52007PC0701

Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, wat de steunregeling voor katoen betreft {SEC(2007) 1481} {SEC(2007) 1482} /* COM/2007/0701 def. - CNS 2007/0242 */


NL

Brussel, 9.11.2007

COM(2007) 701 definitief

2007/0242 (CNS)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, wat de steunregeling voor katoen betreft

(door de Commissie ingediend)

{SEC(2007) 1481}

{SEC(2007) 1482}

TOELICHTING

1) Achtergrond van het voorstel

· Motivering en doel van het voorstel

Op 7 september 2006 heeft het Europees Hof van Justitie de uit de hervorming van 2004 voortgekomen katoenregeling nietig verklaard op basis van de conclusie dat het evenredigheidsbeginsel was geschonden aangezien:

– de EG geen effectstudie had verricht;

– de EG bij het evaluatie- en besluitvormingsproces geen rekening had gehouden met de directe arbeidskosten;

– de EG geen rekening had gehouden met het effect van de nieuwe regeling op de egreneringsindustrie, die weliswaar niet in het protocol wordt genoemd, maar rechtstreeks van belang is voor de katoenproductie.

Daarom is bij de verschillende stappen van de door de diensten van de Commissie verrichte effectanalyse bijzondere aandacht aan die elementen besteed.

Het bijgaande voorstel voorziet in een nieuwe katoenregeling die tot doel heeft een concurrerende, duurzame en marktgerichte katoensector te bevorderen en tegelijk de in het protocol aangegane verbintenissen na te komen.

· Algemene context

Voor de EU als geheel is de katoensector met een bijdrage van slechts 0,15% aan de eindoutput van de landbouw van beperkte betekenis, maar in de twee belangrijkste katoenproducerende lidstaten is het regionale belang van die sector groot. Ongeveer 76% van de totale productie van de EU (circa 1,45 miljoen ton ruwe katoen) wordt geteeld in Griekenland. In 2005 had katoen in Griekenland een aandeel van 9,0% in de totale landbouwproductie, terwijl dat in Spanje, de andere belangrijke EU-producent, 1,3% was. Ook in Bulgarije wordt een kleine hoeveelheid katoen verbouwd; Portugal produceert niet langer katoen.

In Griekenland ligt het katoenareaal van 380.000 ha voor het grootste deel in drie regio's: Thessalië, Macedonië-Thracië en Sterea Ellada. In Spanje is de productie geconcentreerd in Andalusië, hoofdzakelijk in de provincies Sevilla en Córdoba. In 2007 bedroeg het totale katoenareaal in Spanje ongeveer 65.000 ha.

De katoenboerderijen in de EU zijn meestal klein (gemiddeld 4,5 ha in Griekenland en 11,0 ha in Spanje) en ze zijn talrijk (79.700 in Griekenland en 9.500 in Spanje). In Griekenland zijn de bedrijven die katoen verbouwen, sterker gespecialiseerd; de landbouwgrond in Thessalië wordt nagenoeg uitsluitend voor de katoenproductie gebruikt.

De laatste jaren hebben de milieueffecten van de katoenteelt veel aandacht getrokken. Deze teelt is afhankelijk van irrigatie en kunstmest en wordt door velen gezien als een oorzaak van een geringe biodiversiteit en bodemverarming. Ook het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen, vooral tegen insecten, en het gebruik van ontbladeringsmiddelen bij de oogst zijn een bron van zorg.

De ruwe katoen wordt in bruikbare vezels omgezet door egrenering, d.w.z. verwijdering van de zaden. Zowel particuliere bedrijven als coöperaties houden zich met deze egrenering bezig. De capaciteit van de 29 egreneringsbedrijven in Spanje, waarvan bijna de helft door coöperaties wordt beheerd, is veel groter dan de productie in dat land. In Griekenland is de egreneringscapaciteit meer in evenwicht met de katoenproductie en worden verhoudingsgewijs ook minder egreneringsbedrijven beheerd door coöperaties (20 van de in totaal 73 egreneringsbedrijven).

Internationaal is de EU een kleine speler met een aandeel van slechts ongeveer 2% in de totale wereldproductie van katoen. De belangrijkste producenten zijn China (24%), de VS (20%) en India (14%).

De EU is een van de netto-importeurs van katoen in de wereld. De werelduitvoer van katoen wordt gedomineerd door de VS, die momenteel ongeveer 2,75 miljoen ton uitvoeren, dat is 36,5% van de wereldhandel.

De grootste verbruikers van katoen in de wereld zijn de landen met een gevestigde textielindustrie. China is goed voor 32% van het wereldverbruik en wordt gevolgd door de VS (14%) en India (7%). Het EU-verbruik van ongeveer 0,6 miljoen ton geëgreneerde katoen (2,7% van het wereldverbruik) is hoofdzakelijk geconcentreerd in Italië, Portugal en Duitsland.

Doordat de EU een marginale katoenproducent is, heeft haar productie slechts een verwaarloosbaar klein effect op de ontwikkeling van de wereldmarktprijzen. Dit is temeer het geval daar de EU in deze sector geen uitvoersubsidies toekent en rechtenvrije toegang verleent. Hoewel het beleid van zowel andere ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden een aanzienlijk effect op de katoenprijzen heeft gehad, is de belangrijkste oorzaak van de prijsdaling een verscherpte concurrentie met synthetische vezels.

De eerste steunregeling voor katoen in Europa is ingesteld bij de toetreding van Griekenland tot de EG in 1980 en vervolgens is de regeling in 1986 uitgebreid tot Spanje en Portugal. In een protocol bij het Toetredingsverdrag staat dat de Gemeenschap de katoenproductie moet ondersteunen in de gebieden waar deze van belang is voor de landbouweconomie. De steunregeling moet de betrokken producenten in staat stellen een redelijk inkomen te verwerven en moet de toekenning van productiesteun omvatten.

De oorspronkelijke regeling was gebaseerd op variabele prijssteun aan de verwerkers, die op hun beurt een minimumprijs betaalden aan de landbouwers die hun niet-geëgreneerde katoen leverden. De steun en de minimumprijs waren gebaseerd op het verschil tussen een interne streefprijs en de wereldmarktprijs. Deze regeling heeft geleid tot een enorme uitbreiding van de hele katoensector in de EU.

In de afgelopen jaren heeft het GLB een fundamentele hervorming ondergaan die erop is gericht het concurrentievermogen te vergroten, de veiligheid en de kwaliteit van de levensmiddelen te verbeteren, de boereninkomens te stabiliseren, milieuoverwegingen te integreren in het landbouwbeleid, de vitaliteit van de plattelandsgebieden te vergroten, de regels te vereenvoudigen en de uitvoering sterker te decentraliseren. Het belangrijkste leidende beginsel bij de hervorming van het GLB in 2003 was over te schakelen van prijs- en productiesteun op ontkoppelde inkomenssteun.

Om de katoenregeling meer in overeenstemming te brengen met het in andere sectoren gevoerde beleid, heeft de Raad in april 2004 een nieuwe regeling voor katoen vastgesteld die is gebaseerd op ontkoppelde inkomenssteun en een gewasspecifieke (areaal)betaling, welke vormen van steun allebei rechtstreeks aan de katoenboeren worden betaald. Die regeling is in januari 2006 van kracht geworden.

· Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Regels betreffende de gewasspecifieke betaling voor katoen zijn vastgesteld in hoofdstuk 10 bis van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers. De bepalingen van dat hoofdstuk zijn nietig verklaard bij het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 2006 in zaak C-310/04. De gevolgen van die nietigverklaring zijn opgeschort totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld.

· Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU

Niet van toepassing.

2) Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling

· Raadpleging van belanghebbende partijen

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

Om te helpen bij de opstelling van dit voorstel en van de effectbeoordeling ervan, is opdracht gegeven tot de uitvoering van twee onafhankelijke studies die erop waren gericht enerzijds de sociaaleconomische aspecten van de katoenproductie te analyseren en anderzijds de milieueffecten van de regeling te evalueren. In het kader van die twee studies is voor het verzamelen van gegevens en het beoordelen van effecten gewerkt met tot belanghebbenden gerichte specifieke vragenlijsten en door deskundigen afgenomen interviews.

De diensten van de Commissie hebben voorts workshops en seminars georganiseerd waarbij de belanghebbende partijen waren betrokken. Naast dat overleg waren er in de sector ook nog de gewone vergaderingen van de Raadgevende Groep katoen en het Comité van beheer voor natuurlijke vezels. Tevens werden vergaderingen belegd met vertegenwoordigers van de werknemers, niet-gouvernementele organisaties die werkzaam zijn op het gebied van ontwikkelingsbeleid en milieubescherming, academici die over een gespecialiseerde kennis van de katoensector beschikken, en de overheden in de regio's waar de katoenteelt een belangrijke rol speelt.

Van 8 mei 2007 tot en met 22 juni 2007 heeft een openbare raadpleging plaatsgevonden via het internet. De Commissie heeft 320 antwoorden ontvangen. Op die manier is aanvullende informatie van een breder publiek verkregen.

· Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden

Landbouweconomie en statistiek

Gebruikte methode

Onafhankelijke studies en raadpleging van belanghebbenden

Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen

Zie boven

Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek

De resultaten van de raadpleging zullen beschikbaar zijn op:

http://ec.europa.eu/agriculture/consultations/cotton/index_en.htm

· Effectbeoordeling

De Commissie heeft een effectbeoordeling verricht zoals was aangegeven in haar wetgevings- en werkprogramma voor 2007, dat te vinden is op de Europa-website.

3) Juridische elementen van het voorstel

· Samenvatting van de voorgestelde maatregel

Met de nieuwe katoenregeling dienen de volgende doelstellingen te worden nagestreefd:

o voortzetting van de landbouwactiviteit als onderdeel van de duurzame ontwikkeling van de katoenproducerende regio's;

o verenigbaarheid van de mogelijkheden om steun aan de katoenproducenten te verlenen met de beginselen van het hervormde GLB;

o verenigbaarheid van de mogelijkheden om steun aan de katoenproducenten te verlenen met de door de EU in WTO-verband aangegane verbintenissen en beperking van eventuele negatieve effecten op de ontwikkelingslanden;

o stabiliteit en beheersing van de EU-begroting;

o een concurrerende en marktgerichte katoensector in de EU;

o vermindering van het effect dat de katoenproductie heeft op het milieu;

o vereenvoudiging van het beheer van de steunregeling voor katoenproducenten.

Ter verwezenlijking van deze doelstellingen wordt in het bijgaande voorstel aanbevolen om de in de bedrijfstoeslagregeling geïntegreerde 65% van de middelen die vóór de hervorming van 2004 voor steunverlening aan de katoensector waren bestemd, te handhaven. Net als de andere landbouwers die ontkoppelde steun ontvangen, zullen de katoentelers profiteren van enige inkomensstabiliteit, terwijl zij toch vrij zullen zijn om hun activiteiten aan te passen aan de ontwikkelingen op de markt.

De resterende 35% zou aan de katoenproductie gekoppeld blijven als een areaalbetaling. Die gekoppelde betaling moet de voortzetting van de katoenteelt garanderen op een niveau dat het mogelijk maakt een egreneringsindustrie te handhaven in die regio's waar deze voor een belangrijke economische activiteit zorgt.

Het Europees Hof van Justitie heeft zich vooral afgevraagd wat de motivering voor het gekozen ontkoppelingspercentage was. De vraag is hoe de katoenregeling in de hervorming van het GLB kan worden ingepast en tegelijk recht kan worden gedaan aan de doelstellingen van het katoenprotocol bij de Akten van toetreding van Griekenland en van Spanje en Portugal.

De resultaten van de in het kader van de effectbeoordeling gebruikte analyses en aanvullende vragenlijsten illustreren de verschillende productiestructuren en -factoren die van invloed zijn op het besluitvormingsproces bij de landbouwers. Met instrumenten voor kwantitatieve modellering kan niet met zekerheid worden bepaald wat de relatie is tussen aanbod en gekoppelde betalingen. Alle verrichte simulaties geven echter aan dat op middellange termijn de koppeling van ongeveer 35% van de steun de voortzetting van de katoenproductie zou bevorderen, en dus in overeenstemming met het protocol zou zijn, terwijl daarmee tevens recht zou worden gedaan aan de beginselen van de hervorming van het GLB.

In 2004 heeft de Raad besloten het koppelingspercentage op 35% vast te stellen hoewel de Commissie 40% had voorgesteld. Een terugkeer naar een hoger koppelingspercentage zou nu een enorme hoeveelheid werk betekenen voor de betrokken overheidsdiensten van de lidstaten en zou ook tot een verlaging van de aan de katoenboeren betaalde bedrijfstoeslag leiden.

Bezien uit administratief oogpunt, zou elke verhoging van het koppelingspercentage leiden tot een verlaging van het ontkoppelingspercentage en dus tot de herberekening van alle toeslagrechten die in 2006 aan de historische katoenproducenten in de betrokken lidstaten zijn toegekend. Daarentegen zou handhaving van het koppelingspercentage op 35% geen nieuwe administratieve werklast veroorzaken.

Als de ontkoppeling op een hoger percentage dan 65% zou worden vastgesteld, zou dat een sterke ontwrichting van de katoensector tot gevolg kunnen hebben. Daarom is de Commissie, na de mogelijke scenario's zoals beschreven in de effectbeoordeling te hebben geanalyseerd, tot de conclusie gekomen dat, ter verwezenlijking van de genoemde doelstellingen, de huidige verhouding tussen gekoppelde en ontkoppelde steun dient te worden gehandhaafd, zij het dat in de regeling enkele kleine wijzigingen zouden moeten worden aangebracht.

Voorgesteld wordt het maximumareaal ongewijzigd te handhaven op 450.597 ha (370.000 ha in Griekenland, 70.000 ha in Spanje, 360 ha in Portugal en 10.237 ha in Bulgarije). De hoogte van de areaalbetaling zou eveneens onveranderd blijven, waarbij in het geval dat de betalingsaanvragen het maximumareaal van een lidstaat overschrijden, die betaling verhoudingsgewijs zou worden verlaagd.

Niet alleen voor de ontkoppelde steun maar ook voor de gewasspecifieke areaalbetaling zullen de randvoorwaarden blijven gelden, wat op een inkomensneutrale wijze tot een milieuvriendelijker katoenproductie zal leiden.

De gewasspecifieke betaling zou worden toegekend per subsidiabele hectare katoen, op voorwaarde dat de katoenvelden ten minste tot de oogst in stand worden gehouden zonder verplichting om de katoen te leveren of te verkopen. De katoen zou aan minimumeisen moeten voldoen: hij zou van gezonde handelskwaliteit moeten zijn.

Voorgesteld wordt brancheorganisaties te steunen die tot taak zouden hebben bij te dragen tot een betere coördinatie van de afzet van katoen, contracten tussen telers en verwerkers op te stellen en een betere kwaliteit te bevorderen.

De financiële overdracht voor herstructurering in de katoenproducerende regio's waarin artikel 143 quinquies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad voorziet (22 miljoen euro per jaar vanaf het begrotingsjaar 2007), is reeds bij Besluit 2006/410/EG van de Commissie beschikbaar gesteld aan het ELFPO en is opgenomen in de bij Beschikking 2006/636/EG van de Commissie vastgestelde verdeling over de lidstaten van de jaarbedragen aan communautaire steun voor plattelandsontwikkeling. Bijgevolg zal in de periode 2007-2013 een bedrag van 154 miljoen euro beschikbaar zijn als extra communautaire steun voor maatregelen in katoenproducerende regio's. Daarmee zouden de lidstaten verder steun kunnen verlenen voor bijvoorbeeld de herstructurering van de katoenboerderijen en de egreneringsindustie.

Om de afzetbevordering voor katoen uit de EU te ondersteunen is aanbevolen een oorsprongsmerk in te voeren. Tijdens het raadplegingsproces hebben belanghebbenden daar uitdrukkelijk om verzocht.

In maart 2006 heeft de Commissie toegezegd een beleidsevaluatie te zullen uitvoeren met betrekking tot het functioneren van Verordening (EG) nr. 510/2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen. In dat kader zal de Commissie onderzoeken of katoen in de werkingssfeer van die verordening kan worden opgenomen.

De Commissie zal onderzoeken of het, om het imago van katoen uit de Gemeenschap te ontwikkelen en het gebruik ervan te bevorderen, relevant, doeltreffend en doelmatig zou zijn bepaalde katoenproducten die volledig in de EU worden vervaardigd uit in de EU geteelde katoen, op te nemen in de lijst van de producten die in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.

· Rechtsgrondslag

Artikel 37, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en Protocol nr. 4 betreffende katoen (gehecht aan de Toetredingsakte van 1979).

· Subsidiariteitsbeginsel

Volgens het voorstel blijven de lidstaten verantwoordelijk voor de belangrijkste elementen:

– goedkeuring van de voor de katoenproductie te gebruiken oppervlakten,

– goedkeuring van de katoenrassen,

– erkenning van de brancheorganisaties,

– toewijzing van de rechten op de betaling,

– vaststelling van de milieuvoorschriften.

· Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel voldoet aan het evenredigheidsbeginsel omdat het in overeenstemming is met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en er tegelijk voor zorgt dat de bij Protocol nr. 4 opgelegde verplichtingen worden nagekomen.

· Keuze van instrumenten

Voorgesteld instrument: verordening van de Raad tot instelling van een nieuwe steunregeling voor katoen ter vervanging van de regeling die nietig is verklaard door het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 2006 in zaak C-310/04.

4) Gevolgen voor de begroting

Het nationale basisareaal en het steunbedrag per subsidiabele hectare blijven onveranderd in vergelijking met de huidige situatie. De extra gekoppelde betaling voor de landbouwers die lid zijn van een erkende brancheorganisatie, wordt echter verlaagd van 10 euro/ha tot 3 euro/ha. Daardoor zal die betaling aan de betrokken landbouwers slechts 1,4 miljoen euro kosten in plaats van 4,4 miljoen euro, zodat ruimte ontstaat voor eventuele extra uitgaven voor voorlichting en afzetbevordering.

2007/0242 (CNS)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, wat de steunregeling voor katoen betreft

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, lid 2, derde alinea,

Gelet op de Akte van toetreding van Griekenland, en met name op punt 6 van het daaraan gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen [1],

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement [2],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [3],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Hoofdstuk 10 bis van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad [4], welk hoofdstuk is ingevoegd bij artikel 1, punt 20, van Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad [5], bevat regels voor de specifieke betaling voor katoen.

(2) Bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2006 in zaak C-310/04 [6] is hoofdstuk 10 bis van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wegens schending van het evenredigheidsbeginsel nietig verklaard, waarbij met name is gewezen op de omstandigheid dat "de Raad, die Verordening (EG) nr. 864/2004 heeft vastgesteld, voor het Hof niet heeft aangetoond dat hij bij de vaststelling van de bij die verordening ingestelde nieuwe steunregeling voor katoen zijn beoordelingsbevoegdheid daadwerkelijk heeft uitgeoefend, wat veronderstelde dat rekening werd gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van de situatie, waaronder de aan de katoenteelt verbonden loonkosten en het voortbestaan van de egreneringsbedrijven, die ter beoordeling van de rentabiliteit van die teelt in aanmerking moesten worden genomen" en dat het Hof niet had kunnen "nagaan of de Gemeenschapswetgever, zonder overschrijding van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake, tot het besluit kon komen dat de vaststelling van het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen op 35% van het totaalbedrag van de steun onder de vroegere steunregeling, volstond ter bereiking van de in punt 5 van de considerans van Verordening (EG) nr. 864/2004 uiteengezette doelstelling, namelijk de rentabiliteit en dus de voortzetting van die teelt te verzekeren, welke doelstelling overeenkomt met de in lid 2 van Protocol nr. 4 vermelde doelstelling". Het Hof heeft ook verklaard dat de gevolgen van die nietigverklaring worden opgeschort totdat binnen een redelijke termijn een nieuwe verordening is vastgesteld.

(3) In overeenstemming met het arrest van het Hof in zaak C-310/04 moet een nieuwe regeling inzake de specifieke betaling voor katoen worden vastgesteld.

(4) De nieuwe regeling moet beantwoorden aan de doelstellingen die zijn omschreven in punt 2 van het aan de Akte van toetreding van Griekenland gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen (hierna "Protocol 4" genoemd), namelijk de katoenproductie te ondersteunen in de gebieden van de Gemeenschap waar zij van belang is voor de landbouweconomie, de betrokken producenten in staat te stellen een redelijk inkomen te verwerven en de markt te stabiliseren door structuurverbetering inzake het aanbod en het op de markt brengen.

(5) Rekening dient te worden gehouden met alle relevante factoren en omstandigheden die deel uitmaken van de specifieke situatie van de katoensector, waaronder alle elementen die nodig zijn om de rentabiliteit van het gewas katoen te beoordelen. Daartoe is een evaluatie- en raadplegingsproces ondernomen: twee studies werden verricht met betrekking tot de sociaaleconomische en de milieueffecten van de toekomstige steunregeling voor katoen op de katoensector in de Gemeenschap, en ten behoeve van de belanghebbenden werden specifieke seminars en een internetraadpleging georganiseerd.

(6) De ontkoppeling van de rechtstreekse steun aan de producenten en de invoering van de bedrijfstoeslagregeling zijn essentiële elementen in het proces van hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), dat erop is gericht over te schakelen van een beleid van prijs- en productiesteun op een beleid van inkomenssteun aan de landbouwers. Bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 zijn deze elementen ingevoerd voor een reeks van landbouwproducten.

(7) Om de kerndoelstellingen van de hervorming van het GLB te bereiken, dient de steun voor katoen grotendeels te worden ontkoppeld en in de bedrijfstoeslagregeling te worden geïntegreerd.

(8) Volledige integratie van de steunregeling voor de katoensector in de bedrijfstoeslagregeling zou waarschijnlijk voor de katoenproducerende regio's van de Gemeenschap een aanzienlijk risico op ontwrichting van de productie meebrengen. Een deel van de steun dient daarom aan de katoenteelt gekoppeld te blijven via een gewasspecifieke betaling per subsidiabele hectare. Het bedrag ervan dient zo te worden berekend dat de in punt 2 van Protocol 4 omschreven doelstellingen worden bereikt, terwijl de katoenregeling ook wordt opgenomen in de hoofdstroom van hervorming en vereenvoudiging van het GLB. Daartoe is het, in het licht van de verrichte evaluatie, verantwoord om per lidstaat het totale voor hectaresteun beschikbare bedrag vast te stellen op 35% van het nationale aandeel in de zijdelings aan de producenten toegekende steun. Een dergelijk percentage maakt het de katoensector mogelijk zich te ontwikkelen in de richting van levensvatbaarheid op lange termijn, bevordert de duurzame ontwikkeling van de katoenproducerende regio's en waarborgt de landbouwers een redelijk inkomen.

(9) De resterende 65% van het nationale aandeel in de zijdelings aan de producenten toegekende steun dient beschikbaar te zijn voor de bedrijfstoeslagregeling.

(10) Om milieuredenen moet een basisareaal per lidstaat worden vastgesteld, ter beperking van de met katoen beteelde oppervlakten. Bovendien behoren alleen de oppervlakten waarvoor de lidstaten een vergunning hebben verleend, subsidiabel te zijn.

(11) Teneinde in de behoeften van de egreneringsindustrie te voorzien dient een minimumkwaliteit van de daadwerkelijk geoogste katoen een voorwaarde te zijn om voor de steun in aanmerking te komen.

(12) Om het de producenten en de egreneringsbedrijven mogelijk te maken de kwaliteit van de katoen te verbeteren, dient de oprichting van door de lidstaten te erkennen brancheorganisaties te worden bevorderd. De Gemeenschap dient een zijdelingse bijdrage tot de activiteiten van deze organisaties te leveren via verhoging van de steun voor de bij de organisaties aangesloten landbouwers.

(13) Om ervoor te zorgen dat de nieuwe steunregeling voor katoen wordt toegepast vanaf het begin van het kalenderjaar, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2008.

(14) Verordening (EG) nr. 1782/2003 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt als volgt gewijzigd:

(1) In titel IV wordt hoofdstuk 10 bis vervangen door:

"Hoofdstuk 10 bis

Gewasspecifieke betaling voor katoen

Artikel 110 bis – Toepassingsgebied

Aan landbouwers die katoen van GN-code 5201 00 produceren, wordt steun verleend onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden.

Artikel 110 ter – Subsidiabiliteit

1. De steun wordt toegekend per hectare subsidiabel katoenareaal. Om subsidiabel te zijn moet het areaal bestaan uit landbouwgrond waarvoor de lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, zijn ingezaaid met toegelaten rassen en daadwerkelijk zijn afgeoogst in normale groeiomstandigheden.

De in artikel 110 bis bedoelde steun wordt betaald voor katoen van gezonde handelskwaliteit.

2. De lidstaten verlenen de vergunning, respectievelijk de toelating, voor de in lid 1 bedoelde grond en rassen overeenkomstig uitvoeringsbepalingen en voorwaarden die volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld.

Artikel 110 quater – Basisarealen en bedragen

1. De volgende nationale basisarealen worden hierbij vastgesteld:

– Bulgarije: 10.237 ha,

– Griekenland: 370.000 ha,

– Spanje: 70.000 ha,

– Portugal: 360 ha.

2. De steun per subsidiabele hectare bedraagt in:

– Bulgarije: 263 euro,

– Griekenland: 594 euro voor 300.000 ha en 342,85 euro voor de resterende 70.000 ha,

– Spanje: 1.039 euro,

– Portugal: 556 euro.

3. Indien in een bepaald jaar het subsidiabele katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1 vastgestelde basisareaal overschrijdt, wordt het in lid 2 voor die lidstaat vastgestelde steunbedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het basisareaal.

Voor Griekenland geldt die verhoudingsgewijze verlaging echter ten aanzien van het steunbedrag dat is vastgesteld voor het deel van het nationale basisareaal dat bestaat uit 70.000 ha, zulks om het totaalbedrag van 202,2 miljoen euro in acht te nemen.

4. De nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden overeenkomstig de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 110 quinquies – Erkende brancheorganisaties

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "erkende brancheorganisatie" verstaan een rechtspersoon die is samengesteld uit katoenproducerende landbouwers en ten minste één egreneringsbedrijf en die activiteiten verricht zoals:

– het bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop katoen op de markt wordt gebracht, met name door middel van onderzoeks- en marktstudies,

– de opstelling van standaardcontractformulieren die verenigbaar zijn met de voorschriften van de Gemeenschap,

– het sturen van de productie in de richting van producten die beter aan de marktbehoeften en de wensen van de consument zijn aangepast, in het bijzonder wat aspecten van kwaliteit en consumentenbescherming betreft,

– de actualisering van methoden en middelen ter verbetering van de productkwaliteit,

– de ontwikkeling van marketingstrategieën om de afzet van katoen te bevorderen door middel van kwaliteitscertificeringsregelingen.

2. De lidstaat op het grondgebied waarvan de egreneringsbedrijven zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die voldoen aan de volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen criteria.

Artikel 110 sexies – Betaling van de steun

1. De steun per subsidiabele hectare wordt aan de landbouwers toegekend overeenkomstig artikel 110 quater.

2. Aan de bij een erkende brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt, per subsidiabele hectare binnen het bij artikel 110 quater, lid 1, vastgestelde basisareaal, steun toegekend die met een bedrag van 3 euro is verhoogd.".

(2) In artikel 156, lid 2, wordt punt g) vervangen door:

"g) Titel IV, hoofdstuk 10 bis, is van toepassing met ingang van 1 januari 2008 voor de op of na die datum ingezaaide katoen.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM | |

| |

1. | BEGROTINGSPOST: (nomenclatuur 2007)05 03 01 0205 03 02 40 | KREDIETEN:Begroting 2007 2 111 mln. € 261 mln. € |

2. | TITEL VAN DE MAATREGEL:Verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, wat de steunregeling voor katoen betreft. |

3. | RECHTSGRONDSLAG:Artikel 37, lid 2, van het Verdrag |

4. | DOEL VAN DE MAATREGEL:De steunregeling voor katoen is bij Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad hervormd door invoeging van een hoofdstuk 10 bis in titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad. Aangezien dat hoofdstuk 10 bis nietig is verklaard bij het arrest van het Europees Hof van Justitie van 7 september 2006 in zaak C-310/04, wordt met het bijgaande voorstel beoogd nieuwe bepalingen betreffende de specifieke betaling voor katoen vast te stellen. |

5. | FINANCIËLE CONSEQUENTIES | PERIODE 12 MAANDEN (miljoen euro) | LOPEND BEGROTINGS-JAAR 2007 (miljoen euro) | VOLGEND BEGROTINGS-JAAR 2008 (miljoen euro) |

5.0 | UITGAVEN TEN LASTE VAN – DE BEGROTING EG (RESTITUTIES/INTERVENTIES) – NATIONALE BEGROTINGEN – ANDERE | – | – | 277,1 |

5.1 | ONTVANGSTEN – EIGEN MIDDELEN EG (HEFFINGEN/DOUANERECHTEN) – OP NATIONAAL VLAK | – | – | – |

| | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 |

5.0.1 | RAMING VAN DE UITGAVEN | 277,3 | 277,4 | 277,5 | 277,8 | 278,1 |

5.1.1 | RAMING VAN DE ONTVANGSTEN | – | – | – | – | – |

| | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 e.v. |

5.0.2 | RAMING VAN DE UITGAVEN | 278,3 | 278,6 | 278,9 | 279,1 |

5.1.2 | RAMING VAN DE ONTVANGSTEN | – | – | – | – |

5.2 | BEREKENINGSMETHODE: Zie de bijlage. |

6.0 | FINANCIERING MOGELIJK UIT KREDIETEN DIE IN HET BETROKKEN HOOFDSTUK VAN DE LOPENDE BEGROTING ZIJN OPGEVOERD? | JA/NEEN |

6.1 | FINANCIERING MOGELIJK DOOR OVERSCHRIJVING VAN EEN HOOFDSTUK NAAR EEN ANDER HOOFDSTUK VAN DE LOPENDE BEGROTING? | JA/NEEN |

6.2 | AANVULLENDE BEGROTING NODIG? | JA/NEEN |

6.3 | MOETEN OP DE VOLGENDE BEGROTING KREDIETEN WORDEN OPGEVOERD? | JA/ |

OPMERKINGEN:Het voorstel brengt geen verandering in de huidige verhouding tussen gekoppelde en ontkoppelde steun en wijzigt de bepalingen betreffende de ontkoppelde steun niet. Wat de gekoppelde steun betreft, brengt dit voorstel geen extra uitgaven mee in vergelijking met de huidige regeling, aangezien de basisarealen en de hoogte van de steun ongewijzigd blijven. De verlaging van de extra gekoppelde betaling voor landbouwers die lid zijn van een erkende brancheorganisatie, zal echter een besparing van 3 miljoen euro opleveren. |

Bijlage

1 – Gewasspecifieke betaling voor katoen (Griekenland, Portugal, Spanje) – begrotingspost 05 03 02 40 |

| Griekenland | Spanje | Portugal |

Basisareaal | 300 000 ha | 70 000 ha | 360 ha |

Steunbedrag | 594 €/ha | 1 039 €/ha | 556 €/ha |

en | | | |

Basisareaal | 70 000 ha | | |

Steunbedrag | 342,85 €/ha | | |

| | | |

Subtotaal 1 | 202 199 500 € | 72 730 000 € | 200 160 € |

Verhoging van de steun voor de producenten die lid zijn van een erkende brancheorganisatie | | | |

Basisareaal | 370 000 ha | 70 000 ha | 360 ha |

Steunbedrag | 3 €/ha | 3 €/ha | 3 €/ha |

Subtotaal 2 | 1 110 000 € | 210 000 € | 1 080 € |

| | | |

Totaal | 203 309 500 € | 72 940 000 € | 201 240 € |

Totaal EU-15 voor elk begrotingsjaar | 276 450 740 € |

|

|

2 – Bulgarije : opneming in de regeling inzake één enkele areaalbetaling - post 05 03 01 02 | |

Basisareaal | 10 237 ha | | |

Steunbedrag | 263 €/ha | | |

Totaal | 2 692 331 € | | |

Begrotingsjaar | | Gefaseerde invoering voor Bulgarije | |

2008 | 673 083 € | 25% | |

2009 | 807 699 € | 30% | |

2010 | 942 316 € | 35% | |

2011 | 1 076 932 € | 40% | |

2012 | 1 346 166 € | 50% | |

2013 | 1 615 399 € | 60% | |

2014 | 1 884 632 € | 70% | |

2015 | 2 153 865 € | 80% | |

2016 | 2 423 098 € | 90% | |

2017 e.v. | 2 692 331 € | 100% | |

| | | |

| | | |

Totale uitgaven : 1 + 2 | | |

Begrotingsjaar | Totaal | | |

2008 | 277 123 823 € | | |

2009 | 277 258 439 € | | |

2010 | 277 393 056 € | | |

2011 | 277 527 672 € | | |

2012 | 277 796 906 € | | |

2013 | 278 066 139 € | | |

2014 | 278 335 372 € | | |

2015 | 278 604 605 € | | |

2016 | 278 873 838 € | | |

2017 e.v. | 279 143 071 € | | |

[1] PB L 291 van 19.11.1979, blz. 174. Protocol laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1050/2001 (PB L 148 van 1.6.2001, blz. 1).

[2] PB C …van …, blz. ….

[3] PB C …van …, blz. ….

[4] PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 552/2007 (PB L 131 van 23.5.2007, blz. 10).

[5] PB L 161 van 30.4.2004, blz. 48.

[6] Jurispr. 2006, blz. I-7285.

--------------------------------------------------