25.8.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 200/18


Advies van het Comité van de Regio's plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren

(2009/C 200/05)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

is ingenomen met het Commissiedocument; uit de titel ervan blijkt immers al dadelijk erkenning voor de rol van decentrale overheden in de internationale ontwikkelingssamenwerking;

stelt tot zijn tevredenheid vast dat de Commissie de meeste elementen uit zijn adviezen van 2005, 2007 en 2008 over hetzelfde thema heeft overgenomen;

onderstreept de specifieke inbreng van de lokale en regionale overheden, maar vindt wel dat acties op het vlak van ontwikkelingssamenwerking op alle niveaus moeten worden geharmoniseerd en zou graag zien dat de decentrale overheden van de ontwikkelingslanden nauwer bij het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid worden betrokken;

is verheugd over het voorstel om de gestructureerde dialoog met de decentrale overheden over het ontwikkelingsbeleid te doen plaatsvinden onder auspiciën van het CvdR; dit voorstel strookt volledig met de rol die het CvdR in de Verdragen heeft toebedeeld gekregen;

verbindt zich ertoe om samen met de Commissie jaarlijkse bijeenkomsten op te zetten waaraan door „alle actoren in dit samenwerkingssysteem” wordt deelgenomen. Zij zouden vlak na een CvdR-zitting moeten worden gehouden en de eerste zou nog in 2009 moeten plaatsvinden;

wil in partnerschap met de Commissie concreet invulling geven aan een „beurs” voor decentrale samenwerking in de vorm van een internetportaal, dat zou kunnen worden gezien als een virtuele voortzetting van de jaarlijkse bijeenkomsten over decentrale samenwerking;

beveelt aan dat er documenten worden opgesteld die rekening houden met de behoefte van decentrale overheden aan informatie over het ontwikkelingsbeleid van de EU;

wijst erop dat de vraag „Wie doet wat en waar?” absoluut moet worden beantwoord om dubbel werk te voorkomen, en dat maatregelen ter zake genomen moeten worden op basis van de beschikbare gegevens.

Rapporteur

:

Christophe Rouillon (FR/PSE), burgemeester van Coulaines

Referentiedocument

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Plaatselijke overheden als ontwikkelingsactoren

COM(2008) 626 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

A.   Algemene opmerkingen

1.

Het Comité van de Regio's (CvdR) is ingenomen met deze Commissiemededeling; uit de titel blijkt immers al dadelijk erkenning voor de rol van de lokale en regionale overheden in de internationale ontwikkelingssamenwerking.

2.

Het CvdR kan zich vinden in de aanpak van de Commissie, die uitgaat van de vaststelling dat de rol van de decentrale overheden erkenning verdient en zich daarnaast buigt over de vraag hoe het Europees ontwikkelingsbeleid en de acties van decentrale overheden geleidelijk aan nauwer op elkaar kunnen worden afgestemd. Ten slotte geeft zij aan welke stappen kunnen worden genomen om de rol van de lokale en regionale overheden in het ontwikkelingsbeleid ook in de praktijk erkenning te doen vinden.

3.

Na het verschijnen van de Commissiemededeling vond van 15 tot 17 november 2008 in Straatsburg de derde editie van de Europese Ontwikkelingsdagen plaats, die — tegen de achtergrond van de internationale economische crisis — in het teken stonden van de lokale aspecten van ontwikkeling. De organisatoren maakten van de gelegenheid gebruik om de waarde van het optreden van de lokale en regionale overheden vanuit verschillende invalshoeken bij een ruim publiek te onderstrepen. Zo werd het Handvest inzake ontwikkelingssamenwerking ter ondersteuning van plaatselijke governance (zie het begeleidend document bij de Commissiemededeling) officieel gepresenteerd en verspreid; het ontwikkelingsplatform van de lokale en regionale overheden zag officieel het licht (daarmee is voldaan aan een aanbeveling van het CvdR die al terug te vinden is in een advies van november 2005); en het belang van decentrale ontwikkelingssamenwerking en jumelages werd beklemtoond tijdens een ceremonie in aanwezigheid van de commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulpverlening en de CvdR-voorzitter.

4.

Positief is dat de Commissie niet alleen ingaat op de specifieke bijdrage van lokale en regionale overheden aan ontwikkeling en lokaal bestuur, maar ook — en dat is nieuw — concrete voorbeelden aanhaalt om de waarde en veelzijdigheid van het optreden van die overheden aan te tonen.

5.

Het CvdR stelt tot zijn tevredenheid vast dat de elementen die het heeft aangedragen in adviezen van 2005, 2007 en 2008 over lokale en regionale overheden en ontwikkelingssamenwerking, voor het grootste gedeelte door de Commissie zijn overgenomen.

6.

Het heeft geen zin hier nogmaals alle aspecten van decentrale samenwerking uitgebreid onder de loep te nemen. Wel wil het CvdR nog eens twee onderscheidende kenmerken van deze vorm van samenwerking in herinnering brengen, te weten de juridische grondslag die van lidstaat tot lidstaat sterk kan verschillen en de grote meerwaarde ervan voor de ontwikkeling wereldwijd. De kracht van decentrale ontwikkelingssamenwerking ligt in de aanwezigheid van lokale verkozenen op het terrein, die goed op de hoogte zijn van de behoeften van de bevolking waarvoor de hulp bestemd is. Dankzij hun ruime ervaring zijn het oordeel en de expertise van de lokale en regionale overheden die zich bezighouden met decentrale ontwikkelingssamenwerking van grote waarde in de strijd tegen armoede en het streven naar de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (1).

7.

Lokale en regionale overheden kunnen een hoofdrol spelen in de internationale samenwerking en zo aanzetten tot democratisch bestuur op lokaal niveau. Het CvdR stelt dan ook tot zijn tevredenheid vast dat de Commissiemededeling vergezeld gaat van een begeleidend document (het in punt 3 vermelde Handvest inzake ontwikkelingssamenwerking ter ondersteuning van plaatselijke governance), waarin de beginselen en hoofdlijnen van de samenwerking worden afgebakend. Het roept op tot een wijdere verspreiding van deze tekst, die tot stand is gekomen na overleg met de lidstaten en de partners uit de ontwikkelingslanden en waarin m.n. wordt beklemtoond dat de verschillende lokale actoren nauwer moeten samenwerken en dat de verschillende actieniveaus (het lokale, nationale en internationale niveau) beter op elkaar moeten worden afgestemd.

8.

Behalve democratisch bestuur, dat participatie van de bevolking aanmoedigt, is er nog een andere krachtige hefboom voor lokale ontwikkeling, nl. samenwerking met de decentrale overheden, waardoor een hele waaier van sectoren en particuliere en openbare actoren wordt ingezet. De bijdrage van de decentrale overheden kan een stimulans vormen voor de organisatie van de productie, handel en milieu- en mensvriendelijke economische activiteiten. Dit aspect is m.n. van belang voor achtergebleven plattelandsgebieden, omdat het een wapen is in de strijd tegen armoede én tegen fenomenen als plattelandsvlucht en clandestiene emigratie.

9.

Het CvdR verheugt zich erover dat de Commissie in haar Mededeling vermeldt dat de lokale en regionale overheden helpen de burger bewust te maken van de problematiek van ontwikkeling en de bestrijding van de armoede in de wereld. Het wijst er in dat verband op dat de impact van die pogingen tot bewustwording ongetwijfeld nog veel groter zal zijn als de Europese decentrale overheden samenwerken met hun tegenhangers in de ontwikkelingslanden. Bewustmaking is een van de terreinen bij uitstek waarop partnerschappen tussen allerhande verenigingen en organisaties die zich bezighouden met ontwikkeling duidelijk hun nut hebben bewezen: dit soort maatregelen staat of valt immers met de ondersteuning van lokale verenigingen van bewuste burgers. Door het grote publiek erop te wijzen dat het niet langer de ogen mag sluiten voor de ontwikkelingsproblematiek dragen lokale en regionale overheden er overigens ook toe bij dat de immigrantenbevolking zich vlotter integreert. Solidariteitsacties en het streven naar een eerlijkere verdeling bieden immigranten de kans hun eigen cultuur te herontdekken, zodat zij niet langer het gevoel hebben ontworteld te zijn.

B.   Specifieke opmerkingen

10.

Het CvdR wil hieronder een aantal aspecten belichten die cruciaal zijn voor een betere afbakening van de rol van lokale en regionale overheden in het Europees ontwikkelingsbeleid.

11.

Het plaatst vraagtekens bij de definitie die de Commissie geeft van gedecentraliseerde samenwerking (zie het kader op blz. 3 van de Mededeling). Vroeger beschouwde de Commissie gedecentraliseerde samenwerking immers als samenwerking op infranationaal niveau; de vraag uit welke sector de diverse betrokkenen afkomstig waren deed daarbij niet ter zake. Voor het CvdR is er sprake van decentrale samenwerking als decentrale overheden daarbij stricto sensu betrokken zijn.

12.

De Commissie zou moeten erkennen dat decentrale samenwerking ook bij de bescherming en verbetering van het milieu een essentiële rol speelt. Bovendien is het op lokaal niveau zo dat decentrale samenwerking een antwoord biedt op de huidige wereldwijde zorgen over de gevaren van de klimaatverandering en kan helpen om de burgers hiervan bewuster te maken.

13.

De financiële bijdrage van lokale en regionale overheden aan ontwikkelingssamenwerking mag het belang van de kwaliteit van hun acties niet uitvlakken. De toegevoegde waarde van hun inspanningen ligt op de eerste plaats in het feit dat het lokale optreden het resultaat is van vrijwillige partnerschappen, en niet van door de staat opgelegde verbintenissen. Denken we maar aan kleinschalige overheden met beperkte middelen, die er toch in slagen relevante projecten met voelbare impact op te zetten.

14.

Op lokaal niveau komt de algemene strategie van solidariteit tussen de rijke en de arme regio's van onze planeet tot uiting in ontwikkelingsacties van lokale en regionale overheden. Die samenwerking tussen decentrale overheden, die verschillende vormen kan aannemen, wordt overigens ook toegejuicht in de conclusies die de Raad van ministers van de EU op 10 november 2008 over de Commissiemededeling die heeft aangenomen.

15.

Acties op het vlak van ontwikkelingssamenwerking moeten op alle niveaus worden geharmoniseerd. De Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp is daarbij van doorslaggevend belang. Via haar delegaties in de ontvangende landen zou de Commissie er tijdens een eerste fase dan ook voor moeten ijveren de betrokken overheden bij elkaar te brengen, zonder het subsidiariteitsbeginsel met voeten te treden en rekening houdend met hun bevoegdheden.

16.

„Eigen inbreng” (ownership) (2) bij de uitwerking van ontwikkelingsbeleid en -strategieën wordt in de Verklaring van Parijs bestempeld als een van de sleutels tot beter bestuur. Het CvdR wil extra de nadruk leggen op dit beginsel en wijst erop dat decentrale samenwerking, juist omdat zij berust op nabijheid, een bijzondere rol kan spelen bij de toepassing hiervan. De lokale en regionale overheden van de ontwikkelingslanden moeten dan ook nauwer worden betrokken bij het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid.

II.   PRAKTISCHE ASPECTEN

17.

Het CvdR heeft met grote belangstelling kennisgenomen van de voorstellen van de Commissie om de rol van de lokale en regionale overheden als ontwikkelingsactoren ook in de praktijk te doen erkennen en plaatst hierbij de volgende kanttekeningen.

De organisatie van een gestructureerde dialoog

18.

Het CvdR is heel in het bijzonder ingenomen met het voorstel van de Commissie om samen met de decentrale overheden een gestructureerde dialoog op te zetten over het ontwikkelingsbeleid. De onaflatende inspanningen die deze overheden de laatste jaren hebben geleverd om door de „verschillende internationale, bilaterale en multilaterale donorgroepen” te worden erkend als volwaardige gesprekspartner, worden hiermee immers beloond.

19.

Het voorstel van de Commissie om deze dialoog te doen plaatsvinden onder auspiciën van het CvdR kan vanzelfsprekend op een warm onthaal rekenen. Het strookt dan ook volledig met de rol die het CvdR in de Verdragen krijgt toebedeeld, nl. het verwoorden van de standpunten van de Europese lokale en regionale overheden.

20.

Het CvdR verbindt zich ertoe om in het kader van de gestructureerde dialoog samen met de Commissie jaarlijkse bijeenkomsten op te zetten, waaraan wordt deelgenomen door „alle actoren in dit samenwerkingssysteem” op Europees niveau. Dit houdt in dat naast andere deelnemers vanzelfsprekend ook de Commissie aanwezig dient te zijn; zij zou zich kunnen laten vertegenwoordigen door de betrokken directoraten-generaal én door een aantal delegaties. Deze laatste zijn immers op nationaal niveau verantwoordelijk voor de Europese ontwikkelingssamenwerking. Voorts zouden behalve het CvdR ook lokale en regionale overheden uit de EU en de ontwikkelingslanden, inclusief hun verenigingen, aan de bijeenkomsten deelnemen. Het CvdR zal de nodige middelen vrijmaken maar verzoekt de Commissie hier nogmaals om bijkomende financiële steun. Om het de CvdR-leden mogelijk te maken ten volle deel te nemen aan de debatten, dringt het CvdR erop aan dat de jaarlijkse bijeenkomsten plaatsvinden vlak na een CvdR-zitting. De eerste bijeenkomst zou nog voor eind 2009 moeten worden gehouden.

Instrumenten voor een op overleg gebaseerde aanpak

21.

Het CvdR is ingenomen met het plan van de Commissie om „operationele richtsnoeren” uit te werken, maar vraagt zich wel af of deze bedoeld zijn voor haar delegaties in de betrokken landen — zodat hun betrekkingen met de lokale en regionale overheden in betere banen kunnen worden geleid — of voor de lokale en regionale overheden zelf. Hoe dan ook verwelkomt het CvdR ieder document waarmee de rol van de verschillende actoren wordt verduidelijkt, al was het alleen maar om hun acties beter op elkaar af te stemmen.

22.

Zijn bovengenoemde richtsnoeren bedoeld voor de lokale en regionale overheden, dan moet daarin rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van decentrale samenwerking en met de beproefde ervaringen van de plaatselijke overheden. Het CvdR vindt niet zozeer dat de plaatselijke overheden bij de hand moeten worden genomen; het gaat er veeleer om dat wordt ingespeeld op hun behoefte aan informatie en dat zij inzicht krijgen in de doelstellingen, logica en mechanismen — om niet te spreken van het jargon — van het ontwikkelingsbeleid van de EU, dat dermate ingewikkeld is dat het nog te vaak een zaak is van specialisten.

23.

Daarom bepleit het CvdR dat documenten worden opgesteld op basis van overleg tussen de Commissie en de lokale en regionale overheden. Belangrijk is dat dergelijke documenten op uitgebreide schaal bruikbaar zijn. Daartoe moet er in klare taal gepaste inhoud aan worden gegeven en dienen zij daadwerkelijk voort te vloeien uit de gestructureerde dialoog die binnen het CvdR zou moeten plaatsvinden. Zo kunnen decentrale overheden — vooral zij die maar over beperkte personele middelen voor de samenwerking beschikken — zich beter positioneren in de internationale omgeving van het Europese ontwikkelingsbeleid.

Decentrale samenwerking: om welke actoren en activiteiten gaat het?

24.

Reeds in zijn eerste advies ter zake achtte het CvdR het van prioritair belang vast te stellen om welke actoren het bij decentrale samenwerking gaat. De vraag „Wie doet wat en waar?” moet absoluut worden beantwoord om te kunnen beoordelen wat deze vorm van samenwerking kan opleveren, maar ook om het optreden van decentrale overheden uit de EU die in dezelfde regio actief zijn nader tot elkaar te brengen of om hun werk — in het streven naar complementariteit — te verdelen, al naar gelang de duidelijke belangen van de plaatselijke overheden voor wie de hulp is bedoeld.

25.

Terecht bepleit de Raad in zijn conclusies van 10 november 2008 over de Commissiemededeling dat de Commissie op dit gebied maatregelen neemt „op basis van de beschikbare gegevens”. Er is namelijk al wel aan een zekere mate van informatievergaring gedaan, zowel door bepaalde lidstaten als door de in Barcelona opgerichte Waarnemingspost, die zich onder meer bezighoudt met het in kaart brengen van de betrekkingen tussen lokale en regionale overheden uit de EU en Latijns-Amerika.

Totstandbrenging van nieuwe partnerschappen

26.

Er moet dringend inzicht worden gekregen in de reeds bestaande betrekkingen op het vlak van decentrale samenwerking, wil men werk maken van meer informatie-uitwisseling en nieuwe partnerschappen die beantwoorden aan de behoeften van decentrale overheden uit ontwikkelingslanden die door de alsmaar toenemende beleidsdecentralisatie met nieuwe verantwoordelijkheden te maken krijgen. Zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat er verwarring en versnippering ontstaat als gevolg van de oprichting van nieuwe partnerschappen die geen rekening houden met wat er al bestaat en die niet resulteren in een beter gecoördineerd beleid, maar in dubbel werk. Dit laatste wil men juist vermijden.

27.

In deze nieuwe partnerschappen zou de nadruk veeleer op kwaliteit moeten liggen. Gelukkig is er steun gekomen voor het in een eerder CvdR-advies geformuleerde voorstel om een instrument ter bevordering van informatie-uitwisseling in het leven te roepen, dat in de Mededeling de „beurs” van decentrale samenwerking wordt genoemd en dat als werktuig zou moeten fungeren voor een permanente dialoog met en tussen de lokale en regionale overheden van alle regio's in de wereld die op het vlak van decentrale samenwerking actief zijn. Graag wil het CvdR deze „beurs” in partnerschap met de Commissie concreet gestalte geven in de vorm van een internetportaal, dat min of meer zou kunnen worden gezien als een virtuele voortzetting van de jaarlijkse bijeenkomsten over decentrale samenwerking. Om doublures te voorkomen zal het CvdR bij het werken aan de „beurs” oog hebben voor al bestaande initiatieven.

Versterking van bestaande banden tussen decentrale overheden

28.

Het CvdR beseft dat het bij betrekkingen tussen decentrale overheden uit de EU en de ontwikkelingslanden niet altijd gaat om activiteiten op het gebied van decentrale samenwerking waarbij de overheid van het partnerland wordt geholpen om ontwikkeling structureel in goede banen te leiden.

29.

Het onderschrijft dat vriendschappelijke betrekkingen kunnen uitgroeien tot substantiëlere activiteiten als alle lokale overheden meer inzicht hebben in de mogelijkheden die decentrale samenwerking biedt. Als instelling die alle Europese decentrale overheden vertegenwoordigt, meent het CvdR een centrale rol te kunnen spelen en te kunnen stimuleren dat lokale en regionale overheden meer betrokken worden bij het ontwikkelingsbeleid via activiteiten die daadwerkelijk in het teken staan van decentrale samenwerking. Al naar gelang de behoeften van de lokale of regionale partneroverheid kan het hierbij ook gaan om technische uitwisselingen van korte duur.

30.

Het CvdR heeft in zijn allereerste advies over decentrale samenwerking al opgemerkt dat vertegenwoordigende instanties of nationale verenigingen van lokale en regionale overheden van de partnerlanden een fundamentele rol spelen. Zij zorgen er niet alleen voor dat banden worden geschapen en informatie wordt uitgewisseld tussen lokaal gekozen afgevaardigden die met vergelijkbare problemen geconfronteerd worden, maar kunnen ook een dialoog op gang brengen met de centrale regeringen om strategische prioriteiten vast te stellen waarbij terdege rekening wordt gehouden met de subnationale ontwikkelingsniveaus.

31.

Daarom vindt het CvdR dat het ontstaan en de structurering van deze organisaties moet worden aangemoedigd, o.m. door de vorming van regionale groeperingen te bevorderen. Het dringt erop aan dat hier meer werk van wordt gemaakt, met steun van de tegenhangers uit Europese landen of van de EU.

Aanvullende opmerking

32.

Het is zaak om zorgvuldig te letten op de samenhang tussen de in het document geformuleerde beginselen en de maatregelenprogramma's van de Europese Unie, waar ook ter wereld en welk Europees samenwerkingsinstrument er ook wordt gebruikt. Er zij bijv. gewezen op het volgende:

nagegaan moet worden hoe begrotingssteunregelingen (de meeste bijdragen van de EU en de lidstaten vinden thans in dit kader plaats) zich verhouden tot de bedragen die door regeringen aan lokale overheden worden toegewezen en tot de bevoegdheden die deze hebben gekregen uit hoofde van decentraliseringsregelingen die in tal van ondersteunde landen zijn goedgekeurd;

in het handvest voor governance wordt op verschillende manieren onderstreept (en dit wordt trouwens ook in o.m. OESO- en Wereldbank-studies bevestigd) dat decentralisering pas kans van slagen heeft als zij berust op een goede wisselwerking tussen alle bestuursniveaus. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een levensvatbare en doeltreffende centrale overheid. Bij de tussentijdse beoordeling van het thematische programma „Niet-overheidsactoren en plaatselijke overheden in het ontwikkelingsproces”, dat in 2009 ten uitvoer moet worden gelegd, zou daarom gekeken moeten worden naar het nut van steun aan plaatselijke overheden in landen met difficult environments, zoals het in het programma heet;

wat de beschikbare financiële middelen betreft, is het thematische programma slechts het topje van de ijsberg. Het CvdR zou graag zien dat de betrokken actoren uit zowel de Europese als de ontwikkelingslanden nauwkeurig werden geïnformeerd over de manier waarop plaatselijke overheden daadwerkelijk betrokken worden bij de uitvoering van samenwerkingsakkoorden, zodat er desgewenst verbeteringen in kunnen worden aangebracht. Er is zeker behoefte aan kennis en verspreiding van goede praktijken op dit gebied.

33.

Over het algemeen vindt het CvdR dat er met het Commissiedocument belangrijke vooruitgang wordt geboekt. Het wijst op de positieve houding ten opzichte van activiteiten op het vlak van decentrale samenwerking die door lokale en regionale overheden worden ontplooid. Het CvdR vindt absoluut dat constructief overleg tussen alle betrokkenen permanent nodig is om de inzet van plaatselijke overheden uit Europese en ontwikkelingslanden voor ontwikkelingsamenwerking op passende wijze te ondersteunen. Het CvdR zou dan ook graag volwaardig de rol willen spelen die hem toekomt als Europese instelling die de plaatselijke Europese overheden op alle decentrale niveaus vertegenwoordigt.

Brussel, 22 april 2009

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Luc VAN DEN BRANDE


(1)  Vijf jaar na de goedkeuring van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (streefdatum 2015), wordt er in het rapport van de secretaris-generaal van de VN (A/59/2005) op gewezen dat meer dan 1 miljard mensen nog steeds onder de armoededrempel leven en met minder dan 1 dollar per dag moeten zien te overleven. Zie voor het volledige rapport http://daccessdds.un.org/doc/UNDOC/GEN/N05/270/79.

(2)  „Ownership” is de eerste van de in de Verklaring van Parijs (2005) vastgelegde partnerschapsverbintenissen. Daarmee wordt bedoeld dat de partnerlanden zelf zeggenschap krijgen over hun ontwikkelingsbeleid en -strategieën en zelf instaan voor de coördinatie van de ontwikkelingsacties. De tekst van de Verklaring van Parijs en andere documenten m.b.t. de tenuitvoerlegging daarvan is terug te vinden op de site van de OESO: www.oecd.org.