52008DC0355

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de statistieken die zijn opgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken en de kwaliteit daarvan /* COM/2008/0355 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 13.6.2008

COM(2008) 355 definitief

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over de statistieken die zijn opgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken en de kwaliteit daarvan

1. Inleiding

1.1. Verordening betreffende afvalstoffenstatistieken

Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2002 betreffende afvalstoffenstatistieken[1] schrijft voor dat de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 1, het Europees Parlement en de Raad een verslag voorlegt over de op grond van deze verordening opgestelde statistieken, en met name over de kwaliteit ervan en de belasting voor de ondernemingen.

In sectie 7, punt 3, van bijlage I en van bijlage II wordt bepaald dat de Commissie de rapporten over de dekking en kwaliteit opneemt in het in artikel 8 voorgeschreven verslag. De kwaliteitsverslagen van de lidstaten zijn te vinden op de volgende internetsite:

http://circa.europa.eu/Public/irc/dsis/pip/library?l=/wastesstatisticssregulat/data_transmission/quality_statistics

Dit verslag vat de eerste resultaten samen, geeft een overzicht van de kwaliteit van de gegevens en bevat aanbevelingen voor mogelijke wijzigingen in de verordening. Het bestrijkt de 25 lidstaten van de EU die wettelijk verplicht waren om in 2006 gegevens in te dienen.

De verordening schrijft voor dat de lidstaten van de EU, vanaf het referentiejaar 2006, om de twee jaar gegevens moeten verstrekken. De bijlagen I en II stellen de voorschriften vast voor de statistieken over afvalproductie, afvalbehandeling en afvalbehandelingscapaciteiten. De resultaten zijn ingedeeld naar afvalcategorieën overeenkomstig de statistische lijst van afvalstoffen (EWC-Stat), die is opgenomen in bijlage III bij de verordening. Tabel 1 verstrekt nadere bijzonderheden over de rapporteringsvoorschriften.

Tabel 1: Gegevensverzamelingen overeenkomstig de verordening betreffende afvalstoffenstatistieken

Gegevensverzameling | Beschrijving en indeling | Regionaal niveau |

1 | Productie | Afvalproductie naar: - 20 afvalproducerende activiteiten: 19 bedrijfstakken, huishoudens - 48 afvalcategorieën | Nationaal |

2 | Verbranding | Afvalverbranding naar: - 2 behandelingstypes - 14 afvalcategorieën | NUTS 1 |

3 | Terugwinning, excl. energieterugwinning | Afvalterugwinning naar: - 1 behandelingstype - 17 afvalcategorieën | NUTS 1 |

4 | Verwijdering (met uitzondering van verbranding) | Afvalverwijdering naar: - 2 behandelingstypes - 16 afvalcategorieën | NUTS 1 |

5 | Behandelingsinfrastructuur Dekking van het inzamelingssysteem | Aantal/capaciteit van terugwinnings-/verwijderingsinrichtingen naar: - 5 behandelingstypes Percentage van de bevolking/woningen waarvoor een inzamelingssysteem voor huishoudelijk en dergelijk afval bestaat | NUTS 2 |

1.2. Uitvoeringsmaatregelen

De Commissie heeft met het oog op de uitvoering van Verordening (EG) nr. 2150/2002 aanvullende wetgevingsbesluiten en een handleiding opgesteld:

- Verordening (EG) nr. 574/2004 van de Commissie van 23 februari 2004 tot wijziging van de bijlagen I en III bij Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken[2]

- Verordening (EG) nr. 783/2005 van de Commissie van 24 mei 2005 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken[3]

- Verordening (EG) nr. 782/2005 van de Commissie van 24 mei 2005 tot vaststelling van het formaat voor de toezending van de resultaten van afvalstoffenstatistieken[4]

- Verordening (EG) nr. 1445/2005 van de Commissie van 5 september 2005 tot vaststelling van geschikte kwaliteitsevaluatiecriteria en van de inhoud van de kwaliteitsverslagen voor afvalstoffenstatistieken[5]

- Handleiding voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalsstoffenstatistieken (Manual on Waste Statistics) (juli 2006, versie 1.1)[6].

1.3. De kwaliteit van gegevens die volgens verschillende methoden zijn opgesteld

Verordening (EG) nr. 2150/2002 omschrijft de in te dienen gegevens en de kwaliteit daarvan maar schrijft geen specifieke methode voor de opstelling van de afvalstoffenstatistieken voor, die aldus volgens verschillende methoden worden samengesteld. Dit stelt de lidstaten in staat hun bestaande gegevensverzamelingssystemen te handhaven en de voor de naleving van de verordening vereiste veranderingen tot een minimum te beperken.

De toepassing van verschillende methoden werpt echter ernstige problemen op. Zij kan leiden tot methodologische verschillen van land tot land, tussen verschillende gegevensverzamelingen uit hetzelfde land en zelfs binnen afzonderlijke gegevensverzamelingen. Dit maakt het enigszins moeilijk om de vergelijkbaarheid van de gegevens te waarborgen en te zorgen voor een hoge kwaliteit van de gegevens.

De wijze waarop de kwaliteit van de gegevens kan worden gemeten, hangt af van de toegepaste methoden. Voor verschillende methoden bestaan er verschillende kwaliteitsparameters (bv. variatiecoëfficiënt voor steekproefenquêtes, gevoeligheidsanalyse voor modellering, enz.). Met name de combinatie van verschillende methoden binnen gegevensverzamelingen maakt het moeilijk om indicatoren voor de totale kwaliteit van de gegevens vast te stellen. Als gevolg daarvan belemmert de op de toepassing van verschillende methoden gebaseerde aanpak van de verordening de goede beoordeling en communicatie van de kwaliteit van de gegevens.

De toepassing van verschillende methoden is ook van invloed op de vergelijkbaarheid van de gegevens. Er kunnen beperkingen in verband met de vergelijkbaarheid van de gegevens optreden, met name wat betreft de dekking en de wijze waarop de afvalstoffen aan de verschillende afvalstoffenproducerende activiteiten worden toegewezen, zoals later in dit verslag zal worden beschreven.

In hun kwaliteitsverslagen hebben de lidstaten de gegevens beschreven onder verwijzing naar de kwaliteitselementen die algemeen in het Europees statistisch systeem voor de beoordeling van de kwaliteit van statistieken worden gebruikt[7] en die worden aangegeven in Verordening (EG) nr. 1445/2005 betreffende de kwaliteit van afvalstoffenstatistieken.

2. Punctualiteit en tijdigheid

Punctualiteit en tijdigheid verwijzen naar de indiening van de gegevens binnen de vastgestelde officiële termijnen en naar de tijdspanne tussen de referentieperiode en de beschikbaarheid van de gegevens.

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2002 moesten de gegevens voor het referentiejaar 2004 en de kwaliteitsverslagen uiterlijk op 30 juni 2006 worden ingediend. Eurostat heeft de resulterende informatie binnen twee maanden na de termijn geëvalueerd aan de hand van de volgende criteria:

- volledigheid van de gegevensverzamelingen;

- volledigheid van het kwaliteitsverslag;

- tijdigheid;

- juiste toepassing van definities en classificaties;

- toepassing van degelijke statistische methoden.

De lidstaten zijn op 23 augustus 2006 in kennis gesteld van de resultaten en zijn, wanneer de gegevens onvolledig waren of kwaliteitsverslagen ontbraken, verzocht de ontbrekende informatie zo spoedig mogelijk te verstrekken. Zo nodig zijn de gegevens met de na de eerste evaluatie ontvangen informatie in september 2006 opnieuw geëvalueerd; de re-evaluatiebladen zijn op 13 september 2006 verstuurd.

Rekening houdend met het feit dat 2006 het eerste rapporteringsjaar was, was de punctualiteit bevredigend. De meeste landen hebben de termijn gerespecteerd of hebben hem met slechts enkele dagen overschreden:

- 12 lidstaten hebben de termijn van 30 juni 2006 gerespecteerd (België, Cyprus, Duitsland, Estland, Finland, Hongarije, Letland, Oostenrijk, Polen, Slovenië, Tsjechië, Zweden);

- 6 lidstaten hebben de gegevens en/of de kwaliteitsverslagen te laat ingediend, maar vroeg genoeg om in aanmerking te komen voor de eerste evaluatieronde in augustus 2006 (Denemarken, Italië, Litouwen, Slowakije, Spanje, Verenigd Koninkrijk);

- 4 lidstaten hebben vóór augustus 2006 gegevens maar geen kwaliteitsverslag ingediend (Frankrijk, Luxemburg, Malta, Nederland); alle hebben het verslag kort daarna verstrekt;

- 3 lidstaten hebben wezenlijke delen van de gegevens niet vóór 22 september 2006 verstrekt (Griekenland, Ierland, Portugal) en hebben daarna een officiële brief ontvangen. De ontbrekende gegevens zijn door Griekenland in november 2006, door Ierland in juni 2007 en door Portugal in september 2007 ingediend.

Publicatie

De gegevens over afvalproductie zijn in december 2006 in de verspreidingsdatabank van Eurostat gepubliceerd; de gegevens over afvalbehandeling in januari 2007. De databank is sindsdien verscheidene keren met herziene gegevens of schattingen voor ontbrekende waarden bijgewerkt. De gegevensverzameling over de afvalbehandelingscapaciteit is nog niet gepubliceerd, omdat de structuur van deze gegevensverzameling door het aantal dimensies wordt gecompliceerd.

3. Volledigheid van de gegevens

De verstrekking van volledige gegevensverzamelingen is van cruciaal belang voor de productie van EU-aggregaten. De toerekening van ontbrekende gegevens is moeilijk en tijdrovend en heeft negatieve gevolgen voor de tijdigheid van de afvalstoffenstatistieken en de kwaliteit van de gegevens. De landen wordt daarom verzocht het aantal ontbrekende gegevens zoveel mogelijk te beperken, zo nodig door het indienen van schattingen.

Figuur 1 laat zien dat de lidstaten 88% van de gevraagde gegevens hebben ingediend; 12% van de gegevens ontbreekt. Uit de indeling van de ontbrekende gegevens naar lidstaat, economische sector en afvalcategorie blijkt dat het grootste gedeelte van de ontbrekende waarden betrekking heeft op drie gebieden.

Ongeveer een derde van de ontbrekende gegevens betreft afvalstoffen die worden geproduceerd in de landbouw, jacht en bosbouw (NACE A), de visserij (NACE B) en de dienstensector (NACE G-Q). Voor elf landen golden overeenkomstig artikel 4 van de verordening afwijkingsregelingen voor de rapportering over deze sectoren. Dit verklaart circa 70% van de ontbrekende gegevens uit deze drie sectoren; de resterende 30% betreft landen waarvoor geen afwijkingen golden. Sommige landen met een afwijkingsregeling hebben de gegevens toch (gedeeltelijk) verstrekt.

Circa 20% van de ontbrekende gegevens heeft betrekking op slib. De slibhoeveelheden moeten in nat en in droog gewicht worden gerapporteerd. De meeste landen waren echter alleen in staat gegevens in droog of in nat gewicht te verstrekken. Eurostat heeft een omrekeningsfactor voor nat/droog gewicht vastgesteld en hiermee de ontbrekende waarden toegerekend.

Op het ogenblik dat dit verslag werd opgesteld, had Portugal alleen gegevens over huishoudelijk afval verstrekt; gegevens over de afvalproductie in de economie ontbraken volledig. Om de EU-totalen te berekenen moest Eurostat de waarden toerekenen, hoewel de empirische basis daarvoor in het eerste jaar zwak is.

[pic]

Figuur 1: Volledigheid van de gegevens over afvalproductie naar lidstaat

De volledigheid van de verstrekte gegevens voor afvalbehandeling is nog belangrijker dan voor afvalproductie, aangezien het niet haalbaar is om de behandelde hoeveelheden naar type behandeling te imputeren. De behandelde hoeveelheden moeten op nationaal niveau en op NUTS 1-niveau worden gerapporteerd. De beschrijving in dit punt verwijst alleen naar het nationale niveau. Verscheidene landen hebben niet de volledige regionale indeling van de gegevens verstrekt; in dit eerste stadium van de indiening van gegevens heeft Eurostat voorrang gegeven aan de samenhang en de volledigheid van de gegevens op het nationale niveau.

Het aandeel van de ontbrekende gegevens over afvalbehandeling beloopt niet meer dan 2,6%. Het grootste gedeelte daarvan is toe te schrijven aan twee gebieden.

Verscheidene landen waren niet in staat om gegevens over slib in nat en in droog gewicht in te dienen, maar konden alleen één van de cijfers verstrekken. Meer dan de helft van de ontbrekende waarden houdt verband met de onvolledige rapportering van de gegevens over slib. De meeste van de resterende ontbrekende waarden hebben betrekking op minder vaak gebruikte verwijderingsmethoden: behandeling op of in de bodem (bijvoorbeeld afbraak door bacteriën van vloeibaar of slibachtig afval in bodems, enz.) en lozing in waterlichamen.

4. Nauwkeurigheid

Nauwkeurigheid gaat om de mate van overeenstemming tussen de geschatte of berekende waarde en de exacte of echte waarde, inclusief aspecten zoals steekproeffouten, gegevensdekking, toegepaste drempels, non-respons, aanpassingen, controles en correcties, vertrouwelijkheid, enz.

4.1 Gegevensdekking en dekkingsfouten

Het doel van de verordening is het produceren van statistieken over afvalstoffen overeenkomstig de definitie in artikel 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG, met uitzondering van radioactief afval.

Er moeten statistieken over afvalproductie voor alle economische sectoren en voor huishoudens worden opgesteld. De statistieken moeten ook het afval van kleine bedrijven (< 10 werknemers) bestrijken, hoewel dergelijke bedrijven zoveel mogelijk van enquêtes moeten worden vrijgesteld.

De statistieken over afvalbehandeling bestrijken alle afvalstoffen die binnen een land worden teruggewonnen of verwijderd, ongeacht de oorsprong ervan. Het onderliggende concept van de verordening is de verzameling van gegevens over de eindbestemming van de afvalstoffen; de statistieken hebben geen betrekking op de voorbehandeling.

Van de werkingssfeer van de verordening uitgesloten zijn alle afvalstoffen die direct worden gerecycled op het terrein waar zij zijn geproduceerd.

Onduidelijke definities

De afvalstoffenstatistieken maken deel uit van de Europese afvalstoffenwetgeving. Bijgevolg moeten de afvalstoffenstatistieken op de een of andere wijze bijdragen aan het verhelpen van de tekortkomingen op het gebied van wettelijke definities, met name het onderscheid tussen afval en niet-afval. Verschillende interpretaties van definities kunnen een aanzienlijk effect hebben op de gegevensdekking en de vergelijkbaarheid, wanneer het gaat om zeer grote afvalstromen. Een algemeen probleem waarvan in de kwaliteitsverslagen melding wordt gemaakt, is de wijze waarop houtafval, metaalafval en organisch afval van de levensmiddelenindustrie in de statistieken moet worden opgenomen.

De interpretatieve mededeling van de Commissie betreffende afvalstoffen en bijproducten (COM(2007) 59 definitief) biedt ter zake nuttig advies. De Commissie werkt ook aan de opstelling van criteria om uit te maken wanneer een stof niet langer een afvalstof is, die het onderscheid tussen afval en niet-afval verder moeten helpen verduidelijken.

Duidelijke classificaties en definities zijn met name nodig voor de bruikbaarheid van de gegevens bij de vaststelling van streefdoelen, zoals voor recycling.

In- en uitvoer

Dekkingsfouten in verband met afvalproductie komen vooral voor omdat in sommige landen de gegevens niet bij de afvalproducenten worden verzameld, maar indirect worden afgeleid van de afvalinzameling of de afvalbehandeling. Deze aanpak zorgt ervoor dat de last voor de respondenten laag wordt gehouden, maar vertoont enkele tekortkomingen. Eén daarvan is dat de directe uitvoer van afvalstoffen, d.w.z. uitvoer zonder een behandelingsfase in het land, niet door de statistieken wordt bestreken (bv. in Oostenrijk, Denemarken, Litouwen), tenzij andere gegevensbronnen worden gebruikt om de statistieken voor deze uitvoer te corrigeren. Dit zal in hoofdzaak van invloed zijn op de dekking van recyclebaar afval. De mogelijkheden voor de opstelling van statistieken over de in- en uitvoer van afvalstoffen zijn onderzocht in een afzonderlijk pilotstudieprogramma, dat in 2007 is afgelopen. Momenteel wordt gewerkt aan een verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad waarin de resultaten van het programma worden samengevat.

In sommige landen worden traditioneel alleen statistieken opgesteld over de behandeling van afvalstoffen die in het land worden geproduceerd (bv. Denemarken, Frankrijk, Nederland, België). Geen van deze landen heeft zijn aanpak aan de voorschriften van de verordening aangepast. Er kunnen afwijkingen van de voorgeschreven dekking gelden voor alle afvalcategorieën (bv. Denemarken, België) of alleen voor specifieke afvalstromen (bv. Frankrijk).

Secundair afval

In bijlage I bij de verordening wordt uitdrukkelijk verzocht om informatie over afval van terugwinnings- en/of verwijderingsactiviteiten, bekend als secundair afval. Secundair afval ontstaat vooral bij economische activiteiten die te maken hebben met afvalbeheer (NACE-sectoren 37, 51.57 en 90). Uit de gegevens en de kwaliteitsverslagen blijkt echter dat verscheidene landen hiermee geen rekening hebben gehouden, zeer waarschijnlijk omdat de gegevens voor nationale doeleinden op een andere wijze worden opgesteld.

Wegens de onvolledige dekking van secundair afval neigt de afvalproductie in de verschillende sectoren te worden onderschat; dit compliceert weer de interpretatie van de gegevens voor deze sectoren en voor de afvaltotalen.

Dekking van kleine bedrijven

De meeste lidstaten hebben kleine bedrijven vrijgesteld van de verzameling van gegevens over afvalproductie. Sommige landen hebben schattingen gemaakt van het afval dat door kleine bedrijven wordt geproduceerd; andere (bv. Frankrijk, Hongarije, Letland, Polen, Tsjechië, Slovenië) hebben dat niet gedaan wegens methodologische problemen of omdat de afvalhoeveelheden te gering werden geacht.

De daaruit voortvloeiende ontoereikende dekking van de geproduceerde hoeveelheden varieert afhankelijk van de drempel voor de gegevensverzameling en de economische structuur van het land, d.w.z. het aantal en de activiteiten van de bedrijven waarvoor geen gegevens zijn verzameld. Uit de informatie van verschillende landen blijkt dat het aandeel van het door kleine bedrijven geproduceerde afval aanzienlijk kan variëren. Verscheidene landen die geen schattingen hebben gemaakt, hebben er in hun kwaliteitsverslagen op gewezen dat zij bezig waren met de opstelling van schattingsmethoden en in staat zouden zijn om in de volgende rapporteringsronde schattingen te verstrekken.

4.2. Classificatie- en toewijzingsproblemen

Indeling naar economische sectoren

De verordening verzoekt de lidstaten hun gegevens naar 20 afvalproducerende activiteiten in te delen. Een correcte toewijzing is een voorwaarde voor:

- de vergelijkbaarheid van sectorspecifieke afvalhoeveelheden;

- de samenhang van de afvalstoffenstatistieken met de bedrijfsstatistieken.

De indeling naar economische activiteiten geschiedt op grond van de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (NACE Rev. 1.1). Er is een nieuwe statistische nomenclatuur van de economische activiteiten (NACE Rev. 2) goedgekeurd en de voorgeschreven indelingen in de verordening betreffende afvalstoffenstatistieken zijn dienovereenkomstig aangepast. NACE Rev. 2 zal vanaf het referentiejaar 2008 worden gebruikt; er is een omzetting van de gegevens voor 2004 en 2006 van NACE Rev. 1. 1 naar NACE Rev. 2 gepland. De herziening van de NACE heeft geen invloed op de hieronder besproken classificatieproblemen.

De wijze waarop afvalstoffen aan de afvalproducerende sector worden toegewezen, hangt af van de voor de gegevensverzameling toegepaste methoden. Ongeveer twee derde van de lidstaten verzamelt de meeste gegevens over afvalproductie direct bij de afvalproducenten, hetzij door enquêtes, hetzij aan de hand van administratieve documenten. Deze aanpak verstrekt directe informatie over de afvalbron. De meeste van deze landen gebruiken hun statistisch ondernemingsregister voor de bepaling van de NACE-code van de afvalproducent; dit zorgt voor de nodige samenhang met de bedrijfsstatistieken.

Er bestaat een significant risico voor een verkeerde toewijzing van de afvalstoffen in landen waar de gegevens over afvalproductie indirect worden afgeleid van de gegevens over afvalbehandeling. Dat zijn Denemarken, Duitsland, Litouwen, Oostenrijk en Malta. In dit geval is de informatie over de afvalproducerende activiteit slechts bekend uit secundaire bronnen (bv. afvalinzamelingsbedrijven, afvalbehandelingsbedrijven) of moet zij met andere middelen worden afgeleid (bv. aan de hand van modellen of door gebruikmaking van de Europese lijst van afvalstoffen[8], die informatie over de oorsprong van de afvalstoffen bevat). Al deze methoden hebben duidelijke beperkingen.

Huishoudelijk afval

Het onderscheid tussen door economische activiteiten geproduceerd afval en huishoudelijk afval in de verordening vervangt het traditionele begrip "gemeentelijk afval".

De productie van nauwkeurige statistieken voor huishoudelijk afval vormt een methodologische uitdaging, aangezien huishoudelijk afval gewoonlijk tezamen met afval van winkels, kleine bedrijven en instellingen wordt ingezameld. Veel landen hebben geen directe informatie over het aandeel van het huishoudelijke afval in de afvalstroom; die landen moesten daarom het aandeel van het huishoudelijke afval door andere methoden bepalen.

Twaalf landen hebben het nieuwe begrip toegepast en hebben afzonderlijke cijfers voor huishoudelijk afval gerapporteerd. Hun methoden variëren van doelgerichte enquêtes (afvalanalyses) tot ruwe schattingen van afvalbeheersbedrijven of stortplaatsexploitanten. Negen landen hebben het nieuwe begrip niet toegepast. De kwaliteitsverslagen van vier landen bevatten geen informatie over deze kwestie. Als gevolg daarvan is de vergelijkbaarheid van de gegevens over huishoudelijk afval thans beperkt tot de landen die aan de voorschriften van de verordening voldoen. Er wordt verwacht dat de situatie met de indiening van de gegevens voor 2006 zal verbeteren, aangezien verscheidene landen bezig zijn met de ontwikkeling van passende methoden.

4.3. Meetfouten

Meetfouten kunnen het gevolg zijn van het gebruik van onnauwkeurige omrekeningsfactoren. Niet met weegbruggen uitgeruste stortplaatsen vormen nog een veel voorkomend probleem. In dat geval zijn de gerapporteerde cijfers gewoonlijk op het volume van de vuilniswagens gebaseerd en worden zij omgerekend door middel van de gemiddelde afvaldichtheid. Uit de in Polen en Litouwen opgedane ervaringen blijkt dat bij deze aanpak de afvalhoeveelheden eerder over- dan onderschat worden. De meetfouten zijn waarschijnlijk het grootst voor gemeentelijk afval en ander op stortplaatsen gestort niet-gevaarlijk afval. Om financiële redenen is de kans groter dat gevaarlijk afval en recyclebaar afval worden gewogen. De kwaliteit van de gegevens in dit verband zal gestaag verbeteren, naarmate oude stortplaatsen worden gesloten en nieuwe stortplaatsen overeenkomstig de EU-verordeningen worden gebouwd.

5. Last voor de bedrijven

De last voor de respondenten verwijst naar de last die door de verstrekking van de gegevens op de bedrijven komt te rusten en wordt gemeten als het feitelijke aantal respondenten en hun last in fysieke termen (voor de respons vereiste tijd).

De verordening betreffende afvalstoffenstatistieken verzoekt de lidstaten om de last te verminderen door toegang te bieden tot administratieve gegevens en kleine bedrijven met minder dan tien werknemers van enquêtes uit te sluiten, tenzij zij aanzienlijk tot de afvalproductie bijdragen.

De meeste lidstaten meten echter de last niet in fysieke termen en zijn daarom niet in staat om hierover te rapporteren. Vijf lidstaten rapporteren een last tussen 30 minuten en vijf uur per respondent. De meeste lidstaten zijn zich echter bewust van de werkbelasting voor de bedrijven en passen verschillende methoden toe om de last te verminderen en de gegevens op doelmatige wijze te verzamelen.

De bedrijven worden het meest geholpen als dubbele rapportering voor administratieve en statistische doeleinden wordt vermeden door gebruik te maken van administratieve gegevens en/of door de afvalstoffenenquêtes goed te coördineren tussen de betrokken instellingen (bureaus voor de statistiek, ministeries van Milieubeheer, milieu-agentschappen). Voor 14 lidstaten vormen administratieve gegevens de belangrijkste basis voor afvalstoffenstatistieken. Andere landen gebruiken administratieve gegevens als één van vele gegevensbronnen.

Het verzoek in de verordening om kleine bedrijven vrij te stellen van enquêtes wordt op verschillende wijzen gehanteerd. Sommige landen bestrijken kleine bedrijven door steekproefenquêtes en extrapoleren de resultaten (België; Estland voor sommige sectoren; Griekenland). De meeste landen sluiten hen echter volledig uit, waarbij de cijfers hetzij buiten beschouwing worden gelaten (zie punt 4.3), hetzij door factorgebaseerde schattingsmodellen worden geëxtrapoleerd. De landen hebben verschillende uitsluitingsdrempels vastgesteld, die meestal zijn bepaald aan de hand van het aantal werknemers of de hoeveelheid per jaar geproduceerd afval. Sommige landen combineren de twee criteria om er zeker van te zijn dat ook kleine bedrijven door de gegevensverzameling worden gedekt wanneer zij de vastgestelde afvalproductiedrempel overschrijden.

6. Conclusies

De analyse van de gegevens van de eerste rapporteringsronde is nog niet afgesloten, maar de vooruitgang die wij hebben geboekt bij de totstandbrenging van volledigere en meer geharmoniseerde Europese afvalstoffenstatistieken is reeds duidelijk.

Wij willen het positieve effect onderstrepen van de verplichting tot documentering van de methoden en tot beoordeling van de kwaliteit van de gegevens in de kwaliteitsverslagen. De problemen en de tekortkomingen zijn zichtbaarder geworden en laten zien waar verbetering nodig is. Bovendien bevordert de verordening de samenhang tussen de afvalstoffenstatistieken en andere statistische gebieden door de strikte naleving van de NACE-classificatie van economische activiteiten en het gebruik van statistische eenheden, zoals toegepast in de bedrijfsstatistieken, voor te schrijven. Aldus vergroot zij de mogelijkheid tot integratie van de afvalstoffenstatistieken in het Europees systeem voor een geïntegreerde milieu-economische boekhouding

6.1. Ontwikkeling in de lidstaten

Op nationaal niveau heeft het bindende karakter van de verordening de status van de afvalstoffenstatistieken binnen de statistische systemen duidelijk versterkt. De door de verordening opgelegde verplichtingen hebben geleid tot methodologische ontwikkelingen en tot veranderingen in de nationale gegevensverzamelingssystemen.

In het licht van de in de eerste rapporteringsronde opgedane ervaring hebben verscheidene landen aangekondigd dat zij voornemens waren de kwaliteit van hun gegevens te verbeteren en de voorschriften van de verordening beter na te leven. Wanneer dergelijke veranderingen nieuwe wetgeving vereisen, is het mogelijk dat de maatregelen pas voor het referentiejaar 2008 van kracht worden.

De verordening lijkt te hebben bijgedragen tot de versterking van de algemene trend in de lidstaten om overbodige rapportering te vermijden door de bevordering van de samenwerking tussen de instellingen die gegevens verzamelen en door de stroomlijning van de rapporteringsverplichtingen. Het duale gebruik van gegevens voor administratieve en voor statistische doeleinden vindt meer en meer ingang en heeft tot doel een grotere samenhang tussen de gegevens tot stand te brengen en de last voor de respondenten te verminderen.

6.2. Noodzaak van de herziening van de verordening

Hoewel de uitkomst van de eerste rapporteringsronde heeft bevestigd dat de algemene aanpak goed is, moeten enkele tekortkomingen op het gebied van de begrippen opnieuw worden bekeken.

Indeling naar afvalcategorieën

In bijlage I en bijlage II (sectie 2) schrijft de verordening voor dat de hoeveelheden geproduceerd en behandeld afval voor elke gegevensverzameling op verschillende wijze naar afvalcategorieën moeten worden ingedeeld (zie tabel 1). De bedoeling hiervan was om het vereiste detailleringsniveau en aldus de last voor de lidstaten zoveel mogelijk te beperken.

Uit de in de eerste rapporteringsronde opgedane ervaring blijkt duidelijk dat de nadelen van deze benadering talrijk en de voordelen ervan gering zijn; voor de lidstaten heeft zij evenmin tot een waarneembare lastenverlichting geleid. De meeste lidstaten verzamelen de informatie op een veel meer gedetailleerd niveau en beperken de uitsplitsingen wanneer zij de gegevens gereedmaken voor toezending naar Eurostat.

De belangrijkste negatieve aspecten zijn:

- het is niet mogelijk om balansen voor afzonderlijke afvalcategorieën op te maken; dit hindert in sterke mate de validatie en de interpretatie van de gegevens;

- het detailleringsniveau voor de afvalbehandelingsgegevens is te laag; belangrijke afvalstromen worden ondergebracht in niet-specifieke afvalcategorieën ("andere afvalstoffen");

- de presentatie en communicatie van de resultaten is zeer gecompliceerd;

- de verschillende formaten maken het moeilijk om de gegevens te hanteren en te verwerken.

De huidige opzet moet worden vervangen door een gemeenschappelijke indeling van de gegevens voor zowel afvalproductie als afvalbehandeling. De meer gedetailleerde indeling naar afvalcategorieën in sectie 2 van bijlage I moet als basis voor discussie wordt gebruikt.

Regionale indeling van de gegevens over de afvalbehandelingsinfrastructuur

De verordening schrijft voor dat de lidstaten gegevens moeten verstrekken over het aantal en de capaciteit van de terugwinnings- en verwijderingsinrichtingen op NUTS 2-niveau (bijlage II, sectie 3). Deze gedetailleerde regionale indeling zorgt voor een aanzienlijke werkbelasting voor zowel Eurostat als de lidstaten. Het aandeel vertrouwelijke gegevens neemt met het regionale detailleringsniveau aanzienlijk toe, waardoor het nut ervan wordt beperkt. De relevantie van deze gedetailleerde informatie moet opnieuw worden bekeken.

Indeling naar afvalbehandelingstypes

In sectie 8, punt 2, worden in verband met de rapportering over afvalbehandeling alle (10) terugwinningsactiviteiten, met uitzondering van energieterugwinning, ondergebracht in één rapporteringscategorie. Verder omvatten de vereiste gegevens over de afvalterugwinningscapaciteit behandelingsactiviteiten zoals compostering, recycling van metalen en herraffinage van olie. In deze gevallen lijkt het detailleringsniveau ontoereikend: informatie over bepaalde recyclingactiviteiten zou wenselijk zijn voor de monitoring van het afvalbeleid. Er bestaat met name een groeiende behoefte aan gegevens die kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van benchmarks om na te gaan of bepaalde doelstellingen zijn behaald. In sommige gevallen kunnen deze doelstellingen wettelijk verplicht zijn. Dit onderstreept de behoefte aan consistente gegevens in alle lidstaten, waarvoor wellicht een verdere verfijning van de definities en classificaties vereist is.

Ten slotte worden de verwijderingsactiviteiten (8 behandelingstypes) ingedeeld in twee rapporteringscategorieën, waarvan één in de lidstaten zo goed als ongebruikt blijft.

7. Vooruitzichten

Op grond van de eerste ervaringen en ter bevordering van de bruikbaarheid en de kwaliteit van de gegevens zal de Commissie, rekening houdend met de extra kosten voor de ondernemingen en de overheidsinstanties, voorstellen de verordening voor de verzameling van de gegevens voor het referentiejaar 2008 te wijzigen en daarbij:

- de indeling naar afvalcategorieën voor de afvalproductie en die voor afvalbehandeling gelijk te trekken door de onderlinge aanpassing van de secties 2 van bijlage I en bijlage II;

- de regionale indelingen in bijlage II te herzien;

- de indeling naar afvalbehandelingscategorieën in bijlage II, met name afvalterugwinning en afvalverwijdering, te herzien.

[1] PB L 332 van 9.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

[2] PB L 90 van 27.3.2004, blz. 15.

[3] PB L 131 van 25.5.2005, blz. 38.

[4] PB L 131 van 25.5.2005, blz. 26.

[5] PB L 229 van 6.9.2005, blz. 6.

[6] http://circa.europa.eu/Public/irc/dsis/pip/library?l=/wastesstatisticssregulat/manual_statistics

[7] Eurostat-website over kwaliteit: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/portal/page?_pageid=2273,1,2273_47140765&_dad=portal&_schema=PORTAL

[8] Beschikking 2000/532/EG wat betreft de lijst van afvalstoffen, PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3.