29.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/45


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur in Zaak nr. COMP/M.4180 — Gaz de France/Suez

(opgesteld overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van Besluit 2001/462/EG, EGKS van 23 mei 2001 betreffende het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (1))

(2007/C 72/20)

Op 10 mei 2006 ontving de Commissie een aanmelding in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (2) (de concentratieverordening) van een voorgenomen concentratie waarbij de ondernemingen Gaz de France en Suez middels een aandelenruil zouden overgaan tot een fusie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de concentratieverordening.

Bij besluit van 19 juni stelde de Commissie vast dat de transactie aanleiding gaf tot ernstige twijfels over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst. Derhalve leidde de Commissie de procedure in overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), van de concentratieverordening.

Aan de partijen werd op 18 augustus 2006 een mededeling van punten van bezwaar gezonden met het verzoek hierop vóór 1 september 2006 te antwoorden. Op dezelfde dag kregen de partijen toegang tot het dossier, dat op 21 augustus werd voltooid. De partijen hebben binnen de termijn op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord.

Aan de partijen werd op 9 oktober en 20 oktober 2006 nogmaals toegang tot het dossier verleend, wat hen in de gelegenheid stelde hun standpunt inzake de punten van bezwaar overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de concentratieverordening kenbaar te maken.

De partijen hebben niet verzocht hun argumenten op een formele hoorzitting te mogen ontwikkelen.

Verscheidene concurrenten en klanten van de fuserende partijen werden toegelaten als belanghebbende derden in de zin van artikel 18, lid 4, van de concentratieverordening. Zij werden in de vorm van een niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar over de aard en de inhoud van de zaak geïnformeerd. Een verzoek van de Europese Beroepsfederatie voor Publieke Diensten (EPSU) om een niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar te ontvangen heb ik echter verworpen. Met name stelde ik vast dat EPSU noch de erkende vertegenwoordiger van de werknemers van de betrokken ondernemingen is, noch een consumentenorganisatie in de zin van artikel 11, onder c), van Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie (3) en niet voldoende belangstelling voor de procedure had getoond.

Op 20 september 2006 hebben de partijen toezeggingen aangeboden om de in de mededeling van punten van bezwaar vastgestelde mededingingsbezwaren weg te nemen. Voor deze toezeggingen werd een markonderzoek uitgevoerd; de resultaten van dit onderzoek wezen er echter op dat de toezeggingen niet volstonden om de door de Commissie vastgestelde mededingingsbezwaren weg te nemen. Aan de partijen is onverwijld een niet-vertrouwelijke versie van de antwoorden op het marktonderzoek meegedeeld. Mij is niet gevraagd de objectiviteit van het marktonderzoek na te gaan.

Op 10 oktober 2006 besloot de Commissie, in overleg met de partijen, om de procedure met 5 werkdagen te verlengen overeenkomstig artikel 10, lid 3, tweede alinea van de concentratieverordening.

Vervolgens hebben de partijen op 13 oktober 2006 gewijzigde toezeggingen ingediend om de nog resterende mededingingsbezwaren weg te nemen. De partijen wezen erop dat deze toezeggingen de op 20 september ingediende toezeggingen zouden vervangen.

In de ontwerp-beschikking wordt geconcludeerd dat de voorgenomen concentratie de daadwerkelijke mededinging niet op significante wijze belemmert en derhalve met de gemeenschappelijke markt en de EER-Overeenkomst verenigbaar is, mits de door de partijen op 13 oktober 2006 aangeboden toezeggingen volledig worden nageleefd.

Ik ben van oordeel dat het recht van de partijen bij de procedure om gehoord te worden in acht is genomen.

Brussel, 30 oktober 2006

Serge DURANDE


(1)  PB L 162 van 19.6.2001, blz. 21.

(2)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (uitvoeringsverordening), PB L 133 van 30.4.2004, blz. 1.