52007PC0443




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 25.7.2007

COM(2007) 443 definitief

2007/0163 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot oprichting van een Europese Stichting voor opleiding (herschikking)

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Inleiding

De Europese Stichting voor opleiding, hierna "de Stichting" genoemd, is een gedecentraliseerd EU-agentschap dat is opgericht bij Verordening (EEG) nr. 1360/90 van 7 mei 1990[1] (hierna "de oprichtingsverordening" genoemd). De Stichting heeft haar zetel in Turijn (Italië).

Overeenkomstig de oprichtingsverordening bestaat de algemene doelstelling van de Stichting erin bij te dragen tot de ontwikkeling van de beroepsopleidingsstelsels in de partnerlanden die binnen haar geografische toepassingsgebied vallen.

Oorspronkelijk is de Stichting opgericht ter ondersteuning van PHARE, het programma voor externe bijstand op het gebied van beroepsopleiding. Ten gevolge van drie opeenvolgende wijzigingen van de oprichtingsverordening is het geografische toepassingsgebied van de Stichting echter uitgebreid tot de landen die aan de vroegere programma's TACIS, CARDS en MEDA deelnamen.

Sinds de laatste wijziging van de oprichtingsverordening hebben zich belangrijke ontwikkelingen voorgedaan in de beleidsvisie van de EU met betrekking tot zowel onderwijs en opleiding als externe betrekkingen, en zijn er nieuwe instrumenten vastgesteld om dit beleid uit te voeren. Daarom wordt een nieuwe wijziging van de oprichtingsverordening nodig geacht om met deze recente ontwikkelingen rekening te houden, de rol en taken van de Stichting te actualiseren en een solide grondslag voor haar toekomstige werkzaamheden te leggen.

In 2005 heeft de Commissie een ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen[2] gepresenteerd. Hoewel dit kader, dat zich nog in de ontwerpfase bevindt, voornamelijk bedoeld is als leidraad voor de Commissie bij het oprichten van nieuwe gedecentraliseerde agentschappen, moet ook met de beginselen ervan rekening worden gehouden wanneer belangrijke wijzigingen in de oprichtingsverordeningen van bestaande agentschappen worden voorgesteld. Op lange termijn wordt beoogd op een aantal belangrijke punten een hoge mate van convergentie te bewerkstelligen. Bij de opstelling van dit voorstel is dus rekening gehouden met de beginselen van het ontwerp van interinstitutioneel akkoord.

Voorts beoogt dit wetgevingsvoorstel de oprichtingsverordening te herschikken overeenkomstig het interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten[3].

Context en doel van het voorstel

Recente ontwikkelingen op het gebied van onderwijs en opleiding

Het thematische mandaat van de Stichting, zoals het in de oprichtingsverordening wordt beschreven, bestaat erin bij te dragen tot de ontwikkeling van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de partnerlanden.

In de afgelopen jaren is het onderwijs- en opleidingsbeleid van de EU overgeschakeld van een aanpak per sector op een bredere aanpak van "een leven lang leren". Daarbij worden onderwijs en opleiding gezien als onderdelen van een heel leersysteem dat zowel lager, middelbaar en hoger onderwijs, initiële en voortgezette beroepsopleiding als bijscholing en volwassenenonderwijs omvat.

Bovendien wordt een leven lang leren beschouwd als een sleutelfactor voor de verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen. Een leven lang leren geeft mensen namelijk de nodige kennis, vaardigheden en bredere competenties mee om als actieve burgers te kunnen leven en werken in een dynamische en snel veranderende economie en maatschappij.

In deze context kan de traditionele beroepsopleiding, die mensen werkgerelateerde vaardigheden aanleert die van onmiddellijk nut zijn op de arbeidsmarkt, niet los worden bekeken van ontwikkelingen op andere onderwijsgebieden en van langetermijntendensen op de arbeidsmarkt.

Nieuwe beleidsinstrumenten voor externe betrekkingen

Door de opeenvolgende wijzigingen van de oprichtingsverordening was het geografische toepassingsgebied van de Stichting tot dusver gedefinieerd op grond van de programma's voor externe betrekkingen (PHARE, CARDS, TACIS en MEDA) in het kader waarvan de Stichting werkzaam was.

Sinds 2007 zijn deze programma's vervangen door nieuwe beleidsinstrumenten voor externe betrekkingen, met name het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument.

De invoering van deze nieuwe beleidsinstrumenten voor externe betrekkingen betekent een belangrijke stap in de richting van een meer beleids- dan programmagerichte benadering van de buitenlandse steun in een sectorperspectief. Met deze instrumenten wordt beoogd de partnerlanden te helpen hun interne hervormingen in verschillende sectoren tot een goed einde te brengen.

In deze nieuwe context zal van de Stichting in toenemende mate worden verwacht dat zij de Commissie informatie en analyses verstrekt ten behoeve van de beleidsontwikkeling en de programmering van de steun, en dat zij op verzoek van de Commissie bijdraagt tot de analyse van de algemene doeltreffendheid van de bijstand aan de partnerlanden op het gebied van opleiding. Een tweede aandachtspunt bestaat erin de partnerlanden te helpen de nodige capaciteit op te bouwen om afhankelijk van hun nationale context aangepaste hervormingsstrategieën vast te stellen en uit te voeren, en de vorming van netwerken en de uitwisseling van ervaringen en good practices tussen de Europese Unie en de partnerlanden en tussen de partnerlanden onderling te stimuleren.

Externe evaluatie van de Stichting

Overeenkomstig artikel 17 van de oprichtingsverordening, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1572/98 van de Raad[4], is in 2005 een externe evaluatie van de activiteiten van de Stichting in de periode 2002-2005 uitgevoerd. De eindconclusies van de evaluatie en een reeks aanbevelingen zijn in 2006 aan de Commissie gepresenteerd en zijn opgenomen in een mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement die op 19 december 2006 is goedgekeurd[5].

In de evaluatie werd bevestigd dat het door de Stichting geleverde werk zijn geld waard is en werd geconcludeerd dat de diensten van de Commissie en de EU-delegaties een positief beeld hebben van de door de Stichting geleverde expertise op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding.

De beoordelaars formuleerden ook een reeks aanbevelingen die hetzij door de Commissie, hetzij door de Stichting zelf moeten worden opgevolgd. De Commissie heeft de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de beoordelaars geanalyseerd en heeft er bij de opstelling van dit wetgevingsvoorstel terdege rekening mee gehouden. De belangrijkste aanbevelingen in dit verband zijn hieronder vermeld.

Thematisch mandaat van de Stichting

De beoordelaars concludeerden dat het thematische mandaat van de Stichting te beperkt is, ook al is het de laatste jaren zowel door de Commissie als door de Stichting met enige soepelheid geïnterpreteerd. Daarom bevalen zij aan om er bij de herziening van de oprichtingsverordening en de omschrijving van de rol van de Stichting van uit te gaan dat beroepsonderwijs en -opleiding deel uitmaken van een breder programma voor de ontwikkeling van human resources.

Geografisch toepassingsgebied

De beoordelaars pleitten voor meer flexibiliteit in het geografische toepassingsgebied van de Stichting. Zo kan de Commissie de bijzondere expertise van de Stichting benutten in landen met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau en met vergelijkbare sociaaleconomische problemen. Tegelijk onderstreepten de beoordelaars dat deze flexibiliteit gepaard moet gaan met een strikte prioritering van de activiteiten van de Stichting.

Bestuursstructuren

In hun conclusies wezen de beoordelaars erop dat de strategische rol van de raad van bestuur moet worden versterkt en dat het adviserend lichaam weliswaar een belangrijk en nuttig netwerk van deskundigen vormt, maar tekortschiet in zijn taak de raad van bestuur te adviseren. Daarom vonden zij dat het adviserend lichaam zijn huidige statutaire functie waarschijnlijk beter niet behoudt.

Conclusie

Gezien het bovenstaande stelt de Commissie het volgende voor:

- het thematische mandaat van de Stichting moet worden uitgebreid tot de ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, alsook daarmee gerelateerde arbeidsmarktkwesties;

- het geografische toepassingsgebied van de Stichting moet worden geactualiseerd en geherdefinieerd op grond van de nieuwe instrumenten en prioriteiten van het externe beleid van de EU;

- de taken van de Stichting moeten aan deze nieuwe werkomgeving worden aangepast en moeten tegelijk op duidelijke, in samenspraak met de Commissie vastgestelde prioriteiten gericht blijven;

- de bestuursstructuren van de Stichting moeten worden gemoderniseerd met het oog op een doeltreffende besluitvorming en convergentie met andere agentschappen op lange termijn, overeenkomstig het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen.

Motivering van het voorstel van de Commissie

Dit voorstel voorziet in noodzakelijke wijzigingen in de oprichtingsverordening en draagt bij tot de vereenvoudiging van de wetgeving betreffende de Stichting.

Keuze van het rechtsinstrument: herschikkingsverordening

Sinds de vaststelling van de oprichtingsverordening in 1990 is deze reeds drie maal gewijzigd (in 1994, 1998 en 2000) om het geografische toepassingsgebied van de activiteiten van de Stichting uit te breiden tot respectievelijk de TACIS-, MEDA- en CARDS-landen. In 2003 is de oprichtingsverordening een vierde maal gewijzigd om deze aan te passen aan het nieuwe Financieel Reglement.

Aangezien er momenteel, zoals toegelicht in punt 2 hierboven, behoefte is aan ingrijpende wijzigingen in de oprichtingsverordening, vindt de Commissie dit een goede gelegenheid voor een herschikking overeenkomstig het interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten[6]. Daarbij wordt één wettekst vastgesteld om de gewenste wijzigingen aan te brengen, deze met de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten te codificeren en die besluiten in te trekken.

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag voor de oprichtingsverordening was artikel 235 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het huidige artikel 308).

Punt 4.1 van de Mededeling over een kader voor Europese regelgevende agentschappen[7] bepaalt echter dat "de oprichtingsakte [van een agentschap] gebaseerd moet zijn op de verdragsbepaling die de specifieke rechtsgrond voor dit beleid is".

De Commissie is van mening dat het nieuwe thematische mandaat van de Stichting, zoals het in deze herschikkingsverordening wordt beschreven, weliswaar ruimer is dan beroepsopleiding in de traditionele zin, maar nog steeds nauw verband houdt met het EU-beleid op dit specifieke gebied.

De geschikte rechtsgrondslag voor de herschikte oprichtingsverordening lijkt daarom artikel 150 van het Verdrag betreffende beroepsopleiding, en met name lid 3, dat bepaalt: "De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake beroepsopleiding bevoegde internationale organisaties".

Lid 4 van dat artikel bepaalt dat de voorgestelde wettekst wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag (medebeslissingsprocedure).

Toelichting op de voorgestelde tekst

De herschikte oprichtingsverordening bevat in totaal 27 artikelen. De meeste bestaande artikelen zijn aangevuld met nieuwe verwijzingen of extra elementen; andere artikelen zijn verplaatst en/of geherformuleerd om de tekst leesbaarder en beknopter te maken. Er is ook een aantal geheel nieuwe artikelen ingevoegd, voornamelijk naar aanleiding van aanbevelingen in het interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen. Sommige artikelen zijn ongewijzigd gebleven, andere zijn geschrapt omdat ze achterhaald of overbodig waren.

De verwijzing naar de rechtsgrondslag is gewijzigd omdat ex artikel 235 (het huidige artikel 308) van het Verdrag om de in punt 5 hierboven genoemde redenen is vervangen door artikel 150.

De overwegingen zijn als volgt gewijzigd: er is een eerste overweging ingevoegd om aan te geven dat de nieuwe verordening een herschikking van de eerdere verordening is; in een nieuwe overweging wordt de zetel van de Stichting vermeld; er zijn drie nieuwe overwegingen toegevoegd om de eerdere wijzigingen in de verordening toe te lichten; en er zijn drie overwegingen toegevoegd om melding te maken van de nieuwe instrumenten van het externe beleid van de EU en de behoefte aan ontwikkeling van human resources in de landen die onder deze instrumenten vallen.

Voorts wordt in een nieuwe overweging verwezen naar de recente externe evaluatie van de Stichting en de desbetreffende mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, aangezien in dit voorstel rekening wordt gehouden met de conclusies van die mededeling.

Voorts wordt in een reeks nieuwe overwegingen verwezen naar de rol van de raad van bestuur en de verplichting van de Stichting om zich te houden aan de communautaire voorschriften en procedures inzake begrotings- en financiële kwesties, de bestrijding van fraude, corruptie en onwettige handelingen, de toegang van het publiek tot documenten, en de verwerking van persoonsgegevens, In de laatste overweging wordt bevestigd dat de voorgestelde verordening de grondrechten eerbiedigt en strookt met de beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd.

Hieronder worden de voornaamste wijzigingen beschreven:

Artikel 1 (Onderwerp en toepassingsgebied)

Zoals hierboven is toegelicht, wint de "een leven lang leren"-aanpak van onderwijs en beroepsopleiding aan belang en speelden arbeidsmarktkwesties al langer een belangrijke rol in de werkzaamheden van de Stichting. Daardoor was het aandachtsgebied van de Stichting altijd al ruimer dan de bewoording van haar thematische mandaat liet vermoeden.

Om deze situatie formeel te maken, wordt voorgesteld om het thematische mandaat van de Stichting uit te breiden tot "ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, alsook daarmee gerelateerde arbeidsmarktkwesties".

Gezien de beperkte middelen van de Stichting is de Commissie van mening dat het geografische werkgebied van de Stichting ongewijzigd moet blijven. Daarom wordt voorgesteld om het primaire toepassingsgebied van de Stichting vast te stellen op grond van het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument. Om de Stichting in staat te stellen haar werkzaamheden af te stemmen op de prioriteiten van het externe beleid in gebieden die buiten haar primaire geografische toepassingsgebied vallen, zoals de Centraal-Aziatische landen, zal de raad van bestuur daartoe op voorstel van de Commissie een ad-hocbesluit moeten nemen.

De vroegere "begunstigde landen" worden voortaan "partnerlanden" genoemd.

Artikel 2 (Taken)

Met het oog op de geplande nieuwe rol van de Stichting in het kader van de nieuwe beleidsinstrumenten voor externe betrekkingen, moet haar taak als volgt worden geherdefinieerd:

- zij verstrekt informatie, beleidsanalyses en -advies over de ontwikkeling van human resources in relatie met de sectorale beleidsdoelstellingen in de partnerlanden;

- zij ondersteunt de stakeholders in de partnerlanden bij het opbouwen van capaciteit op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

- zij vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen donors die in de partnerlanden betrokken zijn bij de hervorming van de ontwikkeling van human resources;

- zij ondersteunt de verlening van communautaire bijstand aan de partnerlanden op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

- zij verspreidt informatie en stimuleert de vorming van netwerken en de uitwisseling van ervaringen en good practices tussen de Europese Unie en de partnerlanden en tussen de partnerlanden onderling op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

- zij draagt op verzoek van de Commissie bij tot de analyse van de algemene doeltreffendheid van de bijstand aan de partnerlanden op het gebied van opleiding.

Artikel 3 (Algemene bepalingen)

In lid 2 wordt de zetel van de Stichting vermeld. In lid 3 worden nadere bijzonderheden over de samenwerking met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) toegevoegd. Leden 4 en 5 bevatten bepalingen betreffende het administratieve toezicht door de Europese Ombudsman en de sluiting van samenwerkingsovereenkomsten tussen de Stichting en andere organen.

Artikel 4 (Transparantie), artikel 5 (Vertrouwelijkheid) en artikel 6 (Beroepsmogelijkheden)

In deze artikelen wordt het toepassingsgebied van het oude artikel 4 bis betreffende de toegang tot documenten uitgebreid met bepalingen betreffende transparantie en vertrouwelijkheid, zoals aanbevolen in het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen, en wordt in dit verband in de nodige beroepsmogelijkheden voorzien.

Artikel 7 (Raad van bestuur), artikel 8 (Stemregels en taken van de voorzitter) en artikel 9 (Bevoegdheden van de raad van bestuur)

Om de besluitvorming doeltreffend te houden en de huishoudelijke uitgaven zoveel mogelijk te beperken, wordt in artikel 7, rekening houdend met de beginselen van het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen, de volgende herstructurering van de raad van bestuur van de Stichting voorgesteld:

- het aantal vertegenwoordigers in de raad van bestuur wordt teruggebracht tot vijftien;

- de Commissie en de Raad wijzen een gelijk, beperkt aantal vertegenwoordigers (elk zes) aan;

- met het oog op de transparantie wijst de Commissie ook drie vertegenwoordigers van de partnerlanden aan als leden zonder stemrecht van de raad van bestuur;

- alle leden van de raad van bestuur worden voor vijf jaar (in plaats van de huidige drie jaar) aangewezen op grond van hun deskundigheid op het desbetreffende gebied en rekening houdend met een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.

In artikel 9 worden de taken en verplichtingen van de raad van bestuur op een meer beknopte en coherente wijze omschreven.

Oud artikel 6 (Adviserend lichaam)

Aangezien het adviserend lichaam geen statutaire functie als bestuursorgaan van de Stichting meer heeft, wordt dit artikel uit de oprichtingsverordening geschrapt. Het adviserend lichaam kan echter in de vorm van regionale seminars actief blijven in het kader van de Stichting. Dit standpunt wordt gestaafd door de bevindingen van de externe evaluatie.

Artikel 10 (Directeur)

In dit artikel wordt de procedure voor de benoeming van de directeur in overeenstemming gebracht met de aanbevelingen in het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen en met recentere interinstitutionele besprekingen hierover. Er worden specifieke bepalingen ingevoerd betreffende de evaluatie van de directeur en de mogelijkheid om zijn ambtstermijn eenmaal met ten hoogste drie jaar te verlengen. De taakomschrijving van de directeur is beknopter en coherenter. In lid 5 wordt een duidelijke bepaling toegevoegd betreffende de rol van de raad van bestuur in het toezicht op en het ontslaan van de directeur.

Artikel 11 (Algemeen belang en onafhankelijkheid)

Dit nieuwe artikel sluit aan op de aanbevelingen in het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen

Artikel 12 (Jaarlijks werkprogramma)

Ten opzichte van het oude artikel 5 geeft dit nieuwe artikel een meer beknopte en coherente beschrijving van de procedure voor de opstelling en vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma. In plaats van het huidige driejaarlijkse programma wordt een vierjaarlijks programma voorgesteld.

Artikel 13 (Jaarlijks activiteitenverslag)

Dit nieuwe artikel geeft een gedetailleerde beschrijving van de procedure voor de opstelling en vaststelling van het jaarlijkse activiteitenverslag. Die procedure stond gedeeltelijk beschreven in lid 9 van het oude artikel 5.

Artikel 14 (Verband met andere acties van de Gemeenschap)

Ten opzichte van het oude artikel 8 geeft dit artikel een meer volledige en "duurzame" beschrijving, zonder vermelding van specifieke acties.

Artikel 15 (Begroting), artikel 16 (Begrotingsprocedure) en artikel 17 (Begroting – tenuitvoerlegging en controle)

Dit artikel blijft grotendeels ongewijzigd, op een aantal kleine vereenvoudigingen na. Aan artikel 17 wordt een nieuw lid 11 toegevoegd om ervoor te zorgen dat de directeur alle nodige maatregelen neemt om gevolg te geven aan de opmerkingen bij het besluit tot kwijting.

Artikel 18 (Europees Parlement en Raad)

Overeenkomstig de aanbevelingen in het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen bepaalt dit artikel dat het Europees Parlement en de Raad kunnen verzoeken om een onderhoud met de directeur van de Stichting over onderwerpen in verband met de activiteiten van de Stichting.

Artikel 19 (Financiële regeling)

De leden 2, 3 en 4 zijn toegevoegd met het oog op de naleving van de boekhoudregels en fraudebestrijding.

Artikel 20 (Voorrechten en immuniteiten), artikel 21 (Personeel), artikel 22 (Aansprakelijkheid) en artikel 23 (Deelneming van derde landen)

Deze artikelen blijven grotendeels ongewijzigd. In artikel 21 (Personeel) wordt een zin toegevoegd om, overeenkomstig de aanbevelingen in het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen, te verwijzen naar artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en artikel 127 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, alsook de mogelijkheid om nationale deskundigen bij de Stichting te detacheren. In artikel 23, lid 1, worden "op opleidingsgebied" en "begunstigde landen" vervangen door respectievelijk "op het gebied van human resources" en "partnerlanden" om de terminologie in overeenstemming te brengen met die van artikel 1. Aan het einde van dit lid wordt een zin toegevoegd om de voorwaarden voor de deelneming van derde landen te verduidelijken.

Artikel 24 (Evaluatie)

Dit artikel wordt toegevoegd overeenkomstig de aanbevelingen in het ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen. De evaluatiecyclus wordt verlengd tot vier jaar om rekening te houden met de vierjaarlijkse programmering.

Artikel 25 (Herziening)

In dit artikel worden toekomstige herzieningen van de oprichtingsverordening verbonden aan toekomstige evaluaties. Voorts wordt voorzien in de mogelijkheid om de oprichtingsverordening in te trekken als het voortbestaan van de Stichting niet langer gerechtvaardigd zou blijken in het licht van de toegewezen doelstellingen.

Artikel 26 (Intrekking)

In dit artikel worden de eerdere verordeningen ingetrokken en wordt bepaald dat verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de herschikkingsverordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage daarbij, overeenkomstig artikel 7, onder b), van het interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten.

Artikel 27 (Inwerkingtreding)

Subsidiariteit en evenredigheid

In de nieuwe bewoording in dit voorstel heeft de Stichting tot taak "in het kader van het externe beleid van de EU bij te dragen tot een betere ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, alsook daarmee gerelateerde arbeidsmarktkwesties" in de partnerlanden. Dit voorstel bevat een lijst van duidelijk omschreven taken die de Stichting moet uitvoeren "met inachtneming van de aan de raad van bestuur toegekende bevoegdheden en overeenkomstig de op communautair niveau vastgestelde algemene richtsnoeren". Op deze manier voldoet de Stichting aan het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.

Gevolgen voor de begroting

In dit voorstel krijgt de Stichting geen nieuwe activiteiten toegewezen. Doel is eerder een geactualiseerde en duidelijkere omschrijving van de huidige taken van de Stichting vast te stellen, met een ruimer thematisch mandaat (ontwikkeling van human resources) en een vernieuwd geografisch toepassingsgebied. Wel wordt ervan uitgegaan dat het ruimere thematische mandaat en de nadruk die wordt gelegd op informatie en beleidsanalyse (met een gelijktijdige vermindering van het projectbeheer vanaf 2008) arbeidsintensievere werkzaamheden met zich zullen brengen, zodat de Stichting zwaar in personeelsopleiding zal moeten investeren. Daarom is bij dit voorstel een financieel memorandum gevoegd waarin de budgettaire behoeften van de Stichting in de komende jaren worden toegelicht.

2007/0163 (COD)

∫ nieuw

Voorstel voor een

⎢ 1360/90

? nieuw

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot oprichting van een Europese Stichting voor opleiding

? (herschikking) ⎪

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

⎢ 1360/90 (aangepast)

? nieuw

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid en met name op artikel 235 ? 150 ⎪,

Gezien het voorstel van de Commissie[8],

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het ? Europees ⎪ Economisch en Sociaal Comité[9],

∫ nieuw

Gezien het advies van het Comité van de Regio's[10],

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[11],

Overwegende hetgeen volgt:

∫ nieuw

1. Verordening (EEG) nr. 1360/90 van 7 mei 1990 tot oprichting van de Europese Stichting voor opleiding is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd[12]. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze verordening te worden overgegaan.

⎢ 1360/90 (aangepast)

? nieuw

2. Overwegende dat de De Europese Raad van Straatsburg van 8 en 9 december 1989 heeft de Raad heeft verzocht om begin 1990 op voorstel van de Commissie de voor de oprichting van een Europese Stichting voor opleiding voor Midden- en Oost-Europa nodige besluiten te nemen;. ? Daartoe heeft de Raad op 7 mei 1990 Verordening (EEG) nr. 1360/90 tot oprichting van deze Stichting vastgesteld. ⎪

∫ nieuw

3. Overeenkomstig het in onderlinge overeenstemming genomen besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders op 29 oktober 1993 in Brussel bijeen[13], heeft de Stichting haar zetel in Turijn (Italië).

⎢ 1360/90 (aangepast)

4. Overwegende dat de De Raad heeft op 18 december 1989 Verordening (EEG) nr. 3906/89[14] betreffende economische hulp ten gunste van de Republiek Hongarije en de Volksrepubliek Polen heeft vastgesteld, waarin wordt voorzien in hulp op bepaalde gebieden waaronder opleiding om het proces van economische en sociale hervormingen in Hongarije en Polen te steunen;.

5. Overwegende dat de De Raad heeft deze hulp vervolgens bij een besluit √ besluiten ∏ ter zake kan uitbreiden √ uitgebreid ∏ tot andere landen van Midden- en Oost-Europa;.

6. Overwegende dat het proces van economische en sociale hervormingen zal bijdragen tot de ontwikkeling van voor beide partijen voordelige economische en handelsbetrekkingen tussen de landen van Midden- en Oost-Europa en de Gemeenschap; dat deze geïntensiveerde betrekkingen tevens zullen bijdragen tot een harmonische ontwikkeling van de economische activiteiten binnen de Gemeenschap;

∫ nieuw

7. Op 27 juli 1994 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 2063/94[15] tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 vastgesteld teneinde de landen die steun krijgen uit hoofde van Verordening (Euratom, EEG) nr. 2053/93 (Tacis-programma) bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding te betrekken.

8. Op 17 juli 1998 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 1572/98[16] tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 vastgesteld teneinde de mediterrane niet-lidstaten en gebieden die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1488/96 financiële en technische steun krijgen ter ondersteuning van de hervorming van hun economische en maatschappelijke structuren, bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding te betrekken.

9. Op 5 december 2000 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 2666/2000[17] betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 vastgesteld teneinde de onder de verordening vallende Westelijke-Balkanlanden bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding te betrekken.

10. De programma's voor externe bijstand aan de landen die bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding betrokken zijn, moeten worden vervangen door nieuwe beleidsinstrumenten voor externe betrekkingen, hoofdzakelijk de twee instrumenten die zijn ingesteld bij respectievelijk Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun[18] en Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument[19].

11. Door in het kader van haar externe beleid steun te verlenen voor de ontwikkeling van human resources, draagt de EU bij tot de economische ontwikkeling in deze landen door in de nodige vaardigheden voor meer productiviteit en werkgelegenheid te helpen voorzien, en bevordert zij de sociale samenhang door actief burgerschap aan te moedigen.

12. In het kader van de inspanningen van deze landen om hun economische en maatschappelijke structuren te hervormen, is de ontwikkeling van human resources van wezenlijk belang om langdurige stabiliteit en welvaart en in het bijzonder een sociaaleconomisch evenwicht tot stand te brengen.

⎢ 1360/90 (aangepast)

? nieuw

13. Overwegende dat de De Europese Stichting voor opleiding kan ? in de context van het externe beleid van de EU ⎪ een belangrijke bijdrage kan leveren tot de daadwerkelijke verschaffing van ondersteuning bij de opleiding aan de landen van Midden- en Oost-Europa die in aanmerking komen voor economische hulp ter ondersteuning van het hervormingsproces ? een betere ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren ⎪ ;.

14. Overwegende dat de Europese Stichting voor Opleiding, om Om haar bijdrage te kunnen leveren, zal de Europese Stichting voor opleiding een beroep zal moeten doen op de bij de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk beleid voor beroepsopleiding binnen de Gemeenschap ? Europese Unie ⎪ opgedane ervaring met beroepsopleidingen ? onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren ⎪ en op de EU-instellingen in de Gemeenschap die zich met opleidingen ? daarmee ⎪ bezighouden;.

15. Overwegende dat er in In de Gemeenschap en in derde landen, met inbegrip van waaronder de landen van Midden- en Oost-Europa ? die bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding betrokken zijn ⎪ , bestaan regionale en/of nationale, openbare en/of particuliere voorzieningen bestaan waarop een beroep kan worden gedaan om behulpzaam te zijn bij de daadwerkelijke verlening van hulp op opleidingsgebied ? het gebied van de ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren ⎪ ;.

16. Overwegende dat het Het statuut en de structuur van de Europese Stichting voor opleiding moeten deze in staat moeten stellen om op de specifieke, uiteenlopende behoeften van de afzonderlijke landen die moeten worden geholpen, op soepele wijze in te spelen, en om in nauwe aansluiting op de bestaande nationale en internationale faciliteiten ? organen ⎪ haar taken te vervullen;.

17. Overwegende dat de De Europese Stichting voor opleiding moet rechtspersoonlijkheid dient te verkrijgen en moet tegelijkertijd met de Commissie nauwe organieke betrekkingen moet met de Commissie onderhouden alsook en de algemene politieke ? en operationele ⎪ verantwoordelijkheden van de Gemeenschap en haar instellingen dient te eerbiedigen;.

18. Overwegende dat de De Europese Stichting voor opleiding moet nauwe banden dient te hebben met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop), alsook met het Trans-Europees Mobiliteitsprogramma voor universiteitsstudies (Tempus) en de andere programma's die door de Raad in het leven zijn geroepen om aan de landen van Midden- en Oost-Europa hulp op opleidingsgebied te verschaffen aan de landen ? die bij de activiteiten van de Stichting betrokken zijn ⎪ ;.

19. Overwegende dat de De Europese Stichting voor opleiding open dient te staan moet openstaan voor de deelneming van landen die geen lid van de Gemeenschap zijn en die zich evenals de Gemeenschap en de lidstaten ertoe verbinden op opleidingsgebied voor Midden- en Oost-Europa hulp ? op het gebied van de ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, ⎪ te verlenen ? aan de landen die bij de activiteiten van de Europese Stichting voor opleiding betrokken zijn, ⎪ overeenkomstig regelingen die dienen te moeten worden vastgelegd in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de eerstgenoemde landen;.

∫ nieuw

20. Om effectief toezicht op de activiteiten van de Stichting te kunnen uitoefenen, moeten de Commissie en de lidstaten in een raad van bestuur vertegenwoordigd zijn. Deze raad van bestuur moet over de nodige bevoegdheden beschikken om de begroting vast te stellen, de uitvoering van de begroting te controleren, de financiële regeling vast te stellen, transparante werkprocedures voor de besluitvorming door de Stichting op te stellen en de directeur te benoemen.

21. Om de volledige autonomie en onafhankelijkheid van de Stichting te waarborgen, moet de Stichting een eigen begroting worden toegekend die hoofdzakelijk uit een bijdrage van de Gemeenschap wordt gefinancierd. Op de communautaire bijdrage en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Gemeenschap moet de communautaire begrotingsprocedure van toepassing zijn. De Rekenkamer moet de rekeningen controleren.

22. De Stichting is een door de Gemeenschappen opgericht orgaan in de zin van artikel 185, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[20] (hierna "het Financieel Reglement" genoemd) en moet haar financiële regeling dienovereenkomstig vaststellen.

23. Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[21] moet op de Stichting van toepassing zijn.

24. Ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige handelingen moet Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[22] onverkort op de Stichting van toepassing zijn.

25. Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie[23] moet op de Stichting van toepassing zijn.

26. Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[24] moet op de verwerking van persoonsgegevens door de Stichting van toepassing zijn.

27. Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk de ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, alsook daarmee gerelateerde arbeidsmarktkwesties, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

28. Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Met name beoogt deze verordening de toepassing van artikel 43 van het Handvest van de grondrechten te bevorderen,

⎢ 1360/90

29. Overwegende dat het Verdrag slechts in artikel 235 bevoegdheden voor de desbetreffende actie bevat,

⎢ 1360/90 (aangepast)

HEEFT √ HEBBEN ∏ DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

√ Onderwerp en toepassingsgebied ∏ Doelstellingen

⎢ 2666/2000 Art. 16

? nieuw

Er wordt een Europese Stichting voor opleiding opgericht, hierna te noemen "Stichting" genoemd, die tot doel heeft ? in het kader van het externe beleid van de EU ⎪ bij te dragen tot de ontwikkeling van de beroepsopleidingsstelsels: ð een betere ontwikkeling van human resources, en met name onderwijs en opleiding met het oog op een leven lang leren, alsook daarmee gerelateerde arbeidsmarktkwesties, in de volgende landen ï :

- in de landen van Midden- en Oost-Europa die bij Verordening (EEG) nr. 3906/89 of een later besluit ter zake door de Raad worden aangewezen om in aanmerking te komen voor economische hulp;

- in de nieuwe onafhankelijke staten van de voormalige Sovjet-Unie en Mongolië die in het kader van het programma voor steun aan de sanering en het herstel van de economie steun ontvangen krachtens Verordening (Euratom, EG) nr. 1279/96 of krachtens enig ander daaropvolgend besluit;

- in de mediterrane derde landen en gebieden die in aanmerking komen voor de financiële en technische maatregelen ter ondersteuning van de hervorming van hun economische en maatschappelijke structuren krachtens Verordening (EG) nr. 1488/96 of krachtens enig ander daaropvolgend besluit, en

- in de in Verordening (EG) nr. 2666/2000[25] of enig ander daaropvolgend besluit bedoelde begunstigde landen.

Deze landen worden hierna «begunstigde landen» genoemd.

∫ nieuw

a) de landen die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad en latere, daarmee gerelateerde wetsbesluiten;

b) de landen die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1638/2006 van de Raad en latere, daarmee gerelateerde wetsbesluiten;

c) andere landen die op voorstel van de Commissie bij besluit van de raad van bestuur worden aangewezen in overeenstemming met de prioriteiten van het externe beleid van de Europese Unie en binnen de grenzen van de beschikbare middelen.

De onder a), b) en c) genoemde landen worden hierna de "partnerlanden" genoemd.

⎢ 1360/90

De Stichting heeft met name tot doel:

- een doeltreffende samenwerking tussen de Gemeenschap en de begunstigde landen inzake beroepsopleiding te bevorderen;

- bij te dragen tot de coördinatie van de bijstand van de Gemeenschap, de Lid-Staten en de in artikel 16 bedoelde derde landen.

⎢ 1572/98 Art. 1.2

Artikel 2

Toepassingsgebied

De stichting is overeenkomstig de op communautair niveau vastgestelde algemene richtsnoeren op opleidingsgebied werkzaam en bestrijkt zowel basisberoepsopleiding en bijscholing als omscholing voor jongeren en volwassenen, in het bijzonder managementopleiding.

⎢ 1360/90

Artikel 3 2

Functies Taken

⎢ 1572/98 Art. 1.3 (aangepast)

Met het oog op de in artikel 1 genoemde doelstellingen heeft vervult de Stichting, met inachtneming van de aan de raad van bestuur toegekende bevoegdheden en overeenkomstig de op communautair niveau vastgestelde algemene richtsnoeren, tot taak √ de volgende taken ∏ :

⎢ 1360/90

a) bijstand te verlenen bij het bepalen van de opleidingsbehoeften en -prioriteiten door maatregelen inzake technische bijstand op opleidingsgebied te treffen en door samen te werken met de passende daartoe aangewezen lichamen in de begunstigde landen;

b) op te treden als verbindingscentrum om de Gemeenschap, de Lid-Staten en de in artikel 16 bedoelde derde landen alsmede de begunstigde landen, en alle overige betrokken partijen inlichtingen te verschaffen omtrent lopende initiatieven en toekomstige behoeften op opleidingsgebied en een kader voor het hulpaanbod te bieden;

⎢ 2063/94 Art. 1.2

c) op grondslag van het bepaalde onder a) en b):

- na te gaan welke ruimte er bestaat voor joint ventures in de hulpverlening op opleidingsgebied, met inbegrip van proefprojecten, voor het opzetten van gespecialiseerde multinationale ploegen voor specifieke projecten en om te bepalen welke acties voor medefinanciering in aanmerking komen,

- fondsen te bezorgen voor het uitwerken en voorbereiden van dergelijke projecten, waarvan de uitvoering gefinancierd kan worden uit bijdragen van een of meer landen, van een of meer landen en de Stichting samen of, in uitzonderlijke gevallen, van de Stichting alleen,

⎢ 1572/98 Art. 1.4

- op verzoek van de Commissie of van de begunstigde landen en in samenwerking met de raad van bestuur, te zorgen voor de uitvoering van programma's op het gebied van beroepsopleiding, waartoe, in het kader van het communautaire beleid voor bijstandsverlening aan deze landen, door de Commissie samen met één of meer landen is besloten, met behulp van multidisciplinaire ploegen van deskundigen en in nauwe samenwerking met de bevoegde overheden van de betrokken landen, daarbij actief profijt trekkend van de bij de communautaire programma's voor beroepsopleiding opgedane ervaringen; bij de selectie van de door de stichting te beheren projecten wordt prioriteit toegekend aan projecten die een innovatieve waarde hebben en die - in het geval van kandidaat-lidstaten - een rechtstreeks verband hebben met de programma's van de Gemeenschap op het gebied van beroepsopleiding;

⎢ 1360/90

d) ervoor te zorgen dat de daarvoor geschikte overheidsinstellingen en/of particuliere lichamen die goede opleidingsresultaten kunnen overleggen en beschikken over de nodige deskundigheid, de door de Stichting gefinancierde activiteiten en projecten op soepele gedecentraliseerde wijze uitwerken, voorbereiden, uitvoeren en/of beheren;

⎢ 1572/98 Art. 1.5

e) kent de raad van bestuur de bevoegdheid toe om aanbestedingsprocedures vast te stellen voor projecten die door de stichting gefinancierd of medegefinancierd worden, waarbij volledig rekening wordt gehouden met de procedures die vastgesteld zijn in het kader van Verordening (EEG) nr. 3906/89, inzonderheid artikel 7 daarvan, in het kader van Verordening (Euratom, EG) nr. 1279/96, inzonderheid de artikelen 6 en 7 daarvan, en in het kader van Verordening (EG) nr. 1488/96, inzonderheid artikel 8 daarvan, of in enig ander daaropvolgend besluit terzake;

⎢ 1360/90

f) in samenwerking met de Commissie te helpen bij het toezicht en de evaluatie van de algemene doeltreffendheid van de opleidingshulp aan de begunstigde landen;

g) informatie te verspreiden en de uitwisseling van ervaring te bevorderen door publikaties, vergaderingen en andere geschikte middelen;

∫ nieuw

a) zij verstrekt informatie, beleidsanalyses en -advies over de ontwikkeling van human resources in relatie met de sectorale beleidsdoelstellingen in de partnerlanden;

b) zij ondersteunt de stakeholders in de partnerlanden bij het opbouwen van capaciteit op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

c) zij vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen donors die in de partnerlanden betrokken zijn bij de hervorming van de ontwikkeling van human resources;

d) zij ondersteunt de verlening van communautaire bijstand aan de partnerlanden op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

e) zij verspreidt informatie en stimuleert de vorming van netwerken en de uitwisseling van ervaringen en good practices tussen de Europese Unie en de partnerlanden en tussen de partnerlanden onderling op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

f) zij draagt op verzoek van de Commissie bij tot de analyse van de algemene doeltreffendheid van de bijstand aan de partnerlanden op het gebied van opleiding.

⎢ 1360/90 (aangepast)

h) √ g) ∏ in het algemene kader van deze verordening zij voert √ in het algemene kader van deze verordening ∏ andere taken uit te voeren waarover tussen de raad van bestuur en de Commissie overeenstemming is bereikt.

Artikel 4 3

Algemene bepalingen

1. De Stichting bezit rechtspersoonlijkheid. Zij beschikt in elk der Lid-Staten van de lidstaten over de ruimste handelingsbevoegdheid die door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. De Stichting is een lichaam zonder winstoogmerk.

∫ nieuw

2. De Stichting heeft haar zetel in Turijn (Italië).

⎢ 1572/98 Art. 1.6 (aangepast)

? nieuw

3. De Stichting werkt samen met de andere relevante lichamen van de Gemeenschap, met name Cedefop, zulks met steun van de Commissie. ? De Stichting werkt met name samen met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) in het kader van een gezamenlijk jaarlijks werkprogramma dat bij het jaarlijkse werkprogramma van beide agentschappen wordt gevoegd om synergie tussen hun activiteiten te bevorderen. ⎪

⎢ 1360/90

2. Vertegenwoordigers van de sociale partners op Europees niveau die reeds aan het werk van de Gemeenschapsinstellingen deelnemen, alsmede internationale organisaties die op opleidingsgebied werkzaam zijn, kunnen worden betrokken bij het werk van de Stichting, met name als bedoeld in artikel 5, lid 8, en artikel 6, leden 1 en 2.

∫ nieuw

4. Overeenkomstig artikel 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat de Stichting onder administratief toezicht van de Europese Ombudsman, overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het EG-Verdrag.

5. De Stichting kan samenwerkingsovereenkomsten sluiten met andere organen in de EU en in internationaal verband die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van human resources. Dergelijke overeenkomsten worden door de raad van bestuur goedgekeurd op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt. De in deze overeenkomsten vervatte afspraken moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving.

⎢ 1648/2003 Art. 1.1 (aangepast)

Artikel 4 bis

Toegang tot documenten √ Transparantie ∏

∫ nieuw

1. De Stichting gaat met een hoge mate van transparantie te werk en voldoet aan de bepalingen van de leden 2 tot en met 4.

2. De Stichting maakt onverwijld het volgende openbaar:

a) haar reglement van orde, alsook dat van de raad van bestuur;

b) haar jaarlijks activiteitenverslag.

3. Zo nodig kan de raad van bestuur op voorstel van de directeur vertegenwoordigers van belanghebbende partijen uitnodigen om de vergaderingen van de organen van de Stichting als waarnemers bij te wonen.

4. Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij de Stichting berusten.

De raad van bestuur stelt de praktische regelingen voor de toepassing van die verordening vast.

∫ nieuw

Artikel 5

Vertrouwelijkheid

1. Onverminderd artikel 4, lid 4, maakt de Stichting vertrouwelijke informatie die zij ontvangt met een met redenen omkleed verzoek om die informatie als vertrouwelijk te behandelen, niet aan derden bekend.

2. De leden van de raad van bestuur en de directeur zijn gebonden door de geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 287 van het EG-Verdrag.

3. Op gegevens die de Stichting overeenkomstig het basisbesluit verzamelt, is Verordening (EG) nr. 45/2001 van toepassing.

⎢ 1648/2003 Art. 1.1 (aangepast)

? nieuw

1. Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie[26] is van toepassing op de documenten die bij de Stichting berusten.

2. Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1648/2003 van de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1360/90 tot oprichting van de Europese Stichting[27] voor opleiding stelt de raad van bestuur de toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast.

Artikel 6

√ Beroepsmogelijkheden ∏

3. Tegen de beslissingen van de Stichting uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan beroep worden ingesteld, door middel van een klacht bij de Ombudsman of door middel van een beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, volgens onder de voorwaarden van respectievelijk artikel 195 en artikel 230 van het Verdrag.

⎢ 1360/90

Artikel 5 7

Raad van bestuur

1. De stichting heeft een raad van bestuur, bestaande uit één vertegenwoordiger per lidstaat en drie vertegenwoordigers van de Commissie.

Een plaatsvervangend lid kan elk lid van de raad van bestuur vervangen of vergezellen; indien een plaatsvervangend lid een lid vergezelt, woont het de beraadslagingen bij zonder stemrecht.

2. De vertegenwoordigers van de Lid-Staten worden benoemd door de betrokken Lid-Staten.

De leden die de Commissie vertegenwoordigen, worden door deze benoemd.

∫ nieuw

1. De Stichting heeft een raad van bestuur die bestaat uit zes vertegenwoordigers van de lidstaten, zes vertegenwoordigers van de Commissie en drie vertegenwoordigers van de partnerlanden.

De vertegenwoordigers kunnen zich laten vervangen door gelijktijdig aangewezen plaatsvervangers.

2. De vertegenwoordigers van de lidstaten worden door de Raad aangewezen op grond van hun ervaring en deskundigheid op de werkgebieden van de Stichting.

De Commissie wijst haar vertegenwoordigers aan.

De vertegenwoordigers van de partnerlanden worden aangewezen door de Commissie.

De Commissie en de Raad streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.

⎢ 1360/90 (aangepast)

? nieuw

3. De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur bedraagt drie ? vijf ⎪ jaar. Deze kan ? eenmaal ⎪ worden verlengd.

4. De raad van bestuur wordt voorgezeten door een van de vertegenwoordigers van de Commissie. ? De ambtstermijn van de voorzitter loopt af wanneer zijn lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt. ⎪ De voorzitter neemt niet deel aan de stemming.

De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

⎢ 1572/98 Art. 1.8 (aangepast)

? nieuw

Artikel 8

√ Stemregels en taken van de voorzitter ∏

1. De leden van de raad van bestuur die de lidstaten ? en de Commissie ⎪ vertegenwoordigen, hebben elk een stem. De vertegenwoordigers van de Commissie beschikken samen over één stem.

? De vertegenwoordigers van de partnerlanden nemen niet aan de stemming deel. ⎪

⎢ 1360/90 (aangepast)

? nieuw

Behoudens in het in lid 5 2 bedoelde geval, worden besluiten van de raad van bestuur genomen met een meerderheid van twee derde van de leden van deze raad.

5.2. De raad van bestuur stelt met eenparigheid van stemmen voorschriften omtrent het gebruik van de talen binnen de taalregeling van de Stichting vast, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat alle betrokken belanghebbende partijen toegang moeten kunnen krijgen hebben tot en deel moeten kunnen nemen aan de werkzaamheden van de Stichting.

6.3. De voorzitter roept de raad van bestuur ten minste tweemaal per jaar bijeen, alsmede op verzoek van ten minste een volstrekte meerderheid ? van twee derde ⎪ van de leden van deze raad.

De voorzitter licht de raad van bestuur in over andere communautaire activiteiten die met het werk van de raad van bestuur verband houden alsmede over de verwachtingen van ? de Commissie ⎪ √ met betrekking tot de activiteiten van ∏ de Stichting voor in het komende jaar.

⎢ 1572/98 Art. 1.9

7. Op grond van een door de directeur van de stichting ingediend ontwerp bespreekt de raad van bestuur, na overleg met de Commissie, uiterlijk op 30 november het voorontwerp van het jaarlijkse werkprogramma voor het volgende jaar. De definitieve aanneming van het werkprogramma vindt plaats aan het begin van elk jaar, in het kader van een doorlopend programma van drie jaar. Om het communautaire beleid doeltreffender te maken, kan het programma in de loop van het jaar zo nodig volgens dezelfde procedure worden aangepast.

Bij de in het jaarlijkse werkprogramma genoemde projecten en werkzaamheden wordt een raming gevoegd van de noodzakelijke uitgaven en van de verdeling van de personele en budgettaire middelen.

⎢ 1360/90

8. De raad van bestuur hecht zo nodig en per geval ad hoc haar goedkeuring aan het vormen van werkgroepen per sector die alle landen of organisaties die bijdragen tot de financiering van de verschillende betrokken projecten alsmede andere betrokken partijen, met inbegrip, in voorkomend geval, van vertegenwoordigers van de sociale partners, omvatten.

⎢ 1648/2003 Art. 1.2

9. De raad van bestuur stelt het jaarverslag over de activiteiten van de Stichting vast en dient dit uiterlijk op 15 juni in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Dit verslag wordt ook aan de lidstaten gezonden en — ter informatie — aan de begunstigde landen.

10. De Stichting doet de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures toekomen.»;

∫ nieuw

Artikel 9

Bevoegdheden van de raad van bestuur

De raad van bestuur heeft de volgende taken en bevoegdheden:

a) hij wijst de directeur van de Stichting aan en ontslaat hem zo nodig overeenkomstig artikel 10, lid 5;

b) hij houdt disciplinair toezicht over de directeur van de Stichting;

c) hij stelt het jaarlijkse werkprogramma van de Stichting vast op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt overeenkomstig artikel 12;

d) hij stelt een jaarlijkse raming van de ontvangsten en uitgaven van de Stichting op en zendt deze toe aan de Commissie;

e) hij stelt na afloop van de jaarlijkse begrotingsprocedure de definitieve begroting en de personeelsformatie van de Stichting vast overeenkomstig artikel 16;

f) hij stelt het jaarlijkse activiteitenverslag van de Stichting vast overeenkomstig de procedure van artikel 13 en zendt het toe aan de instellingen en de lidstaten;

g) hij stelt het reglement van orde van de Stichting vast op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt;

h) hij stelt de financiële regeling die van toepassing is op de Stichting vast op basis van een ontwerp dat de directeur na advies van de Commissie voorlegt overeenkomstig artikel 19;

i) hij stelt de procedures voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast overeenkomstig artikel 4 van deze verordening.

⎢ 1360/90

Artikel 6

Adviserend lichaam

1. De Stichting wordt bijgestaan door een adviserend lichaam dat wordt benoemd door de raad van bestuur.

⎢ 1572/98 Art. 1.10

De leden van het adviserende lichaam worden gekozen uit deskundigen uit kringen van het opleidingswerk en andere milieus die zich op het werkterrein van de stichting bewegen, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de sociale partners, de Commissie, de internationale organisaties die bijstand op het gebied van opleiding verlenen en de begunstigde landen en gebieden vertegenwoordigd dienen te zijn.

⎢ 1360/90

Er worden twee deskundigen uit elke Lid-Staat, uit elk begunstigd land en uit de sociale partners op Europees niveau benoemd.

⎢ 1572/98 Art. 1.11

2. De raad van bestuur vraagt voordrachten van:

- alle lidstaten;

- alle begunstigde landen;

- de Commissie;

- de sociale partners op Europees niveau welke reeds actief zijn op het werkterrein van de communautaire instellingen, en

- de betrokken internationale organisaties.

⎢ 1360/90

3. De ambtstermijn van de leden van het adviserend lichaam bedraagt gewoonlijk drie jaar, maar kan regelmatig door de raad van bestuur worden herzien.

4. Het adviserend lichaam heeft tot taak op verzoek van de raad van bestuur of eigener beweging over het in artikel 5, lid 7, bedoelde jaarlijkse werkprogramma van de Stichting, aan de raad van bestuur advies uit te brengen.

Alle adviezen worden aan de raad van bestuur meegedeeld.

5. De directeur van de Stichting is voorzitter van het adviserend lichaam.

Het adviserend lichaam stelt onder voorbehoud van goedkeuring door de raad van bestuur zijn reglement van orde vast.

6. Het adviserend lichaam wordt eenmaal per jaar bijeengeroepen door zijn voorzitter.

Artikel 7 10

De directeur

⎢ 1572/98 Art. 1.12

? nieuw

1. De directeur van de Stichting wordt ? op basis van een door de Commissie voorgestelde kandidatenlijst ⎪ door de raad van bestuur op voordracht van de Commissie benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar, die eenmaal met ten hoogste vijf jaar kan worden verlengd. ð Alvorens de door de raad van bestuur geselecteerde kandidaat wordt benoemd, kan hem worden gevraagd een verklaring voor het (de) bevoegde comité(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de comitéleden te beantwoorden. ⎪

∫ nieuw

In de loop van de negen maanden vóór het verstrijken van deze ambtstermijn verricht de Commissie een evaluatie. Bij deze evaluatie beoordeelt de Commissie met name:

- de prestaties van de directeur;

- de taken en verplichtingen van de Stichting in de komende jaren.

Op voorstel van de Commissie, rekening houdend met het evaluatieverslag en alleen indien de taken en verplichtingen van de Stichting het rechtvaardigen, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de directeur eenmaal met maximaal drie jaar verlengen.

De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. In de loop van de maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn ambtstermijn kan de directeur worden gevraagd een verklaring voor het (de) bevoegde comité(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de comitéleden te beantwoorden.

Indien de ambtstermijn van de directeur niet wordt verlengd, blijft hij zijn ambt uitoefenen totdat zijn vervanger is aangewezen.

2. De directeur wordt benoemd op grond van persoonlijke verdienste, bestuurs- en managementcapaciteiten en ervaring op het werkgebied van de Stichting.

3. De directeur vertegenwoordigt de Stichting in rechte.

⎢ 1572/98 Art. 1.12 (aangepast)

4. De directeur is verantwoordelijk voor √ heeft de volgende taken en bevoegdheden ∏ :

- de voorbereiding en organisatie van het werk van de raad van bestuur en van de door de raad van bestuur bijeengeroepen werkgroepen ad hoc, alsmede, in het bijzonder, voor de voorbereiding van het jaarlijkse ontwerp-werkprogramma van de stichting overeenkomstig de op communautair niveau vastgestelde algemene richtsnoeren;

- de dagelijkse administratie van de stichting;

⎢ 1648/2003 Art. 1.3

- de opstelling van de ontwerp-raming van de ontvangsten en de uitgaven, alsmede met de uitvoering van de begroting van de Stichting;

⎢ 1572/98 Art. 1.12

- de voorbereiding en publicatie van de in deze verordening genoemde verslagen;

- alle personeelsaangelegenheden;

- het verrichten van de taken waarmee hij is belast uit hoofde van artikel 3, alsook die welke in het jaarlijkse werkprogramma als bedoeld in artikel 5, lid 7, genoemd worden;

- het uitvoeren van de besluiten van de raad van bestuur en van de beleidskoers die voor de activiteiten van de stichting is vastgesteld.

∫ nieuw

a) op basis van de door de Commissie vastgestelde algemene richtsnoeren stelt hij het jaarlijkse werkprogramma en de ontwerpraming van de ontvangsten en de uitgaven van de Stichting, het reglement van orde van de Stichting en de raad van bestuur en de financiële regeling van de Stichting op en bereidt hij de werkzaamheden van de raad van bestuur en de door de raad van bestuur bijeengeroepen ad-hocwerkgroepen voor;

b) hij neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur;

c) hij voert de besluiten van de raad van bestuur uit;

d) hij voert het jaarlijkse werkprogramma van de Stichting uit en geeft gehoor aan verzoeken van de Commissie om bijstand;

e) hij vervult de functie van ordonnateur overeenkomstig de artikelen 33 tot en met 42 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie;

f) hij voert de begroting van de Stichting uit;

g) hij voert een effectief toezichtsysteem in met het oog op de regelmatige evaluaties als genoemd in artikel 24 en stelt op basis daarvan een ontwerpjaarverslag over de activiteiten van de Stichting op;

h) hij presenteert het verslag aan het Europees Parlement;

i) hij beheert alle personeelszaken en oefent met name de in artikel 21 vastgestelde bevoegdheden uit;

j) hij stelt het organisatieschema van Stichting op en legt dit ter goedkeuring voor aan de raad van bestuur;

k) hij vertegenwoordigt de Stichting tegenover het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig artikel 18.

⎢ 1360/90

? nieuw

2.5. De directeur legt ? voor zijn werkzaamheden ⎪ verantwoording af aan de raad van bestuur voor de uitvoering van zijn taken en woont de vergaderingen van de raad van bestuur bij ? , die hem op voorstel van de Commissie vóór het verstrijken van zijn ambtstermijn uit zijn ambt kan ontzetten ⎪ .

3. De directeur vertegenwoordigt de Stichting in rechte.

∫ nieuw

Artikel 11

Algemeen belang en onafhankelijkheid

De leden van de raad van bestuur en de directeur handelen in het algemeen belang en onafhankelijk van elke invloed van buitenaf. Daartoe leggen zij jaarlijks schriftelijk een verbintenisverklaring en een belangenverklaring af.

Artikel 12

Jaarlijks werkprogramma

1. Het jaarlijkse werkprogramma stemt overeen met het onderwerp, het toepassingsgebied en de taken van de Stichting zoals omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze verordening.

2. Het wordt in samenwerking met de diensten van de Commissie opgesteld in het kader van een doorlopend programma van vier jaar, waarbij rekening wordt gehouden met de prioriteiten van het externe beleid voor de desbetreffende landen en gebieden.

3. Bij de in het jaarlijkse werkprogramma genoemde projecten en werkzaamheden worden een raming van de noodzakelijke uitgaven en een verdeling van de personele en budgettaire middelen gevoegd.

4. Na advies van de Commissie legt de directeur het ontwerpwerkprogramma voor aan de raad van bestuur.

5. De raad van bestuur keurt het ontwerp van jaarlijks werkprogramma voor het volgende jaar uiterlijk op 30 november goed. Het werkprogramma wordt aan het begin van elk jaar definitief goedgekeurd.

6. Om het communautaire beleid doeltreffender te maken, kan het programma in de loop van het jaar zo nodig volgens dezelfde procedure worden aangepast.

Artikel 13

Jaarlijks activiteitenverslag

1. De directeur brengt in de vorm van een jaarlijks activiteitenverslag aan de raad van bestuur verslag uit over de uitvoering van zijn taken.

2. Dit verslag bevat financiële en managementinformatie over de resultaten van de activiteiten, met vermelding van de doelstellingen, de aan deze activiteiten verbonden risico's, het gebruik van de toegewezen middelen en de wijze van functioneren van het internecontrolesysteem.

3. De raad van bestuur stelt een analyse en een beoordeling van het jaarlijkse activiteitenverslag over het vorige begrotingsjaar op.

4. De raad van bestuur keurt het jaarlijkse activiteitenverslag van de directeur goed en zendt het uiterlijk op 15 juni toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Het verslag wordt ook toegezonden aan de lidstaten en, ter informatie, aan de partnerlanden.

⎢ 1572/98 Art. 1.13

? nieuw

Artikel 8 14

Verband met andere acties van de Gemeenschap

De Commissie draagt, in samenwerking met de raad van bestuur en, in voorkomend geval, overeenkomstig de procedures van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3906/89, artikel 8 van Verordening (Euratom, EG) nr. 1279/96 en artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1488/96 of enig ander daaropvolgend besluit, zorg voor de coherentie en, waar nodig, de complementariteit van tussen de werkzaamheden van de Stichting en de overige andere communautaire acties, zowel binnen de Gemeenschap als ten behoeve van de begunstigde landen ? partnerlanden ⎪ , in het bijzonder met betrekking tot de acties van het Tempus-programma en de andere op communautair niveau uitgevoerde programma's en acties op opleidingsgebied, met inbegrip van Med-Campus.

⎢ 1360/90 (aangepast)

Artikel 9 15

Begroting - inhoudelijke bepalingen

1. Alle ontvangsten en uitgaven van de Stichting worden voor ieder begrotingsjaar geraamd en worden opgenomen in de begroting van de Stichting, die een lijst van het aantal ambten bevat; het begrotingsjaar stemt overeen met het kalenderjaar.

2. Op de begroting van de Stichting moeten ontvangsten en uitgaven in evenwicht zijn.

3. De begrotingsontvangsten van de Stichting omvatten, onverminderd andere ontvangsten, een subsidie uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, betalingen voor verrichte diensten, alsmede middelen uit andere bronnen.

4. De begroting omvat tevens bijzonderheden over alle eigen bijdragen van de begunstigde landen √ partnerlanden ∏ zelf voor projecten die financiële bijstand van de Stichting ontvangen.

⎢ 1648/2003 Art. 1.4

Artikel 10 16

Begrotingsprocedure

1. De raad van bestuur stelt jaarlijks, op basis van een ontwerp van de directeur, de raming van de ontvangsten en uitgaven van de Stichting voor het volgende begrotingsjaar vast. Deze raming, die tevens een ontwerppersoneelsformatie bevat, wordt uiterlijk op 31 maart door de raad van bestuur bij de Commissie ingediend.

∫ nieuw

2. De Commissie onderzoekt de raming rekening houdend met de voorgestelde grenzen van het beschikbare totaalbedrag voor externe acties en neemt de bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het subsidiebedrag ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie (hierna "de algemene begroting" genoemd) op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie.

⎢ 1648/2003 Art. 1.4 (aangepast)

? nieuw

2.3. De raming wordt samen met het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij het Europees Parlement en de Raad (hierna "de begrotingsautoriteit" genoemd).

3. De Commissie beoordeelt de raming, rekening houdend met de prioriteiten op het gebied van de beroepsopleiding in de begunstigde landen en de algemene financiele oriëntering ten aanzien van economische hulp aan deze landen. Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

Op die grondslag en binnen de voorgestelde grenzen van het voor economische hulp aan de begunstigde landen beschikbaar te stellen totaalbedrag, bepaalt zij de jaarlijkse bijdrage aan de begroting van de Stichting, die in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie wordt opgenomen.

4. De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan de Stichting goed.

De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van de Stichting vast.

5. De begroting ? en de personeelsformatie worden ⎪ wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt √ Zij worden ∏ definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting ? en de personeelsformatie worden ⎪ wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

6. De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van zijn begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. Hij brengt de Commissie daarvan op de hoogte.

Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit kennis heeft gegeven van zijn voornemen om een advies te verstrekken, doet hij dit advies aan de raad van bestuur toekomen binnen een termijn van zes weken te rekenen vanaf de kennisgeving van het project.

⎢ 1360/90

Artikel 11 17

Begroting – tenuitvoerlegging en controle

1. De directeur voert de begroting van de Stichting uit.

⎢ 1648/2003 Art. 1.5 (aangepast)

2.1. Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, dient de rekenplichtige van de Stichting de voorlopige rekeningen met het verslag over het budgettair en financieel beheer van het dat begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van het algemeen Financieel Reglement.

3.2. Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, dient de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van de Stichting met het verslag over het budgettair en financieel beheer van het dat begrotingsjaar in bij de Rekenkamer. Het verslag over het budgettair en financieel beheer van het begrotingsjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

∫ nieuw

3. De directeur voert de begroting van de Stichting uit.

⎢ 1648/2003 Art. 1.5 (aangepast)

4. Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van de Stichting overeenkomstig artikel 129 van het algemeen Financieel Reglement maakt de directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van de Stichting op en legt deze voor advies voor aan de raad van bestuur.

5. De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van de Stichting.

6. Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, dient de directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

7. De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

8. De directeur dient uiterlijk op 30 september een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. Hij dient dit √ dat ∏ antwoord ook in bij de raad van bestuur.

9. De directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek, overeenkomstig het bepaalde in artikel 146, lid 3, van het algemeen Financieel Reglement, alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.

10. Vóór 30 april van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.

∫ nieuw

11. De directeur neemt alle nodige maatregelen om gevolg te geven aan de opmerkingen bij het besluit tot kwijting.

Artikel 18

Europees Parlement en Raad

Onverminderd bovengenoemde controles, en met name de begrotings- en kwijtingsprocedure, kunnen het Europees Parlement of de Raad op ieder ogenblik, in het bijzonder bij de publicatie van het jaarlijkse activiteitenverslag van de Stichting, verzoeken om een onderhoud met de directeur over onderwerpen in verband met de activiteiten van de Stichting.

⎢ 1648/2003 Art. 1.6

Artikel 12 19

Financiële regels regeling

1. De financiële regeling die van toepassing is op de Stichting wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling mag slechts van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[28] afwijken indien de specifieke vereisten van de taakverrichting van de Stichting dit noodzakelijk maken, en met voorafgaande instemming van de Commissie.

∫ nieuw

2. Overeenkomstig artikel 133, lid 1, van het Financieel Reglement past de Stichting de boekhoudregels toe die de rekenplichtige van de Commissie heeft vastgesteld, zodat de rekeningen van de Stichting kunnen worden geconsolideerd met die van de Commissie.

3. Verordening (EG) nr. 1073/1999 is volledig van toepassing op de Stichting.

4. De Stichting treedt toe tot het interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999. De raad van bestuur maakt de toetreding formeel en neemt de nodige maatregelen om OLAF bij interne onderzoeken te helpen.

⎢ 1360/90

Artikel 13 20

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is op de Stichting van toepassing.

⎢ 2063/94 Art. 1.8 (aangepast)

? nieuw

Article 1421

Personeel

Het personeel van de Stichting is onderworpen aan de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

De Stichting oefent ten aanzien van haar personeel de bevoegdheden uit van het tot aanstelling bevoegde gezag.

De raad van bestuur stelt in overeenstemming overleg met de Commissie passende de nodige uitvoeringsbepalingen vast ð overeenkomstig artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en artikel 127 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ï .

∫ nieuw

De raad van bestuur kan bepalingen goedkeuren waardoor nationale deskundigen uit de lidstaten of de partnerlanden bij de Stichting kunnen worden gedetacheerd.

⎢ 1360/90 (aangepast)

Artikel 15 22

Wettelijke aansprakelijkheid Aansprakelijkheid

1. De contractuele aansprakelijkheid van de Stichting wordt beheerst door de wet die op het betrokken contract van toepassing is.

2. Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Stichting, overeenkomstig de algemene beginselen welke die de rechtsstelsels der Lid-Staten van de lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door de Stichting of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt.

Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over vergoeding van deze schade.

3. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens de Stichting wordt geregeld door de desbetreffende bepalingen betreffende het personeel van de Stichting.

Artikel 16 23

Deelneming van derde landen

⎢ 1572/98 Art. 1.15 (aangepast)

? nieuw

1. De Stichting staat open voor de deelneming van landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en die zich evenals de Gemeenschap en de lidstaten ertoe verbinden op opleidingsgebied de in artikel 1 omschreven begunstigde landen ? partnerlanden ⎪ steun ? op het gebied van human resources ⎪ te verlenen overeenkomstig de regelingen die volgens de procedure van artikel 228 √ 300 ∏ van het Verdrag worden getroffen in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken eerstgenoemde landen.

⎢ 1360/90

? nieuw

In de deze overeenkomsten worden met name de aard, en de omvang van en de modaliteiten van uitvoeringsbepalingen betreffende de deelneming van deze landen in het werk aan de werkzaamheden van de Stichting, alsmede bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel vastgesteld. ? Deze overeenkomsten mogen echter niet bepalen dat derde landen met stemrecht in de raad van bestuur vertegenwoordigd worden, en mogen evenmin bepalingen bevatten die in strijd zijn met het in artikel 21 genoemde Statuut. ⎪

2. Tot deelneming van dergelijke deze landen aan de ad-hocwerkgroepen als bedoeld in artikel 5, lid 8, kan door de raad van bestuur worden besloten zonder dat hiervoor een overeenkomst nodig is.

⎢ 1572/98 Art. 1.16 (aangepast)

? nieuw

Artikel 17 24

Procedure voor toezicht en evaluatie Evaluatieprocedure

∫ nieuw

1. Overeenkomstig artikel 25, lid 4, van de financiële kaderregeling verricht de Stichting regelmatig evaluaties vooraf en achteraf van zijn acties die aanzienlijke uitgaven met zich brengen. De resultaten van die evaluaties worden medegedeeld aan de raad van bestuur.

⎢ 1572/98 Art. 1.16 (adapted) (aangepast)

? nieuw

2. De Commissie legt ? verricht ⎪ in overleg met de raad van bestuur een procedure vast om op de met het werk van de stichting opgedane ervaring toe te zien en deze te evalueren ? om de vier jaar een evaluatie van de uitvoering van deze verordening en van de resultaten en werkmethoden van de Stichting in het licht van de doelstellingen, het mandaat en de taken die in deze verordening zijn vastgesteld ⎪. Deze procedure dient te worden √ evaluatie wordt ∏ uitgevoerd met behulp van externe deskundigen. Zij De Commissie legt het Europees Parlement, de Raad en het √ Europees ∏ Economisch en Sociaal Comité vóór 31 december 2000, en vervolgens om de drie jaar, een verslag met de eerste resultaten van deze procedure √ evaluatie ∏ voor.

∫ nieuw

3. De Stichting neemt alle nodige maatregelen om eventuele problemen die zich bij de evaluatie voordoen, te verhelpen.

⎢ 1360/90

Artikel 18 25

Herziening

Deze verordening wordt door de Raad op voorstel van de Commissie binnen vijf jaar na de inwerkingtreding opnieuw bezien.

∫ nieuw

Na de evaluatie dient de Commissie zo nodig een voorstel tot herziening van deze verordening in. Indien de Commissie van mening is dat het voortbestaan van de Stichting niet langer gerechtvaardigd is in het licht van de toegewezen doelstellingen, kan zij voorstellen om deze verordening in te trekken.

∫ nieuw

Artikel 26

Intrekking

De Verordeningen (EEG) nr. 1360/90, (EG) nr. 2063/94, (EG) nr. 1572/98 en (EG) nr. 1648/2003 van de Raad, alsook artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad, zoals vermeld in bijlage I, worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

⎢ 1360/90 (aangepast)

? nieuw

Artikel 19 27

√ Inwerkingtreding ∏

Deze verordening treedt in werking op de √ twintigste ∏ dag volgende op die waarop de bevoegde autoriteiten een beslissing hebben genomen over de vestigingsplaats van de Stichting[29] √ van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie ∏ .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

BIJLAGE I

Ingetrokken verordening met de achtereenvolgende wijzigingen

Verordening (EEG) nr. 1360/90 van de Raad van 7 mei 1990

(PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 2063/94 van de Raad van 27 juli 1994

(PB L 216 van 20.8.1994, blz. 9)

Verordening (EG) nr. 1572/98 van de Raad van 17 juli 1998

(PB L 206 van 23.7.1998, blz. 1)

Artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad van 5 december 2000

(PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1)

Verordening (EG) nr. 1648/2003 van de Raad van 18 juni 2003

(PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22)

〉

BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EEG) nr. 1360/90 | Deze verordening |

Artikel 1, inleidende formulering Artikel 1, einde van de inleidende formulering Artikel 1, eerste tot en met vierde streepje Artikel 1, tweede zin – – – Artikel 2 Artikel 3, inleidende formulering Artikel 3, onder a) tot en met g) – Artikel 3, onder h) Artikel 4, lid 1 – Artikel 4, lid 3, eerste zin – Artikel 4, lid 2 – – Artikel 4 bis, lid 1 Artikel 4 bis, lid 2 – Artikel 4 bis, lid 3 Artikel 5, lid 1 Artikel 5, lid 2 – Artikel 5, lid 3 Artikel 5, lid 4, eerste alinea – Artikel 5, lid 4, tweede alinea Artikel 5, lid 4, derde en vierde alinea – Artikel 5, lid 4, laatste alinea Artikel 5, leden 5 en 6 Artikel 5, leden 7 tot en met 10 - Artikel 6 Artikel 7, lid 1, eerste woorden Artikel 7, lid 1, einde van de eerste zin en tweede zin – – Artikel 7, lid 2 Artikel 7, lid 3 – – – – Artikel 8 (gedeeltelijk) Artikel 9 Artikel 10, lid 1 – Artikel 10, lid 2 Artikel 10, lid 3 Artikel 10, leden 4, 5 en 6 Artikel 11, lid 1 Artikel 11, leden 2 en 3 Artikel 11, leden 4 tot en met 10 – – Artikel 12 – Artikel 13 Artikel 14 – Artikel 15 Artikel 16, lid 1 – Artikel 16, lid 2 – Artikel 17 (gedeeltelijk) – Artikel 18 – – Artikel 19 - | Artikel 1, inleidende formulering – – – Artikel 1, einde van de inleidende formulering Artikel 3, onder a), b) en c) Artikel 1, tweede zin – Artikel 2, inleidende formulering – Artikel 2, onder a) tot en met f) Artikel 2, onder g) Artikel 3, lid 1 Artikel 3, lid 2 Artikel 3, lid 3, eerste zin Artikel 3, lid 3, tweede zin – Artikel 3, leden 4 en 5 Artikel 4, leden 1, 2 en 3 Artikel 4, lid 4, eerste alinea Artikel 4, lid 4, tweede alinea Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7, lid 1 Artikel 7, lid 2, eerste en tweede alinea Artikel 7, lid 2, derde en vierde alinea Artikel 7, lid 3 Artikel 7, lid 4, eerste zin Artikel 7, lid 4, tweede zin Artikel 7, lid 5 Artikel 8, lid 1, eerste alinea Artikel 8, lid 1, tweede alinea Artikel 8, lid 1, laatste alinea Artikel 8, leden 2 en 3 – Artikel 9 – Artikel 10, lid 1, eerste woorden – Artikel 10, lid 1, einde van de eerste zin, tweede zin en tweede, derde en vierde alinea Artikel 10, lid 2 Artikel 10, lid 5, eerste zin Artikel 10, lid 3 Artikel 10, lid 4, onder a) tot en met k) Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16, lid 1 Artikel 16, lid 2 Artikel 16, lid 3 – Artikel 16, leden 4, 5 en 6 Artikel 17, lid 3 Artikel 17, leden 1 en 2 Artikel 17, leden 4 tot en met 10 Artikel 17, lid 11 Artikel 18 Artikel 19, lid 1 Artikel 19, leden 2, 3 en 4 Artikel 20 Artikel 21, eerste en tweede zin en eerste woorden van de derde zin Artikel 21, laatste woorden van de derde zin en laatste zin Artikel 22 Artikel 23, lid 1, eerste alinea en eerste zin van de tweede alinea Artikel 23, lid 1, laatste zin van de tweede alinea Artikel 23, lid 2 Artikel 24, lid 1 Artikel 24, lid 2 Artikel 24, lid 3 – Artikel 25 Artikel 26 Artikel 27 Bijlage |

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europese Stichting voor opleiding (herschikking).

2. ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en): Externe betrekkingen, Ontwikkeling van human resources in een context van een leven lang leren.

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

15 02 27 Europese Stichting voor opleiding15 02 27 01 Europese Stichting voor opleiding – Subsidiëring titels 1 en 215 02 27 02 Europese Stichting voor opleiding – Subsidiëring titel 3

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

Onbepaald (jaarlijkse subsidie voor een orgaan als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement).

3.3. Begrotingskenmerken

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

15 02 27 01 | VU | GK | NEE | NEE | NEE | Nr. [4] |

15 02 27 02 | VU | GK | NEE | NEE | NEE | Nr. [4] |

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt nr. | Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 | Jaar 2012 | Jaar 2013 e.v. | Totaal |

Beleidsuitgaven[30] |

VK | 8.1. | a | 17 984 | 19 872 | 20 271 | 19 528 | 19 918 | 20 317 | 117 890 |

BK | b | 17 984 | 19 872 | 20 271 | 19 528 | 19 918 | 20 317 | 117 890 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag[31] |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4. | c |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG |

VK | a+c | 17 984 | 19 872 | 20 271 | 19 528 | 19 918 | 20 317 | 117 890 |

BK | b+c | 17 984 | 19 872 | 20 271 | 19 528 | 19 918 | 20 317 | 117 890 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen[32] |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5. | d |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6. | e |

Totale indicatieve kosten van de maatregel |

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | a+c+d+e | 17 984 | 19 872 | 20 271 | 19 528 | 19 918 | 20 317 | 117 890 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | b+c+d+e | 17 984 | 19 872 | 20 271 | 19 528 | 19 918 | 20 317 | 117 890 |

Medefinanciering

Niet van toepassing.

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

( Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

( Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

( Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord[33] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten: niet van toepassing.

4.2. Personele middelen in voltijdequivalenten (vte's; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) – zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften | Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 | Jaar 2012 | Jaar 2013 e.v. |

Overeenkomstig personeelsformatie Totaal aantal tijdelijke functionarissen | 96 | 96 | 96 | 96 | 96 | 96 |

Buiten personeelsformatie Totaal aantal vte's extern personeel | 34 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Herschikking van de verordening om het toepassingsgebied en de doelstellingen van de Europese Stichting voor opleiding te actualiseren met het oog op de ontwikkelingen in de Lissabonagenda en de agenda voor een leven lang leren, en om de taken van de Stichting te herdefiniëren op grond van de nieuwe instrumenten van het externe beleid van de EU.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

Zoals vermeld in COM(2006) 832 definitief worden de conclusies en aanbevelingen van de externe evaluatie van de Stichting van 2005-2006 grotendeels door de Commissie onderschreven. In de evaluatie werd bevestigd dat het door de Stichting geleverde werk zijn geld waard is en dat de diensten van de Commissie en de EU-delegaties een positief beeld hebben van de door de Stichting geleverde expertise op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding en relaties met de arbeidsmarkt. De meerwaarde van de Stichting vloeit voort uit haar inzicht in de context van de hervorming, haar netwerk van deskundigen en haar vermogen om flexibel en snel op verzoeken in te spelen.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

5.3.1. Doelstellingen van de Stichting

De Stichting moet bijdragen tot de kwaliteit van de systemen voor een leven lang leren en de capaciteit van deze systemen om de werkgelegenheid, het concurrentievermogen en de sociale samenhang in de partnerlanden te ondersteunen. Daartoe moeten de huidige activiteiten als volgt worden aangepast: het thematische mandaat moet worden verruimd, het geografische toepassingsgebied moet worden uitgebreid en er moet worden overgeschakeld op een beleidsgerichte aanpak die beantwoordt aan de vereisten van de nieuwe instrumenten van het externe beleid.

Naarmate de Stichting de nodige deskundigheid en benaderingen voor haar nieuwe mandaat ontwikkelt, zal zij meer moeten investeren in capaciteitsopbouw en proefprojecten voor actieonderzoek.

Voorts moet de Stichting haar taken aanpassen aan de nieuwe instrumenten van het externe beleid van de EU door niet langer programmagericht, maar beleidsgericht te werk te gaan.

Momenteel verleent de Stichting ook technische bijstand aan het Tempus-programma. Deze bijstand wordt stopgezet in 2008, dat een overgangsjaar tussen de huidige verordening en de herschikkingsverordening vormt.

5.3.2. Verwachte resultaten

In de landen die onder het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument vallen, moet de Stichting overeenkomstig de herschikkingsverordening de volgende taken verrichten:

- zij verstrekt informatie, beleidsanalyses en -advies over de ontwikkeling van human resources in relatie met de bredere beleidsdoelstellingen in de partnerlanden;

- zij ondersteunt de belanghebbenden in de partnerlanden bij het opbouwen van capaciteit op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

- zij vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen donors die in de partnerlanden betrokken zijn bij de hervorming van de ontwikkeling van human resources;

- zij ondersteunt de verlening van communautaire bijstand aan de partnerlanden op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

- zij verspreidt informatie en stimuleert de vorming van netwerken en de uitwisseling van ervaringen en good practices tussen de Europese Unie en de partnerlanden en tussen de partnerlanden onderling op het gebied van de ontwikkeling van human resources;

- zij draagt op verzoek van de Commissie bij tot de analyse van de algemene doeltreffendheid van de bijstand aan de partnerlanden op het gebied van opleiding.

5.3.3. Indicatoren voor de herschikkingsverordening

Activiteiten van de Stichting | Indicatoren voor de bijdrage van de Stichting tot het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en de sociale samenhang door verbeteringen in de kwaliteit van de systemen voor een leven lang leren die het niveau van de ontwikkeling van human resources in de partnerlanden verhogen. |

1. Bijdrage aan de onderwijshervorming in de IPA-, ENPI- en DCI- (Centraal-Aziatische) landen | De stakeholders houden bij de modernisering van de onderwijssector rekening met de beleidsanalyses en het beleidsadvies van de Stichting; overeenkomstig het externe beleid van de EU wordt deze hervorming gekoppeld aan het werkgelegenheidsbeleid; De stakeholders zijn beter in staat de hervorming van de onderwijssector te plannen en uit te voeren en zijn bewust gemaakt van de ervaring ter zake in de EU; Bij de verlening van IPA-steun wordt met de sectoranalyses, programmering en projectsteun rekening gehouden; De stakeholders in de onderwijssector, de sociale partners en maatschappelijke organisaties zijn actief betrokken bij de hervorming van het onderwijs; |

4. Ondersteuning van de beleidsontwikkeling bij de Europese Commissie en in de partnerlanden door innovatie en leren | In de partnerlanden is capaciteit opgebouwd op het vlak van informatie, analyse en beleidsanalyse en -advies; Er zijn benaderingen ontwikkeld en toegepast om de capaciteiten van de stakeholders op te bouwen; Er is capaciteit opgebouwd voor informatie-uitwisseling tussen de internationale organisaties en de donors die bij de ontwikkeling van de human resources in de partnerlanden betrokken zijn; Er zijn methoden ontwikkeld en uitgeprobeerd met het oog op inbreng van het sectorbeleid en de programmering in de EU-steunprogramma's op de desbetreffende gebieden; Nuttige beleidslessen die uit de EU- en andere contexten zijn getrokken, zijn verzameld en beoordeeld met het oog op verspreiding in en tussen de partnerlanden. |

5.3.4. Te leveren prestaties

Globaal gezien is de omschrijving van de te leveren prestaties gebaseerd op de taakomschrijving die de Commissie in COM(2006) 832 definitief voorstelt en op de ervaring die de Stichting in de periode 2000-2006 heeft opgedaan met de ondersteuning van hervormingen. De herschikkingsverordening zal echter de complexiteit en de kosten doen evolueren.

Taak/activiteit | Prestatie die enkel de subsectoren beroepsonderwijs en -opleiding en werkgelegenheid in de periode 2000-2006 betreft | Prestatie met betrekking tot de hele onderwijssector en de relaties met concurrentievermogen, werkgelegenheid en sociale samenhang in de periode 2007-2013 |

Informatie en beleidsanalyse | Beleidsevaluatie en -advies | Beleidsevaluatie en -advies met actieve inbreng van de nationale en lokale stakeholders |

Capaciteitsopbouw | Regionale seminars, peer reviews en bezoeken ter plaatse voor de stakeholders in de partnerlanden | Nationale evenementen voor de stakeholders |

Informatie-uitwisseling tussen de betrokken internationale organisaties en donors | Netwerkvorming en regelmatige vergaderingen tussen de betrokken internationale organisaties en hulporganisaties | Netwerkvorming en regelmatige vergaderingen tussen de betrokken internationale organisaties en hulporganisaties |

Ondersteuning van de communautaire bijstand | Analyse van de programmering en projectidentificatie | Ondersteuningsfaciliteiten per prioritair land, waaronder sectoranalyses, programmering, ondersteuning van de projectcyclus en voortgangsrapportage |

Verspreiding en netwerkvorming | Opzetten en beheer van netwerken van stakeholders per land en per (sub)regio teneinde het EU-beleid in de subsector te verspreiden | Opzetten en beheer van netwerken van stakeholders per land en per (sub)regio teneinde het EU-beleid in de onderwijssector te verspreiden |

Evaluatie van de doeltreffendheid van de bijstand op opleidingsgebied | Regelmatige evaluatie van de bijstand op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding in een partnerland, op verzoek van de Commissie | Regelmatige evaluatie van de bijstand aan de onderwijssector in een partnerland, op verzoek van de Commissie |

Capaciteitsopbouw bij de Stichting | Personeelsontwikkelingsactiviteiten met het oog op het behoud van de expertise van de Stichting | Personeelsontwikkelings- en aanwervingsactiviteiten met het oog op het behoud van de expertise van de Stichting en capaciteitsopbouw |

Actieonderzoek door de Stichting | Proefprojecten voor actieonderzoek om hervormingsmodellen op basis van het EU-beleid in de partnerlanden te testen | Proefprojecten voor actieonderzoek om hervormingsmodellen op basis van het EU-beleid in de partnerlanden te testen |

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

( Gecentraliseerd beheer

( rechtstreeks door de Commissie

( gedelegeerd aan:

( uitvoerende agentschappen

( door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement

( nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

( Gedeeld of gedecentraliseerd beheer

( met lidstaten

( met derde landen

( Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Opmerkingen:

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

De Stichting heeft een toezichts- en evaluatiebeleid en een resultaatgericht managementsysteem ingevoerd om haar prestaties te toetsen aan haar doelstellingen, de verwachte resultaten en de toegewezen middelen. De Stichting heeft in haar jaarlijkse werkprogramma indicatoren vastgesteld op organisatie-, activiteits- en projectniveau. Overeenkomstig de herschikkingsverordening zal de Stichting de in- en outputs in toenemende mate toetsen aan de door de Commissie voorgestelde herziene taakomschrijving.

Daarnaast beschikt de Stichting over een systeem om haar prestaties en het effect daarvan op project- en landniveau te beoordelen en om haar internecontrolesysteem te auditen. De Stichting investeert 10% van haar middelen uit titel III aan het verrichten van evaluaties en audits van haar prestaties, met de hulp van externe deskundigen.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Evaluaties vooraf door de Commissie overeenkomstig artikel 25, lid 4, van het Financieel Reglement.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Evaluaties achteraf door de Commissie overeenkomstig artikel 25, lid 4, van het Financieel Reglement, met de hulp van externe beoordelaars.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Het voorstel voorziet ten minste om de vier jaar in een evaluatie achteraf.

7. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

De Stichting wordt gecontroleerd door de dienst Interne Audit en de Europese Rekenkamer. Sinds 2006 beschikt de Stichting ook over een interne auditcapaciteit.

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

De tabel in de bijlage is gebaseerd op de volgende veronderstellingen:

- De indicatieve toewijzing voor de Stichting in de financiële vooruitzichten van de Gemeenschap voor 2007-2013;

- Continuïteit in de toewijzing van middelen aan de Stichting overeenkomstig de prioriteiten van het externe beleid van de Gemeenschap en de aan de gang zijnde ontwikkeling van de Stichting tot expertisecentrum:

- IPA 32,5%,

- ENPI 32,5%,

- DCI 15%[34],

- innovatie en leren 20%[35];

- De Stichting zal haar activiteiten concentreren op partnerlanden waar de Gemeenschap actief investeert in de ontwikkeling van human resources en waar de noodzakelijke voorwaarden voor hervormingen (stabiele instellingen en duidelijke bereidheid tot hervorming van het onderwijs) aanwezig zijn;

- Op grond van het externe-evaluatieverslag, de ervaring van de Stichting en de veronderstellingen in de MTP zijn de voornaamste taken van de Stichting de verlening van beleidsanalyses en -advies en inbreng in de bijstand van de Gemeenschap. Capaciteitsopbouw, verspreiding, uitwisseling van informatie en evaluatie van de bijstand op opleidingsgebied dragen daartoe bij. De voorgestelde verdeling van de middelen van de Stichting is als volgt:

- 20% voor analyse en ondersteuning van het onderwijsbeleid;

- 24% voor de opbouw van beleidscapaciteit in de partnerlanden;

- 39% voor inbreng in de programmerings- en projectcyclus van de Commissie voor de sector;

- 10% voor verspreiding en netwerkvorming;

- 3,5% voor informatie-uitwisseling tussen de donors en internationale organisaties;

- 3,5% voor de evaluatie van de bijstand op opleidingsgebied.

De daadwerkelijke verdeling van de middelen zal afhangen van veranderingen in de werkomgeving van de Stichting, ontwikkelingen in de prioriteiten van de EU en specifieke verzoeken van de Commissie.

- De uitsplitsing van de begrotingskosten van de Stichting per activiteit: 70% van de subsidies gaat naar operationele activiteiten, 30% naar overheadkosten. Titel III maakt ongeveer 15% van de middelen van de Stichting uit.

Bijlage - Punt 8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

[pic]

8.2. Administratieve uitgaven

8.2.1. Aantal en soort personeelsleden

Soort post | Huidig of extra personeel dat zal worden ingezet voor het beheer van de actie (aantal posten/vte's) |

Jaar 2008 | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 | Jaar 2012 | Jaar 2013 |

Ambtenaren of tijdelijk personeel[36] (XX 01 01) | A*/AD | 54 | 54 | 54 | 54 | 54 | 54 |

B*, C*/AST | 42 | 42 | 42 | 42 | 42 | 42 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel[37] |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel[38] | 34 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |

TOTAAL | 130 | 126 | 126 | 126 | 126 | 126 |

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

( Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma

( Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

( Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

( Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

( Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

NB: Statutair personeel overeenkomstig het meerjarig personeelsbeleidsplan 2007-2010 van de Stichting.

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL |

Andere technische en administratieve bijstand |

- intern |

- extern |

Totaal Technische en administratieve bijstand |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.) (vermeld begrotingsonderdeel) |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1.

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1.

8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen) |

Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen |

XX 01 02 11 03 – Comités[40] |

XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen |

XX 01 02 11 05 – Informatiesystemen |

2 Totaal Andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) |

3 Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) |

Totale andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen |

Berekening – Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

[1] PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1.

[2] COM(2005) 59 definitief van 25.2.2005. Zie ook de Mededeling over een kader voor Europese regelgevende agentschappen (COM(2002) 718 definitief van 11.12.2002 ).

[3] PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

[4] PB L 206 van 23.7.1998, blz. 1.

[5] COM(2006) 832 definitief.

[6] PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

[7] COM(2002) 718 definitief van 11.12.2002.

[8] PB nr. C 86 van 4. 4. 1990, blz. 12 √ PB C […] van […], blz. […] ∏ .

[9] Advies uitgebracht op 25 april 1990 (nog niet verschenen in het Publikatieblad) √ PB C […] van […], blz. […] ∏ .

[10] PB C […] van […], blz. […].

[11] PB C […] van […], blz. […].

[12] PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1648/2003 van 18 juni 2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22).

[13] PB C 323 van 30.11.1993, blz. 1.

[14] PB nr. L 375 van 23.12.1989, blz. 11.

[15] PB L 216 van 20.8.1994, blz. 9.

[16] PB L 206 van 23.7.1998, blz. 1.

[17] PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1.

[18] PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82.

[19] PB L 310 van 9.11.2006, blz. 1.

[20] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

[21] PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

[22] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

[23] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

[24] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

[25] PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1.

[26] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

[27] PB L 245 van 29.9.2003, blz. 22.

[28] PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72 (Rectificatie in PB L 2 van 7.1.2003, blz. 39).

[29] De datum van inwerkingtreding van deze verordening zal in het Publikatieblad bekend worden gemaakt.

[30] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[31] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[32] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[33] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[34] Dit houdt een lichte stijging in ten opzichte van de middelen die in de MTP 2007-2010 aan de Stichting worden toegewezen voor het communautaire initiatief voor Centraal-Azië.

[35] Investeren in innovatie en leren is van essentieel belang om de capaciteiten van de Stichting aan te passen aan de herschikkingsverordening.

[36] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[37] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[38] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[39] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[40] Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.