Vijfde Jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement - Overzicht van handelsbeschermingsmaatregelen van derde landen tegen de Gemeenschap (statistieken tot en met 31 december 2007, commentaar over procedures en tekst bijgewerkt tot maart 2008) [SEC(2008) 2149] /* COM/2008/0406 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 4.7.2008 COM(2008) 406 definitief VIJFDE JAARVERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overzicht van handelsbeschermingsmaatregelen van derde landen tegen de Gemeenschap (statistieken tot en met 31 december 2007, commentaar over procedures en tekst bijgewerkt tot maart 2008) [SEC(2008) 2149] VIJFDE JAARVERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT OVERZICHT VAN HANDELSBESCHERMINGSMAATREGELEN VAN DERDE LANDEN TEGEN DE GEMEENSCHAP (STATISTIEKEN TOT EN MET 31 DECEMBER 2007, COMMENTAAR OVER PROCEDURES EN TEKST BIJGEWERKT TOT MAART 2008) Samenvatting Het aantal tegen de EU ingestelde handelsbeschermingsmaatregelen was eind 2007 iets hoger dan op hetzelfde tijdstip het jaar daarvoor. Hoewel het met name antidumpingmaatregelen betreft, wordt het instrument van de vrijwaringsmaatregel steeds vaker ingezet. De Commissie blijft nauwlettend toezien op deze praktijk om de betrokken bedrijfstakken in de EU bij te staan en waar nodig tussenbeide te komen. Ofschoon er dit jaar positieve resultaten zijn behaald, bestaan de eerder vastgestelde problemen nog steeds en belemmeren zij de toegang tot de markt voor EU-exporteurs vaak op niet te rechtvaardigen wijze. De Commissie zal deze belangrijke activiteit dan ook voortzetten en de bilaterale contacten met derde landen uitbouwen om te pleiten voor een strakkere discipline bij de inzet van handelsbeschermingsinstrumenten (HBI). 1. INLEIDING Hoewel het niet zo is dat het aantal maatregelen tegen de EU of haar lidstaten de afgelopen jaren voortdurend is gestegen, zijn niet alleen de zorgen omtrent de juiste toepassing van die maatregelen gebleven, maar zijn er in het recente verleden ook nieuwe problemen bijgekomen. Omdat de EU zelf ook gebruik maakt van handelsbeschermingsinstrumenten, respecteert zij het recht van derde landen om hetzelfde te doen. De ervaring leert echter dat de normen die hierbij door derde landen worden gehanteerd, niet altijd even passend zijn en dat de hieruit voortvloeiende maatregelen niet altijd in overeenstemming zijn met de WTO-regels. De versterking van de concurrentiepositie van de EU op de wereldmarkten is een van de hoofddoelstellingen van het handelsbeleid van de Commissie. Daar ongerechtvaardigde handelsbeschermingsmaatregelen barrières opwerpen voor de legitieme markttoegang voor onze exporteurs, wil de Commissie de invoering van dergelijke maatregelen door derde landen voorkomen, of in ieder geval de nadelige gevolgen ervan zoveel mogelijk beperken. De Commissie blijft dan ook zoveel mogelijk tussenbeide komen in individuele gevallen en onderhoudt daarnaast de dialoog en bilaterale contacten met overheden van derde landen, met als doel het hanteren van de hoogste normen bij de inzet van die instrumenten, normen die vergelijkbaar zijn met de normen die de Commissie zelf toepast. In de vorige verslagen is erop gewezen dat toezicht op de maatregelen van derde landen nodig blijft en dat de technische bijstand aan de betrokken bedrijfstakken moet worden voortgezet. De trends en ontwikkelingen van dit jaar bevestigen dit beeld zonder meer, vooral gezien de recente positieve resultaten die zijn behaald. De lidstaten en de industrie hebben ook overduidelijk te kennen gegeven dat zij in dezen vertrouwen op het werk en de steun van de Commissie. 2. ALGEMENE TRENDS Eind 2007 waren er tegen de Europese Gemeenschap of haar lidstaten in totaal 147 handelsbeschermingsmaatregelen van kracht, tegen 143 eind 2006. Terwijl het aantal maatregelen in de drie jaar vóór 2007 een dalende lijn vertoonde, was er in 2007 voor het eerst weer sprake van een stijging ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit moet echter wel worden bezien tegen de achtergrond van de uitbreiding van de Europese Unie in januari 2007. De in totaal 9 maatregelen die derde landen al tegen Roemenië en Bulgarije hadden getroffen vóór de uitbreiding, zijn nu immers meegenomen in de cijfers. In 2007 waren er in totaal 23 nieuwe maatregelen (14 voorlopige of definitieve maatregelen en 9 als gevolg van de uitbreiding), terwijl in dezelfde periode 19 maatregelen verstreken of werden ingetrokken. Wat het gebruik van de diverse handelsbeschermingsinstrumenten betreft maken antidumpingmaatregelen met circa twee derde van de maatregelen nog altijd het grootste deel daarvan uit. Evenals de voorgaande jaren is het aantal compenserende maatregelen afgenomen, maar de uitsplitsing van de geldende maatregelen laat opnieuw een toename zien van het aantal vrijwaringsmaatregelen, van 32 in 2006 naar 36 in 2007. Deze maatregelen maken nu 25% van het totaal uit. Aangezien vrijwaringsmaatregelen algemene werking hebben, treffen zij alle exporteurs in de Gemeenschap, ook degenen waarvan de uitvoer geen problemen veroorzaakt voor de binnenlandse bedrijfstak van het land dat de maatregelen instelt. De Commissie zal dan ook druk blijven uitoefenen op de gebruikers van dit instrument om hier wat omzichtiger mee om te gaan, terwijl zij ook alles in het werk zal stellen om de nadelige gevolgen van ingestelde vrijwaringsmaatregelen zoveel mogelijk te beperken. Hoewel dergelijke interventies soms tot het gewenste resultaat hebben geleid was dit helaas niet in alle gevallen zo, wat vooral geldt voor de maatregelen die Turkije heeft ingesteld. Naar land bezien blijven de VS de grootste gebruiker van handelsbeschermingsinstrumenten tegen de Gemeenschap, daar de 25 van kracht zijnde maatregelen bijna 20% van het totaal uitmaken. Bij vele van de betrokken producten (bv. laag verrijkt uranium, warm gewalst staal) gaat het om aanzienlijke handelshoeveelheden. De andere belangrijke landen in dit verband zijn India (19 maatregelen), Brazilië (12 maatregelen), China (10 maatregelen), Oekraïne (10 maatregelen) en Mexico en Turkije (beide 9 maatregelen). Het aantal ingestelde nieuwe maatregelen (voorlopige en definitieve) nam significant af, van 27 in 2006 naar 18 in 2007 (14 nieuwe maatregelen en 4 voorlopige maatregelen die al in 2006 werden ingesteld, maar pas in 2007 definitief werden bevestigd). Deze daling is te verklaren uit de omstandigheid dat China en Turkije in totaal 9 maatregelen instelden in 2006, tegen slechts 2 in 2007. Wel is het zo dat China zijn handelsbeschermende opstelling over de hele lijn wat matigde, terwijl Turkije een belangrijke gebruiker blijft, zoals blijkt uit het onderstaande. Evenals het voorgaande jaar bestaat de helft van de nieuwe maatregelen uit vrijwaringsmaatregelen. Tot slot viel het aantal nieuw ingeleide procedures in 2007, na een piek in 2006, terug tot een relatief bescheiden niveau, van 28 tot 20 nieuwe procedures. Dit is toe te schrijven aan het feit dat in 2007 slechts 9 vrijwaringsprocedures werden ingeleid, tegen 18 in 2006. Dit is een positieve trend die hopelijk doorzet. 3. TRENDS NAAR LANDEN Terwijl de VS en India de afgelopen jaren minder maatregelen instelden, troffen landen als Brazilië, Oekraïne, Mexico, Turkije en Rusland juist beduidend meer maatregelen in de afgelopen drie jaar. Waren deze vijf landen in 2005 nog goed voor 26 maatregelen, in 2007 was dit aantal gestegen tot 45. Wat de VS betreft is de daling hoofdzakelijk terug te voeren op de intrekking van diverse maatregelen, terwijl het bij India nog steeds vooral gaat om de beëindiging van maatregelen naar aanleiding van WTO-beraad over een groot aantal maatregelen. Wat Rusland, Oekraïne en Turkije betreft wordt benadrukt dat het bij de stijging van het aantal maatregelen vrijwel uitsluitend gaat om in 2007 ingevoerde nieuwe vrijwaringsmaatregelen. In het geval van Brazilië en Mexico duidt de stijging op een toenemende HBI-activiteit in Latijns-Amerika. De trends en de belangrijkste procedures per derde land zijn uitvoerig beschreven in de bijlage. 4. AANHOUDENDE PROBLEMEN Hoewel er over de hele lijn enige vooruitgang is geboekt, stuit de Commissie nog steeds op dezelfde problemen als voorheen. Punten van zorg blijven met name slechte normen voor het inleiden van procedures, een slechte analyse van schade en oorzakelijk verband, en schending van het recht op verweer voor belanghebbenden. Omdat deze punten uitvoerig zijn toegelicht in de vorige verslagen, blijven ze hier verder buiten beschouwing. De intensievere toepassing van vrijwaringsmaatregelen, een punt dat ook al voorkwam op de lijst van vorig jaar, is een probleem dat ook in 2007 helaas nog voortduurt. Een ander belangrijk probleem dat op de voorgrond is getreden, is dat de meeste EU-lidstaten die het laatst zijn toegetreden nog steeds niet automatisch de status van markteconomie wordt toegekend bij antidumpingonderzoeken in Argentinië en Brazilië. De twee meest recente kwesties komen verderop in het verslag uitvoerig aan de orde. 4.1. Toepassing van vrijwaringsmaatregelen op uitgebreide schaal In de afgelopen jaren zijn we getuige geweest van een zorgelijke ontwikkeling in de richting van steeds meer nieuwe vrijwaringsmaatregelen, een trend die in 2007 heeft doorgezet. Tussen 2006 en 2007 steeg het aantal vrijwaringsmaatregelen immers van 32 naar 36. Eind 2007 was een op de vier handelsbeschermingsmaatregelen een vrijwaringsmaatregel. Hoewel er in 2007 minder nieuwe vrijwaringsprocedures werden ingeleid (9, tegen 18 in 2006), maakten ze samen wel de helft van de nieuw ingeleide procedures uit. Verschillende landen zien het instrument nog steeds als een gemakkelijk en snel middel om invoerbeperkende maatregelen te treffen, omdat bij vrijwaring, anders dan bij antidumping of antisubsidie, niet hoeft te worden aangetoond dat handelsstromen in enig opzicht oneerlijk zijn; er hoeft "slechts" te worden aangetoond dat er sprake is van een invoerpiek die schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. Voor het instellen van vrijwaringsmaatregelen gelden echter met opzet zeer strenge wettelijke voorwaarden die in feite veel strenger zijn dan die voor de andere handelsbeschermingsinstrumenten, omdat met deze maatregelen veeleer de vrije handel dan de oneerlijke handel wordt aangepakt. Helaas wordt vaak niet aan deze voorwaarden voldaan. Belangrijker in dit verband is nog dat vrijwaringsmaatregelen gezien hun multilaterale karakter alle invoer treffen, ongeacht de oorsprong en ongeacht de vraag of die invoer wel of niet de oorzaak van de problemen is. Daarom is de uitvoer van de EU diverse malen onterecht getroffen door vrijwaringsmaatregelen, ook al bracht hij op geen enkele manier schade toe aan de binnenlandse bedrijfstak die om bescherming verzocht. Soms worden deze exporteurs dan ook ten onrechte benadeeld en wordt hun zonder enige geldige reden de toegang tot de markt ontzegd. Problemen die verband houden met laaggeprijsde invoer, kunnen vaak beter worden aangepakt met het antidumpinginstrument. Terwijl sommige landen vormen van maatregelen nemen die specifiek gericht zijn op de aard en oorzaak van de problemen, bv. laaggeprijsde invoer, gaan andere landen niet systematisch van deze aanpak uit. Het is derhalve ook de taak van de Commissie om het effect van dergelijke maatregelen op de uitvoer van de EU zoveel mogelijk te beperken. Dit is geen eenvoudige taak, aangezien het ene land minder bereid is dan het andere om maatregelen te treffen waarmee uitsluitend de ware oorzaak van de problemen wordt aangepakt. 4.2. Status van markteconomie van nieuwe EU-lidstaten In 2007 is gebleken dat Brazilië en Argentinië de nieuwere EU-lidstaten blijven behandelen als landen die niet de volledige en onvoorwaardelijke status van markteconomie (SME) hebben bereikt in het kader van antidumpingonderzoeken. Concreet betekent dit dat een onderzoeksinstantie een surrogaatwaarde als normale waarde hanteert bij dumpingberekeningen. Hoewel er in deze twee landen slechts één onderzoek loopt dat specifiek gericht is op nieuwe lidstaten, neemt de Commissie dit zeer serieus omdat het ondenkbaar is dat EU-lidstaten niet worden beschouwd als volwaardige markteconomieën. Bovendien is het onacceptabel dat sommige EU-lidstaten anders worden behandeld dan andere, terwijl ze allemaal het communautaire acquis hebben overgenomen. De Commissie is dan ook krachtig opgetreden om dit probleem snel op te lossen. In antwoord op de vragen van Brazilië en Argentinië over de SME van de "nieuwe" lidstaten is uitvoerige informatie verstrekt, op basis waarvan de Argentijnse en Braziliaanse autoriteiten niet langer "technische gronden" kunnen aanvoeren als excuus voor het niet toekennen van de status van markteconomie aan Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. Als grondbeginsel geldt dat alle EU-lidstaten als markteconomieën moeten worden behandeld, ongeacht de datum van toetreding. Niet alleen is het een absolute voorwaarde (en een van de toetredingscriteria) dat kandidaat-lidstaten volwaardige markteconomieën moeten zijn voordat ze tot de EU kunnen toetreden, ze moeten ook het volledige acquis communautaire aanvaarden en invoeren dat de economische bedrijvigheid heeft geregeld in de landen die al eerder lidstaat waren. Er bestaan dus geen juridische of economische redenen om welke van de EU-lidstaten dan ook te behandelen als een land met een overgangseconomie of zelfs als een land zonder markteconomie. De Commissie streeft bij de bilaterale contacten met Brazilië en Argentinië naar een spoedige en positieve oplossing van deze kwestie. 5. BELANGRIJKSTE RESULTATEN Zoals al werd aangegeven in het vorige jaarverslag, is men het er over eens dat de inspanningen van de Commissie op het vlak van de monitoring van procedures met derde landen, zeker van enige invloed zijn geweest op het aantal ingeleide procedures en ingestelde maatregelen tegen de Gemeenschap of de lidstaten, dat in de loop der jaren over de hele lijn bezien is afgenomen. Naast ondergenoemde concrete resultaten moet worden opgemerkt dat de Commissie haar contacten met de bedrijfstakken die het voorwerp zijn van handelsbeschermingsonderzoeken, heeft uitgebouwd om hen met raad, daad en toelichting bij te staan betreffende maatregelen van derde landen. Soms leidden deze contacten tot medewerking van de EU-bedrijfstak, terwijl de bedrijfstak in andere gevallen misschien besloot geen medewerking aan het onderzoek te verlenen. Maar ook al was er in die gevallen misschien dan geen concreet positief resultaat (samenwerking is inderdaad een eerste vereiste), dan nog is het zo dat de Commissie er in elk geval voor gezorgd heeft dat de bedrijfstak in kwestie op de hoogte was van de lopende onderzoeken en de mogelijk nadelige gevolgen van niet-medewerking. Al dan niet meewerken aan handelsbeschermingsonderzoeken blijft overigens een economische beslissing die door de betrokken ondernemingen moet worden genomen op basis van algemenere overwegingen. De belangrijkste successen in 2007 waren: 1. "Zeroing" – intrekking van maatregelen Hoewel hier in het vorige verslag al uitvoerig op is ingegaan, wordt er nogmaals op gewezen dat de VS in april 2007, dankzij de grote inspanningen van de Commissie in samenwerking met de betrokken exporteurs en lidstaten, zijn overgegaan tot de tenuitvoerlegging, zij het slechts gedeeltelijk, van de uitspraken van het op verzoek van de Europese Commissie ingestelde WTO-panel (DS294) inzake de "zeroing"-methode. Voor veel Europese exporteurs zijn de betwiste antidumpingrechten substantieel verlaagd of zelfs geheel ingetrokken. Helaas zijn nog niet alle problemen verholpen, waardoor de Commissie heeft moeten verzoeken om de instelling van een zogeheten implementatiepanel, omdat de VS naar haar oordeel de uitspraken van het WTO-panel niet naar behoren heeft uitgevoerd. Het onderzoek van het tweede op verzoek van de Europese Commissie ingestelde "zeroing"-panel tegen de VS (DS350) is momenteel gaande. 2. Geen verlenging van VS-maatregelen bij nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van de maatregelen betreffende staalproducten Zoals hierboven uiteengezet zijn de maatregelen tegen de grootste EU-exporteurs van roestvast staafstaal inmiddels ingetrokken dankzij de tenuitvoerlegging van de WTO-uitspraak over "zeroing" door de VS. Samen met de betrokken bedrijfstak voerde de Commissie vervolgens in het kader van deze nieuwe onderzoeken aan dat de intrekking van deze maatregelen met zich bracht dat het marktaandeel van de overige exporteurs, waarvoor de rechten nog wel gelden, veel lager was dan bij de oorspronkelijke totale volumes, en dat er bijgevolg geen aanmerkelijke schade te verwachten was voor de binnenlandse bedrijfstak. Dit argument werd aanvaard en was voor de VS aanleiding voor het intrekken van de antidumpingmaatregelen en/of compensatieorders betreffende roestvast staafstaal uit Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Italië, omdat herhaling van de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak in de VS niet waarschijnlijk was. Hieruit blijkt eens te meer het grote nut van nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de industrie in de Gemeenschap. De intrekking van deze rechten, die in het verlengde ligt van de intrekking in 2006/2007 van antidumpingmaatregelen betreffende andere staalproducten (zoals op lengte gesneden plaat, corrosievaste platte producten, buisproducten bestemd voor olieproducerende landen), is een zeer welkome ontwikkeling. 3. Minder maatregelen van India Het aantal door India ingestelde maatregelen is de afgelopen jaren gedaald dankzij met succes beëindigde nieuwe onderzoeken naar aanleiding van WTO-beraad op verzoek van de EU. In het geringe aantal gevallen waarin niet om een nieuw onderzoek werd verzocht, was het de verwachting dat de maatregelen zouden verstrijken na de normale periode van vijf jaar waarvoor ze waren ingesteld. Helaas heeft India twee nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van de maatregelen in kwestie geopend (een in 2006 en een in 2007). De Commissie heeft zich sterk tegen die nieuwe onderzoeken verzet, omdat het volkomen onacceptabel zou zijn als die maatregelen, die oorspronkelijk werden gezien als maatregelen zonder rechtsgrondslag, voor nog eens vijf jaar worden verlengd. In ten minste één geval heeft onze bemoeienis resultaat opgeleverd. Ondanks niet-medewerking van de EU-bedrijfstak concludeerde India in 2007 immers dat de maatregel voor alle bij het onderzoek betrokken landen gehandhaafd moest worden, met uitzondering van de EU-landen. 4. Verbetering van het recht op verweer bij Chinese onderzoeken In het vorige jaarverslag werd vermeld dat de situatie in China nog steeds problematisch was op het vlak van transparantie en informatieverschaffing in hun procedures. Transparantie is van het allerhoogste belang bij het beheer van handelsbeschermingsinstrumenten, aangezien zij essentieel is voor het waarborgen van het recht op verweer van belanghebbenden. Hoewel deze kwestie voortdurend bij de Chinese autoriteiten werd aangekaart in het kader van individuele procedures, trad er helaas geen merkbare verbetering op. Daarom werd dit onderwerp opnieuw besproken tijdens een bijeenkomst van een bilaterale "Best Practices Group" (werkgroep voor de vaststelling van optimale praktijken), waarbij de Chinese overheid gedetailleerde voorbeelden kreeg van de aanpak van de EU met betrekking tot dit onderzoeksaspect. De Chinezen stonden positief tegenover ons advies in dezen, en er zijn aanwijzingen dat zij op dit vlak voor verbetering gaan zorgen. Hoewel er geen lopende procedures zijn van de kant van China, zullen we in de toekomst nadrukkelijk aandacht blijven besteden aan dit punt en blijven we hopen dat onze bilaterale contacten vruchten zullen afwerpen. Hoe dan ook is dit een stimulans voor het leggen c.q. voortzetten van bilaterale contacten met derde landen om de hoge normen van de EU te propageren en derde landen aan te moedigen dezelfde normen te hanteren. 5. Opheffen c.q. zoveel mogelijk beperken van het effect van door Mexico ingestelde maatregelen Er zijn positieve resultaten behaald met betrekking tot twee onderzoeken die Mexico in 2007 heeft afgerond. Het eerste betrof een antidumpingonderzoek tegen de invoer van bepaalde bestrijdingsmiddelen uit Denemarken. De Commissie heeft de Deense producent in deze zaak actief ondersteund en bijgestaan. De prohibitieve voorlopige maatregelen meer dan 90% werden betwist op grond van de verkeerde berekening van de dumpingmarge, en na diverse malen tussenbeide te zijn gekomen ging Mexico uiteindelijk akkoord met de prijsverbintenis die door de Deense exporteur werd aangeboden. Ook al had de beëindiging van het onderzoek zonder maatregelen de voorkeur verdiend, de nadelige economische gevolgen werden in ieder geval zoveel mogelijk beperkt en de markttoegang werd veiliggesteld. De Commissie blijft deze zaak op de voet volgen, daar er aanwijzingen zijn dat de enige producent in Mexico mogelijk spoedig failliet zal gaan, hetgeen welke maatregel dan ook overbodig zou maken. De tweede procedure betreft een antidumpingonderzoek tegen de invoer van gelaste pijpen uit Duitsland. Hoewel het in dit geval ook ging om een voorlopige maatregel, heeft de Commissie zich nadrukkelijk laten gelden op meerdere niveaus, voornamelijk op grond van het feit dat niet werd aangetoond dat de binnenlandse bedrijfstak aanmerkelijke schade dreigde op te lopen, zoals beweerd door de Mexicaanse autoriteiten in de fase van de voorlopige bevindingen. Deze bemoeienis sorteerde effect, en uiteindelijk besloot Mexico de procedure te beëindigen zonder maatregelen in te stellen. Volledigheidshalve moet ook worden vermeld dat de geschillenregelingsprocedure in WTO-verband betreffende de compenserende rechten die zijn ingesteld tegen de invoer van olijfolie, nog steeds loopt. Het wachten is op het tussentijds verslag, dat medio mei 2008 had moeten verschijnen. 6. Effect van vrijwaringsmaatregelen Om de eerdergenoemde redenen benadrukt de Commissie dat het vrijwaringsinstrument alleen in uitzonderingsgevallen mag worden ingezet: anders dan bij antidumping- en compenserende rechten wordt het immers gebruikt tegen eerlijke handel, en de uit dit instrument voortvloeiende maatregelen hebben ook nadelige gevolgen voor exporteurs die geen schade veroorzaken. Zijn dergelijke maatregelen toch onvermijdelijk, dan prefereert de Commissie maatregelen waarvan het negatieve effect op EU-exporteurs zo gering mogelijk is. In dit opzicht was de Commissie succesvol in het geval van de drie vrijwaringsmaatregelen die Oekraïne in 2007 instelde. Deze maatregelen zijn alleen van toepassing op invoer onder een bepaalde prijs en raken dus niet de uitvoer van de EU, die boven dat prijsniveau ligt. Hetzelfde succes kan worden gemeld in het geval van de maatregelen die Turkije heeft ingesteld tegen de invoer van bepaalde motorfietsen. Tegelijk met het inleiden van deze procedure werden er voorlopige maatregelen ingesteld in de vorm van een specifiek recht per eenheid product, maar na diverse malen tussenbeide te zijn gekomen golden de in 2007 ingevoerde definitieve maatregelen eveneens uitsluitend voor de invoer onder een bepaalde prijs. De uitvoer van de EU bleef hierdoor onaangetast, aangezien het gemiddelde prijsniveau daarvan boven de drempel ligt. De Commissie was helaas niet in alle gevallen succesvol. Ondanks veelvuldig overleg met de Turkse autoriteiten werd er geen resultaat geboekt in twee vrijwaringsprocedures waarbij begin 2008 rechten werden ingesteld. Het ging hier eveneens om maatregelen in de vorm van een specifiek recht per eenheid product, die ook de uitvoer van de EU treffen. Ze waren echter duidelijk gericht op de laaggeprijsde invoer uit bepaalde landen buiten de EU. Turkije blijft tot de landen behoren die het vrijwaringsinstrument het vaakst inzetten, en de Commissie zal die landen ervan blijven proberen te overtuigen dat ze specifieke instrumenten moeten gebruiken voor de landen die als enige verantwoordelijk zijn voor de problemen. 7. Varkensvlees – Australië Eind 2007 opende Australië een vrijwaringsonderzoek in verband met de invoer van varkensvlees. Australische varkensboeren hadden in oktober 2007 verzocht om de opening van een vrijwaringsonderzoek betreffende de invoer van diepvriesdelen van varkensvlees, aangezien zij problemen ondervonden ondanks het feit dat zij de concurrentie met de invoer slechts op een deel van de varkensvleesmarkt hoeven aan te gaan. Op dit moment voldoen alleen de VS, Canada en Denemarken aan de sanitaire en fytosanitaire eisen voor uitvoer naar Australië. Op 14 december 2007, en daarna nogmaals op 4 april 2008, stelde de Australische onderzoeksinstantie voor geen maatregelen in te stellen, daar er geen oorzakelijk verband was gevonden tussen de invoer en de problematische situatie van de Australische varkensboeren: de schade was voornamelijk toe te schrijven aan de gestegen veevoederprijzen op de binnenlandse markt (varkensproducenten over de hele wereld, ook in de EU, kampen met hetzelfde probleem). Deze zaak is een voorbeeld van goede coördinatie tussen de EU, de lidstaten en de bedrijfstak in de EU om het instellen van maatregelen zonder rechtsgrondslag te voorkomen. 6. CONCLUSIE Na de daling van de afgelopen jaren bleef het aantal tegen de Gemeenschap getroffen maatregelen in 2007 ongeveer gelijk. Gezien de huidige, wereldwijde economische situatie is het aannemelijk dat er in de nabije toekomst weer meer maatregelen zullen worden ingesteld. In tijden van economische tegenspoed zijn industrieën immers meer geneigd om te vragen om beschermende maatregelen. Terwijl de "oude" en vertrouwde problemen er nog steeds zijn, hebben zich inmiddels ook nieuwe aangediend. Daarom doet de noodzaak om procedures met derde landen op de voet te volgen, zich sterker dan ooit voelen. Ongegronde maatregelen beroven exporteurs in de Gemeenschap van hun afzetmogelijkheden in het buitenland en schaden de concurrentiepositie van Europa. Daarom moeten deze belemmeringen van de markttoegang stelselmatig worden aangepakt. Dit is de grondslag waarop de Commissie de activiteiten van derde landen nauwlettend volgt, de betrokken bedrijfstakken in de EU blijft ondersteunen en waar nodig tussenbeide komt. Ook dit verslagjaar is weer gebleken dat het optreden in procedures met derde landen een veel grotere kans van slagen heeft als de Commissie en de betrokken bedrijfstakken en lidstaten de krachten bundelen. Er werden dit jaar vermeldenswaardige resultaten behaald: in sommige gevallen werden maatregelen voorkomen, in andere werden de nadelige economische gevolgen van die maatregelen voor marktdeelnemers in de Gemeenschap beperkt. De Commissie zal de contacten met de industrie blijven uitbouwen en zoveel mogelijk interveniëren, op de meest geëigende wijze. De Commissie zal ook blijven werken aan de bilaterale contacten met derde landen om de discipline bij de inzet van instrumenten te verbeteren en de hoge normen die zij bij haar eigen onderzoeken hanteert, ingang te doen vinden.