5   De overcapaciteit van de sector moet in onderling overleg worden beperkt. De sociale dialoog en collectieve onderhandelingen moeten op alle niveaus in ieder land worden gevoerd om de herstructurering op een sociaal aanvaardbare manier te laten verlopen. Er moet dringend een formele en gestructureerde sociale dialoog op Europees niveau worden gevoerd zodat oplossingen kunnen worden uitgewerkt voor de grote uitdagingen van de sector. Het EESC wijst erop dat de sectorale sociale dialoog kan leiden tot de goedkeuring van adviezen, gemeenschappelijke verklaringen, richtsnoeren, gedragscodes, handvesten en akkoorden.

4.6   Financiële en logistieke hulp van de Europese Commissie is onmisbaar om de rotatieoffset en rotatiediepdruk in Europa gezond te houden. Het EESC spoort de ondernemingen aan Europese steun aan te vragen via het Europees Sociaal Fonds, het EFRO, het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering en het Europees fonds voor onderzoek en ontwikkeling. Er moet ook worden nagegaan hoeveel de Europese Investeringsbank kan bijdragen om de aanpassing van bedrijven aan de nieuwe technologieën te financieren. Het is raadzaam dat van de verschillende hulpsystemen gebruik wordt gemaakt, maar wel enkel om de omschakelingen te vergemakkelijken en niet om indirect bedrijfsverplaatsingen te financieren.

4.7   Op erg korte termijn stelt het EESC alvast vier initiatieven voor:

4.7.1

De samenstelling van een groep op hoog niveau met vertegenwoordigers van de industrie, de werknemers en onderzoekers om beter te begrijpen hoe de grafische industrie op middellange termijn georganiseerd moet worden en voorstellen te doen over hoe het nieuwe bedrijfsmodel eruit moet zien.

4.7.2

De organisatie van een conferentie met alle betrokkenen om een gemeenschappelijke stand van zaken op te maken en na te gaan wat er op korte termijn gedaan kan worden. De sociale partners kunnen misschien de opdracht krijgen na te gaan hoe het beroep zich kan ontwikkelen en welke maatregelen nodig zijn om de markt duurzaam te herstellen.

4.7.3

Een onafhankelijke studie, gefinancierd door de Commissie, in het kader van de Europese sectoriële sociale dialoog, naar de toekomst van de sector op middellange en lange termijn in het licht van nieuwe industriële technologieën, de ontwikkeling van het consumentengedrag en de strategieën van de leveranciers en opdrachtgevers.

4.7.4

De oprichting van een waarnemingscentrum of sectorraad voor beroepen en competenties om de beroepen van nu en in de toekomst in kaart te brengen. Weten welke vaardigheden vereist zijn is noodzakelijk om een geschikt opleidings- en omscholingsbeleid uit te werken.

4.8   De Commissie moet de ontwikkelingen in het beroep efficiënt kunnen opvolgen. Daartoe moet zij kunnen beschikken over een systeem voor de vergaring van betrouwbare informatie dat door alle belanghebbenden kan worden geraadpleegd.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Ifo, Investitionstest, München, Frühjahrsgutachten 2008 (Onderzoek naar investeringen, München, lente 2008).

(2)  Competitiveness of the European Graphic Industry, Europese Commissie (2007).

(3)  Competitiveness of the European Graphic Industry, Europese Commissie (2007).

(4)  Competitiveness of the European Graphic Industry, Europese Commissie (2007).

(5)  The Future of Paper and Print in Europe, Stationers' and Newspaper Makers’ Company (2009).

(6)  Gennard, J. The Impact of the financial crisis on the European graphical industry (2009).

(7)  Europese conferentie voor rotogravure en offset, 16-20 maart 2009, Verona (Italië).

(8)  Ibid.

(9)  Verslag van UNI Europa over de collectieve overeenkomsten, Gennard, J. (2009).

(10)  Gennard, J. Annual Collective Bargaining Survey. UNI Europa (2008).