[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 17.10.2007 COM(2007) 605 definitief 2007/0224 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen op volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig (door de Commissie ingediend) {SEC(2007) 1315}{SEC(2007) 1317} TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL - Motivering en doel van het voorstel Het onderhavige voorstel voor een verordening van de Raad geeft gevolg aan de aanbevelingen van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (Resolutie 61/105 van 8 december 2006) inzake maatregelen tegen destructieve visserijpraktijken die een bedreiging vormen voor kwetsbare mariene ecosystemen op volle zee. Het voorstel is van toepassing op EU-vaartuigen die actief zijn op volle zee in gebieden die niet worden geregeld door een regionale organisatie voor visserijbeheer (ROVB) en waarvoor dus een unilaterale regeling op het niveau van de vlaggenstaat vereist is. - Algemene context Een aantal mariene ecosystemen zoals onderzeese bergen, diepzeekoralen en warmwaterkraters wordt bedreigd door visserijpraktijken die destructieve gevolgen kunnen hebben voor de fysieke integriteit van de habitat. Het is bewezen dat bodemvistuig dat wordt gebruikt in gebieden waar deze ecosystemen voorkomen, diepzeekoralen en sponzen vernietigt, alsook de complexe levensgemeenschappen die zij herbergen en in stand houden. Deze habitats zijn tot op heden niet volledig onderzocht en beschreven, maar er is uitgebreid wetenschappelijk bewijs voor hun hoge waarde als hotspots voor biologische diversiteit. In de Algemene Vergadering van de VN worden sinds 2004 discussies gevoerd over de problemen in verband met destructieve visserijpraktijken op volle zee. Het is dan ook een gevoelig punt geworden in de internationale governance inzake visserij. Met name gebieden op volle zee waarvoor geen regionale organisatie voor visserijbeheer is ingesteld om de visserij en de milieueffecten daarvan te regelen, vormen een bron van bezorgdheid. De EU heeft zeer actief deelgenomen aan dit debat en aan de vaststelling van het aanbevelingenpakket waarover de Algemene Vergadering uiteindelijk overeenstemming heeft bereikt. Het VN-debat werd gemarkeerd door het voorstel van een aantal VN-leden om een algemeen moratorium op de visserij met bodemtrawls op volle zee in te stellen, terwijl andere landen zich aanvankelijk tegen een collectieve maatregel op wereldniveau keerden. De EU heeft met succes een alternatief voorstel ingediend dat gebaseerd is op een strenge regeling van de bodemvisserij, die de grondslag zou moeten vormen voor de door de ROVB's vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen alsook voor de discipline die vlaggenstaten aan hun vaartuigen zouden moeten opleggen wanneer deze actief zijn in gebieden op volle zee die niet door een ROVB worden geregeld. Deze aanpak voorziet in een milieueffectbeoordeling als voorwaarde voor het toestaan van visserijactiviteiten, alsook in vrijwaringsbepalingen, verhoogde inspanningen om kwetsbare mariene ecosystemen te identificeren en te beschrijven aan de hand van wetenschappelijke onderzoeken en rapporten, en in de continue vaststelling van gebiedsgebonden maatregelen en sluitingen om deze ecosystemen te beschermen. De EU telt vrij veel bodemtrawls in gebieden waarvoor geen ROVB is ingesteld om de bodemvisserij te regelen, met name in het zuidwestelijke deel van de Atlantische Oceaan. De EU moet op de oproepen van de AVVN reageren via de vaststelling van verordeningen om te voorkomen dat de bodemvisserij kwetsbare mariene ecosystemen in deze gebieden kan vernietigen. Bij Resolutie 61/105 werden de landen opgeroepen om tegen december 2008 maatregelen in de zin van dit voorstel vast te stellen en in 2009 zal de Algemene Vergadering de respons hierop onderzoeken met het oog op verdere aanbevelingen. - Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De Gemeenschap heeft maatregelen vastgesteld om de diepzee-ecosystemen in EU-wateren te beschermen, en voorstellen hiertoe voorgelegd aan relevante regionale organisaties voor visserijbeheer - NEAFC en NAFO voor de Noordatlantische Oceaan, SEAFO voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, CCAMLR voor Antarctica, GFCM voor de Middellandse Zee – en heeft de aldus vastgestelde maatregelen omgezet in Gemeenschapsrecht. Het onderhavige voorstel vormt een aanvulling op de EU-actie via activiteiten buiten de EU-wateren en in gebieden die niet onder de verantwoordelijkheid van een ROVB vallen. - Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU Dit voorstel integreert het milieubeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Unie doordat het voorziet in voorschriften waarmee nadelige effecten van bepaalde visserijpraktijken op het mariene milieu kunnen worden voorkomen en geëlimineerd. 2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING - Raadpleging van belanghebbende partijen Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten Tijdens de tweejarige discussie over dit thema in het kader van de Verenigde Naties is geluisterd naar de standpunten van belanghebbenden en vertegenwoordigers van de civiele maatschappij. De Commissie heeft met name het rapport bekendgemaakt dat zij in april 2006 bij het Secretariaat-generaal van de VN had ingediend, alsmede een werkdocument van de diensten van de Commissie waarin het voorgenomen standpunt van de EU tijdens het overleg in de Algemene Vergadering van september 2006 wordt toegelicht. Belanghebbenden hebben de Commissie in kennis gesteld van hun standpunten over beide documenten, die vóór de indiening en bekendmaking ervan ook zijn goedgekeurd door de lidstaten. Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden De Commissie heeft twee tegenovergestelde soorten standpunten ontvangen: niet-gouvernementele milieuorganisaties enerzijds pleitten bij de EU voor een algemeen moratorium op de visserij met bodemtrawls op volle zee als enige manier om de instandhouding van kwetsbare diepzee-ecosystemen daadwerkelijk te garanderen, terwijl de visserijsector zich tegen een algemeen verbod kantte. De Commissie stelde een onderhandelingspositie voor met het oog op een evenwichtige oplossing die tot een internationale consensus zou leiden. De Commissie deelde het standpunt van de niet-gouvernementele milieuorganisaties wat betreft de ernst van de bedreiging en de noodzaak van beslissende actie, maar was het ook eens met de visserijsector dat een stringente regelgeving efficiënter kan zijn dan een visverbod op volle zee, met name wanneer over een dergelijk verbod geen consensus binnen de Verenigde Naties zou worden bereikt. In dat geval zouden er geen garanties zijn voor een gelijke behandeling op volle zee, aangezien bepaalde vlaggenstaten het moratorium in acht zouden nemen en andere niet. Het door de Algemene Vergadering op basis van een consensus overeengekomen pakket daarentegen geeft alle landen en ROVB’s duidelijke richtsnoeren inzake de regeling van de bodemvisserij, waarbij een evaluatie van de potentiële milieueffecten op basis van de voorzorgsaanpak wordt ingevoerd, en de machtiging tot activiteiten wordt gekoppeld aan de resultaten van deze evaluatie. Deze aanbevelingen leggen een grondslag voor regulerende maatregelen niet alleen op volle zee, maar ook in ROVB’s en zelfs in onder nationale jurisdictie vallende gebieden, en moeten derhalve resulteren in een betere bescherming van het milieu in alle gebieden. - Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden Diepzee-ecologie, visserijgegevens. Gebruikte methode Raadpleging van gepubliceerde wetenschappelijke literatuur over diepzee-ecosystemen – met name koudwaterkoralen – en de effecten van visserij- en andere menselijke activiteiten op deze systemen. Lopende werkzaamheden op dit gebied door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee. Interne studies over de activiteiten van de vloten in gebieden op volle zee die niet door een ROVB worden geregeld. Onderzoeksprojecten in het kader van het zesde kaderprogramma (met name HERMES, inclusief een technische ad-hocvergadering met bij dit project betrokken deskundigen). Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen Publicaties van ICES, HERMES en UNEP Samenvatting van de ontvangen en gebruikte adviezen Er is gewezen op het bestaan van potentieel ernstige risico’s met onomkeerbare gevolgen. Er is een brede consensus over het bestaan van dergelijke risico's. Om kwetsbare mariene ecosystemen zoals riffen, diepzeekoralen, onderzeese bergen, warmwaterkraters en diepzeesponzen te beschermen tegen de effecten van bodemvistuig, moet het gebruik van dergelijk tuig in gebieden waar deze ecosystemen voorkomen, worden beperkt of verboden. Hoewel de effecten verschillen naar gelang van het gebruikte tuig, gaat het in alle gevallen om uiterst fragiele ecosystemen die moeten worden beschermd door het sluiten van gebieden. Voorts werd verder onderzoek aanbevolen om het effect van de visserij volledig in te schatten, hoewel nu reeds voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen. Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek In het door de Commissie in september 2006 gepubliceerde werkdocument van de diensten van de Commissie worden de conclusies gepresenteerd van de analyse van de Commissie die gebaseerd was op de ontvangen adviezen en standpunten. - Effectbeoordeling Optie 1: geen specifieke maatregelen tot omzetting van Resolutie 61/105 aangezien dit een niet-bindend besluit is. Dit betekent niet dat de EU geen rekening zal houden met deze aanbevelingen. Integendeel, zij zullen haar positie in de internationale samenwerking op visserijgebied onderbouwen. Voor EU-vaartuigen die actief zijn in gebieden die niet door een ROVB worden geregeld, zou de regeling van het probleem aan de verantwoordelijkheid van de individuele EU-lidstaten worden overgelaten. Deze optie zou de internationale geloofwaardigheid van de EU niet ten goede komen en haar leidende rol in de internationale governance inzake visserij in het gedrang brengen. Voorts zou de EU in dit scenario afstand doen van bepaalde op grond van het gemeenschappelijk visserijbeleid op haar rustende verantwoordelijkheden. Optie 2: verder gaan dan de aanbevelingen van de Algemene Vergadering en een unilateraal verbod voor EU-vaartuigen instellen. Volgens de evaluatie zou deze optie op sociaal-economisch vlak aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor de EU-vloten. Zij zou ook duiden op het sterke engagement van de EU om kwetsbare mariene ecosystemen te beschermen. De doeltreffendheid van deze inspanning zou evenwel niet gegarandeerd zijn als andere vlaggenstaten de visserij verder zouden toestaan, aangezien de aan de EU-vloot opgelegde beperkingen in dat geval nog moeilijk te rechtvaardigen zouden zijn. Optie 3: Duidelijk vastgesteld beleid en stringente regelgeving waarbij de aanbevelingen van de Algemene Vergadering ten uitvoer worden gelegd. Deze optie houdt in dat specifieke maatregelen worden genomen om de resolutie ten uitvoer te leggen aan de hand van a) een beleidsdocument dat de Commissie en de EU verbindt tot een duidelijke strategie in internationale fora en waarin doelstellingen en voorgenomen acties worden aangegeven; en b) een verordening om de door de Algemene Vergadering aanbevolen maatregelen ten uitvoer te leggen ten aanzien van EU-vaartuigen die actief zijn in gebieden die niet door een ROVB worden geregeld (het onderhavige voorstel). Deze optie zou zichtbaarheid geven aan het engagement van de EU om het beoogde doel te bereiken en zou de geloofwaardigheid en de leidende rol van de EU op de internationale scène versterken. Zij zal weliswaar gevolgen hebben voor de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van deze voorschriften, met name wat de voorafgaande evaluatie betreft, doch zal ook de voortzetting van visserijactiviteiten mogelijk maken, mits deze milieuvriendelijk zijn. Deze optie is er derhalve op gericht de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen te garanderen. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL - Samenvatting van de voorgestelde maatregelen In het voorstel worden visserijactiviteiten met bodemvistuig in gebieden die niet door een ROVB worden geregeld, afhankelijk gesteld van een visdocument in de zin van Verordening (EG) nr. 1627/94. De afgifte van dit document wordt gekoppeld aan de voorwaarde dat de autoriteiten van de lidstaat van afgifte de potentiële gevolgen van de activiteiten voor kwetsbare mariene ecosystemen evalueren en zich ervan verzekeren dat er geen gevaar voor significante schade is. Met het oog op deze evaluatie dienen de betrokkenen visserijplannen in die door de autoriteit van afgifte worden bestudeerd in het licht van de beschikbare wetenschappelijke gegevens en adviezen over de (vermoedelijke) aanwezigheid van de betrokken ecosystemen in het gebied waar activiteiten zijn gepland, om te garanderen dat deze activiteiten niet in kwetsbare gebieden plaatsvinden. De geldigheid van het document wordt gekoppeld aan de voorwaarde dat de visserijactiviteiten in overeenstemming zijn met de visserijplannen. Met het oog hierop wordt voorzien in instrumenten om deze overeenstemming te controleren (o.a. een stringent satellietvolgsysteem en waarnemers aan boord) en worden juridische gevolgen vastgesteld voor gevallen van niet-naleving (o.a. de regeling in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid inzake "ernstige inbreuken"). Voorts voorziet het voorstel in de verplichting om gebieden met kwetsbare ecosystemen desgevallend te verlaten, en in een grenswaarde voor de diepte waarop bodemvistuig mag worden gebruikt (maximaal 1 000m) om als voorzorgsmaatregel op alle visgronden een beschermd gebied op basis van dieptecriteria in te stellen. Tot slot voorziet het voorstel in rapportageverplichtingen voor de lidstaten en in een bepaling om de regeling twee jaar na de inwerkingtreding ervan opnieuw te bezien. - Rechtsgrondslag Artikel 37 van het EG-Verdrag - Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel heeft betrekking op een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. - Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Het voorstel is gebaseerd op een bestaande regeling, namelijk die van Verordening (EG) nr. 1627/94, op grond waarvan de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de afgifte van speciale visdocumenten en garanderen dat de regeling in de hele Gemeenschap coherent en transparant wordt toegepast. Er wordt geen nieuwe machtigingsregeling ingesteld, het visdocument dient als instrument voor de naleving van voorschriften over de wijze waarop de visserijactiviteiten moeten worden uitgeoefend om vernietiging van kwetsbare mariene ecosystemen te voorkomen. Momenteel zijn de lidstaten op grond van de GLB-voorschriften niet verplicht een voorafgaande milieueffectbeoordeling uit te voeren om individuele visserijactiviteiten te mogen toestaan. De toepassing van dit systeem, zoals dit wordt aanbevolen door de Algemene Vergadering, zal derhalve een hogere werkbelasting voor de autoriteiten met zich brengen, ook al zijn de betrokken visserijactiviteiten relatief beperkt. Het voorstel voorziet evenwel in criteria voor deze evaluatie, met name het gebruik van wetenschappelijk advies dat de lidstaten tot hun beschikking hebben. De huidige vergunningsregeling hoeft in principe niet te worden herzien. Er zal alleen een beter gedocumenteerde vergunningsprocedure vereist zijn. Dit zijn de minimumeisen waaraan moet worden voldaan om doeltreffend in te spelen op de door de Algemene Vergadering overeengekomen aanpak. - Keuze van instrumenten Voorgestelde instrumenten: verordening. Andere instrumenten zouden om de volgende reden(en) ongeschikt zijn. Het gemeenschappelijk visserijbeleid betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. De op communautair niveau vastgestelde voorschriften moeten uniform en bindend zijn om te vermijden dat in de diverse lidstaten verschillende normen gelden. Het is derhalve gerechtvaardigd dat de maatregelen in een voorstel voor een verordening worden opgenomen. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. 5. AANVULLENDE INFORMATIE - Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling Het voorstel bevat een herzieningsbepaling. 2007/0224 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen op volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, Gezien het voorstel van de Commissie[1], Gezien het advies van het Europees Parlement[2], Overwegende hetgeen volgt: (1) De Gemeenschap is verdragsluitende partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende visbestanden en over grote afstanden trekkende visbestanden. Op grond van deze internationale instrumenten zijn de landen verplicht om samen te werken op het gebied van de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee, en moet deze samenwerking rechtstreeks door de landen tot stand worden gebracht of via relevante subregionale of regionale organisaties of regelingen voor visserijbeheer. (2) Het ontbreken van een regionale organisatie of regeling voor visserijbeheer ontheft de landen niet van hun verplichting uit hoofde van het recht van de zee om ten aanzien van hun onderdanen de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee, inclusief de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen tegen de schadelijke effecten van visserijactiviteiten. (3) In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[3] is bepaald dat in het gemeenschappelijk visserijbeleid de voorzorgsaanpak moet worden toegepast bij het nemen van maatregelen die erop gericht zijn het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen zo gering mogelijk te houden. In artikel 7 van diezelfde verordening is bepaald dat de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, kan beslissen over noodmaatregelen indien er bewijs is van een onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten. (4) De Gemeenschap zet zich in voor de instandhouding van mariene ecosystemen zoals riffen, onderzeese bergen, diepzeekoralen, warmwaterkraters en sponsriffen. Er is overvloedig wetenschappelijk materiaal voorhanden waaruit blijkt dat de integriteit van deze ecosystemen wordt bedreigd door visserijactiviteiten waarbij bodemvistuig wordt gebruikt. De Gemeenschap heeft reeds maatregelen vastgesteld om bodemvisserij te verbieden in communautaire wateren waar dergelijke ecosystemen voorkomen. Voorts was zij actief betrokken bij de vaststelling van analoge maatregelen voor de volle zee op bevoegdheidsgebieden van de bestaande regionale organisaties voor visserijbeheer die gemachtigd zijn om de bodemvisserij te regelen. Zij heeft ook actief bijgedragen aan de oprichting van nieuwe organisaties of regelingen om via passende regionale instandhoudings- en beheersregelingen op visserijgebied alle oceanen van de wereld te bestrijken. In een aantal gebieden op volle zee levert de oprichting van een dergelijke organisatie evenwel aanzienlijke moeilijkheden op. (5) Bij Resolutie 61/105 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die op 8 december 2006 is goedgekeurd[4], heeft de internationale gemeenschap een overeenkomst bereikt over de dringende noodzaak van maatregelen om kwetsbare mariene ecosystemen tegen de destructieve effecten van bodemvisserijactiviteiten te beschermen door middel van een strenge regeling van deze activiteiten door regionale organisaties of regelingen voor visserijbeheer of door vlaggenstaten ten aanzien van hun vaartuigen die actief zijn in gebieden waar geen dergelijke organisaties of regelingen zijn ingesteld. De Algemene Vergadering heeft adviezen gegeven over het soort maatregelen dat hiertoe moet worden vastgesteld. (6) De Gemeenschap beschikt over een omvangrijke vloot die bodemvisserijactiviteiten uitoefent in gebieden die niet worden geregeld door een regionale organisatie of regeling voor visserijbeheer en waar de oprichting van een dergelijke organisatie of regeling niet op korte termijn te verwachten valt. Onverminderd de permanente inspanningen om deze resterende leemten in het internationale governancesysteem inzake visserij op te vullen, moet de Gemeenschap haar verplichtingen uit hoofde van het recht van de zee nakomen met betrekking tot de instandhouding van de mariene levende rijkdommen in deze gebieden en derhalve passende maatregelen voor deze vloten vaststellen. Hierbij moet de Gemeenschap handelen in overeenstemming met de door de Algemene Vergadering bij Resolutie 61/105 gegeven adviezen. (7) Een essentieel punt in de aanbevelingen van de Algemene Vergadering zijn maatregelen "... om op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke informatie te beoordelen of individuele bodemvisserijactiviteiten significante nadelige effecten zouden hebben op kwetsbare mariene ecosystemen, en als dat zo blijkt te zijn, te garanderen dat deze activiteiten zo worden beheerd dat zij geen dergelijke effecten hebben, of dat zij worden verboden"[5]. (8) De tenuitvoerlegging van die aanbeveling impliceert dat de betrokken vissersvaartuigen mogen vissen met een speciaal visdocument dat wordt afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten[6] en Verordening (EG) nr. 2943/95 van de Commissie van 20 december 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten[7]. Bovendien moeten de afgifte en de geldigheid van deze documenten afhankelijk worden gesteld van specifieke voorwaarden die garanderen dat het effect van de toegestane visserijactiviteiten naar behoren is geëvalueerd en dat de visserijactiviteiten in overeenstemming zijn met deze evaluatie. (9) De tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Algemene Vergadering vereist ook relevante controlemaatregelen om de naleving van de voorwaarden voor de afgifte van de documenten te garanderen. Het betreft onder andere de aanwezigheid van waarnemers aan boord en specifieke bepalingen inzake het satellietvolgsysteem voor vaartuigen voor het geval dat het systeem defect of anderszins gestoord is, bovenop die van Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie van 18 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen (VMS)[8]. (10) De identificatie van kwetsbare mariene ecosystemen in gebieden die niet worden geregeld door een regionale organisatie voor visserijbeheer, is volop aan de gang en de wetenschappelijke informatie hierover is relatief beperkt. Een maximumdiepte voor het gebruik van bodemvistuig is een beschermende voorzorgsmaatregel voor diepzeekoralen en sponzen in de waterkolom. Een diepte van 1 000 m is een redelijke optie die een passend beschermingsniveau biedt en tevens verenigbaar is met de voortzetting van de bodemvisserij op demersale soorten die doorgaans in ondiepe wateren voorkomen, zoals heek en inktvis. Deze dieptegrens is ook verenigbaar met de geleidelijke ontwikkeling, in het kader van deze verordening, van gebiedsgebonden maatregelen met het oog op een volledige bescherming van gebieden waarin kwetsbare ecosystemen voorkomen of kunnen voorkomen. (11) Niet-inachtneming van bepaalde voorwaarden zoals die inzake de dieptegrens, het satellietvolgsysteem en de verplaatsing van activiteiten wanneer onverwachts een kwetsbaar marien ecosysteem wordt aangetroffen, kan onherroepelijke schade tot gevolg hebben en behoort derhalve te worden opgenomen in de lijst van ernstige inbreuken in de zin van Verordening (EG) nr. 1447/1999 van de Raad van 24 juni 1999 tot vaststelling van een lijst van gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid[9]. (12) Bij Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften[10] heeft de Gemeenschap een specifieke beheersregeling voor diepzeebestanden ingesteld. Het is dienstig te bepalen dat de eisen van Verordening (EG) nr. 2347/2002 ook van toepassing zijn op communautaire vissersvaartuigen voor de diepzeevisserij in gebieden waar geen internationale beheersmaatregelen of -regelingen van kracht zijn. HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Werkingssfeer 1. Deze verordening is van toepassing op communautaire vissersvaartuigen die op volle zee visserijactiviteiten met bodemvistuig uitoefenen. 2. Deze Verordening is niet van toepassing op communautaire vissersvaartuigen die actief zijn in gebieden: 1. die vallen onder de verantwoordelijkheid van een regionale organisatie of regeling voor visserijbeheer met regelingsbevoegdheid voor dergelijke visserijactiviteiten; 2. waarvoor momenteel een regionale organisatie voor visserijbeheer wordt opgericht, als de betrokkenen overgangsmaatregelen zijn overeengekomen om kwetsbare mariene ecosystemen te beschermen tegen de destructieve effecten van het gebruik van bodemvistuig. Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (a) "marien ecosysteem": een dynamisch complex van levensgemeenschappen van planten, dieren en micro-organismen en hun niet-levende omgeving die met hun wisselwerkingen een functionele eenheid vormen; (b) "kwetsbaar marien ecosysteem": een marien ecosysteem waarvan de specifieke structuur en functie volgens de beste beschikbare wetenschappelijke informatie en het voorzorgsbeginsel kunnen worden aangetast door een belasting als gevolg van fysiek contact met bodemvistuig tijdens visserijactiviteiten, zoals onder andere riffen, onderzeese bergen, warmwaterkraters, koudwaterkoralen en koudwatersponsriffen; (c) "bodemvistuig": bodemtrawls, dreggen, geankerde kieuwnetten, grondbeugen, korven en vallen. Artikel 3 Speciaal visdocument 1. Voor de uitoefening van de in artikel 1, lid 1, bedoelde visserijactiviteiten moeten communautaire vissersvaartuigen over een speciaal visdocument beschikken. 2. Het speciale visdocument wordt afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad[11], onder de bij de onderhavige verordening vastgestelde voorwaarden. Artikel 4 Voorwaarden inzake de afgifte 1. Aanvragen voor een speciaal visdocument in de zin van artikel 3, lid 1, gaan vergezeld van een gedetailleerd visserijplan waarin met name het volgende wordt vermeld: 3. de geplande locatie van de activiteiten, 4. de doelsoorten, 5. de diepte waarop het vistuig zal worden gebruikt en 6. de configuratie van het bathymetrische profiel van de zeebodem op de visgronden waar de activiteiten zijn gepland. 2. De bevoegde autoriteiten geven een speciaal visdocument af wanneer uit een evaluatie van de potentiële effecten van de geplande visserijactiviteiten van de vaartuigen kan worden geconcludeerd dat deze activiteiten wellicht geen significante nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen zullen hebben. 3. Voor de uitvoering van de in lid 2 bedoelde evaluatie baseren de bevoegde autoriteiten zich op de beste beschikbare wetenschappelijke informatie over de locatie van kwetsbare mariene ecosystemen in de gebieden waar de betrokken vissersvaartuigen voornemens zijn te vissen. Deze informatie bevat, voor zover deze voorhanden zijn, wetenschappelijke gegevens op basis waarvan de kans op aanwezigheid van dergelijke ecosystemen kan worden ingeschat. 4. Bij de in lid 2 bedoelde evaluatie passen de bevoegde autoriteiten voorzorgscriteria toe. Bij twijfel over de ernst van de nadelige effecten gaan zij ervan uit dat de vermoedelijke nadelige effecten die uit het verstrekte wetenschappelijke advies naar voren komen, significant zijn. 5. Wanneer uit de evaluatie zou blijken dat de overeenkomstig het ingediende visserijplan uitgevoerde activiteiten significante nadelige effecten op kwetsbare mariene ecosystemen zouden kunnen hebben, preciseren de bevoegde autoriteiten de geëvalueerde risico's en geven zij de aanvrager de gelegenheid het visserijplan te wijzigen om deze risico's te voorkomen. Wordt het plan niet gewijzigd, dan wordt het aangevraagde speciale visdocument niet afgegeven. Artikel 5 Geldigheidsvoorwaarden 1. Het in artikel 3, lid 1, bedoelde speciale visdocument blijft geldig gedurende de hele uitvoering van het overeenkomstig artikel 4, lid 1, ingediende visserijplan, mits de visserijactiviteiten te allen tijde in overeenstemming zijn met dit plan. 2. Wanneer het ingediende plan door omstandigheden buiten de wil van de voor de activiteiten verantwoordelijke persoon moet worden gewijzigd, stelt deze persoon de bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld in kennis, met vermelding van de voorgenomen wijzigingen. De bevoegde autoriteiten bestuderen deze wijzigingen en bevestigen de geldigheid van het document alleen dan wanneer de wijzigingen geen verplaatsing van de activiteiten inhouden naar gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen of kunnen voorkomen. Artikel 6 Dieptegrens Het gebruik van bodemvistuig op een diepte van meer dan 1 000 m is verboden. Artikel 7 Onverwacht aantreffen van kwetsbare mariene ecosystemen 1. Wanneer een vaartuig tijdens visserijactiviteiten een kwetsbaar marien ecosysteem aantreft, wordt de visserij onmiddellijk stopgezet of wordt afgezien van visserijactiviteiten in het betrokken gebied. De activiteiten mogen pas worden hervat wanneer binnen het in het visserijplan als bedoeld in artikel 4, lid 1, vastgestelde gebied een alternatieve plaats is bereikt op een afstand van ten minste 5 zeemijl van de plaats waar het ecosysteem werd aangetroffen. 2. Wordt op de in lid 1 bedoelde alternatieve plaats opnieuw een ecosysteem aangetroffen, dan worden de activiteiten overeenkomstig de voorschriften van genoemd lid verplaatst tot een plaats wordt bereikt waar geen kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen. 3. Telkens wanneer een kwetsbaar marien ecosysteem wordt aangetroffen, wordt dit onverwijld aan de bevoegde autoriteiten gemeld met nauwkeurige informatie over de aard, de locatie, het tijdstip en andere relevante gegevens. Artikel 8 Sluiting van gebieden 1. De lidstaten stellen op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke informatie over de aanwezigheid of de vermoedelijke aanwezigheid van kwetsbare mariene ecosystemen in het gebied waar hun vaartuigen actief zijn, de gebieden vast die voor de visserij met bodemvistuig worden gesloten. De lidstaten leggen deze sluitingen onverwijld ten uitvoer voor hun vaartuigen en dienen overeenkomstig artikel 13 een verslag in bij de Commissie. 2. Onverminderd artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad bestudeert de Commissie deze informatie en dient zij in voorkomend geval bij de Raad voorstellen in voor de vaststelling van communautaire maatregelen ter bescherming van deze gebieden. De Commissie overweegt in voorkomend geval ook de vaststelling van dergelijke maatregelen op eigen initiatief. Artikel 9 Satellietvolgsysteem 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 11, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie meldt de kapitein van het vissersvaartuig, wanneer de aan boord geïnstalleerde satellietvolgapparatuur defect of anderszins gestoord is, zijn geografische positie om de twee uur aan de vlaggenlidstaat. 2. Na afloop van de zeereis mag het vaartuig niet opnieuw uitvaren voordat het systeem weer naar tevredenheid van de bevoegde autoriteiten functioneert. Artikel 10 Ernstige inbreuken 1. Bij niet-naleving van het in artikel 4, lid 1, bedoelde visserijplan in andere dan de in artikel 5, lid 2, genoemde omstandigheden vervalt de geldigheid van het aan het betrokken vissersvaartuig afgegeven speciale visdocument. Visserijactiviteiten die worden uitgeoefend nadat het vaartuig is afgeweken van zijn visserijplan, worden beschouwd als uitoefening van de visserij zonder visdocument in de zin van punt C, eerste streepje, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1447/1999. 2. Het herhaaldelijk niet naleven van de in de artikelen 6, 7 en 9 vermelde verplichtingen wordt beschouwd als een gedraging die een ernstige inbreuk vormt op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid in de zin van Verordening (EG) nr. 1447/1999 van de Raad. Artikel 11 Vissersvaartuigen die op diepzeebestanden vissen Voor in artikel 1, lid 1, genoemde communautaire vissersvaartuigen die op diepzeebestanden vissen, gelden de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van 16 december 2002. Artikel 12 Waarnemers 1. Elke lidstaat wijst wetenschappelijke waarnemers aan voor de vissersvaartuigen waaraan een speciaal visdocument in de zin van artikel 3, lid 1, is afgegeven. De waarnemers observeren de visserijactiviteiten van het vaartuig gedurende de hele uitvoering van het visserijplan als bedoeld in artikel 4, lid 1. 2. De wetenschappelijke waarnemer 7. registreert onafhankelijk in een logboek de in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93[12] bedoelde vangstgegevens; 8. registreert elke wijziging van het in artikel 5, lid 2, bedoelde visserijplan; 9. documenteert elk onverwacht aantreffen van kwetsbare mariene ecosystemen als bedoeld in artikel 7, en verzamelt gegevens die van nut kunnen zijn voor de bescherming van de locatie; 10. registreert de diepten waarop het vistuig wordt gebruikt; 11. dient binnen 20 dagen na afloop van de waarnemingsperiode bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een verslag in. Een kopie van dit verslag wordt 30 dagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek aan de Commissie gezonden. 23. De wetenschappelijke waarnemer: 12. mag geen verwant zijn van de kapitein of een andere officier van het vaartuig waaraan de waarnemer is toegewezen; 13. mag niet in dienst zijn van de kapitein van het vaartuig waaraan hij is toegewezen; 14. mag niet in dienst zijn van de vertegenwoordiger van de kapitein; 15. mag niet in dienst zijn van een door de kapitein of zijn vertegenwoordiger gecontroleerd bedrijf; 16. mag geen verwant zijn van de vertegenwoordiger van de kapitein. Artikel 13 Gegevensverstrekking 1. De lidstaten dienen bij de Commissie voor elk half kalenderjaar uiterlijk drie maanden na afloop van dat halve kalenderjaar een verslag in met: 17. bovenop de in artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 bedoelde gegevens, de door de in artikel 1 bedoelde vissersvaartuigen gedane vangsten, vastgesteld op basis van de in de logboeken geregistreerde gegevens, inclusief de volledige registratie van de visdagen buiten de haven en de verslagen van de wetenschappelijke waarnemers, opgesplitst per kwartaal, soort vistuig en vissoort; 18. gegevens betreffende de naleving van de visserijplannen en de vereisten van de artikelen 6, 7 en 8 door de in artikel 1, lid 1, bedoelde vissersvaartuigen, en de maatregelen en sancties die zijn getroffen in gevallen van niet-naleving en ernstige inbreuken in de zin van artikel 10; 19. gegevens betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 8. 2. De Commissie zendt de in het in lid 1 bedoelde verslag vermelde gegevens onverwijld door aan de bevoegde wetenschappelijke instanties. Artikel 14 Follow-up De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad vóór 30 juni 2010 een verslag voor over de tenuitvoerlegging van deze verordening. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze verordening. Artikel 15 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, […] Voor de Raad De Voorzitter [pic][pic][pic][pic][pic][pic] [1] PB C […] van […], blz. […]. [2] PB C […] van […], blz. […]. [3] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. [4] Resolutie 61/105 van de Algemene Vergadering, Duurzame visserij, via de Overeenkomst van 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden en daarmee samenhangende instrumenten [5] Resolutie 61/105, punt 83, onder a). [6] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7. [7] PB L 308 van 21.12.1995, blz. 15. [8] PB L 333 van 20.12.2003, blz. 17. [9] PB L 167 van 2.7.1999, blz. 5. [10] PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6. [11] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7. [12] PB L 261 van 20.10.1993, zoals gewijzigd.