52008PC0775

Voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden {SEC(2008) 2858} {SEC(2008) 2859} /* COM/2008/0775 def. - CNS 2008/0220 */


NL

Brussel, 13.11.2008

COM(2008) 775 definitief

2008/0220 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden

(door de Commissie ingediend)

{SEC(2008) 2858}

{SEC(2008) 2859}

TOELICHTING

Context van het voorstel

Motivering en doelstellingen van het voorstel

De Europese Raad van maart 2007 heeft benadrukt dat de voorzieningszekerheid zowel voor de Europese Unie in haar geheel als voor elke lidstaat moet worden bevorderd, met name door de ontwikkeling van effectievere mechanismen voor een respons op crises. In die context heeft hij de noodzaak beklemtoond van evaluatie van de olievoorradenmechanismen in de Europese Unie, daarbij met name verwijzend naar de beschikbaarheid van aardolie bij een crisis. Tevens werd benadrukt dat deze mechanismen een aanvulling moeten vormen op het crisismechanisme van het Internationaal Energieagentschap (IEA).

Het mandaat van de Europese Raad bevestigt het standpunt van de Commissie dat de zwakke punten van het huidige systeem moeten worden verholpen. Ook al konden de systemen van de lidstaten tot op heden voldoende hoeveelheden leveren in geval van crisis, en werden zij niet als inadequaat beschouwd, bijvoorbeeld door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het aantal en de aard van de inbreukprocedures in specifieke gevallen doen twijfels rijzen aan de huidige praktijken, vooral wanneer andere indirecte bewijzen van onregelmatigheden die mogelijk aanwezig zijn in het huidige systeem, en die bijvoorbeeld worden geleverd op basis van activiteiten en/of beoordelingen van het IEA en/of de Commissie, in aanmerking worden genomen.

De analyse van het huidige systeem brengt met name gebreken aan het licht waardoor het bij onderbreking van de aanvoer mogelijk niet goed kan functioneren. Het staat niet vast dat met bestaande systemen kan worden gegarandeerd dat de aangehouden voorraden in geval van nood volledig beschikbaar en inzetbaar zijn om aan de behoeften te voldoen. De Europese Unie beschikt evenmin over gecoördineerde procedures om in te grijpen, hetgeen in de praktijk het nemen van snelle beslissingen en doeltreffende maatregelen, die essentieel zijn in het geval van een crisis, zeer bemoeilijkt. Een betere aanpassing aan de internationaal erkende regels van het IEA is voorts wenselijk, want daardoor zouden de communautaire voorraden meer kunnen bijdragen aan het optreden van het IEA.

Door de betrokken gebreken zou het systeem in geval van crisis mogelijk niet de verwachte resultaten kunnen boeken, hetgeen de economie aanzienlijke schade zou kunnen toebrengen. Gelet op grote rol die aardolie speelt in de economieën en samenlevingen van vandaag, zouden enorm hoge kosten ontstaan, zoals blijkt uit de effectbeoordeling. In die omstandigheden is het niet verantwoord op harde bewijzen te wachten.

Het huidige systeem brengt ook het risico van parasitisme met zich mee: lidstaten die mogelijk over minder betrouwbare systemen beschikken, kunnen leunen op de landen die degelijke overeenkomsten hebben gesloten. Toch wordt hierdoor de mate waarin de Europese Unie in haar geheel is voorbereid op noodsituaties, in gevaar gebracht.

De algemene doelstelling van de herziening is het systeem te blijven versterken, terwijl de administratieve verplichtingen van de lidstaten worden geoptimaliseerd. Het noodreactiesysteem moet meer beantwoorden aan de behoefte van de Europese Unie om indien nodig doeltreffend en op volledig gecoördineerde wijze te kunnen reageren op onderbrekingen van de bevoorrading met aardolie.

Algemene context

Aardolie is de belangrijkste energiebron van de Europese Unie. De economie is sterk afhankelijk van de continuïteit en de betrouwbaarheid van de voorziening daarvan tegen een betaalbare prijs. Gezien de sterke en groeiende afhankelijkheid van de import is de voorzieningszekerheid van groot belang.

De Europese Unie moet elk schadelijk gevolg van een eventuele onderbreking van de aanvoer kunnen ondervangen of verminderen. De ervaring heeft geleerd dat het in omloop brengen van veiligheidsolievoorraden de makkelijkste en snelste methode is om een markt met een tekort te voorzien van grote hoeveelheden aardolie en bijkomende aardolieproducten, wat tot vermindering van het tekort en van de nadelige gevolgen voor de economie leidt.

De laatste jaren is het gevaar voor onderbreking van de bevoorrading met aardolie door verschillende oorzaken toegenomen. De huidige mondiale trend en de interne ontwikkeling van de Europese Unie (achtereenvolgende uitbreidingen, voltooiing van de interne markt, afnemende binnenlandse productie, enz.) vormen alle factoren die actualisering vereisen van de veertig jaar geleden tot stand gebrachte communautaire wetgeving op het gebied van de opslag.

In 2002 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn ingediend met het oog op de verhoging van de door elke lidstaat in stand te houden voorraden tot 120 dagen, en om de Europese Unie in staat te stellen te beslissen over de toewijzing van deze voorraden, niet alleen bij een crisis, maar ook wanneer de markt gevaarlijk instabiel dreigt te worden. Omdat de Commissie op hevige weerstand van het Europees Parlement en de Raad stuitte, heeft zij besloten haar voorstel in te trekken.

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

· Richtlijn 2006/67/EG van de Raad van 24 juli 2006 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, PB L 217 van 8.8.2006, blz. 8.

· Beschikking 68/416/EEG van de Raad van 20 december 1968 betreffende het sluiten en uitvoeren van de speciale intergouvernementele overeenkomsten inzake de verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, PB L 308 van 23.12.1968, blz. 19.

· Richtlijn 73/238/EEG van de Raad van 24 juli 1973 betreffende de maatregelen ter vermindering van de gevolgen van moeilijkheden bij de bevoorrading met ruwe aardolie en aardolieproducten, PB L 228 van 16.8.1973, blz. 1.

· Het is de bedoeling dat de voorgestelde richtlijn de drie bovengenoemde wetgevingsbesluiten vervangt.

Richtlijn 2006/67/EG is een gecodificeerde versie ter vervanging van Richtlijn 68/414/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/93/EG.

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

Dit voorstel strookt volledig met de doelstellingen van de Unie, met name op het gebied van de instelling van een gemeenschappelijke markt, de solidariteit tussen de lidstaten en de duurzame ontwikkeling van Europa op basis van een evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit.

Het voorstel strookt ook met het klimaat- en energiebeleid, waarvan een van de pijlers de veiligstelling van de energievoorziening is.

Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling

Raadpleging van belanghebbende partijen

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

Tussen april en juni 2008 heeft een openbare raadpleging plaatsgevonden, waarbij alle belanghebbende partijen werd gevraagd hun mening te geven over een eventuele herziening van de wetgeving inzake de veiligheidsolievoorraden. Deze raadpleging was gebaseerd op een document waarin de belangrijkste problemen van het huidige systeem worden beschreven die volgens de Commissie moeten worden opgelost, en waarin suggesties worden gedaan voor mogelijke wijzigingen van de huidige wetgeving. Behalve verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen hebben zeventien lidstaten hun standpunt kenbaar gemaakt.

Naast de openbare onlineraadpleging waren de belangrijkste raadplegingsplatforms van de betrokken partijen de Olievoorzieningsgroep (Oil Supply Group) en het Forum voor fossiele brandstoffen (forum van Berlijn). Behalve deze gestructureerde dialogen zijn de lidstaten, de betrokken partijen en de externe deskundigen tijdens een aantal informele bijeenkomsten geraadpleegd. Het IEA was eveneens een essentiële bron van informatie en van externe expertise.

Samenvatting van de reacties en de wijze waarop daarmee rekening is gehouden

De meeste betrokken partijen steunden de doelstellingen van de herziening zoals geformuleerd in het ter raadpleging voorgelegde document. Met name de inspanningen voor verlichting van de administratieve lasten, voor het instellen van samenhangende noodprocedures in aanvulling op die van het IEA en voor het waarborgen van een betere naleving van de wetgeving door middel van meer controle en toezicht vonden algemene steun. Bij de betrokken partijen, zowel de lidstaten als de sector, waren de meningen over de voorstellen voor verbetering van de beschikbaarheid van de voorraden echter verdeeld. Terwijl sommige betrokken partijen erop aandrongen dat alle veiligheidsvoorraden door de staat moesten worden aangehouden om de maximale beschikbaarheid ervan te waarborgen, waren andere van mening dat de lidstaten hun systemen moesten kunnen afstemmen op hun specifieke situatie.

De meeste betrokken partijen waren geen voorstander van het idee van een strikte fysieke scheiding tussen de veiligheidsvoorraden en de commerciële voorraden. Zij adviseerden vermenging (veiligheidsvoorraden en commerciële voorraden in dezelfde installaties, zelfs in dezelfde reservoirs aanhouden) om de kosten zoveel mogelijk te beperken en een optimale geografische locatie te bereiken. Wel werden een gescheiden boekhouding en streng toezicht bepleit om te waarborgen dat de betrokken veiligheidsvoorraden niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De bijdrage van deskundigen aan de effectbeoordeling en aan het wetgevingsvoorstel is bijeengebracht via talrijke consultaties en informele en formele bijeenkomsten in 2007 en 2008. De leden van de Olievoorzieningsgroep hebben op twee gerichte vragenlijsten gereageerd, een over de samenstelling en beschikbaarheid van veiligheidsolievoorraden, en een over de middelen die worden ingezet voor het in stand houden van veiligheidsvoorraden volgens de huidige regelgeving.

Er heeft geen externe contractant deelgenomen aan de opstelling van de effectbeoordeling en het wetgevingsvoorstel.

Effectbeoordeling

In de bij dit voorstel gevoegde effectbeoordeling zijn vier mogelijke beleidsopties overwogen. De conclusies zijn:

Beleidsoptie 0: Geen beleidsverandering

Bij deze optie kan niet goed worden gewaarborgd dat de Europese Unie afdoende is voorbereid op noodsituaties, hetgeen zorgwekkend is, aangezien onderbrekingen van de voorziening in de toekomst vaker zouden kunnen voorkomen en omvangrijker zouden kunnen zijn.

Beleidsoptie 1: Versterking van de controle- en coördinatiemechanismen van het bestaande systeem

Bij deze optie wordt niets veranderd aan de huidige bepalingen op het gebied van opslag, maar wordt de overheidscontrole op de beschikbaarheid van veiligheidsvoorraden en noodmechanismen versterkt. Deze optie levert enkele verbeteringen op, maar verhelpt niet alle bestaande tekortkomingen en maakt het daardoor niet mogelijk een solide en samenhangend systeem in de gehele Europese Unie tot stand te brengen. Strengere controles zouden helpen gevallen van niet-naleving aan het licht te brengen, maar de onderliggende oorzaken van onvoldoende beschikbare voorraden zouden niet rechtstreeks worden aangepakt.

Beleidsoptie 2: Totstandbrenging van een gecentraliseerd communautair systeem waarbij de overheid verplicht veiligheidsvoorraden aanhoudt

Bij deze optie zouden alle speciale veiligheidsvoorraden van 90 dagen in handen zijn van de staat, worden beheerd door een agentschap, eventueel gecontroleerd door de Europese Unie, en gescheiden worden gehouden van de commerciële voorraden. Weliswaar zouden deze voorraden in noodgevallen zeker beschikbaar zijn, maar bepaalde voordelen van de "gemengde opslag" (automatische wisseling van de voorraden, de voorraden bevinden zich dicht bij de gebruikers) zouden verloren gaan. Deze optie zou het huidige opslagsysteem van de meeste lidstaten ingrijpend wijzigen, en zou aanzienlijke overheidsuitgaven vergen. Een dergelijke maatregel zou niet gerechtvaardigd zijn, op basis van de ervaringen met crises uit het verleden en is mogelijk onverenigbaar met het evenredigheids- en subsidiariteitsbeginsel.

Beleidsoptie 3: Het aanleggen door de Europese Unie van speciale veiligheidsvoorraden binnen een herziene versie van het huidige systeem

De lidstaten de verplichting opleggen tot het aanhouden van veiligheidsvoorraden waarvan een gedeelte in handen is van de overheid of een agentschap ("speciale" voorraden) zou ontegenzeglijk de beschikbaarheid van aanvullende hoeveelheden in geval van crisis mogelijk maken. Voorradenniveaus die veel lager zijn dan 90 dagen zouden volstaan om een soortgelijke crisis aan te kunnen als de crises die in het verleden hebben plaatsgevonden. De lidstaten zouden veel vrijheid hebben in hun keuze hoe ze aan de rest van de opslagverplichting willen voldoen. Deze oplossing komt vrij dicht in de buurt van de oplossing waarvoor de meeste lidstaten reeds hebben gekozen. Zij biedt een redelijke bescherming tegen onderbreking van de voorziening, terwijl er in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel ruimte blijft voor nationale beslissingen.

Juridische elementen van het voorstel

Samenvatting van de voorgestelde maatregelen

Hoewel de Commissie duidelijk de voorkeur geeft aan optie 3, blijkt uit de raadpleging van de betrokken partijen en uit de effectbeoordeling dat zij de vorming van speciale voorraden voorlopig niet kan afdwingen. Haar voorstel is derhalve gebaseerd op deze optie, maar laat vooralsnog de vorming van speciale voorraden over aan het oordeel van de lidstaten. Er worden regels ter versterking van de controles voorgesteld, en wanneer de voorraden niet aan bepaalde criteria voldoen, zal een jaarverslag worden opgesteld waarin de locatie en eigenaar ervan worden aangegeven, om de absolute beschikbaarheid van deze voorraden te waarborgen. Op basis van een herzieningsclausule zal de Commissie na een bepaalde periode kunnen vaststellen of lidstaten die geen speciale voorraden aanleggen, andere, voldoende betrouwbare oplossingen toepassen.

De aanleg van voorraden die bestaan uit specifieke producten en die in handen zijn van de overheid of een agentschap is uitermate wenselijk, met name in het kader van het voorstel gericht op de afstemming van de algemene opslagverplichtingen van de lidstaten op die van het IEA. Deze afstemming zal het communautaire systeem van olievoorraden samenhangender maken en de samenwerking met het IEA vergemakkelijken. De afstemming zal ook de naleving van de verplichtingen vergemakkelijken en de administratieve lastendruk voor de lidstaten verminderen, met name van de lidstaten die dubbele verplichtingen hebben doordat zij zowel lid zijn van de Europese Unie als van het IEA. Deze afstemming kan echter ook tot versoepeling van de specificaties inzake de opslagpraktijken leiden. Om dit effect te compenseren, zouden de veiligheidsvoorraden op zijn minst gedeeltelijk in handen moeten zijn van de staat en door de staat moeten worden beheerd, zoals in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Japan en Korea het geval is.

Verder zullen de lidstaten bij de voorgestelde wetgeving flexibeler kunnen bepalen op welke wijze zij aan de opslagverplichtingen voldoen. Zij krijgen de mogelijkheid de uitvoering van een aantal van hun opslagverplichtingen aan een andere lidstaat over te dragen. Wanneer een lidstaat besluit een opslagverplichting op te leggen aan ondernemingen, zullen deze bovendien gerechtigd zijn de uitvoering daarvan over te dragen aan een centrale entiteit voor de voorraadvorming. Deze mogelijkheid zal bepaalde vormen van discriminatie die tussen categorieën marktdeelnemers zouden kunnen bestaan, weg kunnen nemen en zal het probleem van gebruikmaking van "tickets" en bindende bilaterale verdragen kunnen oplossen. Het voorstel voert regels en procedures in die moeten worden gevolgd wanneer het IEA optreedt en in noodsituaties wanneer dat niet het geval is. De Europese Unie zal doeltreffender kunnen deelnemen aan een actie van het IEA, omdat de lidstaten van het IEA daarin zullen kunnen participeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de Commissie, en de Commissie de bijdrage van de lidstaten die geen lid zijn van het IEA, zal coördineren.

Ten slotte zullen op grond van de voorgestelde regels door de Commissie of voor haar rekening audits en inspecties van de veiligheidsvoorraden kunnen worden gehouden.

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van het voorstel is artikel 100 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Subsidiariteitsbeginsel

Met communautaire maatregelen zullen de doelstellingen van het voorstel beter kunnen worden verwezenlijkt en wel om de volgende redenen.

Energie is een openbaar goed: gelet op het bestaan van de interne markt mogen de voordelen van het in omloop brengen van voorraden in geval van crisis niet uitsluitend aan één land toekomen. De interne markt waarborgt dat elke in omloop gebrachte voorraad in de gehele Europese Unie vrijelijk kan worden gekocht. De voordelen van het in omloop brengen van voorraden zullen niet ten goede komen aan één enkel land, maar aan de Europese Unie in haar geheel. Dientengevolge bestaat het gevaar dat de door elke lidstaat vastgestelde noodmechanismen, indien die te divers zijn en qua niveau van paraatheid en betrouwbaarheid onderling verschillen, minder effectief zijn en het probleem van parasitisme creëren.

Gezien de internationale dimensie van de oliemarkten zal elke onderbreking van de bevoorrading met aardolie – of die zich nu voordoet in een of meer lidstaten of in een derde land – gevolgen hebben voor alle lidstaten. In economieën die zo geïntegreerd zijn als die van de interne markt zal bovendien het niveau van de paraatheid bij noodsituaties van elke lidstaat invloed hebben op het niveau van paraatheid van de Unie in totaliteit. Door minimumeisen op het niveau van de Europese Unie in te voeren zouden problemen makkelijker kunnen worden voorkomen en crises worden overwonnen.

Er zij voorts aan herinnerd dat verscheidene lidstaten geen lid zijn van het IEA, dat bevoegd is tot het nemen van maatregelen bij een mondiale crisis. De Europese Commissie neemt deel aan de werkzaamheden van het agentschap, maar de deelname van de Europese Unie in haar geheel aan een actie van het IEA kan slechts worden gewaarborgd in het kader van een communautair mechanisme waarin lidstaten participeren die geen lid zijn van het IEA.

Gelet op het voorgaande vormt coördinatie het beste middel om een hoog veiligheidsniveau van de bevoorrading met aardolie in de Europese Unie in stand te houden.

Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Dit voorstel gaat niet verder dan wat nodig is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. De lidstaten zullen veel ruimte houden bij het vaststellen van de wijze waarop zij aan hun opslagverplichtingen willen voldoen en van de samenstelling van de voorraden, rekening houdend met hun geografische ligging, hun raffinagecapaciteit en andere relevante factoren.

Het voorstel legt de lidstaten niet in detail op hoe de bepalingen betreffende de opslag moeten luiden. Het stelt slechts de criteria vast die gelden voor de veiligheidsvoorraden. Sommige voorgestelde maatregelen beogen de administratieve lastendruk van de lidstaten en de economische subjecten te verlichten.

Keuze van instrumenten

Voorgesteld(e) instrument(en): richtlijn.

Het voorgestelde instrument is een richtlijn, die door de lidstaten ten uitvoer moet worden gelegd. Een richtlijn is het meest geschikte instrument, omdat hierin de te bereiken doelstellingen duidelijk worden gedefinieerd en de lidstaten toch voldoende manoeuvreerruimte behouden om de richtlijn ten uitvoer te leggen op de manier die het beste aansluit bij hun omstandigheden.

Gevolgen voor de begroting

Het voorstel zal slechts beperkte gevolgen hebben voor de begroting van de Gemeenschap. Met name uitgaven voor informatica zullen moeten worden gedekt, en, indien de Commissie daartoe besluit, uitgaven voor audits of inspecties van de veiligheidsvoorraden.

Het voorstel zal naar verwachting geen omvangrijke rechtstreekse en onvermijdelijke gevolgen te hebben voor de begroting van de lidstaten.

Aanvullende informatie

Vereenvoudiging

Het rechtskader van de veiligheidsvoorraden van de EU en de regels inzake het gebruik ervan zijn gebaseerd op drie afzonderlijke communautaire wetgevingsbesluiten. Op grond van dit voorstel zouden deze worden vervangen door één wetgevingsbesluit.

Door de opslagverplichtingen af te stemmen op de door het IEA vastgestelde verplichtingen vereenvoudigt dit voorstel tevens de administratieve procedures van de lidstaten.

Herzieningsclausule

Na drie jaar kan de Commissie voorstellen dat een gedeelte van de veiligheidsvoorraden van elke lidstaat in handen moet zijn van de overheid of een agentschap.

2008/0220 (CNS)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

Gezien het advies van het Europees Parlement [2],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [3],

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming [4]

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het belang van de bevoorrading van de Gemeenschap met ruwe aardolie en aardolieproducten blijft zeer groot, met name voor de vervoerssector en de chemische industrie.

(2) De toenemende concentratie van de productie, de daling van de olievoorraden en de stijging van het mondiale verbruik van olieproducten vergroten het risico van moeilijkheden met de bevoorrading.

(3) De Europese Raad heeft met name benadrukt dat de voorzieningszekerheid moet worden bevorderd, zowel voor de Gemeenschap in haar geheel als voor elke lidstaat, onder meer door een evaluatie van de olievoorradenmechanismen in de Gemeenschap, in het bijzonder met betrekking tot de beschikbaarheid ervan bij een crisis. [5]

(4) Deze doelstelling veronderstelt onder meer dat het communautaire systeem en het systeem van het Internationaal Energieagentschap (hierna: "IEA") op elkaar worden afgestemd.

(5) Volgens de bepalingen van Richtlijn 2006/67/EG van de Raad van 24 juli 2006 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden [6], worden de voorraden beoordeeld op basis van het gemiddeld binnenlands verbruik per dag in het voorafgaande kalenderjaar. De krachtens de Overeenkomst betreffende een internationaal energieprogramma van 18 november 1974 (hierna: "IEA-Overeenkomst") opgelegde verplichtingen worden daarentegen beoordeeld op basis van de netto-invoer van aardolie en aardolieproducten. Om die reden en om andere methodologische verschillen moet de methode van de berekening van de opslagverplichtingen worden aangepast, evenals die betreffende de beoordeling van de communautaire veiligheidsvoorraden, om ze te kunnen afstemmen op de methoden die in het kader van de toepassing van de IEA-Overeenkomst worden gebruikt.

(6) Een eigen olieproductie kan op zich bijdragen aan de voorzieningszekerheid en zou dus kunnen rechtvaardigen dat de olieproducerende lidstaten lagere voorraden aanhouden dan de andere lidstaten. Dit mag echter niet leiden tot een substantiële verandering van de opslagverplichtingen ten opzichte van die welke voortvloeien uit Richtlijn 2006/67/EG. Daaruit volgt dat de opslagverplichting van sommige lidstaten op basis van het binnenlands verbruik van aardolie zou moeten worden vastgesteld, en niet op basis van de invoer.

(7) Volgens de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad te Brussel van 8 en 9 maart 2007 is de invoering door de Gemeenschap van een geïntegreerd energiebeleid, waarbij initiatieven op Europees en op nationaal niveau met elkaar gecombineerd worden, crucialer en dringender dan ooit tevoren [7]. Daarom is het essentieel de in de verschillende lidstaten toegepaste voorradenmechanismen op elkaar af te stemmen.

(8) De beschikbaarheid van de olievoorraden en de veiligstelling van de energielevering vormen essentiële elementen van de openbare veiligheid van de lidstaten en de Gemeenschap. Door het bestaan van centrale instanties of –diensten voor de voorraadvorming in de Gemeenschap kan de verwezenlijking van deze doelstellingen naderbij komen. Om de verschillende betrokken lidstaten in staat te stellen hun nationale wetgeving zo goed mogelijk te gebruiken om de status van hun centrale entiteit voor de voorraadvorming vast te stellen, terwijl de financiële lasten van deze opslagactiviteiten voor de eindverbruikers worden verminderd, is, in een context waarin de olievoorraden op elke willekeurige plaats in de Gemeenschap en door elke daartoe ingestelde centrale instantie of dienst kunnen worden aangehouden, het verbod op winstoogmerk voldoende.

(9) Gelet op de doelstellingen van de communautaire wetgeving inzake olievoorraden, in combinatie met de eventuele zorgen om de veiligheid van sommige lidstaten, en de wens om de solidariteitsmechanismen tussen de lidstaten strikter en transparanter te maken, moet het werkterrein van de centrale entiteiten die rechtstreeks handelen, worden beperkt tot het nationale grondgebied.

(10) De olievoorraden moeten op elke willekeurige plaats in de Gemeenschap kunnen worden aangehouden. Derhalve moeten de marktdeelnemers met opslagverplichtingen zich van deze taak kunnen bevrijden door die over te dragen aan een centrale entiteit. Indien dit daadwerkelijk zou geschieden tegen een vergoeding die beperkt is tot de kosten van de diensten welke worden geleverd door een vrijelijk op het grondgebied van de Gemeenschap gekozen centrale entiteit voor de voorraadvorming, zou bovendien het risico van discriminerende praktijken op nationaal niveau worden verminderd.

(11) De lidstaten moeten voor een absolute beschikbaarheid zorgen van alle voorraden die op grond van de communautaire wetgeving in opslag moeten worden gehouden. Om een dergelijke beschikbaarheid te waarborgen mag het eigendomsrecht met betrekking tot deze voorraden niet beperkt of begrensd worden. De aardolieproducten van ondernemingen die een substantieel risico lopen van executieprocedures ten aanzien van hun activa, mogen niet in aanmerking worden genomen. Wanneer aan de marktdeelnemers een opslagverplichting wordt opgelegd, kan de inleiding van een faillissementsprocedure of een faillissementsakkoord als aanwijzing van een dergelijk risico worden beschouwd.

(12) Gezien de behoeften in verband met de invoering van noodbeleid, het op elkaar afstemmen van de nationale voorraadmechanismen en de noodzaak van een betere zichtbaarheid van de voorraadniveaus, met name bij een crisis, moeten de lidstaten en de Gemeenschap over de middelen voor een strengere controle op deze voorraden beschikken.

(13) Wanneer een groot deel van de voorraden in handen is van de lidstaten of van door de verschillende nationale autoriteiten ingestelde centrale entiteiten, kan het controle- en transparantieniveau, althans voor dat gedeelte van de voorraden, worden verbeterd.

(14) Om bij te dragen aan de verhoging van de voorzieningszekerheid in de Gemeenschap moeten de door de lidstaten of de centrale entiteiten in eigendom verworven voorraden, de zogenoemde "speciale voorraden", die zijn ingesteld na een besluit van de lidstaten, voldoen aan de daadwerkelijke behoeften bij een crisis. Deze voorraden moeten bovendien een eigen juridische status hebben die waarborgt dat zij bij een crisis absoluut beschikbaar zijn. De betrokken lidstaten moeten dan ook de nodige maatregelen nemen om de voorraden in kwestie onvoorwaardelijk te vrijwaren tegen alle executoriale maatregelen.

(15) De hoeveelheden waarvan deze centrale entiteiten of de lidstaten eigenaar moeten worden, moeten in dit stadium onafhankelijk en vrijwillig door elke betrokken lidstaat worden vastgesteld.

(16) Omdat de niveaus van controle en transparantie moeten worden verhoogd, dienen aan de lidstaten meer verplichtingen te worden opgelegd inzake het toezicht op de veiligheidsvoorraden die geen speciale voorraden zijn, evenals, in sommige gevallen, verplichtingen tot informatieverstrekking over de maatregelen inzake de beschikbaarheid van de veiligheidsvoorraden en over veranderingen in de bepalingen over de opslag ervan.

(17) Richtlijn 2006/67/EG heeft substantieel bijgedragen aan de vorming en de organisatie van aardolievoorraden op het niveau van elke lidstaat, maar schrijft geen gescheiden boekhouding voor met betrekking tot de voorraden wanneer deze deel uitmaken van olievoorraden die voor de handel zijn bestemd of die om een operationele reden worden aangehouden. In die gevallen moet de transparantie van de voorraden dus worden vergroot.

(18) De frequentie van de overzichten van de voorraden en de termijn waarbinnen deze moeten worden verstrekt, zoals vastgesteld in Richtlijn 2006/67/EG, lopen achter bij verschillende olievoorraadsystemen in andere delen van de wereld. In een resolutie over de macro-economische gevolgen van de energieprijsstijging heeft het Europees Parlement zich voorstander verklaard van de vaststelling van een hogere frequentie van de bekendmaking. [8]

(19) Ter voorkoming van dubbele informatie over de verschillende categorieën producten die de lidstaten zullen moeten leveren, moet Verordening nr. ******** van het Europees Parlement en de Raad van ******** betreffende energiestatistieken als referentie dienen voor de diverse categorieën aardolieproducten die in deze richtlijn zijn bedoeld.

(20) Om de voorzieningszekerheid te vergroten, de markten vollediger te informeren, de consumenten gerust te stellen over de toestand van de olievoorraden en de middelen voor het doorgeven van informatie te optimaliseren, moet worden geregeld dat de wijze van opstelling van de statistische overzichten en de wijze van bekendmaking ervan later kunnen worden gewijzigd en gepreciseerd.

(21) Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen moeten ook voor andere voorraden dan de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden statistische overzichten worden opgesteld en verstrekt, en moet worden bepaald dat deze overzichten wekelijks worden verstrekt.

(22) Biobrandstoffen en sommige additieven worden vaak vermengd met aardolieproducten. Wanneer zij in deze producten zijn verwerkt, moeten zij in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van zowel de opslagverplichting als de niveaus van de aangehouden voorraden.

(23) In de aan de Commissie verstrekte overzichten kunnen afwijkingen of vergissingen voorkomen. De door de diensten van de Commissie aangestelde of gemachtigde personen moeten dus de voorraden en documenten waarop de autoriteiten van de lidstaten zich beroepen, kunnen verifiëren.

(24) De ontvangen of verzamelde gegevens moeten worden onderworpen aan een complexe elektronische statistische verwerking die het gebruik van geïntegreerde procedures en hulpmiddelen vereist. De Commissie dient alle passende maatregelen daartoe te nemen, met name ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe computersystemen.

(25) De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten is geregeld in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [9], en de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie valt onder Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens [10]. Deze besluiten schrijven met name voor dat de verwerking van persoonsgegevens wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en dat persoonsgegevens die per ongeluk zijn verzameld, onmiddellijk worden gewist.

(26) Het is wenselijk dat de betrokken lidstaten kunnen voldoen aan de verplichtingen die hun kunnen worden opgelegd op grond van een besluit tot in omloop brengen van voorraden uit hoofde van de IEA-Overeenkomst of uitvoeringsmaatregelen ervan.

(27) De bepalingen van Richtlijn 73/238/EEG van de Raad van 24 juli 1973 betreffende de maatregelen ter vermindering van de gevolgen van moeilijkheden bij de bevoorrading met ruwe aardolie en aardolieproducten [11] beogen met name de schadelijke gevolgen van elke eventuele, zelfs tijdelijke, moeilijkheid waardoor de leveranties van ruwe aardolie of aardolieproducten aanzienlijk worden verminderd, waaronder ernstige verstoringen die door een vermindering kunnen worden veroorzaakt in de economische activiteit van de Gemeenschap, te ondervangen of althans te verlichten. De onderhavige richtlijn zou in soortgelijke maatregelen moeten voorzien.

(28) Richtlijn 73/238/EEG beoogt verder een overlegorgaan in te stellen, dat de coördinatie van de genomen of overwogen concrete maatregelen van de lidstaten kan bevorderen. De onderhavige richtlijn moet in een dergelijk orgaan voorzien. Elke lidstaat moet dan toch nog een plan opstellen dat kan worden uitgevoerd in het geval van moeilijkheden bij de bevoorrading met ruwe aardolie en aardolieproducten. Bovendien is het passend dat elke lidstaat regelingen treft met betrekking tot de organisatorische maatregelen die in geval van crisis moeten worden genomen.

(29) Gelet op het feit dat er op communautair niveau geen uniform verplichte minimumhoeveelheid bestaat voor de speciale voorraden, en op het aantal nieuwe mechanismen waarin deze richtlijn voorziet, zou de toepassing van deze richtlijn vrij snel na de inwerkingtreding moeten worden geëvalueerd.

(30) Deze richtlijn bevat of vervangt alle aspecten die worden behandeld door Beschikking 68/416/EEG van de Raad van 20 december 1968 betreffende het sluiten en uitvoeren van de speciale intergouvernementele overeenkomsten inzake de verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden [12]. Die beschikking wordt dus overbodig.

(31) Aangezien de doelstelling van de overwogen maatregel, namelijk handhaving van een hoog veiligheidsniveau van de bevoorrading met aardolie in de Gemeenschap dankzij betrouwbare en transparante mechanismen op basis van de solidariteit tussen de lidstaten, met inachtneming van de regels van de interne markt en de mededinging, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van de actie beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(32) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [13].

(33) De Richtlijnen 73/238/EEG en 2006/67/EG en Beschikking 68/416/EEG moeten derhalve worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstelling

Deze richtlijn stelt regels vast om te waarborgen dat dankzij betrouwbare en transparante mechanismen op basis van solidariteit tussen de lidstaten de oliebevoorrading in de Gemeenschap in hoge mate is veiliggesteld, minimumvoorraden aardolie en/of aardolieproducten in opslag worden gehouden en de nodige procedures worden ingesteld om aan een eventuele ernstige schaarste het hoofd te bieden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de volgende definities van toepassing:

a) "referentiejaar": het kalenderjaar waarvan de verbruiks- of invoercijfers worden gebruikt in de berekeningen waarmee zowel de op enig moment in opslag te houden voorraden als de werkelijk in opslag gehouden voorraden worden vastgesteld;

b) "toevoegingen": andere stoffen dan koolwaterstoffen die aan een product worden toegevoegd of erdoor worden gemengd om de eigenschappen ervan te veranderen;

c) "biobrandstof": voor vervoer bestemde vloeibare of gasvormige brandstof gemaakt uit biomassa, waarbij onder "biomassa" wordt verstaan de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

d) "binnenlands verbruik": het totaal van alle in de landen geleverde hoeveelheden voor alle energie- en niet-energiedoeleinden; in dit totaal zijn begrepen de leveringen voor omzetting in elektriciteitscentrales, de leveringen aan huishoudens en bedrijven en de leveringen voor vervoer met het oog op "eindverbruik";

e) "internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden": enig van kracht zijnd besluit van de Raad van bestuur van het Internationaal Energieagentschap om olievoorraden of voorraden van aardolieproducten van een lidstaat in omloop te brengen;

f) "centrale entiteit voor de voorraadvorming" de instelling of dienst waaraan de bevoegdheid kan worden gegeven om op het grondgebied van een bepaalde lidstaat rechtstreeks te handelen met het oog op het kopen, in stand houden en verkopen van speciale voorraden op dit grondgebied;

g) "belangrijke onderbreking van de bevoorrading": grote en onvoorziene daling van de bevoorrading met ruwe aardolie of aardolieproducten van de Gemeenschap of een lidstaat als gevolg waarvan al dan niet een internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden is genomen;

h) "bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart": totaal als gedefinieerd in bijlage A, punt 2.1, van Verordening nr. ****** van het Europees Parlement en de Raad van ****** betreffende energiestatistieken;

i) "olievoorraden": voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten als gedefinieerd in bijlage C, punt 3.1, artikel 1, van Verordening nr. ****** van het Europees Parlement en de Raad van ****** betreffende energiestatistieken;

j) "veiligheidsvoorraden": olievoorraden die elke lidstaat uit hoofde van artikel 3 van deze richtlijn verplicht is in stand te houden;

k) "handelsvoorraden": olievoorraden die marktdeelnemers aanhouden en waarvoor deze richtlijn geen verplichting tot instandhouding oplegt;

l) "speciale voorraden": olievoorraden die voldoen aan de in artikel 9 genoemde voorwaarden.

De in dit artikel gegeven definities kunnen nader worden uitgewerkt en gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2.

Artikel 3

Veiligheidsvoorraden – Berekening van opslagverplichting

1. De lidstaten nemen alle passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om te waarborgen dat uiterlijk 31 december 20XX [14] op het grondgebied van de Gemeenschap ten gunste van henzelf permanent een totale olievoorraad in stand wordt gehouden die ten minste gelijk is aan de grootste van de twee volgende hoeveelheden: negentig dagen netto-invoer of zeventig dagen verbruik.

2. De in aanmerking te nemen netto-invoer wordt berekend op basis van de gemiddelde aan ruwe olie gelijkgestelde dagelijks ingevoerde hoeveelheid in het voorafgaande kalenderjaar volgens de in bijlage I uiteengezette regels en methode.

Het in aanmerking te nemen verbruik wordt berekend op basis van de gemiddelde aan ruwe olie gelijkgestelde voor binnenlands verbruik bestemde hoeveelheid in het voorafgaande kalenderjaar volgens de in bijlage II uiteengezette regels en methode.

3. In afwijking echter van lid 2 worden van 1 januari tot en met 31 maart van elk kalenderjaar de in dit artikel bedoelde netto-invoer en het verbruik bepaald op basis van de ingevoerde en verbruikte hoeveelheid in het voorlaatste kalenderjaar dat aan het lopende kalenderjaar vooraf gaat.

4. De in dit artikel bedoelde regels en methoden voor de berekening van de opslagverplichting kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2.

Artikel 4

Berekening van het voorraadniveau

1. Het niveau van de in opslag gehouden voorraden wordt berekend volgens de in bijlage III genoemde methoden. Bij de berekening van het voorraadniveau van de in artikel 9 genoemde in opslag gehouden categorieën zijn deze methoden uitsluitend van toepassing op de producten in de betreffende categorie.

2. Bij de berekening van het niveau van de op enig moment in opslag gehouden voorraden is het kalenderjaar waarvan de cijfers in aanmerking moeten worden genomen gelijk aan het referentiejaar als bepaald volgens de in artikel 3 vermelde regels.

3. De in de leden 1 en 2 genoemde regels en methoden voor de berekening van het niveau van de voorraden kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2.

Artikel 5

Beschikbaarheid van de voorraden

1. De lidstaten waarborgen dat de op hun nationale grondgebied opgeslagen veiligheidsvoorraden en speciale voorraden als bedoeld in artikel 9 permanent toegankelijk en beschikbaar zijn. Zij stellen regels vast voor de identificatie en inventarisatie van, alsmede het toezicht op deze voorraden, zodanig dat deze voorraden te allen tijde kunnen worden gecontroleerd. Voor veiligheidsvoorraden en speciale voorraden die deel uitmaken van door marktdeelnemers aangehouden voorraden of hiermee zijn vermengd, moet een aparte boekhouding worden gevoerd.

De lidstaten nemen met name alle noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat de veiligheidsvoorraden en speciale voorraden worden verpand of dat deze voorraden op enige andere wijze worden ingezet als zekerheidsstelling. De veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden mogen niet worden bezwaard met enige financiële of juridische last.

2. Indien de noodprocedures als genoemd in artikel 21 in werking moeten treden, nemen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen om elke lidstaat waarvoor zij veiligheidsvoorraden of speciale voorraden op hun nationale grondgebied in opslag hebben, in staat te stellen onder deze omstandigheden te besluiten over de bestemming, het vervoer en het in omloop brengen van de desbetreffende voorraden.

Artikel 6

Register van veiligheidsvoorraden – Jaarverslag

1. Elke lidstaat houdt een gedetailleerd en voortdurend geactualiseerd register bij van alle voor deze lidstaat opgeslagen veiligheidsvoorraden, niet zijnde speciale voorraden in de zin van artikel 9. In dit register staat met name alle informatie waarmee kan worden bepaald wat de exacte locatie van de desbetreffende voorraden is, om welke hoeveelheden het gaat, wie de eigenaar is en wat de exacte aard ervan is onder verwijzing naar de categorieën die zijn vastgesteld in bijlage C onder punt 3.1, lid 1 van Verordening (EG) nr. ****** van het Europees Parlement en de Raad van *********** betreffende energiestatistieken.

De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie binnen dertig dagen na afloop van elk kalenderjaar een kopie van het register met de aanwezige voorraden op de laatste dag van het kalenderjaar waarop de overzichten betrekking hebben.

Bovendien verstrekt de lidstaat de Commissie een kopie van het register binnen acht dagen na enig verzoek hiertoe van de diensten van de Commissie dat is gedaan binnen een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de gegevens in kwestie betrekking hebben.

2. Elke lidstaat die zich er niet toe heeft verbonden speciale voorraden in de zin van artikel 9 in opslag te houden, stelt een jaarverslag op waarin wordt vermeld welke maatregelen de nationale overheid van deze lidstaat heeft genomen om te waarborgen en te controleren dat er veiligheidsvoorraden beschikbaar zijn, onder vermelding van de aangenomen institutionele en organisatorische bepalingen in verband met de instandhouding van de nationale veiligheidsvoorraden en de veiligheidsvoorraden van andere lidstaten op het nationale grondgebied. Dit verslag wordt binnen drie maanden na het verstrijken van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, bij de Commissie ingediend.

Artikel 7

Instelling van centrale entiteiten voor de voorraadvorming

1. Lidstaten kunnen centrale entiteiten voor de voorraadvorming instellen.

Indien een lidstaat echter aan de marktdeelnemers op de nationale markt een opslagverplichting oplegt, moet deze lidstaat een dergelijke centrale entiteit voor de voorraadvorming instellen.

Geen enkele lidstaat mag meer dan één centrale entiteit voor de voorraadvorming of soortgelijke instelling instellen. De lidstaat mag zijn centrale entiteit voor de voorraadvorming waar dan ook in de Gemeenschap instellen.

De centrale entiteit voor de voorraadvorming krijgt de rechtsvorm van een instelling of dienst zonder winstoogmerk en wordt in de zin van deze richtlijn niet als marktdeelnemer beschouwd.

2. De centrale entiteit voor de voorraadvorming heeft als voornaamste doel olievoorraden te kopen, in stand te houden en te verkopen op het nationale grondgebied van de lidstaat die de entiteit instelt. Het is de enige instelling of dienst die de bevoegdheid kan krijgen om op het nationale grondgebied van de lidstaat die de entiteit instelt rechtstreeks te handelen met het oog op het kopen, in stand houden en verkopen van speciale voorraden in de zin van artikel 9.

Behalve voor wat betreft koop en verkoop van speciale voorraden kan elke centrale entiteit voor de voorraadvorming met marktdeelnemers overeenkomen dat de werkzaamheden betreffende het beheer van de olievoorraden aan hen wordt overgedragen, mits deze overdracht betrekking heeft op olievoorraden op het grondgebied van de lidstaat die de desbetreffende centrale entiteit voor de voorraadvorming heeft ingesteld. Deze overdracht mag niet verder worden overgedragen.

3. Een centrale entiteit voor de voorraadvorming mag geen veiligheidsvoorraden kopen, aanleggen, in stand houden of beheren buiten het nationale grondgebied van de lidstaat die de entiteit heeft ingesteld, tenzij via een overeenkomst van overdracht aan de lidstaat op wiens grondgebied de voorraden zich bevinden of aan de door deze lidstaat ingestelde centrale entiteit voor de voorraadvorming.

Een lidstaat mag geen veiligheidsvoorraden kopen, aanleggen, in stand houden of beheren buiten zijn nationale grondgebied, tenzij via een overeenkomst van overdracht aan de lidstaat op wiens grondgebied de voorraden zich bevinden of aan de door deze lidstaat ingestelde centrale entiteit voor de voorraadvorming.

4. Elke lidstaat verplicht zijn centrale entiteit voor de voorraadvorming:

a) voortdurend per productcategorie alle gegevens openbaar te maken over de omvang van de voorraden die de entiteit voor de marktdeelnemers in stand kan houden uit hoofde van artikel 8;

b) tenminste zes maanden vooraf openbaar te maken op welke voorwaarden de entiteit zijn diensten aan de marktdeelnemers aanbiedt.

Artikel 8

Overdracht door marktdeelnemers

1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat hij elke marktdeelnemer aan wie hij opslagverplichtingen oplegt om te voldoen aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3, het recht geeft om naar keuze van deze marktdeelnemer zijn opslagverplichting geheel of ten dele over te dragen:

a) aan de centrale entiteit voor de voorraadvorming van de desbetreffende lidstaat, of

b) aan een of meer andere centrale entiteiten voor de voorraadvorming die in staat zijn om dergelijke voorraden in stand te houden, of

c) aan andere marktdeelnemers met overtollige voorraden op het grondgebied van de lidstaat die hem de opslagverplichting heeft opgelegd, op basis van een met die marktdeelnemers te sluiten overeenkomst.

De onder lid 1, punt c), genoemde overdracht mag niet verder worden overgedragen.

De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen waarmee het de marktdeelnemers wordt verboden hun opslagverplichting op enigerlei andere wijze over te dragen.

2. Marktdeelnemers moeten hun recht op overdracht uitoefenen ten minste tachtig dagen vóór aanvang van de periode waarvoor zij de opslagverplichting opgelegd hebben gekregen, tenzij zij hierover minder dan honderd dagen vóór de betreffende periode zijn geïnformeerd.

Indien marktdeelnemers minder dan honderd dagen vóór aanvang van de periode waarvoor de opslagverplichting geldt, worden geïnformeerd, kunnen zij hun recht van overdracht te allen tijde uitoefenen.

3. De lidstaat verplicht de door hem ingestelde centrale entiteit voor de voorraadvorming objectief, transparant en niet-discriminerend te reageren op alle uit hoofde van lid 1 van marktdeelnemers ontvangen verzoeken om overdracht van hun opslagverplichting, op basis van de opslagcapaciteit waarover de entiteit beschikt op het nationale grondgebied en tegen een vergoeding die niet hoger is dan de kosten van de verleende diensten.

4. De centrale entiteit voor de voorraadvorming van een lidstaat mag geen overdracht weigeren als deze groter is dan de opslagcapaciteit waarover de entiteit op het nationale grondgebied beschikt en afkomstig is van een marktdeelnemer aan wie deze lidstaat een opslagverplichting heeft opgelegd.

5. Indien de marktdeelnemer aan wie de lidstaat een opslagverplichting heeft opgelegd, deze overdraagt aan de centrale entiteit voor de voorraadvorming van deze lidstaat, neemt de lidstaat de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de centrale entiteit voor de voorraadvorming de voorraden in stand houdt, indien nodig door op zijn grondgebied nieuwe opslagcapaciteit in overeenstemming met de hoogte van het verzoek om overdracht in te richten.

Indien hiervoor nieuwe opslagruimte moeten worden gebouwd of ingericht kan noch de lidstaat die de opslagverplichting heeft opgelegd noch diens centrale entiteit voor de voorraadvorming van de marktdeelnemer een vergoeding eisen voordat de werkzaamheden zijn voltooid en de voorraden zijn aangelegd.

Artikel 9

Aanleg van speciale voorraden

1. Elke lidstaat kan zich onherroepelijk verbinden om een, in aantal verbruiksdagen vastgestelde, minimum olievoorraad in stand te houden met inachtneming van het bepaalde in dit artikel (hierna "speciale voorraden").

De uit hoofde van artikel 3 in stand gehouden veiligheidsvoorraden kunnen deel uitmaken van de uit hoofde van dit artikel in stand gehouden voorraden.

2. De speciale voorraden zijn eigendom van de lidstaat of de centrale entiteit voor de voorraadvorming die door deze lidstaat is ingesteld.

3. De speciale voorraden behoren uitsluitend tot de hieronder genoemde productcategorieën als gedefinieerd in bijlage B, punt 4, van Verordening (EG) nr. ******* van het Europees Parlement en de Raad van ******* betreffende energiestatistieken:

- raffinaderijgas (niet vloeibaar gemaakt),

- ethaan,

- LPG,

- motorbenzine,

- vliegtuigbenzine,

- lichte reactiemotorbrandstof (van het naftatype of JP4),

- reactiemotorbrandstof van het kerosinetype,

- andere kerosine,

- gasolie/diesel (gedistilleerde stookolie),

- stookolie (met hoog en laag zwavelgehalte),

- white spirit en speciale benzinesoorten,

- smeermiddelen,

- bitumen,

- paraffine en

- petroleumcoke.

4. De aardolieproducten die tot de speciale voorraden behoren, worden door de lidstaat gespecificeerd op basis van de in lid 3 genoemde categorieën. De lidstaat zorgt ervoor dat bij de categorieën die hij gebruikt producten zijn waarvan het totale, met ruwe olie gelijkgestelde, binnenlandse verbruik tenminste tachtig procent bedraagt van het binnenlandse verbruik in het referentiejaar volgens de regels van artikel 3 en de berekeningsmethode van bijlage II.

Voor elke door de lidstaat aangehouden categorie worden de speciale voorraden die de lidstaat gehouden is in stand te houden, gemeten op basis van de aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid die overeenkomt met een bepaald aantal dagen gemiddeld dagelijks binnenlands verbruik in het referentiejaar, volgens de berekeningswijze als vermeld in alinea drie en vier van bijlage II per desbetreffende categorie.

5. Elke lidstaat die besloten heeft speciale voorraden in opslag te houden, stuurt de Commissie hiervan een kennisgeving die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd onder vermelding van het niveau van de speciale voorraden dat de lidstaat gehouden is onherroepelijk en permanent per categorie in opslag te houden. Het aldus bekendgemaakte verplichte minimumniveau is uniek en op dezelfde wijze van toepassing op alle categorieën speciale voorraden die de lidstaat gebruikt.

De lidstaat kan het op elke categorie van de speciale voorraden toepasselijke minimumniveau verhogen; in dat geval stuurt hij de Commissie een nieuwe kennisgeving onder vermelding van het hogere niveau, dat in het Publicatieblad wordt gepubliceerd.

6. Uiterlijk op de publicatiedatum van elk van deze kennisgevingen neemt de desbetreffende lidstaat alle passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om te zorgen dat voor elk van de categorieën van zijn speciale voorraden permanent het door hem bekendgemaakte niveau in opslag wordt gehouden.

Artikel 10

Beheer van de speciale voorraden

1. Elke lidstaat houdt een gedetailleerd en voortdurend geactualiseerd register bij van alle speciale voorraden die hij op zijn nationale grondgebied in opslag houdt. In dit register staat met name alle informatie waarmee de exacte locatie van deze voorraden kan wordt bepaald.

De lidstaat verstrekt de Commissie een kopie van het register binnen acht dagen na enig verzoek hiertoe van de diensten van de Commissie dat is gedaan binnen een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens betrekking hebben.

2. Indien de speciale voorraden zijn samengevoegd met andere olievoorraden, nemen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen om het verplaatsen van samengevoegde producten te voorkomen, tenzij de autoriteiten van de lidstaat op wiens grondgebied de voorraden zich bevinden, vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven.

3. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om alle op hun grondgebied opgeslagen of over hun grondgebied vervoerde speciale voorraden onvoorwaardelijke bescherming tegen executiemaatregelen te verlenen, ongeacht of het hun eigen voorraden dan wel de voorraden van andere lidstaten betreft.

4. Met uitzondering van de taken betreffende de koop of de verkoop van de voorraden kan iedere lidstaat met marktdeelnemers overeenkomen dat taken met betrekking tot het beheer van de speciale voorraden die zich op het nationale grondgebied van de betrokken lidstaat bevinden, aan deze marktdeelnemers worden overgedragen. Een dergelijke overdracht mag niet verder worden overgedragen.

Artikel 11

Overeenkomsten over speciale voorraden tussen lidstaten en centrale entiteiten voor de voorraadvorming

Een lidstaat of diens centrale entiteit voor de voorraadvorming mag de taken met betrekking tot het beheer van zijn speciale voorraden buiten zijn nationale grondgebied uitsluitend overdragen aan een andere lidstaat of centrale entiteit voor de voorraadvorming. Een dergelijke overdracht mag niet verder worden overgedragen en geldt voor een bepaalde tijd.

Artikel 12

Gevolg van overdrachten en afspraken

De in de artikelen 7, 8 en 10 bedoelde overdrachten en de in artikel 11 genoemde overeenkomsten laten onverlet de verplichtingen die elke lidstaat uit hoofde van deze richtlijn heeft.

Artikel 13

Statistische overzichten van de in artikel 3 bedoelde voorraden

1. Van de krachtens artikel 3 in stand te houden voorraden stellen de lidstaten statistische overzichten op volgens de in bijlage IV genoemde regels en verstrekken deze aan de Commissie.

2. De regels voor het opstellen, de omvang, de inhoud en de frequentie van de in lid 1 genoemde overzichten alsmede de termijnen van indiening kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2. De regels voor indiening van de desbetreffende overzichten bij de Commissie, kunnen eveneens worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2.

3. De lidstaten mogen in hun statistische overzichten van de veiligheidsvoorraden geen hoeveelheden ruwe olie of aardolieproducten opnemen waarop beslag rust of waarvoor executiemaatregelen zijn genomen. Dit geldt ook voor alle voorraden van bedrijven die in staat van faillissement zijn of met hun schuldeisers een akkoord zijn overeengekomen.

Artikel 14

Statistische overzichten van de speciale voorraden

1. Elke betrokken lidstaat stelt per productcategorie een statistisch overzicht op van de op de laatste dag van iedere maand aanwezige voorraden, onder opgave van de hoeveelheid en het aantal dagen gemiddeld verbruik tijdens het referentiejaar dat die voorraden vertegenwoordigen en verstrekt dit overzicht aan de Commissie. Indien een deel van deze speciale voorraden buiten het nationale grondgebied is opgeslagen, doet de lidstaat nauwkeurig opgave van de voorraden die worden aangehouden in of via de verschillende lidstaten en centrale entiteiten voor de voorraadvorming. Hij geeft bovendien nauwkeurig aan of deze voorraden hem geheel toebehoren of dat zijn centrale entiteit voor de voorraadvorming deze geheel of ten dele in eigendom heeft.

2. Elke betrokken lidstaat maakt voor iedere overeenkomstig artikel 9, lid 4, bepaalde productcategorie eveneens een overzicht van de speciale voorraden die zich op de laatste dag van iedere kalendermaand op zijn nationale grondgebied bevinden en toebehoren aan andere lidstaten of centrale entiteiten voor de voorraadvorming en verstrekt dit overzicht aan de Commissie. In dit overzicht vermeldt de lidstaat bovendien per geval de naam van de lidstaat of de desbetreffende centrale entiteit voor de voorraadvorming en de hoeveelheden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde statistische overzichten moeten worden ingediend in de kalendermaand volgend op de maand waarop ze betrekking hebben.

4. Kopieën van de statistische overzichten moeten ook onmiddellijk worden verstrekt op enig verzoek van de diensten van de Commissie dat wordt gedaan binnen een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de gegevens in kwestie betrekking hebben.

5. De omvang, de inhoud en de frequentie van de statistische overzichten alsmede de termijnen van indiening kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2. De regels voor indiening van de overzichten bij de Commissie, kunnen eveneens worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2.

Artikel 15

Overzicht van de handelsvoorraden

1. De lidstaten verstrekken de Commissie wekelijks een statistisch overzicht met de op hun nationaal grondgebied in opslag gehouden handelsvoorraden. Zij zorgen er hierbij voor dat gevoelige gegevens worden beschermd en vermelden de namen van de eigenaren van de betreffende voorraden niet.

2. De Commissie publiceert op basis van de overzichten die de lidstaten haar hebben gestuurd, wekelijks een statistisch overzicht van de handelsvoorraden in de Gemeenschap onder opgave van de totale hoeveelheden.

3. De Commissie stelt overeenkomstig de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2 de uitvoeringsregels van de leden 1 en 2 vast.

Artikel 16

Verwerking van de gegevens

De Commissie draagt zorg voor de ontwikkeling, het onderbrengen, het beheer en het onderhoud van de computervoorzieningen die nodig zijn voor de ontvangst, de opslag en alle soorten verwerking van de gegevens in de statistische overzichten en van alle informatie die de lidstaten verstrekken of die de diensten van de Commissie verzamelen uit hoofde van deze richtlijn, alsmede van de gegevens over de aardolievoorraden die worden verzameld uit hoofde van Verordening nr. ****** van het Europees Parlement en de Raad van ****** betreffende energiestatistieken en die nodig zijn voor de overzichten die op grond van deze richtlijn moeten worden opgesteld.

Artikel 17

Biobrandstoffen en toevoegingen

1. Biobrandstoffen en toevoegingen worden slechts meegeteld bij de berekening van de opslagverplichting krachtens de artikelen 3 en 9, en bij de berekening van de werkelijk in opslag gehouden voorraden indien ze zijn vermengd met de desbetreffende aardolieproducten.

2. De regels voor het meetellen van biobrandstoffen en toevoegingen bij de berekening van de opslagverplichting en het niveau van de in lid 1 vermelde voorraden kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 24, lid 2.

Artikel 18

Coördinatiegroep voor aardolie en aardolieproducten

1. Er wordt een coördinatiegroep voor aardolie en aardolieproducten ingesteld (hierna: "coördinatiegroep"). De coördinatiegroep helpt mee de situatie in de Gemeenschap te analyseren met betrekking tot het veiligstellen van de bevoorrading met aardolie en aardolieproducten en bevordert de coördinatie en de uitvoering van maatregelen op dat gebied.

2. De coördinatiegroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de Commissie. Vertegenwoordigende instanties van de betrokken sector kunnen op uitnodiging van de Commissie deelnemen aan de werkzaamheden van de coördinatiegroep.

Artikel 19

Controles door de Commissie

1. De diensten van de Commissie kunnen te allen tijde besluiten in de lidstaten controles op de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden uit te voeren. De diensten van de Commissie kunnen bij de voorbereiding van deze controles de coördinatiegroep om advies vragen.

2. De onder lid 1 genoemde controles zijn niet bedoeld om persoonlijke gegevens te verzamelen. Eventueel tijdens de controles gevonden of aangetroffen persoonlijke gegevens worden niet verzameld en evenmin in aanmerking genomen; per ongeluk verzamelde gegevens worden onmiddellijk vernietigd.

3. De in overeenstemming met dit artikel verzamelde informatie kan worden overgedragen aan de coördinatiegroep en aan de vertegenwoordigende instanties van de betrokken sector die aan de werkzaamheden van de coördinatiegroep deelnemen.

Het is ambtenaren, personeelsleden en andere personen die onder toezicht van de Commissie werken, evenals de leden van de coördinatiegroep, niet toegestaan de uit hoofde van dit artikel verzamelde of uitgewisselde informatie, die vanwege de aard ervan onder het beroepsgeheim valt, zoals de identiteit van de eigenaren van de voorraden, te verspreiden. De verplichting tot geheimhouding geldt eveneens voor alle vertegenwoordigers en deskundigen van de lidstaten en de vertegenwoordigers van de betrokken sector die overeenkomstig artikel 18 de vergaderingen van de coördinatiegroep bijwonen.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat tijdens de uitvoering van de in lid 1 genoemde controles degenen die voor de instandhouding en het beheer van de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden op hun grondgebied verantwoordelijk zijn, samenwerken met de werknemers of opdrachtnemers van de diensten van de Commissie.

5. De lidstaten erkennen dat de werknemers of opdrachtnemers van de diensten van de Commissie het recht hebben alle controles uit te voeren op de voorraden die worden aangehouden uit hoofde van deze richtlijn en zorgen er met name voor dat zij het recht krijgen alle documenten en registers met betrekking tot deze voorraden in te zien en bij voortduring recht van toegang hebben tot de locaties waar de voorraden zich bevinden.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat hun overheden de werknemers of opdrachtnemers van de diensten van de Commissie tijdens de uitvoering van de controles ten volle bijstaan.

7. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de gegevens, stukken, overzichten en documenten met betrekking tot de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden ten minste voor de duur van tien jaar bewaard blijven.

Artikel 20

Bescherming van fysieke personen ten aanzien van de verwerking van de gegevens

Deze richtlijn tast in geen enkel opzicht het beschermingsniveau aan van fysieke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, zoals dat wordt gewaarborgd door de bepalingen van het communautaire recht en het nationale recht, en wijzigt met name in geen enkel opzicht de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de verwerking door hen van persoonsgegevens, zoals de verplichtingen die hun zijn opgelegd door Richtlijn 95/46/EG, en evenmin de verplichtingen die rusten op de communautaire instellingen en organen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 45/2001, ten aanzien van de verwerking door laatstgenoemde van persoonsgegevens tijdens de uitoefening van hun taken.

Artikel 21

Noodprocedures

1. De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde overheden in geval van een belangrijke onderbreking van de bevoorrading alle of een deel van hun veiligheidsvoorraden en hun speciale voorraden in omloop kunnen brengen en naar gelang het verwachte bevoorradingstekort het verbruik in het algemeen of meer specifiek kunnen beperken met inbegrip van het met voorrang toeleveren van aardolieproducten aan bepaalde categorieën verbruikers.

2. De lidstaten houden bij voortduring noodplannen in gereedheid die bij een belangrijke onderbreking van de bevoorrading kunnen worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen voor de organisatorische maatregelen die noodzakelijk zijn om dergelijke plannen te kunnen uitvoeren. De lidstaten verstrekken de Commissie op haar verzoek onmiddellijk een kopie van hun noodplannen en de daarmee verband houdende organisatorische maatregelen.

3. Indien een internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden is genomen, kan elke betrokken lidstaat zijn veiligheidsvoorraden en zijn speciale voorraden gebruiken om te voldoen aan de internationale verplichtingen die uit dit besluit voortvloeien. In dat geval informeert de lidstaat onmiddellijk de Commissie; deze kan de coördinatiegroep bijeen roepen of de leden ervan langs elektronische weg raadplegen om met name de gevolgen van het in omloop brengen te beoordelen.

4. Indien zich problemen voordoen met de bevoorrading met ruwe olie of aardolieproducten in de Gemeenschap of een lidstaat, roept de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, de coördinatiegroep op zo kort mogelijke termijn bijeen. De coördinatiegroep onderzoekt de situatie. De Commissie stelt vast of er sprake is van een belangrijke onderbreking van de bevoorrading.

Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van een belangrijke onderbreking van de bevoorrading, kan de Commissie toestemming geven voor het in omloop brengen van de volledige of een deel van de hoeveelheden die de betrokken lidstaten met dit doel hebben voorgesteld.

5. Indien een internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden is genomen, heeft de Commissie het recht de lidstaten te verplichten om hun veiligheidsvoorraden en hun speciale voorraden volledig of ten dele te in omloop te brengen. Dit recht kan pas worden uitgeoefend na een vergadering van de coördinatiegroep waarin dit punt op de agenda staat.

6. Indien de leden 3, 4 en 5 van toepassing zijn, mogen de lidstaten tijdelijk lagere voorraden in opslag houden dan voorgeschreven in deze richtlijn. In dat geval bepaalt de Commissie met inachtneming van met name de situatie op de internationale markten voor aardolie en aardolieproducten binnen welke termijn de lidstaten hun voorraden moeten aanvullen om weer te voldoen aan de minimale opslagverplichting.

7. De krachtens dit artikel door de Commissie genomen besluiten gelden onverminderd de eventuele andere internationale verplichtingen van de betrokken lidstaten.

Artikel 22

Sancties

De lidstaten stellen de sanctieregeling vast die geldt voor overtredingen van de overeenkomstig deze richtlijn ingevoerde nationale bepalingen en nemen alle voor de uitvoering ervan noodzakelijke maatregelen. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 31 december 20XX [15] in kennis van deze bepalingen en melden elke latere wijziging ervan zo spoedig mogelijk.

Artikel 23

Evaluatie

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn evalueert de Commissie de toepassing ervan en onderzoekt zij met name of het passend is om alle lidstaten een minimale opslagverplichting voor speciale voorraden op te leggen.

Artikel 24

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Indien naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

Artikel 25

Intrekking

Richtlijn 73/238/EEG, Richtlijn 2006/67/EG en Besluit 68/416/EEG worden met ingang van 31 december 20XX [16] ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen en het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 26

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 20XX [17] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen voorzien van een concordantietabel tussen deze bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de tekst van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15, leden 1 en 2, zijn van toepassing vanaf de inwerkingtreding van de in lid 3 van dat artikel genoemde uitvoeringsregels.

Artikel 28

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

[…]

BIJLAGE I

Berekeningswijze van de aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid ingevoerde aardolieproducten

De aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid ingevoerde aardolieproducten als bedoeld in artikel 3 wordt als volgt vastgesteld:

De aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid ingevoerde aardolieproducten wordt verkregen door de som van, enerzijds, de netto-invoer van de volgende producten: ruwe olie, NGL, grondstoffen voor raffinaderijen, overige koolwaterstoffen als gedefinieerd in bijlage B, punt 4, van Verordening (EG) nr. ******* van het Europees Parlement en de Raad van ******* betreffende energiestatistieken, gecorrigeerd voor eventuele voorraadschommelingen en onder aftrek van 4 %, zijnde de opbrengst van nafta (of, indien de gemiddelde opbrengst van nafta op het nationale grondgebied meer dan 7% bedraagt, onder aftrek van het werkelijke verbruik van nafta of het gemiddelde opbrengstpercentage van nafta) en, anderzijds, de netto-invoer van alle overige aardolieproducten zonder nafta, eveneens gecorrigeerd voor voorraadschommelingen en vermenigvuldigd met 1,065.

De inhoud van bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart wordt niet meegerekend.

BIJLAGE II

Berekeningswijze van de aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid voor binnenlands verbruik

De aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid voor binnenlands verbruik als bedoeld in artikel 3 wordt als volgt vastgesteld:

Het desbetreffende binnenlands verbruik wordt bepaald door de som van het binnenlands verbruik van de volgende producten: motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof (reactiemotorbrandstof van het naftatype of JP4), reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat), stookolie (met hoog en laag zwavelgehalte) als gedefinieerd in bijlage B, punt 4, van Verordening (EG) nr. ******* van het Europees Parlement en de Raad van ******* betreffende energiestatistieken.

De inhoud van bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart wordt niet meegerekend.

De aan ruwe olie gelijkgestelde hoeveelheid voor binnenlands verbruik wordt berekend door vermenigvuldiging met een factor 1,2.

BIJLAGE III

Methoden voor het berekenen van het niveau van de in opslag gehouden voorraden.

De onderstaande methoden worden gebruikt voor het berekenen van het niveau van de voorraden:

Geen enkele hoeveelheid kan meer dan eenmaal als veiligheidsvoorraad worden meegerekend.

Op de voorraden ruwe aardolie wordt 4% in mindering gebracht, een percentage dat overeenkomt met een gemiddeld rendementsniveau van nafta.

De voorraden nafta en de voorraden ruwe aardolie die bestemd zijn als bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.

De overige aardolieproducten worden volgens een van de twee onderstaande methoden in de voorraden opgenomen. De lidstaten dienen de gekozen methode gedurende het gehele desbetreffende jaarkalender toe te passen.

De lidstaten kunnen besluiten:

a) hetzij alle overige voorraden aardolieproducten op te nemen die in bijlage C, punt 3.1, alinea 1, van Verordening nr. ****** van het Europees Parlement en de Raad van ****** betreffende energiestatistieken vermeld staan, en daarvan het equivalent in ruwe aardolie te berekenen door de hoeveelheden met een factor 1,065 te vermenigvuldigen;

b) hetzij de voorraden op te nemen van uitsluitend de volgende producten: motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof (reactiemotorbrandstof van het naftatype of JP4), reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat), stookolie (met laag en hoog zwavelgehalte), en daarvan het equivalent in ruwe aardolie te berekenen door de hoeveelheden met een factor 1,2 te vermenigvuldigen.

Bij de berekening van de voorraden worden in aanmerking genomen de voorraden die in opslag worden gehouden:

- in tanks van raffinaderijen,

- in opslagterminals,

- in de tankinhoud van pijpleidingen,

- in lichters,

- in kusttankers,

- in tankers in de havens,

- in bunkervoorraden van de binnenlandse scheepvaart,

- op de bodem van tanks,

- als werkvoorraden,

- door belangrijke verbruikers op grond van wettelijke verplichtingen of andere instructies van de overheid.

Deze hoeveelheden mogen echter bij de berekening van het niveau van de speciale voorraden niet worden meegenomen indien deze speciale voorraden afzonderlijk van de veiligheidsvoorraden worden berekend.

Bij de berekening van de voorraden zijn altijd uitgesloten:

a) nog niet gewonnen ruwe aardolie;

b) de voorraden die worden gehouden:

- in pijpleidingen,

- in tankwagons,

- in bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart,

- in benzinestations en detailhandelszaken,

- door andere verbruikers,

- in tankers op zee,

- als militaire voorraden.

Bij het berekenen van hun veiligheidsvoorraden verminderen de lidstaten de voorraden die overeenkomstig het bovenstaande zijn berekend met 10%. Dit percentage dient op het totaal van de hoeveelheden die in een bepaalde berekening zijn meegenomen, in mindering te worden gebracht.

In afwijking van hetgeen in de voorgaande alinea vermeld staat, wordt bij het berekenen van het niveau van de speciale voorraden en bij het berekenen van de verschillende categorieën speciale voorraden geen 10% in mindering gebracht indien deze speciale voorraden of categorieën afzonderlijk van de veiligheidsvoorraden worden beschouwd, met name om te controleren of het uit hoofde van artikel 9 verplichte minimumniveau in acht wordt genomen.

BIJLAGE IV

Voorwaarden voor de statistische overzichten van de uit hoofde van artikel 3 in opslag te houden voorraden en verstrekking ervan aan de Commissie.

Elke lidstaat stelt maandelijks een definitief statistisch overzicht op van de op de laatste dag van elke kalendermaand aanwezige voorraden en verstrekt dit aan de Commissie. Afhankelijk van het aangehouden criterium van artikel 3 wordt de berekening hetzij op het aantal dagen netto aardolie-invoer gebaseerd, hetzij op het aantal dagen binnenlands aardolieverbruik. De lidstaat geeft in het overzicht exact aan waarom de berekening is gebaseerd op het aantal invoerdagen of op het aantal verbruiksdagen, en vermeldt tevens welke van de in bijlage III genoemde methoden is gebruikt om de voorraden te berekenen.

Indien bepaalde voorraden bij het berekenen van het niveau, zoals bedoeld in artikel 3, buiten het nationale grondgebied in opslag worden gehouden, vermeldt elk overzicht in detail de voorraden die door de verschillende lidstaten en centrale opslaginstanties op de laatste dag van de periode waarop het overzicht betrekking heeft, worden aangehouden. De lidstaat vermeldt bovendien in elk voorkomend geval in het overzicht of de voorraden worden aangehouden op basis van overdracht door een of meer marktdeelnemers, dan wel op eigen verzoek of op verzoek van zijn centrale opslaginstantie.

Voor het totaal aan voorraden dat ten behoeve van andere lidstaten of centrale opslaginstanties op het nationale grondgebied in opslag wordt gehouden, stelt de lidstaat per categorie product een overzicht op van de op de laatste dag van iedere kalendermaand aanwezige voorraden en verstrekt dit aan de Commissie. Het overzicht dient tevens in elk voorkomend geval de naam van de desbetreffende lidstaat of centrale opslaginstantie, alsmede de hoeveelheden, te vermelden.

De in de drie voorgaande alinea’s bedoelde statistische overzichten dienen binnen 45 dagen volgend op de maand waarop ze betrekking hebben aan de Commissie te worden verstrekt. Bovendien dienen deze binnen twee maanden na een verzoek daartoe van de Commissie te worden verstrekt, mits dat verzoek is gedaan binnen een termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de gegevens betrekking hebben.

FINANCIEEL MEMORANDUM

Dit document dient als aanvulling op de toelichting. Vul dit financieel memorandum dus in zonder informatie uit de toelichting te herhalen, voor zover de leesbaarheid dit toelaat. Lees voor het invullen de specifieke richtsnoeren voor de onderstaande punten.

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Voorstel voor een richtlijn van de Raad houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden

2. ABM / ABB-KADER (beheer/vaststelling van de begroting per activiteit)

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en):

06: Energie en vervoer

06 04: Conventionele en duurzame energiebronnen

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

06 01 01: Uitgaven voor personeel in actieve dienst voor het beleidsterrein Energie en vervoer

06 01 04 03: Conventionele energie — Uitgaven voor administratief beheer

06 04 03: Continuïteit van conventionele energievoorziening

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

Aanvang: 2010 Einde: onbepaalde duur

3.3. Begrotingskenmerken (voeg zo nodig rijen toe):

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

06 01 01 | NVU | NGK | NEE | NEE | NEE | Nr. 5 |

06 01 04 03 | NVU | NGK | NEE | NEE | NEE | Nr. 1a |

06 04 03 | NVU | NGK | NEE | NEE | NEE | Nr. 1a |

4.

OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt | | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 e.v. | Totaal |

Beleidsuitgaven [18] | | | | | | | | |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1 | a | 0,15 | 0,15 | 0,15 | 0,15 | 0,15 | 0,15 | 0,90 |

Betalingskredieten (BK) | | b | 0,05 | 0,20 | 0,15 | 0,15 | 0,15 | 0,20 | 0,90 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag [19] |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4 | c | | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,05 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG | | | | | | | |

Vastleggingskredieten | | a+c | 0,15 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,95 |

Betalingskredieten | | b+c | 0,05 | 0,21 | 0,16 | 0,16 | 0,16 | 0,21 | 0,95 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen [20] | | |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5 | d | 0,585 | 0,829 | 0,829 | 0,829 | 0,829 | 0,829 | 4,73 |

Andere administratieve uitgaven dan personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn inbegrepen (NGK) | 8.2.6 | e | | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,35 |

Totale indicatieve kosten van de maatregel

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | | a+c+d+e | 0,735 | 1,059 | 1,059 | 1,059 | 1,059 | 1,059 | 6,03 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | | b+c+d+e | 0,635 | 1,109 | 1,059 | 1,059 | 1,059 | 1,109 | 6,03 |

Medefinanciering

Indien het voorstel door lidstaten of uit andere bronnen (geef aan welke) wordt medegefinancierd, geef dan een raming daarvan in de onderstaande tabel (voeg extra rijen toe indien de medefinanciering uit meer dan één bron afkomstig is):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Medefinancieringsbron | | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 e.v. | Totaal |

…………………… | f | | | | | | | |

TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f | | | | | | | |

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

x Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord [21] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

x Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

Opmerking: Alle gegevens en opmerkingen over de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten moeten in een aparte bijlage worden vermeld.

in miljoen euro (tot op 1 decimaal)

| | Vóór de actie [2009] | | Situatie na de actie |

Begrotingsonderdeel | Ontvangsten | | | [2010] | [2011] | [2012] | [2013] | [2014] | [2015] [22] |

| a) Ontvangsten in absolute bedragen | | | | | | | | |

| b) Verschil in ontvangsten | | | | | | | | |

(Vermeld elk betrokken begrotingsonderdeel; voeg extra rijen toe wanneer er gevolgen zijn voor meer dan één begrotingsonderdeel.)

4.2. Personele middelen in voltijdequivalenten (VTE; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) – zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 e.v. |

Totaal personele middelen | 5 | 7 | 7 | 7 | 7 | 7 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

Gegevens over de context van het voorstel moeten in de toelichting worden verstrekt. Geef in dit deel van het financieel memorandum de volgende aanvullende informatie:

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

De richtlijn vereist dat de bestaande computerinfrastructuur wordt geactualiseerd en dat nieuwe toepassingen (voor de handelsvoorraden) worden ontwikkeld. De computerinfrastructuur moet uiterlijk op het moment van inwerkingtreding van de richtlijn zijn aangepast.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

De richtlijn legt de lidstaten een opslagverplichting op; de Commissie moet controleren of aan deze verplichting wordt voldaan. Naast de kennisgeving over de hoogte van de noodvoorraden moeten de lidstaten eveneens informatie verstrekken over de hoogte van de handelsvoorraden.

Aardoliemarkten zijn wereldmarkten en een verstoring van het aardolieaanbod heeft gevolgen voor alle lidstaten. De EU is verantwoordelijk voor het veiligstellen van de bevoorrading met aardolie en moet ervoor zorgen dat, gegeven de interne markt, alle lidstaten voldoende zijn voorbereid op noodsituaties. Dit vraagstuk moet derhalve op communautair niveau worden behandeld.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

Het voorstel beoogt een versterking van het systeem voor noodvoorraden van aardolie en de mechanismen voor gebruik ervan in een crisissituatie. Naar verwachting wordt hiermee gezorgd dat noodvoorraden beschikbaar zijn en dat deze, indien nodig, ingezet kunnen worden, waarmee de oliebevoorrading voor Europese verbruikers beter wordt veiliggesteld. De richtlijn moet bijdragen aan het verminderen van de schadelijke gevolgen van een eventuele verstoring van het aanbod, zoals een gebrek aan brandstoffen en prijsstijgingen. De richtlijn moet eveneens bijdragen aan een transparante oliemarkt door het wekelijks verstrekken van informatie over de handelsvoorraden.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

Voor de uitvoering van de actie gekozen methode(n) [23].

x Gecentraliseerd beheer

x rechtstreeks door de Commissie

gedelegeerd aan:

uitvoerende agentschappen,

door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement,

nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak.

Gedeeld of gedecentraliseerd beheer

met lidstaten

met derde landen

Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Opmerkingen:

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

De Commissie evalueert de uitvoering van de richtlijn na 3 jaar.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Niet van toepassing

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Niet van toepassing

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Niet van toepassing

7. fraudebestrijdingsmaatregelen

Er zijn geen speciale maatregelen nodig. Het gebruikelijke kader voor contracten met en vergoedingen aan deskundigen is van toepassing.

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

(Vermeld de doelstellingen, acties en outputs) | Soort output | Gem. kosten | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 e.v. | TOTAAL |

| | | Aantal outputs | Tot. kosten | Aantal outputs | Tot. kosten | Aantal outputs | Tot. kosten | Aantal outputs | Tot. kosten | Aantal outputs | Tot. kosten | Aantal outputs | Tot. kosten | Aantal outputs | Tot. kosten |

OPERATIONELE DOELSTELLING nr.°1 [24] | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1………… | | | | | | | | | | | | | | | | |

- Output 1Output 1 | contract | | 1 | 0,15 | | | | | | | | | | | 1 | 0,15 |

- Output 2 | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 2………… | | | | | | | | | | | | | | | | |

- Output 1 | contract | | | | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 15 | 0,75 |

Subtotaal doelstelling 1 | | | | | | | | | | | | | | | | |

OPERATIONELE DOELSTELLING nr.°2…… | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1……… | | | | | | | | | | | | | | | | |

- Output 1 | | | | | | | | | | | | | | | | |

Subtotaal doelstelling 2 | | | | | | | | | | | | | | | | |

OPERATIONELE DOELSTELLING nr.°n…… | | | | | | | | | | | | | | | | |

Subtotaal doelstelling n | | | | | | | | | | | | | | | | |

TOTALE KOSTEN | contract | | 1 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 3 | 0,15 | 16 | 0,9 |

8.2. Administratieve uitgaven

8.2.1. Aantal en soort personeelsleden

Soort post | | Huidig of extra personeel dat zal worden ingezet voor het beheer van de actie (aantal posten/VTE) |

| | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 |

Ambtenaren of tijdelijk personeel [25] (XX O1 01) | A*/AD | 1,5 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 |

| B*, C*/AST | 3 | 4,5 | 4,5 | 4,5 | 4,5 | 4,5 |

Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel [26] XX 01 02 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 | 0,5 |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel [27] | | | | | | |

TOTAAL | 5 | 7 | 7 | 7 | 7 | 7 |

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

· Toezicht op de uitvoering van de bepalingen van de richtlijn, verzamelen, analyseren en openbaar maken van voorraadgegevens, inspecties/audits van voorraden en noodsystemen van lidstaten, inbreukprocedures.

· Voorbereiding, organisatie en follow-up van de vergaderingen van de coördinatiegroep en het comité (comitologie).

· In geval van een verstoring coördinatie van de door de lidstaten genomen maatregelen in samenwerking met het Internationaal Energieagentschap.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

(Wanneer meer dan één bron wordt vermeld, geef dan het aantal posten per bron).

x Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma

– 3,5 VTE zijn al toegewezen aan de uitvoering van de taken in verband met de geldende richtlijn.

Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

x Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

– Er worden 3,5 nieuwe VTE gevraagd voor de uitvoering van de extra taken die uit het voorstel voor een richtlijn voortvloeien: 1,5 extra VTE vanaf 2010 en 2 extra VTE vanaf 2011.

Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

8.2.4.

Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag

(XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel(nummer en omschrijving) | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015e.v. | TOTAAL |

1. Technische en administratieve bijstand (inclusief bijbehorende personeelsuitgaven) | | | | | | | |

Uitvoerende agentschappen [28] | | | | | | | |

Andere technische en administratieve bijstand | | | | | | | |

- intern | | | | | | | |

- extern | | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,05 |

Totaal technische en administratieve bijstand | | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,01 | 0,05 |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015e.v. |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) | 0,549 | 0,793 | 0,793 | 0,793 | 0,793 | 0,793 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.)(vermeld begrotingsonderdeel) | 0,036 | 0,036 | 0,036 | 0,036 | 0,036 | 0,036 |

Totaal personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,585 | 0,829 | 0,829 | 0,829 | 0,829 | 0,829 |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1.

Jaar n: 4,5 ambtenaren (€ 122.000 per ambtenaar per jaar)

Jaar n+ 1 e.v.: 6,5 ambtenaren (€ 122.000 per ambtenaar per jaar)

[…]

Berekening - Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1.

0,5 gedetacheerde nationale deskundige (€ 73.000 € per gedetacheerde nationale deskundige per jaar)

8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 e.v. | TOTAAL |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen | | | | | | | |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen | | | | | | | |

XX 01 02 11 03 - Comités [29] | | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,35 |

XX 01 02 11 04 - Studies en adviezen | | | | | | | |

XX 01 02 11 05 - Informatiesystemen | | | | | | | |

2. Totaal andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) | | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,07 | 0,35 |

3. Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) | | | | | | | |

Totaal andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | | | | | | | |

Berekening - Andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen

Per jaar zijn 4 vergadering gepland met 27 vertegenwoordigers en een gemiddelde kostprijs van € 650 per vertegenwoordiger per vergadering: 4X27X650 = € 70.200 per jaar

De behoeften op het administratieve en personele vlak worden gefinancierd uit de toewijzing die het beherende DG in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure ontvangt.

[1] PB C […] van […], blz. […].

[2] PB C […] van […], blz. […].

[3] PB C […] van […], blz. […].

[4] PB C […] van […], blz. […].

[5] Actieplan van de Europese Raad (2007-2009), Een energiebeleid voor Europa, bijlage I van document 7224/07 (Europese Raad van Brussel 8-9 maart 2007, Conclusies van het voorzitterschap), punt 3.

[6] PB L 217 van 8.8.2006, blz. 8.

[7] Doc. 7224/07, punt 36.

[8] Doc. 2006/2247, punt 36.

[9] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

[10] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

[11] PB L 228 van 16.8.1973, blz. 1.

[12] PB L 308 van 23.12.1968, blz. 19.

[13] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[14] Dit is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin de richtlijn wordt vastgesteld.

[15] Dit is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin de richtlijn wordt vastgesteld.

[16] Dit is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin de richtlijn wordt vastgesteld.

[17] Dit is 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin de richtlijn wordt vastgesteld.

[18] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[19] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[20] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[21] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[22] Voeg zo nodig extra kolommen toe (wanneer de duur van de maatregel langer is dan 6 jaar).

[23] Verstrek, indien meer dan één methode wordt aangekruist, extra informatie onder Opmerkingen.

[24] Zoals beschreven in punt 5.3.

[25] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[26] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[27] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[28] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[29] Coördinatiegroep en comité (comitologie) als vermeld in het voorstel voor een richtlijn.

--------------------------------------------------