52010DC0077

Werkdocument van de Commissie De toekomst van de ‘teruggave van rechten’ in de oorsprongsregels van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU /* COM/2010/0077 def. */


NL

Brussel, 9.3.2010

COM(2010)77 definitief

WERKDOCUMENT VAN DE COMMISSIE

De toekomst van de ‘teruggave van rechten’ in de oorsprongsregels van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU

WERKDOCUMENT VAN DE COMMISSIE

De toekomst van de ‘teruggave van rechten’ in de oorsprongsregels van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU

Op woensdag 7 oktober 2009 vond in het college een discussie plaats over de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea. In dit verband heeft de voorzitter DG Trade en DG Taxud verzocht een gezamenlijke discussienota op te stellen over de toekomst van de ‘teruggave van rechten’.

I. Inleiding

Onder ‘teruggave van rechten’ (hierna: ‘TR’) zoals gedefinieerd in de oorsprongsprotocollen in preferentiële handelsovereenkomsten, wordt de terugbetaling of algehele of gedeeltelijke vrijstelling verstaan van douanerechten of heffingen van gelijke werking op buitenlandse input (grondstoffen, halffabricaten of onderdelen) die gebruikt wordt bij de vervaardiging van een eindproduct dat naar een derde land wordt uitgevoerd [1].

TR wordt door de EU en veel (zo niet alle) landen toegepast in een niet-preferentiële context. Op die manier worden de exporteurs in verschillende landen op gelijke voet behandeld ondanks de verschillen in de hoogte van de invoerrechten. Wat de invoer betreft, behouden landen de mogelijkheid hun binnenlandse markt te beschermen door middel van de toegepaste meestbegunstigingsrechten. TR is toegestaan uit hoofde van de WTO-subsidieovereenkomst.

In een preferentiële context was het staande praktijk dat de EU de teruggave van rechten in veel van haar vrijhandelsovereenkomsten verbood [2], ofschoon zij die geheel of gedeeltelijk wel heeft toegestaan ten aanzien van veel ontwikkelingslanden [3]. Enkele onderhandelingspartners van de EU over vrijhandelsovereenkomsten maken echter bezwaar tegen zo’n verbod en TR is intussen – zoals onlangs met Korea – een van de hoofdpunten in deze onderhandelingen aan het worden. Een nadere beschouwing van het EU-beleid inzake TR is daarom nodig en deze nota is bedoeld om enkele basisoverwegingen en suggesties voor een beleidslijn op dit punt aan te reiken, die dan verder met de Raad, het EP en de belanghebbenden moeten worden besproken.

II. De gevolgen van het verbieden of toestaan van TR in vrijhandelsovereenkomsten

a) Negatieve gevolgen van TR

Vanouds gaat het bij de liberalisering van de internationale handel om vermindering of volledige opheffing van bestaande handelsbeperkingen. De algemene opheffing erga omnes van bestaande handelsbelemmeringen is de kortste weg om vrijhandel te bewerkstelligen door douanerechten af te schaffen of te verlagen, onder gelijktijdige bescherming van investeringen, openstelling van de dienstenmarkt, enz. In plaats van voor een volledige liberalisering van de handel te gaan, hebben veel landen gekozen voor een tussenweg zoals het toestaan van TR, die bedoeld is om het effect van invoerrechten op de uitvoer te corrigeren en de uitvoer te bevorderen.

In TR kan immers een bedreiging voor de liberalisering van de handel worden gezien omdat TR de liberalisering in zekere zin negatief beïnvloedt. Hoewel de economische literatuur hierover niet eensgezind is, hebben sommige economische studies bijvoorbeeld uitgewezen dat producenten-exporteurs door TR minder geneigd zijn om tegen hoge tarieven op hun input te lobbyen, wat een tegengesteld effect op de vrije handel heeft. Dankzij TR kan het lonend zijn protectionisme in stand te houden: een land kan hierdoor zijn producenten van tussenproducten blijven beschermen en tegelijkertijd die bescherming selectief verminderen om zijn uitvoer van eindproducten te bevorderen. Hoewel TR een positief effect kan hebben op de exportconcurrentiepositie van een land, kan die ook leiden tot uitvoer met een geringe binnenlandse waarde en een relatief hoge buitenlandse inhoud.

Maar TR is zelfs nog bedenkelijker wanneer die in stand wordt gehouden in een proces van volledige liberalisering in het kader van een vrijhandelsovereenkomst. Het bekendste negatieve gevolg van het toestaan van TR in die context is waarschijnlijk het volgende. Wanneer TR in een vrijhandelszone wordt toegestaan, kan een producent in partnerland A vrij van rechten producten uit derde landen betrekken voor uitvoer naar partnerland B, terwijl zijn concurrenten in land B de geldende meestbegunstigingsrechten moeten betalen wanneer zij producten uit derde landen betrekken die op hun eigen binnenlandse markt worden verkocht.

Voorbeeld: een onderneming in een partnerland bij een vrijhandelsovereenkomst die weefsels naar de EU uitvoert, zou voor de vezels die zij uit een derde land invoert om de weefsels te vervaardigen, de rechten terugkrijgen; een textielfabrikant in de EU daarentegen die zijn producten binnen de EU verkoopt, zou niet in aanmerking komen voor teruggave van de rechten die zijn betaald op de vezels die hij voor de vervaardiging van die weefsels uit derde landen invoert. Stel dat het aandeel van die geïmporteerde vezels in de waarde van het weefsel voor de EU-fabrikant 25% bedraagt, dan zou het potentiële concurrentievoordeel van die exporteur in de EU (uitgedrukt als percentage van de totale prijs van het afgewerkte weefsel van de EU-fabrikant) worden verkregen door het invoerrecht in de EU op dergelijke vezels (4%) met 25% te vermenigvuldigen, dus zo’n 1% van de waarde van het weefsel [4].

TR kan dus leiden tot concurrentieverstoringen op de markt van het land van invoer, die nadelige effecten kunnen hebben voor de binnenlandse industrie met mogelijke gevolgen voor de werkgelegenheid. Daar komt nog bij dat, door TR toe te staan, derde landen tot op zekere hoogte kunnen delen in de voordelen van de vrijhandelsovereenkomst wat de handel in halffabricaten en tussenproducten betreft. Terwijl een verbod op TR een groter gebruik van halffabricaten en tussenproducten uit de partnerlanden bij de vrijhandelsovereenkomst zou bevorderen door de toepassing van cumulatiemogelijkheden, maakt het toestaan van TR het mogelijk de input uit derde landen op dezelfde voet te behandelen als de input uit de partnerlanden bij de vrijhandelsovereenkomst: beide inputs zouden in werkelijkheid bij het partnerland tegen het nultarief binnenkomen wanneer zij na verwerking tot een eindproduct opnieuw worden uitgevoerd. Daarom moet TR, hoewel uit juridisch oogpunt geen “exportsubsidie”, in een vrijhandelszone niet als een soort uitvoerstimulans bevorderd worden.

b) Parameters die bepalend zijn voor het effect van TR

TR is een complex economisch instrument. Het effect van het toestaan of verbieden van TR op de exporteurs, op de concurrentie op de markt van het land van invoer en op de handel in halffabricaten, hangt af van een groot aantal factoren, die hieronder worden geïllustreerd [5].

a) Wat het effect op de concurrentiepositie van exporteurs van eindproducten betreft, zijn de relevante factoren de meestbegunstigingsrechten die het land van uitvoer op de tussenproducten toepast, en de mate waarin dat land in het buitenland koopt: hoe hoger de meestbegunstigingsrechten en hoe meer gebruik wordt gemaakt van buitenlandse input (afhankelijk van de oorsprongsregels van de vrijhandelsovereenkomst), des te groter het effect van TR op het geëxporteerde eindproduct kan zijn. Dit is een van de belangrijkste redenen waarom bijvoorbeeld het toestaan van TR in de meeste Aziatische landen, waar de meestbegunstigingsrechten relatief hoog zijn, een veel grotere rol speelt dan in de VS of de EU, waar de meestbegunstigingsrechten relatief laag zijn.

Voorbeeld: Ruritanië past een tarief van 14% toe op de invoer van vezels uit derde landen; stel dat de geïmporteerde vezels 25% uitmaken van de waarde van de door een Ruritaanse onderneming uitgevoerde weefsels, dan zou de waarde van de op die geïmporteerde vezels betaalde rechten 3,5% (25% van 14%) van de waarde van het weefsel van de Ruritaanse exporteur uitmaken. Zoals we in het vorige voorbeeld al hebben gezien, zou de waarde van de rechten op de invoer van die vezels voor een EU-exporteur neerkomen op 1% van de prijs van zijn product.

b) Wat het effect op de concurrentie op de markt voor eindproducten in het land van invoer betreft, is het meest relevante aspect het meestbegunstigingsrecht dat het importerende land op tussenproducten toepast: hoe hoger de meestbegunstigingsrechten die een preferentieel land op de invoer van tussenproducten toepast en hoe meer binnenlandse fabrikanten van die uit derde landen geïmporteerde producten gebruikmaken, des te groter het potentiële concurrentienadeel voor de binnenlandse fabrikanten van eindproducten ten opzichte van exporteurs uit een partnerland bij een vrijhandelsovereenkomst dat van TR profiteert.

Om bij bovenstaand voorbeeld te blijven, de textielfabrikant in de EU die vezels uit derde landen importeert, zou op die vezels invoerrechten moeten betalen ten bedrage van 1% van zijn verkoopprijs, ongeacht of teruggave van rechten toegestaan of verboden is. Als teruggave van rechten in een vrijhandelsovereenkomst is toegestaan, is het concurrentievoordeel van een exporteur uit een partnerland bij een vrijhandelsovereenkomst, zeg Ruritanië, op een binnenlandse EU-producent dus 1% van de waarde van de weefsels.

Kijken we naar de situatie in Ruritanië, dan zou een Ruritaanse textielfabrikant die dezelfde hoeveelheid vezels uit derde landen importeert, daarop rechten moeten betalen ter hoogte van 3,5% van de waarde van de weefsels: dit zou het voordeel vormen voor een EU-fabrikant die dergelijke weefsels naar Ruritanië uitvoert als teruggave van rechten zou zijn toegestaan.

Als daarentegen teruggave van rechten in een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Ruritanië verboden zou zijn, zou de Ruritaanse fabrikant die naar de EU exporteert, te maken krijgen met een negatief voordeel van 2,5% van de waarde van de weefsels (3,5% aan rechten die hij zou betalen op uit derde landen geïmporteerde vezels min 1% voor de rechten die zijn concurrent in de EU op dezelfde vezels zou betalen); omgekeerd zou de EU-producent die naar Ruritanië exporteert, in Ruritanië een concurrentievoordeel hebben van 2,5% (3,5% van de door Ruritaanse fabrikanten betaalde rechten min 1% voor de door EU-exporteurs op die invoer betaalde rechten).

c) Kijken we nu naar de handel in tussenproducten. De sleutelfactor die bepalend is voor het effect op de handel in tussenproducten en onderdelen tussen de EU en onze vrijhandelspartners is de hoogte van de invoerrechten die door beide partijen op deze producten en onderdelen worden toegepast en die krachtens een vrijhandelsovereenkomst zullen worden afgeschaft: hoe hoger die rechten, hoe meer de handel tussen vrijhandelspartners in die producten zal worden gestimuleerd ten koste van leveranciers uit derde landen.

Blijven we bij ons voorbeeld: als teruggave van rechten verboden zou zijn, zou een Ruritaanse onderneming die vezels uit derde landen invoert om daar weefsels van te maken die voor uitvoer naar de EU bestemd zijn, 3,5% extra kosten moeten dragen. Deze kosten zouden die onderneming ertoe kunnen bewegen de vezels op de binnenlandse markt of uit de EU te betrekken in plaats van uit derde landen. Als teruggave van rechten is toegestaan, zou die prikkel wegvallen.

Het effect van TR wordt verder nog beïnvloed door de strengheid of soepelheid van de oorsprongsregels in de vrijhandelsovereenkomst: de productspecifieke oorsprongsregels, die bepalen of de niet van oorsprong zijnde materialen ‘een toereikende be- of verwerking’ hebben ondergaan om een product ‘van oorsprong’ te verkrijgen dat in aanmerking komt voor een preferentiële tariefbehandeling, bepalen in hoeverre in het buitenland mag worden gekocht en bijgevolg de maximumbedragen aan rechten die moeten worden betaald of die kunnen worden terugbetaald als het eindproduct wordt uitgevoerd.

Voorbeeld: voor weefsels geldt als de normale preferentiële oorsprongsregel van de EU de vervaardiging uit vezels, wat twee bewerkingen impliceert – spinnen en weven/breien – die doorgaans driekwart van de toegevoegde waarde van het weefsel uitmaken en die in het land moeten worden uitgevoerd. Dit beperkt de aankoop in het buitenland en dus de reikwijdte en het effect van het al dan niet toestaan van teruggave van rechten. Het effect van het toestaan van teruggave van rechten zou echter groter zijn in sectoren waar de regel soepeler is – bijvoorbeeld voor sommige chemische stoffen, metalen of machines, waar materialen uit derde landen 40-50% kunnen uitmaken van de waarde van het product en het product nog steeds als op de binnenlandse markt geproduceerd wordt beschouwd. In die gevallen kan een verbod op teruggave van rechten de inkoopmogelijkheden die theoretisch door de oorsprongsregel zijn toegestaan, nog eens aanzienlijk verder beperken.

Het belang van TR hangt ook af van de economie van het land. Wat immers de handel in eindproducten betreft, is het effect van het toestaan van TR voor de EU relatief beperkt aangezien de EU over het algemeen zeer lage tarieven voor de invoer van halffabricaten en tussenproducten hanteert, en omdat de industriële basis van de EU zeer gevarieerd is zijn de fabrikanten maar weinig afhankelijk van aankopen in het buitenland, ofschoon de afhankelijkheid van EU-fabrikanten van buitenlandse leveranciers als gevolg van de globalisering toeneemt. Dit effect kan groter zijn bij de handelspartners van de EU, die dikwijls hogere invoerrechten hanteren en die vanwege hun omvang meer van import afhankelijk zijn. Met andere woorden, in gesloten protectionistische markten met hoge meestbegunstigingsrechten op onderdelen en in markten die sterk leunen op invoer uit het buitenland, heeft het toestaan van TR grotere gevolgen dan in een liberaler douanegebied met een geïntegreerde economie.

Al met al vormt het potentiële negatieve effect van het toestaan van TR een goede reden om TR in het algemeen in vrijhandelszones te verbieden.

c) Problemen in verband met het verbod op TR

Weliswaar lijkt een verbod op TR in het kader van een vrijhandelsovereenkomst nog steeds de voorkeur te hebben, maar de toepassing ervan kan problemen opleveren.

Vóór de invoering van een preferentiële regeling is de internationale handel tussen de toekomstige partnerlanden van de vrijhandelszone gebaseerd op een niet-preferentiële context. Bij dergelijke handelsbetrekkingen wordt altijd van TR gebruikgemaakt of bestaat in ieder geval de mogelijkheid daartoe. Als vervolgens in een vrijhandelszone TR verboden wordt, kunnen de te verwachten maximale voordelen van de tariefverlagingen die in het kader van de vrijhandelsovereenkomst zijn overeengekomen, aanzienlijk lager uitvallen.

Hoewel een verbod op TR minder voordelen zou opleveren dan het toestaan ervan, vormt TR op zich voor een vrijhandelspartner geen extra voordeel boven op de afschaffing van invoerrechten. In het kader van een meestbegunstigingsbehandeling bijvoorbeeld moet op een in de EU geïmporteerde auto 10% invoerrechten worden betaald; als de invoerprijs van de auto 10 000 euro bedraagt, zou in vergelijking met de huidige meestbegunstigingsbehandeling in het kader van een vrijhandelsovereenkomst 1 000 euro worden bespaard. Stel dat een in Ruritanië vervaardigde auto 20% onderdelen uit niet-preferentiële derde landen bevat en de invoerrechten in Ruritanië op dergelijke onderdelen gemiddeld 16% bedragen, dan zou op deze onderdelen 320 euro aan rechten zijn betaald. Als een vrijhandelsovereenkomst TR verbiedt, zou het nettovoordeel voor de exporteur in dat geval 680 euro (1 000 € − 320 €) bedragen in plaats van 1 000 euro, 32% minder dan van de afschaffing van de rechten had mogen worden verwacht. Zou het aandeel door de Ruritaanse autofabrikant gebruikte geïmporteerde onderdelen het door de normale oorsprongsregels van de EU toegestane maximum van 40% bedragen, dan zou het nettovoordeel teruglopen tot iets meer dan een derde van de invoerrechten van de EU (1 000 € − 640 € = 360 €) [6].

Voor sommige producten zouden de producenten in een partnerland zelfs de voorkeur kunnen geven aan het meestbegunstigingsrecht, omdat de kosten van het afzien van teruggave van rechten hoger zouden kunnen uitvallen dan het toepasselijke meestbegunstigingsrecht.

In hoeverre deze problemen zich voordoen en hun relatieve belang in vergelijking met de gevolgen van het toestaan van TR hangen zoals hierboven aangegeven af van verschillende economische parameters zoals de respectieve meestbegunstigingsrechten van beide landen, de mate waarin de tarieven in het kader van de vrijhandelsovereenkomst zijn verlaagd of afgeschaft, en de mate van flexibiliteit van de oorsprongsregels en dus de maximaal toegestane buitenlandse inhoud, alsook de economieën van beide partners.

Terwijl in het geval van een vrijhandelsovereenkomst met een verbod op TR bepaalde nadelige effecten van TR op de concurrentie op de binnenlandse markt vermeden zouden worden en de bilaterale handel in halffabricaten en tussenproducten zou worden bevorderd, kan in preferentiële handelsregelingen met een ontwikkelingsland de bijkomende ontwikkelingsdoelstelling een extra punt van overweging zijn. Een verbod op TR voor ontwikkelingslanden is immers niet altijd wenselijk. Het zou bijvoorbeeld moeilijk denkbaar zijn dat een ontwikkeld land een minder ontwikkeld land aan de ene kant rechtenvrije toegang tot zijn markt zou verlenen om de economie van dit land te helpen en te ondersteunen, terwijl het aan de andere kant de economische voordelen van die vrije toegang zou beperken door een verbod op TR voor buitenlandse input die door de producenten van het minder ontwikkelde land wordt gebruikt, mochten beide partners een vrijhandelsovereenkomst aangaan.

Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als de EU een vrijhandelsovereenkomst aangaat met een groep landen waartoe ook minder ontwikkelde landen behoren. Aangezien minder ontwikkelde landen onder de EBA-regeling vallen, kunnen zij vrij van rechten naar de EU exporteren en tegelijk in aanmerking komen voor teruggave van rechten. Als teruggave van rechten in een dergelijke vrijhandelsovereenkomst verboden zou worden, zouden de exporteurs uit de betrokken minder ontwikkelde landen rechten moeten betalen over de uit derde landen geïmporteerde input die wordt verwerkt in hun producten die vrij van rechten naar de EU worden geëxporteerd, waartoe zij uit hoofde van de EBA-regeling niet verplicht zijn.

Evenzo zou een verbod op teruggave van rechten, dat een beperking van de voordelen van de afschaffing van invoerrechten zou inhouden, hun motivering om een vrijhandelsovereenkomst met de EU aan te gaan nog verder verkleinen, aangezien het aandeel van de uitvoer van ontwikkelingslanden naar de EU dat aan invoerrechten van de EU onderworpen is, relatief beperkt is [7].

Bovendien hebben de ontwikkelingslanden momenteel het recht TR toe te passen voor al hun export naar de EU in het kader van unilaterale preferenties (SAP); in feite is een groot deel van de uitvoer van veel ontwikkelingslanden naar de EU in het kader van het SAP al vrij van rechten of aan zeer lage rechten onderworpen (ook wel ‘onbeduidende rechten’ genoemd) en komt die uitvoer tevens voor TR in aanmerking. In die gevallen zou de uit een vrijhandelsovereenkomst voortvloeiende situatie voor producten die in het kader van het SAP nu onder een nulrecht vallen, slechter uitpakken [8].

Om een voorbeeld te geven: het meestbegunstigingsrecht van de EU voor automotoren is 4,2%, maar na de verlaging van het recht krachtens de SAP-verordening wordt dit recht voor alle ontwikkelingslanden teruggebracht tot nul. Een ontwikkelingsland kan die motoren dus in het kader van het SAP rechtenvrij en met teruggave van rechten naar de EU uitvoeren. Als teruggave van rechten in het kader van een vrijhandelsovereenkomst met een ontwikkelingsland verboden zou worden, zou de regeling uit hoofde van de vrijhandelsovereenkomst voor de motorexporteur in dat ontwikkelingsland ongunstiger uitpakken dan de huidige regeling: aangenomen dat de waarde van de motor 2 000 € is, dat het aandeel onderdelen dat voor de vervaardiging van de motor werd geïmporteerd 20% bedraagt en dat de gemiddelde invoerrechten op die onderdelen bijvoorbeeld 16% bedragen, dan zou de prijs van de in het kader van de vrijhandelsovereenkomst uit dat ontwikkelingsland uitgevoerde motoren met 64 € stijgen in vergelijking met de uitvoer onder de huidige regels (20% van 2 000 € × 16% = 64 €, wat zou neerkomen op een recht van 3,2% op de motor). Zou het aandeel gebruikte geïmporteerde onderdelen het onder de normale oorsprongsregels van de EU toegestane maximum van 40% bereiken, dan zou de prijsstijging het dubbele bedragen, namelijk 128 €, wat overeenkomt met 6,4 % van de waarde van de uitvoer en hoger is dan het meestbegunstigingsrecht van de EU.

III. Conclusies

TR in een vrijhandelszone toestaan is problematisch omdat dat tot concurrentieverstoringen tussen de deelnemende landen kan leiden, terwijl goederen en diensten op hun respectieve markt eigenlijk op basis van comparatieve voordelen zouden moeten worden verhandeld. Er zijn dus goede redenen om TR in vrijhandelszones principieel te verbieden.

Aangezien een verbod op TR ook problemen kan opleveren bij de toepassing daarvan op onze partnerlanden, kunnen beperkte concessies op dit algemene principe worden overwogen in ruil voor adequate concessies van de andere partij en op voorwaarde dat de oorsprongsregels aan de behoeften van de bedrijfstak van de EU beantwoorden. Dus kan een beperkte mogelijkheid voor uitzonderingen overwogen worden, gebaseerd op een uitvoerige beoordeling van de volgende criteria:

a) De mate waarin de oorsprongsregels van de vrijhandelsovereenkomst toereikend zijn voor de EU en haar industrie. Immers, het feit dat we beschikken over de juiste productspecifieke oorsprongsregels is uit economisch oogpunt even belangrijk als het verbieden van TR, of zelfs nog belangrijker. Aan de ene kant zouden de oorsprongsregels in onze vrijhandelsovereenkomsten een adequaat niveau van veredeling en/of toegevoegde waarde moeten vereisen teneinde te bevorderen dat de voordelen van de vrijhandelsovereenkomst in de eerste plaats aan de vrijhandelspartners ten goede komen. Aan de andere kant ware het zeer te wensen dat de vrijhandelsovereenkomsten dezelfde of vergelijkbare oorsprongsregels bevatten aangezien het voor de bedrijfstak van de EU ondoenlijk is haar aankopen in het buitenland af te stemmen op regels die per markt van bestemming verschillen. Daarom is het belangrijk oorsprongsregels te aanvaarden die zo dicht mogelijk aansluiten bij de normale oorsprongsregels van de EU. Pas wanneer aanvaardbare oorsprongsregels overeen zijn gekomen die over de hele linie aan de behoeften van de bedrijfstak van de EU beantwoorden, zou enige soepelheid inzake TR kunnen worden betracht, hoewel bij voorkeur binnen zekere grenzen en rekening houdend met de andere criteria hieronder.

b) Het waarschijnlijke effect van het toestaan – of in voorkomend geval het verbieden – van TR, op zowel de concurrentievoorwaarden in de EU-markt als op de EU-exporteurs moet worden beoordeeld en worden meegenomen in de evaluatie van het globale evenwicht van de overeenkomst. Bij die analyse, die een kwantitatieve beoordeling omvat die vroeg in het onderhandelingsproces moet beginnen en die in elk geval afgerond moet zijn voordat het besluit inzake de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst genomen wordt, zal moeten worden gekeken naar het effect op de handel, productie, investeringen en werkgelegenheid, op het gebruik van de cumulatiemogelijkheden in het kader van de vrijhandelsovereenkomst en op de betrokken ontwikkelingslanden.

c) De doelstellingen van de vrijhandelsovereenkomst qua markttoegang en de mate waarin zij rekening houdt met de belangen van de bedrijfstak van de EU. Een van de punten die van geval tot geval in overweging moeten worden genomen om die flexibiliteit te beoordelen, is de mate waarin meer ontwikkelde landen op grond van de vrijhandelsovereenkomsten ambitieuze toezeggingen inzake liberalisering van de handel doen die voor de bedrijfstak van de EU over de hele linie een bevredigend resultaat bieden. Evenzo zouden de EU-exporteurs van halffabricaten adequate markttoegangsvoorwaarden moeten worden geboden omdat zij anders geen enkel voordeel bij de vrijhandelsovereenkomst zouden hebben.

d) Overwegingen aangaande het ontwikkelingsaspect, waaronder de mate waarin een partner in de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst al vrij van rechten (of tegen onbeduidende rechten) met TR naar de EU exporteert, de gevolgen van een verbod op TR voor de voordelen en motivering van die partner om een vrijhandelsovereenkomst aan te gaan, en de effecten van het toestaan van TR op het gebruik van in eigen land geproduceerde tussenproducten. Ook moet rekening worden gehouden met de mate van ontwikkeling van het betrokken derde land.

Wat de mogelijke concessies inzake TR betreft, zou beperkte flexibiliteit er bijvoorbeeld in kunnen bestaan TR te beperken tot het verschil tussen de gemiddelde meestbegunstigingsrechten die van toepassing zijn op de intermediaire input in het partnerland en in de EU wanneer de meestbegunstigingsrechten in een toekomstig partnerland relatief hoog zijn en relatief laag in de EU. Deze oplossing zou in het algemeen of voor sommige sectoren (of zelfs producten indien nodig) kunnen worden toegepast waar het effect van TR als gevolg van het verschil tussen de meestbegunstigingsrechten groter is. Hierdoor zouden gelijke concurrentievoorwaarden voor de industrie van beide landen binnen een vrijhandelszone in stand worden gehouden. In andere gevallen kunnen beperkingen in de tijd of andere beperkingen worden overwogen. In het geval van ontwikkelingslanden zou een soepelere opstelling gerechtvaardigd zijn in het licht van een ontwikkelingsvriendelijk beleid (waarvan de mate afhankelijk kan zijn van de vraag of het al dan niet gaat om een minder ontwikkeld land of een SAP+-land) en rekening houdend met het feit dat zij voor hun uitvoer naar de EU in het kader van het SAP al voor TR in aanmerking komen.

[1] Ter illustratie: op een Japanse automotor wordt bijvoorbeeld bij invoer in Korea 10% rechten geheven. Wanneer deze automotor in een Koreaanse auto wordt ingebouwd die vervolgens naar de EU wordt uitgevoerd, dan kan de Koreaanse autofabrikant teruggave van de 10% rechten vragen die hij op de buitenlandse input/Japanse automotor heeft betaald.

[2] De EU is niet het enige WTO-lid dat TR in vrijhandelsovereenkomsten verbiedt. Andere landen verbieden die in enkele van hun vrijhandelsovereenkomsten ook, hoewel dit soms kan afhangen van hun partners: in sommige overeenkomsten bijvoorbeeld verbieden Mexico en Chili TR terwijl ze die in andere overeenkomsten toestaan. Binnen Mercosur is TR voor bepaalde auto’s verboden. Voor de VS is de belangrijkste vrijhandelsovereenkomst de NAFTA, die TR verbiedt. Na een beleidsdiscussie in 2003 hebben de VS de laatste jaren van geval tot geval beslist en is TR in de gesloten vrijhandelsovereenkomsten toegestaan, behalve in de vrijhandelsovereenkomst VS-Chili, die TR verbiedt; hierbij dient echter te worden aangetekend dat het merendeel van deze vrijhandelsovereenkomsten ontwikkelingslanden betrof (o.a. Marokko, Oman, Bahrein, CAFTA, Colombia, Jordanië, Peru) – met uitzondering van Israël en Australië en de nog niet goedgekeurde vrijhandelsovereenkomst VS-Korea – en dat de EU in het verleden ook soepelheid ten aanzien van ontwikkelingslanden heeft betracht. In de vrijhandelsovereenkomst VS-Singapore heeft TR geen echte economische gevolgen aangezien het Singaporese meestbegunstigingsrecht voor de meeste producten gelijk is aan 0.

[3] Behoudens overgangsregelingen is TR verboden in de vrijhandelsovereenkomsten met ontwikkelingslanden als Mexico en Chili en in alle Euro-mediterrane vrijhandelsovereenkomsten. TR is echter toegestaan in handelspreferenties in verband met ontwikkelingsdoeleinden: krachtens de SAP-regels die voor alle ontwikkelingslanden en, krachtens de overeenkomst van Cotonou, voor de ACS-landen gelden, in de EPO’s en in de Handels-, ontwikkelings- en samenwerkingsovereenkomst met Zuid-Afrika.

[4] Bij de meeste andere industriesectoren en -producten kan het aandeel buitenlandse inhoud door de oorsprongsregels groter zijn (in sommige gevallen tot 50%) en de cijfers en de gevolgen van het toestaan of verbieden van teruggave van rechten kunnen hoger, resp. groter uitvallen afhankelijk van het feitelijke gebruik van de inkoopmogelijkheden in het buitenland.

[5] Eenvoudigheidshalve is in de voorbeelden geen rekening gehouden met andere factoren zoals de vraag of de uit derde landen geïmporteerde tussenproducten misschien afkomstig zijn uit preferentiële landen die niet aan invoerrechten onderworpen zijn, of met de cumulatiemogelijkheden. Om dezelfde reden is de waarde van de teruggave van rechten berekend op basis van de invoerprijs van het eindproduct in plaats van de fabricagekosten en is die daarom enigszins overschat.

[6] Men kan echter aanvoeren (zie onder II.a) hierboven) dat het in een vrijhandelsovereenkomst legitiem is exporteurs door middel van een verbod op TR te beletten volledig van de afschaffing van rechten te profiteren aangezien exporteurs anders in een betere positie zouden verkeren dan hun concurrenten die op de binnenlandse markt van het land van invoer opereren.

[7] Ongeveer driekwart van de uitvoer van de ontwikkelingslanden waarmee de EU op het ogenblik over vrijhandelsovereenkomsten onderhandelt, is in het kader van de meestbegunstigingsregeling en het SAP onderworpen aan een nulrecht of aan zeer lage rechten. Zo kwam in 2008 58% van de totale invoer uit India vrij van rechten de EU binnen en op nog eens 7% waren onbeduidende rechten van toepassing (≤ 3%); 65% van de invoer uit de ASEAN-landen was vrij van rechten en voor nog eens 5,6% golden rechten onder de 3%; 80% van de invoer uit Midden-Amerika kwam ook vrij van rechten binnen; 77% van de Colombiaanse uitvoer was vrij van rechten en 95% van de invoer uit Peru. Een verbod op TR zou dus voor ongeveer een kwart van de uitvoer van deze landen naar de EU een beperking van de voordelen van de vrijhandelsovereenkomst betekenen; bij deze uitvoer gaat het echter om producten die in de EU aan de hoogste tarieven onderworpen zijn en die normaal gesproken gevoeliger zijn.

[8] De aandelen van die uitvoer die in het kader van het SAP aan een nulrecht onderworpen zijn, waren in 2008: 24% voor India, 10% voor de ASEAN-landen, 20% voor Midden-Amerika, 13% voor Colombia en 23% voor Peru. In deze gevallen zou een vrijhandelsovereenkomst bij een verbod op TR slechter uitpakken.

--------------------------------------------------