52007PC0571




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 9.10.2007

COM(2007) 571 definitief

2007/0211 (CNS)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof

(door de Commissie ingediend) {SEC(2007) 1272}{SEC(2007) 1273}

TOELICHTING

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL |

110 | Motivering en doel van het voorstel Gezamenlijke technologie-initiatieven (JTI's) worden in het Zevende Kaderprogramma (KP7)[1] geïntroduceerd als een manier voor het tot stand brengen van publiek-private partnerschappen inzake onderzoek op Europees niveau. JTI's zijn een uitdrukking van de sterke verbintenis van de EU tot het coördineren van de onderzoeksinspanningen, het versterken van de Europese Onderzoeksruimte en het bereiken van de Europese doelstellingen inzake concurrentievermogen. JTI's komen in de eerste plaats voort uit de werkzaamheden van Europese technologieplatforms (ETP's). In een klein aantal gevallen hebben ETP's een dergelijke ambitieuze schaal en draagwijdte bereikt dat zij de mobilisering vereisen van grote publieke en private investeringen alsmede substantiële onderzoeksmiddelen voor het uitvoeren van belangrijke elementen van hun strategische onderzoeksagenda. JTI's worden voorgesteld als een doelmatig middel om te voorzien in de behoeften van deze ETP's. Het Specifiek Programma “Samenwerking”[2] wijst waterstof en brandstofcellen naast luchtvaart en luchtvervoer, innovatieve geneesmiddelen, ingebedde computersystemen, nano-elektronica en GMES (wereldwijde monitoring van milieu en veiligheid) aan als een van de zes gebieden waar een JTI bijzonder relevant zou kunnen zijn. De Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof die voortvloeit uit het Technologieplatform inzake Brandstofcellen en Waterstof draagt bij tot de uitvoering van het Actieplan inzake Milieutechnologieën (ETAP) als bedoeld in Mededeling COM(2004) 38 die dit technologieplatform aanwees als een prioritaire actie van ETAP. Brandstofcellen zijn zeer stille, hoogefficiënte energieomzetters die substantiële cumulatieve reducties van broeikasgassen en verontreinigende stoffen kunnen opleveren. Zij maken de energiemix flexibel aangezien zij op waterstof en andere brandstoffen zoals aardgas, ethanol en methanol kunnen werken. Brandstofcellen die gebruik maken van waterstof zijn intrinsiek schone energieomzetters omdat het enige uitlaatproduct stoom is, terwijl ander types die gebruikmaken van aardgas en andere fossiele brandstoffen eveneens minder emitteren omdat zij door hun grotere efficiëntie minder brandstof verbruiken. De invoering van waterstof als flexibele energiedrager kan een positieve bijdrage tot de energiezekerheid betekenen en stabiliserend werken op de energieprijzen aangezien waterstof uit elke primaire energiebron te produceren is en aldus kan zorgen voor diversiteit binnen de vervoersmix, die momenteel voor 98% van olie afhangt. Waterstof is te gebruiken in brandstofcellen of kan worden verbrand om warmte te leveren of turbines of interne verbrandingsmotoren aan te drijven voor de opwekking van beweegkracht en elektrische energie. Waterstof is ook te gebruiken als opslagmedium voor energie. Wanneer bijvoorbeeld de productie van hernieuwbare elektriciteit hoger ligt dan de vraag zou de overtollige energie kunnen worden gebruikt voor het produceren van waterstof door elektrolyse om zo de integratie van hernieuwbare elektriciteit in de energiemarkt te vergemakkelijken. Hoewel er al belangrijke publieke middelen van de EU voor onderzoek naar brandstofcellen en waterstof zijn bestemd, en zij al in de portefeuille voor energie- en vervoersonderzoek van KP7 zijn opgenomen als belangrijke component van de strategie voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO&D), zullen de technologieën waarschijnlijk niet zo snel als wenselijk commercieel beschikbaar zijn. Het gevaar bestaat dat de industriële ontwikkeling van brandstofcellen en waterstof stagneert en bij de mondiale concurrenten verder achteropraakt. De volgende factoren dragen daar onder meer toe bij: het noodzakelijke onderzoek is vaak zo complex dat geen enkel brandstofcelbedrijf of publieke onderzoeksinstelling het alleen afkan; het ontbreken van een overeengekomen begrotingsplan op lange termijn en strategische, technische en marktdoelstellingen om de industrie en de onderzoeksgemeenschap te stimuleren meer eigen middelen daarvoor uit te trekken; het suboptimale gebruik van middelen waardoor hiaten en overlappingen ontstaan in een gefragmenteerd onderzoeksbereik; een ontoereikend middelenvolume voor een geïntegreerd programma dat van fundamenteel onderzoek tot grootschalige demonstraties op EU-niveau reikt; de Europese brandstofcelsector is verspreid over verschillende landen en activiteitgebieden (academische wereld, nieuwe industriële bedrijven, hightech-KMO’s) hetgeen de uitwisseling en pooling van kennis en ervaring beperkt; en technische doorbraken zijn nodig voor het verbeteren van de prestatie, materialen, betrouwbaarheid en duurzaamheid en het verminderen van de systeemkosten om aan de verwachtingen van potentiële klanten te voldoen. Zonder een gericht en coherent programma voor industrieel OTO&D waarbij geput kan worden uit publieke en private bronnen van OTO&D-investeringen op Europees niveau zullen de inspanningen om iets aan de onderzoeksbottlenecks te doen en de zoektocht naar technologische doorbraken versnipperd en ongestructureerd worden voortgezet. Een publiek-privaat gezamenlijk technologie-initiatief dat wordt geïmplementeerd via een gemeenschappelijke onderneming op basis van artikel 171 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zou grote bedrijven en KMO’s in de EU met inbegrip van de nieuwe lidstaten in staat stellen tot onderlinge samenwerking en samenwerking met andere stakeholders rond de volgende gedeelde doelstellingen: mogelijk maken van de doorbraak op de markt van brandstofcel- en waterstoftechnologieën waardoor de commerciële marktwerking aansturing kan geven met het oog op substantiële publieke voordelen; Europa wereldwijd een vooraanstaande positie geven op het gebied van brandstofcel- en waterstoftechnologieën; tot stand brengen van de kritische massa aan onderzoeksinspanningen om vertrouwen te geven aan de industrie, publieke en private investeerders, besluitvormers en andere stakeholders teneinde een programma op lange termijn aan te vatten; als hefboom werken voor nieuwe industriële, nationale en regionale OTO&O-investeringen; bouwen aan de Europese Onderzoeksruimte in nauwe samenhang met op nationaal en regionaal niveau uitgevoerd onderzoek - met inachtneming van de subsidiariteit; integreren van onderzoek, ontwikkeling en demonstratie, centraal stellen van het realiseren van duurzaamheids- en industriële concurrentiedoelstellingen betreffende kosten, prestatie en duurzaamheid op lange termijn en ondervangen van kritieke technologiebottlenecks; stimuleren van innovatie en het ontstaan van nieuwe waardeketens met inbegrip van KMO’s; faciliteren van de interactie tussen industrie, universiteiten en onderzoekscentra over fundamenteel onderzoek; stimuleren van de deelname van de nieuwe lidstaten en kandidaat-lidstaten; uitvoeren van breed opgezet sociaal-technisch-economisch onderzoek voor het beoordelen en monitoren van technologische vooruitgang en niet-technische hinderpalen voor markttoegang; uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de ontwikkeling van nieuwe en evaluatie van bestaande voorschriften en normen om artificiële barrières voor markttoegang te elimineren en de onderlinge uitwisselbaarheid, interoperabiliteit, grensoverschrijdende waterstofhandel en uitvoermarkten te ondersteunen terwijl ook een veilige werking wordt verzekerd en innovatie niet wordt belemmerd; verstrekken van betrouwbare informatie aan het grote publiek over de veiligheid van waterstof en de voordelen van de nieuwe technologieën voor het milieu, de voorzieningszekerheid, energiekosten en werkgelegenheid. Algemene context Energie is van fundamenteel belang voor een moderne maatschappij en voor duurzame ontwikkeling. Elk energietekort of elke onzekerheid in dat verband zou zowel onmiddellijk als wat de toekomstplanning betreft serieuze implicaties hebben voor individuen, gemeenschappen en bedrijven. Recente verstoringen en toekomstige onzekerheden in de olie- en gasvoorziening en de daaruit voorvloeiende prijsvolatiliteit temperen de economische groei, doen inflatie en werkloosheid toenemen en verminderen de waarde van financiële en andere activa. De olie- en gasvoorraden verkleinen en volgens sommige experts wordt weldra een piekproductie bereikt[3]; vaststaat dat de resterende voorraden momenteel steeds meer in enkele landen geconcentreerd zijn waartoe de politieke toegang beperkt is, en dat voorzieningszekerheid een belangrijk probleem zal zijn voor de meeste industrielanden en vooral de EU. In de context van concurrerende en geleidelijk aan integrerende mondiale vervoers- en energiemarkten groeit de energievraag momenteel snel in de grote opkomende landen. Mondiaal worden we geconfronteerd met het grote probleem van de klimaatverandering en stijgende broeikasgassenniveaus. Er zijn veel onzekerheden, maar in de toonaangevende wetenschappelijke kringen is er consensus dat grote reducties in broeikasgasemissies onmiddellijk nodig zijn en over langere tijd moeten worden volgehouden[4]. De huidige structuur van de brandstofcel- en waterstofindustrie in Europa is onbevredigend en leidt tot bezorgdheid of deze zich aan verandering kan aanpassen. Hoewel de EU beschikt over onderzoeksfaciliteiten van wereldklasse en bijvoorbeeld een wereldleider is op het gebied van brandstofcellen voor grote onderzeeërs en brandstofcelmembranen, is de sector over het algemeen onontwikkeld en zijn grootschalige productieprocedés en infrastructuurinzet voor bijvullings- en ondersteuningsdiensten zoals getraind persoon nog niet beschikbaar. De brandstofcelbranche wereldwijd wordt gekenmerkt door zeer grote bedrijven en zeer kleine hooginnovatieve KMO's. Europa heeft veel KMO's, en het is van cruciaal belang dat hun innovatiepotentieel wordt gerealiseerd aangezien deze bedrijven de toekomstige ruggengraat kunnen vormen van een onderdelenleverketen in de EU. De brandstofcel- en waterstofindustrie zijn sterk gecorreleerd, maar niet geheel interdependent. De aard en graad van concurrentie in de twee industrieën is in hoge mate complex. Het gebruik van waterstof in bulk in de procesindustrie is oud, en reeds lang gevestigde, industriële ondernemingen zien mogelijkheden ontstaan voor nieuwe energie- en vervoersmarkten door de toepassing op grotere schaal van brandstofceltechnologieën enerzijds en waterstofverbrandingsmotoren anderzijds. Tegelijk hangen de fabrikanten van brandstofcellen, die zich in de zeer vroege startfase bevinden, niet helemaal van waterstof af omdat een aantal brandstofcellen op alternatieve brandstoffen kan werken met inbegrip van aardgas, ethanol en methanol. Nieuwkomers op de markt van brandstofcel- en waterstoftechnologieën worden geconfronteerd met toegangsbarrières in verband met grote economische investeringen waaraan ondernemingen vastzitten, waarvoor een verandering in de energiemix dus bedreigend is. De markttoegang wordt ook bemoeilijkt door het ontbreken van een tariferingsmechanisme voor het belonen van internalisering van externe kosten[5] (bv. koolstofwaarde), de langetermijninvesteringen die nodig zijn om over te schakelen op een nieuwe generatie producten en infrastructuur voor brandstofcellen en waterstof op te bouwen, en de moeilijkheden om gemeenschappelijke voorschriften, codes en normen vast te stellen om de mondiale marktontwikkeling te faciliteren. Vereist is een geïntegreerde strategie voor het maximaliseren van de voordelen van overgangstechnologieën met brandstofcellen die gebruik maken van aardgas, biogas, methanol en ethanol, op het traject zo mogelijk gecombineerd met het afvangen en opslaan van kooldioxide (CCS), waarbij binnen een gepland en geoptimaliseerd kader strategische nichemarkten worden geëxploiteerd teneinde economische verstoring te vermijden. De mondiale jaaromzet van de brandstofcelindustrie in 2005 bedroeg ongeveer 300 M€, bij een marktaandeel van 52% voor Noord-Amerika, 14% voor Japan, 12% voor Europa en 22% verdeeld over de rest van de wereld. Er zijn in vergelijking met Noord-Amerika en Japan momenteel in Europa relatief minder bedrijven die – met name voor het wegvervoer - hun eigen technologie voor een brandstofcelassortiment en -componenten ontwikkelen. De private OTO&D-investeringen bedragen naar schatting ongeveer 700 M€ per jaar, waarvan 78% in Noord-Amerika en slechts 10% in Europa wordt gedaan. De Europese industrie heeft extra prikkels nodig om in deze technologieën te investeren teneinde concurrentiëler te worden. Grote concurrenten zetten momenteel ambitieuze programma's door van geïntegreerd onderzoek en ontwikkeling met de bedoeling producten op de markt te brengen en de facto normen in te stellen die laatkomers zullen moeten volgen. Een EG-studie[6] schat dat de EU 5 jaar achterligt op Japan en Noord-Amerika op het gebied van de demonstratie van brandstofcelvoertuigen. De Amerikaanse en Japanse programma's worden strategisch beheerd in nauwe samenwerking met de respectieve industrieën. Het Amerikaanse DoE heeft een "Hydrogen Posture Plan"[7] ontwikkeld – het resultaat van uitgebreid overleg met de hoofdstakeholders. Het Japanse ministerie van Economie, Handel en Industrie (METI) verleent gerichte ondersteuning voor fundamenteel onderzoek. Bovendien ondersteunt Japan een ambitieus programma voor demonstratie van huishoudelijke brandstofcelsystemen voor warmtekrachtkoppeling, de ontwikkeling van waterstofdistributie-infrastructuur en het testen van een verscheidenheid van waterstofproductieopties in het kader van de "Japanse Conferentie over de commercialisering van brandstofcellen"[8]. De Amerikaanse en Japanse programma's hebben aldus goed ontwikkelde processen voor het beheren van de onderzoeks- en technologievalidatie, die moeilijk te realiseren zijn in de huidige nationaal versnipperde onderzoeksomgeving in de EU. De Gemeenschappelijke Onderneming zou de EU op gelijke voet brengen door de oprichting van één juridische entiteit voor het beheren van alle JTI-middelen die door de publieke en private sectoren worden uitgetrokken via contracten voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie om de kerntechnologieën voor brandstofcellen en waterstof te ontwikkelen. Bestaande bepalingen op het gebied van het voorstel Er bestaan nog geen bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied. |

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU Als een van de in januari 2007 in de Mededeling "Een energiebeleid voor Europa"[9] gelanceerde initiatieven ontwikkelt de Europese Commissie momenteel een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan)[10] om het verloop van de innovatie op het gebied van energietechnologie in de komende decennia te sturen, de verwachtingen inzake efficiënte en koolstofluwe technologieën met inbegrip van brandstofcellen en waterstof in te lossen en tot een duurzamer energiesysteem te komen. Het Europees Parlement heeft in mei 2007 een schriftelijke verklaring[11] aangenomen waarin op de EU-instellingen een beroep wordt gedaan om de brandstofcel- en waterstoftechnologieën voor draagbare, stationaire en vervoerstoepassingen te ondersteunen door middel van een partnerschap met betrokken regio's, KMO's en organisaties van het maatschappelijk middenveld. De voorgestelde verordening is consistent met de communautaire beleidslijnen inzake onderzoek. Zij is ook consistent met de hernieuwde Lissabon-strategie[12] en de Barcelona-doelstellingen voor de EU om tegen 2010 3% van haar BBP in onderzoek en ontwikkeling te investeren. Het Zevende Kaderprogramma (KP7) (2007-2013) speelt voor Europa een belangrijke rol bij de verwezenlijking van deze doelstellingen. De verordening is ook de uitdrukking van een consensus dat Europa zijn inspanningen moet verdubbelen om het rendement van zijn OTO&D-investeringen te verbeteren teneinde zichzelf toe te rusten als een competitieve en dynamische kenniseconomie. Het voorgestelde initiatief is onderdeel van een brede ambitieuze communautaire strategie die gericht is op het aanpakken van de innovatiekloof en onder meer het voorstel tot oprichting van een Europees Instituut voor Technologie omvat. |

RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van de betrokken partijen en gebruik van expertise |

211 | Bij de opstelling van haar voorstellen voor het opzetten van gezamenlijke technologie-initiatieven heeft de Commissie in het kader van een brede raadpleging waarbij de lidstaten en het Europees Parlement betrokken waren rekening gehouden met de zienswijzen van veel stakeholders uit de onderzoeksgemeenschap en de industrie. De Commissie heeft ook het Europees Technologieplatform voor Waterstof en Brandstofcellen (HFP)[13] geraadpleegd dat de Strategische Onderzoeksagenda, de Toepassingsstrategie en het Implementation Plan (Uitvoeringsplan) 2006 heeft uitgewerkt, het voornaamste referentiedocument waarin de technische en marktdoelstellingen voor brandstofcel- en waterstoftechnologieën van "Snapshot 2020" worden geschetst. In het Uitvoeringsplan worden prioriteiten geformuleerd voor een algemeen geïntegreerd OTO&D-programma almede termijnen en aanbevolen begrotingsallocaties over zeven jaar om de commercialisering van de nieuwe technologieën te versnellen. In alle stadia van de procedure werd ook de HFP Mirror Group van de lidstaten geraadpleegd. Naast de HFP-instanties is op ruime schaal informatie verspreid via de HFP-website en –nieuwsbrieven, waardoor alle stakeholders konden bijdragen tot het debat. Tot de stakeholders behoorden de original equipment manufacturers (OEM's), brandstofcel- en energie-uitrustingsbedrijven met inbegrip van veel KMO's[14], nutsbedrijven, industriële gasbedrijven, energiebedrijven, universiteiten en onderzoekscentra. Bij het driejarige raadplegingsproces waren honderden stakeholders betrokken en het omvatte een publieke internetraadpleging over de bovenvermelde platformdocumenten, bijdragen van EG-onderzoeksprojecten en studies over de vèrstrekkende sociaal-economische en ecologische effecten van de waterstof- en brandstofceltechnologieën en de economische haalbaarheid van de toepassing ervan. De Commissie heeft ook vier grote conferentie-evenementen (drie "General Assemblies" en "Technical Review Days") en workshops voor de regio's en onderzoeksgemeenschap georganiseerd. Er werd een Peer Review Group van vier internationaal erkende onafhankelijke deskundigen ingehuurd om de effectbeoordeling te helpen voltooien[15]. |

230 | Effectbeoordeling Dit voorstel voor een verordening van de Raad is het voorwerp geweest van een effectbeoordeling door de Commissie waarin de potentiële impact van een JTI is vergeleken met de alternatieven, met name een business as usual KP7 plus nationale en regionale acties. De conclusies ervan zijn dat een gezamenlijk technologie-initiatief een aantal duidelijke voordelen heeft boven het alternatieve business as usual: de doorlooptijd wordt 2 à 5 jaar korter – er kan niet genoeg de nadruk worden gelegd op het feit dat het belangrijk is om het eerst op een bepaalde markt te zijn, hetgeen loont doordat er cumulatief minder dient te worden geïnvesteerd, het break-evenpoint eerder wordt bereikt en de concurrentiepositie van vroege marktdeelnemers, waaronder mogelijk veel KMO's, wordt versterkt; een verbintenis op lange termijn en een scherp omlijnd budget werken het vertrouwen bij publieke en private investeerders in de hand; additionaliteit: door het hefboomeffect van het medefinancieringsprincipe worden minstens 600 M€ meer gemobiliseerd dan bij business as usual, waarbij de private onderzoeksinvesteringen bijna tweeëneenhalf keer zo hoog liggen; een overeenkomstig sneller rendement door het verbeteren van de energie-efficiëntie en voorzieningszekerheid en het reduceren van broeikasgassen en verontreiniging. Een stijging in de OTO&D-uitgaven zoals teweeggebracht door het JTI kan vergeleken met business as usual de tijd om het break-evenpoint te bereiken met 2-5 jaar verkorten en de cumulatieve kosten met ongeveer 20-30% verminderen. De positieve effecten op het concurrentievermogen van de EU op korte, middellange en lange termijn zouden, zoals blijkt uit modelsimulaties, gepaard gaan met voordelen voor het algemeen welzijn in de orde van grootte van tientallen miljarden euro's aan broeikasgas- en verontreinigingsreducties, verbeterde zekerheid van de energievoorziening, duurzamer vervoer en grotere efficiëntie en schonere energieproductie en eindgebruik tijdens de periode 2025-2050. |

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

305 | Samenvatting van de voorgestelde maatregel Het voorstel bestaat uit een verordening van de Raad betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof. |

310 | Rechtsgrondslag De rechtsgrondslag van het voorstel is artikel 171 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. |

320 | Subsidiariteit en evenredigheid Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing aangezien het voorstel niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Gemeenschap valt. De doelstellingen van het voorstel kunnen niet voldoende door de lidstaten worden bereikt omdat de schaal van de uitdaging de mogelijkheden van elke lidstaat alleen te boven gaat. Door de pooling en coördinatie van de inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling op EU-niveau is de kans op welslagen groter gezien enerzijds het grensoverschrijdende karakter van de te ontwikkelen infrastructuur en technologieën en anderzijds de noodzaak om voldoende middelen bijeen te brengen. De steunverlening van de Europese Gemeenschap zal, niet alleen door gemeenschappelijk prenormatief onderzoek ter ondersteuning van de opstelling van normen, maar ook door de feitelijke normalisatie die zal ontstaan uit de nauwe onderzoekssamenwerking en de transnationale demonstratieprojecten, de onderzoeksprogamma's helpen rationaliseren en zorgen voor interoperabiliteit van de ontwikkelde systemen. Deze normalisatie zal een bredere markt openen en concurrentie in de hand werken. De draagwijdte van het voorstel zou de lidstaten moeten stimuleren om aanvullende initiatieven op nationaal niveau te nemen in de geest van versterking van de Europese Onderzoeksruimte – de bedoeling van het JTI is namelijk juist deze nationale en regionale progamma's te stimuleren om optimaal gebruik te maken van de gecombineerde inspanningen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de bepalingen van deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om de doelstellingen ervan te bereiken. |

Keuze van het instrument |

341 | Voorgesteld instrument: verordening. Andere instrumenten zouden om de volgende reden ongeschikt zijn: de oprichting van een onderneming waarin de Gemeenschap participeert, vereist een verordening van de Raad. |

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

401 | Het bij deze ontwerpverordening gevoegde financieel memorandum omvat een overzicht van de gevolgen voor de begroting, de vereiste personele en administratieve middelen en de indicatieve cijfers voor de periode 2007-2013. Het EG-budget, in totaal 470 miljoen EUR, is afkomstig van de volgende begrotingsonderdelen van het Specifiek Programma "Samenwerking" van KP7: Energie; Nanowetenschappen, nanotechnologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën; Vervoer (met inbegrip van luchtvaart); en Milieu (met inbegrip van Klimaatverandering) bij DG RTD en Vervoer bij DG TREN. De exploitatiekosten van de gezamenlijke onderneming FCH worden vanaf het begin gelijkelijk (50/50) gedragen door de EG en de Industriegroepering (IG). Indien een onderzoeksgroep wordt opgericht en vraagt om lid te worden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH krijgt de onderzoeksgroep één zetel in de raad van bestuur en draagt hij dan voor 1/12 in de exploitatiekosten bij. De onderzoeksactiviteiten worden gezamenlijk gefinancierd door de EG, de IG en de deelnemende universiteiten, publieke onderzoekscentra enz.; de EG betaalt haar bijdrage contant en de deelnemers betalen hun bijdrage in natura in het kader van de projecten. |

AANVULLENDE INFORMATIE |

510 | Overgangsperiode |

511 | Het werkprogramma 2007 voorziet in een coördinatie- en ondersteuningsactie als "overbruggende" activiteit om nadere voorbereidselen te treffen voor de oprichting van het JTI gedurende 2007-2008. |

Evaluatie |

De EC zal een jaarlijks verslag indienen over de door de Gezamenlijke Onderneming FCH gemaakte voortgang. De EC zal verder een middenevaluatie uitvoeren alsook een eindevaluatie bij de beëindiging van het JTI. Decharge voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt door het Europees Parlement verleend op aanbeveling van de Raad, rekening houdend met de specificiteit van het JTI als publiek-privaat partnerschap. Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling Het voorstel bevat een evaluatiebepaling. Het voorstel bevat een vervalbepaling. |

1. 2007/0211 (CNS)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof (Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 171,

Gelet op het voorstel van de Commissie[16],

Gezien het advies van het Europees Parlement[17],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[18],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het Zevende Kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)[19], hierna "het Zevende Kaderprogramma" genoemd, voorziet in een communautaire bijdrage voor de oprichting van publiek-private partnerschappen op lange termijn in de vorm van gezamenlijke technologie-initiatieven (hierna "JTI's" genoemd) die moeten worden uitgevoerd via gemeenschappelijke ondernemingen in de zin van artikel 171 van het Verdrag. Deze JTI's zijn opgericht als gevolg van de werkzaamheden van Europese technologieplatforms (hierna ETP's), die reeds uit hoofde van het zesde kaderprogramma zijn opgericht, en bestrijken geselecteerde aspecten van onderzoek op hun gebied. Zij moeten investeringen van de private sector en Europese publieke financiering, met inbegrip van financiering uit het Zevende Kaderprogramma, combineren.

(2) Beschikking nr. 971/2006/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het Specifiek Programma "Samenwerking" tot uitvoering van het Zevende Kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)[20] onderstreept de noodzaak van ambitieuze pan-Europese publiek-private partnerschappen voor het versnellen van de ontwikkeling van belangrijke technologieën en grote onderzoeksacties op communautair niveau met inbegrip van met name JTI's.

(3) In de Lissabon-agenda voor groei en werkgelegenheid wordt de noodzaak onderstreept van totstandbrenging van gunstige voorwaarden voor investeringen in kennis en innovatie in de Gemeenschap met het oog op het bevorderen van het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid.

(4) In zijn conclusies van 3 maart 2003, van 22 september 2003 en van 24 september 2004 heeft de Raad het belang op de voorgrond gesteld van het verder ontwikkelen van acties ingevolge het 3%-Actieplan voor onderzoek en het innovatiebeleid[21], met inbegrip van het ontwikkelen van nieuwe initiatieven voor het intensiveren van de samenwerking tussen de industrie en de publieke sector bij de financiering van onderzoek om transnationale publiek-private banden te versterken.

(5) In november 2003 heeft de Europese Raad een Europees groei-initiatief aangenomen als gespecificeerd in een mededeling van de Commissie[22]. Dit initiatief in het kader van het snelstartprogramma omvat een projectgebied "Waterstofeconomie" met een totaalbedrag van 2,8 mld. € tussen 2004 en 2015 en mogelijke financiering uit de OTO&D-Kaderprogramma's en de Structuurfondsen.

(6) In mei 2003 heeft een Groep op hoog niveau waterstof en brandstofcellen een visierapport gepresenteerd, "Waterstofenergie en brandstofcellen - een visie op onze toekomst", waarin onder meer worden aanbevolen de oprichting van een partnerschap voor brandstofcel- en waterstoftechnologie, een substantieel verhoogd OTO&D-budget alsmede een demonstratie- en pilotprogramma om de technologievalidatie-exercities uit te breiden tot de marktontwikkelingsarena.

(7) In december 2003 heeft de Commissie de oprichting gefaciliteerd van het Europees Technologieplatform voor Waterstof en Brandstofcellen, waarin alle geïnteresseerde stakeholders worden samengebracht in een gezamenlijke inspanning om ernaar te streven de visie van de Groep op hoog te niveau te realiseren. In maart 2005 heeft het genoemde technologieplatform een strategische onderzoeksagenda en toepassingsstrategie aangenomen om de ontwikkeling en opdemarktbrenging van brandstofcel- en waterstoftechnologieën in de Gemeenschap te versnellen.

(8) De technologische uitdaging waarvoor brandstofcellen en waterstof staan is zeer complex en omvangrijk en de technische deskundigheid is zeer sterk versnipperd. Deze uitdaging dient dan ook, om kritische massa in termen van werkingsschaal, excellentie en innovatiepotentieel te creëren, gericht en coherent op EU-niveau te worden aangegaan. Een en ander alsmede de potentiële bijdrage ervan tot het Gemeenschapsbeleid, met name op het gebied van energie, milieu, vervoer, duurzame ontwikkeling en economische groei, vereist de JTI-aanpak in deze sector.

(9) Het doel van het JTI inzake "brandstofcellen en waterstof" is het uitvoeren van een programma van activiteiten voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie in Europa op het gebied van brandstofcellen en waterstof. Deze moeten worden uitgevoerd in samenwerking met en met deelneming van stakeholders uit de industrie met inbegrip van KMO's, onderzoekscentra, universiteiten en regio's.

(10) Rekening houdend met het feit dat bij het publiek-privaat partnerschap belangrijke stakeholders betrokken zijn en met het langetermijnkarakter van de activiteiten ervan, met de gegenereerde sociaal-economische voordelen voor de Europese burgers, de pooling van door de Commissie en de industrie toegekende financiële middelen en medefinanciering op het gebied van activiteiten voor OTO&D inzake brandstofcellen en waterstof, de vereiste hoogwetenschappelijke en -technische expertise en de inbreng van industriële eigendomsrechten is het van vitaal belang een Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof (hierna de "gezamenlijke onderneming FCH") op te richten op grond van artikel 171 van het Verdrag. Deze juridische entiteit moet het gecoördineerde gebruik en efficiënte beheer waarborgen van de middelen die aan het JTI voor "Brandstofcellen en Waterstof" worden toegewezen. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH moet worden opgericht voor een eerste periode van 10 jaar die eindigt op 31 december 2017 om het adequate beheer van tijdens het Zevende Kaderprogramma (2007-2013) begonnen, maar niet voltooide onderzoeksactiviteiten te verzekeren. Deze periode kan worden verlengd.

(11) De doelstellingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH moeten worden nagestreefd door het poolen van middelen van de publieke en private sector voor het ondersteunen van OTO&D-activiteiten met het oog op het vergroten van de algemene efficiëntie van de Europese onderzoeksinspanningen en het versnellen van de ontwikkeling en de toepassing van brandstofcel- en waterstoftechnologieën. Daartoe moet de Gemeenschappelijke Onderneming FCH vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen voor projecten kunnen organiseren voor het uitvoeren van de activiteiten voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie. Onderzoeksactiviteiten moeten de binnen het Zevende Kaderprogramma van toepassing zijnde fundamentele ethische beginselen respecteren.

(12) De oprichtende leden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH moeten de Europese Gemeenschap en de Europese Industriegroepering Gezamenlijk Technologie-initiatief Brandstofcellen en Waterstof (hierna de "Industriegroepering") zijn, die de belangen van de industrie vertegenwoordigt en open staat voor private bedrijven. Een onderzoeksgroepering kan lid worden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

(13) De exploitatiekosten van de gezamenlijke onderneming FCH moeten van het begin af aan in gelijke mate contant gedekt worden door de Europese Gemeenschap en de Industriegroepering. Indien de Onderzoeksgroepering wordt opgericht, moet deze bijdragen voor 1/12 van de exploitatiekosten.

(14) De beleidskosten voor OTO&D moeten door de Gemeenschap en de private sector worden gefinancierd.

(15) De Gemeenschappelijke Onderneming FCH moet als organisatie door de Gemeenschap opgericht zijn; decharge voor de uitvoering van haar begroting moet worden verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad. Er moet echter rekening worden gehouden met de specificiteit die voortvloeit uit de aard van het JTI als publiek-privaat partnerschap en met name uit de bijdrage van de private sector in het budget.

(16) De Gemeenschappelijke Onderneming FCH moet, behoudens voorafgaand overleg met de Commissie, specifieke financiële bepalingen aannemen op basis van de beginselen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[23]. Deze bepalingen moeten rekening houden met haar specifieke huishoudelijke behoeften die met name voortvloeien uit de noodzaak om communautaire en private financiering te combineren.

(17) De regels voor de organisatie en werking van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH moeten worden neergelegd in de statuten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zoals opgenomen in de bijlage.

(18) De Gemeenschappelijke Onderneming FCH moet aan verbintenissen voldoen ingevolge internationale overeenkomsten. Te dien einde moet zij worden beschouwd als een internationale organisatie in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten[24], en artikel 15 van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten[25].

(19) Het beleid inzake intellectuele eigendomsrechten moet voorzien in rechteneigendom voor de deelnemers aan de projecten als eigenaars van het door middel van het gezamenlijk technologie-initiatief FCH gecreëerde goed, en moet de passende exploitatie ervan mogelijk maken.

(20) Er moeten passende maatregelen worden genomen om onregelmatigheden en fraude tegen te gaan, en de nodige stappen moeten worden gezet om verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist gebruikte middelen in te vorderen in overeenstemming met Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen[26], Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden[27] en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[28].

(21) Als een organisatie met rechtspersoonlijkheid is de Gemeenschappelijke Onderneming FCH verantwoordelijk voor haar handelingen. In voorkomende gevallen is het Europese Hof van Justitie bevoegd voor de beslechting van geschillen die rijzen bij de activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming.

(22) Aangezien de doelstelling van de voorgestelde actie, namelijk de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wegens het transnationale karakter en de omvang van de onderzoeksuitdaging, die de pooling vereist van aanvullende kennis en financiële bronnen over de sectoren en grenzen heen, niet door de lidstaten kan worden bereikt en daardoor beter op communautair niveau kan worden bereikt, kan de Gemeenschap, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag, maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Oprichting

1. Voor de toepassing van het gezamenlijk technologie-initiatief (hierna "JTI" genoemd) inzake "Brandstofcellen en Waterstof" wordt een gemeenschappelijke onderneming (hierna de "Gemeenschappelijke Onderneming FCH" genoemd) in de zin van artikel 171 van het Verdrag opgericht voor een periode die eindigt op 31 december 2017. Deze periode kan worden verlengd door een herziening van deze verordening.

2. De Gemeenschappelijke onderneming FCH heeft rechtspersoonlijkheid. Zij geniet in de lidstaten de ruimste rechtsbevoegdheid die krachtens de wetgeving van die lidstaten aan rechtspersonen wordt verleend. Zij kan met name roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en in rechte optreden.

3. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt beschouwd als een internationale organisatie in de zin van artikel 22, onder c, van Richtlijn 2004/17/EG en van artikel 15, onder c, van Richtlijn 2004/18/EG.

4. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH is gevestigd in Brussel, België.

5. De statuten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn in de bijlage opgenomen.

Artikel 2 Doelstellingen en taken

1. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH draagt bij tot de uitvoering van het Zevende Kaderprogramma (2007-2013) van de Europese Gemeenschap voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie en met name de thema's "Energie", "Nanowetenschappen, nanotechnologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën", "Milieu (met inbegrip van klimaatverandering)" en "Vervoer (met inbegrip van luchtvaart)" van het Specifiek Programma "Samenwerking".

2. Zij is met name belast met:

2. de gecoördineerde ondersteuning van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO&D) in de lidstaten en geassocieerde landen om markttekortkomingen te ondervangen, richt zich op de ontwikkeling van markttoepassingen en vergemakkelijkt daardoor extra industriële inspanningen voor een snelle toepassing van brandstofcel- en waterstoftechnologieën;

3. de ondersteuning van de uitvoering van de onderzoeksprioriteiten van het JTI over Brandstofcellen en Waterstof, met name door het toekennen van subsidies na vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen;

4. de stimulering van verhoogde publieke en private onderzoeksinvesteringen in brandstofcel- en waterstoftechnologieën in de lidstaten en geassocieerde landen;

5. de sluiting van contracten voor diensten en leveringen die nodig zijn voor de werking van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

6. de verzekering van de efficiëntie en effectiviteit van het JTI inzake Brandstofcellen en Waterstof.

Artikel 3 Leden

1. De oprichtende leden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH (hierna "oprichtende leden" genoemd) zijn:

7. de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, en

8. de IVZW naar Belgisch recht Europese Industriegroepering Gezamenlijk Technologie-initiatief Brandstofcellen en Waterstof (hierna de "Industriegroepering" genoemd).

2. Een onderzoeksgroepering, die non-profit onderzoeksorganisaties, universiteiten en onderzoekscentra vertegenwoordigt, kan lid worden (hierna "lid" genoemd) mits een entiteit voor de vertegenwoordiging van de onderzoeksgemeenschap is opgericht. Indien de onderzoeksgroepering wordt opgericht, beschikt zij over één zetel in de raad van bestuur.

Artikel 4 Organen

1. De uitvoerende organen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn:

9. de raad van bestuur en

10. het Programmabureau.

2. De adviesorganen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn:

11. de Groep van lidstaten op hoog niveau[29] en

12. het Wetenschappelijk Comité.

3. De Algemene Vergadering van Stakeholders is een forum voor overleg over de voortgang, stand van zaken, toekomstige afstemming en sturing van de onderzoeksactiviteiten.

De Algemene Vergadering van Stakeholders staat open voor alle publieke en private stakeholders, internationale belangengroepen uit de lidstaten alsmede uit derde landen. Deze wordt eenmaal per jaar bijeengeroepen.

Artikel 5 Financieringsbronnen

1. De activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH worden gezamenlijk gefinancierd uit bijdragen van haar oprichtende leden en lid. Bovendien kunnen bijdragen tot de projecten ook worden aanvaard van lidstaten, geassocieerde staten, regio's of andere stakeholders die de doelstellingen van het JTI delen.

2. De exploitatiekosten van de gezamenlijke onderneming FCH worden van het begin af aan in gelijke mate contant gedekt door de Europese Gemeenschap en de Industriegroepering. Indien de Onderzoeksgroepering wordt opgericht, draagt deze voor 1/12 van de exploitatiekosten bij. In een dergelijk geval verlaagt de Commissiebijdrage dienovereenkomstig.

3. De beleidskosten voor OTO&D worden gezamenlijk gefinancierd uit de financiële bijdrage van de Gemeenschap en uit bijdragen in natura van de private juridische entiteiten die aan de activiteiten deelnemen, welke bijdragen overeenstemmen met een bedrag dat minstens gelijk is aan de bijdragen van de Gemeenschap.

4. De maximale communautaire bijdrage in de exploitatie- en beleidskosten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH bedraagt 470 miljoen EUR. De exploitatiekosten bedragen naar schatting niet meer dan 20 miljoen EUR. De bijdragen zijn afkomstig van het Specifiek Programma "Samenwerking" tot uitvoering van het Zevende Kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) voor de uitvoering van de communautaire begroting overeenkomstig de bepalingen van artikel 54, lid 2, onder b, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. De regelingen betreffende de communautaire financiële bijdrage worden vastgesteld bij algemene overeenkomst en jaarlijkse financiële overeenkomsten die tussen de Commissie, namens de Gemeenschap, en de Gemeenschappelijke Onderneming FCH moeten worden gesloten.

5. Tenzij na 2013 (wanneer KP7 afloopt) financiering wordt verleend, blijven enkel projecten waarvoor uiterlijk 31 december 2013 een subsidieovereenkomst is ondertekend in de jaren 2014-2017 doorlopen.

Artikel 6 Deelname aan projecten

1. Deelname aan projecten staat open voor juridische entiteiten en internationale organisaties die zijn gevestigd in een lidstaat, een geassocieerd land of een derde land mits aan de minimumvoorwaarden is voldaan.

2. Voor door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH gefinancierde projecten moet aan de volgende minimumvoorwaarden worden voldaan:

13. er moeten minstens drie juridische entiteiten deelnemen, die elk in een lidstaat of een geassocieerd land moeten zijn gevestigd, en waarvan er geen twee in dezelfde lidstaat of geassocieerd land mogen zijn gevestigd;

14. alle drie de juridische entiteiten moeten onafhankelijk zijn van elkaar als bepaald in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013)[30];

15. minstens één juridische entiteit moet lid zijn van de Industriegroepering of de Onderzoeksgroepering, indien een Onderzoeksgroepering wordt opgericht.

3. Juridische entiteiten die aan project willen deelnemen, dienen een consortium te vormen en een van hun leden als coördinator aan te stellen. Normaal is de coördinator een lid van de Industriegroepering of een lid van de Onderzoeksgroepering, indien een Onderzoeksgroepering wordt opgericht. Uitzonderingen worden door de raad van bestuur goedgekeurd.

4. De minimumvoorwaarde voor door de Gemeenschappelijke Onderneming gefinancierde contracten voor diensten en leveringen, ondersteuningsacties, studies en opleidingsactiviteiten is deelname van één juridische entiteit.

Artikel 7 Subsidiabiliteit

1. De communautaire bijdrage aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH voor de financiering van de OTO&D-activiteiten wordt toegekend na vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen.

2. In uitzonderlijke gevallen kan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH aanbestedingen uitschrijven indien dit passend wordt geacht voor de effectieve nastreving van de onderzoeksdoelstellingen.

3. Voor dergelijke financiering komen private juridische entiteiten in aanmerking die de volgende criteria vervullen:

16. zij zijn gevestigd in een lidstaat of hebben hun statutaire zetel, centrale of hoofdvestiging in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een geassocieerd land of kandidaat-lidstaat is;

17. zij verrichten binnen de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte relevante activiteiten op het gebied van OTO&D, industrialisering of toepassing betreffende brandstofcellen en/of waterstof en/of hebben concrete plannen daartoe in de nabije toekomst.

4. Voor financiering komen eveneens in aanmerking:

18. non-profit publieke lichamen die zijn gevestigd in een lidstaat, geassocieerd land, kandidaat-lidstaat of binnen de EER, met inbegrip van instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs;

19. internationale organisaties die rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens internationaal publiek recht alsmede alle door dergelijke intergouvernementele organisaties opgerichte gespecialiseerde agentschappen;

20. juridische entiteiten uit derde landen, mits de raad van bestuur hun deelname bijzonder nuttig acht voor het project.

Artikel 8 Financiële bepalingen

1. De financiële bepalingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn gebaseerd op de beginselen van Verordening nr. 1605/2002. Zij kunnen afwijken van Verordening nr. 1605/2002 voor zover de specifieke huishoudelijke behoeften van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH dit vereisen, behoudens voorafgaande toestemming van de Commissie.

2. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH beschikt over eigen interne auditcapaciteit.

Artikel 9 Personeelsstatuut

1. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen alsmede de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld ter uitvoering van dit statuut en deze regeling zijn van toepassing op de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

2. Met betrekking tot haar personeel oefent de Gemeenschappelijke Onderneming FCH de bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen aan het tot aanstelling bevoegd gezag en de bij de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen aan het tot sluiting van contracten gemachtigd gezag verleende bevoegdheden uit.

3. In overleg met de Commissie neemt de raad van bestuur de nodige uitvoeringsmaatregelen aan overeenkomstig artikel 110 van het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.

Artikel 10 Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en haar personeel.

Artikel 11 Aansprakelijkheid

1. De contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt geregeld bij de relevante contractuele bepalingen en bij het recht dat op de overeenkomst of het contract in kwestie van toepassing is.

2. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door haar personeel bij de uitoefening van hun taken is veroorzaakt.

3. Elke betaling door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH in verband met de aansprakelijkheid, bedoeld in de leden 1 en 2, en de daarmee verband houdende kosten en uitgaven worden beschouwd als uitgaven van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en worden gedekt uit haar middelen.

Artikel 12 Bevoegdheid van het Hof van Justitie en toepasselijke wetgeving

1. Het Hof van Justitie is bevoegd om uitspraak te doen:

21. in elk geschil tussen de oprichtende leden en/of het lid dat verband houdt met de inhoud van deze verordening en de in artikel 1, lid 5, bedoelde statuten;

22. ingevolge alle arbitragebedingen in door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH gesloten overeenkomsten of contracten;

23. in gevallen waarin overeenkomstig de artikelen 230 en 232 van het Verdrag beroep is ingesteld tegen de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, met inbegrip van besluiten van haar raad van bestuur;

24. in geschillen over vergoeding van schade die door personeelsleden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH veroorzaakt wordt bij de uitoefening van hun taken.

2. Op alle aangelegenheden die niet bij deze verordening of andere besluiten van het Gemeenschapsrecht zijn geregeld, is het recht van toepassing van de staat waar de zetel van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zich bevindt.

Artikel 13 Rapportage, evaluatie en decharge

1. De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een jaarlijks verslag in over de voortgang die de Gemeenschappelijke Onderneming FCH heeft gemaakt.

2. Twee jaar na de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, maar in elk geval niet later dan 2010 houdt de Commissie met hulp van onafhankelijke deskundigen een tussentijdse evaluatie van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. Deze evaluatie heeft betrekking op de kwaliteit en efficiëntie van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en de voortgang in het bereiken van de doelstellingen. De Commissie deelt de conclusies daarvan, vergezeld van haar opmerkingen, aan het Europees Parlement en de Raad mee.

3. Eind 2017 houdt de Commissie met hulp van onafhankelijke deskundigen een eindevaluatie van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. De resultaten van de eindevaluatie worden bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

4. Decharge voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt door het Europees Parlement verleend op aanbeveling van de Raad, overeenkomstig een procedure die is vastgesteld bij het Financieel Reglement van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

Artikel 14 Evaluaties

1. De totale bijdrage in natura van de private organisaties, al dan niet aangesloten bij de Industriegroepering, word t beoordeeld en getoetst aan de eis dat zij minstens in overeenstemming moet zijn met het niveau van publieke financiering. De eerste beoordeling vindt plaats twee jaar na de aanneming van deze verordening. Daarna vindt de beoordeling plaats aan het einde van elk jaar.

Indien uit de beoordeling blijkt dat de bijdrage in natura uit private bronnen niet het vereiste niveau bereikt, verlaagt de Commissie haar bijdrage het volgende jaar.

Indien blijkt dat de bijdrage in natura uit private bronnen twee jaar na elkaar niet het vereiste niveau bereikt, kan de Commissie aan de Raad voorstellen de Gemeenschappelijke Onderneming FCH te beëindigen.

2. De Commissie neemt het initiatief tot en geeft uitvoering aan een midden- en eindevaluatie. De middenevaluatie vindt plaats uiterlijk in 2012 en de eindevaluatie bij de beëindiging van de Gemeenschappelijke Onderneming.

Artikel 15 Bescherming van de financiële belangen van de oprichtende leden en het lid en fraudebestrijdingsmaatregelen

1. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH ziet er, door het uitvoeren of laten uitvoeren van passende interne en externe controles, op toe dat de financiële belangen van haar oprichtende leden en lid op adequate wijze worden beschermd.

2. Ingeval door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH of haar personeel onregelmatigheden worden begaan, behouden de oprichtende leden en het lid zich het recht voor ten onrechte uitgegeven bedragen in te vorderen of alle latere bijdragen aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH te verlagen of op te schorten.

3. Voor de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige handelingen is Verordening (EG) nr. 1073/1999 van toepassing.

4. De Commissie en/of de Europese Rekenkamer kunnen/kan zo nodig controles ter plaatse uitvoeren bij de begunstigden van financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH alsook bij de personen die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing daarvan. Daartoe ziet de Gemeenschappelijke Onderneming FCH erop toe dat subsidieovereenkomsten en contracten voorzien in het recht van de Commissie en/of de Rekenkamer om namens de Gemeenschappelijke Onderneming FCH de nodige controles uit te voeren en, indien onregelmatigheden aan het licht komen, afschrikkende en evenredige boetes op te leggen.

5. Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) geniet ten aanzien van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en haar personeel dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de Commissiediensten. Zodra de Gemeenschappelijke Onderneming FCH is opgericht, treedt deze toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door OLAF[31]. De raad van bestuur keurt deze toetreding goed en stelt de nodige maatregelen vast om interne onderzoeken door OLAF te vergemakkelijken.

Artikel 16 Vertrouwelijkheid

De Gemeenschappelijke Onderneming FCH beschermt de gevoelige informatie waarvan openbaarmaking de belangen van haar oprichtende leden en lid zou kunnen schaden.

Artikel 17 Intellectuele eigendomsrechten

De Gemeenschappelijke Onderneming FCH neemt regels aan voor het gebruik en de verspreiding van OTO&D-resultaten, met inbegrip van bepalingen betreffende de uitoefening, in voorkomende gevallen, van bij OTO&D-activiteiten op grond van deze verordening gegenereerde intellectuele eigendomsrechten. Deze regels verzekeren dat OTO&D-resultaten worden gebruikt en verspreid.

Artikel 18 Voorbereidende maatregelen

De oprichtende leden treffen alle nodige voorbereidende maatregelen voor de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH totdat haar organen volledig operationeel zijn.

Artikel 19 Ondersteuning door de gaststaat

Tussen de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en België wordt een gastheerschapsovereenkomst gesloten betreffende kantooraccommodatie, voorrechten en immuniteiten en andere door België aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH te verlenen ondersteuning.

Artikel 20 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op […]

Voor de Raad

De Voorzitter

BIJLAGE

STATUTEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMING BRANDSTOFCELLEN EN WATERSTOF

Artikel I.1 Naam, locatie, duur, rechtspersoonlijkheid

1. De naam van de Gemeenschappelijke Onderneming luidt de "Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof" (hierna de "Gemeenschappelijke Onderneming FCH" genoemd").

2. De onderneming heeft haar zetel in Brussel, België.

3. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt opgericht voor een eerste periode die eindigt op 31.12.2017, te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4. De eerste periode kan worden verlengd door wijziging van deze statuten in overeenstemming met de bepalingen van artikel I.23 , rekening houdend met de voortgang die is gemaakt met het bereiken van de doelstellingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en mits de financiële duurzaamheid is verzekerd.

Artikel I.2 Doelstellingen en hoofdtaken

1. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH onderneemt activiteiten binnen het bestek van KP7 met het oog op het mogelijk maken van de marktdoorbraak van brandstofcel- en waterstoftechnologieën, waarbij men commerciële marktkrachten substantiële potentiële publieke voordelen laat aansturen.

2. De doelstellingen omvatten onder meer:

- Europa wereldwijd een vooraanstaande positie geven op het gebied van brandstofcel- en waterstoftechnologieën;

- tot stand brengen van de kritieke massa aan onderzoeksinspanningen om vertrouwen te geven aan de industrie, publieke en private investeerders, besluitvormers en andere stakeholders teneinde een programma op lange termijn aan te vatten;

- als hefboom werken voor nieuwe industriële, nationale en regionale OTO&O-investeringen;

- bouwen aan de Europese Onderzoeksruimte in nauwe samenhang met op nationaal en regionaal niveau uitgevoerd onderzoek - met inachtneming van de subsidiariteit;

- integreren van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, centraal stellen van het realiseren van duurzaamheids- en industriële concurrentiedoelstellingen betreffende kosten, prestatie en duurzaamheid op lange termijn en ondervangen van kritieke technologiebottlenecks;

- stimuleren van innovatie en het ontstaan van nieuwe waardeketens met inbegrip van KMO’s;

- faciliteren van de interactie tussen industrie, universiteiten en onderzoekscentra ook betreffende fundamenteel onderzoek;

- stimuleren van de deelname van instellingen van alle lidstaten, met inbegrip van de nieuwe lidstaten en kandidaat-lidstaten;

- uitvoeren van breed opgezet sociaal-technisch-economisch onderzoek voor het beoordelen en monitoren van technologische vooruitgang en niet-technische hinderpalen voor markttoegang;

- uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de ontwikkeling van nieuwe en evaluatie van bestaande voorschriften en normen om artificiële barrières voor markttoegang te elimineren en de onderlinge uitwisselbaarheid, interoperabiliteit, grensoverschrijdende waterstofhandel en uitvoermarkten te ondersteunen terwijl ook een veilige werking wordt verzekerd en innovatie niet wordt belemmerd;

- verstrekken van betrouwbare informatie voor het verbeteren van de publieksvoorlichting en het creëren van publieke acceptatie betreffende de veiligheid van waterstof en de voordelen van de nieuwe technologieën voor het milieu, de voorzieningszekerheid, energiekosten en werkgelegenheid.

3. De hoofdtaken van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH bestaan erin te zorgen voor de oprichting en het efficiënte beheer van het Gezamenlijk Technologie-initiatief inzake Brandstofcellen en Waterstof.

4. Deze opdracht omvat:

- het opzetten en uitvoeren van een meerjarig onderzoeksactiviteitenplan;

- het vastleggen van de communautaire financiering en mobiliseren van de middelen van de private sector en andere middelen van de publieke sector die nodig zijn voor de uitvoering van haar OTO&D-activiteiten;

- het verzekeren van de deugdelijke uitvoering van de OTO&D-activiteiten en het deugdelijk financieel beheer van de middelen;

- het samenwerken met en raadplegen van de Groep van lidstaten op hoog niveau;

- het samenwerken met en raadplegen van het Wetenschappelijk Comité;

- het organiseren van jaarlijkse bijeenkomsten van de Algemene Vergadering van Stakeholders;

- het communiceren en verspreiden van informatie over de projecten, met inbegrip van de naam van de deelnemers, de resultaten van de OTO&D-activiteiten en de hoogte van de financiële bijdrage van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- het op de hoogte brengen van de juridische entiteiten die een subsidieovereenkomst met de gemeenschappelijke onderneming FCH hebben gesloten van de mogelijkheden te lenen van de Europese Investeringsbank, met name de in het kader van het Zevende Kaderprogramma opgezette Risicodelende Financieringsfaciliteit;

- het verzekeren van een hoog niveau van transparantie en eerlijke concurrentie onder gelijke toegangsvoorwaarden voor alle gegadigden voor deelname aan de onderzoeks- en demonstratieactiviteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, ongeacht of deze al dan niet lid zijn van de Onderzoeksgroepering of de Industriegroepering, (met name kleine en middelgrote ondernemingen);

- het volgen van de internationale ontwikkelingen op het gebied en het aangaan van internationale samenwerking wanneer dit nodig is.

Artikel I.3 Leden en belangengroeperingen

1. De oprichtende leden van de gemeenschappelijke onderneming FCH (hierna de "oprichtende leden" genoemd) zijn:

- de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, en

- de IVZW naar Belgisch recht Europese Industriegroepering Gezamenlijk Technologie-initiatief Brandstofcellen en Waterstof (hierna de "Industriegroepering" genoemd).

2. De Industriegroepering:

- is een non-profit organisatie die tot doel heeft bij te dragen tot het bereiken van de doelstellingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- is rechtsgeldig opgericht naar Belgisch recht en opereert in het kader van haar geregistreerde statuten, die naar behoren zijn aangenomen om te dienen voor het Gezamenlijk Technologie-initiatief;

- zorgt ervoor dat haar bijdrage in de middelen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH overeenkomstig artikel 5 van deze verordening vooraf als een bijdrage in contanten wordt verstrekt ter dekking van 50% van de exploitatiekosten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en voor de start van elk boekjaar naar de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt overgeboekt;

- zorgt ervoor dat de bijdrage van de industrie tot de uitvoering van de door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH gefinancierde OTO&D-activiteiten in natura wordt verstrekt en, berekend op jaarbasis, minimaal 50% van de totale projectkosten dekt;

- staat open voor lidmaatschap van elke private juridische entiteit (met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen) die opgericht is overeenkomstig het recht van een lidstaat, geassocieerd land of EER-staat en haar statutaire zetel, centraal beheer of hoofdvestiging heeft binnen het bovenbedoelde gebied, mits zij in Europa actief is op het gebied van brandstofcellen en waterstof en zich ertoe verbindt bij te dragen tot de realisering van de doelstellingen en in de middelen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

3. Een Onderzoeksgroepering, die non-profit onderzoeksorganisaties, universiteiten en onderzoekscentra vertegenwoordigt, kan lid worden na de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, mits een entiteit voor de vertegenwoordiging van de onderzoeksgemeenschap is opgericht. De aanvraag tot lidmaatschap van de Onderzoeksgroepering wordt gericht aan en goedgekeurd door de raad van bestuur.

4. De Onderzoeksgroepering:

- is een non-profit organisatie die tot doel heeft bij te dragen tot het bereiken van de doelstellingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- is rechtsgeldig opgericht naar Belgisch recht en opereert in het kader van haar geregistreerde statuten, die naar behoren zijn aangenomen om te dienen voor het Gezamenlijk Technologie-initiatief;

- zorgt ervoor dat haar bijdrage in de middelen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH vooraf als een bijdrage in contanten wordt verstrekt ter dekking van 1/12 van de exploitatiekosten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en voor de start van elk boekjaar naar de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt overgeboekt;

- staat open voor lidmaatschap van elke non-profit onderzoeksorganisatie, universiteit of onderzoekscentrum gevestigd in een lidstaat, geassocieerd land of kandidaat-lidstaat.

5. Een oprichtend lid kan zijn lidmaatschap van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH beëindigen. De Gezamenlijke Onderneming FCH wordt dan geliquideerd overeenkomstig artikel I.22 .

6. De Onderzoeksgroepering kan haar lidmaatschap van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH beëindigen. De beëindiging wordt effectief en onherroepelijk zes maanden na kennisgeving aan de oprichtende leden waarna aan het uittredende lid decharge wordt verleend voor alle andere verplichtingen dan die welke door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH vóór de beëindiging van het lidmaatschap zijn goedgekeurd.

Artikel I.4 Organen

De uitvoerende organen van de gemeenschappelijke onderneming FCH zijn de raad van bestuur en het Programmabureau. De adviesorganen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn de Groep van lidstaten op hoog niveau[32], de Algemene Vergadering van Stakeholders en het Wetenschappelijk Comité.

Artikel I.5 Raad van bestuur

1. De raad van bestuur bestaat uit zes door de Industriegroepering en zes door de Commissie aangestelde vertegenwoordigers.

2. De Commissie draagt, ingeval de Onderzoeksgroepering wordt opgericht, één zetel aan de vertegenwoordiger daarvan over.

3. Minstens een van de door de Industriegroepering aangestelde vertegenwoordigers vertegenwoordigt kleine en middelgrote ondernemingen.

4. De raad van bestuur kiest zijn voorzitter. De voorzitter wordt verkozen voor 2 jaar.

5. De raad van bestuur belegt tweemaal per jaar een gewone vergadering. Hij kan om het even welke buitengewone vergadering houden op verzoek van de Commissie of een meerderheid van de vertegenwoordigers van de Industriegroepering of op verzoek van de voorzitter. De vergaderingen worden normaal gehouden op de zetel van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen.

6. De voorzitter roept de Algemene Vergadering van Stakeholders bijeen.

7. De secretaris van de raad van bestuur is de uitvoerend directeur. De uitvoerend directeur neemt deel aan de beraadslagingen, maar heeft geen stemrechten.

8. De raad van bestuur kan per geval waarnemers zonder stemrechten, met name vertegenwoordigers van de regio's en van toezichthouders, op de vergaderingen ervan uitnodigen.

9. Elke zetel in de raad van bestuur geeft recht op één stem. De leden spannen zich tot het uiterste in om consensus te bereiken. Wanneer er geen consensus is, neemt de raad van bestuur zijn besluiten met een meerderheid van drie vierden van de leden.

10. Bij alle besluiten van de raad van bestuur met betrekking tot het gebruik van de financiële bijdrage van de Gemeenschap, de methodologie voor de beoordeling van de bijdragen in natura, elke wijziging van deze statuten en van het Financieel Reglement van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en de kwestie van de coherentie van de meerjarige plannen voor onderzoeksactiviteiten met KP7 beschikt de Gemeenschap over een vetorecht.

11. De vertegenwoordigers van de leden zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor handelingen in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger in de raad van bestuur.

12. De Raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

13. De rol van de raad van bestuur bestaat erin de algemene verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

14. Deze rol omvat:

- het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de OTO&D-activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de passende uitvoering van de taak die bij artikel 185, lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 aan de interne controleur van de Commissie wordt toevertrouwd.

15. De raad van bestuur is met name belast met het:

- goedkeuren van eenjarige en meerjarige plannen voor onderzoeksactiviteiten en de overeenkomstige uitgavenramingen, als aanbevolen door de uitvoerend directeur na raadpleging van de Groep van lidstaten op hoog niveau en het Wetenschappelijk Comité;

- goedkeuren van de jaarlijkse begroting, met inbegrip van de personeelsformatie;

- goedkeuren van het jaarlijkse activiteitenverslag, met inbegrip van de overeenkomstige uitgaven;

- goedkeuren van de jaarrekening;

- zorg dragen voor het creëren van interne auditcapaciteit bij de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- motiveren en goedkeuren van elke afwijking van het Financieel Reglement van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH in overeenstemming met artikel 8 ;

- motiveren en aannemen, in samenspraak met de Commissie, van de uitvoeringsmaatregelen voor het personeelsstatuut van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- aanstellen van de uitvoerend directeur, adviseren en oriënteren van de uitvoerend directeur, toezicht houden op de prestatie van de uitvoerend directeur en, zo nodig, vervangen van de uitvoerend directeur;

- goedkeuren van de organisatiestructuur van het Programmabureau als voorgesteld door de uitvoerend directeur;

- goedkeuren van de methodologie voor het beoordelen van de bijdragen in natura;

- goedkeuren van de richtsnoeren over evaluatie en selectie van projectvoorstellen als voorgesteld door de uitvoerend directeur;

- goedkeuren van de lijst van voor financiering geselecteerde projectvoorstellen;

- goedkeuren van de modelsubsidieovereenkomst;

- goedkeuren van de contracten voor diensten en leveringen;

- goedkeuren van de jaarlijkse onafhankelijke beoordeling van het niveau van de bijdrage in natura vóór indiening ervan bij de Commissie;

- instemmen met voorgestelde wijzigingen van de statuten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH overeenkomstig artikel I.23 ;

- toewijzen van alle taken die niet specifiek aan een van de organen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn toegewezen;

- goedkeuren van de procedures van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, met inbegrip van het beleid inzake intellectuele eigendomsrechten.

Artikel I.6 Programmabureau

1. Het Programmabureau is samengesteld uit een uitvoerend directeur en ondersteunend personeel.

2. Het programmabureau voert, onder verantwoordelijkheid van de uitvoerend directeur, alle verantwoordelijkheden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH uit;

3. Het Programmabureau is verantwoordelijk voor de beleids-, begrotings- en financiële aspecten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

4. Het Programmabureau is met name belast met het:

- beheren van het lanceren van de uitnodigingen tot het indienen van projectvoorstellen overeenkomstig het jaarlijkse onderzoeksactiviteitenplan, de evaluatie en selectie van de projectvoorstellen, het onderhandelen over de geselecteerde projectvoorstellen en de follow-up en het beheer van de subsidieovereenkomsten, met inbegrip van de coördinatie ervan;

- invoeren en beheren van een adequaat administratief systeem voor de berekening van de feitelijke private en publieke bijdragen tot de projecten;

- leveren aan de raad van bestuur en alle andere hulporganen van relevante documentatie en logistieke ondersteuning;

- opstellen van de meerjarige plannen voor onderzoeksactiviteiten en de overeenkomstige uitgavenramingen;

- opstellen van het jaarlijkse begrotingsvoorstel, met inbegrip van de personeelsformatie;

- opstellen van het jaarlijkse activiteitenverslag, met inbegrip van de overeenkomstige uitgaven;

- opstellen van de jaarrekening;

- opstellen van alle documenten die nodig zijn voor de midden- en eindevaluatie;

- beheren van aanbestedingen voor goederen en diensten overeenkomstig het Financieel Reglement van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- uitvoeren van alle andere taken die de raad van bestuur aan het Programmabureau heeft toevertrouwd of gedelegeerd.

5. De uitvoerend directeur is als hoogste uitvoerende functionaris belast met het dagelijks beheer van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH overeenkomstig de besluiten van de raad van bestuur. In die context dient hij/zij regelmatig informatie te verstrekken en te antwoorden op specifieke ad-hocverzoeken om informatie van de raad van bestuur.

6. De uitvoerend directeur is de wettelijke vertegenwoordiger van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. Hij/zij voert zijn/haar taken onafhankelijk uit en is verantwoording verschuldigd aan de raad van bestuur.

7. Ten aanzien van het personeel oefent de uitvoerend directeur de bevoegdheden uit die zijn vervat in artikel 9 van deze Verordening betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

8. Uit een lijst van door de Commissie voorgestelde kandidaten wijst de raad van bestuur de uitvoerend directeur aan voor een eerste periode van maximaal drie jaar. Na een evaluatie van de prestaties van de uitvoerend directeur kan de raad van bestuur het mandaat eenmalig voor een duur van maximaal vier jaar verlengen.

9. De uitvoerend directeur is met name belast met:

- het voorleggen aan de raad van bestuur van de eenjarige en meerjarige plannen voor onderzoeksactiviteiten en de overeenkomstige uitgavenramingen;

- het voorleggen aan de raad van bestuur van het jaarlijkse begrotingsvoorstel, met inbegrip van de personeelsformatie;

- het voorleggen aan de raad van bestuur van het jaarlijkse activiteitenverslag, met inbegrip van de overeenkomstige uitgaven;

- het voorleggen aan de raad van bestuur van de jaarrekening;

- het ter goedkeuring aan de raad van bestuur voorleggen van de regelingen en richtsnoeren voor evaluatie en selectie van projectvoorstellen, met inbegrip van procedures voor de verspreiding van onderzoeksresultaten;

- het toezien op het beheer van de uitnodigingen tot het indienen van projectvoorstellen;

- het ter goedkeuring aan de raad van bestuur voorleggen van de lijst van voor financiering geselecteerde projectvoorstellen;

- het ter goedkeuring aan de raad van bestuur voorleggen van de lijst van te sluiten subsidieovereenkomsten;

- het goedkeuren en ondertekenen van de individuele subsidieovereenkomsten die worden opgesteld overeenkomstig de modelsubsidieovereenkomst. Subsidieovereenkomsten met bepalingen die niet volledig overeenstemmen met de modelsubsidieovereenkomst worden ter goedkeuring aan de raad van bestuur voorgelegd;

- het ter goedkeuring aan de raad van bestuur voorleggen van de te sluiten contracten voor diensten en leveringen;

- het voorleggen aan de raad van bestuur van zijn/haar voorstel(len) betreffende de organisatiestructuur van het Programmabureau en het organiseren, leiden en superviseren van het personeel van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- het bijeenroepen van vergaderingen van de raad van bestuur;

- het verzorgen van het secretariaat voor de Algemene Vergadering van Stakeholders;

- het al naar het geval als waarnemer bijwonen van de vergaderingen van het Wetenschappelijk Comité;

- het zo nodig oprichten van ad-hocdeskundigengroepen overeenkomstig het besluit van de raad van bestuur om advies bij deskundigen in te winnen;

- het monitoren van publieke en private financiering en de verantwoordelijkheid om aan de raad van bestuur alle correctieve maatregelen voor te stellen die nodig zijn om het 50/50 financieringsevenwicht te handhaven;

- het initiatief nemen tot een jaarlijkse onafhankelijke beoordeling van het niveau van de bijdrage in natura (de eerste aan het einde van het tweede boekjaar na de start van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH), en het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de goedkeuring door de raad van bestuur van de beoordelingsresultaten en de indiening ervan bij de Commissie binnen 4 maanden na het einde van elk boekjaar;

- het leveren aan de raad van bestuur van alle andere informatie waarom kan worden gevraagd;

- het leveren aan de Commissie van alle informatie en diensten die nodig zijn voor de midden- en eindevaluatie;

- de verantwoordelijkheid voor risicobeoordeling en risicobeheer;

- het voorstellen aan de raad van bestuur van alle verzekeringen die de Gemeenschappelijke Onderneming FCH mogelijk moet sluiten om aan haar verplichtingen te voldoen;

- de verantwoordelijkheid voor het opstellen van, onderhandelen over en sluiten van subsidieovereenkomsten voor de uitvoering van de OTO&D-activiteiten, en contracten voor diensten en leveringen die nodig zijn voor de activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- de verantwoordelijkheid voor de jaarlijkse decharge van het Europees Parlement.

Artikel I.7 Wetenschappelijk Comité

1. Het Wetenschappelijk Comité is een adviesorgaan van de raad van bestuur. Het Wetenschappelijk Comité voert zijn activiteiten uit met steun van het Programmabureau.

2. Het Wetenschappelijk Comité heeft één voorzitter en [8] leden. De voorzitter is lid van de raad van bestuur en vertegenwoordigt normaal de Onderzoeksgroepering.

3. De raad van bestuur stelt de specifieke criteria en het selectieproces vast voor de leden van het Wetenschappelijk Comité. De raad van bestuur stelt de leden aan op voorstel van het uitvoerend directeur. Bij de ledensamenstelling moet gestreefd worden naar een evenwichtige vertegenwoordiging van expertise. Collectief dienen de leden van het Wetenschappelijk Comité te beschikken over de nodige wetenschappelijke competentie, professionele kennis en expertise op het gebied van brandstofcel- en waterstoftechnologie en daaraan gerelateerde sociale en economische vraagstukken teneinde strategische wetenschappelijk gefundeerde aanbevelingen te doen voor de uitvoering van het Gezamenlijk Technologie-initiatief FCH.

4. Het Wetenschappelijk Comité heeft de volgende taken:

- adviesverlening over de relevantie en voortgang van de jaarlijkse OTO&D-activiteiten en aanbeveling van wijzigingen;

- adviesverlening over de wetenschappelijke prioriteiten voor het meerjarige OTO&D-activiteitenplan;

- adviseren van de raad van bestuur over de in het jaarlijkse activiteitenverslag beschreven wetenschappelijke prestaties.

5. Het Wetenschappelijk Comité komt ten minste eenmaal per jaar bijeen.

6. Het Wetenschappelijk Comité kan waarnemers zonder stemrechten uitnodigen op zijn vergaderingen.

Artikel I.8 Financieringsbronnen

1. De totale bijdrage van de Gemeenschap uit het Zevende Kaderprogramma aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH ter dekking van de exploitatie- en beleidskosten voor OTO&D-activiteiten bedraagt niet meer dan 470 miljoen EUR. De exploitatiekosten zullen naar verwachting niet meer bedragen dan 20 miljoen EUR.

2. Alle middelen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en haar activiteiten worden besteed aan de doelstellingen en hoofdtaken vastgesteld in artikel I.2 .

3. Alle andere buitengewone financiële bijdragen in contanten, middelen en inkomsten kunnen worden aanvaard na goedkeuring door de raad van bestuur.

4. Tijdens het evaluatie- en selectieproces wordt erop toegezien dat bij de toekenning van de publieke middelen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH de beginselen van excellentie en concurrentie in acht worden genomen[33].

5. Intresten op door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH ontvangen bijdragen gelden als inkomsten.

6. Intresten op door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH betaalde subsidievoorschotten gelden als ontvangsten van het projectconsortium.

7. De private sector, met name de leden van de Industriegroepering, dragen in natura bij in de beleidskosten van de projecten. De bijdragen in natura moeten minimaal in overeenstemming zijn met de publieke financiering. Het totale niveau van de bijdragen in natura, berekend op jaarbasis, wordt eenmaal per jaar beoordeeld. De eerste beoordeling vindt plaats aan het einde van het tweede boekjaar na de start van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. De beoordeling wordt daarna door een onafhankelijke entiteit elk boekjaar uitgevoerd. De resultaten van de beoordeling worden bij de Commissie ingediend binnen 4 maanden na het einde van elk boekjaar.

8. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH is eigenaar van alle voor de vervulling van haar in artikel I.2 bepaalde doelstellingen door haar gegenereerde of aan haar overgedragen activa.

Artikel I.9 Deelname aan projecten

1. Deelname aan projecten staat open voor juridische entiteiten en internationale organisaties die zijn gevestigd in een lidstaat of een derde land mits aan de minimumvoorwaarden is voldaan.

2. Voor door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH gefinancierde projecten moet aan de volgende minimumvoorwaarden worden voldaan:

(a) er moeten minstens drie juridische entiteiten deelnemen, die elk in een lidstaat of een geassocieerd land moeten zijn gevestigd, en waarvan er geen twee in dezelfde lidstaat of geassocieerd land mogen zijn gevestigd;

(b) alle drie de juridische entiteiten moeten onafhankelijk zijn van elkaar als bepaald in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het Zevende Kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013)[34];

(c) minstens één juridische entiteit moet lid zijn van de Industriegroepering of de Onderzoeksgroepering.

3. Juridische entiteiten die aan een project willen deelnemen, dienen een consortium te vormen en een van hun leden als coördinator aan te stellen. Normaal is de coördinator lid van de Industriegroepering of lid van de Onderzoeksgroepering, indien een Onderzoeksgroepering wordt opgericht. Uitzonderingen worden door de raad van bestuur goedgekeurd.

4. De minimumvoorwaarde betreffende door de Gemeenschappelijke Onderneming gefinancierde contracten voor diensten en leveringen, ondersteuningsacties, studies en opleidingsactiviteiten is deelname van één juridische entiteit.

Artikel I.10 Subsidiabiliteit

1. De bijdrage van de Gemeenschap aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt gebruikt voor de financiering van OTO&D-activiteiten na vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen.

2. In uitzonderlijke gevallen kan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH aanbestedingen uitschrijven indien dit nodig wordt geacht voor de effectieve nastreving van de onderzoeksdoelstellingen.

3. Voor dergelijke financiering komen private juridische entiteiten in aanmerking die de volgende criteria vervullen:

(a) zij zijn gevestigd in een lidstaat of hebben hun statutaire zetel, centrale of hoofdvestiging in een staat die partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is of een geassocieerd land of kandidaat-lidstaat is;

(b) zij verrichten binnen de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte relevante activiteiten op het gebied van OTO&D, industrialisering of toepassing betreffende brandstofcellen en/of waterstof en/of hebben concrete plannen daartoe in de nabije toekomst.

4. Voor financiering komen eveneens in aanmerking:

(a) non-profit publieke lichamen die zijn gevestigd in een lidstaat, geassocieerd land, kandidaat-lidstaat of binnen de EER, met inbegrip van instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs;

(b) internationale organisaties die rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens internationaal publiek recht, alsmede alle door dergelijke intergouvernementele organisaties opgerichte gespecialiseerde agentschappen;

(c) juridische entiteiten uit derde landen, mits de raad van bestuur hun deelname bijzonder nuttig acht voor het project.

Artikel I.11 Financiële bepalingen

1. De financiële bepalingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn gebaseerd op de beginselen van Verordening nr. 1605/2002. Zij kunnen afwijken van Verordening nr. 1605/2002 voor zover de specifieke huishoudelijke behoeften van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH dit vereisen, behoudens voorafgaande toestemming van de Commissie.

2. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH beschikt over eigen interne auditcapaciteit.

Artikel I.12 Financiële verbintenissen

1. De financiële verbintenissen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH mogen de tot haar beschikking staande middelen niet overschrijden.

2. Tenzij na 2013 (wanneer KP7 afloopt) financiering wordt verleend, blijven enkel projecten waarvoor uiterlijk 31 december 2013 een subsidieovereenkomst is ondertekend in de jaren 2014-2017 doorlopen.

Artikel I.13 Boekjaar

Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.

Artikel I.14 Financiële rapportage en decharge

1. Elk jaar dient de uitvoerend directeur bij de raad van bestuur een voorontwerp van begroting in dat een raming van de jaarlijkse uitgaven voor de volgende twee jaar omvat. Binnen deze raming worden de ramingen van inkomsten en uitgaven voor het eerste van deze twee boekjaren op zo gedetailleerde wijze opgesteld als voor de interne begrotingsprocedure van elk oprichtend lid en lid betreffende de financiële bijdragen ervan aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH vereist is. De uitvoerend directeur verstrekt aan de raad van bestuur alle aanvullende informatie die daartoe noodzakelijk is.

2. De raad van bestuur deelt zonder uitstel aan de uitvoerend directeur zijn opmerkingen over het voorontwerp van begroting en met name over de ramingen van de middelen en uitgaven voor het volgend jaar mee.

3. Rekening houdend met de van de raad van bestuur ontvangen opmerkingen stelt de uitvoerend directeur de ontwerpbegroting voor het volgend jaar op. Vóór 1 september van elk jaar legt de uitvoerend directeur de jaarlijkse begroting ter goedkeuring aan de raad van bestuur voor.

4. Binnen twee maanden na de afsluiting van elk boekjaar wordt de jaarrekening voor het voorafgaande jaar door de uitvoerend directeur bij de raad van bestuur ter goedkeuring ingediend.

5. Binnen twee maanden na het einde van elk boekjaar worden de voorlopige rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming ingediend bij de Commissie en bij de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen ("de Rekenkamer"). De Rekenkamer maakt uiterlijk op 15 juni na afloop van elk boekjaar zijn opmerkingen met betrekking tot de voorlopige rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming bekend. De jaarrekening over het boekjaar wordt in het daaropvolgende jaar aan de rekenplichtige van de Commissie gezonden binnen de in het financiële kaderregeling vastgestelde termijnen, zodat de rekenplichtige van de Commissie deze in de jaarrekening van de Europese Gemeenschap kan consolideren. De jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming moet worden opgesteld en gecontroleerd volgens de communautaire boekhoudregels als door de rekenplichtige van de Commissie vastgesteld.

6. Decharge voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt, in het kader van een procedure als neergelegd in het Financieel Reglement van de gemeenschappelijke onderneming FCH, door het Europees Parlement verleend op aanbeveling van de Raad.

Artikel I.15 Jaarlijkse planning en rapportering

1. In het meerjarig plan voor onderzoeksactiviteiten wordt een beschrijving gegeven van het voortschrijdend programma voor OTO&D-activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. Het eenjarig plan voor onderzoeksactiviteiten dient een gedetailleerd plan voor de OTO&D-activiteiten en overeenkomstige uitgavenramingen voor het komende jaar te omvatten.

2. In een jaarlijks activiteitenverslag worden de gedurende het voorgaande jaar uitgevoerde OTO&D-activiteiten en andere activiteiten en de overeenkomstige uitgaven beschreven.

Artikel I.16 Personeel

1. De personeelsmiddelen worden vastgesteld in de personeelsformatie, die in de jaarlijkse begroting moet worden opgenomen.

2. De leden van het personeel van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH zijn tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten en hebben een contract van bepaalde duur dat éénmaal kan worden verlengd tot in totaal niet meer dan zeven jaar.

3. De personeelsuitgaven worden bekostigd door de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

Artikel I.17 Aansprakelijkheid en verzekering

1. Alleen de Gemeenschappelijke Onderneming FCH kan op haar verplichtingen worden aangesproken.

2. De financiële aansprakelijkheid van de oprichtende leden en het lid voor de schulden van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH is beperkt tot de door hen verschuldigde bijdrage in de exploitatiekosten.

3. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH sluit de nodige verzekeringen af en houdt deze aan.

Artikel I.18 Belangenconflicten

De Gemeenschappelijke Onderneming FCH en haar organen vermijden elk belangenconflict bij de uitvoering van hun activiteiten.

Met name is voorzichtigheid geboden in gevallen dat een belangenconflict kan optreden voor de vertegenwoordigers in de raad van bestuur.

Artikel I.19 Subsidieovereenkomst en consortiumovereenkomst

1. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH ondersteunt OTO&D-activiteiten na vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, onafhankelijke evaluatie en de sluiting voor elk project van een subsidieovereenkomst en een consortiumovereenkomst.

2. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH stelt de procedures en mechanismen in voor de uitvoering, supervisie en controle van subsidieovereenkomsten.

3. De subsidieovereenkomst:

- voorziet in de nodige regelingen voor de uitvoering van de OTO&D-activiteiten;

- voorziet in de nodige financiële regelingen en de regels betreffende de intellectuele eigendomsrechten op basis van de beginselen als opgenomen in artikel I.24;

- regelt de verhouding tussen het projectconsortium en de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

4. De consortiumovereenkomst:

- wordt door de projectdeelnemers gesloten vóór de sluiting van de subsidieovereenkomst;

- voorziet in de nodige regelingen voor de uitvoering van de subsidieovereenkomst;

- regelt de verhouding tussen de deelnemers aan een project, met name inzake de intellectuele eigendomsrechten.

Artikel I.20 Contracten voor diensten en leveringen

De Gemeenschappelijke Onderneming FCH stelt, overeenkomstig de bepalingen van haar Financieel Reglement, alle procedures en mechanismen in voor de uitvoering, supervisie en controle van contracten voor diensten en leveringen die nodig zijn voor de activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

Artikel I.21 Bescherming van financiële belangen

1. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH voert ter plaatse controles en financiële verificaties uit bij de ontvangers van de publieke financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

2. De Commissie of de Europese Rekenkamer kunnen zo nodig controles ter plaatse uitvoeren bij de ontvangers van financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. Daartoe zal de Gemeenschappelijke Onderneming FCH erop toezien dat subsidie-overeenkomsten en contracten voorzien in het recht van de Commissie en de Rekenkamer om de nodige controles uit te voeren en, indien onregelmatigheden aan het licht komen, afschrikkende en evenredige boetes op te leggen.

3. Het bij Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom opgerichte Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) geniet ten aanzien van de Gemeenschappelijke Onderneming en haar personeel dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de Commissiediensten. Zodra de gemeenschappelijke onderneming is opgericht, treedt die toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de interne onderzoeken verricht door OLAF. De raad van bestuur keurt deze toetreding goed en stelt de nodige maatregelen vast om door OLAF verrichte interne onderzoeken te vergemakkelijken.

Artikel I.22 Liquidatie

1. Aan het einde van de in artikel I.1 bedoelde periode of na een besluit van de Raad wordt de Gemeenschappelijke Onderneming FCH geliquideerd.

2. De liquidatieprocedure wordt automatisch in werking gesteld indien een van de oprichtende leden zijn lidmaatschap beëindigt, tenzij het verzoek om beëindiging vergezeld gaat van een voorstel voor de overgang van het lidmaatschap op een juridische entiteit die aanvaardbaar is voor het overblijvende oprichtende lid.

3. Voor de uitvoering van de liquidatie van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH benoemt de raad van bestuur een of meer liquidateurs die handelen volgens de door de raad van bestuur verstrekte instructies.

4. Waneer de Gemeenschappelijke Onderneming FCH wordt geliquideerd, geeft zij alle fysieke hulpmiddelen die haar overeenkomstig de gastheerschapsovereenkomst door de gaststaat [België] ter beschikking waren gesteld, aan de gaststaat terug.

5. Wanneer alle fysieke hulpmiddelen zijn behandeld op de wijze als bedoeld in lid 4 van dit artikel, worden alle verdere activa gebruikt ter dekking van de verplichtingen van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en de liquidatie-uitgaven. Elk overschot of tekort wordt verdeeld over, respectievelijk opgebracht door, de oprichtende leden in verhouding tot hun werkelijke bijdrage aan de gemeenschappelijke onderneming FCH.

6. Overblijvende activa, schulden of verplichtingen worden verdeeld over de oprichtende leden in verhouding tot hun werkelijke bijdrage aan de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

7. Er wordt een ad-hocprocedure ingesteld om het adequate beheer te verzekeren van elke subsidieovereenkomst bedoeld in artikel I.19 en contract voor diensten en leveringen bedoeld in artikel I.20 met een langere duur dan de duur van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

Artikel I.23 Wijziging van de statuten

1. Elk oprichtend lid of lid van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH kan bij de raad van bestuur een voorstel indienen tot wijziging van deze statuten.

2. Voorstellen tot wijziging van de statuten worden overeenkomstig de bepalingen van artikel I.5 door de raad van bestuur goedgekeurd en ter besluit bij de Commissie ingediend.

3. Niettegenstaande lid 2 wordt elke voorgestelde wijziging van artikel I.1 of artikel I.8 of artikel I.21 beschouwd als een essentieel aspect en is zij derhalve onderworpen aan een herziening van de Verordening van de Raad betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

Artikel I.24 Beleid inzake intellectuele eigendomsrechten

1. De Gemeenschappelijke Onderneming FCH neemt algemene regels betreffende haar beleid inzake intellectuele eigendomsrechten aan en deze worden in de subsidieovereenkomsten en consortiumovereenkomsten geïncorporeerd.

2. Onverminderd de concurrentieregels[35] is het doel van het beleid inzake intellectuele eigendomsrechten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH nieuwe informatie te genereren, exploitatie, gebruik en verspreiding ervan voor snelle ontwikkeling tot commerciële resultaten te bevorderen, billijke toewijzing van de desbetreffende rechten te bewerkstelligen, innovatie te belonen en een brede deelname van private en publieke entiteiten aan projecten te bereiken.

3. Het beleid inzake intellectuele eigendomsrechten dient de volgende beginselen tot uitdrukking te brengen:

- elke deelnemer aan een project blijft eigenaar van de bestaande kennis die hij bij een project inbrengt en blijft eigenaar van de nieuwe kennis die hij bij een project genereert tenzij door de projectdeelnemers onderling anders is overeengekomen. De voorwaarden inzake toegangsrechten en licenties betreffende bestaande en nieuwe kennis worden bepaald in de subsidieovereenkomst en de consortiumovereenkomst van het betrokken project;

- de deelnemers aan een project verbinden zich ertoe onder in de subsidieovereenkomst en consortiumovereenkomst bepaalde voorwaarden en rekening houdend met de bescherming van hun intellectuele eigendomsrechten, vertrouwelijkheidsverplichtingen en met name de specificiteit van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH als publiek-privaat partnerschap waaraan de deelnemers uit de private sector een groot deel van de financiële middelen hebben verstrekt en die een legitiem belang erbij hebben hun commerciële belangen te beschermen, nieuwe kennis te verspreiden en te laten gebruiken.

Artikel I.25 Toepasselijk recht

Op alle aangelegenheden die niet bij deze statuten of bij besluiten van het Gemeenschapsrecht zijn geregeld, is het recht van België van toepassing.

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL:

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof.

2. ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en):

Onderzoek en technologische ontwikkeling: Zevende Kaderprogramma, Specifiek Programma "Samenwerking": thema's Energie, Nanowetenschappen, nanotechnologieën, materialen en nieuwe productietechnologieën (NMP), Vervoer (met inbegrip van luchtvaart) en Milieu (met inbegrip van Klimaatverandering) bij DG Onderzoek en de thema's Energie en Vervoer bij DG Energie en vervoer.

3. BEGROTINGSONDERDELEN:

3.1 . Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand met inbegrip van omschrijving):

08.01 04 20 Gemeenschappelijke Onderneming – administratie[36]

08.05 01 10 Energie – RTD – beleid (181,9 M€)

08.04 01 10 NMP – RTD – beleid (47,9 M€)

08.07 01 30 Vervoer – RTD – beleid (67,0 M€)

08.06 01 10 Milieu – RTD – beleid (19,1 M€)

06.06 01 10 Energie – TREN – beleid (119,7 M€)

06.06 02 10 Vervoer – TREN – beleid (14,4 M€)

De totale administratieve kosten worden over elk begrotingsonderdeel verdeeld in verhouding tot de totale bijdrage.

Thema | Geraamde administratieve kosten, M€ |

Energie – RTD | 8.1 |

NMP – RTD | 2.1 |

Vervoer – RTD | 3.0 |

Milieu – RTD | 0.9 |

Energie – TREN | 5.3 |

Vervoer – TREN | 0.6 |

3.2 . Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

De Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof zal naar verwachting begin 2008 bij een Verordening van de Raad worden opgericht voor een periode tot 31 december 2017. De financiële gevolgen ervan voor de EU-begroting vervallen na 2013.

3.3 . Begrotingskenmerken:

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

08.05 01 10 | Niet-verplicht | Gespl. | JA | JA | JA | Nr. 1A |

08.01 04 20 | Niet-verplicht | Niet-gesplitst | JA | JA | JA | Nr. 1A |

08.04 01 10 | Niet-verplicht | Gespl. | JA | JA | JA | Nr. 1A |

08.07 01 30 | Niet-verplicht | Gespl. | JA | JA | JA | Nr. 1A |

08.06 01 10 | Niet-verplicht | Gespl. | JA | JA | JA | Nr. 1A |

06.06 01 10 | Niet-verplicht | Gespl. | JA | JA | JA | Nr. 1A |

06.06 02 10 | Niet-verplicht | Gespl. | JA | JA | JA | Nr. 1A |

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1 . Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt nr. | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | Totaal |

Beleidsuitgaven[37]

Vastleggingskredieten[38] (VK) | 8.1 | a | 28.100 | 70.300 | 90.100 | 106.800 | 73.800 | 80.900 | 450.000 |

Betalingskredieten (BK) | b | 28.100 | 70.300 | 90.100 | 106.800 | 73.800 | 80.900 | 450.000 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag

Technische en administratieve bijstand (NGK) Personeelskosten + 50% | 8.2.4 | c | 1.900 | 2.700 | 3.400 | 4.190 | 3.705 | 4.105 | 20.000 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG

Vastleggingskredieten | a+c | 30.000 | 73.000 | 93.500 | 110.990 | 77.505 | 85.005 | 470.000 |

Betalingskredieten | b+c | 30.000 | 73.000 | 93.500 | 110.990 | 77.505 | 85.005 | 470.000 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5 | d | 0.117 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 1.287 |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6 | e | 0 | 0.200 | 0.200 | 0 | 0.200 | 0.200 | 0.800 |

Totale indicatieve kosten van de maatregel

TOTAAL VK met inbegrip van personeelsuitgaven | a+c+d+e | 30.117 | 73.434 | 93.934 | 111.224 | 77.939 | 85.439 | 472.087 |

TOTAAL BK met inbegrip van personeelsuitgaven | b+c+d+e | 30.117 | 73.434 | 93.934 | 111.224 | 77.939 | 85.439 | 472.087 |

Medefinanciering

De oprichtende leden van de GO FCH zijn:

- de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, en

- de vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht Europese Industriegroepering Gezamenlijk Technologie-initiatief Brandstofcellen en Waterstof (IG).

De IG deelt de exploitatiekosten van het Programmabureau op 50/50 basis met de Commissie (bijdrage in contanten) en dekt minimaal 50% van de beleidskosten van de onderzoeksactiviteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming (in de vorm van een bijdrage in natura).

De exploitatiekosten zullen naar schatting niet meer bedragen dan 4,5% van de totale kosten.

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Medefinancierings-bron | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | Totaal |

Industriegroepering JTI Brandstofcellen en Waterstof | f | 30.117 | 73.434 | 93.934 | 111.224 | 77.939 | 85.439 | 472.087 |

TOTAAL VK met inbegrip van medefinanciering | a+c+d+e+f | 60.234 | 146.868 | 187.868 | 222.448 | 155.878 | 170.878 | 944.174 |

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

( Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

4.2. Personele middelen in voltijdequivalent (VTE; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) – zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 |

Totale personele middelen AD/AST | 11 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

De behoeften zijn:

- het opzetten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH als een nieuwe structuur van partnerschap tussen de Commissie en de industrie voor onderzoeksfinanciering;

- het organiseren van vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen, evaluatie en selectie van projecten waarbij, naast de middelen die afkomstig zijn van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, de industrie de geselecteerde collaboratieve onderzoeksprojecten die in een lidstaat, een kandidaat-lidstaat of een met het Zevende Kaderprogramma geassocieerd land worden uitgevoerd, medefinanciert;

- de monitoring en follow-up van financiële en wetenschappelijke aspecten van projecten waarvoor een subsidieovereenkomst met de Gemeenschappelijke Onderneming FCH is gesloten;

- het organiseren van de aanbestedingen bij inschrijving die nodig zijn voor de activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- het instellen en uitvoeren van alle procedures van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH, met inbegrip van financiële controle;

- het organiseren van verspreidingsactiviteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- het organiseren van communicatieactiviteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH;

- het organiseren van elke andere activiteit die verband houdt met de Gemeenschappelijke Onderneming FCH.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

Deze kwesties worden behandeld in de effectbeoordeling bij dit voorstel. De effectbeoordeling steunt op een sociaal-economische studie, een werkdocument van de diensten van de Commissie en een "Keys to success"-bijdrage van de Industriegroepering. De effectbeoordeling is gecontroleerd door een panel van 4 externe onafhankelijke deskundigen van hoog niveau.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

De algemene doelstelling is het instellen op EU-niveau van een beleidskader voor het stimuleren van een geïntegreerde inspanning voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie op het gebied van brandstofcel- en waterstoftechnologieën van voldoende kritieke massa om in belangrijke mate bij te dragen tot het bereiken van de doelstellingen van het Europese publieke energiebeleid. De gedetailleerde doelstellingen en substantiëring zijn te vinden in de effectbeoordeling.

Sommige specifieke doelstellingen zijn het mogelijk maken van de doorbraak op de markt van brandstofcel- en waterstoftechnologieën waardoor de commerciële marktwerking aansturing kan geven met het oog op substantiële publieke voordelen, het tot stand brengen van de kritieke massa aan onderzoeksinspanningen om vertrouwen te geven aan de industrie, publieke en private investeerders, besluitvormers en andere stakeholders om een programma op lange termijn aan te vatten en het faciliteren van de interactie tussen industrie, universiteiten en onderzoekscentra over fundamenteel onderzoek.

Een vooraf vastgesteld budget met voldoende kritieke massa en een tijdshorizon van 6 jaar wekken vertrouwen bij investeerders uit de privé-sector en stellen de industrie in staat investeringsplannen op lange termijn uit te werken en de kasstromen ervan te beheren.

De verwachte resultaten zijn:

- een belangrijke verhoging van private onderzoeksinvesteringen vergeleken met "business as usual"-niveaus;

- een continu geactualiseerde strategische onderzoeksagenda om ervoor te zorgen dat de financiering optimaal wordt gebruikt;

- een 2 tot 5 jaar kortere doorlooptijd;

- een brede deelname door KMO's en juridische entiteiten uit de nieuwe lidstaten.

Er zal een pakket kwantitatieve en kwalitatieve prestatie -indicatoren worden opgesteld om de uitvoering van het JTI FCH te volgen. Deze prestatie-indicatoren zullen de impact meten van het JTI op het concurrentievermogen van de EU en de onderzoeksomgeving voor brandstofcellen en waterstof. De kwantitatieve indicatoren zullen op vergelijkbare en systematische wijze op grote schaal worden gemeten, terwijl de kwalitatieve benadering casestudy's en technische audits zal omvatten. De indicatoren moeten worden getoetst aan de baseline van de stand van zaken in de jaren voor de start van het JTI om de additionaliteitseffecten tijdens de levensduur ervan te helpen beoordelen.

De voortgang van het JTI zal continu worden gemonitord aan de hand van een pakket objectief verifieerbare indicatoren inclusief:

- monitoring van publieke (EG en andere) en private financiering;

- follow-up van additionaliteit;

- selectie van projecten en toewijzing van financiering;

- technische monitoring aan de hand van welbepaalde specifieke programmamijlpalen;

- naleving van het tijdschema;

- gekwantificeerde monitoring van marktpenetratie in doelsectoren;

- niveau van KMO-deelname en van deelname van de nieuwere lidstaten;

- duurzaamheidsindicatoren.

Halverwege de termijn wordt het JTI door onafhankelijke deskundigen namens de Commissie geëvalueerd. Deze evaluatie heeft betrekking op de kwaliteit en efficiëntie van de Gemeenschappelijke Onderneming en haar voortgang wat betreft de verwezenlijking van haar doelstellingen, en omvat aanbevelingen voor elke noodzakelijke heraanpassing van het programma en indien van toepassing overweging van een uitstapstrategie. De Commissie deelt de conclusies aan de Raad mee. Eind 2017 houdt de Commissie een eindevaluatie en worden de resultaten bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

( Gecentraliseerd beheer

( gedelegeerd aan:

( door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

Op de Gemeenschappelijke Onderneming wordt toezicht gehouden als bepaald in haar statuten.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Deze kwesties worden behandeld in het effectbeoordelingsdocument. Dit is gebaseerd op een sociaal-economische studie bij een effectbeoordeling met een uitgebreide inbreng van het door de industrie geleverde document "Keys to success". Het omvat de voor een evaluatie vooraf in verband met de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH vereiste informatie.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Niet van toepassing.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Beschreven onder artikel 19 van de voorgestelde verordening.

7. Fraudebestrijdingsmaatregelen

Beschreven onder artikel 21 van de voorgestelde verordening.

8. MIDDELEN

8.1 . Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Energie, RTD | 1.900 | 1.100 | 1.800 | 1.900 | 0.400 | 1.000 | 8.100 |

NMP, RTD | 0.000 | 0.400 | 0.400 | 0.400 | 0.400 | 0.500 | 2.100 |

Vervoer, RTD | 0.000 | 0.200 | 0.200 | 0.600 | 1.000 | 1.000 | 3.000 |

Milieu, RTD | 0.000 | 0.100 | 0.100 | 0.200 | 0.200 | 0.300 | 0.900 |

Energie, TREN | 0.000 | 0.780 | 0.780 | 0.970 | 1.585 | 1.185 | 5.300 |

Vervoer, TREN | 0.000 | 0.120 | 0.120 | 0.120 | 0.120 | 0.120 | 0.600 |

TOTAAL, M€ | 1.900 | 2.700 | 3.400 | 4.190 | 3.705 | 4.105 | 20.000 |

8.2 . Administratieve uitgaven

8.2.1. Aantal en soort personeelsleden

Soort post | Huidig of extra personeel dat zal worden ingezet voor het beheer van de actie (aantal posten/VTE) |

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

De taken van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH worden beschreven in artikel I.2 van de statuten. De specifieke taken van de uitvoerend directeur en het Programmabureau worden beschreven onder in artikel I.6 van de statuten.

8.2.3 . Herkomst van het (statutaire) personeel

( Er zijn geen nieuwe Commissieposten vereist.

8.2.4 . Andere administratieve uitgaven die in het referentiebedrag zijn begrepen

(XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | TOTAAL |

Totaal Technische en administratieve bijstand | 1.900 | 2.700 | 3.400 | 4.190 | 3.705 | 4.105 | 20.000 |

Berekening – (betreffende de duur van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH) |

De in de bovenstaande tabel genoemde indicatieve kosten hebben betrekking op de communautaire bijdrage in de exploitatiekosten van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH. Deze bijdrage vertegenwoordigt 50% van de totale exploitatiekosten. |

Personeel: gemiddelde kosten van 117 000 € per VTE per jaar voor AD/AST, en 63 000 € per VTE per jaar voor extern personeel. Andere exploitatie-uitgaven: evaluatie door externe deskundigen, monitoring van projecten, communicatieactiviteiten, organisatie van vergaderingen, reis en verblijf, IT-ontwikkeling, auditing van projecten, enz. Deze uitgaven worden geraamd op ongeveer 50% van de personeelskosten. |

8.2.5 . Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen:

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 |

Ambtenaren en tijdelijk personeel | 0.117 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 0.234 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.) (vermeld begrotingsonderdeel) |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0.117 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 0.234 | 0.234 |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Bij de berekening van de personeelskosten in 8.2.1 wordt uitgegaan van 117 000 euro per VTE-post voor AD/AST, en 63 000 € per VTE per jaar voor extern personeel.

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1

De gedetailleerde personeelsbezetting van de GO en de budgetten op lange/korte termijn worden in het kader van een coördinatie- en ondersteuningsactie gedurende 2007-2008 vastgesteld. De oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH en de opstart zullen evenwel steun vereisen van binnen de Commissie. Na de oprichting van de GO zullen de coördinatie van de Commissiebelangen, onderzoeksthema's, coördinatie met KP7 enz. naar schatting het equivalent van 1 AD-post (VTE) en 1 AST-post (VTE) vereisen.

De GO FCH zal eveneens worden geaudit door de interne auditingdienst van de Commissie overeenkomstig artikel 185 van het Financieel Reglement van de Gemeenschap. In dit financieel memorandum kan echter niet in afzonderlijke posten daartoe worden voorzien.

2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 |

Dienstreizen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Vergaderingen en conferenties | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Comités[42] | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Studies en raadplegingen | 0 | 0.200 | 0.200 | 0 | 0.200 | 0.200 |

Informatiesystemen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

2 Totaal Andere beheersuitgaven | 0 | 0.200 | 0.200 | 0 | 0.200 | 0.200 |

3 Andere uitgaven van administratieve aard |

Totale andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0 | 0.200 | 0.200 | 0 | 0.200 | 0.200 |

Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

Raadplegingen/evaluaties/controles

De Commissie zal het initiatief nemen tot twee evaluaties van de Gemeenschappelijke Onderneming FCH door onafhankelijke deskundigen en zal twee controles verrichten.

Begroot bedrag voor het betrokken jaar:

[…]

5. ANDERE OPMERKINGEN

[…]

[1] PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

[2] PB L 400 van 30.12.2006, blz. 86.

[3] Stern review on the economics of climate change , HM Treasury, 2006; http://www.hm-treasury.gov.uk/independent_reviews/stern_review_economics_climate_change/sternreview_index.cfm

[4] Bijdrage van werkgroep III aan het Intergouvernementeel Panel over klimaatverandering. Vierde beoordelingsverslag. Climate Change 2007: Mitigation of Climate Change. Goedgekeurd tijdens de 9e zitting van werkgroep III van het IPCC, Bangkok, Thailand, 30 april – 4 mei 2007.

[5] ExternE – Externalities of Energy DG RTD JOULE project; zie http://www.externe.info/

[6] 'HyLights' project DG TREN – see http://www.hylights.org/

[7] Hydrogen Posture Plan – An integrated research development and demonstration plan ; Amerikaans Department of Energy en Department of Transportation; december 2006 (update van het plan van 2004); zie:http://www.hydrogen.energy.gov/pdfs/hydrogen_posture_plan_dec06.pdf

[8] FCCJ – Fuel Cell Commercialisation Conference of Japan; zie : http://fccj.jp/index_e.html

[9] Een energiebeleid voor Europa, COM(2007) 1 van 10 januari 2007.

[10] Naar een Europees strategisch plan voor energietechnologie ; COM(2006) 847 van 10 januari 2007.

[11] Schriftelijke verklaring ingevolge voorschrift 116 van het reglement van orde over een groene waterstofeconomie en een derde industriële revolutie in Europa door middel van een partnerschap met betrokken regio's, KMO's en organisaties van het maatschappelijk middenveld, Europees Parement 0016/2007, mei 2007.

[12] COM(2005) 24.

[13] Europees Technologieplatform voor Waterstof en Brandstofcellen – Strategic Research Agenda, the Development Strategy Implementation Plan ; zie https://www.hfpeurope.org/hfp/keydocs

[14] Micro-, kleine en middelgrote ondernemingen of KMO's worden door de Europese Commissie gedefinieerd als ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 M€ en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen M€ niet overschrijdt.

[15] Impact Assessment Guidelines, SEC(2005) 791, Europese Commissie, 2005.

[16] PB C […] van […], blz. […].

[17] PB C […] van […], blz. […].

[18] PB C […] van […], blz. […].

[19] PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1.

[20] PB L 400 van 30.12.2006, blz. 86.

[21] COM(2003) 226.

[22] COM(2003) 690.

[23] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 van 13 december 2006 (PB L 390 van 30.12.2006, blz. 1).

[24] PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/97/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 107).

[25] PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114. Richtlijn als laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/97/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 107).

[26] PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

[27] PB L 295 van 15.11.1996, blz. 2.

[28] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

[29] De Groep van lidstaten op hoog niveau omvat de geassocieerde staten.

[30] PB L 391 van 30.12.2006, blz. 1.

[31] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

[32] De Groep van lidstaten op hoog niveau omvat de geassocieerde staten.

[33] Meer in het bijzonder moeten de evaluatie en selectie van projecten consistent zijn met de criteria van de communautaire Kaderregeling voor staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, (PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1), en de Richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 81 van het EG-Verdrag op horizontale samenwerkingsovereenkomsten, Publicatieblad (PB C 3 van 6.1.2001, blz. 2).

[34] PB L 391 van 30.12.2006, blz. 1.

[35] Communautaire Kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, (PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1).

[36] Dit bedrag wordt niet in aanmerking genomen beneden het plafond voor administratieve uitgaven van het Zevende Kaderprogramma (6%).

[37] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[38] De vastleggingskredieten en betalingskredieten zullen vanuit het oogpunt van de Commissie naar verwachting in hetzelfde jaar gelijk zijn, aangezien de betalingen op beleids/projectniveau ten laste komen van het budget van de Gemeenschappelijke Onderneming.

[39] Zoals beschreven in punt 5.3.

[40] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[41] Administratieve uitgaven na 2013 zijn enkel ramingen.

[42] Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.