|
22.9.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 227/13 |
Samenvatting van de Beschikking van de Commissie
van 13 mei 2009
betreffende een procedure overeenkomstig artikel 82 van het EG-Verdrag en artikel 54 van de EER-Overeenkomst
(Zaak COMP/C-3/37.990 — Intel)
2009/C 227/07
1. INLEIDING
|
(1) |
Op 13 mei 2009 heeft de Commissie een beschikking aangenomen betreffende een procedure krachtens artikel 82 van het EG-Verdrag en artikel 54 van de EER-Overeenkomst, gericht tot Intel Corporation. De Commissie publiceert hierbij de samenvatting van de beschikking, rekening houdend met het rechtmatige belang dat ondernemingen hebben bij bescherming van hun bedrijfsgeheimen. Een niet-vertrouwelijke versie van de beschikking zal te vinden zijn op de website van het directoraat-generaal Concurrentie. |
2. BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
2.1. Procedure
|
(2) |
Op 18 oktober 2000 diende Advanced Micro Devices (hierna „AMD” genoemd) bij de Commissie een formele klacht in op grond van artikel 3 van Verordening nr. 17/62, die onder andere in november 2003 met nieuwe feiten en beweringen werd aangevuld. |
|
(3) |
In mei 2004 begon de Commissie met een nieuwe reeks onderzoeken naar onderdelen van de aanvullende klacht. Bij vier vestigingen van Intel, in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië en Spanje, en bij vestigingen van diverse afnemers van Intel in Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, voerde de Commissie in het kader van dat onderzoek in juli 2005 inspecties uit op grond van artikel 20, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003, waarbij zij bijstand kreeg van een aantal nationale mededingingsautoriteiten. |
|
(4) |
Op 26 juli 2007 deed de Commissie een mededeling van punten van bezwaar uitgaan over de gedragingen van Intel ten aanzien van vijf grote computerfabrikanten (OEM’s): Dell, HP, Acer, NEC en IBM. Intel gaf op 8 januari 2008 antwoord op de mededeling van punten van bezwaar van 26 juli 2007, waarna op 11 en 12 maart 2008 een mondelinge hoorzitting werd gehouden. |
|
(5) |
Op 17 juli 2006 diende AMD een klacht in bij het Duitse Bundeskartellamt, waarin het aanvoerde dat Intel zich schuldig zou hebben gemaakt aan afschermende afzetregelingen en andere praktijken samen met Media-Saturn-Holding GmbH, een Europese detailhandelaar in consumentenelektronica. Het Bundeskartellamt heeft hierover informatie uitgewisseld met de Commissie op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2003. |
|
(6) |
De Commissie heeft onderzoek uitgevoerd naar de beweringen van AMD, waaronder inspecties bij vestigingen van verschillende Europese pc-verkopers en van Intel in februari 2008. Daarnaast werden schriftelijke informatieverzoeken gericht aan een aantal grote OEM’s. |
|
(7) |
Op 17 juli 2008 deed de Commissie een aanvullende mededeling van punten van bezwaar uitgaan over de gedragingen van Intel ten aanzien van Media-Saturn-Holding. Deze aanvullende mededeling had ook betrekking op de gedragingen van Intel ten aanzien van Lenovo. Ook bevatte de mededeling nieuw bewijs inzake de gedragingen van Intel ten aanzien van de OEM’s waarop de mededeling van punten van bezwaar van 26 juli 2007 betrekking had, dat door de Commissie na die mededeling was verkregen. |
|
(8) |
Intel gaf geen antwoord op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar van 17 juli 2008. In plaats daarvan stelde het bij het Gerecht van eerste aanleg beroep in waarbij het Gerecht verzocht werd de Commissie te gelasten verschillende categorieën aanvullende documenten op te vragen uit onder meer het dossier inzake de particuliere geschillenbeslechting tussen Intel en AMD in de Amerikaanse staat Delaware. Bovendien verzocht Intel om voorlopige maatregelen om de procedure van de Commissie te schorsen, in afwachting van een arrest van het Gerecht van eerste aanleg inzake het ingestelde beroep, en om Intel vanaf de datum van het arrest 30 dagen de tijd te geven om op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar te antwoorden. |
|
(9) |
Op 19 december 2008 zond de Commissie Intel een brief om Intels aandacht te vestigen op een aantal specifieke bewijsstukken die de Commissie voornemens was te gebruiken in een potentiële eindbeschikking. Intel gaf geen antwoord op deze brief binnen de tot 23 januari 2009 verlengde termijn. |
|
(10) |
Op 27 januari 2009 wees de president van het Gerecht van eerste aanleg Intels verzoek om voorlopige maatregelen en om verlenging van de termijn om te antwoorden op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar van 17 juli 2008 af. |
|
(11) |
Naar aanleiding van de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg diende Intel op 5 februari 2009 een schriftelijk stuk in met onder andere opmerkingen over de aanvullende mededeling van punten van bezwaar van 17 juli 2008. De diensten van de Commissie bestudeerden de argumenten in Intels verlaat ingediende stuk, hoewel het ruimschoots de tijd had gehad om op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar van 17 juli 2008 te antwoorden voor de uiterste termijn van 17 oktober 2008. |
|
(12) |
Op 10 februari 2009 diende Intel bij de raadadviseur-auditeur een verzoek in om een mondelinge hoorzitting over de aanvullende mededeling van punten van bezwaar van 17 juli 2008. De raadadviseur-auditeur wees het verzoek van Intel op 17 februari 2009 per brief af. |
|
(13) |
Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities bracht op 28 april en 8 mei 2009 een unaniem gunstig advies uit. |
2.2. Betrokken product en markt
|
(14) |
De producten waarop de beschikking betrekking heeft, zijn centrale verwerkingseenheden of processors (cpu’s) met de x86-architectuur. De processor is een wezenlijk onderdeel van elke computer, zowel wat betreft de algehele prestaties als de kosten van het systeem, en wordt vaak gezien als het „brein” van de computer. Voor de fabricage van processors zijn technologisch geavanceerde, kostbare faciliteiten nodig. |
|
(15) |
Computerprocessors kunnen in twee deelcategorieën worden verdeeld: processors die volgens de x86-architectuur werken en processors met een andere architectuur. De x86-architectuur is door Intel ontworpen voor gebruik in de processors die het bedrijf fabriceert en is geschikt voor zowel Windows als Linux als besturingssysteem. Windows is nauw verbonden met de x86-instructieset. Voor 2000 waren er diverse fabrikanten van x86-processors. De meeste van deze fabrikanten hebben de markt echter verlaten. Sindsdien zijn Intel en AMD zo goed als de enige bedrijven die deze processors nog vervaardigen. |
|
(16) |
Het onderzoek van de Commissie leidde tot de conclusie dat de relevante productmarkt niet meer omvat dan de markt van x86-processors. De beschikking laat de vraag open of de omschrijving van de relevante productmarkt zou kunnen worden onderverdeeld in x86-processors voor desktopcomputers, voor notebookcomputers en voor servers, aangezien het marktaandeel van Intel voor zowel de onderverdeelde als de niet-onderverdeelde omschrijving zodanig is dat er geen verschil is wat Intels machtspositie betreft. |
|
(17) |
De geografische markt omvat de gehele wereld. |
|
(18) |
Gedurende de tien jaar waarop de beschikking betrekking heeft (1997–2007) had Intel steeds een zeer hoog marktaandeel van circa 70 % of meer. |
|
(19) |
Er zijn bovendien aanzienlijke barrières voor het betreden van de markt voor x86-processors en voor expansie in die markt. Dit is het gevolg van de verzonken investeringen in onderzoek en ontwikkeling, intellectuele eigendom en productiefaciliteiten die voor de fabricage van x86-processors nodig zijn. De status van Intel als sterk merk („must-stock”) en de daaruit resulterende productdifferentiatie vormen eveneens een barrière voor het betreden van de markt. De geconstateerde hoge barrières voor markttoegang en expansie stemmen overeen met de geconstateerde marktstructuur, die erop neerkomt dat alle concurrenten van Intel, met uitzondering van AMD, de markt hebben verlaten of nog slechts een onbeduidend marktaandeel hebben. |
|
(20) |
Gezien het marktaandeel van Intel en de geconstateerde barrières voor markttoegang en expansie luidt de conclusie van de beschikking dat Intel, in ieder geval in de periode waarop de beschikking betrekking heeft (oktober 2002 tot december 2007), een machtspositie op de markt had. |
2.3. Samenvatting van de inbreuk
|
(21) |
In de beschikking worden twee soorten gedragingen van Intel ten aanzien van zijn handelspartners beschreven: voorwaardelijke kortingen en onverbloemde concurrentiebeperkingen. |
2.3.1. Voorwaardelijke kortingen
2.3.1.1.
|
(22) |
Intel verleende kortingen aan grote OEM’s op voorwaarde dat deze al of vrijwel al hun leveringsbehoeften bij Intel inkochten. Dit is het geval voor:
|
|
(23) |
Intel verrichte tevens betalingen aan Media-Saturn-Holding, de grootste detailhandelaar in pc’s in Europa, waarvoor de voorwaarde gold dat Media-Saturn-Holding uitsluitend pc’s met processors van Intel verkocht. Deze betalingen hadden een soortgelijke uitwerking als de voorwaardelijke kortingen aan OEM’s. |
|
(24) |
Vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is: „Als een onderneming op een markt een machtspositie inneemt, dan vormt een binding der kopers, in dier voege dat zij zich, zij het op eigen wens, verplichten — dan wel beloven — zich voor al hun behoeften dan wel voor een groot gedeelte van hun behoeften uitsluitend bij bedoelde onderneming te bevoorraden, misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 82 van het Verdrag, om het even of zulk een verplichting zonder meer dan wel tegen toekenning van een korting wordt gestipuleerd. Dit geldt ook wanneer bedoelde onderneming, zonder de afnemers in formele zin een verplichting op te leggen, hetzij krachtens afspraak, hetzij eenzijdig, een stelsel van getrouwheidskortingen toepast, dat wil zeggen een systeem van rabatten, gebonden aan de voorwaarde dat de afnemer zich, om het even of hij veel of heel weinig aankoopt, voor zijn behoeften goeddeels of uitsluitend bevoorraadt bij de onderneming die bedoelde machtspositie inneemt.” (1) |
|
(25) |
De conclusie van de beschikking luidt dat de voorwaardelijke kortingen die Intel verleende getrouwheidskortingen zijn die voldoen aan de voorwaarden in de jurisprudentie in de zaak Hoffmann-La Roche. Wat betreft de voorwaardelijke betalingen aan Media-Saturn-Holding stelt de beschikking vast dat het economische mechanisme van deze betalingen gelijkwaardig is met de voorwaardelijke kortingen aan de OEM’s. De conclusie van de beschikking luidt daarom dat ook deze betalingen voldoen aan de voorwaarden in de jurisprudentie in de zaak Hoffmann-La Roche. |
|
(26) |
Ook moet worden opgemerkt dat het in het algemeen onzeker was hoeveel kortingen of betalingen precies verloren zouden gaan indien (meer) processors zouden worden ingekocht bij Intels concurrent AMD. De verwachting was dat het om een aanzienlijk bedrag zou gaan, dat niet in verhouding zou staan tot het aantal eenheden dat bij AMD zou worden betrokken. Bovendien bestond ook de mogelijkheid dat de niet uitgekeerde kortingen door Intel aan concurrerende computerfabrikanten zouden worden uitgekeerd. Het resultaat van de kortingen was derhalve dat de vrijheid van de betrokken computerfabrikanten en van Media-Saturn-Holding om processors bij AMD in te kopen, werd beperkt. |
|
(27) |
De kortingen en betalingen die Intel aan grote computerfabrikanten en aan Media-Saturn-Holding verstrekte, moeten ook worden bekeken in de context van de groeiende concurrentiedreiging die AMD vormde. Wat dit betreft wordt in de beschikking getoond dat OEM’s, it-managers en Intel van mening waren dat de producten van AMD bepaalde positieve innovatieve eigenschappen hadden en een goed alternatief waren voor die van Intel. Hoewel in de beschikking geen absoluut oordeel wordt geveld over de technische prestaties van de betrokken producten van Intel en AMD, blijkt uit de opmerkingen van de OEM’s en uit documenten uit dezelfde periode dat de OEM’s de x86-processors van AMD geschikt achtten voor in ieder geval een deel van hun eindproducten. |
2.3.1.2.
|
(28) |
De beschikking toont niet alleen aan dat is voldaan aan de voorwaarden van de jurisprudentie voor het vaststellen van misbruik, maar geeft tevens een economische analyse van de mogelijkheid om met behulp van kortingen een concurrent uit te sluiten die even efficiënt is als Intel, maar geen machtspositie heeft. In essentie stelt de test vast tegen welke prijs een „even efficiënte” concurrent als Intel zijn processors zou moeten aanbieden om een OEM te compenseren voor het derven van de korting van Intel. |
|
(29) |
Het gaat bij deze test om een hypothetische exercitie, in die zin dat wordt bekeken of een even efficiënte concurrent als Intel die een product wil aanbieden dat niet zo’n brede omzetbasis heeft als dat van Intel, wordt verhinderd de markt te betreden. In principe gaat het er niet om of AMD in feite de markt kon betreden. |
|
(30) |
Bij de analyse spelen drie factoren een rol: het betwistbare aandeel (het deel van de aankoopbehoeften van een afnemer dat, realistisch gesproken, in een bepaalde periode naar een concurrent kan worden verschoven), een relevante tijdsperiode (ten hoogste een jaar) en een relevante maat voor de haalbare kosten („average avoidable cost”). Als de kortingsregeling van Intel ertoe leidt dat, gegeven het betwistbare aandeel, een even efficiënte concurrent zijn producten moet verkopen voor minder dan een haalbaar deel van de kosten van Intel, wil hij een OEM kunnen compenseren voor de derving van de korting van Intel, dan was de korting voldoende om de even efficiënte concurrent buiten te sluiten. Dit zou de eindverbruiker beroven van de mogelijkheid te kiezen tussen verschillende producten die de OEM zou hebben verkozen aan te bieden als deze zijn productiebesluit had kunnen nemen uitsluitend op grond van de relatieve merites van de producten en eenheidsprijzen van Intel en diens concurrenten. |
|
(31) |
Een soortgelijke analyse is uitgevoerd voor de betalingen van Intel aan Media-Saturn-Holding. Bij de analyse van het vermogen van deze betalingen om een even efficiënte concurrent buiten te sluiten, is ook meegerekend dat de betalingen werden verricht op een ander niveau in de toeleveringsketen en dat het effect ervan bovenop de voorwaardelijke korting aan de OEM’s kwam. |
2.3.1.3.
|
(32) |
In de beschikking wordt ook aangegeven dat bepaalde OEM’s, met name Dell en HP, van groter strategisch belang zijn dan andere OEM’s door hun sterkere vermogen om een processorfabrikant toegang te verlenen tot de markt. Zij kunnen van de andere OEM’s worden onderscheiden op grond van drie hoofdcriteria: i) hun marktaandeel, ii) hun sterke aanwezigheid in het winstgevendere deel van de markt en iii) hun vermogen om een nieuwe processor een legitieme plaats op de markt te bieden. Kleinere OEM’s zijn daartoe in mindere mate in staat dan HP en Dell, vooral in het zakelijke segment, dat het meest winstgevend is. |
2.3.1.4.
|
(33) |
Het door de Commissie verzamelde bewijs leidde tot de conclusie dat de voorwaardelijke kortingen en betalingen van Intel een getrouwheidsbevorderend effect hadden op grote computerfabrikanten en een grote detailhandelaar. Deze effecten vulden elkaar aan door het vermogen van concurrenten om op de merites van hun x86-processors te concurreren, aanzienlijk te verminderen. De concurrentiebeperkende gedragingen van Intel leidden daardoor tot een vermindering van de keuzevrijheid van de consument en een geringere prikkel tot innovatie. |
2.3.1.5.
|
(34) |
Intel voerde twee verschillende groepen argumenten aan om zijn kortingsregelingen te rechtvaardigen: i) Intel zou met zijn kortingen slechts hebben gereageerd op de prijsconcurrentie van rivalen en dus concurrentie hebben ondervonden; en ii) het kortingssysteem voor elke afzonderlijke OEM zou noodzakelijk zijn geweest om de sterke efficiëntie te bereiken die voor de processorindustrie relevant is. Wat het laatste betreft, voerde Intel aan dat door de exclusiviteitseisen in het kader van de kortingsregelingen vier soorten efficiëntie kunnen worden bereikt: lagere prijzen, schaalvoordelen, andere kostenbesparingen en productie-efficiënties, en risicodeling en efficiëntie bij de afzet. Voorts voerde Intel aan dat de aan de kortingen verbonden voorwaarden onmisbaar waren om deze efficiënties te realiseren en dat hun gevolgen voor de concurrentie gering waren, aangezien AMD gedurende de onderzoeksperiode bleek te zijn gegroeid. |
|
(35) |
De Commissie beoordeelde deze argumenten en analyseerde in hoeverre de gedragingen van Intel geschikt waren om de door Intel aangedragen efficiënties op een evenredige wijze te bereiken. De Commissie achtte Intels argumenten gebrekkig als objectieve rechtvaardiging, omdat zij in het algemeen betrekking hebben op gedragingen waartegen de Commissie geen bezwaar had (namelijk het verlenen van kortingen) en niet op gedragingen waartegen zij wel bezwaren had (namelijk de aan de kortingen verbonden voorwaarden). Ook was de Commissie van mening dat geen van de efficiëntieargumenten een relevante rechtvaardiging voor de betrokken gedraging biedt. |
2.3.1.6.
|
(36) |
De conclusie van de beschikking luidt dat de voorwaardelijke kortingen die Intel aan Dell, HP, NEC en Media-Saturn-Holding verleende, moeten worden aangemerkt als misbruik van een machtspositie als bedoeld in artikel 82 van het EG-Verdrag en artikel 54 van de EER-Overeenkomst. |
2.3.2. Onverbloemde concurrentiebeperkingen
|
(37) |
Intel verstrekte aan grote computerfabrikanten betalingen op voorwaarde dat deze computerfabrikanten de lancering van producten met AMD-processors zouden uitstellen of schrappen, en/of de distributie van producten met AMD-processors zouden beperken. Dit is het geval voor:
|
|
(38) |
In de zaak Irish Sugar concludeerde het Gerecht van eerste aanleg dat er sprake was van misbruik toen door een onderneming met een marktpositie „met één groot- en met één detailhandelaar een overeenkomst [werd] gesloten om concurrerende kleinhandelssuiker […], meer bepaald Eurolux-suiker in pakken van 1 kilo van de Compagnie Française de sucrerie, voor eigen producten te ruilen” (2). Door deze ruil voorkwam de onderneming met een machtspositie de aanwezigheid van het merk van de concurrent op de markt, doordat detailhandelaars geen suiker van het merk Eurolux meer in voorraad hadden en in plaats daarvan suiker van de onderneming met een machtspositie verkochten. Het Gerecht van eerste aanleg oordeelde in dit verband: „verzoekster [heeft] de mededingingsstructuur ondermijnd die op de Ierse kleinhandelssuikermarkt had kunnen ontstaan door de introductie van een nieuw product, Eurolux-suiker, door in de hierboven beschreven omstandigheden op de markt waarvan zij meer dan 80% van de omzet in handen had, concurrerende producten te ruilen tegen eigen producten.” (3) |
|
(39) |
De conclusie van de beschikking luidt dat de gedragingen van Intel de concurrentie rechtstreeks schade toebrachten. Een product dat de leverancier actief van plan was op de markt te brengen, ondervond vertragingen of belemmeringen bij het bereiken van de markt. De consument had daardoor minder keuze dan hij anders zou hebben gehad. De gedraging van Intel vormde geen normale concurrentie op basis van merites. Bovendien was er geen legitieme objectieve rechtvaardiging voor de betalingen van Intel aan computerfabrikanten om de lancering van producten met AMD-processors te vertragen, te annuleren of anderszins te beperken, dan wel de distributie ervan te beperken, en kon daardoor geen efficiëntiewinst worden behaald. |
2.3.3. Samenhangende strategie
|
(40) |
De beschikking stelt vast dat niet alleen elk van de gedragingen van Intel ten aanzien van bovengenoemde afzonderlijke computerfabrikanten en ten aanzien van Media-Saturn-Holding een inbreuk op artikel 82 van het EG-Verdrag vormt, maar dat deze afzonderlijke misbruiken ook een samenhangende strategie vormden die erop gericht was de markt voor x86-processors af te schermen voor AMD, Intels enige concurrent van betekenis. De afzonderlijke misbruiken vormen daardoor gezamenlijk één inbreuk op artikel 82 van het EG-Verdrag. |
|
(41) |
De beschikking voegt daaraan toe dat de praktijken van Intel, die cumulatief werden toegepast op twee niveaus van de distributieketen (grote computerfabrikanten en een grote detailhandelaar) gezien moesten worden in de context van de groeiende concurrentiedreiging die AMD vormde. De effecten van de gedragingen van Intel vulden elkaar aan door de markt af te schermen voor concurrenten en daardoor hun vermogen om op de merites van hun processors te concurreren, aanzienlijk te verminderen. Dit leidde ertoe dat eindgebruikers kunstmatig werden verhinderd om op basis van de merites van de betrokken producten (de prijs en de kwaliteit van de processor) voor een computer zonder Intel-processor te kiezen. |
|
(42) |
In dit verband herinnert de Commissie ook aan de jurisprudentie die luidt „dat wanneer een of meer ondernemingen met een machtspositie daadwerkelijk een praktijk toepassen die tot doel heeft een concurrent van de markt te verdrijven, het uitblijven van het gewenste resultaat niet kan volstaan om te beletten dat deze praktijk als misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 86 (thans artikel 82) van het Verdrag wordt aangemerkt.” (4) |
3. BESCHIKKING
|
(43) |
De beschikking komt tot de bevinding dat Intel inbreuk heeft gemaakt op artikel 82 van het Verdrag en artikel 54 van de EER-Overeenkomst door zich van oktober 2002 tot en met december 2007 schuldig te maken aan één enkele voortgezette inbreuk op artikel 82 van het Verdrag en artikel 54 van de EER-Overeenkomst, die inhield dat Intel een strategie toepaste die gericht was op afscherming van de markt voor x86-processors voor concurrenten. |
|
(44) |
Vanwege deze inbreuk is aan Intel Corporation een boete van 1 060 000 000 EUR opgelegd. |
|
(45) |
Intel Corporation dient onverwijld een einde te maken aan de inbreuk, voor zover het zulks nog niet heeft gedaan, en zich te onthouden van elke handeling of gedraging die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg heeft. |
(1) Zaak 85/76, Hoffmann-La Roche/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 461, rechtsoverweging 89.
(2) Zaak T-228/97, Irish Sugar, Jurispr. 1999, blz. II-2969, rechtsoverweging 226.
(3) Ibidem, rechtsoverweging 233.
(4) Zaken T-24/93, T-25/93, T-26/93 en T-28/93 (Compagnie Maritime Belge Transports en anderen/Commissie), Jurisprudentie 1996, blz. II-1201, rechtsoverweging 149; zie ook zaak C-202/07 P (France Telecom/Commissie, nog niet gepubliceerd in de Jurispr., rechtsoverwegingen 107 tot en met 113.