|
31.3.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 77/29 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (dichloormethaan)
COM(2008) 80 definitief — 2008/0033 (COD)
(2009/C 77/05)
De Raad heeft op 10 maart 2008 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over het
Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (dichloormethaan)
De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 juli 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sears.
Het Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 september 2008 gehouden 447e zitting (vergadering van 17 september 2008) het volgende advies met algemene stemmen goedgekeurd.
1. Samenvatting en aanbevelingen
|
1.1 |
Dit voorstel beoogt een wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad door toevoeging van enige beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van dichloormethaan (DCM), namelijk (en uitsluitend) wanneer dit gebruikt wordt als belangrijk ingrediënt van verfafbijtmiddelen voor industrieel, beroepsmatig en consumentengebruik. |
|
1.2 |
Het betreft de laatste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad voordat deze op 1 juni 2009 vervangen wordt door Verordening (EG) 1907/2006 (REACH). |
|
1.3 |
Het EESC onderkent de grote wetenschappelijke en politieke problemen die de Commissie ondervindt bij het doen van voorstellen en het bereiken van overeenstemming over een proportionele en kostenefficiënte wijziging die, zoals door Richtlijn 76/769/EEG vereist wordt, de interne markt ongemoeid laat en tegelijkertijd zorgt voor een goede bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu. |
|
1.4 |
Het EESC onderschrijft dat er meer dan voldoende bewijs voor is dat de hoge vluchtigheid van DCM dampvorming in hoge concentraties kan veroorzaken, hetgeen kan uitmonden in bewusteloosheid en zelfs dodelijk kan zijn. Dit is het gevolg van slechte industriële praktijken, zoals ontoereikende ventilatie. Minder overtuigend bewijs bestaat ervoor dat incidenteel huishoudelijk gebruik door consumenten een ernstig risico zou opleveren. Het voorstel voor een verbod op de verkoop is dan ook buitenproportioneel; gezien de bekende, doch tot op heden niet gekwantificeerde risico's van de producten en processen die als alternatief in aanmerking komen, kan nauwelijks verwacht worden dat dit per saldo een vermindering van het toch al vrij kleine aantal geregistreerde ongevallen zal bewerkstelligen. |
|
1.5 |
Anderzijds merkt het EESC op, evenals de door de Commissie ingeschakelde adviseurs al deden, dat de bijzondere risico's van DCM niet volledig gedekt worden door de bestaande pictogrammen of risico- en veiligheidszinnen. Eenzelfde opmerking kan gemaakt worden ten aanzien van de risico's voor kinderen, die zich vooral voordoen in huis. Dit is een tekortkoming van de etiketteringsregeling, niet van de betrokken producten of personen. Om dit recht te zetten worden hier aanbevelingen gedaan voor verpakking en etikettering. |
|
1.6 |
Er zijn nog andere problemen gevonden, met name het ontbreken van grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en van richtlijnen of voorschriften voor goede industriële praktijken. De Duitse TRGS 612 worden in dit verband als een uitstekend voorbeeld beschouwd. |
|
1.7 |
Ook wordt een aantal andere algemene opmerkingen gemaakt ten behoeve van de Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten, in de hoop dat hierover overeenstemming zal kunnen worden bereikt. Wanneer dit niet gebeurt zal de interne markt gefragmenteerd raken. Gebruikers op en buiten de werkplek blijven dan risico's lopen. |
2. Rechtsgrondslag
|
2.1 |
Zoals reeds opgemerkt treedt Verordening (EG) nr. 1907/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) op 1 juni 2009 in werking. Deze verordening komt in de plaats van een aantal bestaande verordeningen en richtlijnen van de Raad en de Commissie, waaronder Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende het op de markt brengen en gebruiken van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten. |
|
2.2 |
Bijlage I van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad bevat een overzicht van de specifieke beperkingen voor het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten die in de afgelopen dertig jaar van kracht zijn geworden. Deze beperkingen zullen op 1 juni 2009 de hoeksteen gaan vormen van Bijlage XVII van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH). |
|
2.3 |
Eerdere wijzigingen van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad (waarbij dus extra beperkende maatregelen werden toegevoegd) hadden steeds de vorm van richtlijnen, die door de lidstaten moesten worden omgezet in nationale wetgeving. Het huidige voorstel van de Commissie betreft echter geen richtlijn maar een besluit, dat dus rechtstreekse werking zal hebben. Er zal dus geen omzetting in nationale wetgeving vereist zijn, die overigens ook weer ingetrokken zou moeten worden op 1 juni 2009, wanneer Verordening 1907/2006/EG (REACH) in werking treedt. |
|
2.4 |
Alle latere voorstellen voor beperkingen op het op de markt brengen en het gebruik van gevaarlijke stoffen of preparaten zullen onder Verordening 1907/2006/EG (REACH) vallen. |
|
2.5 |
Maatregelen om het op de markt brengen en het gebruik van bepaalde stoffen (en preparaten die deze stoffen bevatten) te beperken, zijn over het algemeen voortgevloeid uit evaluaties van bepaalde „prioriteitsstoffen” die tussen 1994 en 2000 door de lidstaten werden aangewezen en gepubliceerd zijn in vier prioriteitslijsten op grond van Verordening (EEG) 793/93 van de Raad. |
|
2.6 |
Sommige stoffen die niet op deze lijsten voorkomen zijn eveneens beoordeeld op hun gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu en/of er zijn voorstellen gedaan om aan het op de markt brengen en het gebruik daarvan beperkingen te stellen; dit naar aanleiding van problemen die door de lidstaten werden gesignaleerd. In deze categorie valt ook DCM. Een aantal lidstaten heeft om uiteenlopende redenen reeds beperkingen gesteld of getracht te stellen aan het gebruik van deze stof, met name als component van verfafbijtmiddelen. Andere lidstaten zien dergelijke maatregelen als buitenproportioneel, kostbaar en vermoedelijk minder effectief voor gebruikers. Voor beide standpunten is er enig bewijs (of gebrek aan bewijs). |
|
2.7 |
De eerste uitvoerige beoordeling van het voorstel in de Raad vond begin juni plaats. Indien in de komende maanden een compromis gevonden kan worden, zal het voorstel vermoedelijk volgens plan uitgevoerd worden. Zo niet, dan zal het voorstel het niet halen. In dit geval zal de interne markt voor verfafbijtmiddelen op basis van DCM gefragmenteerd blijven en mogelijk zelfs nog verder verbrokkelen. DCM zou dan te zijner tijd beoordeeld worden in het licht van Verordening 1907/2006/EG (REACH) — waarbij het gebruik ervan in verfafbijtmiddelen een van de vele te beoordelen blootstellingswijzen is. Het is uiteraard onduidelijk wat de uitkomst hiervan zou zijn, of wanneer een definitieve aanbeveling zou kunnen worden gedaan. |
3. Achtergrond
|
3.1 |
DCM is een kleurloze, laagkokende gehalogeneerde alifatische koolwaterstof met een lichte, zoete geur. De stof is jarenlang op grote schaal gebruikt als krachtig oplosmiddel met lage ontvlambaarheid voor de productie van farmaceutische producten, aërosolen en kleefstoffen en in andere processen, zoals het afbijten van verf of het ontvetten van metalen en als extractiemiddel voor levensmiddelen. |
|
3.2 |
Hoewel het beschouwd wordt als een van de meer veilige gehalogeneerde koolwaterstoffen van laag molecuulgewicht, moet DCM nog altijd voorzichtig worden toegepast. Het is in Europa geclassificeerd als kankerverwekkende stof van categorie 3, d.w.z. als een „stof die in verband met zijn mogelijk kankerverwekkende eigenschappen reden geven tot bezorgdheid voor de mens, maar waarvan de effecten door een tekort aan informatie niet voldoende kunnen worden bepaald”. Daarom moet deze stof voorzien zijn van de waarschuwing R40 („carcinogene effecten zijn niet uitgesloten” ). Het is ook een prioritaire stof in de zin van de Kaderrichtlijn Water. |
|
3.3 |
Zorgwekkender is echter dat het ook een krachtig verdovend middel is dat op het centraal zenuwstelsel inwerkt en tot bewusteloosheid of de dood kan leiden. Dit heeft geleid tot een reeks al dan niet dodelijke ongevallen, meestal in verband met onveilige werkwijzen en overmatige blootstelling, overwegend bij industrieel of grootschalig beroepsmatig gebruik met een open tank. Bij gebruik in gesloten systemen, uiteraard waar mogelijk, blijven deze risico's achterwege. |
|
3.4 |
De geproduceerde hoeveelheden DCM in Europa (op locaties in Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Roemenië) nemen langzaam af met het beschikbaar komen van andere producten. Van de circa 240 000 ton die momenteel in Europa geproduceerd wordt, is 100 000 ton bestemd voor de export. Van het resterende deel gaat 30-50 % naar de farmaceutische industrie en wordt 10-20 % verkocht als „primair” DCM in verfafbijtmiddelen. Hergebruikt DCM vanuit de farmaceutische industrie levert een vergelijkbaar tonnage op. Het onderhavige voorstel heeft uitsluitend betrekking op het gebruik van DCM voor het afbijten van verf. |
|
3.5 |
De meeste consumenten kennen het afbijten als een onmisbare bewerking voor het conserveren en decoreren van voorwerpen en oppervlakken van hout, metaal, steen en pleisterwerk binnen en buiten de eigen woning. Daarnaast bestaat een aantal meer specialistische markten, zoals de restauratie van kunstvoorwerpen, het verwijderen van graffiti en het opnieuw schilderen van grote mobiele voorwerpen zoals treinen of vliegtuigen. |
|
3.6 |
Verfafbijtmiddelen worden enigszins willekeurig in 3 categorieën verdeeld: „industrieel” (d.w.z. met doorlopend gebruik in grote hoeveelheden op één locatie); „beroepsmatig” (specialisten, bouwers en inrichters die op verschillende locaties werken) en „consumenten” (personen die incidenteel woningonderhoud plegen). |
|
3.7 |
Het aantal daadwerkelijke incidenten voor elk van deze categorieën is lastig te bepalen. Aangezien de symptomen van een overdosis DCM lijken op die van hartfalen, is er wellicht (maar wellicht ook niet) sprake van onderrapportage. Volgens de gegevens die de RPA-consultants aan de Commissie hebben gepresenteerd, zijn er de afgelopen twintig jaar in Europa 3 à 4 incidenten per jaar geweest door het gebruik van verfafbijtmiddelen op basis van DCM; één incident per jaar had de dood tot gevolg. De dodelijke ongevallen concentreerden zich in Frankrijk (6), Duitsland (6) en het Verenigd Koninkrijk (5), de niet-dodelijke ongevallen in het Verenigd Koninkrijk (36), Zweden (12) en Frankrijk (6). In Zuid-Europa werd in de door RPA onderzochte periode (1930-2007) slechts één voorval opgetekend: een dodelijk industrieel ongeval in Spanje in 2000. Het klimaat ter plaatse zou hier zeker een rol kunnen spelen. Bij warm weer zijn de vensters steeds open, zodat er een goede ventilatie tot stand komt en de risico's verwaarloosbaar zijn; in een kouder klimaat geldt mogelijk het tegengestelde. |
|
3.8 |
De dodelijke ongevallen waren gelijkelijk verdeeld over de industriële en beroepsmatige gebruikersgroepen. Het leeuwendeel van de niet-dodelijke incidenten vond plaats tijdens het gebruik door als „beroepsmatige gebruikers” aangeduide personen. Als oorzaken van de dodelijke ongevallen werd bijna zonder uitzondering gebrekkige ventilatie en onvoldoende gebruik van persoonlijke beschermende uitrusting genoemd, met name in de nabijheid van grote open tanks. |
|
3.9 |
Een melding van een mogelijk dodelijk ongeval met een consument (of beroepsmatige gebruiker) dat in 1993 in Frankrijk plaatsvond, kan thans niet meer geverifieerd worden en geldt daarom niet als hard bewijs. Het enige andere gemelde dodelijke incident waarbij een consument betrokken was, vond plaats in 1960 in Nederland. Andere factoren zouden relevant kunnen zijn. |
|
3.10 |
Natuurlijk zijn er alternatieven voor chemische verfafbijtmiddelen op basis van DCM. Deze worden over het algemeen onder 3 rubrieken samengebracht — „fysisch/mechanisch afbijten” (schuren, schrapen, stralen); „pyrolitisch of thermisch afbijten” (in ovens, op hete gefluïdiseerde bedden of met behulp van toortsen of warmtekanonnen); en „chemisch afbijten” (met behulp van krachtige oplosmiddelen, waaronder DCM, of corrosieve, meestal sterk basische, vloeistoffen of pasta's, of mengsels op basis van mierenzuur of waterstofperoxide). Elk proces kan effectief zijn en onder bepaalde omstandigheden de voorkeur verdienen. Alle processen dragen bepaalde risico's in zich, hetzij door impact van deeltjes, hitte, brand, ontploffing, oog- of huidirritatie of door de samenstelling van de te verwijderen laag, met name verven van vóór 1960, die lood kunnen bevatten. Waar sprake is van diverse lagen die 100 jaar of verder teruggaan in de tijd, in oude maar nog bruikbare of zelfs zeer gewilde woningen, of van gevoelige oppervlakken die niet beschadigd mogen raken, is vaak een combinatie van benaderingen en een zekere mate van experimenteren geboden. |
|
3.11 |
Er zijn geen gegevens aangedragen over het totale marktaandeel van de diverse alternatieven in de drie rubrieken, noch over het verschil in kosten per gestripte vierkante meter. DCM geldt nog altijd als het meest gebruikte oplosmiddel, met name in de consumentensector, terwijl daarnaast toepassingen op basis van natronloog ook populair zijn. Zelfs binnen de chemische categorie zijn vergelijkende kostenberekeningen moeilijk te maken. De consensus is dat afbijtmiddelen op basis van DCM per volume voordeliger lijken te zijn dan concurrerende producten. Dit voordeel verdwijnt vermoedelijk als rekening wordt gehouden met de totale kosten van de veiligheidsuitrusting (voor zover gebruikt) en afvalverwijdering (voor zover relevant). |
|
3.12 |
De totale kosten worden mede bepaald door de verwerkingstijden. Langzamer werkende maar goedaardiger producten en processen verhogen de kosten van het werk en verlagen de winst. Met oplosmiddelen met een hoger kookpunt kan een groter oppervlak tegelijk worden bewerkt, maar is een langere inwerktijd nodig. Voor de consument wordt de kortdurende blootstelling vervangen door een langer durende en mogelijk een ingrijpender verstoring van het huishouden. (Met de veronderstelling van RPA dat tijd voor consumenten een minder belangrijke factor is „omdat ze het afbijten doorgaans in hun vrije tijd doen” kan beslist niet zonder meer worden ingestemd.) Voor alle gebruikers worden nieuwe werkwijzen en veranderingen in het werkplan essentieel. Voor de industriële gebruiker zal een overschakeling op producten op waterbasis leiden tot lagere ventilatiekosten, maar flink hogere kosten voor tanks en leidingen om de corrosie te verminderen. Gezien de vele verschillende variabelen zijn voorspellingen van de effecten van beperkingen op deze mogelijkheden bijzonder moeilijk te maken. Met name consumenten lopen in deze situatie gevaar, omdat de tegenstrijdige opinies die op overheidsniveau spelen het weinig waarschijnlijk maken dat zij tussen de diverse producten of processen een keuze zullen maken die daadwerkelijk in hun belang is. |
|
3.13 |
Een van de populaire alternatieven voor DCM als oplosmiddel, te weten methyl-2-pyrrolidone (NMP), is onlangs geclassificeerd als „giftig voor de voortplanting — categorie 2”; dit zal uiteindelijk uitmonden in een verbod op de verkoop aan het publiek (maar niet aan beroepsmatige of industriële gebruikers) van preparaten die deze stof bevatten. Andere oplosmiddelen, zoals 1,3-dioxolaan, zijn licht ontvlambaar. |
|
3.14 |
Systemen op basis van dibasische esters (DBE's) — mengsels van dimethyladipaat, succinaat en glutaraat — lijken op dit moment de meest veelbelovende alternatieven te zijn, met weinig aanwijzingen dat zij grote risico's inhouden voor de menselijke gezondheid of het milieu. Dimethylsulfoxide (DMSO) en benzylalcohol lijken eveneens relatief „veilig”. Maar of deze stoffen door de gebruikers ook als kostenefficiënt zullen worden gezien is afhankelijk van een groot aantal factoren; het staat zeker niet bij voorbaat vast dat er uiteindelijk overwegend gekozen zal worden voor „veilige” alternatieven. |
|
3.15 |
Samenvattend is duidelijk dat geen enkele benadering over de hele linie acceptabel is en dat misplaatst ingrijpen zeer goed zou kunnen uitmonden in een toename van het huidige, relatief geringe, aantal gemelde incidenten. Het probleem zit in het vinden van een oplossing die voor alle partijen aanvaardbaar is, met name voor de lidstaten, die uiteenlopende ervaringen en — begrijpelijkerwijs — uitgesproken standpunten hebben. |
4. Samenvatting van het voorstel van de Commissie
|
4.1 |
Het voorstel van de Commissie beoogt de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen zonder de interne markt voor dichloormethaan schade toe te brengen, met name wanneer dit gebruikt wordt als belangrijk ingrediënt van verfafbijtmiddelen voor industrieel, beroepsmatig en consumentengebruik. |
|
4.2 |
Het voorstel beoogt een verbod in te stellen op de verkoop van verfafbijtmiddelen op basis van DCM aan het publiek en aan beroepsbeoefenaars die niet speciaal geschoold en erkend zijn door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De verkoop aan de industrie zou uitsluitend toegestaan worden wanneer een verzameling veiligheidsmaatregelen, met name een effectieve ventilatie en de verstrekking en het gebruik van passende persoonlijke beschermende uitrusting, genomen zijn. Alle preparaten op basis van DCM moeten onuitwisbaar gemerkt zijn als „uitsluitend voor industrieel en beroepsmatig gebruik” (en mogen dan uitsluitend aan personen met een geschikte vergunning verkocht worden). |
|
4.3 |
Er mogen binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het Besluit geen nieuwe verfafbijtmiddelen op basis van DCM op de markt worden gebracht voor verkoop aan het publiek of aan beroepsbeoefenaars. Na nog eens twaalf maanden zou iedere levering aan de twee genoemde doelgroepen verboden zijn. |
|
4.4 |
Het Besluit zou van kracht worden op de derde dag na bekendmaking in het Publicatieblad van de EU. |
|
4.5 |
Het voorstel gaat vergezeld van een toelichting en een werkdocument van de Commissie (effectbeoordelingsverslag). Nadere gegevens zijn aanwezig in effectbeoordelingen die voor de Commissie zijn gemaakt door externe adviseurs (RPA, TNO) en in verslagen over specifieke onderwerpen (ETVAREAD over de effectiviteit van verdampingsvertragers). Deze verslagen zijn wederom beoordeeld door het bevoegde wetenschappelijk comité (WCGM). Er is geen formele Europese risicoanalyse gemaakt, omdat DCM ondanks de reeds geuite bezorgdheden door geen van de belanghebbenden als prioritaire stof is aangemerkt. |
|
4.6 |
Sommige EU-lidstaten (en andere grote economieën en handelspartners, zoals Zwitserland en de VS) hebben eveneens studies uitgevoerd om bepaalde — vaak sterk tegenstrijdige — wetgevende en politieke standpunten te onderbouwen. De betrokken branches hebben een grote hoeveelheid gegevens geproduceerd over de mogelijke risico's en relatieve voordelen van verschillende producten en processen; het mag geen verbazing wekken dat deze eveneens onderling strijdig zijn. Commentaar van andere belanghebbenden kon opgetekend worden tijdens de Europese arboweek „Bouwen in veiligheid” in 2004, na afloop van een conferentie van deskundigen die georganiseerd was door de Deense schildersvakbond. Volgens RPA waren BEUC, EMCEF en het EVV in april 2007 nog niet met formele standpunten gekomen. |
5. Algemene opmerkingen
|
5.1 |
Het EESC onderkent de moeilijkheden waarmee de Commissie te maken heeft bij het uitwerken van een voorstel voor een proportionele en kostenefficiënte wijziging van Richtlijn 76/769/EEG in verband met het gebruik van DCM als oplosmiddel voor het afbijten van verf. Er zijn relatief weinig incidenten gemeld en/of gestaafd. Er zou sprake kunnen zijn van onderrapportage. De bestaande wetgeving is niet altijd nageleefd en lijkt op het vlak van etikettering te kort te schieten. Er zijn alternatieve producten en processen, maar die zijn niet beoordeeld en leveren elk hun eigen risico op. Het is goed te begrijpen waarom de meningen van de lidstaten uiteenlopen. Er bestaat geen garantie dat de uitkomst per saldo gunstig zal zijn voor de groepen waarvoor de regeling vermoedelijk de grootste gevolgen zal hebben. |
|
5.2 |
Het EESC onderkent eveneens dat dit vanwege de beperkte beschikbare tijd de laatste kans is om nog maatregelen te nemen onder het regime van de bovengenoemde Richtlijn. Wanneer geen gemeenschappelijk standpunt kan worden bereikt tussen de lidstaten en het Europees Parlement, en het voorgestelde Besluit (of een amendement daarvan) dientengevolge niet kan worden vastgesteld en ten uitvoer gelegd, kan geen verdere actie worden ondernomen totdat DCM op al zijn toepassingen is beoordeeld in de zin van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH). |
|
5.3 |
Het EESC is ervan overtuigd dat een dergelijke vertraging onnodig en ongewenst is met het oog op de bescherming van het milieu en de gezondheid van alle gebruikers zowel op als buiten de werkplek. Ook zou het EESC een verbrokkeling van de interne markt op dit of enig ander vlak diep betreuren. Het moet voor alle betrokkenen duidelijk zijn dat overeenstemming op hoofdlijnen geboden is, waarbij ernaar gestreefd dient te worden om de risico's te beheersen in plaats van het ene risico door het andere te vervangen. |
|
5.4 |
In dit verband stelt het EESC vast dat DCM in gesloten systemen veilig kan worden geproduceerd, opgeslagen, vervoerd en gebruikt. DCM is niet ontvlambaar en draagt niet bij aan de vorming van ozon op leefniveau. In open systemen daarentegen, zoals bij het afbijten van verf, levert DCM duidelijk problemen op door zijn vluchtigheid (het verdampt snel), de dichtheid van de geproduceerde damp (die zich verzamelt op het laagste punt of daar waar geen voldoende ventilatie is) en zijn verdovende eigenschappen (het kan bewusteloosheid of de dood teweegbrengen). Al deze factoren leveren verhoogde risico's voor kinderen op. DCM is ook geclassificeerd als kankerverwekkende stof van categorie 3; dit potentiële risico is prominent aanwezig op het etiket van elk product dat DCM bevat. |
|
5.5 |
Zowel RPA als anderen hebben opgemerkt dat dit niet alleen misleidend is, maar ook ontoereikend om een behoorlijke bescherming van gebruikers op of buiten de werkplek te waarborgen. Noch de bestaande wetgevingsinstrumenten, noch hun tegenhangers in het herziene Internationaal geharmoniseerde systeem voor classificatie en etikettering van de VN, voorzien in R- of S-zinnen (risico- of veiligheidszinnen) of pictogrammen die een adequate waarschuwing vormen tegen ofwel bedwelming (en het daaropvolgende risico van overlijden) of — wat nog verbazingwekkender is — van het ernstige risico voor kinderen (hetgeen uiteraard geldt voor een groot aantal producten en processen die in het huishouden gebruikt worden). |
|
5.6 |
De nadruk op het potentiële, maar tot dusver niet bewezen risico op kanker is eveneens misleidend. Het WCGM merkte in zijn advies over het ETVAREAD-verslag over verdampingsvertragers op dat het stofwisselingsmechanisme bij de muis voor het onderzochte eindpunt niet hetzelfde als bij de mens, zodat het op basis van het aangedragen bewijs onwaarschijnlijk is dat DCM een kankerverwekkende stof is. Er is weinig bewijsmateriaal dat op daadwerkelijk gebruik berust. De uitkomsten van twee grote epidemiologische onderzoeken in de VS, met cohorten die in andere branches aan DCM blootgesteld zijn, laten nog steeds op zich wachten. In de EU zijn bepaalde cohorten wellicht blootgesteld aan andere bekende kankerverwekkende stoffen, zoals styreen. RPA heeft geen enkel bewijs geleverd voor een daadwerkelijk risico in deze categorie door blootstelling aan DCM bij het afbijten van verf. De vereiste zin R68 („onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten”) is gezien deze situatie niet de gelukkigste. |
|
5.7 |
Ook moet worden opgemerkt dat uit de door RPA gepresenteerde statistieken voor de periode 1930-2007 duidelijk is gebleken wat de gevaren zijn van extreme blootstelling aan DCM, meestal door zeer slechte werkmethoden. Voor de alternatieve processen en producten zijn geen corresponderende gegevens verzameld. Het is echter maar de vraag in hoeverre deze gegevens ook kunnen worden toegepast op het gebruik door „beroepsbeoefenaars” dan wel „consumenten” in een huishoudelijke omgeving. Aanwijzingen van chronische (langdurige) gezondheidseffecten in de industrie kunnen al dan indicatief zijn voor problemen bij acute (kortdurende) blootstellingen van de consument; ongevallenstatistieken, waarvan hier wellicht sprake is, zijn moeilijker om te rekenen. |
|
5.8 |
In de studies werd ook gewezen op het gebrek aan eenduidige niveaus van beroepsmatige blootstelling (OEL's) voor werkplekken in de gehele EU. De limieten verschillen zowel per stof (DCM) tussen lidstaten als tussen stoffen onderling (bijvoorbeeld DCM in vergelijking met DBE of DMSO). Fabrikanten dienen hun zorgplicht jegens hun medewerkers serieus te nemen en regelgevingsautoriteiten dienen hiertoe op basis van reële gegevens een helder en consequent regelgevingskader op te stellen. |
|
5.9 |
In dit verband heeft het EESC met bijzondere belangstelling kennis genomen van de Technische regels voor gevaarlijke stoffen (TRGS) 612, voor alternatieven voor verfafbijtmiddelen op basis van DCM, samengesteld door het Duitse ministerie van Arbeid en Sociale Zaken (BMAS), in de versie van februari 2006. Dit lijkt een model te zijn dat door anderen zou kunnen worden nagevolgd om de veiligheid op de werkplek te helpen garanderen; het is aanzienlijk gedetailleerder dan het voorliggende voorstel van de Commissie. |
|
5.10 |
De hiërarchie van vragen die op grond van het vorenstaande moeten worden beantwoord (a) kunt u uw proces veiliger maken door vervanging? (b) zo nee, waarom niet? en (c) heeft u alle passende maatregelen genomen om uw werkplek veilig te maken? moet in de meeste gevallen aangehouden worden. De potentiële risico's en de voordelen van alternatieve processen en producten moeten ten volle worden onderkend. Bovenal moet er een inschatting komen van de vermoedelijke uitkomsten van een eventueel besluit om een aanzienlijke hoeveelheid van een bepaald materiaal van de markt te halen; welke keuze zullen gebruikers in de praktijk maken en is deze keuze inderdaad bevorderlijk voor hun persoonlijke veiligheid? |
|
5.11 |
Zo heeft een van de lidstaten reeds een verbod op producten op basis van DCM ingevoerd, dat zowel voor industriële als voor beroepsmatige gebruikers geldt; dit betreft een verbod op de verkoop van producten die DCM bevatten, niet van DCM zelf. Er kan nog steeds een krachtig afbijtmiddel worden geproduceerd door DCM op de plaats van gebruik te mengen met methanol. Het resulterende product is goedkoper, maar ontbeert de oppervlakte-actieve stoffen en verdampingsvertragers die zowel de effectiviteit als de veiligheid van een behoorlijk samengesteld product vergroten. Dit is dan ook een onwenselijke uitkomst. |
|
5.12 |
Zoals RPA en de Commissie hebben opgemerkt zijn de verschillen tussen de diverse categorieën gebruikers in de praktijk moeilijk te verantwoorden of te handhaven. Het enige echte verschil is dat voor continu, omvangrijk afbijtwerk op één locatie grote open tanks met chemische middelen nodig zijn, waarin de producten ondergedompeld worden, terwijl voor werkzaamheden buiten de eigen locatie meestal geen onderdompeling nodig is, zodat daar ook geen behoefte is aan grote open tanks. De werkzaamheden op één terrein worden in andere richtlijnen behandeld, bijvoorbeeld met betrekking tot de uitstoot van oplosmiddelen en de kwaliteit van het afvalwater, die strikt moeten worden gehandhaafd; bij werkzaamheden op andere locaties zijn de zorgvuldigheid en het gezond verstand van de personen in kwestie belangrijker. Waar een werkgever in het spel is, heeft deze uiteraard de plicht om voor de betrokken medewerkers de best mogelijke werkomgeving te garanderen. |
|
5.13 |
Ook in de „beroepsmatige categorie” zou onderscheid moeten worden gemaakt tussen diegenen die zich continu bezighouden met specialistische reiniging (bv. verwijderen van graffiti, gevelherstel, treinen en vliegtuigen), en diegenen die slechts incidenteel verf hoeven af te bijten (bouwers, inrichters en „consumenten”) als noodzakelijke maar tijdrovende voorbereiding op meer winstgevende activiteiten. De behoeften, competenties en kwetsbaarheden van deze laatste groep lijken identiek te zijn; daarom moeten ze op gelijke voet worden behandeld. |
|
5.14 |
Om een compromis tussen verschillende standpunten mogelijk te maken is er ten slotte een voorstel gedaan voor een uitzonderingsbepaling inzake de scholing van en vergunningverlening aan bepaalde categorieën verwerkers. Het is echter problematisch om het gebruik van verfafbijtmiddelen op basis van DCM gelijk te stellen met zaken als asbestverwijdering of verwerking van kernafval, waarvoor een vergunningenstelsel absoluut noodzakelijk is. Gezien de hoge kosten van het opzetten en bewaken van een dergelijk stelsel kan dit voorstel nauwelijks geacht worden in enige behoefte te voorzien. |
6. Specifieke opmerkingen
|
6.1 |
Gezien het vorenstaande is het EESC niet van mening dat het voorliggende voorstel proportioneel is en evenmin dat het zal leiden tot een daling van het aantal incidenten op of buiten de werkplek. Gezien de grote feitelijke en politieke verschillen tussen de lidstaten dienen andere benaderingen te worden overwogen en onverwijld ten uitvoer te worden gelegd. |
|
6.2 |
Hiertoe behoren wijzigingen te worden aangebracht in de verpakking en etikettering van verfafbijtmiddelen op basis van DCM om het risico van ongevallen te verminderen en de werkelijke gevaren onder de aandacht te brengen. De verkoop aan iedereen die zich niet doorlopend of op dezelfde locatie bezighoudt met het afbijten van verf, ongeacht of hij of zij als „beroepsbeoefenaar” of als „consument” wordt aangemerkt, moet worden beperkt tot maximaal 1 liter per recipiënt en per aanschaf. De recipiënten moeten voorzien zijn van kindbestendige verzegelingen, zoals omschreven in de relevante bestaande dan wel nieuwe Europese verordeningen en richtlijnen en/of de EN-ISO-normen 8317:2004 en 862:2005. Smalle flessenhalzen ter voorkoming van morsen zouden ook nuttig zijn, ofschoon het dan nodig is om het middel eerst uit te gieten voordat het met een kwast gebruikt kan worden, waardoor het effect enigszins tenietgedaan wordt. Fabrikanten moeten zich actief inspannen om veiliger afleveringssystemen te creëren als ze willen dat deze producten ook op langere termijn levensvatbaar blijven. De bulkverkoop aan alle andere gebruikers voor „industrieel” of continu „beroepsmatig” gebruik moet in hoeveelheden van ten minste 20 liter plaatsvinden. In deze gevallen dienen fabrikanten en leveranciers hun zorgvuldigheidsplicht op zich te nemen en te zorgen dat er voldoende informatie en scholing wordt gegeven om een veilige verwerking en verwijdering in alle gebruikssituaties te waarborgen. |
|
6.3 |
Als waarschuwing voor de gevaren voor kinderen moeten er dringend nieuwe, aanvullende pictogrammen en R- en S-zinnen worden ontwikkeld. Voor verfafbijtmiddelen op basis van DCM (en andere producten met vergelijkbare effecten) zou een geschikte formulering voor alle gebruikers als volgt kunnen luiden: „Bedwelmend middel: leidt in hoge concentraties tot bewusteloosheid en de dood”; „Niet gebruiken in het bijzijn van kinderen of kwetsbare volwassenen”; „Niet gebruiken in afgesloten ruimten: zware dampen zijn verstikkend”. Dergelijke formuleringen lijken gedragen te worden door het aanwezige bewijs en zijn relevant voor de daadwerkelijke behoeften. De zinnen mogen niet ondergesneeuwd raken door een reeks minder belangrijke waarschuwingen. Een effectieve waarschuwing en een ondubbelzinnig pictogram met betrekking tot de noodzaak om kinderen te beschermen zou vermoedelijk meer effect sorteren dan een groot aantal ingewikkelder adviezen. De huidige zin S2 („Buiten bereik van kinderen bewaren”) schiet in dit verband tekort. |
|
6.4 |
Ook is er een duidelijke behoefte aan een gestandaardiseerde en consistente verzameling EU-brede grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling om de veiligheid op de werkplek verder te verbeteren. Dit kan gezien worden als een nuttig effect van het REACH-programma in de komende jaren. |
|
6.5 |
Goede werkpraktijken en een zorgvuldige naleving van alle bestaande instrumenten is uiteraard essentieel voor risicobeheersing op en buiten de werkplek. Fabrikanten en detailhandelaren hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het geven van goede adviezen en het waarborgen dat de aanbevelingen kunnen worden opgevolgd door het publiek en door anderen die de gevaarlijke stoffen of processen slechts incidenteel gebruiken. Veiligheidsaanbevelingen en -uitrusting moeten met evenveel enthousiasme en stimulansen worden bevorderd als de stoffen waarvoor deze nodig zijn. |
|
6.6 |
De aanpak die in de Duitse TRGS 612 wordt gevolgd, kan de basis vormen voor EU-brede instrumenten. Aanvullend technisch advies over ventilatie of afvalverwerking kunnen waar nodig worden toegevoegd. Goede praktijken moeten worden gepubliceerd en uitgewisseld. |
|
6.7 |
De in de VS lopende studies naar de effecten van langdurige blootstelling aan DCM dienen zo spoedig mogelijk te worden afgerond, waarna de bevindingen ter verdere beoordeling aan het WCGM dienen te worden gepresenteerd. Nagegaan moet worden hoe eventueel valide cohorten voor onderzoek in Europa in kaart gebracht kunnen worden. |
|
6.8 |
Ook dient een systematische beoordeling te worden gemaakt van de risico's in verband met het afbijten van verf, zodat alle producten en processen op gelijke voet kunnen worden beoordeeld. Dit kan leiden tot een beter begrip van de relatieve prestaties en risico's, en uiteindelijk de gebruikers op en buiten de werkplek beter in staat stellen goed onderbouwde keuzen te maken. Geen van deze voorstellen mag echter voor vertraging zorgen in de vaststelling van de hiervoor genoemde beheersingsmaatregelen. |
Brussel, 17 september 2008
De voorzitter
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
D. DIMITRIADIS