28.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 21/3


Donderdag, 4 december 2008
Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Rekenkamer over de administratieve samenwerking op het gebied van BTW

P6_TA(2008)0581

Resolutie van het Europees Parlement van 4 december 2008 over Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Europese Rekenkamer over de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (2008/2151(INI))

2010/C 21 E/03

Het Europees Parlement,

gezien Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Europese Rekenkamer over de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, vergezeld van de antwoorden van de Commissie (1),

gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (2),

gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken (A6-0427/2008),

A.

overwegende dat ontduiking van en fraude met de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) niet alleen de financiering van de begrotingen van de lidstaten aantast, maar ook het stelsel van de eigen middelen van de EU, omdat de gederfde eigen middelen uit BTW moeten worden gecompenseerd door een verhoging van de aan het bruto nationaal inkomen (BNP) gerelateerde eigen middelen, zodat distorsies als gevolg van BTW-fraude de totaalbalans van het stelsel van de eigen middelen verstoren,

B.

overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 31 mei 2006 over de noodzaak om een gecoördineerde strategie te ontwikkelen ter verbetering van de bestrijding van fiscale fraude (COM(2006)0254), heeft opgemerkt dat de lidstaten onvoldoende gebruik maken van de mogelijkheden voor administratieve samenwerking die worden geboden door de versterking van het rechtskader van Verordening (EG) nr. 1798/2003 (3), en de mening heeft uitgesproken dat het niveau van de administratieve samenwerking in geen verhouding staat tot de omvang van het intracommunautaire handelsverkeer,

C.

overwegende dat de door de Rekenkamer in haar Speciaal Verslag nr. 8/2007 opgemaakte analyse omtrent de vraag of de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten op een tijdige en efficiënte manier verloopt en of er adequate administratieve structuren en procedures zijn ingevoerd om de administratieve samenwerking te ondersteunen, de conclusie oplevert dat de belangrijkste doelstelling van Verordening (EG) nr. 1798/2003 — namelijk effectieve administratieve samenwerking tegen BTW-ontduiking — niet is bereikt,

1.

is ingenomen met Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Rekenkamer, dat een onafhankelijke evaluatie bevat van de administratieve samenwerking in de strijd tegen BTW-ontduiking en -fraude en waarin de door de lidstaten behaalde resultaten en de rol van de Commissie uitvoerig worden geanalyseerd; concludeert op basis van de bevindingen van de Rekenkamer dat Verordening (EG) nr. 1798/2003 geen effectief instrument is voor administratieve samenwerking, aangezien diverse lidstaten de implementatie daarvan belemmeren en de rol van de Commissie in deze beperkt is;

BTW-fraude in cijfers

2.

is zich ervan bewust dat de huidige omvang van BTW-ontduiking en -fraude moeilijk in te schatten is, aangezien veel lidstaten geen gegevens verzamelen of deze niet publiceren; merkt op dat volgens de ramingen van de Rekenkamer de gederfde ontvangsten uit de BTW in 2005 voor Duitsland 17 miljard euro bedroegen en in het VK voor het belastingjaar 2005-2006 18,2 miljard EUR; merkt op dat het bedrag aan BTW-fraude de omvang van de totale jaarlijkse begroting van de Gemeenschap zou kunnen overschrijden;

3.

is verheugd over het initiatief van de Commissie om een studie op te zetten om betrouwbare ramingen te verkrijgen van de omvang van belastingfraude, inclusief BTW-fraude, in de respectieve lidstaten; verzoekt de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement te informeren over de bevindingen van deze studie, zodra deze beschikbaar zijn;

4.

dringt er bij de Raad en de Commissie op aan meer prioriteit toe te kennen aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke methode voor het kwantificeren en analyseren van de BTW-fraude, die het mogelijk moet maken te beoordelen in hoeverre de door de lidstaten genomen maatregelen ter bestrijding van BTW-ontduiking en -fraude resultaat opleveren dan wel of zij er alleen maar toe leiden dat het probleem van de BTW-fraude wordt verlegd naar andere economische sectoren of lidstaten;

5.

verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten de nodige aandacht te besteden aan de aanbevelingen van het Contactcomité van de Rekenkamers van de Europese Unie van december 2007, die o.a. voorstellen bevatten omtrent de vraag hoe de lidstaten hun schattingen kunnen verbeteren en hoe er een geïntegreerd model zou kunnen worden ontwikkeld voor het ramen van de BTW-fraude;

Tekortkomingen bij de instanties van de lidstaten

6.

is bezorgd over de tekortkomingen die zijn vastgesteld door de Rekenkamer met betrekking tot de administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van BTW;

7.

is bezorgd over het feit dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat in sommige lidstaten de essentiële voorwaarden voor een effectieve samenwerking ontbraken; wijst in dat verband met name op de volgende tekortkomingen:

nagenoeg de helft van de informatieaanvragen van de ene lidstaat aan de andere werden niet binnen de vigerende termijn van drie maanden beantwoord;

de organisatorische structuur van de centrale verbindingsbureaus (CVB’s), d. w. z. de voornaamste kanalen voor het uitwisselen van informatie, droeg bij tot de geconstateerde vertragingen; Italië en Nederland splitsen hun CVB’s kennelijk op over diverse departementen zonder dat van doeltreffende coördinatie sprake is en Duitsland verdeelde zijn CVB’s over meerdere diensten zonder de andere lidstaten daarvan naar behoren in kennis te stellen;

er bestaan belangrijke verschillen tussen het aantal informatieaanvragen dat een lidstaat beweert te hebben ontvangen en het aantal aanvragen dat andere lidstaten naar die lidstaat beweren te hebben verstuurd; Italië verklaarde 54 % minder aanvragen te hebben ontvangen en Duitsland zou naar verluidt 32 % meer aanvragen hebben ontvangen dan andere lidstaten verklaren in 2005 naar die lidstaten te hebben verstuurd;

8.

dringt er bij de lidstaten op aan tijdige uitwisseling van informatie op verzoek te garanderen; is ervan overtuigd dat de voorgestelde wijzigingen op de BTW-richtlijn (4) en op Verordening (EG) nr. 1798/2003, die ten doel hebben de termijnen voor het verzamelen en uitwisselen van informatie te verkorten, pas helemaal effectief zullen zijn als lidstaten die dat nog niet hebben gedaan, controlemechanismen instellen om ervoor te zorgen dat er tijdig op de aanvragen wordt gereageerd; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren omtrent de door de individuele lidstaten geboekte vorderingen bij het opzetten van bewakingssystemen en de doeltreffendheid daarvan te evalueren;

9.

dringt er bij de Raad op aan een onderzoek in te stellen naar de discrepantie tussen het aantal verzoeken om informatie dat een lidstaat beweert te hebben ontvangen en het aantal verzoeken dat andere lidstaten naar die lidstaat beweren te hebben verstuurd, en dit probleem zo snel mogelijk op te lossen;

10.

beveelt de Commissie aan dat de lidstaten binnen hun nationale hervormingsprogramma’s in het kader van de strategie van Lissabon verslag uitbrengen van de tenuitvoerlegging van de vereisten inzake de overdracht van gegevens aan andere lidstaten; acht het van belang dat, indien de overdracht van gegevens van een lidstaat naar een andere systematisch wordt vertraagd, de Commissie een inbreukprocedure start tegen de lidstaat die zich hier schuldig aan maakt;

11.

roept de Commissie op een verdere uitwisseling van beste werkmethodes en coördinatie tussen de lidstaten inzake de organisatorische regelingen voor administratieve samenwerking te vergemakkelijken;

12.

verzoekt de lidstaten volledig gebruik te maken van de mogelijkheid om bevoegdheden te delegeren met betrekking tot uitwisseling van informatie met lokale belastingkantoren, teneinde de kwaliteit van de samenwerking te verbeteren en deze te versnellen; merkt op dat de Commissie in 2007 een beveiligd elektronisch informatiekanaal tussen lokale kantoren in verschillende lidstaten beschikbaar heeft gesteld;

13.

beseft dat administratieve samenwerking op EU-niveau een essentieel instrument is voor de bestrijding van belastingfraude; moedigt de lidstaten aan volledig gebruik te maken van de mogelijkheid een doeltreffende administratieve samenwerking tussen plaatselijke belastingkantoren op te zetten, onder meer door middel van elektronische communicatie;

14.

merkt op dat België het Eurocanet (European Carousel Network) heeft opgezet om de spontane uitwisseling van informatie te verbeteren; merkt op dat inmiddels 24 lidstaten deelnemen aan deze vorm van informatie-uitwisseling over bedrijven die worden verdacht van betrokkenheid bij carrouselfraude;

15.

merkt op dat Eurocanet het volgens deskundigen voor belastingadministraties mogelijk maakt BTW-fraude sneller op te sporen, aangezien het in een uitgebreide uitwisseling van informatie voorziet, waarbij de Belgische overheid als centraal coördinatiepunt fungeert en ervoor zorgt dat de op het gebied van fraudebestrijding opererende administratieve diensten hierbij betrokken worden;

16.

merkt evenwel op dat Eurocanet in zijn effectiviteit wordt beperkt door het feit dat drie grote lidstaten, namelijk Duitsland, Italië en het VK, er niet aan meewerken; roept Duitsland, Italië en het VK er derhalve toe op zich bij Eurocanet aan te sluiten;

17.

constateert met bezorgdheid dat de Rekenkamer ernstige tekortkomingen in het Systeem voor de uitwisseling van BTW-informatie (VIES) heeft opgespoord als gevolg van vertragingen bij het verzamelen en vastleggen van gegevens en problemen met het corrigeren van foutieve gegevens; verzoekt de lidstaten en de Commissie hiervoor dringend een oplossing te vinden, en wel uiterlijk tegen eind 2008;

18.

begrijpt niet waarom de lidstaten, ondanks de inspanningen van de Commissie om tot een overeenkomst te komen, nog steeds geen akkoord hebben bereikt over gemeenschappelijke criteria voor de annulering van BTW-nummers, terwijl de mogelijkheid om een BTW-nummer op korte termijn in te trekken een essentieel element is om BTW-fraude een halt toe te roepen en deze te voorkomen;

19.

betreurt het dat de lidstaten onvoldoende gebruik maken van simultane multilaterale controles, hoewel de Gemeenschap wel degelijk voorziet in de financiering daarvan en de Rekenkamer meldt dat daarmee goede resultaten kunnen worden bereikt;

20.

betreurt het dat Duitsland, vooral in het licht van de bovenvermelde tekortkomingen die door de Rekenkamer met betrekking tot Duitsland zijn vastgesteld, niet heeft voldaan aan het controleverzoek van de Rekenkamer; steunt de Rekenkamer in haar opvatting dat de weigering van Duitsland een inbreuk vormt op zijn verplichtingen uit hoofde van het EG-Verdrag; stelt vast dat Commissie bij het Hof van Justitie een inbreukprocedure tegen Duitsland heeft ingeleid; verzoekt de Rekenkamer de geplande controle in Duitsland uit te voeren indien het Hof van Justitie vaststelt dat inbreuk is gepleegd;

21.

merkt op dat de Groep belastingvraagstukken van de Raad zich over het speciaal verslag van de Rekenkamer heeft beraden; verzoekt de Raad zich vóór december 2008 formeel uit te spreken over de bevindingen van de Rekenkamer, zoals hij ook heeft gedaan voor de andere speciale verslagen in het kader van de kwijtingprocedure van de Commissie;

Follow-up van de vaststellingen van de Rekenkamer voor wat betreft nieuwe communautaire wetgeving

22.

verwelkomt de voorstellen van de Commissie voor aanpassing van de BTW-richtlijn (5) en de verordening betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (6) om de vergaring en uitwisseling van informatie inzake intracommunautaire transacties vanaf 2010 te versnellen en dringt er bij de Raad op aan de voorgestelde maatregelen snel goed te keuren;

23.

verzoekt de Commissie verdere voorstellen te doen ter versterking van de mogelijkheden van lidstaten om niet-betaalde BTW te innen door handelaren hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor belastingverliezen in gevallen waarin hun nalatigheid op het gebied van verslagleggingsverplichtingen de fraude heeft vergemakkelijkt;

24.

verzoekt de Commissie verdere voorstellen te doen inzake geautomatiseerde toegang voor alle andere lidstaten tot bepaalde niet gevoelige gegevens die lidstaten bijhouden over hun eigen belastingplichtigen en over de harmonisering van procedures voor de registratie en uitschrijving van BTW-plichtige personen, om een snelle opsporing en uitschrijving van pseudo-belastingplichtigen te waarborgen;

Huidige rol van de Commissie en toekomstperspectieven

25.

merkt op dat het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1798/2003 tot de taken van de Commissie behoort het functioneren van de administratieve samenwerking te beoordelen en de ervaringen van de lidstaten te verzamelen; constateert dat de Commissie het voornemen heeft om een controlesysteem met kwantificeerbare indicatoren op te zetten om na te gaan of de lidstaten in staat zijn elkaar op een doeltreffende manier assistentie te verlenen en of zij dat ook daadwerkelijk doen; verzoekt de Commissie het Parlement te informeren over de stand van zaken vóór het begin van de komende kwijtingsprocedure;

26.

merkt op dat de Commissie geen toegang heeft tot de inhoud van informatie die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1798/2003 is of wordt uitgewisseld, maar zich dient te beperken tot het onderhoud en de ontwikkeling van het communicatienetwerk; is het er met de Rekenkamer over eens dat dit de Commissie hindert bij het opsporen van de oorzaken van de problemen en het formuleren van oplossingen daarvoor;

27.

constateert dat de lidstaten weigeren de Commissie (OLAF) toegang te verlenen tot de gegevens die worden uitgewisseld in het kader van Verordening (EG) nr. 1798/2003 en tot de informatie die wordt uitgewisseld in het kader van Eurocanet; merkt op dat de Commissie (OLAF) zich op het standpunt stelt dat, indien zij wél toegang tot de bewuste gegevens zou krijgen, daarmee een belangrijke toegevoegde waarde zou worden gecreëerd omdat er dan vanuit communautair perspectief een analyse zou kunnen worden opgemaakt van de heersende trends en van recent gedetecteerde fraudesystemen;

28.

merkt op dat Europol in april 2008 is begonnen met het aanleggen van een analytisch werkbestand omtrent intracommunautaire ploffraude, dat is gericht op het identificeren van de organisatoren van fraude, het blootleggen van hun criminele netwerken en het analyseren van de meest voorkomende vormen van intracommunautaire ploffraude;

29.

neemt kennis van de conclusies van de ECOFIN-Raad van 7 oktober 2008, die besloot een nieuw mechanisme vast te stellen — het zogenaamde „Eurofisc” — ter verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van BTW-fraude; stelt vast dat „Eurofisc” moet voortbouwen op Eurocanet; stelt verder vast dat, overeenkomstig de richtsnoeren die zijn vastgesteld door de ECOFIN-Raad, Eurofisc een gedecentraliseerd netwerk zal zijn voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, waarbij alle lidstaten op vrijwillige basis worden betrokken, en dat het netwerk opgezet moet worden op basis van overeenstemming tussen de deelnemende lidstaten, met ondersteuning van de Commissie;

30.

is het ermee eens dat er een sterke politieke stimulans nodig is om tot substantiële verbeteringen te komen bij de samenwerking in de strijd tegen BTW-fraude; is er echter van overtuigd dat de invoering van Eurofisc alleen toegevoegde waarde kan opleveren indien de deelname aan het netwerk verplicht is voor alle lidstaten, teneinde de problemen die bij Eurocanet zijn opgetreden te voorkomen, en indien de Commissie ten volle deelneemt aan de activiteiten van Eurofisc en daarbij een coördinerende rol speelt;

31.

verzoekt de Raad door te gaan met de onderhandelingen over het voorstel voor een verordening inzake wederzijdse administratieve bijstand bij de bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschap worden geschaad, met inbegrip van BTW-fraude, dat zou voorzien in een gedetailleerd systeem voor multidisciplinaire administratieve samenwerking in de strijd tegen fraude;

32.

verzoekt de verantwoordelijke diensten van de Commissie, DG Belastingen en Douane-unie en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF), een taskforce samen te stellen om de volgende aspecten te onderzoeken:

hoe kan de Commissie tussen de verschillende diensten die bij de bestrijding van BTW-fraude betrokken zijn synergieën bewerkstelligen om dubbel werk en concurrentie tussen de verschillende diensten te vermijden?

in hoeverre zou de Commissie toegang moeten krijgen tot informatie die wordt uitgewisseld tussen de lidstaten?

zou de Commissie kunnen uitgroeien tot een centrale coördinator voor de administratieve samenwerking tussen de lidstaten, en zo ja, hoe?

hoe dienen de activiteiten van de Commissie bij de bestrijding van BTW-fraude te zijn gerelateerd aan de activiteiten van Europol en Eurojust?

Intensievere samenwerking tussen justitiële instanties

33.

roept de lidstaten ertoe op de in het nationale recht bestaande juridische obstakels voor grensoverschrijdende strafvervolging, met name in gevallen waar de BTW-verliezen zich voordoen in een andere lidstaat, op te ruimen;

34.

constateert dat volgens de Commissie de inkomsten van de Gemeenschap uit eigen middelen uit BTW beschermd worden door de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 1995 (7); merkt in dat verband op dat de Raad in 1997 in een toelichtend rapport nadrukkelijk heeft aangegeven dat de BTW buiten het toepassingsgebied van deze overeenkomst valt; wijst erop dat dit toelichtende rapport geen wettelijk bindende gevolgen heeft; verzoekt de Raad zijn interpretatie te herzien teneinde de juridische obstakels te verwijderen die rechtsvervolging van grensoverschrijdende BTW-fraude in de weg staan;

*

* *

35.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, Europol en Eurojust, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 20 van 25.1.2008, blz. 1.

(2)  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

(3)  Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2006/112/EG.

(6)  Verordening (EG) nr. 1798/2003.

(7)  PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.