Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven {SEC(2009) 423 SEC(2009) 424 SEC(2009) 425} /* COM/2009/0158 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 2.4.2009 COM(2009) 158 definitief MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven {SEC(2009) 423SEC(2009) 424SEC(2009) 425} MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven(Voor de EER relevante tekst) 1. Een kwestie van steeds groter belang De universiteiten[1] staan met hun drievoudige rol als verstrekkers van onderwijs op het hoogste niveau, uitvoerders van geavanceerd onderzoek en bevorderaars van baanbrekende innovatie centraal in de kennisdriehoek van Europa. Zij hebben het potentieel om cruciale actoren te zijn bij het waarmaken van de ambitie van Europa om de leidinggevende kenniseconomie en -maatschappij van de wereld te zijn. Dit wordt in de beleidsvorming op EU-niveau sinds de topconferentie van Hampton Court in oktober 2005 erkend; er zijn echter veranderingen nodig als zij dit potentieel willen benutten. Er zijn negen actiegebieden aangegeven in de mededeling van de Commissie "Invulling van de moderniseringsagenda voor de universiteiten: onderwijs, onderzoek en innovatie" van mei 2006[2]. Sindsdien is de moderniseringsagenda het onderwerp geweest van een uitgebreide beleidsuitwisseling, waarbij de vooruitgang regelmatig door de Raad van Ministers is bekeken[3]. De Commissie heeft verder voorgesteld om van de modernisering van de universiteiten een van de prioritaire thema's te maken in het nieuwe kader voor beleidssamenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding in het raam van de Lissabonstrategie[4]. Een sleutelelement van de in 2006 vastgestelde agenda was dat de universiteiten gestructureerde partnerschappen met het bedrijfsleven moesten ontwikkelen om "een steeds belangrijkere economische rol te gaan spelen, beter en sneller op de behoeften van de markt in te spelen en partnerschappen op basis van wetenschappelijke en technologische kennis te ontwikkelen". In de mededeling werd geopperd dat de bedrijven de universiteiten konden helpen bij de hervorming van de curricula en de governancestructuren en konden bijdragen in de financiering. Op grond daarvan richtte de Commissie het Forum universiteiten-bedrijven op als Europees platform voor dialoog tussen de universiteits- en de bedrijfswereld. De eerste vergadering van het forum in februari 2008 werd tijdens 2008 gevolgd door drie thematische workshops[5]. De tweede plenaire vergadering van het forum in februari 2009 werd bijgewoond door circa 400 deelnemers. Het forum omvatte workshops over verschillende thema's en tijdens de vergadering werd een inventaris van de geleerde lessen opgemaakt en werd een discussie gevoerd over de mogelijke toekomstige oriëntaties van de werkzaamheden van het forum. Uit de zeer hoge opkomst bij het evenement in februari 2009 blijkt het grote belang dat de betrokkenen aan het forum hechten. De deelnemers verwezen vaak naar de context van economische neergang waarin het evenement plaatsvond en voerden aan dat het opnieuw dringend nodig was om betere contacten tussen bedrijven en universiteiten op te bouwen als middel om de kennisdriehoek van Europa te versterken. Deze mededeling tracht op deze dringende noodzaak in te spelen. 2. Opmaken van een inventaris van het verleden en werken aan de toekomst: doel van de mededeling Bij de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven zijn twee gemeenschappen betrokken die worden gekenmerkt door uitgesproken verschillen wat cultuur, waarden en taken betreft. Overal in Europa bestaan voorbeelden van een succesvolle samenwerking tussen beide partijen en de EU-programma's hadden tot doel partnerschappen tussen beide domeinen tot stand te brengen, waarbij in de regel bijzondere aandacht is besteed aan de oprichting van partnerschappen op specifieke gebieden zoals onderzoek of mobiliteit van studenten[6]. Maar het samenwerkingsniveau blijft zeer ongelijk tussen de verschillende landen, universiteiten en academische disciplines. Verder is de mate waarin deze samenwerking de governance of de organisatiestructuren in de twee sectoren heeft beïnvloed, beperkt. Weinig universiteiten hebben een voor de gehele instelling geldende strategie voor samenwerking met het bedrijfsleven ontwikkeld; zij zijn vooral geconcentreerd in een klein aantal lidstaten. In veel landen beloont het juridische en financiële kader de inspanningen van de universiteiten om met het bedrijfsleven samen te werken nog steeds niet of verbiedt ze zelfs. Het doel van deze mededeling is: - het opmaken van een inventaris van de uit het eerste jaar van het forum en andere relevante activiteiten op Europees niveau getrokken lessen over de uitdagingen en barrières voor de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven, de aan te pakken kwesties en de goede praktijken en benaderingen die op grotere schaal zouden kunnen worden toegepast. In een werkdocument van de diensten van de Commissie (WDC) wordt dit aspect van de werkzaamheden van het forum uitvoeriger beschreven; - het doen van voorstellen voor de volgende stappen van de werkzaamheden van het forum; - het ontwikkelen van concrete vervolgacties ter versterking van de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven. 3. Aandachtspunten en uitdagingen Het tot dusver door het forum verrichte reflectiewerk kan in zes hoofdthema's worden samengevat. Elk punt bevat een kader waarin een voorbeeld van een goede praktijk wordt belicht. 3.1. Nieuwe curricula voor inzetbaarheid Het concurrentievermogen van de economieën hangt steeds meer af van de beschikbaarheid van geschoolde arbeidskrachten die blijk geven van ondernemingszin. Het initiatief Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen [7] heeft bevestigd dat de behoefte van de EU aan hooggeschoolde afgestudeerden met ondernemingszin de komende jaren zal blijven toenemen. De bedrijven in het forum wijzen er tegelijkertijd op dat de competenties van de afgestudeerden die de universiteit verlaten en de kwalificaties die zij als werkgever zoeken, onvoldoende op elkaar zijn afgestemd. De inzetbaarheid is ongetwijfeld de sleutelkwestie geweest, waarop in het forum telkens opnieuw is teruggekomen. Er bestond consensus over de noodzaak van een omvattende wijziging van de curricula en leermethoden en van: - de opname van transversale en overdraagbare vaardigheden en van basisbegrippen van economie en technologie in de curricula op alle kwalificatieniveaus. De curricula moeten "T-vormig" zijn: zij moeten zijn geworteld in de specifieke academische discipline, maar tegelijkertijd moet worden gezorgd voor een wissel- en samenwerking met partners in andere disciplines en sectoren; - betere examenmethoden die meer zijn gericht op de beoordeling van het leren en de competenties; - een grotere diversificatie van de toelatingsprofielen en de leerbenaderingen om getalenteerde mensen aan te trekken met een niet-traditionele achtergrond, onder wie volwassenen die opnieuw gaan studeren; - een grotere interdisciplinariteit en transdisciplinariteit van de onderwijs- en onderzoekagenda's. De deelnemers aan het forum hebben in dit verband herhaaldelijk verwezen naar de wijze waarop het EIT in de toekomst deze benaderingen in zijn werkzaamheden zal integreren - dit werd beschouwd als een goed voorbeeld van de wijze waarop dergelijke benaderingen op ruimere schaal in het hoger onderwijs kunnen worden toegepast. Een wijziging van de curricula van de beoogde omvang en in het beoogde tempo is alleen mogelijk als de interne structuur van de universiteiten een kader biedt dat deze wijziging mogelijk maakt en beloont. De systemen voor interne kwaliteitsborging en externe accreditering moeten meer aandacht besteden aan de sociale en economische relevantie van de leerprogramma's. De accrediteringsorganisaties moeten vertegenwoordigers van de lerenden en van het bedrijfsleven en de gehele samenleving omvatten. In het besluitvormingsorgaan van een aantal accrediteringsorganisaties zijn vertegenwoordigers van bedrijven opgenomen, bv. ACQUIN in Duitsland, HETAC in Ierland of CTI in Frankrijk. Laatstgenoemde organisatie is verantwoordelijk voor de accreditering van de ingenieurscurricula en telt een gelijk aantal leden uit de academische wereld en uit het bedrijfsleven; transversale vaardigheden en wisselwerking tussen studenten en bedrijfsleven zijn kernvereisten voor accreditering. (WDC, punt 5.2.4) 3.2. Bevordering van ondernemerschap De in vergelijking met andere landen lage ondernemerschapsniveaus in de EU [8] zetten vraagtekens bij het vermogen van de EU om groei en banen te bevorderen. De uitdaging waarmee het hoger onderwijs wordt geconfronteerd, is het creëren van leeromgevingen die onafhankelijkheid, creativiteit en een ondernemerschapsaanpak bij het gebruik van kennis stimuleren. Een regelmatige stroom van studenten en docenten van de universiteit naar de bedrijven en een constante aanwezigheid van mensen uit het bedrijfsleven op de campus kunnen de vereiste cultuurverandering tot stand helpen brengen. Een goed voorbeeld in dit verband is te vinden in de door de Marie Curie-netwerken voor initiële opleiding gefinancierde postdoctorale opleidingsprogramma's die gericht zijn op de verwerving van ondernemerschapsvaardigheden. De bestaande vormen van samenwerking met bedrijven, zoals conferenties, stages en projectwerkzaamheden (individueel of in multidisciplinaire groepen), moeten worden uitgebreid. Extra-curriculaire mogelijkheden worden als waardevol beschouwd, bv. junior consultancybedrijven of incubators die op de specifieke behoeften toegesneden steun verlenen aan studenten en docenten die concrete ideeën hebben voor het opzetten van nieuwe bedrijven (startbedrijven, spin-offbedrijven). De studenten moeten in een vroeg stadium van hun studies gebruik kunnen maken van al deze activiteiten, die sterker in de curricula moeten worden geïntegreerd. Het werd als bijzonder belangrijk beschouwd dat toekomstige leraren en opleiders zodanig worden opgeleid dat zij blijk geven van een positieve attitude en openheid ten aanzien van het bedrijfsleven als bron van vooruitgang, banen en welvaart. De belangrijkste conclusies zijn dat: - de ontwikkeling van een ondernemerschapscultuur op de universiteiten grondige veranderingen in de governance en de leiding van de universiteiten vereist; - het ondernemerschapsonderwijs omvattend moet zijn en moet openstaan voor alle belangstellende studenten in alle academische disciplines, waarbij de nodige aandacht moet worden besteed aan het genderperspectief; - de universiteiten ondernemers en mensen uit het bedrijfsleven moeten betrekken bij het ondernemerschapsonderwijs, bijvoorbeeld via de oprichting van tijdelijke leerstoelen voor uitmuntende ondernemers; - professoren en leraren ook toegang moeten krijgen tot opleidingen op het gebied van het ondernemerschapsonderwijs en de contacten met de bedrijfswereld. Het International Danish Entrepreneurship Academy (IDEA)-netwerk moedigt het ondernemerschap aan bij studenten uit instellingen voor zowel hoger onderwijs als bijscholing via financiële steun, mentoring, cursussen en netwerkmogelijkheden. IDEA wordt gefinancierd uit subsidies van de staat, de provincies en de gemeenten en uit particuliere bronnen. (WDC, punt 5.5.3) 3.3. Kennisoverdracht: kennis verzilveren Europa is productief wat de generatie van kennis betreft. De uitdaging is echter de verbetering van het gebruik en de exploitatie van door de overheid gefinancierd O&O. Hoewel er een aantal programma's bestaat ter versterking van de trajecten voor samenwerking op het gebied van kennisgeneratie tussen het door de overheid gefinancierd hoger onderwijs en onderzoek en bedrijven met het oog op het op de markt brengen van innovaties, blijft het niveau van de duurzame strategische samenwerking tussen beide sectoren te laag. De universiteiten moeten een beleid ontwikkelen voor het professionele beheer van de intellectuele eigendom. Dat zal hen helpen verscheidene aspecten van hun opdracht te vervullen, bijvoorbeeld het genereren van sociaaleconomische voordelen voor de samenleving en het aantrekken van de beste studenten en onderzoekers. Om de universiteiten te ondersteunen en een coherenter kader voor de kennisoverdrachtactiviteiten te bieden heeft de Commissie een aanbeveling aangenomen over het beheer van intellectuele eigendom bij kennisoverdrachtactiviteiten en een praktijkcode voor universiteiten en andere publieke onderzoeksorganisaties[9]. Ook het "Responsible Partnering"-initiatief biedt een leidraad[10] voor betere praktijken voor collaboratief onderzoek en kennisoverdracht tussen universiteiten en bedrijven. Kort samengevat: - de kennisoverdracht tussen universiteiten en bedrijven zal het best functioneren als er een algemeen kader voor samenwerking en wederzijds begrip bestaat, dat partnerschappen, gezamenlijke projecten en uitwisseling van personen omvat; - de universiteiten moeten zorgen voor interdisciplinariteit; monodisciplinaire oplossingen zijn zelden het antwoord op problemen uit de reële wereld; - de universiteiten en de publieke onderzoekorganisaties moeten een duidelijke langetermijnstrategie voor het beheer van intellectuele-eigendomsrechten (IER) hebben; - er moet aandacht worden besteed aan de bijzondere uitdagingen waarmee kleine en middelgrote ondernemingen worden geconfronteerd wanneer zij partnerschappen met universiteiten aangaan. De universiteiten moeten aansluiting zoeken bij kleine en middelgrote ondernemingen. Voor de universiteiten zal de toegang tot of het bezit van een kennisoverdrachtbureau de samenwerking met kleine en middelgrote ondernemingen vergemakkelijken, aangezien deze bureaus een portaal en een raakvlak tussen de universiteiten en de privésector zijn. De Universiteit van Twente (NL) runt een kennispark en business accelerators die het regionale bedrijfsleven in contact brengen met de in de universiteit gegenereerde kennis. Startende ondernemers ontvangen op hun specifieke behoeften toegesneden steun via het TOP-programma (tijdelijke ondernemersplaatsen) van de universiteit. De universiteit biedt ook een groeiprogramma aan dat is gericht op eigenaars van bedrijven. Beide programma's omvatten opleidingsmodules en netwerkingsactiviteiten. (WDC, punt 5.6.1). 3.4. Mobiliteit: over de grenzen en tussen bedrijven en universiteiten Ondanks een aantal successen met studentenstages, mobiliteitsprogramma's voor bedrijven en universiteiten in het raam van het zevende kaderprogramma (FP7) en collaboratieve projecten tussen universiteiten en bedrijven blijft het algemene niveau van de contacten, de wisselwerking en de mobiliteit tussen de twee sectoren nog veel te laag. Stages, onderzoekmobiliteitsprogramma's en collaboratieve projecten, die de studenten in staat stellen alleen of in interdisciplinaire groepen met een bedrijf samen te werken of in een bedrijf te werken, moeten een integrerend onderdeel van de leerprogramma's in alle disciplines worden en moeten ECTS-studiepunten (European Credit Transfer System) opleveren. Bij de mobiliteit moet ook het academisch en managementpersoneel van de universiteiten worden betrokken, zodat de universiteiten netwerken kunnen opbouwen voor de ontwikkeling van toekomstige stages, banen en projecten voor studenten. De directe confrontatie van het personeel met de realiteit van het bedrijfsleven zal het helpen een beter beeld te krijgen van en te anticiperen op de veranderende opleidings- en innovatiebehoeften van het bedrijfsleven. Er blijven echter nog aanzienlijke juridische en administratieve obstakels bestaan voor de mobiliteit van personeel van universiteiten naar bedrijven, bv. in verband met socialezekerheids- en pensioenstelsels[11]. In de andere richting kan een sterkere betrokkenheid van bedrijven bij universiteitsbesturen, onderzoekagenda's, toelatingspanels, curriculumontwerp, cursussen en kwaliteitsborgingssystemen bijdragen tot een significante verbetering van het onderwijs, het onderzoek en de innovatie in de universiteiten. Die betrokkenheid blijft in veel landen om juridische of culturele redenen echter beperkt. Om vooruitgang te boeken is het belangrijk dat: - de waarde van de mobiliteit in al haar verschillende modaliteiten en op alle niveaus door universiteiten en bedrijven wordt bevorderd en erkend; met name kleine en middelgrote ondernemingen zouden meer aan stageprogramma's moeten deelnemen; - de juridische kaders worden aangepast om de mobiliteit tussen universiteiten en bedrijven te ondersteunen en te vergemakkelijken; - de mobiliteit van academici, onderzoekers of studenten van de universiteit naar het bedrijfsleven wordt erkend en geaccrediteerd. In Valencia is ADEIT[12] een organisatie die specifiek tot doel heeft banden te leggen tussen de universiteit en haar sociale omgeving. Zij richt zich vooral op stages voor studenten in organisaties of bedrijven. ADEIT organiseert per jaar 1500 stages voor studenten in bedrijven en leidt mentors op in zowel de universiteit als de bedrijven. Zij zorgt ook voor het beheer van stages van maximaal 100 uren voor professoren in bedrijven. (WDC, punt 5.4.4) 3.5. Openstelling van universiteiten voor een leven lang leren De verbetering van de inzetbaarheid is niet alleen van belang voor intreders op de arbeidsmarkt: de modernisering van de competenties van degenen die reeds werken is een even grote uitdaging [13], die nog belangrijker is geworden nu door de huidige neergang steeds meer banen verloren gaan. Uit het onderzoek naar de voortgang bij de uitvoering van het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 blijkt dat de participatie van volwassenen aan een leven lang leren[14] te traag en slechts in bepaalde lidstaten toeneemt. Op het ogenblik dat het aantal studenten om demografische redenen begint af te nemen, lijkt bijscholing de universiteiten zeer belangrijke nieuwe mogelijkheden te bieden. De universiteiten stellen zich echter slechts open voor een zeer klein aandeel van de markt voor bijscholing. Een omvattende reoriëntatie in de richting van een leven lang leren is nodig. Het handvest van de Europese universiteiten voor een leven lang leren[15], dat door de Europese Vereniging van Universiteiten (EUA) is goedgekeurd, werd tijdens het forum gepresenteerd en besproken. Het document bevat tien verbintenissen voor de universiteiten op het gebied van een bredere toegang tot leren, de diversificatie van de studentenpopulatie, de vergroting van de aantrekkelijkheid van studeren, een leven lang leren in een kwaliteitscultuur en een sterker lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Bijscholing vereist nauwe contacten tussen universiteiten en bedrijven zodat zij de vraag naar nieuwe/bijgewerkte vaardigheden op lokaal en regionaal niveau kunnen identificeren en erop inspelen. Het is van het grootste belang dat: - een leven lang leren volledig wordt geïntegreerd in de opdracht en de strategieën van de universiteiten; - de bijwerking/modernisering van de vaardigheden op de arbeidsmarkt en door de werkgevers wordt gewaardeerd en erkend; - een leven lang leven in partnerschap met de bedrijven wordt ontwikkeld – de universiteiten zijn alleen niet in staat opleidingen op te zetten en te verstrekken. In West-Zweden hebben drie universiteiten op de specifieke behoeften toegesneden afstandsonderwijscursussen voor werknemers van kleine en middelgrote ondernemingen ontwikkeld om het concurrentievermogen van deze ondernemingen en de regio in haar geheel te bevorderen. De cursussen hebben betrekking op cruciale kwesties voor kleine en middelgrote ondernemingen, zoals betere productietechnieken, economie, logistiek, productontwikkeling en totaal productiebeheer. De meeste werknemers die deze cursussen volgen, zijn tussen 40 en 50 jaar oud en hebben niet eerder op universitair niveau gestudeerd. (WDC, punt 5.3.2) 3.6. Betere governance van de universiteiten Het forum heeft aandacht besteed aan de governance op nationaal, regionaal en institutioneel niveau als voorwaarde voor de doeltreffende samenwerking tussen universiteiten en bedrijven. Op nationaal niveau zijn veranderingen nodig in wetgeving, financieringsregelingen en stimulansstructuren, die werden beschouwd als factoren die de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven niet bevorderden of soms tegenwerkten. Een dergelijke samenwerking moet deel uitmaken van de algemene strategie van de universiteiten en worden opgenomen in hun ontwikkelingsplanning en doelstellingen. Er moet worden erkend dat collaboratieve activiteiten met het bedrijfsleven even belangrijk zijn als academische taken zoals publicaties voor carrièrevooruitgang en beloning. Intermediaire organisaties of bedrijfsverenigingen zijn belangrijke actoren, aangezien zij een goed raakvlak kunnen vormen tussen de universiteiten en de bedrijven, met name de kleine en middelgrote ondernemingen. Bovendien ondersteunt een aantal Europese, nationale of regionale organen of diensten ook de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven. Zij kunnen doeltreffende structuren zijn om vooruitgang op dit gebied te boeken. In het VK houdt de Council for Higher Education and Industry (CIHE) zich bezig met leerkwesties die van invloed zijn op het concurrentievermogen en de sociale samenhang van het land en tracht hij nauwe samenwerking en begrip tussen bedrijfsleven en hoger onderwijs te bevorderen. In Duitsland is het Stifterverband für die Deutsche Wissenschaft een gezamenlijk initiatief van het bedrijfsleven voor de ondersteuning van onderzoek en hoger onderwijs. Het smeedt banden tussen universiteiten en niet-academische onderzoekinstellingen, verbindt wetenschap en industrie en moedigt de oprichting van één Europese onderwijs- en onderzoekruimte aan. In Spanje beoogt de stichting Conocimiento y Desarrollo (CYD) de verbetering van de governance, de verantwoording en het beheer van de universiteiten; de versterking van de banden tussen de universiteiten, het productiesysteem en de samenleving; en de bevordering van een ondernemers- en innovatiecultuur onder universiteitsprofessoren en studenten. (WDC, punt 5.1.1) Een doeltreffende samenwerking tussen universiteiten en bedrijven is bijzonder belangrijk voor de regionale ontwikkeling[16]. Het succes van veel innovatieve regio's in de VS en Europa is gebaseerd op een partnerschap tussen universiteiten, bedrijven en regering voor beleidsoriëntering en financiering. In Finland worden in het kader van het e-Tampereprogramma verscheidene kleine, middelgrote en grote ondernemingen en twee universiteiten betrokken bij de verwezenlijking van de plannen van de stad Tempere voor 2012. De stad heeft bijna 400 lokale, regionale, nationale en internationale projecten gelanceerd die steunen op een uitgebreide samenwerking tussen universitaire onderzoekinstellingen, bedrijven en regering uit het oogpunt van technologie, economie en samenleving. (WDC, punt 6.1) De voornaamste conclusies zijn: - de nationale en regionale randvoorwaarden moeten zorgen voor een omgeving die de universiteiten stimuleert om met bedrijven samen te werken; - de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven moet in institutionele strategieën worden geïntegreerd; leiderschap en een doeltreffend beheer van de menselijke hulpbronnen zijn van cruciaal belang voor de implementatie; - de governance moet ervoor zorgen dat relevante stimulerings- en beoordelingssystemen worden opgezet die in overeenstemming zijn met de opdracht, de rol en de strategie van de universiteiten. 4. Toekomstige stappen In één jaar tijd heeft het forum reeds belangrijke resultaten geboekt. De Commissie juicht de rijkdom aan ideeën en de kwaliteit van het verrichte reflectiewerk toe. Zij zal hierop voortbouwen bij de verdere bevordering van de modernisering van de universiteiten van Europa, zowel via beleidssamenwerking als via acties in het kader van haar programma's. De Commissie stelt twee vormen van vervolgacties voor. Ten eerste zal, om tegemoet te komen aan de door de deelnemers aan het forum sterk geuite wens om de werkzaamheden voort te zetten en uit te diepen, een toekomstig werkprogramma worden uitgewerkt. Ten tweede heeft het forum een aantal kwesties en potentiële actiegebieden geïdentificeerd, waaraan zo spoedig mogelijk aandacht moet worden besteed, met name in de context van de economische neergang, om het partnerschap tussen universiteit en bedrijfsleven inzake inzetbaarheid te verbeteren. Er wordt een reeks concrete acties voorgesteld. Voortzetting van de dialoog - Het forum zal de structuur van plenaire vergaderingen en thematische seminars handhaven. Bovendien zal een webruimte voor de uitwisseling en verspreiding van ervaringen en voor communicatie worden ontwikkeld. - Het forum heeft tot nu toe vertegenwoordigers van universiteiten en bedrijven, waaronder intermediaire organisaties en bedrijfsverenigingen, kunnen mobiliseren. Het partnerschap vereist ook de actieve betrokkenheid van de nationale regeringen en de regionale autoriteiten. In de volgende fase moeten vertegenwoordigers van de relevante overheden sterker bij de werkzaamheden van het forum worden betrokken. - Op grond van de tot nu toe gevoerde dialoog en de op andere gebieden lopende werkzaamheden moeten de volgende kwesties worden besproken: - maatregelen om ervoor te zorgen dat de universitaire wereld effectief werk maakt van de "Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen"-agenda en de door de economische neergang veroorzaakte problemen aanpakt; - partnerschappen voor regionale ontwikkeling; - partnerschappen met kleine en middelgrote ondernemingen; - diversificatie van de leerbenaderingen en bouw van bruggen tussen verschillende typen hoger onderwijs; - kwaliteitsborging en accreditering als instrumenten voor de ondersteuning van de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven; - Er is vaak van buiten de EU belangstelling getoond voor de werkzaamheden van het forum. Het moet nadrukkelijker open staan voor actoren van buiten de EU (in de praktijk hebben reeds veel internationale bedrijven deelgenomen) en het moet in de toekomst meer aandacht besteden aan de lessen die van partnerlanden kunnen worden geleerd. De Commissie zal in haar contacten met relevante overheidsinstanties in partnerlanden ruchtbaarheid geven aan de werkzaamheden van het forum en hen vragen om daaraan deel te nemen. Ontwikkeling van nieuwe partnerschappen - Het forum heeft gepleit voor de creatie van nieuwe vormen van gestructureerde partnerschappen tussen bedrijven en universiteiten om onderwijscursussen te ontwikkelen en te verstrekken. Dergelijke partnerschappen moeten zijn gebaseerd op de structuren die zijn ontwikkeld in het kader van de technologieplatforms, de Marie Curie-trajecten en partnerschappen tussen het bedrijfsleven en de academische wereld (IAPP) in het kader van FP7 en de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIC's) in het EIT. De Commissie stelt voor onmiddellijk na te gaan hoe dergelijke partnerschappen via relevante EU-programma's kunnen worden gesteund met het oog op de publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen voor verkennende acties in het kader van het programma voor een leven lang leren in 2010. - De kwestie van de uitbreiding van de reikwijdte van het platform voor dialoog tot andere gebieden van onderwijs en opleiding - met name middelbare scholen en instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding - is door de bedrijven in het forum vaak aan de orde gesteld. Er bestaan bijvoorbeeld zeer grote mogelijkheden voor het bedrijfsleven om bij te dragen aan het ondernemerschapsonderwijs[17]. De Commissie zal nagaan hoe bestaande programma's – bijvoorbeeld het Leonardo da Vinci- en het Comeniusprogramma – en initiatieven zoals Europees Schoolnet kunnen worden gebruikt om bedrijven en scholen samen te brengen in onderwijspartnerschappen en hoe de samenwerking kan worden bevorderd via een Europees coördinatieorgaan. De Commissie is voornemens belanghebbenden uit te nodigen om tijdens een conferentie of seminar in het najaar de toekomstige mogelijkheden voor samenwerking tussen bedrijven en scholen en instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding nader te bekijken. - De ontwikkeling van de dialoog tussen universiteiten en bedrijven op EU-niveau moet een soortgelijke dialoog op nationaal en regionaal niveau stimuleren. De Commissie zal in de context van haar beleidssamenwerking met de lidstaten op het gebied van onderwijs en opleiding de nationale autoriteiten aanmoedigen om soortgelijke dialoogstructuren op nationaal niveau op te zetten. Zij zal nagaan hoe de structuurfondsen kunnen worden gebruikt om regionale initiatieven in dit verband te ondersteunen. - De Commissie zal een studie laten uitvoeren met het oog op de opstelling van een inventaris van bestaande beste praktijken op het gebied van de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven. Het is nu het goede moment om de samenwerking tussen de universiteiten en de bedrijven een sterke nieuwe impuls te geven. In tijden van economische neergang waarin afgestudeerden het moeilijker hebben om een baan te vinden en bedrijven bloot staan aan een hogere concurrentiedruk, wordt de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven door de economische en sociale meerwaarde daarvan een nog grotere prioriteit. [1] In dit document worden onder "universiteiten" alle instellingen voor hoger onderwijs verstaan, ongeacht de naam en status ervan in de lidstaten. [2] COM(2006) 208 definitief. [3] Voor een samenvatting van de aandachtspunten en de ondernomen acties zie COM(2008) 680 van 30 oktober 2008: Verslag van de Commissie aan de Raad betreffende de Resolutie van de Raad van 23 november 2007 over de modernisering van de universiteiten ten behoeve van het concurrentievermogen van Europa in een mondiale kenniseconomie. [4] COM(2008) 865 van 16 december 2008: Een geactualiseerd strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding. [5] Bijscholing en een leven lang leren (Brussel, 30 juni 2008); leerplanontwikkeling en ondernemerschap (Tenerife, 30-31 oktober 2008); kennisoverdracht (Brussel, 7 november 2008). [6] Voor een beschrijving van de EU-programma's die partnerschappen tussen hoger onderwijs en bedrijfsleven bevorderen, zie het werkdocument van de diensten van de Commissie, punt 3. [7] COM(2008) 868. [8] Zie werkdocument van de Commissie, punt 2.3: de "Global Entrepreneurship Monitor 2007" laat zien dat de ondernemerschapscijfers in China 2 tot 5 keer hoger zijn dan in de EU-landen. [9] COM(2008) 1329. [10] http://www.responsible-partnering.org/; ontwikkeld door vooraanstaande verenigingen van universiteiten en bedrijven (EUA, EARTO, EIRMA en ProTon Europe). [11] COM(2008) 317: "Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers". [12] http://www.adeit.uv.es [13] COM(2008) 868 definitief; Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen. [14] Progress towards the Lisbon objectives in Education and Training – indicators and benchmarks 2008, werkdocument van de diensten van de Europese Commissie, SEC(2008)2293. [15] European Universities' Charter on Lifelong Learning, 2008; ISBN: 9789078997009, EUA; www.eua.be [16] Higher Education and Regions: Globally Competitive, Locally Engaged; OESO, 2007. [17] De Commissie is momenteel bezig met de oprichting van een Europees reflectiepanel op hoog niveau voor het ondernemerschapsonderwijs, waarvan vertegenwoordigers van alle lidstaten en EER-landen deel uitmaken, ter ondersteuning van de ontwikkeling van meer coherente benaderingen.