|
22.9.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 255/66 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven
(COM(2009) 158 definitief)
(2010/C 255/12)
Rapporteur: de heer BURNS
De Commissie heeft op 2 april 2009 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven
COM(2009) 158 final.
De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 oktober 2009 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Burns.
Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 december 2009 gehouden 458e zitting (vergadering van 17 december 2009) onderstaand advies uitgebracht, dat met 60 stemmen vóór en 12 tegen, bij 11 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Aanbevelingen
1.1 Het EESC acht het niet juist dat het begrip „universiteit” voor alle instellingen voor hoger onderwijs wordt gebruikt, ongeacht hun status of benaming in de lidstaten. Bij het bevorderen van partnerschappen tussen hogeronderwijsinstellingen en bedrijven is het juist zaak dat duidelijk wordt aangegeven voor welke studierichtingen het partnerschap geschikt is. Verder moeten beide partijen zelf beoordelen welke wederzijdse voordelen het partnerschap inhoudt. Het EESC stelt dan ook voor het begrip „hogeronderwijsinstellingen” als overkoepelend begrip te gebruiken, en dit begrip derhalve te gebruiken in de benaming van het forum.
1.2 De mededeling van de Commissie en het Forum voor de dialoog tussen universiteiten of hogeronderwijsinstellingen en bedrijven zouden zich in eerste instantie moeten focussen op doelgerichte samenwerking en maatregelen. Hiervoor moet eerst goed worden geanalyseerd, zeker met het oog op de huidige crisis waarin niets vanzelfsprekend is, of ondernemingen de mogelijkheid zullen hebben rechtstreeks te investeren in toekomstige afgestudeerden (in een langetermijnperspectief). Het forum zou moeten worden ingeschakeld om het algemeen belang op lange termijn te formuleren op het gebied van onderwijs en de ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
1.3 De raadpleging van de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld is in dat verband wenselijk. De oprichting van partnerschappen met het bedrijfsleven en van een forum moet zinvol zijn; de samenwerking mag niet verworden tot een mechanisme dat nog louter bedoeld is om meer financiële middelen vrij te maken voor de universiteiten. Evenmin is het de bedoeling dat bedrijven op deze manier „zeggenschap” krijgen over de hogeronderwijsinstellingen.
1.4 Het Comité pleit voor meer evenwicht in de partnerschappen tussen universiteiten en bedrijven, waarbij beide partners fungeren als drijvende kracht achter verandering en beiden waardevolle bijdragen leveren, elkaars specifieke doelstellingen en maatschappelijke taken erkennen en tegelijkertijd op zoek gaan naar en gebruik maken van thema's en raakvlakken die tot samenwerking kunnen leiden (1).
1.5 Levenslang leren: via empirisch onderzoek moet duidelijk worden gemaakt wat bedrijven doen en waaraan zij behoefte hebben; pas daarna heeft het zin dat het forum doelstellingen voor beroepsonderwijs en –opleiding gaan afbakenen.
1.6 Ook bedrijven zelf zijn verantwoordelijk voor de afbakening van deze doelstellingen: zij moeten aangeven welke taken binnen het bedrijf worden verricht of zouden moeten worden verricht, rekening houdend met de opleidingsbehoeften van werknemers gedurende hun hele leven.
1.7 De toegang tot programma's voor levenslang leren mag niet afhankelijk worden gesteld van eerdere academische resultaten of het behalen van specifieke kwalificaties. Bij levenslang leren moet worden uitgegaan van de praktische behoeften van de werkgever en van het bedrijf. Elke vorm van praktische opleiding moet gericht zijn op resultaten; het verwerven van kwalificaties mag niet de hoofddoelstelling zijn van levenslang leren.
1.8 Niets kan praktische ervaring in een bedrijf vervangen. Het forum moet dan ook een aantal voorstellen formuleren inzake de manier waarop academici nuttige ervaring kunnen opdoen in zowel grote als kleine ondernemingen. Er is reeds veel ervaring op dit gebied, zodat het aangewezen is de voorbeelden van goede praktijken te bestuderen.
1.9 Het MKB en micro-ondernemingen moeten ertoe worden aangezet actiever deel te nemen aan het forum.
1.10 Met het oog op de activiteiten van het forum is een meer werkbare omschrijving nodig van kleine en middelgrote ondernemingen. Het Comité stelt de volgende indeling voor:
|
Soort onderneming |
Aantal werknemers |
|
Middelgroot |
<100 |
|
Klein |
<20 |
|
Micro |
<5 |
2. Achtergrond
2.1 Onderwijs en opleiding zijn cruciaal voor de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van de Lissabonstrategie. Als de Europese samenleving in de nieuwe wereldeconomie het hoofd boven water wil houden en de concurrentie wil kunnen aangaan, dan moeten de burgers meer ondernemingsgeest aan de dag leggen. Om deze doelstelling te bereiken is de modernisering van de Europese onderwijsstelsels een onontbeerlijke voorwaarde; de hogeronderwijsinstellingen en het bedrijfsleven dienen in dit verband als drijvende kracht te fungeren.
2.2 Partnerschappen tussen grote multinationals en universiteiten en tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven, zijn niet nieuw. De gezamenlijke technologie-initiatieven, de Europese technologieplatforms, de technologieclusters en het onlangs opgerichte Europees Instituut voor innovatie en technologie zijn stuk voor stuk goede voorbeelden van nieuwe vormen van samenwerking en partnerschap. Vergelijkbare samenwerkingsverbanden tussen hogeronderwijsinstellingen en micro-ondernemingen en het MKB zijn jammer genoeg onvoldoende ontwikkeld.
2.3 Nieuw onderzoek is nodig om meer inzicht te krijgen in de veranderende wereld van het hoger onderwijs en de rol van academici. Universiteiten hebben een centrale rol te vervullen in de totstandbrenging van een Europese „kennismaatschappij”. Recent onderzoek heeft evenwel aangetoond dat onze verwachtingen steeds hoger gaan liggen en universiteiten de druk nog maar nauwelijks aankunnen: zij voelen zich verplicht meer onderzoek te verrichten, concurrerend te zijn en op een kostenefficiënte manier te werken. Tegelijkertijd moeten zij de studenten – en dat zijn er steeds meer - op een persoonlijker manier onderricht geven en hoge academische maatstaven aanhouden. De opdracht van universiteiten wordt m.a.w. steeds breder en vager en het risico bestaat dat zij in de toekomst niet langer deel zullen hebben aan het genereren en verspreiden van kennis (2).
2.4 In haar mededeling van mei 2006 over de modernisering van het hoger onderwijs (3) betoogt de Commissie dat het bedrijfsleven een bijdrage moet leveren op de volgende drie gebieden:
|
— |
governance: de academische wereld zou bepaalde bedrijfsmodellen kunnen overnemen; |
|
— |
financiering: bedrijven zouden eventueel financiële steun kunnen verlenen aan onderwijs- en onderzoeksactiviteiten; |
|
— |
curricula: de studenten moeten een opleiding krijgen die hen klaarstoomt voor de huidige en toekomstige arbeidsmarkt; dat kan onmogelijk bereikt worden zonder de steun van het bedrijfsleven, dat studenten stages moet aanbieden die de overgang van studeren naar werken kunnen vergemakkelijken. Voorts moeten bedrijven ertoe worden aangezet hun personeel de kans te geven op elk moment in hun loopbaan een voortgezette opleiding te volgen en zich bij te scholen. |
2.5 De Commissie heeft in 2008 het Forum universiteiten-bedrijven opgericht, dat samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven bevordert om zo de universiteiten te helpen beter en sneller in te spelen op de behoeften van de markt en partnerschappen op basis van wetenschappelijke en technologische kennis te ontwikkelen.
2.6 Deelnemers aan het forum zijn hogeronderwijsinstellingen, ondernemingen, bedrijfsverenigingen, intermedia ire organisaties en overheden. Zij krijgen zo de kans goede praktijken uit te wisselen, gemeenschappelijke problemen te bespreken en mogelijke oplossingen uit te werken.
3. Inhoud van het Commissievoorstel
3.1 De Commissie erkent dat er behoefte is aan een betere samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven. De inspanningen van de lidstaten om hun hoger onderwijs te moderniseren verdienen dan ook steun.
3.2 De Commissie wil met deze Mededeling:
|
— |
bekijken wat het eerste jaar van het forum en andere relevante activiteiten op Europees niveau ons leren over de uitdagingen en barrières voor de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven. Dit aspect wordt uitvoeriger beschreven in een werkdocument van de Commissie; |
|
— |
voorstellen doen voor de activiteiten van het forum in een volgende fase; |
|
— |
concrete vervolgacties ontwikkelen om de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven te versterken. |
3.3 De belangrijkste conclusies, aan de hand waarvan de toekomstige koers van het forum zal worden uitgezet, luiden als volgt:
|
— |
de ontwikkeling van een ondernemerschapscultuur op de universiteiten vereist grondige veranderingen in de governance en de leiding van de universiteiten; |
|
— |
onderwijs in ondernemerschap moet ruim worden opgevat en openstaan voor alle belangstellende studenten in alle academische disciplines; |
|
— |
universiteiten moeten ondernemers en mensen uit het bedrijfsleven betrekken bij het onderwijs in ondernemerschap; |
|
— |
professoren en leraren moeten toegang krijgen tot opleidingen op het gebied van het onderwijs in ondernemerschap en moeten in contact staan met de bedrijfswereld; |
|
— |
universiteiten en openbare onderzoekinstellingen moeten een duidelijke langetermijnstrategie voor het beheer van intellectuele-eigendomsrechten (IER) hebben; |
|
— |
er moet aandacht worden besteed aan de bijzondere uitdagingen waarmee kleine en middelgrote ondernemingen worden geconfronteerd wanneer zij partnerschappen met universiteiten aangaan; |
|
— |
een leven lang leren moet volledig worden geïntegreerd in de opdracht en de strategieën van de universiteiten; |
|
— |
bijwerking/verbetering van vaardigheden moet waardering en erkenning krijgen op de arbeidsmarkt én van de werkgevers; |
|
— |
er moet werk worden gemaakt van een leven lang leren in partnerschap met het bedrijfsleven – universiteiten kunnen niet alléén opleidingen opzetten en verstrekken; |
|
— |
via nationale en regionale randvoorwaarden moet een klimaat worden gecreëerd dat de universiteiten stimuleert om met bedrijven samen te werken; |
|
— |
de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven moet worden geïntegreerd in institutionele strategieën; leiderschap en een doeltreffend beheer van de menselijke hulpbronnen zijn van cruciaal belang voor de implementatie. |
3.4 Om de debatten over bovenvermelde doelstellingen vlot te doen verlopen wil de Commissie de structuur van plenaire vergaderingen en thematische seminars in het kader van het forum uitbreiden. Aanbevolen wordt een webruimte te ontwikkelen. Ook is het de bedoeling nationale en regionale autoriteiten en partners van buiten de EU bij het forum te betrekken.
3.5 Aan de hand van de bevindingen van het forum zal de Commissie nagaan of nieuwe vormen van gestructureerde partnerschappen tussen universiteiten en bedrijven, m.n. het MKB, mogelijk zijn, en hoe deze partnerschappen via bestaande EU-programma's kunnen worden gesteund. Tevens zal zij bekijken of de dialoog met het bedrijfsleven kan worden uitgebreid tot andere onderwijs- en opleidingsniveaus.
4. Algemene opmerkingen
4.1 Het Comité is ingenomen met de inspanningen van de Commissie voor het verbeteren van de betrekkingen tussen hogeronderwijsinstellingen en bedrijven. Het betreurt echter dat de kritiek uit vorige documenten nog steeds van toepassing is en dat de conclusie eens te meer luidt: „Er is een probleem en daar moet iets aan worden gedaan.” In haar Mededeling stelt de Commissie bepaalde maatregelen voor om de samenwerking tussen de instellingen van het hoger onderwijs en de bedrijven te verbeteren, maar het baart het Comité zorgen dat zij het houdt bij een unilaterale aanpak, bijvoorbeeld: „universiteiten zouden de ondernemerschapscultuur van bedrijven moeten overnemen, mensen uit het bedrijfsleven rechtstreeks moeten betrekken bij het onderwijs, onderwijs in ondernemerschap moeten invoeren, enz.” (zie par. 3.3).
4.2 De benadering van de Commissie is al te academisch en de aanbevelingen zijn zo vaag dat ze voor allerlei interpretaties vatbaar zijn. Het schept bovendien verwarring dat met „universiteiten” alle instellingen voor hoger onderwijs worden bedoeld, ongeacht de naam en status ervan in de lidstaten. De verschillende instellingen verstrekken immers ook verschillende diensten aan de bedrijven. Instellingen die gericht zijn op het aanleren van praktische vaardigheden leveren andere producten af dan instellingen die meer kennisgericht zijn. De belangrijkste taak van klassieke universiteiten waar met name sociale en menswetenschappen worden onderwezen en diepgaand onderzoek wordt gedaan, is om kennis te produceren en de culturele continuïteit te waarborgen.
4.3 De meeste werkgevers zijn vertrouwd met de traditionele opdeling tussen universiteiten en andere vormen van voortgezet onderwijs. Zij verwachten van universiteiten dat zij studenten afleveren met een diepgaande kennis van hun vakgebied. Een universitair diploma wordt door hen beschouwd als een illustratie van het potentieel van een student, niet als een bekwaamheidscertificaat, terwijl een getuigschrift van een hogeschool of een school voor beroepsopleiding voor praktische knowhow moet staan. Noch de mededeling noch het begeleidende werkdocument brengen hierin meer klaarheid.
4.4 Het Comité is zich bewust van de problemen die een louter bedrijfsgerichte benadering meebrengt. Het heeft geen zin methodes uit de VS klakkeloos over te nemen en toe te passen op ons Europees systeem. Europese universiteiten moeten een nieuwe manier vinden om samen te werken met het bedrijfsleven, en hun diensten, kwalificaties en resultaten te verbeteren, evenwel zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan hun capaciteit op het gebied van fundamenteel onderzoek, die cruciaal is wil de Unie de wereldwijde concurrentie aankunnen.
4.5 In het huidige economische klimaat kunnen de Europese hogeronderwijsinstellingen niet anders dan klantgerichter gaan werken en zich meer bewust worden van hun maatschappelijke kosten/baten. Het forum zou moeten uitgroeien tot de ideale partner om de hogeronderwijsinstellingen daarbij te helpen. Wel moet het begrip „klant” nader worden omschreven, of het nu gaat om het algemeen belang, de werkgevers of de individuele student.
4.6 Deze veranderingen in de prioriteiten zullen niet zonder financiële implicaties blijven voor de universiteiten. De mate waarin de markt de academische prioriteiten zou moeten bepalen is een cruciale vraag, waarover zorgvuldig moet worden nagedacht. Als onderwijsinstellingen zich uitsluitend op het bedrijfsleven en het concurrentievermogen gaan richten kan dat de curricula en onderzoeksgebieden al te zeer inperken. Dit blijkt al duidelijk uit het feit dat de klassieke vakken overal ter wereld steeds minder succes kennen. Bovendien blijft deze tendens (4) niet beperkt tot de menswetenschappen; ook de traditionele wetenschappelijke richtingen als scheikunde, natuurwetenschappen en wiskunde, en economie en andere sociale wetenschappen worden hierdoor getroffen.
4.7 De Commissie verklaart dat aanbevelingen er op de eerste plaats op gericht moeten zijn om van de Europese universiteiten „cruciale actoren te (maken) bij het waarmaken van de ambitie van Europa om de leidinggevende kenniseconomie en -maatschappij van de wereld te zijn”. Deze doelstelling op zich mag dan lovenswaardig zijn, het Comité plaatst vraagtekens bij het feit dat blijkbaar alleen de universiteiten worden beschouwd als „actoren”. Het Comité is nl. voorstander van een partnerschap tussen bedrijven en universiteiten waarbij de partners op gelijke voet staan, hun eigen sterke en zwakke punten erkennen en zich in gelijke mate inzetten voor verandering. Het bedrijfsleven beschikt immers over de nodige praktische ervaring en kennis van de arbeidsmarkt terwijl de universiteiten de intellectuele inhoud en ondersteuning kunnen leveren. Het EESC herinnert er echter aan dat deze Europese ambitie niet alleen wordt gevoed door bedrijven en hogeronderwijsinstellingen, maar dat er nog vele andere factoren zijn. Deze ambitie moet worden gezien in de context van een hele reeks Europese en nationale beleidsmaatregelen, met name tegen de achtergrond van de maatschappelijke steun voor onderwijs en werkloosheidsbestrijding. Op vakgebieden die op de bedrijfspraktijk zijn gericht, moeten universiteiten de juiste theoretische kennis overdragen, zodat studenten en afgestudeerden voldoen aan de eisen van de veranderende economie.
4.8 Het Comité erkent de noodzaak om de leerstof af te stemmen op de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en is ingenomen met de verwijzingen in het werkdocument naar „resultaten” (5.2, 5.2.3 en 5.5.5), maar blijft van oordeel dat dit niet de enige taak van de universiteit mag zijn. Vraag is echter wie deze resultaten zal definiëren en hoe, en welke plaats beroepsonderwijs –en -opleiding en beroepskwalificaties zullen krijgen in het definitieve model voor universitaire en beroepsopleidingen en en hun respectieve kwalificaties. Het Comité is van oordeel dat de definities van deze resultaten van cruciaal belang zijn voor het afstemmen van de opleiding op de behoeften van de werkgevers. Dit geldt in het bijzonder voor het MKB en micro-ondernemingen. Gezien de duur van de gemiddelde opleiding en de snelle ontwikkeling van de Europese arbeidsmarkten, waar nog geen sprake is van harmonisatie, zal het echter geen sinecure zijn opleidingen toe te snijden op het werken in een onderneming. Op vakgebieden die op de bedrijfspraktijk zijn gericht, moeten universiteiten de juiste theoretische kennis overdragen, zodat studenten en afgestudeerden voldoen aan de eisen van de veranderende economie.
4.9 Levenslang leren is belangrijk voor het bedrijfsleven en de burgers, maar de Commissie verzuimt de problematiek van gelijke toegang aan te snijden. Dit kan m.n. voor mensen zonder universitaire opleiding een ernstig probleem zijn. Het is immers zo dat wie al over een universitair diploma beschikt meer ondersteuning en opleiding zal krijgen, terwijl mensen zonder universitaire opleiding niet de kans krijgen gebruik te maken van universitaire diensten of universitaire programma's voor levenslang leren. Zonder specifieke aanbevelingen zal er geen verandering komen in die situatie.
4.10 De Commissie lijkt ervan uit te gaan dat zij enkel op grond van ontmoetingen met werkgevers en academici zal kunnen vaststellen aan welke specifieke vaardigheden meer aandacht moet worden besteed. Zij toont zich doorgaans een pleitbezorger van meer wetenschappelijk onderzoek, maar stelt in dit geval ironisch genoeg nergens voor om gebruik te maken van wetenschappelijke technieken waarmee nauwkeurig zou kunnen worden nagegaan welke opleidingsgebieden lacunes vertonen en welke vereisten aan onderwijs en opleiding moeten worden gesteld om deze op te vullen. Door samen met bedrijven specifieke organen (bijv. verenigingen) te creëren binnen universiteiten, kan beter worden nagegaan welke kwalificaties afgestudeerden in de praktijk nodig hebben, zodat zij beter kunnen voldoen aan de eisen die het bedrijfsleven stelt. Bovendien kunnen deze organen afgestudeerden helpen bij het vinden van een baan in het bedrijfsleven.
4.11 Dit gebrek aan concrete gegevens is met name schrijnend op het vlak van levenslang leren. Empirisch onderzoek is nodig om duidelijk in kaart te brengen welke taken het bedrijfsleven vervult en welke taken moeten worden vervuld. Als hierin duidelijkheid is gebracht kunnen opleiding en kwalificaties worden afgestemd op de beoogde resultaten. Aangezien het omschrijven van deze resultaten een praktische kwestie is, moeten de bedrijven zelf worden betrokken bij de afbakening en omschrijving van deze doelstellingen. Voorlichting van de betrokkenen is hierbij cruciaal. Als er in een bepaalde sector zoals bv. de zeevaart, veel vraag is naar werknemers, dan moeten potentiële „studenten” daarvan op de hoogte worden gebracht door de (nationale of Europese) universiteiten die de opleiding in kwestie aanbieden; het gaat hierbij om erg uiteenlopende en vaak zeer gespecialiseerde beroepen.
4.12 In par. 2 van de Commissiemededeling staat te lezen: „Bij de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven zijn twee gemeenschappen betrokken die worden gekenmerkt door uitgesproken verschillen wat cultuur, waarden en taken betreft”. De Commissie geeft een aantal voorbeelden van partnerschappen, maar geeft ook toe dat „het samenwerkingsniveau (…) zeer ongelijk (blijft) tussen de verschillende landen, universiteiten en academische disciplines. Verder is de mate waarin deze samenwerking de governance of de organisatiestructuren in de twee sectoren heeft beïnvloed, beperkt. Weinig universiteiten hebben een voor de gehele instelling geldende strategie voor samenwerking met het bedrijfsleven ontwikkeld; zij zijn vooral geconcentreerd in een klein aantal lidstaten”.
4.13 Met deze verklaring legt de Commissie de vinger op de wond: de relatie tussen universiteiten en bedrijfsleven wordt bemoeilijkt omdat veel van de universiteiten oude stijl weinig of geen moeite doen om inzicht te krijgen in de cultuur, de waarden en drijfveren van bedrijven en in de overtuiging leven dat niet zijzelf maar de bedrijven zich moeten aanpassen. Voor een daadwerkelijke samenwerking van bedrijfsvertegenwoordigers is het nodig dat ze rekening houden met de specifieke functie van universiteiten en met het feit dat ze een andere verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van de maatschappij. Ook dienen ze er oog voor te hebben dat de positieve bijdragen van universiteiten aan het bedrijfsleven vooral langs indirecte wegen lopen. Zolang hun houding niet verandert zullen aanbevelingen voor de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven weinig zoden aan de dijk zetten.
4.14 Deze vaststelling brengt nog een ander probleem aan de oppervlakte: op dit moment vindt de samenwerking meestal plaats tussen universiteiten en grote bedrijven, vaak multinationals, met een gevestigde staat van dienst op sociaal en economisch gebied. Dat werpt de volgende vraag op: als zelfs grote bedrijven in het verleden zo weinig invloed hebben kunnen uitoefenen, is het dan realistisch te denken dat het MKB en micro-ondernemingen hun stempel zullen kunnen drukken op de universiteiten? Die kwestie wordt aangekaart in par. 3.3: „Er moet aandacht worden besteed aan de bijzondere uitdagingen waarmee kleine en middelgrote ondernemingen worden geconfronteerd wanneer zij partnerschappen met universiteiten aangaan”. Jammer genoeg laat de Commissie na om praktische oplossingen voor te stellen.
4.15 Nergens in de mededeling wordt een duidelijke definitie gegeven van „kleine en middelgrote ondernemingen”. De term komt negen keer voor in de mededeling, tien keer in de effectbeoordeling en 76 keer in het werkdocument, maar het lijkt erop dat daarmee niet zozeer gerefereerd wordt aan kleine ondernemingen maar aan ondernemingen met meer dan 200 werknemers en een omzet van meer dan 10 miljoen euro. Op dit moment gaat de Commissie uit van de volgende omschrijving van kleine en middelgrote ondernemingen:
|
Soort onderneming |
Aantal werknemers |
Jaaromzet |
|
Totale jaarbalans |
|
middelgroot |
<250 |
€ 50 miljoen |
of |
€ 43 miljoen |
|
klein |
<50 |
€ 10 miljoen |
of |
€ 10 miljoen |
|
micro |
<10 |
€ 2 miljoen |
of |
€ 2 miljoen |
Deze definitie is niet bruikbaar voor het forum of hogeronderwijsinstellingen die kleine en middelgrote ondernemingen in kaart trachten te brengen; met name de cijfers inzake de jaaromzet zijn van weinig nut. Het Comité durft te stellen dat deze omschrijving van kleine en middelgrote ondernemingen het zoeken naar partners uit het bedrijfsleven bemoeilijkt. Een eenvoudiger definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, die de realiteit weerspiegelt, is dan ook wenselijk.
4.16 De verwijzing naar „bevordering van ondernemerschap”, waaraan op alle niveaus van het onderwijs aandacht moet worden besteed, moet aandachtig worden bestudeerd en met concrete voorbeelden worden geïllustreerd. Het Comité vraagt zich namelijk af of het forum wel de juiste plek is om een dergelijke brede problematiek te bespreken. Ervoor zorgen dat kinderen hun creativiteit en andere talenten die later tijdens hun beroepsleven van pas zullen komen, ontplooien, en volwassenen ertoe aanzetten ondernemingsgeest te tonen op het werk (bijvoorbeeld via Life Long Learning) zijn immers twee verschillende zaken.
4.17 Het bedrijfsleven is er allerminst mee opgezet dat „ondernemerschap” het nieuwe stokpaardje van het hoger onderwijs lijkt te zijn geworden. Het klopt natuurlijk dat universiteiten een rol te vervullen hebben bij het promoten en ontwikkelen van ondernemingsgeest, maar de laatste tijd gaan zij er zelfs toe over mensen op te leiden tot ondernemer. Het Wereld Economisch Forum (Educating the next wave of Entrepreneurs; de volgende generatie ondernemers opleiden - april 2009) citeert: „Een heleboel van wat je hoort over ondernemerschap klopt niet. Het heeft niets magisch, het heeft niets mysterieus, en het heeft al helemaal niets te maken met genen. Het is een vak en kan dus als elk ander vak worden aangeleerd.” Het Comité is het echter volstrekt oneens met deze zienswijze van een aantal universiteiten. De universiteit kan mensen leren hoe zij de boekhouding van een bedrijf moeten voeren en wat marketing en management zijn, maar niemand, zelfs een hoogleraar niet, kan mensen leren hoe zij financiële en persoonlijke risico's moeten inschatten en nemen; maar al te vaak hebben dergelijke beslissingen immers niets te maken met logisch redeneren.
4.18 Het EESC verwijst naar zijn advies „Partnerschap tussen onderwijsinstellingen en bedrijfsleven” (5), waarin tal van voorstellen voor deze problematiek worden geformuleerd.
5. Kanttekeningen bij het werkdocument van de Commissie
5.1 Het Comité betreurt dat het in par. 2 vermelde werkdocument weinig of niets toevoegt aan de mededeling zelf. Hoogstens wordt er verwarring gezaaid doordat de Commissie haar conclusies tracht te staven met ongefundeerde veronderstellingen.
5.2 Het werkdocument is duidelijk geschreven vanuit het perspectief van de universiteiten en de vraag wat de universiteiten te winnen hebben bij partnerschappen met het bedrijfsleven. Er wordt dus geen evenwichtig antwoord gegeven op de vraag met welke problemen het forum zich zou moeten bezighouden. Voorts wordt maar heel vaag het verschil aangegeven tussen universiteiten, andere onderwijsinstellingen en opleidingsinstituten, en is het niet duidelijk of de Commissie alle universiteiten wil omvormen tot opleidingsinstituten dan wel alle opleidingsinstituten wil omvormen tot universiteiten.
5.3 De Commissie laat na in het werkdocument de zaken te bekijken vanuit het ruimere perspectief van het bedrijfsleven en staat evenmin stil bij de specifieke problemen van het MKB, wat in de ogen van het Comité een gemiste kans is.
Brussel, 17 december 2009
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Mario SEPI
(1) Zie de EESC-adviezen „Universiteiten voor Europa” (PB C 128 van 18.5.2010, blz. 48) (rapporteur: de heer Van Iersel) en „Samenwerking en kennisoverdracht tussen onderzoeksinstellingen, industrie en MKB – een belangrijke voorwaarde voor innovatie” (rapporteur: de heer Wolf), PB C 218 van 11.9.2009.
(2) European Science Foundation (ESF). 2008. Higher Education Looking Forward: An Agenda for Future Research door John Brennan, Jürgen Enders, Christine Musselin, Ulrich Teichler en Jussi Välimaa.
(3) Mededeling van 10.5.2006 van de Commissie aan de Europese Raad en het Europees Parlement „Invulling van de moderniseringsagenda voor de universiteiten: onderwijs, onderzoek en innovatie” COM(2006) 208 final.
(4) Wilshire, Bruce. 1990. 1990. The Moral Collapse of the University: Professionalism, Purity and Alienation, Albany: State University of New York Press; Readings, Bill. 1996. The University in Ruins. Cambridge, Harvard University Press.
(5) EESC-advies, rapporteur: de heer MALOSSE (PB C 228, 22.9.2009, blz. 9).
Bijlage
bij het
advies
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Het volgende wijzigingsvoorstel is tijdens de behandeling van het advies verworpen, hoewel er meer dan een kwart van de stemmen voor werd uitgebracht (art. 54, lid 3, rvo):
Paragraaf 1.2
Par. 1.2
Als volgt wijzigen:
„ Forum voor de dialoog tussen universiteiten of hogeronderwijsinstellingen en bedrijven zou zich in eerste instantie moeten samenwerking en maatregelen . .”
|
Uitslag van de stemming: |
Vóór: 27 |
Tegen: 49 |
Onthoudingen: 7 |