27.3.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 79/71


Advies van het Comité van de Regio's over de „Progress-microfinancieringsfaciliteit”

(2010/C 79/12)

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

De noodzaak voor actie

1.

Het Comité kan zich erin vinden dat de Commissie en de EIB direct maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de Europese middelen efficiënt worden gebruikt om het bedrijfsleven in deze periode van beperkte liquiditeit te ondersteunen en wijst erop dat de recente financiële crisis de toegang van het MKB en micro-ondernemingen tot krediet enorm heeft bemoeilijkt en dat dit de economische achteruitgang alleen maar verergert en in de weg staat van iedere vorm van herstel.

2.

Voorts beseft het dat de Financiële perspectieven 2007-2013 de mogelijkheden voor de Commissie beperken om nieuwe middelen uit te trekken voor de voorgestelde nieuwe microfinancieringsfaciliteit „Progress”.

3.

Het is erover bezorgd dat de overheveling van 100 miljoen euro van het Progress-programma naar de nieuwe faciliteit ten koste zou kunnen gaan van de doelstellingen, de impact en de efficiëntie van het programma en verzoekt de Commissie dan ook om andere financieringsopties te overwegen voor het gebruik van de faciliteit.

4.

Daarnaast wordt de Commissie erop gewezen dat met die 100 miljoen euro waarschijnlijk niet de nodige 500 miljoen extra middelen kunnen worden gemobiliseerd om de huidige kredietverleningsmoeilijkheden te verzachten, microfinanciering te bevorderen en aan de huidige vraag te voldoen.

5.

De voorgestelde faciliteit strookt met het subsidiariteitsbeginsel en vormt daarmee een aanvulling op de nationale of lokale en regionale faciliteiten.

6.

Beseft dient te worden dat meer dan 90 % van de EU-ondernemingen microbedrijven zijn en dat beperkte toegang tot microkrediet de grootste belemmering vormt voor innovatie door die bedrijven.

7.

Daarnaast wordt het leeuwendeel van microkrediet voor kansarme personen in de EU verstrekt door niet-commerciële instellingen op het gebied van microfinanciering, maar die instellingen hebben op hun beurt weer ondersteuning nodig om aan de vraag te voldoen.

8.

Het Comité denkt wel dat de inspanningen van de Commissie om de verlening van microkrediet in Europa uit te bouwen in een nuttig instrument zal resulteren om personen die van de traditionele kredietmarkten zijn uitgesloten in staat te stellen een bedrijf op te starten en banen te creëren.

9.

Het betreurt evenwel dat de Commissie bij de vooraf door haar gemaakte evaluatie onvoldoende aandacht heeft geschonken aan de rol van en de impact op de lokale en regionale autoriteiten.

De verlening zelf

10.

De Commissie moet zich richten op innovatieve, met name kennisintensieve microbedrijven om innovatie en productiviteit in Europa te bevorderen.

11.

Voorts wordt zij verzocht om bestaande EU-initiatieven te stroomlijnen en de samenhang te verduidelijken tussen de nieuwe mocrofinancieringsfaciliteit faciliteit Progress en andere financiële instrumenten van de Unie zoals het programma Progress, het ESF, Jasmine, Jeremie en KCI. (1)

12.

Verder beveelt het Comité haar aan een nauwkeuriger onderscheid tussen de specifieke doelgroepen te maken en werklozen en kansarmen, inclusief jongeren, vrouwen, ouderen en etnische minderheden, ook als doelgroepen te beschouwen en een specifieke en adequate positie te geven in programma's en initiatieven die verband houden met microkrediet.

13.

Ook moet zij meer nadruk leggen op nog andere maatregelen ter ondersteuning van bedrijven dan financiële steun voor startende en bestaande ondernemingen. Daarbij valt naast rentesubsidies uit het ESF te denken aan actieve ondersteuningsmechanismen als advisering, opleiding, begeleiding, en capaciteitsopbouw om duurzame bedrijfsgroei te bevorderen en het aantal mislukkingen terug te dringen.

14.

De verschillen tussen de voorwaarden voor aanvraag en verlening van microkrediet verschillen aanzienlijk binnen de Unie en de Commissie wordt verzocht om ervoor te zorgen dat het krediet ook verkrijgbaar is in gebieden die niet van de Structuurfondsen kunnen profiteren. Ontbering en achterstand kunnen namelijk ook in welvarende zones bestaan.

15.

Het Comité herinnert de Commissie, de lidstaten en de lokale en regionale partners eraan dat de 100 miljoen van de nieuwe faciliteit met bestaande programma's en initiatieven moet worden vergeleken. Dit beperkte bedrag zal de komende vier jaar namelijk in alle 27 lidstaten beschikbaar zijn. De fondsen moeten derhalve worden toegewezen aan de hand van specifieke criteria die een maximaal gunstig effect sorteren.

16.

Verder herinnert het aan zijn advies over „Een economisch herstelplan en de rol van de regionale en lokale territoriale lichamen” (CDR 12/2009) waarin de Commissie werd verzocht met voorstellen te komen voor regels inzake het verstrekken van microkrediet binnen de EU (alsook) met fundamentele parameters (daarvoor).

Communicatie

17.

Het Comité herinnert de Commissie en de EIB eraan dat het welslagen van de faciliteit ervan afhangt of de partners, de financiële instellingen en de eventuele begunstigden zich er volledig in kunnen vinden.

18.

Het dringt er daarnaast op aan dat de Commissie en de EIB proactief uitleg gaan geven over hun rol en methoden aangaande de toegang tot de diverse programmasubsidies en zulks in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten.

19.

Ook worden de twee verzocht om de meerwaarde van de nieuwe faciliteit te verduidelijken, alsook de aanvulling die zij belichaamt op initiatieven ter ondersteuning van het bedrijfsleven die reeds op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau bestaan.

20.

Verder heeft het Comité de Commissie en de EIB al eerder opgeroepen tot verduidelijking van de rol, de meerwaarde en de door andere steunprogramma's voor ondernemingen (bijv. Jeremie, KCI) geboden kansen; zie CvdR-advies 2008/246 over de European Small business Act voor Europa.

De coördinatie van de kredietverlening

21.

Commissie en EIB worden eraan herinnerd dat de nieuwe faciliteit aan efficiëntie wint wanneer zij gecoördineerd en uitgevoerd wordt met de bestaande Europese financiële instrumenten en de in de lidstaten bestaande lokale en regionale programma's.

22.

Daarnaast vestigt het comité de aandacht op zijn advies over „De Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid” (CDR 245/2008) waarin werd gewezen op de noodzaak van afstemming tussen de structuurfondsen en andere belangrijke Europese programma's … met het oog op de vergroting van de toegevoegde waarde van Europa en de betrokkenheid van de lokale en regionale overheden.

23.

De Commissie zou uit moeten gaan van de flexibiliteit die de faciliteit wordt verleend door niet-financiële instellingen, die, wanneer gepast, met de lokale en regionale autoriteiten samenwerken als verleners van microkrediet.

24.

Voorts worden de Commissie, de lidstaten, de lokale en regionale autoriteiten en de organen die de faciliteit moeten implementeren ertoe opgeroepen om eventuele begunstigden bij hun kredietaanvraag te ondersteunen, en de administratieve lasten waarmee aanvraag, verwerking ervan en uitbetaling gepaard gaan tot een minimum te beperken en ook de bureaucratische rompslomp na uitbetaling te helpen verminderen.

Evaluatie en monitoring

25.

De Commissie zou op eigen initiatief tussentijdse en eindevaluaties moeten uitvoeren, en wel in nauwe samenwerking met internationale financiële instellingen en in overleg met de lokale en regionale autoriteiten en de uiteindelijke begunstigden. Met name in de slotevaluatie moet worden nagegaan in hoeverre de doelstellingen van de faciliteit zijn verwezenlijkt en of zij een aanvulling heeft gevormd op bestaande communautaire instrumenten als Progress, ESF, Jasmine, Jeremie en KCI. Ook moet die evaluatie een overzicht bevatten van de spreiding van de kredieten over de 27 lidstaten.

26.

Het gaat hier om een tijdelijke faciliteit binnen het bestaande begrotingskader. Mocht zij een succes blijken te zijn, stelt het Comité voor dat de Commissie en de EIB overwegen om het programma tot 2013 te verlengen.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 2 van COM(2009) 333

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.

De faciliteit verschaft communautaire middelen om de toegang tot microkredieten te verbeteren voor:

a)

personen die hun baan verloren hebben of dreigen te verliezen en hun eigen micro-onderneming wensen op te richten of zich als zelfstandige wensen te vestigen;

b)

kansarme personen, met inbegrip van jongeren, die hun eigen micro-onderneming wensen op te richten of uit te breiden, of zich als zelfstandige wensen te vestigen;

c)

micro-ondernemingen in de sociale economie die personen in dienst hebben die hun baan verloren hebben of die kansarme personen, met inbegrip van jongeren, in dienst hebben.

1.

De faciliteit verschaft communautaire middelen om de toegang tot microkredieten te voor:

b)

kansarme personen, , , die hun eigen micro-onderneming wensen op te richten of uit te breiden, of zich als zelfstandige wensen te vestigen;

c)

micro-ondernemingen in de sociale economie die personen in dienst hebben die hun baan verloren hebben of die kansarme personen, , in dienst hebben.

Motivering

i)

Er bestaat nauwelijks een gemeenschappelijke definitie/opvatting van de samenstelling „die hun baan dreigen te verliezen”. Daarom moet worden verwezen naar de recentelijk bijgestelde definitie van Verordening (EG) nr. 1927/2006.

ii)

Niet alleen „jongeren” zijn kansarm en daarom moeten de overige groepen ook specifiek worden genoemd.

iii)

Daarom ook moet de verwijzing naar jongeren onder (c) worden geschrapt.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 4 van COM(2009) 333

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.

De faciliteit wordt, naargelang van de behoeften, aangewend voor de volgende soorten acties:

a)

garanties en instrumenten voor risicodeling;

b)

eigenvermogensinstrumenten;

c)

schuldinstrumenten;

d)

steunmaatregelen, zoals communicatieactiviteiten, toezicht, controle, audit en evaluatie die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van dit besluit en voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.

2.

De faciliteit staat open voor in de lidstaten gevestigde openbare en particuliere instanties die microfinanciering verstrekken aan personen en micro-ondernemingen in de lidstaten.

1.

De faciliteit wordt, naargelang van de behoeften, aangewend voor de volgende soorten acties:

a)

garanties en instrumenten voor risicodeling;

b)

eigenvermogensinstrumenten;

c)

schuldinstrumenten;

d)

steunmaatregelen, zoals communicatieactiviteiten, toezicht, controle, audit en evaluatie die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging van dit besluit en voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.

2.

De faciliteit staat open voor in de lidstaten gevestigde openbare en particuliere instanties die microfinanciering verstrekken aan personen en micro-ondernemingen in de lidstaten.

Motivering

i)

De faciliteit is beperkt (100 miljoen) en er moet voor worden gezorgd dat de middelen zo goed mogelijk worden gebruikt. Daarom is het belangrijk dat duidelijke verleningscriteria worden geformuleerd en dat die in alle lidstaten samenhangend worden toegepast.

ii)

Duidelijke criteria dienen efficiënte communicatie en differentiatie tussen, of coördinatie met, andere programma's.

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 5 van COM(2009) 333

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.

De Commissie beheert de faciliteit in overeenstemming met Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad.

2.

Voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 4, lid 1, bedoelde acties, met uitzondering van de in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde steunmaatregelen, sluit de Commissie overeenkomsten met internationale financiële instellingen, met name met de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF), overeenkomstig artikel 53 quinquies van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad en artikel 43 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie. Deze overeenkomsten bevatten gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering van de hun toevertrouwde taken, met inbegrip van de noodzaak voor additionaliteit met nationale regelingen te zorgen.

3.

De in lid 2 bedoelde internationale financiële instellingen kunnen de ontvangen opbrengsten, met inbegrip van dividenden en vergoedingen, gedurende een periode van zes jaar na de begindatum van de faciliteit opnieuw investeren in acties als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), b) en c). Bij afsluiting van de faciliteit wordt het aan de Europese Gemeenschappen verschuldigde saldo teruggestort in de algemene begroting van de Europese Unie.

4.

De in lid 2 van dit artikel bedoelde internationale financiële instellingen sluiten schriftelijke overeenkomsten met de in artikel 4, lid 2, bedoelde openbare en particuliere verstrekkers van microfinanciering, waarin deze laatste verplicht worden de uit de faciliteit beschikbaar gestelde middelen aan te wenden overeenkomstig de doelstellingen van artikel 2 en informatie te verstrekken ten behoeve van de opstelling van de in artikel 8, lid 1, bedoelde jaarverslagen.

5.

De begroting voor de in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde steunmaatregelen wordt beheerd door de Commissie.

1.

De Commissie beheert de faciliteit in overeenstemming met Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad.

2.

Voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 4, lid 1, bedoelde acties, met uitzondering van de in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde steunmaatregelen, sluit de Commissie overeenkomsten met internationale financiële instellingen, met name met de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF), overeenkomstig artikel 53 quinquies van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad en artikel 43 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie. Deze overeenkomsten bevatten gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering van de hun toevertrouwde taken, met inbegrip van de noodzaak voor additionaliteit met nationale, regelingen te zorgen.

3.

De in lid 2 bedoelde internationale financiële instellingen kunnen de ontvangen opbrengsten, met inbegrip van dividenden en vergoedingen, gedurende een periode van zes jaar na de begindatum van de faciliteit opnieuw investeren in acties als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), b) en c). Bij afsluiting van de faciliteit wordt het aan de Europese Gemeenschappen verschuldigde saldo teruggestort in de algemene begroting van de Europese Unie.

4.

De in lid 2 van dit artikel bedoelde internationale financiële instellingen sluiten schriftelijke overeenkomsten met de in artikel 4, lid 2, bedoelde openbare en particuliere verstrekkers van microfinanciering, waarin deze laatste verplicht worden de uit de faciliteit beschikbaar gestelde middelen aan te wenden overeenkomstig de doelstellingen van artikel 2 en informatie te verstrekken ten behoeve van de opstelling van de in artikel 8, lid 1, bedoelde jaarverslagen.

5.

De begroting voor de in artikel 4, lid 1, onder d), bedoelde steunmaatregelen wordt beheerd door de Commissie.

Motivering

Er dient erop te worden gewezen dat de faciliteit efficiënter functioneert wanneer niet alleen met nationale maar ook met regionale en lokale programma's wordt gecoördineerd.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 9 van COM(2009) 333

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.

De Commissie voert op eigen initiatief en in nauwe samenwerking met de in artikel 5, lid 2, bedoelde internationale financiële instellingen een tussentijdse en een eindevaluatie uit. De tussentijdse evaluatie wordt voltooid vier jaar na het begin van de faciliteit en de eindevaluatie uiterlijk één jaar na afloop van het aan de in artikel 5, lid 2, bedoelde internationale financiële instellingen verleende mandaat. Bij de eindevaluatie wordt met name onderzocht in welke mate de faciliteit als geheel haar doelstellingen heeft bereikt.

2.

De resultaten van de evaluaties worden ter informatie toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

1.

De Commissie voert op eigen initiatief en in nauwe samenwerking met de in artikel 5, lid 2, bedoelde internationale financiële instellingen, een tussentijdse en een eindevaluatie uit. De tussentijdse evaluatie wordt voltooid vier jaar na het begin van de faciliteit en de eindevaluatie uiterlijk één jaar na afloop van het aan de in artikel 5, lid 2, bedoelde internationale financiële instellingen verleende mandaat. Bij de eindevaluatie wordt met name onderzocht in welke mate de faciliteit als geheel haar doelstellingen heeft bereikt, . .

2.

De resultaten van de evaluaties worden ter informatie toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Motivering

i)

De faciliteit moet samen met de lokale en regionale autoriteiten worden uitgevoerd. Dus moet iedere evaluatie in overleg met die autoriteiten en de uiteindelijke kredietnemers worden uitgevoerd. Zij zijn namelijk uitstekend gepositioneerd om te adviseren over de totale impact en de efficiëntie van de faciliteit.

ii)

De faciliteit zal alleen doelmatig functioneren indien zij andere financiële programma's van de Unie aanvult. Daarom moet de mate van aanvulling deel van de evaluatie uitmaken.

Brussel, 7 oktober 2009

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  Communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke insluiting (Progress), Europees Sociaal Fonds (ESF), Gezamenlijke actie ter ondersteuning van micrifinancieringsinstellingen in Europa (Jasmine), Steun aan kleine en middelgrote bedrijven die acties zijn op het gebied van financiële engineering (Jeremie), Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (KCI).