Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2006
Publicatieblad Nr. L 088 van 31/03/2009 blz. 0253 - 0259
Resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2006 HET EUROPEES PARLEMENT, gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijtingsbesluiten voor 2005 (COM(2007) 538 and de bijlage daarbij SEC(2007) 1185), gezien de financiële staten en de inkomsten- en uitgavenrekeningen van het 6e, 7e, 8e en 9e Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2006 (COM(2007) 458 — C6-0118/2007) [1], gezien het verslag betreffende het financiële beheer van het zesde, het zevende, het achtste en het negende Europees Ontwikkelingsfonds in 2006 (COM(2007) 240), gezien het Jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten gefinancierd uit het zesde, zevende, achtste en negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) over het begrotingsjaar 2006, vergezeld van de antwoorden van de Commissie [2], gezien de verklaring van de Rekenkamer waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd als bedoeld in artikel 248 van het EG-Verdrag [3], gezien de aanbevelingen van de Raad van 12 februari 2008 (16744/2007 — C6-0078/2008, 16745/2007 — C6-0079/2008, 16746/2007 — C6-0080/2008, 16748/2007 — C6-0081/2008), gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 [4] en herzien te Luxemburg op 25 juni 2005 [5], gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-besluit") [6] zoals gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG van de Raad van 19 maart 2007 [7], gelet op artikel 33 van het Intern Akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten en de Raad betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het Tweede Financieel Protocol bij de Vierde ACS-EG-Overeenkomst [8], gelet op artikel 32 van het Intern Akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn [9], gelet op artikel 276 van het EG-Verdrag, gelet op artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-Overeenkomst [10], gelet op artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 dat van toepassing is op het negende Europese Ontwikkelingsfonds [11], gelet op de artikelen 70 en 71, derde streepje van en bijlage V bij zijn Reglement, gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A6-0106/2008), A. overwegende dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) het belangrijkste instrument is waarover de Europese Unie beschikt voor de ontwikkelingssamenwerking met landen in Afrika, het Caribisch gebied en het gebied van de Stille Oceaan, B. overwegende dat het totaalbedrag van de steun via de EOF de komende jaren aanzienlijk zal stijgen, daar het steunbedrag in het kader van het tiende EOF voor de periode van 2008 tot 2013 is vastgesteld op 22682 miljoen EUR, tegen 13800 miljoen EUR voor de periode 2000 tot 2007 in het kader van het negende EOF, C. overwegende dat de EOF ondanks dat het Parlement herhaaldelijk heeft verzocht om opneming in de begroting, momenteel geen deel vormen van de algemene begroting van de Europese Unie en niet onder algemeen Financieel Reglement vallen, maar overeenkomstig specifieke financiële voorschriften ten uitvoer worden gelegd, De verklaring inzake de betrouwbaarheid Rekeningen zijn betrouwbaar 1. stelt vast dat de Europese Rekenkamer van oordeel is dat de rekeningen, met onderstaande uitzonderingen, op betrouwbare wijze de inkomsten en uitgaven weergeven van het 6e, 7e, 8e en 9e Europees Ontwikkelingsfonds; a) de Commissie heeft niet aangetoond dat uitgangspunten voor de raming van het bedrag dat bestemd is om nog te ontvangen rekeningen te voldoen, correct zijn, b) het in de aantekeningen bij de financiële staten genoemde garantiebedrag is te hoog; De onderliggende verrichtingen zijn op één uitzondering na wettig en regelmatig 2. stelt vast dat de Europese Rekenkamer van mening is dat de verrichtingen die voor het begrotingsjaar ten grondslag liggen aan inkomsten, toewijzingen, vastleggingen en betalingen, fouten die door delegaties goedgekeurde onderliggende verrichtingen betreffen daargelaten, in het algemeen wettig en regelmatig zijn; 3. neemt kennis van de verklaring van de Europese Rekenkamer dat haar controle van door delegaties goedgekeurde betalingen een aanzienlijk aantal fouten heeft opgeleverd; stelt vast dat de Commissie het niet met de bevindingen van de Europese Rekenkamer eens is; stelt vast dat de Commissie voorstelt het foutenpercentage anders te berekenen en dat zij het foutenniveau niet werkelijk van betekenis acht; 4. stelt evenwel vast dat Europese Rekenkamer en Commissie het erover eens zijn dat de meeste fouten die zijn ontdekt voortkomen uit onvoldoende toezicht door projectleiders of financieel controleurs die niet tot het personeel van de delegaties behoren, maar die op contractbasis bij de Commissie werken; 5. spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de Dienst voor samenwerking EuropeAid voor accountantskantoren die buitenlandse-hulpoperaties controleren genormeerde taakomschrijvingen heeft vastgesteld om de kwaliteit van deze controle op te voeren; stelt vast dat delegaties sinds 1 oktober 2007 verplicht zijn deze genormeerde taakomschrijvingen te gebruiken; verzoekt de Europese Rekenkamer in volgende jaarverslagen te beoordelen of de kwaliteit van de controles door dit nieuwe instrument toeneemt; 6. merkt op dat op 1 februari 2006 een nieuwe standaardovereenkomst en taakomschrijving voor controles van de uitgaven door begunstigden in werking is getreden en dat deze tevens voorzien in aanbestedingsprocedures; is voornemens op de toepassing van deze procedures toezicht uit te oefenen om na te gaan of de ernst van de door de Rekenkamer voor 2006 ontdekte fouten daardoor werkelijk in gunstige zin wordt beïnvloed; Waarborging van correcte rekeningen ondanks vertraging bij de modernisering van het boekhoudsysteem 7. wijst er nogmaals op dat de Commissie voor het tweede jaar de EOF-rekeningen heeft moeten opstellen via toepassing van op toerekening van baten en lasten gebaseerde boekhoudbeginselen; wijst er nogmaals op dat de Europese Rekenkamer en het Parlement met betrekking tot het begrotingsjaar 2005 hun verontrusting kenbaar hebben gemaakt daar het huidige boekhoudsysteem niet alle boekhoudkundige gegevens opleverde en enkele gegevens derhalve handmatig moesten worden aangepast; betreurt dat het probleem in het begrotingsjaar 2006 nog steeds bestond; 8. stelt vast dat de modernisering van het IT-systeem betekent dat wordt overgestapt van het specifieke IT-systeem van de EOF (OLAS) op het centrale IT-systeem van de Commissie (ABAC) en het lokale systeem van EuropeAid (CRIS); stelt vast dat de modernisering oorspronkelijk voor 2006 op het programma stond, vertraagd werd en dat nu verwacht wordt dat zij in 2008 zal zijn afgerond; stelt vast dat de directeur-generaal van EuropeAid de Commissie begrotingscontrole onlangs op de hoogte heeft gesteld van de huidige situatie; 9. stelt vast dat de directeur-generaal van het DG begroting in het jaarlijks verslag van de werkzaamheden van DG Begroting over 2006 een voorbehoud heeft ingetrokken dat hij in het vorige jaarlijkse verslag van de werkzaamheden had aangebracht met betrekking tot het niet beschikbaar zijn van het nieuwe IT-systeem, hoewel het nieuwe IT-systeem in 2006 nog niet ten uitvoer was gelegd; 10. verzoekt de Commissie om tijdens de aanstaande kwijtingsprocedures voor de begrotingsjaren 2007 en 2008 een helder overzicht te geven van de tekortkomingen van het huidige systeem en van de maatregelen die nodig zijn ter compensatie; 11. gaat ervan uit dat het nieuwe IT-systeem op tijd voor het begin van het begrotingsjaar 2009 inzetbaar is; verzoekt de Commissie zijn Commissie begrotingscontrole op de hoogte te stellen van eventuele verdere vertragingen; Vereenvoudiging van het beheer van de EOF 12. wijst erop dat het Parlement in zijn voorgaande resoluties over kwijting krachtig de opneming van het EOF in de algemene begroting van de Europese Unie heeft gesteund, daar hierdoor tal van complicaties en problemen zouden worden weggenomen die zich bij de tenuitvoerlegging van achtereenvolgende EOF hebben voorgedaan, zou worden bijgedragen tot versnelling van de uitkering van gelden en opheffing van het huidige democratische tekort; betreurt dat het EOF niet in het kader van het financiële kader 2007-2013 in de begroting is opgenomen, maar nog steeds een afzonderlijk financieel instrument is; acht opneming van het EOF in de begroting een met voorrang na te streven doel voor het financieel kader voor de periode na 2013; 13. is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de discussie over de opneming van het EOF in de begroting te heropenen in de context van de tussentijdse herziening van het 10e EOF; onderstreept dat de opneming van het EOF in de begroting de democratische controle en de controleerbaarheid van het EOF zeer ten goede zou komen; onderstreept dat opneming van het EOF in de algemene begroting van de Europese Unie tevens een duidelijk antwoord vormt op de steeds weer terugkerende problemen als gevolg van het omslachtige en langzame intergouvernementele ratificatieproces; 14. is van mening dat de Commissie en de Raad tot het uiterste moeten gaan om het beheer van de EOF te vereenvoudigen; is van mening dat voor vereenvoudiging zou kunnen worden gezorgd door voorgaande EOF zo spoedig mogelijk te sluiten en door de financiële voorschriften die van toepassing zijn op achtereenvolgende EOF te vereenvoudigen; wijst er andermaal op dat vereenvoudiging van het beheer van EU-fondsen een van de hoofddoelen is die uiteen worden gezet in het Actieplan van de Commissie voor een geïntegreerd interne controlekader (COM(2006) 09); 15. stelt vast dat het zesde EOF in 2006 is gesloten en dat de Commissie overweegt het zevende EOF in 2008 te sluiten; stelt vast dat de Commissie, zodra het 10de EOF in 2008 van start gaat, nog steeds vier EOF tegelijkertijd ten uitvoer legt; verzoekt de Commissie voorrang te geven aan sluiting van het 7de, 8ste en 9de EOF; 16. stelt vast dat ieder EOF zijn eigen financiële voorschriften heeft en dat deze afwijken van de regels die gelden voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse hulp uit de algemene begroting; stelt vast dat het personeel van de Commissie dat de buitenlandse hulp uitvoert hierdoor gedwongen is rekening te houden met vijf verschillende soorten financiële voorschriften; stelt vast dat in Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het 10e Europees Ontwikkelingsfonds [12] wordt gestreefd naar een hoge mate van harmonisering van de financiële voorschriften die van toepassing zijn op de diverse EOF; 17. stelt vast dat de Europese Rekenkamer in haar advies nr. 9/2007 inzake het voorstel voor een verordening van de Raad inzake het Financieel Reglement van toepassing op het 10e Europees Ontwikkelingsfonds [13] opmerkt dat de Commissie erin is geslaagd de herformulering van het algemeen Financieel Reglement in het kader van het EOF te transponeren; is verheugd over de bevinding van de Europese Rekenkamer dat in Verordening (EG) nr. 215/2008 heldere en duidelijke wetgeving wordt geboden die zich met name richt op de bepalingen die wezenlijk en noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het EOF; 18. verzoekt de ACS-landen de ratificatie van de wettelijke grondslagen voor het 10de EOF te versnellen om vertragingen te voorkomen waardoor de continuïteit van door het EOF gefinancierde activiteiten zou kunnen worden aangetast; 19. spreekt zijn krachtige steun uit voor het voorstel dat de Europese Rekenkamer in een aantal adviezen herhaalt, namelijk invoering van één enkel Financieel Reglement dat geldt voor alle huidige en toekomstige EOF; is het met de Europese Rekenkamer eens dat dit soort maatregel de continuïteit van de aanpak zou waarborgen en het beheer aanzienlijk zou vereenvoudigen; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen; Meer inzicht van het Parlement in de EOF-kredieten die worden beheerd door de Europese Investeringsbank 20. wijst erop dat het Parlement in voorgaande kwijtingsresoluties heeft benadrukt dat het te weinig inzicht heeft in het deel van de EOF-kredieten dat wordt beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB), daar deze fondsen niet vallen onder de verklaring inzake de betrouwbaarheid van de Europese Rekenkamer of onder de kwijtingsprocedure van het Parlement; 21. wijst erop dat de EIB de investeringsfaciliteit beheert, een risicodragend instrument dat uit het EOF wordt gefinancierd, dat gericht is op bevordering van particuliere investeringen in de moeilijke economische en politieke context van de ACS-landen; stelt vast dat in het kader van het 9de EOF 2037 miljoen EUR is toegewezen aan de investeringsfaciliteit voor de ACS-landen; stelt vast dat het totaalbedrag van aan de investeringsfaciliteit voor de ACS-landen toegewezen EOF-kredieten, met het aanvullende vermogen van 1100 miljoen EUR uit het 10de EOF, 3137 miljoen EUR bedraagt; 22. stelt vast dat de Europese Rekenkamer in haar bovengenoemd advies nr. 9/2007 evenals in voorgaande adviezen, betreurt dat de door de EIB beheerde operaties niet onder de kwijtingsprocedure vallen, hoewel de EIB EOF-kredieten gebruikt die door de Europese belastingsbetaler worden opgebracht en niet door de kapitaalmarkt; 23. begrijpt niet waarom de regeringen van de lidstaten in het intern akkoord voor het 10de EOF voor de periode 2008-2013, niet zijn ingegaan op de verontrusting van Europese Rekenkamer en Parlement en de door de EIB beheerde operaties nog steeds uitsluiten van de officiële kwijtingsprocedure; 24. spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de EIB bereid is de samenwerking met het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure op officieuze basis te verbeteren; stelt voor tijdens de komende kwijtingsprocedure vertegenwoordigers van de EIB uit te nodigen het jaarlijks verslag van de EIB over de tenuitvoerlegging van de investeringfaciliteit te presenteren aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement; Termijnen 25. spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de termijnen voor doorzending van het jaarverslag van de Europese Rekenkamer aan de kwijtingsautoriteit en voor het kwijtingsbesluit van het Parlement in Verordening (EG) nr. 215/2008 worden afgestemd op de desbetreffende data in het algemeen Financieel Reglement; Maatregelen naar aanleiding van de kwijtingsresolutie 2005 26. spreekt zijn waardering uit voor het heldere antwoord van de Commissie op de vragenlijst van de rapporteur, namelijk dat Louis Michel, Commissaris voor ontwikkelingshulp, politiek ten volle verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de EOF door de Commissie; 27. verzoekt de Europese Rekenkamer te controleren hoe de Commissie de EOF-kredieten beheert, en bijzondere nadruk te leggen op de verdeling van de verantwoordelijkheden in de directoraten-generaal van de Commissie die deel vormen van de "RELEX"-familie; 28. stelt vast dat de Commissie in haar verslag over het financieel beheer stelde dat haar doel voor 2006 was het totaalbedrag van de openstaande vastleggingen stabiel te houden op 10300 miljoen EUR, en dat dit doel is gehaald; stelt vast dat dit inhoudt dat 25 % van alle vastgelegde kredieten niet wordt uitgegeven; verzoekt de Commissie met klem het aantal openstaande vastleggingen verder te beperken, met name oude, niet-actieve vastleggingen; 29. feliciteert de Commissie met het feit dat zij de omvang van de uit de periode van vóór 2001 daterende nog betaalbaar te stellen EOF-bedragen (RAL) in 2006 met 49 % heeft weten terug te dringen; verlangt geregeld op de hoogte te worden gehouden omtrent de meest recente veranderingen in de omvang van de normale en abnormale nog betaalbaar te stellen bedragen; verzoekt de Commissie ten behoeve van het Parlement en van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een kwartaaloverzicht over de uitbetaling van de middelen op te stellen; 30. stelt vast dat begrotingssteun, volgens de overeenkomst van Cotonou, uitsluitend wordt verleend aan ontvangende landen wier overheidsuitgaven voldoende doorzichtig, controleerbaar en effectief zijn; stelt vast dat de Europese Rekenkamer enige twijfel heeft over de dynamische interpretatie van deze normen door de Commissie; neemt kennis van de conclusie van de Europese Rekenkamer dat de Commissie, als zij besluiten neemt over de terbeschikkingstelling van kredieten, de neiging heeft te vertrouwen op indicatoren door middel waarvan wordt getracht de toekomstige vooruitgang te voorspellen; 31. begrijpt dat de Commissie in een moeilijke omgeving zoals de ACS-landen behoefte heeft aan enige speelruimte voor haar besluiten; spreekt zijn waardering uit voor de positieve reactie van de Commissie op de aanbeveling van de Europese Rekenkamer de parameters voor haar dynamische interpretatie duidelijker te maken; 32. merkt op dat in 2006 68 % van de begrotingssteun uit het EOF werd verleend in de vorm van sectorale begrotingssteun, die gerichter van opzet is dan algemene begrotingssteun en waaraan derhalve geringere risico’s zijn verbonden; heeft twijfels omtrent de door de Commissie toegepaste "dynamische interpretatie" van de criteria die worden gehanteerd om voor begrotingssteun in aanmerking te komen en waaraan volgens de Rekenkamer een hoger risico is verbonden; is van mening dat begrotingssteun alleen moet worden toegekend aan landen die reeds voldoen aan minimale geloofwaardigheidsnormen voor het beheer van overheidsfinanciën; 33. wijst er nogmaals op dat de kredieten, wanneer de buitenlandse hulp wordt verleend via begrotingssteun, deel worden van de nationale begroting van de ontvangende landen, hetgeen betekent dat de sturende invloed van Commissie en Europese Rekenkamer beperkt is; herhaalt dat het in dergelijke gevallen bijzonder belangrijk is dat de Commissie samenwerkt met de nationale instanties in de ontvangende landen die de controlerende taken uitvoeren; 34. wijst er nogmaals op dat Parlement en Europese Rekenkamer de Commissie herhaaldelijk hebben verzocht haar samenwerking met de hoogste nationale controle-instellingen te verbeteren in landen die begrotingssteun ontvangen; neemt kennis van de verklaring in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer dat de relatie tussen Commissie en de hoogste nationale controle-instellingen te verbeteren in landen die begrotingssteun ontvangen de laatste tijd zijn verbeterd; verzoekt de Commissie te blijven streven naar een gestructureerde benadering van haar relatie met nationale controle-instellingen; 35. is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een gestructureerd beleid te ontwikkelen voor de ondersteuning van hoge controle-instanties in landen die steun uit de begroting ontvangen; merkt evenwel op dat democratische controleerbaarheid op het niveau van de partnerlanden niet kan worden verwezenlijkt zonder versterking van de parlementaire begrotingscontrole-instanties, zoals ook wordt aanbevolen in Speciaal verslag nr. 2/2005 van de Rekenkamer [14]; 36. verzoekt de Commissie de transparantie te verbeteren van en een betere toegang te verschaffen tot documentatie met betrekking tot begrotingsondersteuningsoperaties, inzonderheid door met de regeringen van begunstigde landen akkoorden aan te gaan naar het voorbeeld van de Financiële en Administratieve Kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties (FAFA), die een kader schept voor het beheer van de financiële bijdragen van de Commissie aan de Verenigde Naties; 37. neemt er met belangstelling kennis van dat de Commissie, met name het Europees Bureau voor fraudebestrijding en EuropeAid, in samenwerking met de EIB de aanzet heeft gegeven tot een reeks conferenties in ontvangende landen, ter verbetering van de samenwerking met de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij het juiste gebruik van algemene middelen, bijvoorbeeld inspecteurs en officieren van Justitie; stelt vast dat de eerste conferentie is gehouden in Rabat in mei 2007, een tweede in november 2007 in Brazzaville, en een derde in april 2008 in Kaapstad; 38. stelt vast dat de samenwerking met enkele nationale autoriteiten reeds is opgevoerd op basis van specifieke samenwerkingsovereenkomsten tussen deze autoriteiten en de Commissie; verzoekt de Commissie het Parlement nadere informatie te verstrekken over deze werkzaamheden; 39. feliciteert de Commissie met haar initiatief ter verbetering van de rapportage over de effecten van ontwikkelingsbeleidsmaatregelen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG); vertrouwt erop dat hiermee een reële bijdrage zal worden geleverd aan de verbetering van de democratische controle op dit terrein; ziet met belangstelling uit naar de resultaten van de evaluatie van de proeffase, die in 2007 van start is gegaan; 40. vestigt er de aandacht op dat met de Commissie als benchmarkcriterium is overeengekomen 20 % van de in het kader van het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking te verlenen steun te bestemmen voor basis- en voortgezet onderwijs en basisgezondheidszorg; ziet met belangstelling de resultaten tegemoet van de toepassing van het benchmark in 2007; dringt erop aan dat ook in de rapportage over het EOF hetzelfde benchmark wordt gehanteerd; 41. stelt met tevredenheid vast dat de Commissie maatregelen heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van het Parlement in haar verslag over het financieel beheer nadere gegevens te verstrekken over beperking van middelen en de gevolgen daarvan voor de tenuitvoerlegging van het EOF; stelt vast dat de Commissie laat weten aan gezond financieel beheer en kwaliteit, binnen deze beperkingen, absoluut voorrang te verlenen; is er echter verontrust over dat de Commissie nog steeds melding maakt van een groot aantal niet — bezette posten in enkele delegaties en een geringe personeelsomvang in verhouding tot de beheerde bedragen; 42. stelt vast dat de Raad, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 215/2008, op voorstel van de Commissie in 2010 een algeheel onderzoek zal uitvoeren naar de werking en resultaten van het 10de EOF; neemt ter kennis dat in dit onderzoek de financiële en kwalitatieve resultaten, met name effecten en gevolgen, maatregelen in termen van vooruitgang naar verwezenlijking van de MDG zullen worden beoordeeld; dringt erop aan dat de kwijtingsautoriteit op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van het onderzoek naar werking en resultaten; 43. stelt vast dat de Europese Rekenkamer in haar jaarverslag nogmaals de aanbeveling doet dat EuropeAid een samenhangende algemene strategie opzet voor zijn controlerende werkzaamheden; stelt vast dat EuropeAid, nadat in januari 2006 bovengenoemd actieprogramma van de Commissie met het oog op één, alle beleidsterreinen omvattend, geïntegreerd intern controlekader is aangenomen, werkt aan strategie die spoort met de algemene aanpak van de Commissie, maar waarin eveneens rekening wordt gehouden met de specifieke beheersmethoden voor de tenuitvoerlegging van buitenlandse hulp; 44. spreekt er zijn waardering voor uit dat de Europese Rekenkamer in haar jaarverslag over het begrotingsjaar 2006 en in haar voorgaande jaarverslagen nauwkeurig heeft aangegeven hoe de Commissie naar haar oordeel haar controlestrategie zou kunnen verbeteren; stelt vast dat de Europese Rekenkamer met nadruk wijst op de positieve reactie van de Commissie op haar aanbevelingen; verzoekt de Europese Rekenkamer en de Commissie hun nauwe samenwerking in dezen voort te zetten; 45. neemt kennis van de door de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 6/2007 [15] geleverde kritiek op de technischebijstandsprojecten van de Commissie; merkt voorts op dat de Commissie deze vraagstukken zal aanpakken door tegen juni 2008 een "strategie uit te stippelen waarmee door technische bijstands- en projectuitvoeringseenheden aan de effectiviteitsdoelstellingen voor EU-steun kan worden voldaan"; spreekt de hoop uit te zijner tijd een evaluatie te ontvangen van de resultaten die deze strategie in de praktijk heeft opgeleverd; 46. is ingenomen met de door de Commissie getroffen maatregelen ter bevordering van de donorcoördinatie op het gebied van technische bijstand; onderstreept het belang van een gecoördineerde aanpak, niet alleen op EU-niveau, maar tussen alle donoren onderling, en spreekt de hoop uit nader te worden geïnformeerd omtrent het verdere verloop van dit initiatief. [1] PB C 260 van 31.10.2007, blz. 1. [2] PB C 259 van 31.10.2007, blz. 1. [3] PB C 260 van 31.10.2007, blz. 258. [4] PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. [5] PB L 287 van 28.10.2005, blz. 4. [6] PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1 en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1. [7] PB L 109 van 26.4.2007, blz. 33. [8] PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108. [9] PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355. [10] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53. [11] PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1. [12] PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1. [13] PB C 23 van 28.1.2008, blz. 3. [14] PB C 249 van 7.10.2005, blz. 1. [15] PB C 312 van 21.12.2007, blz. 3. --------------------------------------------------