|
24.2.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 46/10 |
Gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid
P6_TA(2009)0006
Resolutie van het Europees Parlement van 13 januari 2009 over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en mondiale voedselzekerheid (2008/2153(INI))
(2010/C 46 E/02)
Het Europees Parlement,
|
— |
gelet op artikel 33 van het EG-Verdrag, |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2007 over de stijging van de prijzen van levensmiddelen (1), alsook zijn resolutie van 22 mei 2008 over de stijgende voedselprijzen in de Europese Unie en de ontwikkelingslanden (2), |
|
— |
onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 november 2007 over nieuwe impulsen voor de Afrikaanse landbouw – Voorstel voor landbouwontwikkeling en voedselzekerheid in Afrika (3), |
|
— |
gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van de voedselprijzen in de ontwikkelingslanden (COM(2008)0450), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 20 mei 2008 getiteld „Het probleem van de stijging van de voedselprijzen aanpakken - Richtsnoeren voor maatregelen van de EU” (COM(2008)0321), |
|
— |
gezien de conclusies van de Wereldvoedseltop gehouden te Rome van 13 to 17 november 1996, en de doelstelling om het aantal mensen dat honger lijdt vóór 2015 te halveren, |
|
— |
gezien de „Agricultural Outlook 2008-2017” van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), |
|
— |
gezien de aanbevelingen van de International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (IAASTD), |
|
— |
gezien de uitkomsten van de „gezondheidscontrole” van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), |
|
— |
gezien de lopende WTO-onderhandelingen in het kader van de ontwikkelingsagenda van Doha, |
|
— |
gezien de Verklaring van Parijs van 2 maart 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, |
|
— |
gelet op artikel 45 van het Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie industrie, onderzoek en energie, (A6-0505/2008), |
|
A. |
overwegende dat de wereld voor het eerst sinds de jaren '70 voor een acute voedselcrisis staat, die zowel door structurele, langetermijnfactoren als door andere elementen wordt bepaald, waarbij de maïsprijs sinds 2006 verdrievoudigd is, de mondiale tarweprijzen in twee jaar tijd met meer dan 180% zijn gestegen en de wereldvoedselprijzen over het algemeen met ongeveer 83%, |
|
B. |
overwegende dat deze aanzienlijke, onvoorziene prijsstijging heeft plaatsgehad in betrekkelijk korte tijd, namelijk tussen september 2006 en februari 2008; voorts overwegende dat de mondiale prijzen van andere voedingsmiddelen over de laatste twee jaar zijn verdubbeld en naar verwachting hoog zullen blijven, niettegenstaande de huidige prijsdaling bij een aantal tarwesoorten, zoals de futuresmarkten laten zien, |
|
C. |
overwegende dat de stijging van de veevoederprijzen de productiekosten doet stijgen, waardoor de veeteeltproductie dreigt af te nemen, ofschoon in met name de opkomende economieën er een stijgende vraag is en naar verwacht zal zijn naar veeteeltproducten, |
|
D. |
overwegende dat volgens voorspellingen van de FAO en de OESO de grondstofprijzen weliswaar niet op het hoge niveau van vorig jaar zullen blijven, maar dat niet wordt verwacht dat ze zullen zakken tot de niveaus van vóór 2006; overwegende echter dat dramatische schommelingen in de grondstofprijzen mogelijk een opvallender kenmerk van de mondiale markt en een regelmatig terugkerend verschijnsel zullen worden; voorts overwegende dat hogere voedselprijzen zich niet altijd vertalen in hogere landbouwinkomens, voornamelijk door de snelheid waarmee de kosten van landbouwproductiemiddelen stijgen maar ook door de kloof tussen producenten- en consumentenprijzen, die door de tijd heen steeds groter is geworden, |
|
E. |
overwegende dat de wereldvoedselvoorraden een kritiek niveau hebben bereikt: terwijl de voorraden in de periode na de Tweede Wereldoorlog voldoende groot waren om een jaar lang in de voedselbehoefte te kunnen voorzien, was er in 2007 nog maar voedsel voor amper 57 dagen en in 2008 voor slechts 40 dagen, |
|
F. |
overwegende dat deze en andere factoren onmiddellijk ernstige gevolgen hebben gehad voor een aanzienlijk aantal mensen; overwegende dat de crisis in de voedselprijzen het aantal arme en hongerige mensen in de wereld met miljoenen heeft doen toenemen; voorts overwegende dat deze ontwikkelingen over de hele wereld tot rellen en onlusten hebben geleid, waardoor landen en regio's verder gedestabiliseerd raken; verder overwegende dat zelfs in de EU de voorraden dermate zijn verminderd dat er op dit moment geen voedsel meer is voor het noodvoedselprogramma, |
|
G. |
overwegende dat naar huidige schattingen van organisaties die zich inzetten voor de strijd tegen de honger in de wereld, op dit moment een op de vijf mensen in ontwikkelingslanden ondervoed is en chronisch honger lijdt, en dat er dagelijks wereldwijd meer dan 30 000 kinderen sterven aan honger en armoede, |
|
H. |
overwegende dat de landbouw in ontwikkelingslanden meer dan 70% en in veel Afrikaanse landen meer dan 80% van de werkende bevolking voorziet van werk en levensonderhoud en dat bijgevolg het beleid inzake plattelandsontwikkeling van cruciaal belang is om de problemen van armoede en honger effectief op te lossen, |
|
I. |
overwegende dat vrouwen in ontwikkelingslanden tussen de 60 en 80% van de voedingsmiddelen produceren en daarmee verantwoordelijk zijn voor de helft van de wereldwijde voedselproductie; dat vrouwen een uiterst belangrijke rol bij de gezinsverzorging spelen; en dat zij beduidend moeilijker toegang hebben tot landbouw- en productiemiddelen dan mannen en daarom consequent moeten worden ondersteund en gestimuleerd, |
|
J. |
overwegende dat de huidige crisis het zwaarst drukt op lage-inkomenshuishoudens, zowel in de Europese Unie als de ontwikkelingslanden, waar tussen de 60 en 80% van het gezinsinkomen aan voedsel wordt besteed, vergeleken met minder dan 20% in de EU, |
|
K. |
overwegende dat het Parlement en de Raad herhaaldelijk met klem hebben verzocht om een krachtige reactie op het mondiale voedselprobleem, vooral door het verstrekken van de noodzakelijke financiële middelen voor de aanschaf van landbouwproductiemiddelen en het verlenen van bijstand bij het gebruik van managementinstrumenten gebaseerd op marktwerking, |
|
L. |
overwegende dat de Europese Unie nog steeds een belangrijke voedselproducent is, die voor tarwe 17%, melk 25%, varkensvlees 20% en rundvlees 30% van de wereldproductie voor haar rekening neemt; dat de EU echter tevens een grote importeur van landbouwproducten is, wier bevoorradingsgraad bij een groot aantal basislandbouwproducten ver verwijderd is van volledige zelfvoorziening, |
|
M. |
overwegende dat de Europese Unie een voortrekkersrol vervult bij het vaststellen van de hoogst mogelijke voedselproductienormen, waarbij de aandacht primair uitgaat naar een systeem waarbij het voedsel van „boer tot bord” kan worden getraceerd en naar het garanderen van de veiligheid van in de EU geproduceerd voedsel, |
|
N. |
overwegende dat de Europese Unie ook een voortrekkersrol vervult bij milieubeschermingsinitiatieven, die weliswaar dienen voor het beschermen van natuurlijke hulpbronnen, maar die EU-landbouwers ook met extra kosten opzadelen, |
|
O. |
overwegende dat de Europese Unie wereldwijd de grootste donor van humanitaire en ontwikkelingshulp is, maar dat op internationaal vlak het aandeel van de landbouwsteun, met name van de Europese Unie, sinds de jaren 1980 steeds kleiner is geworden, |
|
P. |
overwegende dat de Europese Unie van oudsher ongeveer 10% van alle ontwikkelingssamenwerking in de wereld financiert, naast de bijdragen van de afzonderlijke lidstaten; dat dit wordt bevestigd door de huidige bijdrage via EG-instrumenten (ongeveer 1,8 miljard EUR, waarvan 1 miljard EUR wordt verstrekt via de nieuwe snelleresponsfaciliteit voor maatregelen tegen de scherpe stijging van voedselprijzen in ontwikkelingslanden, en de rest via reeds beschikbare instrumenten voor humanitaire en ontwikkelingshulp), |
|
Q. |
overwegende dat de verwachting is dat de mondiale vraag naar voedsel tegen 2050 zal zijn verdubbeld en de mondiale voedselproductie bijgevolg zal moeten stijgen, terwijl de druk op de natuurlijke hulpbronnen toeneemt, |
|
R. |
overwegende dat volgens de FAO 30 miljard EUR per jaar volstaat om te zorgen voor voedselzekerheid van een bevolking die tegen 2050 9 miljard zielen zal tellen, |
|
S. |
overwegende dat de internationale en regionale overeenkomsten tot nu toe ontoereikend zijn gebleken om de bevoorrading van de markt en de handel te normaliseren en dat de recente scherpe stijging van de voedselprijzen voor alle regeringen in de wereld een waarschuwing moet zijn dat ze de landbouwproductie niet als een vanzelfsprekende zaak moeten zien, |
|
1. |
bevestigt dat mondiale voedselzekerheid voor de Europese Unie een kwestie van de grootste urgentie is en verzoekt om onmiddellijke en voortdurende actie voor het realiseren van voedselzekerheid in zowel de EU als de rest van de wereld; is van mening dat het belangrijk is om alle voor voeding bestemde gewassen en landbouwvormen ter wereld naar waarde te schatten; benadrukt dat consumenten tegen redelijke prijzen voedsel moeten kunnen kopen en dat landbouwers een redelijke levensstandaard moeten hebben; |
|
2. |
benadrukt het belang van het GLB als instrument voor het tot stand brengen van een betrouwbare voedselproductie in de Europese Unie; is van mening dat het GLB sinds zijn invoering voor zekerheid van de voedselvoorziening in de EU heeft gezorgd en daarnaast heeft bijgedragen aan de bescherming en verbetering van het plattelandsmilieu en ervoor heeft gezorgd dat de voedselproductienormen van de EU de hoogste in de wereld zijn; onderstreept de noodzaak dat de communautaire landbouw ook in de toekomst deze rol blijft vervullen; |
|
3. |
merkt echter op dat de vele GLB-hervormingen van de laatste 25 jaar hebben geleid tot een daling van de landbouwproductie in de Europese Unie, omdat de nadruk is verlegd van overwegingen van kwantiteit naar marktgestuurde kwaliteitsproductie; is van mening dat EU-producenten door deze beleidsverschuiving potentiële markten hebben verloren en de EU afhankelijker is geworden van de invoer van voedsel uit derde landen, waar heel andere productienormen gelden, waardoor de landbouwproducten van de EU aan ongelijke concurrentievoorwaarden zijn blootgesteld; |
Situatie en oorzaken
|
4. |
wijst erop dat al vóór de meest recente stijging van de voedselprijzen, wereldwijd meer dan 860 miljoen mensen chronisch honger leden; merkt op dat de Wereldbank voorspelt dat door de scherpe stijging van de voedselprijzen nog eens honderd miljoen mensen in nog grotere armoede zullen vervallen; |
|
5. |
onderschrijft de opvatting van de FAO dat landen die netto-importeur van voedsel zijn het zwaarst worden getroffen door de stijgende voedselprijzen en dat veel van deze landen tot de minst ontwikkelde landen in de wereld behoren; stelt opnieuw dat armoede en afhankelijkheid van voedselimporten tot de belangrijkste oorzaken van voedselonzekerheid behoren; is het feit indachtig dat slechts een klein percentage van de mondiale voedselproductie daadwerkelijk op de internationale markten wordt verhandeld en dat dit steeds meer gebeurt door een klein aantal exportlanden; |
|
6. |
merkt op dat de graanoogsten voor 2007 en 2008 goed zijn geweest; merkt op dat de directe oorzaak van de voedselonzekerheid in 2007 de daling van het aanbod en de stijging van de grondstofprijzen was; is zeer verontrust over de lage graanvoorraden in de wereld, waarmee de wereldbevolking minder dan veertig dagen van graan kan worden voorzien; |
|
7. |
benadrukt dat de inspanningen om te voorzien in de eerste levensbehoeften van mensen, voornamelijk voedsel en water, vaak een bron van conflicten zijn; wijst erop dat de stijging van de wereldbevolking, die voor 2050 wordt geschat op 3 miljard, deze spanningen overal ter wereld zal doen toenemen; verzoekt dientengevolge rekening te houden met deze geostrategische dimensie bij de ontwikkeling van het toekomstige landbouwbeleid; |
|
8. |
is verontrust over de stijgende kosten van landbouwproductiemiddelen (prijsstijgingen voor meststoffen, zaaigoed, enz.), die zich hebben geuit in een stijging van de kosten waarvoor boeren (in het bijzonder in de veeteeltsector) niet allemaal op dezelfde manier zijn gecompenseerd en die een eventuele stijging van landbouwinkomens als gevolg van hogere grondstoffen- en voedselprijzen in belangrijke mate teniet hebben gedaan en zo de prikkel voor het verhogen van de productie hebben verzwakt; is bezorgd dat dramatische prijsstijgingen voor productiemiddelen tot minder gebruik van productiemiddelen en bijgevolg een lagere productie zullen leiden, hetgeen de voedselcrisis in de EU en de rest van de wereld nog ernstiger zal maken; |
|
9. |
merkt op dat de grondstoffenmarkten dit seizoen een scherpe daling van de prijzen hebben laten zien, hetgeen tot zorgen onder producenten en een eroderend vertrouwen bij landbouwers heeft geleid; |
|
10. |
benadrukt dat het belangrijk is een samenhangend onderzoek te verrichten naar de stijgende voedselprijzen, rekening houdend met stijgende energieprijzen voor eindverbruikers, extremere weersverschijnselen en de ten gevolge van de groeiende wereldbevolking toegenomen vraag naar energie, en verzoekt de Commissie nader onderzoek te doen naar het mogelijke verband tussen hoge voedselprijzen en stijgende energieprijzen, met name die van brandstof; benadrukt voorts dat de nodige stappen moeten worden gezet om de landbouw door een efficiënter gebruik van energie en het ontwikkelen van energiezuinigere productiesystemen minder afhankelijk te maken van fossiele energiebronnen; |
|
11. |
verzoekt om het ontwikkelen van beleidsinstrumenten voor het voorkómen van zulke dramatische en schadelijke prijsfluctuaties, die rekening houden met een redelijke levensstandaard voor producenten; is van mening dat de bedrijfstoeslagregeling landbouwers de mogelijkheid biedt om in te spelen op de marktbehoefte door op andere producten over te schakelen, maar dat deze regeling mogelijk ontoereikend is om het hoofd te kunnen bieden aan dramatische prijsfluctuaties op de markten; |
|
12. |
vestigt de aandacht op structurele langetermijnoorzaken die spelen bij de recente prijsstijging voor landbouwgrondstoffen, zoals de gestaag toenemende mondiale vraag en de aanhoudende verlaging van de investeringen in productielandbouw; merkt op dat de stijging van de energieprijzen, en meer bepaald van de olieprijzen, wat een van bedoelde oorzaken is, een significant effect heeft gehad op de mondiale landbouwproductie (omdat daardoor de productie- en distributiekosten zijn gestegen) en op het ontstaan van de voedselcrises in armere landen (vanwege de transportkosten voor voedsel in die landen zelf); |
|
13. |
constateert dat in 2007 2% van de graanproductie in de EU naar de productie van biobrandstoffen is gegaan, terwijl dat jaar in de Verenigde Staten 25% van de maïsproductie naar de productie van ethanol ging; verzoekt om een wereldwijde beoordeling van deze tendens en van het effect ervan op de voedselprijzen, alsook om beleidscoördinatie op mondiaal niveau om te verzekeren dat de drang naar hernieuwbare energie niet de voedselvoorziening in gevaar brengt; dringt er tevens op aan dat in de internationale en regionale overeenkomsten verbintenissen worden opgenomen die verzekeren dat de voor biobrandstofproductie verstrekte subsidie de voedselveiligheid van de planeet niet in gevaar brengt en die beantwoorden aan de toepasselijke regels, teneinde te voorkomen dat de concurrentie tussen de handelspartners wordt verstoord; verlangt desondanks een sterke betrokkenheid van de Europese Unie bij de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen van de tweede generatie; |
|
14. |
onderstreept de noodzaak om een evenwicht te vinden wat betreft de productie van biobrandstoffen en bio-energie aan de ene kant, en de benodigde voedselreserve op wereldniveau aan de andere kant; merkt op dat de toename van de productie van biobrandstoffen en bio-energie een positieve impact kan hebben op de landbouw- en levensmiddelensector, die momenteel te lijden heeft van de hoge prijzen van voor de verwerkingsindustrie noodzakelijke grondstoffen, zoals mest, diesel, etc.; meent dat zodoende vormt de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen een levensvatbaar economisch en sociaal ontwikkelingsalternatief voor het platteland vormt en, tegelijkertijd, een duurzaam geheel voor de bescherming van het milieu, vooral als de streefcijfers van de Europese Unie wat betreft hernieuwbare energie voor 2020 in ogenschouw worden genomen; onderstreept dat er tegelijkertijd echter maatregelen dienen genomen te worden om de negatieve effecten die de toename van de productie van energiegewassen kan hebben op de biodiversiteit, op de voedselprijzen en op de gebruikswijze van terreinen, te voorkomen; |
|
15. |
merkt op dat de Europese Unie een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de stijging van het aanbod van landbouwgrondstoffen door de afschaffing van haar braakleggingsregeling; |
|
16. |
wijst op de snel veranderende eetgewoonten, vooral in opkomende landen, waarbij een verschuiving optreedt naar meer vlees- en eiwitconsumptie, waardoor meer graan nodig is; constateert dat in landen als China en India een welkome stijging van het reëel inkomen plaatsvindt, wat de vraag naar landbouwproducten en verwerkte voedingsmiddelen verder zal opdrijven; |
|
17. |
is van mening dat de toenemende marktconcentratie op de detailhandelsmarkt voor voedingsmiddelen moet worden gemonitord zodat er geen monopoliesituaties kunnen ontstaan, omdat de activiteiten van grote detailhandelaars mogelijk niet altijd in het beste belang van producenten, verwerkers of consumenten zijn; |
|
18. |
vraagt alternatieve oplossingen aan te nemen die het evenwicht moeten herstellen ten gunste van de kleine producenten die geconfronteerd worden met hun onvermogen te onderhandelen met de grote retailers; wijst erop dat hoewel er op EU-niveau een kader van antimonopoliewetgeving bestaat dat misbruik door de grote producenten van hun dominante positie op de EU-markt moet tegengaan, er nog geen specifieke reglementering is die de monopoliserende praktijken moet bestrijden die door een deel van de grote winkels van het type supermarkt en hypermarkt worden gebezigd; |
Reacties van de Europese Unie
|
19. |
is van mening dat het GLB ook na 2013 de hoeksteen van het EU-beleid inzake voedselzekerheid moet blijven; is van mening dat goed functionerende ecosystemen, vruchtbare bodems, stabiele watervoorraden en een veelzijdige kleinschalige landbouw essentieel zijn voor voedselzekerheid op lange termijn; is ook van mening dat het van fundamenteel belang is dat het GLB, samen met de andere communautaire beleidslijnen, een grotere bijdrage levert aan het mondiale voedselevenwicht; |
|
20. |
is echter stellig van mening dat het GLB verder moet worden aangepast met het oog op voedselzekerheid; is teleurgesteld dat de Europese Commissie in haar wetgevingsvoorstellen van mei 2008 voor de „gezondheidscontrole” van het GLB deze uitdaging deels uit de weg is gegaan; is tegen de ontmanteling van maatregelen voor marktregulering en verlaging van landbouwsubsidies; |
|
21. |
verzoekt in het licht van de begrotingsherziening 2008-2009 om een stabiel en constant uitgavenniveau van de EU en de lidstaten voor het GLB, dat voldoende hoog is om landbouwers van een redelijk inkomen te verzekeren; onderstreept dat het grondprincipe voor dergelijk beleid het verzekeren van een inkomen is in geval van risico's en crisissen ten gevolge van ongunstige natuurlijke verschijnselen of marktverstoringen en ongebruikelijk lange en wijdverspreide prijsdalingen; roept in herinnering dat landbouwers zonder stabiel overheidsbeleid geen toekomstplannen kunnen maken; wijst er in dit verband op dat de landbouw aanzienlijke waarde toevoegt aan de nationale en EU-economieën; |
|
22. |
wijst erop dat de markt alleen producenten niet de noodzakelijke inkomenszekerheid kan verschaffen om hun landbouwactiviteiten voort te zetten, omdat de EU-normen inzake voedselproductie, voedselveiligheid, milieu en dierenwelzijn hoge kosten met zich meebrengen; is echter ingenomen met de toegenomen marktoriëntatie van het GLB; betreurt echter dat de doelstellingen voor de hervormingen van 2003, namelijk hogere marktprijzen en minder bureaucratie voor landbouwers, niet volledig zijn bereikt; |
|
23. |
is van mening dat de vele regels met betrekking tot de randvoorwaarden (cross-compliance) een negatieve prikkel vormen voor producenten en dat deze regels waar mogelijk minder ingewikkeld moeten worden gemaakt; is in dit verband ingenomen met de initiatieven tot vereenvoudiging die de Commissie heeft ontplooid; |
|
24. |
is bezorgd over de mogelijk dramatische gevolgen van voorgestelde EU-wetgeving (bijvoorbeeld inzake gewasbeschermingsproducten), omdat landbouwers worden beperkt in de instrumenten voor het maximaliseren van de productie, wat feitelijk tot een dramatische verlaging van de landbouwproductie in de EU kan leiden; verzoekt daarom alle voorgestelde maatregelen aan een uitvoerige effectbeoordeling te onderwerpen, in het bijzonder voor de gevolgen voor de voedselzekerheid; |
|
25. |
verzoekt de Commissie met klem om te kijken naar het effect voor de landbouwsector van initiatieven voor het matigen van klimaatverandering; is van mening dat de landbouw zijn bijdrage moet leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering, maar één van de meest klimaatgevoelige sectoren is, en dus ook de nodige instrumenten moet krijgen om de gevolgen van de klimaatverandering te verwerken, teneinde te voorkomen dat hierdoor de landbouwproductie in de EU daalt en EU-producten worden vervangen door producten uit derde landen; |
|
26. |
is van mening dat de EU- en andere internationale systemen voor productie- en marktobservatie aan een onderzoek moeten worden onderworpen, zodat men sneller wordt gewaarschuwd voor bepaalde productietrends; is voorts van mening dat er behoefte is aan een mondiaal systeem van voedselinventarisatie en voedselvoorraden en dat de Europese Unie een voortrekkersrol moet vervullen bij het opzetten van een dergelijk systeem; verzoekt de Commissie met klem om samen te werken met onze mondiale partners en daartoe een voorstel in te dienen; |
|
27. |
verzoekt verzekeringspolissen beschikbaar te stellen tegen grote fluctuaties in de prijzen en inkomens en tegen de invloed van het weer op de productie; |
|
28. |
verzoekt de Commissie een efficiënt EU-marktobservatiesysteem te ontwerpen, dat in staat is de veranderingen en trends in de prijzen van landbouwproducten en in de kosten van landbouwproductiemiddelen bij te houden; is van mening dat een dergelijk systeem transparantie moet garanderen en grensoverschrijdende vergelijking tussen soortgelijke producten mogelijk moet maken; |
|
29. |
is van mening dat het opportuun is in het kader van de FAO een internationale waarnemingspost voor prijzen van landbouwproducten, landbouwproductiemiddelen en levensmiddelen in te stellen, teneinde deze gegevens op internationaal vlak te kunnen monitoren; |
|
30. |
merkt op dat bij opeenvolgende hervormingen van het GLB iets is gedaan aan marktverstorende elementen van het EU-landbouwbeleid die negatief uitwerken op landbouwers in ontwikkelingslanden, maar dat de handelsbetrekkingen nog steeds ongelijkwaardig zijn en dat er nog inspanningen moeten worden geleverd om een billijker systeem op te bouwen; |
|
31. |
constateert echter dat de beleidshervormingen van de EU om te voldoen aan de WTO-voorschriften hebben geleid tot een heroriëntatie van de GLB-steun – in de zin dat steeds minder productiegerelateerde subsidies worden gegeven –,de ontmanteling van maatregelen voor marktregulering en het openstellen van markten, waardoor consumenten en producenten steeds meer zijn blootgesteld aan instabiele wereldmarkten; verzoekt om bepalingen over voedselzekerheid op te nemen in het GLB-beleid en om gelijkwaardige inspanningen van partners om de handel dusdanig te reguleren dat de mondiale voedselzekerheid niet in gevaar wordt gebracht, vast te leggen in handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie om tijdens de WTO-onderhandelingen te pleiten voor een gekwalificeerde markttoegang, om zo te garanderen dat de hoge milieunormen van de EU-landbouw en het recht van iedere lidstaat op voedselzekerheid niet worden ondergraven door goedkope invoer; |
|
32. |
constateert dat de Europese Unie conform de WTO-overeenkomsten doorgaat met het nemen van de noodzakelijke maatregelen om, zoals toegezegd, vóór 2013 alle exportrestituties af te schaffen en in het kader van de ‘gezondheidscontrole’ van het GLB verdere hervormingen van de instrumenten voor marktondersteuning doorvoert; |
|
33. |
is van mening dat de snelleresponsfaciliteit tegen de scherpe stijging van voedselprijzen in ontwikkelingslanden een noodzakelijke eerste stap is voor het vervullen van de directe behoeften van degenen die het hardst door de voedselcrisis worden getroffen; benadrukt echter dat deze faciliteit een eenmalige maatregel is om middelen uit rubriek 4 van de algemene begroting van de EU te kunnen gebruiken voor het ondersteunen van kleinschalige landbouw in de zwaarst getroffen landen, welke middelen met extra investeringen moeten worden aangevuld; is van mening dat de Commissie moet controleren hoe deze middelen worden besteed, moet garanderen dat ze op duurzame wijze daar worden gebruikt waar de vraag het grootst is, en aan het Parlement regelmatig verslag moet doen van het resultaat van haar controles; verzoekt om het Parlement in de gelegenheid te stellen om via de regelgevingsprocedure met toetsing toezicht te houden op de uitvoering; |
|
34. |
verzoekt de Commissie om versterking van de bestaande programma's gericht op voedselzekerheid in Europa en de rest van de wereld; verzoekt om versterking van het thematisch programma voedselzekerheid (2007-2010), waaraan op dit moment een bedrag van 925 miljoen EUR is toegewezen voor de hele programmeringsperiode; verwelkomt het voorstel voor een verhoging van de kredieten voor het voedseldistributieprogramma voor de meest behoeftigen in de Gemeenschap dat de Commissie op 17 september 2008 heeft voorgesteld; verzoekt de Commissie een omvattende strategie te ontwikkelen voor alle kwesties die verband houden met de voedselzekerheid teneinde de samenhang te garanderen tussen de communautaire beleidslijnen; |
|
35. |
is verontrust over de huidige mondiale financiële crisis, waardoor mogelijk minder financiële middelen voor de landbouw beschikbaar zullen zijn; verzoekt de Commissie de effecten van de financiële crisis op de landbouwsector te analyseren en na te denken over voorstellen voor het verzekeren van de stabiliteit van de sector, ook wat de toegang tot leningen en kredietgaranties betreft; |
|
36. |
wijst op onderzoek waaruit blijkt dat de meeste consumenten zich niet bewust zijn van de essentiële voordelen die ze dankzij het GLB genieten, in de vorm van voedselzekerheid en redelijk geprijsde producten (4); verzoekt om een beleid inzake publieksvoorlichting en een hernieuwde toezegging tot vereenvoudiging, waardoor burgers zich meer bewust zouden worden van de instrumenten en voordelen van het GLB; stelt voor dat het publiek wordt voorgelicht over de kosten die het niet-bestaan van het GLB met zich mee zou brengen; |
|
37. |
is van oordeel dat het GLB een belangrijke rol dient toe te komen in het buitenlands- en ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie, in het bijzonder het beleid inzake de externe voedselzekerheid; is van oordeel dat het GLB niet alleen kan bijdragen aan het waarborgen van de voedselproductie in de Europese Unie, maar ook kan helpen bij het tegemoetkomen aan de in de hele wereld stijgende vraag naar voedsel; |
|
38. |
merkt op dat gewapende conflicten zeer negatieve gevolgen hebben voor de productie van en toegang tot voedsel; uit haar bezorgdheid over de ernstige gevolgen die het gevaar van conflicten kan hebben voor de voedselzekerheid, bijvoorbeeld door massale migratie, het stagneren van de landbouwproductie en schadelijke gevolgen voor de essentiële infrastructuur; |
|
39. |
acht het van essentieel belang dat ontwrichtende gevechten om schaarse voedselbronnen worden voorkomen; roept daarom op tot effectievere EU-coördinatie op technisch niveau met niet-gouvernementele organisaties, de FAO en andere internationale agentschappen en op politiek niveau met de VN om de eerlijke toegang tot mondiale voedselbronnen te bevorderen en om de voedselproductie in belangrijke ontwikkelingslanden te vergroten, waarbij de criteria inzake biodiversiteit en duurzame ontwikkeling stelselmatig in acht worden genomen; |
|
40. |
doet een dringend beroep op de Europese Unie om landen met een dreigend conflict te helpen om een sterk eigen landbouwbeleid te ontwikkelen op basis van eenvoudige toegang tot grondstoffen, kwalitatief goed onderwijs en toereikende financiering, en op basis van een betrouwbare infrastructuur; is van mening dat EU-steun gericht moet zijn op het verbeteren van zelfvoorziening op het gebied van de voedselproductie voor ontvangende ontwikkelingslanden, hetgeen de regionale voedselzekerheid en toegang tot voedsel voor de armste delen van de maatschappij zal verbeteren; |
|
41. |
merkt op dat sommige groeiende economieën het plan zouden kunnen hebben om grote delen grond in armere delen van Afrika en Azië te pachten om daar gewassen te verbouwen en deze terug naar hun markten te verschepen om zodoende hun eigen voedselzekerheid te verbeteren; is van mening dat de Europese Unie samen met de FAO dit fenomeen serieus moet beschouwen als een ernstige dreiging voor de voedselzekerheid en voor een effectief landbouwbeleid in ontvangende landen; |
Landbouw in ontwikkelingslanden
|
42. |
benadrukt dat het huidige voedselprobleem een vergroting van de voedselproductie noodzakelijk maakt om gelijke tred te kunnen houden met de toenemende vraag, in combinatie met een verbetering van de kwaliteit, verlaging van de kosten en meer duurzaamheid; acht daartoe een volledige herziening van het overheidsbeleid noodzakelijk, teneinde de productiemethoden, het beheer van de voorraden en de regulering van de wereldmarkten te verbeteren; |
|
43. |
onderstreept de noodzaak van meer middellange- en langetermijnacties voor het ontwikkelen van de landbouw- en voedselproductie in ontwikkelingslanden, vooral in Afrika, rekening houdende met de aangehaalde aanbevelingen van de IAASTD; is van mening dat de ontwikkeling van de landbouw het startpunt voor een brede economische ontwikkeling in een land kan vormen; |
|
44. |
is van mening dat de bestedingen uit het Europees Ontwikkelingsfonds meer moeten gaan naar landbouwprojecten, met name naar kleine landbouwbedrijven en naar de verdere verwerking ter plaatse van de producten, aangezien de overgrote meerderheid van de armen in de wereld in plattelandsgebieden leeft die sterk afhankelijk zijn van de landbouw; is bovendien van mening dat geprobeerd moet worden om voor de landbouwhandel regels vast te stellen die in alle landen voedselzekerheid garanderen; meent tevens dat de ontwikkelingslanden handelsvoordelen moeten krijgen die de nationale productie versterken; verzoekt de Commissie om deze overwegingen in aanmerking te nemen tijdens de WTO-onderhandelingen en de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten met ontwikkelingslanden; |
|
45. |
ziet het als een ernstig obstakel voor verhoging van de landbouwproductie in ontwikkelingslanden dat kleine boeren geen leningen kunnen sluiten of microkredieten kunnen opnemen om in verbeterd zaaigoed, meststoffen en irrigatiemachines te investeren; benadrukt dat in de meeste gevallen geen leninggaranties beschikbaar zijn; verzoekt de Europese Investeringsbank om te bezien hoe voor programma's voor lokale voedselproducenten in ontwikkelingslanden leninggaranties kunnen worden gegeven, zodat boeren een krediet of microkrediet kunnen opnemen; |
|
46. |
verklaart opnieuw overtuigd te zijn van de noodzaak van regionaal geïntegreerde landbouwmarkten; verzoekt de Commissie regionale samenwerking en integratie te ondersteunen; herinnert de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) aan het succes van landbouwintegratie in Europa en de stabiliteit die dit meer dan vijftig jaar lang heeft opgeleverd; spoort derhalve de regionale economische gemeenschappen van de ACS-landen aan om hun acties op het gebied van landbouw te versterken en roept de ontwikkelingslanden op om de onderlinge handelsbarrières te verlagen; |
|
47. |
benadrukt verder het feit dat de landbouw moet worden omgevormd van een systeem van zelfvoorziening tot een rurale economie die werkgelegenheid genereert; is verder van mening dat om robuuste agrarische sectoren te ontwikkelen de nadruk moet worden gelegd op maatregelen om jonge landbouwers in ontwikkelingslanden te steunen; is van mening dat de Europese Unie de samenwerking moet opvoeren en de modernisering van voedselketens in ontwikkelingslanden moet steunen teneinde deze effectiever te maken; is verder van mening dat de Europese Unie initiatieven als het gemeenschappelijk zadenprogramma van de Afrikaanse Unie en haar nationale en regionale partners moet steunen; |
|
48. |
is van mening dat het onontbeerlijk is dat de ontwikkelingslanden, in het kader van een eigen efficiënt ontwikkelingsbeleid, een nationale of ook gemeenschappelijke regionale strategie voor de landbouwontwikkeling verkrijgen, waarin duidelijke maatregelen zijn opgenomen voor de ondersteuning van de producenten en de producten; is van mening dat in een dergelijk kader de ontwikkelingssteun van de EU geen gefragmenteerd karakter zal hebben maar deel zal uitmaken van de genoemde medegefinancierde, nationale of gemeenschappelijke regionale strategie voor landbouwontwikkeling; |
|
49. |
eist de instelling van een permanent fonds voor voedselzekerheid waaruit de armsten in de wereld worden ondersteund, op te nemen onder rubriek 4 van de algemene begroting van de Europese Unie, als aanvulling op andere ontwikkelingsmaatregelen die door de Europese Unie worden gefinancierd; |
|
50. |
verwelkomt mondiale initiatieven zoals de VN-task force op hoog niveau voor de wereldwijde crisis van de voedselzekerheid, en is van mening dat de Europese Unie en de task force hun inspanningen moeten coördineren; benadrukt het belang van de door de leden van de FAO in november 2004 aangenomen vrijwillige richtlijnen ter ondersteuning van de geleidelijke verwezenlijking van het recht op geschikt voedsel in het kader van de nationale voedselzekerheid; stelt bovendien voor om de beschikbaarheid van voedsel te garanderen door het creëren van een mondiaal programma voor verplichte voedselopslag en een beter basisopslagsysteem voor essentiële productiemiddelen (eiwitten, meststoffen, zaaigoed, pesticiden), dat bij voorkeur moet zijn gefundeerd op private partijen, waaronder landbouwcoöperaties; |
|
51. |
is indachtig de EU-verbintenissen jegens de ontwikkelingslanden en onze huidige en toekomstige verplichtingen binnen de WTO; verzoekt de EU steun te verlenen voor het verwezenlijken van de doelstellingen zoals de Afrikaanse regeringen die in de Verklaring van Maputo van 2002 hebben verwoord; roept de lidstaten op de verbintenissen na te komen die ze met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling zijn aangegaan, in het bijzonder de doelstelling om 0,7% van het bruto nationaal product aan ontwikkelingshulp te geven; is echter van mening dat de kwaliteit van de ontwikkelingshulp belangrijker is dan de hoogte van de bedragen die hieraan worden besteed; |
|
52. |
betreurt dat het percentage van de ontwikkelingshulp dat naar landbouw en plattelandsontwikkeling gaat, is verminderd, welk percentage in 1980 17% bedroeg en in 2006 slechts 3%; verzoekt de Commissie met klem erop toe te zien dat de financiële steun van de EU gaat naar projecten voor het bevorderen van groei die wordt aangedreven door de landbouwsector en alles in het werk te stellen zodat de regeringen 10% van de nationale begroting aan de landbouwsector spenderen, zoals ze hebben toegezegd (bijvoorbeeld door gerichte doelstellingen vast te stellen voor hun nationaal landbouwbeleid); |
|
53. |
bevestigt andermaal dat voor ACS-landen de landbouw meer dan overige sectoren in staat is groei te genereren voor de arme plattelandsbevolking, waardoor de landbouw een tastbare bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van de eerste millenniumdoelstelling voor ontwikkeling van het uitroeien van extreme armoede en honger, en benadrukt derhalve hoe belangrijk het is om direct te handelen en grotere investeringen in landbouw en plattelandsontwikkeling te bevorderen; |
|
54. |
benadrukt dat agrarische ontwikkeling primair uit moet gaan van het recht op voedsel en het recht om voedsel te produceren, waardoor alle mensen het recht hebben op veilig, voedzaam en cultureel passend voedsel, geproduceerd op een ecologisch verantwoorde en duurzame manier in een landbouweconomische structuur die is gebaseerd op zelfvoorziening; |
|
55. |
roept de Europese Unie op het recht van voedselsoevereiniteit voor ontwikkelingslanden te erkennen en dit recht met doelgerichte maatregelen te ondersteunen waarbij het vooral zaak is de aanwezige structuren en bronnen zoals zaaigoed, mest en productiemiddelen te gebruiken en uit te breiden en om regionale integratie te bevorderen; |
|
56. |
roept de Europese Unie op landbouw weer centraal te stellen in haar ontwikkelingsagenda, waarbij extra prioriteit wordt gegeven aan programma's voor agrarische ontwikkeling, met inbegrip van duidelijke streefcijfers voor armoedebestrijding en haalbare doelstellingen, in het bijzonder maatregelen die de kleinschalige landbouw bevorderen en de productie ondersteunen van voedingsmiddelen voor de lokale markten door benutting van de biodiversiteit, met speciale aandacht voor capaciteitsuitbreiding voor kleinschalige landbouwers en voor vrouwen; |
|
57. |
roept de Europese Unie op om de krachten te bundelen met de lidstaten, de regeringen van de ACS-staten, internationale organisaties, regionale ontwikkelingsbanken, particuliere stichtingen, niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke autoriteiten, om nieuwe projecten en interventieprogramma's voor de gestegen voedselprijzen beter in de regionale programma's op te nemen; |
|
58. |
vraagt om maatregelen ter verbetering van opleidingen, zodat jonge mensen hoger landbouwonderwijs kunnen volgen en onderricht krijgen in het naleven van de Europese normen op sanitair en fytosanitair gebied, alsmede voor het creëren van arbeidsmogelijkheden voor mensen die zijn afgestudeerd in de landbouw, met als doel armoede te bestrijden en de migratie van het platteland naar stedelijke regio's en zeker een „braindrain” van ontwikkelingslanden naar ontwikkelde landen in te perken; |
|
59. |
verwijst naar de ‘Code of Good Conduct in Food Crisis Prevention and Management’ uit 2008 van het Food Crisis Prevention Network en roept op tot uitvoering en naleving van deze gedragscodes binnen het GLB; roept daarnaast op tot inspanningen om het maatschappelijk middenveld hierin te betrekken, inspanningen die specifiek zouden moeten leiden tot de ondersteuning van vrouwen, organisaties voor kleinschalige landbouw en producentenorganisaties om voedselzekerheid en zelfvoorziening te garanderen; |
|
60. |
is zeer bezorgd over het feit dat in veel gevallen de defensiebegroting groter is dan de begroting voor landbouw en voedselproductie; |
|
61. |
is van mening dat kleine boeren de hoeksteen van de ontwikkeling van de landbouwsector vormen; wijst met nadruk op de ernstige problemen waar kleine boeren in ontwikkelingslanden mee te maken hebben, zoals moeilijk toegankelijke markten, land en opleiding, en gebrek aan financiering, productiemiddelen en technologie; bevestigt opnieuw het belang van het ontwikkelen van plattelandsinfrastructuur en van investeringen in kleine landbouwbedrijven en traditionele aan de locatie aangepaste extensieve productiemethoden; |
|
62. |
wijst erop dat één van de opvallende kenmerken van de mondiale voedselproductie de geringe handel in levensmiddelen is en dat volgens de FAO de mondiale rijstproductie in 2007 is toegenomen, terwijl de handel in rijst datzelfde jaar afnam; |
|
63. |
is van mening dat een verdere, niet gereguleerde liberalisering van de handel in landbouwproducten tot meer prijsstijgingen voor levensmiddelen en zelfs een grotere prijsvolatiliteit zal leiden; benadrukt dat de meest kwetsbare, voedselimporterende ontwikkelingslanden hier het hardst door zullen worden getroffen; benadrukt voorts dat de wereldhandelsvoorschriften het recht van landen en regio's om hun landbouw te ondersteunen om de voedselveiligheid van hun bevolking te waarborgen nimmer mogen ondermijnen; |
|
64. |
is van mening dat het beleid voor openstelling van de markt voor landbouwproducten in het kader van de WTO en bilaterale vrijhandelsovereenkomsten aanzienlijk hebben bijgedragen tot het verlies van voedselzekerheid in veel ontwikkelingslanden en tevens in samenhang met de huidige mondiale crisis in de voedselvoorziening; roept de Commissie op haar vrijemarktbenadering van het landbouwbeleid dienovereenkomstig te herzien; |
|
65. |
roept de grote voedselexporterende landen (Brazilië, Argentinië, Thailand, enz.) op zich op te stellen als betrouwbare leveranciers van basisproducten en exportbeperkingen te vermijden, die in het bijzonder voor arme voedselimporterende ontwikkelingslanden desastreuze gevolgen kunnen hebben; |
|
66. |
is verontrust over de huidige mondiale financiële crisis die ertoe zou kunnen leiden dat er minder overheidssteun beschikbaar is voor ontwikkeling; verzoekt de Commissie de gevolgen van de financiële crisis voor de ontwikkelingssector te onderzoeken en om voorstellen te blijven bestuderen teneinde de landbouw in de armste landen te ondersteunen; |
|
67. |
merkt op dat de wereldwijde voedselcrisis tot de grote bedreigingen voor vrede en veiligheid in de wereld behoort; is in verband daarmee ingenomen met de recente inspanningen van de Commissie om te onderzoeken op welke wijze de kwestie van de wereldwijde voedselzekerheid dient te worden aangepakt; verzoekt de lidstaten initiatieven op dit gebied op nationaal en lokaal niveau te steunen; |
Onderzoek en ontwikkeling
|
68. |
bevestigt opnieuw zijn betrokkenheid bij het investeren in technologie en innovatie in de landbouwproductie en boerenbedrijven; |
|
69. |
benadrukt het belang van met overheidsgeld gefinancierd onderzoek dat dient ter bevordering van de voedselzekerheid in plaats van zich eenzijdig op de industrie te concentreren; pleit voor investeringen niet alleen in onderzoek naar individuele nieuwe technologieën, maar ook naar totale systemen voor de landbouw die de voedselzekerheid op de lange termijn bevorderen; benadrukt in dat verband de voortrekkersrol die bijvoorbeeld een technologisch platform van de EU voor onderzoek op het gebied van de ecologische landbouw op dit vlak zou kunnen spelen; |
|
70. |
benadrukt zowel het belang van onderzoek als van de overdracht van verworven kennis aan afzonderlijke boerenbedrijven via een effectieve landbouwvoorlichtingsdienst, vooral in ontwikkelingslanden; roept op tot versterking van landbouwonderzoek en het creëren van kennis; |
|
71. |
is bezorgd dat de nadruk die in de Europese Unie wordt gelegd op „cross-compliance” nadelig uitwerkt op onderzoek en advies inzake de productie op boerenbedrijven; benadrukt dat beide noodzakelijk zijn; |
|
72. |
verzoekt om een spoedprogramma voor onderzoek en ontwikkeling op het terrein van de duurzame, aan de locatie aangepaste en energie-efficiënte landbouw; moedigt de lidstaten aan onderzoek te ondersteunen dat is gericht op productiviteitsvergroting door toepassing van biotechnologie in de landbouw; is indachtig de zorgen van EU-consumenten; |
Duurzame landbouw in de wereld
|
73. |
is verontrust over de veranderingen in de weerpatronen die door de klimaatverandering teweeg worden gebracht, waardoor volgens de voorspellingen droogte en overstromingen vaker zullen voorkomen, met als gevolg dat landbouwopbrengsten lager worden en de mondiale landbouwproductie minder voorspelbaar; |
|
74. |
is bezorgd dat de uitvoering van voorstellen voor het verder verminderen van broeikasgassen in de Europese Unie een nadelig effect op de EU-voedselproductie zal hebben, met name op de veeteelt; |
|
75. |
erkent dat de energie-efficiëntie in de landbouwsector, die voor een aanzienlijk deel van de totale CO2-emissies verantwoordelijk is, verbeterd moet worden; |
|
76. |
is van mening dat een verhoogde productie van biobrandstoffen en bio-energie een positief effect kan hebben op de landbouw- en voedingsmiddelensector, die nu lijdt onder de hogere grondstofprijzen, zoals meststoffen, pesticiden en diesel, maar ook onder de vervoers- en verwerkingskosten; |
|
77. |
erkent dat in veel ontwikkelingslanden landbouw de bron van levensonderhoud is voor de meerderheid van de bevolking, en dringt er daarom bij deze landen op aan om mechanismen van stabiel en transparant landbouwbeleid te ontwikkelen dat garant staat voor planning op lange termijn en duurzame ontwikkeling; |
|
78. |
vraagt de Commissie de veranderingen in bodemgebruik, prijs van en toegang tot voedselgrondstoffen als gevolg van de stijgende productie van bio-energie in de Europese Unie en in derde landen nauwlettend te volgen; |
|
79. |
herhaalt dat prikkels voor duurzame teelt van energiegewassen de voedselproductie niet in gevaar mogen brengen; |
|
80. |
verzoekt de Commissie en de lidstaten onderzoek en ontwikkeling gericht op voorkoming van en aanpassing aan klimaatverandering te bevorderen, waaronder onderzoek naar toekomstige generaties biobrandstoffen, met name hoogrenderende energiegewassen, milieuvriendelijke meststoffen die zo effectief mogelijk zijn, nieuwe landbouwtechnologieën met minimale negatieve gevolgen voor grondgebruik, de ontwikkeling van nieuwe plantensoorten die bestand zijn tegen klimaatverandering en daarmee samenhangende plantenziektes en onderzoek naar het hergebruik van afvalstoffen in de landbouw; |
|
81. |
is van mening dat er behoefte is aan verder landbouwonderzoek om de productiviteit van duurzame landbouw te verbeteren en roept de lidstaten op de mogelijkheden die hiervoor door het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie worden gecreëerd ten volle te benutten en maatregelen te treffen die de landbouwproductie op een duurzame en energiezuinige wijze zullen doen toenemen; |
*
* *
|
82. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
(1) PB C 263 E van 16.10.2008, blz. 621.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0229.
(3) PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 201.
(4) Onderzoek van Agri Aware TNS/Mrbi, uitgevoerd in Ierland, augustus 2008.