52007PC0109

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran /* COM/2007/0109 def. */


NL

Brussel, 13.3.2007

COM(2007) 109 definitief

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

(1) Op 23 december 2006 heeft de VN-Veiligheidsraad Resolutie 1737 (2006) betreffende Iran aangenomen. Die resolutie is gebaseerd op Hoofdstuk VII van het VN-Handvest en voorziet in bepaalde beperkende maatregelen om ervoor te zorgen dat Iran zich houdt aan het besluit van de VN-Veiligheidsraad dat het zijn proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten moet stopzetten. Op 22 januari 2007 heeft de Raad (Buitenlandse Betrekkingen) de uitvoering van Resolutie 1737 besproken en het volgende besloten:

“Met het oog op een met het EU-beleid strokende effectieve uitvoering van de in Resolutie 1737 vervatte maatregelen en herinnerend aan het feit dat het EU-beleid de verkoop van wapens aan Iran verbiedt, kwamen de ministers overeen dat de EU de uitvoer naar en de invoer uit Iran van goederen die vermeld staan op de lijsten van de NSG en de MTCR moet voorkomen, transacties met personen en entiteiten die aan de criteria van de Resolutie 1737 beantwoorden, moet verbieden en hun tegoeden moet bevriezen, en het reizen naar de EU door personen die aan deze criteria beantwoorden moet verbieden en maatregelen moet treffen om te voorkomen dat Iraanse onderdanen in de EU proliferatiegevoelige onderwerpen bestuderen.”

(2) Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB voorziet in uitvoering van de beperkende maatregelen van Resolutie 1737, in overeenstemming met de conclusies van de Raad. Deze maatregelen omvatten:

– een verbod op de uitvoer van goederen en technologie die vermeld staan op de lijsten van de NSG en de MTCR en goederen en technologie die gebruikt kunnen worden bij activiteiten die verband houden met verrijking, opwerking of zwaar water, dan wel bij of voor de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens, als vastgesteld bij de VN-Veiligheidsraad of het Sanctiecomité ter uitvoering van Resolutie 1737, alsmede een verbod op de levering van daarmee verband houdende diensten,

– beperkingen op de uitvoer van goederen en technologie die beantwoorden aan de criteria vastgesteld in punt 4, onder b) en c), van Resolutie 1737, en op de levering van daarmee verband houdende diensten,

– een verbod op investeringen die verband houden met dergelijke goederen en technologie,

– een verbod op de aanschaf van dergelijke goederen en technologie uit Iran,

– bevriezing van de tegoeden en economische middelen van personen, entiteiten en lichamen die zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij of steun verlenen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran, dan wel de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens,

– beperkingen op de toegang van de hierboven genoemde natuurlijke personen, en

– beperkingen om te voorkomen dat Iraanse onderdanen in de EU proliferatiegevoelige onderwerpen bestuderen.

(3) De beperkende maatregelen inzake goederen en technologie en de bevriezing van tegoeden en economische middelen vallen binnen de werkingssfeer van het Verdrag en kunnen op basis van de bestaande communautaire wetgeving niet in voldoende mate worden toegepast.

(4) De lidstaten kunnen de beperkende maatregelen voor de toegang van personen toepassen op basis van de bestaande wetgeving, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld. Door visa en toelating te weigeren of, voor zover van toepassing, door reeds afgegeven visa te annuleren of personen uit te zetten, voor zover nodig, kunnen de lidstaten voorkomen dat Iraanse onderdanen in de EU komen studeren.

(5) De Commissie stelt derhalve voor alle beperkende maatregelen van Resolutie 1737 (2006) van de VN-Veiligheidsraad, met uitzondering van de beperkende maatregelen voor de toegang van personen en de bestudering van proliferatiegevoelige onderwerpen, ten uitvoer te leggen door middel van een nieuwe verordening van de Raad.

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 60 en 301,

Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB inzake beperkende maatregelen ten aanzien van Iran [1],

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Op 23 december 2006 heeft de VN-Veiligheidsraad Resolutie 1737 (2006) aangenomen. Deze resolutie houdt in dat Iran met onmiddellijke ingang alle activiteiten met betrekking tot de verrijking en opwerking van uranium en alle projecten met betrekking tot zwaar water moet stopzetten, en de door de Raad van Bestuur van de IAEA vastgestelde maatregelen moet nemen die volgens de VN-Veiligheidsraad van essentieel belang zijn voor het opbouwen van vertrouwen in het uitsluitend vreedzame doel van het Iraanse nucleaire programma. Teneinde Iran ertoe te bewegen zich te voegen naar dit bindende besluit, heeft de VN-Veiligheidsraad besloten dat alle leden van de Verenigde Naties beperkende maatregelen moeten toepassen.

(2) Het naar aanleiding van Resolutie 1737 (2006) aangenomen Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB voorziet in beperkende maatregelen ten aanzien van Iran. Deze maatregelen omvatten beperkingen op de in- en uitvoer van goederen en technologie die een bijdrage kunnen leveren tot de activiteiten van Iran met betrekking tot de verrijking of opwerking van uranium of met betrekking tot zwaar water, of tot de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens, alsmede een verbod op de verstrekking van daarmee verband houdende diensten, een verbod op investeringen met betrekking tot deze goederen en technologie uit Iran, een verbod op de aanschaf van deze goederen en technologie afkomstig uit Iran, en de bevriezing van de tegoeden en economische middelen van personen, entiteiten en lichamen die zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij of steun verlenen aan dergelijke activiteiten of de ontwikkeling daarvan.

(3) Deze maatregelen vallen binnen het toepassingsgebied van het Verdrag; derhalve is, om te garanderen dat zij in alle lidstaten door de marktdeelnemers uniform worden toegepast, communautaire wetgeving noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen voor zover het de Gemeenschap betreft.

(4) Deze verordening heeft voorrang op de bestaande communautaire wetgeving die voorziet in algemene voorschriften voor de uitvoer naar en invoer uit derde landen, en met name op Verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik [2]; deze producten en technologie vallen voor een groot deel onder deze verordening.

(5) Om praktische redenen dient de Commissie te worden gemachtigd de lijst te publiceren van verboden goederen en technologie en eventuele wijzigingen daarop die door het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad worden aangenomen. Ook dient zij te worden gemachtigd de lijst te wijzigen van personen, entiteiten en lichamen wier tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren.

(6) De lidstaten stellen vast welke sancties van toepassing zijn bij overtreding van de bepalingen van deze verordening. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

(7) Teneinde de effectiviteit van de maatregelen waarin deze verordening voorziet te waarborgen, dient deze verordening onmiddellijk in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

(a) “Sanctiecomité”: het comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dat bij punt 18 van Resolutie 1737 (2006) van de VN-Veiligheidsraad is ingesteld;

(b) “technische bijstand”: elke technische ondersteuning in verband met reparaties, ontwikkeling, productie, assemblage, beproeving, onderhoud of enige andere technische dienst; deze kan de vorm aannemen van bijvoorbeeld onderricht, opleiding, overdracht van praktische kennis of vaardigheden of adviesdiensten; met inbegrip van mondelinge vormen van bijstand;

(c) “eigendom van een rechtspersoon, entiteit of lichaam”: bezit van 50% of meer van de eigendomsrechten van een rechtspersoon, entiteit of lichaam, of van een meerderheidsbelang daarin;

(d) “zeggenschap over een rechtspersoon, entiteit of lichaam”: hiervan is sprake wanneer een rechtspersoon, entiteit of lichaam

i) het recht heeft om een meerderheid van de leden van het administratieve, beheer- of toezichthoudend orgaan van een rechtspersoon, entiteit of lichaam te benoemen of te ontslaan;

ii) een meerderheid van de leden van het administratieve, beheer- of toezichthoudende orgaan van een rechtspersoon, entiteit of lichaam, die gedurende het lopende en het voorgaande boekjaar in functie waren, enkel als gevolg van de uitoefening van zijn stemrechten heeft benoemd;

iii) ingevolge een overeenkomst met andere aandeelhouders of leden van een rechtspersoon, entiteit of lichaam, alleen zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van aandeelhouders of leden binnen die rechtspersoon of entiteit of dat lichaam;

iv) het recht bezit tot het uitoefenen van een overheersende invloed op een rechtspersoon, entiteit of lichaam ingevolge een met die rechtspersoon of entiteit of dat lichaam aangegane overeenkomst of een bepaling in het memorandum of de akte van oprichting, wanneer de wet die van toepassing is op die rechtspersoon of entiteit of dat lichaam een dergelijke overeenkomst of bepaling toestaat;

v) de bevoegdheid heeft tot het uitoefenen van het recht om de overheersende invloed bedoeld in d) uit te oefenen zonder de houder van dat recht te zijn;

vi) het recht heeft alle of een deel van de activa van een rechtspersoon, entiteit of lichaam te benutten;

vii) op geconsolideerde basis een rechtspersoon, entiteit of lichaam beheert, met inbegrip van het publiceren van geconsolideerde jaarrekeningen; of

viii) gezamenlijk en hoofdelijk de financiële verplichtingen van een rechtspersoon, entiteit of lichaam deelt of deze verplichtingen garandeert.

(e) “tegoeden”: financiële activa en economische voordelen van enigerlei aard, met inbegrip van maar niet beperkt tot:

i) contanten, cheques, geldvorderingen, wissels, postwissels en andere betaalmiddelen;

ii) deposito’s bij financiële instellingen of andere entiteiten, saldi op rekeningen, schulden en schuldbewijzen;

iii) in het openbaar en onderhands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, inclusief aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen en derivatencontracten;

iv) interesten, dividenden of andere inkomsten uit of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa;

v) krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen;

vi) kredietbrieven, connossementen, koopbrieven; en

vii) bewijsstukken van belangen in fondsen of financiële middelen;

(f) “bevriezing van tegoeden”: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van de tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt;

(g) “economische middelen”: activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden vormen, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen;

(h) “bevriezing van economische middelen”: het voorkomen van het gebruiken van economische middelen om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren;

(i) “grondgebied van de Gemeenschap”: het grondgebied van alle lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, onder de in het Verdrag bepaalde voorwaarden, inclusief hun luchtruim.

Artikel 2

1. Er wordt een verbod ingesteld op:

(a) het direct of indirect verkopen, leveren of overdragen aan of exporteren van de goederen en technologie, inclusief programmatuur, bedoeld in bijlage I, al dan niet van oorsprong uit de Gemeenschap, ten behoeve van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Iran of bestemd voor gebruik in Iran;

(b) het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die ertoe strekken of die tot gevolg hebben dat de onder a) bedoelde verbodsbepaling wordt omzeild.

2. Bijlage I omvat een lijst van:

(a) alle goederen en technologie, inclusief programmatuur, opgenomen in de lijsten van de Groep van Nucleaire Exportlanden en het Missile Technology Control Regime [3], en

(b) andere goederen en technologie, inclusief programmatuur, die volgens het Sanctiecomité of de VN-Veiligheidsraad gekwalificeerd kunnen worden als goederen en technologie die een bijdrage kunnen leveren tot de activiteiten van Iran met betrekking tot de verrijking of opwerking van uranium of met betrekking tot zwaar water, of tot de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens.

Goederen en technologie, opgenomen in de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen [4], worden niet in bijlage I opgenomen.

Artikel 3

1. Een vergunning is vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren of overdragen aan en exporteren van de goederen en technologie, inclusief programmatuur, bedoeld in bijlage II, al dan niet van oorsprong uit de Gemeenschap, ten behoeve van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam in Iran of bestemd voor gebruik in Iran.

2. Bijlage II bevat een lijst van alle goederen en technologie, andere dan die bedoeld in bijlage I, die een bijdrage kunnen leveren tot de activiteiten van Iran met betrekking tot de verrijking of opwerking van uranium of met betrekking tot zwaar water, of tot de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens, dan wel een bijdrage kunnen leveren tot de uitoefening van activiteiten in verband met andere punten van zorg voor de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA).

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die in bijlage III worden genoemd, verlenen geen toestemming voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen en technologie bedoeld in bijlage II, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokken verkoop, levering, overdracht of uitvoer een bijdrage zal leveren tot een van de volgende activiteiten:

(a) de activiteiten van Iran met betrekking tot de verrijking of opwerking van uranium of met betrekking tot zwaar water,

(b) de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens, of

(c) de uitoefening door Iran van activiteiten in verband met andere punten van zorg voor de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA).

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die in bijlage III worden genoemd, kunnen, overeenkomstig deze verordening handelend, weigeren een uitvoervergunning te verlenen en een reeds verleende uitvoervergunning nietig verklaren, opschorten, wijzigen of intrekken. Indien zij een vergunning weigeren, nietig verklaren, opschorten, substantieel beperken of intrekken, of indien zij besluiten dat de uitvoer van bepaalde goederen of technologie niet mag worden toegestaan, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en wisselen zij relevante informatie onderling uit, zulks met inachtneming van de bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie als bedoeld in Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften [5].

Deze kennisgevingen worden gedaan via veilige elektronische middelen voor de uitwisseling van gevoelige informatie waarover de lidstaten en de Commissie beschikken. Weigeringen van vergunningen waarvan overeenkomstig dit lid kennis is gegeven, worden door de lidstaten binnen drie jaar na de kennisgeving opnieuw bekeken en ingetrokken, gewijzigd of verlengd. Weigeringen die niet worden ingetrokken blijven geldig.

5. Alvorens een lidstaat een uitvoervergunning verleent die door een andere lidstaat of andere lidstaten voor een wezenlijk identieke transactie (waarmee wordt bedoeld een wezenlijk identiek eindgebruik of een product met wezenlijk identieke parameters of technische kenmerken met dezelfde eindgebruiker/ontvanger of ruimere entiteit die dezelfde eindgebruiker omvat) waarvoor de weigering nog steeds geldig is, pleegt deze lidstaat eerst overleg met de lidstaat of lidstaten die de geldige weigering(en) als bedoeld in lid 4 heeft/hebben afgegeven, en stelt hij de Commissie in kennis van het openen van dit overleg. Indien de lidstaat na dit overleg besluit een vergunning te verlenen, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekt hij daarbij alle relevante informatie om het voornemen toe te lichten.

Artikel 4

Het is verboden de goederen en technologie, inclusief programmatuur, als genoemd in bijlage I aan te schaffen, in te voeren of te vervoeren uit Iran, ongeacht of het betrokken product van oorsprong is uit Iran.

Artikel 5

1. Er wordt een verbod ingesteld op:

(a) het direct of indirect verlenen van technische bijstand in verband met goederen en technologie genoemd in de Bijlagen I en II, en in verband met het leveren, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van goederen genoemd in de bijlagen I en II, aan natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Iran of bestemd voor gebruik in Iran;

(b) het direct of indirect verlenen van financiering of financiële bijstand in verband met goederen en technologie genoemd in de bijlagen I en II, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van deze goederen, of voor de verlening van daarmee verband houdende technische bijstand, ten behoeve van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Iran of bestemd voor gebruik in Iran;

(c) het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die ertoe strekken of die tot gevolg hebben dat de onder (a) of (b) bedoelde verbodsbepalingen worden omzeild.

2. Een vergunning is vereist voor:

(a) de verwerving van een participatie in, de uitbreiding van een bestaande participatie in, en de verwerving van

i) eigendom van vastgoed in Iran, ander dan vastgoed voor gebruik als privéwoning, of

ii) eigendom van of zeggenschap over een rechtspersoon of entiteit die of een lichaam dat is geregistreerd of als rechtspersoon is erkend in Iran,

(b) de oprichting van een rechtspersoon, entiteit of lichaam, in samenwerking met een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen met de Iraanse nationaliteit;

(c) de sluiting van een joint venture of samenwerkingsovereenkomst, een licentieovereenkomst voor technologie, een overeenkomst voor alleenverkoop of een agentuurovereenkomst met een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen met de Iraanse nationaliteit.

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten die in bijlage III worden genoemd, verlenen geen toestemming voor de financiering of de verlening van bijstand in verband met goederen en technologie bedoeld in bijlage II, noch voor enige handeling bedoeld in lid 2, tenzij zij ervan overtuigd zijn dat de handeling niet zal bijdragen tot de vervaardiging, verkoop, aanschaf, overdracht, invoer, uitvoer of verplaatsing van goederen en technologie genoemd in de bijlagen I en II, en het gebruik van dergelijke goederen en technologie niet zal vergemakkelijken.

Artikel 6

Onverminderd het bepaalde in artikel 3, lid 3, en artikel 5, lid 3, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd in bijlage III, op door hen passend geachte voorwaarden toestemming verlenen voor transacties bedoeld in de artikelen 2, 3 en 5, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(a) het Sanctiecomité heeft vooraf en per geval vastgesteld dat de transactie niet bijdraagt tot de ontwikkeling van technologie ter ondersteuning van proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran, of tot de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens,

(b) het contract voor de levering van de goederen of technologie, of voor de verlening van bijstand, bevat passende garanties met betrekking tot de eindgebruikers, en

(c) Iran heeft zich ertoe verbonden de betrokken goederen en technologie, of voor zover van toepassing de betrokken bijstand, niet te gebruiken voor proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of voor de ontwikkeling van overbrengingssystemen voor nucleaire wapens.

Artikel 7

1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage IV zijn vermeld, worden bevroren. Bijlage IV omvat de personen, entiteiten en lichamen die de VN-Veiligheidsraad of het Sanctiecomité hebben aangewezen overeenkomstig punt 12 van Resolutie 1737 (2006).

2. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage V zijn vermeld, worden bevroren. In bijlage V zijn opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die niet voldoen aan de voorwaarden om te worden opgenomen in bijlage IV, maar door de Raad overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB, zijn aangewezen als

(a) zich bezighoudend met, direct betrokken bij, dan wel medewerking verlenend aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran;

(b) zich bezighoudend met, direct betrokken bij, dan wel medewerking verlenend aan de ontwikkeling door Iran van systemen voor de overbrenging van kernwapens;

(c) optredend namens of in opdracht van een persoon, entiteit of lichaam bedoeld onder a) of b), of

(d) een rechtspersoon of entiteit die of lichaam dat eigendom is van of onder zeggenschap staat van een persoon, entiteit of lichaam bedoeld onder (a) of (b).

3. Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlagen IV en V genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

4. Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen direct of indirect te omzeilen.

Artikel 8

In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen de in bijlage III genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a) de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een justitieel, administratief of arbitrair retentierecht dat vóór 23 december 2006 is vastgesteld of van een justitieel, administratief of arbitrair vonnis dat van vóór die datum dateert;

(b) de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend aangewend om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijk retentierecht zijn gewaarborgd of door een dergelijk vonnis geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wet- en regelgeving tot vaststelling van de rechten van de personen die titularis zijn van dergelijke vorderingen;

(c) het retentierecht of het vonnis komt niet ten goede aan een persoon, entiteit of lichaam genoemd in bijlage IV of V;

(d) de erkenning van het retentierecht of het vonnis is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat; en

(e) indien artikel 7, lid 1, van toepassing is, het retentierecht of het vonnis is door de lidstaat gemeld aan het Sanctiecomité.

Artikel 9

In afwijking van het bepaalde in artikel 7 kunnen, mits een betaling verschuldigd is door een persoon, entiteit of lichaam genoemd in bijlage IV of V op grond van een contract of overeenkomst die door de betrokken persoon, entiteit of lichaam is gesloten of een verplichting die voor de betrokken persoon, entiteit of lichaam is ontstaan vóór de datum waarop die persoon of entiteit of dat lichaam door het Sanctiecomité, de VN-Veiligheidsraad of de Raad van de Europese Unie is aangewezen, de in bijlage II vermelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten op door hen passend geachte voorwaarden toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(a) de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:

i) de tegoeden of economische middelen niet worden gebruikt voor een betaling door een persoon, entiteit of lichaam genoemd in bijlage IV of V;

ii) het contract, de overeenkomst of de verplichting niet bijdraagt tot de vervaardiging, verkoop, aanschaf, overdracht, invoer, uitvoer of verplaatsing van goederen en technologie genoemd in de bijlagen I en II, en het gebruik van dergelijke goederen en technologie niet vergemakkelijkt; en

iii) de betaling niet in strijd is met artikel 7, lid 3;

(b) indien artikel 7, lid 1, van toepassing is: de betrokken lidstaat heeft het Sanctiecomité in kennis gesteld van deze vaststelling en van zijn voornemen toestemming te verlenen, en het Sanctiecomité heeft niet binnen tien werkdagen na die kennisgeving bezwaar geuit; en

(c) indien artikel 7, lid 2, van toepassing is: de betrokken bevoegde autoriteit heeft de andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie tenminste twee weken vóór de toestemming in kennis gesteld van deze vaststelling en van zijn voornemen toestemming te verlenen.

Artikel 10

1. Dit artikel is van toepassing in afwijking van artikel 7 en is niet van toepassing op betalingen verschuldigd door een persoon, entiteit of lichaam genoemd in bijlage IV of V op grond van een contract of overeenkomst die door de betrokken persoon of entiteit of het betrokken lichaam is gesloten of een verplichting die voor de betrokken persoon of entiteit of het betrokken lichaam is ontstaan vóór de datum waarop die persoon of entiteit of dat lichaam door het Sanctiecomité, de VN-Veiligheidsraad of de Raad van de Europese Unie is aangewezen.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd in bijlage III, kunnen op de door hen passend geachte voorwaarden toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(a) de betrokken bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de tegoeden of economische middelen:

i) noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlagen IV of V genoemde personen en de leden van hun gezin die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en lasten voor openbare voorzieningen;

ii) uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten; of

iii) uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen; en

(b) indien de toestemming een persoon, entiteit of lichaam betreft genoemd in bijlage IV: de betrokken lidstaat heeft het Sanctiecomité in kennis gesteld van deze vaststelling en van zijn voornemen toestemming te verlenen, en het Sanctiecomité heeft niet binnen vijf werkdagen na die kennisgeving bezwaar geuit.

3. De in bijlage III genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor buitengewone uitgaven, op voorwaarde dat:

(a) indien de toestemming een in bijlage IV genoemde persoon, entiteit of lichaam betreft, deze vaststelling door de betrokken lidstaat is aangemeld bij het Sanctiecomité en de vaststelling door het Sanctiecomité is goedgekeurd, en

(b) indien de toestemming een in bijlage V genoemde persoon, entiteit of lichaam betreft, de bevoegde autoriteit ten minste twee weken voor zij de toestemming verleent aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie heeft gemeld op welke gronden zij van mening is dat de specifieke toestemming moet worden verleend.

4. De betrokken bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van de leden 2 en 3 verleende toestemming.

Artikel 11

1. Artikel 7, lid 3, vormt geen belemmering voor de creditering van bevroren rekeningen door financiële instellingen of kredietinstellingen in de Gemeenschap die tegoeden ontvangen die door derden naar de rekening van een op de lijst voorkomende natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam zijn overgemaakt, op voorwaarde dat de bijgeboekte bedragen eveneens worden bevroren. De financiële instelling of kredietinstelling brengt de bevoegde autoriteiten onverwijld op de hoogte van dergelijke verrichtingen.

2. Artikel 7, lid 3, is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

(a) rente of andere inkomsten op bevroren rekeningen; of

(b) betalingen op grond van contracten of overeenkomsten die vóór 23 december 2006 zijn gesloten of verplichtingen die vóór die datum zijn ontstaan;

op voorwaarde dat deze rente, andere inkomsten en betalingen overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, worden bevroren.

Artikel 12

De bevriezing van tegoeden of economische middelen of de weigering om tegoeden of economische middelen beschikbaar te stellen, die plaatsvindt in het vertrouwen dat die maatregel in overeenstemming met deze verordening is, mag geen aanleiding geven tot enigerlei aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon of rechtspersoon of de entiteit die, dan wel het lichaam dat die maatregel uitvoert, of van de directeuren of werknemers daarvan, tenzij het bewijs wordt geleverd dat de tegoeden en economische middelen als gevolg van nalatigheid zijn bevroren of ingehouden.

Artikel 13

1. Onverminderd de geldende regels inzake rapportage, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim moeten natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten en lichamen:

(a) alle informatie die de naleving van deze verordening vergemakkelijkt, zoals betreffende rekeningen en bedragen die overeenkomstig artikel 7 zijn bevroren, onverwijld verstrekken aan de in bijlage III genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar zij hun woonplaats hebben of gevestigd zijn, en deze informatie, direct of via deze bevoegde autoriteiten, aan de Commissie doen toekomen;

(b) bij de verificatie van deze informatie samenwerken met de in bijlage III genoemde bevoegde autoriteiten.

2. Alle rechtstreeks door de Commissie ontvangen aanvullende informatie wordt ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

3. Alle overeenkomstig dit artikel verstrekte of ontvangen informatie mag uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor de informatie werd verstrekt of ontvangen.

Artikel 14

De Commissie en de lidstaten stellen elkaar onverwijld in kennis van de krachtens deze verordening getroffen maatregelen en wisselen onderling alle andere relevante informatie uit waarover zij in verband met deze verordening beschikken, met name betreffende inbreuken, handhavingsproblemen en uitspraken van nationale rechtbanken.

Artikel 15

1. De Commissie wijzigt:

(a) bijlage I op basis van de besluiten van de VN-Veiligheidsraad of het Sanctiecomité;

(b) bijlage III op basis van door de lidstaten verstrekte informatie;

(c) bijlage IV op basis van de besluiten van de VN-Veiligheidsraad of het Sanctiecomité; en

(d) bijlage V op basis van besluiten die zijn vastgesteld met betrekking tot bijlage II bij Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB.

2. De Commissie meldt verordeningen die tot stand zijn gekomen overeenkomstig lid 1, onder d), voor zover mogelijk, aan de in die verordeningen genoemde personen, entiteiten of lichamen, samen met een motivering van de Raad voor hun opname in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB. Vermeldingen van nieuwe namen op deze lijsten worden aan de betrokkenen gemeld na publicatie van de betreffende verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

1. De lidstaten stellen regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op overtreding van de bepalingen van deze verordening, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

2. De lidstaten stellen de Commissie na de inwerkingtreding van deze verordening onverwijld in kennis van de desbetreffende bepalingen en delen haar alle latere wijzigingen ervan mede.

Artikel 17

Deze verordening is van toepassing:

(a) op het grondgebied van de Gemeenschap;

(b) aan boord van vliegtuigen of vaartuigen die onder de rechtsbevoegdheid van een lidstaat vallen;

(c) op alle zich op het grondgebied of buiten het grondgebied van de Gemeenschap bevindende personen die onderdaan van een lidstaat zijn;

(d) op alle volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersonen, entiteiten of lichamen;

(e) op alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien van alle geheel of gedeeltelijk binnen de Gemeenschap verrichte zakelijke transacties.

Artikel 18

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, […]

Voor de Raad

De voorzitter

[…]

BIJLAGE I

Goederen en technologie bedoeld in artikel 2

Aantekening:

Indien mogelijk worden de artikelen in deze bijlage gedefinieerd door te verwijzen naar de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik die is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1334/2000, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 394/2006 van de Raad. Indien een artikel in deze bijlage niet hetzelfde is als een artikel dat in die bijlage is opgenomen, wordt het referentienummer van de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik voorafgegaan door de vermelding “ex” en is de beschrijving van de goederen of technologie in deze bijlage doorslaggevend.

I.A. Goederen

I.B. Technologie

BIJLAGE II

Goederen en technologie bedoeld in artikel 3

Aantekening:

Indien mogelijk worden de artikelen in deze bijlage gedefinieerd door te verwijzen naar de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik die is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1334/2000, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 394/2006 van de Raad. Indien niet uitdrukkelijk anders wordt gesteld, houdt de vermelding in de kolom “Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000” in dat de kenmerken van het beschreven artikel buiten de parameters van het bedoelde goed voor tweeërlei gebruik vallen.

II.A. Goederen

A0 Nucleaire goederen

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.A0.001 | Kathodelampen als hieronder:a. Hollekathodelampen met joodkathode en een venster van zuiver silicium of kwartsb. Hollekathodelampen met uraankathode | - |

II.A0.002 | Optische isolatoren voor 500 nm tot 650 nm | - |

II.A0.003 | Optische tralies voor 500 nm tot 650 nm, al dan niet van het holografisch «blazed»-type | - |

II.A0.004 | Optische vezels voor 500–650 nm, bekleed met een antireflecterende laag voor 500–650 nm en met een kerndiameter van meer dan 0,4 mm doch niet meer dan 2 mm | - |

II.A0.005 | Inwendige delen van kernreactoren, andere dan die bedoeld bij 0A001 | 0A001 |

II.A0.006 | Afdichtingen voor reactorvaten en apparatuur voor het afdichten en voor het beproeven en meten van afdichtingen.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op apparatuur bedoeld in 0A001 | 0A001 |

II.A0.007 | Detectie- en meetinstrumenten voor ioniserende stralingAantekening: dit artikel is niet van toepassing op de instrumenten bedoeld in 0A001.j en 1A004.c | 0A001.j 1A004.c |

II.A0.008 | Balgafsluiters van aluminiumlegering of roestvrij staal, type 304 of 316 L.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op de balgafsluiters bedoeld in 0B001.c.6 en 2A226 | 0B001.c6 2A226 |

II.A0.009 | Optische onderdelen (vlakke, convexe en concave spiegels) bekleed met een sterk reflecterende of gestuurde meervoudige laag, in het bereik van 500–650 nm | 0B001.g |

II.A0.010 | Transparante optische onderdelen bekleed met antireflecterende lagen in het bereik van 500–650 nm, met inbegrip van lens, polarisatoren, /2-plaat, /4-plaat, rotators en laservensters van silicium of kwarts. | 0B001.g |

II.A0.011 | Stelsels van pijpen en “headers”, pijpen, flenzen en hulpstukken, vervaardigd van nikkel of een nikkellegering die 40 gewichtspercenten of meer nikkel bevat. Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op stelsels van pijpen en “headers” bedoeld in 0B002.e en buizen omschreven in 2B350.h.1 | 0B002.e, 2B350 |

II.A0.012 | Turbomoleculaire pompen met een pompsnelheid van 400 l/s of meer | 0B002.f.2 2B231 |

II.A0.013 | Voorvacuümpompen met een afzuigcapaciteit van meer dan 200 m³/h | 0B002.f.2 |

II.A0.014 | Droge scrollcompressoren en -vacuümpompen met balgafdichting | 0B002.f.2 2B231 |

II.A0.015 | Afgeschermde ruimten voor het manipuleren van radioactieve stoffen (hete cellen) | 0B006 |

II.A0.016 | “Natuurlijk uraan” of “verarmd uraan” in de vorm van metaal of legering. Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op uraan bedoeld in 0C001. | 0C001 |

A1 Materialen, chemicaliën, “micro-organismen”, “toxines”

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.A1.001 | Bis(2-ethylhexyl)fosforzuur (HDEHP of D2HPA) (oplosmiddel) in elke hoeveelheid | - |

II.A1.002 | Materialen uit met koolstofvezel versterkt siliciumcarbide (C/SiC) | - |

II.A1.003 | Fluorgas (Chemical Abstract-nummer (CAS) 7782-41-4) | - |

II.A1.004 | Persoonlijke uitrusting voor het detecteren van ioniserende straling van nucleaire oorsprong, met inbegrip van persoonlijke dosismeters.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op nucleaire detectieapparatuur bedoeld in 1A004.c | 1A004.c |

II.A1.005 | Elektrolytische cellen voor de productie van fluor met een capaciteit van meer dan 100 g fluor per uur.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op elektrolytische cellen bedoeld in 1B225. | 1B225 |

II.A1.006 | Apparatuur voor het onttrekken van tritium, met inbegrip van geplatineerde katalysatoren en vervangers daarvan | 1B231 |

II.A1.007 | Aluminium en aluminiumlegeringen in ruwe vorm of als halffabricaat, met een van de volgende kenmerken:a. met een breukspanning van 460 MPa of meer bij 293 K (20 °C); orb. met een treksterkte van 415 MPa of meer bij 298 K (25 °C). | 1C002.b.4 1C202.a |

II.A1.008 | Magnetische metalen van alle soorten, ongeacht de vorm, met een relatieve beginpermeabiliteit van 120 000 of meer en een dikte van 0,05 mm tot 0,1 mm | 1C003.a |

II.A1.009 | Onbewerkte fluorverbindingen, als hieronder:a. polychloortrifluorethyleen (PCTFE, bijv. Kel-F®);b. Viton-fluorelastomeren;c. polytetrafluorethyleen (PTFE).Pakkingen en afdichtingen van fluorverbindingen gedefinieerd in 1C009 of in dit artikel. | 1C009 |

II.A1.010 | “Stapel- of continuvezelmateriaal” of «prepregs» als hieronder:a. “stapel- en continuvezelmateriaal” van koolstof of aramide met beide hiernavolgende kenmerken:1. een “specifieke modulus” van 10 × 106 m of groter; en2. een “specifieke treksterkte” van 17 × 104 m of meer;b. “stapel- of continuvezelmateriaal” van glasAantekening: dit artikel is niet van toepassing op stapel- of continuvezelmateriaal bedoeld in 1C010.b, 1C210.a en 1C210.b | 1C010.b, 1C210 |

II.A1.011 | “Stapel- en continuvezelmateriaal” dat gebruikt kan worden in “composieten” of laminaten met een organische “matrix”, metallische “matrix” of koolstof-“matrix”, als hieronder:met hars of asfaltbitumen geïmpregneerde vezels («prepregs»), met metaal of koolstof beklede vezels («preforms») of “halffabricaten voor koolstofvezels”, met inbegrip van para-aramiden (met name KEVLAR®)Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op stapel- of continuvezelmateriaal bedoeld in 1C010.e | 1C010.e, 1C210 |

II.A1.012 | «Maraging»-staal met een breukspanning van 2 050 MPa of meer bij 293 K (20 °C), in een vorm waarin geen enkele lineaire maat groter is dan 75 mm | 1C216 |

II.A1.013 | Wolfraam, tantaal, wolfraamcarbide, tantaalcarbide en legeringen, met beide volgende kenmerken:a. in vormen met holle cilindersymmetrie of sferische symmetrie (daaronder mede begrepen cilindersegmenten) met een binnendiameter tussen 50 mm en 300 mm; enb. met een massa groter dan 5 kg.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op wolfraam, wolfraamcarbide en legeringen bedoeld in 1B226. | 1C226 |

A2 Materiaalbewerking

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.A2.001 | Systemen voor het beproeven door middel van trillingen, die geschikt zijn om een systeem te laten trillen met een versnelling groter dan 0,1 g RMS (eff.) tussen 0,1 Hz en 2 kHz en die krachten gelijk aan of groter dan 50 kN, met “onbelaste tafel” gemeten, kunnen overbrengen;Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op systemen voor het beproeven door middel van trillingen bedoeld in 2B116.a | 2B116 |

II.A2.002 | Werktuigmachines voor slijpen met een instelnauwkeurigheid, “inclusief alle compensaties”, die gelijk is aan of kleiner (d.w.z. nauwkeuriger) is dan 15 micrometer overeenkomstig ISO-norm 230/2 (1988) (1) of nationale equivalenten langs elke lineaire as. Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op werktuigmachines voor slijpen bedoeld in 2B201.b en 2B001.c | 2B201.b, 2B001.c |

II.A2.003 | Balanceermachines die ontworpen of aangepast zijn voor tandheelkundige of andere medische uitrusting, met alle hiernavolgende kenmerken:1. niet geschikt voor het uitbalanceren van rotors/samenstellingen met een massa van meer dan 3 kg;2. geschikt voor het uitbalanceren van rotors/samenstellingen bij een omwentelingssnelheid hoger dan 12 500 t.p.m.;3. geschikt voor het corrigeren van onbalans in twee of meer vlakken; en4. geschikt voor het uitbalanceren tot op een resterende specifieke onbalans van 0,2 g mm per kg rotormassa | 2B219, 2B119 |

II.A2.004 | Op afstand bediende manipulatoren die kunnen worden aangewend voor het doen verrichten van handelingen op afstand bij radiochemische scheidingswerkzaamheden of in hete cellen, met een van de volgende kenmerken:a. geschikt om te werken bij een hete-celwand met een dikte van 0,3 m of meer (opereren door de wand heen); ofb. geschikt om de afstand over de bovenkant van een hete-celwand met een dikte van 0,3 m of meer te overbruggen (opereren over de wand heen).Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op op afstand bediende manipulatoren bedoeld in 2B225. | 2B225 |

II.A2.005 | Warmtebehandelingsovens, werkend met beheerste atmosfeer, als hieronder:Ovens geschikt voor werktemperaturen tussen 400 ºC en 850 ºC | 2B226, 2B227 |

II.A2.006 | Oxidatieovens geschikt voor werktemperaturen tussen 400 ºC en 850 ºC | 2B226, 2B227 |

II.A2.007 | “Drukomzetters”, veiligheidsmanometers daaronder begrepen, gemaakt van materialen die bestand zijn tegen corrosie door UF6 of van gasemissievrije materialen.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op drukomzetters bedoeld in 2B230 | 2B230 |

II.A2.008 | Apparatuur voor vloeistof-vloeistofuitwisseling, met inbegrip van mengers-bezinkers, pulskolommen en centrifugale contactors, gemaakt van een van de volgende materialen: 1. legeringen met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;2. fluorpolymeren;3. glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding («lining»);4. nikkel of legeringen die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;5. tantaal of tantaallegeringen;6. titaan of titaanlegeringen; 7. zirkonium of zirkoniumlegeringen; of8. roestvrij staal | 2B350 |

II.A2.009 | Warmtewisselaars of condensors met een warmte-uitwisseloppervlak van meer dan 0,05 m² en minder dan 30 m², en voor gebruik in dergelijke warmtewisselaars of condensors ontworpen buizen, platen, spoelen of blokken (kernen), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:1. legeringen met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;2. fluorpolymeren;3. glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding («lining»);4. grafiet of “koolstofgrafiet”;5. nikkel of legeringen die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;6. tantaal of tantaallegeringen;7. titaan of titaanlegeringen;8. zirkonium of zirkoniumlegeringen;9. siliciumcarbide;10. titaancarbide; of11. roestvrij staalAantekening: dit artikel is niet van toepassing op warmtewisselaars en condensors bedoeld in 2B350.d | 2B350.d |

II.A2.010 | Pompen met meervoudige afdichting en pompen zonder afdichting, geschikt voor corrosieve vloeistoffen, met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 0,6 m³ per uur, of vacuümpompen met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 5 m³ per uur bij standaardtemperatuur (273 K (0 °C)) en -druk (101,3 kPa), envoor gebruik in dergelijke pompen ontworpen omhulsels (pomphuizen), voorgevormde binnenbekledingen, schoepen, vleugelraderen of straalpompverdeelstukken, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van roestvrij staal of een aluminiumlegering | 2B350.i |

II.A2.011 | Centrifuges, geschikt voor continu scheiden zonder aërosolvorming, en gemaakt van:1. legeringen met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;2. fluorpolymeren;3. glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding («lining»);4. nikkel of legeringen die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;5. tantaal of tantaallegeringen;6. titaan of titaanlegeringen; of7. zirkonium of zirkoniumlegeringenAantekening: dit artikel is niet van toepassing op centrifuges bedoeld in 2B352.c | 2B352.c |

II.A2.012 | Filters van gesinterd metaal, gemaakt van nikkel of een nikkellegering die 40 gewichtspercenten of meer nikkel bevat. Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op controlefilters bedoeld in 2B352.d. | 2B352.d |

A3 Elektronica

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.A3.001 | Hoogspanningsgelijkstroombronnen met beide onderstaande eigenschappen:a. over een periode van acht uur ononderbroken 10 kV of meer kunnen produceren bij een uitgangsvermogen van 5 kW of meer, al dan niet met sweeping; enb. met een stroom- of spanningsstabiliteit beter dan 0,1% over een periode van acht uur.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op voedingen en stroombronnen bedoeld in 0B001.j.5 en 3A227 | 3A227 |

II.A3.002 | Massaspectrometers die ionen met een massa van 200 atomaire massa eenheden (a.m.e.) of meer kunnen meten en die een oplossend vermogen hebben dat beter is dan 2 a.m.e. op 230 a.m.e., en ionenbronnen hiervoor, als hieronder:a. inductief gekoppelde plasmamassaspectrometers (ICP/MS);b. massaspectrometers werkend door middel van een gloeiontlading (GDMS);c. massaspectrometers werkend door middel van thermische ionisatie (TIMS);d. massaspectrometers werkend door middel van elektronenbeschieting, met een bronkamer vervaardigd van of bedekt met een materiaal dat bestand is tegen UF6;e. massaspectrometers werkend met een molecuulbundel, met één van de volgende kenmerken:1. een bronkamer vervaardigd van of bedekt met roestvrij staal of molybdeen en uitgerust met een koelval die tot 193 K (– 80 °C) of lager kan worden afgekoeld, of2. een bronkamer vervaardigd van of bedekt met materiaal dat bestand is tegen UF6;f. massaspectrometers werkend met een microfluoreer-ionenbron ontworpen voor actiniden of actinidefluoriden.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op massaspectrometers bedoeld in 3A233 en 0B002.g | 3A233 |

A.6 Sensoren en lasers

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.A6.001 | Optische apparaten werkend in het infrarode spectrum, met een golflengte van 9 tot 17 µm, en onderdelen daarvoor, met name onderdelen van cadmiumtelluride (CdTe).Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op camera’s en onderdelen bedoeld in 6A003 | 6A003 |

II.A6.002 | “Vervormbare spiegels” en bimorfe spiegels voor gebruik met een laserbundel met een diameter van meer dan 4 mm. Stuursystemen en golffront (fase)-meetapparatuur voor dergelijke spiegels en voor laserbundels met een dergelijke diameter.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op spiegels bedoeld in 6A004.a, 6A005.e en 6A005.f | 6A004.a, 6A005.e, 6A005.f |

II.A6.003 | “Lasers”, “laser”-versterkers en oscillatoren als hieronder:argon-ion-“lasers” met een gemiddeld uitgangsvermogen van 5 W of meer.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op argon-ion-“lasers” bedoeld in 0B001.g.5., 0B001.h.6., 6A005 en 6A205.a | 6A005.a.6, 6A205.a |

II.A6.004 | Diodegepompte lasers en onderdelen, als hieronder:a. diodegepompte lasers;b. laserdiodestaven;c. laserdioden in grote hoeveelheden.Aantekeningen: 1. Halfgeleider-“lasers” worden gewoonlijk “laser”-dioden genoemd.2. Dit artikel is niet van toepassing op “lasers” bedoeld in 0B001.g.5., 0B001.h.6. en 6A005.b | 6A005.b |

II.A6.005 | Afstembare halfgeleider-“lasers” en afstembare halfgeleider-“lasers” in series («arrays»), met een golflengte van niet meer dan 16 µm, alsmede stacks van arrays van halfgeleider-“lasers” die ten minste één array van afstembare halfgeleider-“lasers” met een dergelijke golflengte bevatten.Aantekeningen: 1. Halfgeleider-“lasers” worden gewoonlijk “laser”-dioden genoemd.2. Dit artikel is niet van toepassing op halfgeleider-“lasers” bedoeld in 0B001.g.5, 0B001.h.6 en 6A005.b. | 6A005.b |

II.A6.006 | “Afstembare” vastestof-“lasers”, onderdelen en optische apparatuur, als hieronder:a. titaan-saffier-lasers;b. alexandriet-lasers.Aantekening: Dit artikel is niet van toepassing op titaan-saffier- en alexandriet-lasers bedoeld in 0B001.g.5., 0B001.h.6. en 6A005.b | 6A005.c.1 |

II.A6.007 | “Niet-afstembare” vastestof-“lasers”, als hieronder:neodymium-gedoopte (anders dan glas) “lasers” met een golflengte aan de uitgang langer dan 1 000 nm doch niet langer dan 1 100 nm, en een uitgangsenergie van meer dan 10 J per impuls.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op neodymium-gedoopte (anders dan glas) “lasers” bedoeld in 6A005.c.2.b | 6A005.c.2 |

II.A6.008 | Onderdelen van akoestisch-optische apparatuur, als hieronder:a. beeld(«framing»)-buizen en halfgeleiderelementen voor beeldvorming, met een herhalingsfrequentie van 1 kHz of meer;b. materiaal voor deze herhalingsfrequentie;c. pockel-cellen | 6A203.b.4.c |

II.A6.009 | Stralingbestendige camera’s of lenzen daarvoor, speciaal ontworpen of gekwalificeerd als bestand zijnde tegen een stralingsniveau hoger dan 50 × 10³ Gy (silicium) zonder verslechtering van de werking.Aantekening: dit artikel is niet van toepassing op stralingbestendige televisiecamera’s bedoeld in 6A203.c | 6A203.c |

II.A6.010 | “Lasers”, “laser”-versterkers en oscillatoren als hieronder:Afstembare gepulseerde kleurstof-“laser”-versterkers en oscillatoren met alle volgende kenmerken:1. een golflengte van 300 nm tot 800 nm;2. een gemiddeld uitgangsvermogen groter dan 10 W, doch niet groter dan 30 W;3. een herhalingssnelheid groter dan 1 kHz; en4. een pulsduur korter dan 100 ns.Aantekeningen:1. Dit artikel is niet van toepassing op monomodus oscillatoren.2. Dit artikel is niet van toepassing op afstembare gepulseerde kleurstoflaserversterkers en oscillatoren bedoeld in 6A205.c, 0B001.g.5, 0B001.h.6 en 6A005. | 6A205.c |

II.A6.011 | “Lasers”, “laser”-versterkers en oscillatoren als hieronder:Gepulseerde koolstofdioxide-“lasers” met alle volgende kenmerken:1. een golflengte van 9 000 nm tot 11 000 nm;2. een herhalingssnelheid groter dan 250 Hz;3. een gemiddeld uitgangsvermogen groter dan 100 W, doch niet groter dan 500 W; en4. een pulsduur korter dan 200 ns.Aantekening: Dit artikel is niet van toepassing op afstembare gepulseerde kleurstoflaserversterkers en oscillatoren bedoeld in 6A205.d, 0B001.g.5, 0B001.h.6 en 6A005. | 6A205.d |

II.A6.012 | Yttrium-aluminium-granaat (YAG)-staven | 6C005 |

A.7 Navigatie en vliegtuigelektronica

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.A7.001 | Instrumentatie, navigatieapparatuur en systemen, als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:a. traagheidsnavigatiesystemen die gecertificeerd zijn voor gebruik in “civiele vliegtuigen” door de civiele autoriteiten van een “deelnemende staat”;b. met traagheidsnavigatie werkende theodolietsystemen die speciaal ontworpen zijn voor civiele opmetingen;c. apparatuur voor traagheidsnavigatie of andere apparatuur die versnellingsmeters als bedoeld in 7A001 bevat indien die versnellingsmeters speciaal ontworpen en ontwikkeld zijn voor gebruik in boorputten als sensoren voor gebruik tijdens het boren («Measurement While Drilling»-sensoren). | 7A003, 7A103 |

II.B. Technologie

Nr. | Omschrijving | Verwant item in Verordening (EG) nr. 1334/2000 |

II.B.001 | Technologie die noodzakelijk is voor de ontwikkeling, de productie of het gebruik van goederen vallende onder Deel A (Goederen). | |

BIJLAGE III

Lijst van bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 3, lid 3, artikel 5, lid 3, en de artikelen 6, 8, 9, 10 en 13, en adres voor kennisgeving aan de Commissie

(in te vullen door de lidstaten)

BELGIË

BULGARIJE

TSJECHIË

DENEMARKEN

DUITSLAND

ESTLAND

GRIEKENLAND

SPANJE

FRANKRIJK

IERLAND

ITALIË

CYPRUS

LETLAND

LITOUWEN

LUXEMBURG

HONGARIJE

MALTA

NEDERLAND

OOSTENRIJK

POLEN

PORTUGAL

ROEMENIË

SLOVENIË

SLOWAKIJE

FINLAND

ZWEDEN

VERENIGD KONINKRIJK

Adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie:

Europese Commissie

DG Buitenlandse betrekkingen

Directoraat A. Crisisplatform en beleidscoördinatie in het GBVB

Eenheid A.2. Crisisbeheer en conflictpreventie

CHAR 12/106

B-1049 Brussel (België)

E-mail: relex-sanctions@ec.europa.eu

Tel.: (32 2) 295 55 85, 299 11 76

Fax: (32 2) 299 08 73

BIJLAGE IV

Lijst van personen, entiteiten en lichamen bedoeld in artikel 7, lid 1

A. Rechtspersonen, entiteiten en lichamen

(1) Atomic Energy Organisation of Iran (AEOI). Overige informatie: Betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(2) Defence Industries Organisation (DIO). Overige informatie: a) Overkoepelende, door het ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten gecontroleerde entiteit, waarvan enkele ondergeschikten betrokken zijn geweest bij het vervaardigen van onderdelen voor het centrifugeprogramma, en bij het rakettenprogramma, b) Betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(3) Fajr Industrial Group. Overige informatie: a) Voorheen Instrumentation Factory Plant, b) Ondergeschikte entiteit van Aerospace Industries Organization (AIO), c) Betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

(4) Farayand Technique. Overige informatie: a) Betrokken bij het nucleaire programma van Iran (centrifugeprogramma), b) Genoemd in IAEA-rapporten.

(5) Kala-Electric (ook bekend als Kalaye Electric). Overige informatie: a) Leverancier van de PFEP — Natanz, b) Betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(6) Mesbah Energy Company. Overige informatie: a) Leverancier van de A40-onderzoeksreactor — Arak, b) Betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(7) Pars Trash Company. Overige informatie: a) Betrokken bij het nucleaire programma van Iran (centrifugeprogramma), b) Genoemd in IAEA-rapporten.

(8) 7th of Tir. Overige informatie: a) Ondergeschikte entiteit van DIO, waarvan algemeen wordt aangenomen dat het rechtstreeks betrokken is bij het nucleaire programma van Iran, b) Betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(9) Shahid Bagheri Industrial Group (SBIG). Overige informatie: a) Ondergeschikte entiteit van AIO, b) Betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

(10) Shahid Hemmat Industrial Group (SHIG). Overige informatie: a) Ondergeschikte entiteit van AIO, b) Betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

B. Natuurlijke personen

(1) Dawood Agha-Jani. Functie: Hoofd van de PFEP (Natanz). Overige informatie: Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(2) Behman Asgarpour. Functie: Operationeel Manager (Arak). Overige informatie: Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(3) Bahmanyar Morteza Bahmanyar. Functie: Hoofd van de Afdeling Financiën & Begroting, AIO. Overige informatie: Persoon betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

(4) Ahmad Vahid Dastjerdi. Functie: Hoofd van de AIO. Overige informatie: Persoon betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

(5) Reza-Gholi Esmaeli. Functie: Hoofd van de Afdeling Handel & Internationale Aangelegenheden, AIO. Overige informatie: Persoon betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

(6) Ali Hajinia Leilabadi. Functie: Algemeen directeur van de Mesbah Energy Company. Overige informatie: Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(7) Jafar Mohammadi. Functie: Technisch adviseur van de AEOI (belast met het beheer van de productie van kleppen voor centrifuges). Overige informatie: Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(8) Ehsan Monajemi. Functie: Manager Bouwprojecten, Natanz. Overige informatie: Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(9) Mohammad Mehdi Nejad Nouri. Rang: Luitenant-generaal. Functie: Rector van Malek Ashtar University of Defence Technology. Overige informatie: De afdeling Scheikunde van de Ashtar University of Defence Technology is verbonden met het ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten en heeft experimenten met beryllium verricht). Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(10) Mohammad Qannadi. Functie: AEOI: Vice-voorzitter Onderzoek & Ontwikkeling. Overige informatie: Persoon betrokken bij het nucleaire programma van Iran.

(11) Yahya Rahim Safavi. Rang: Majoor-generaal. Functie: Commandant, Islamic Revolutionary Guard Corps (IRGC, Pasdaran). Overige informatie: Persoon betrokken bij zowel het nucleaire programma als het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

(12) Hosein Salimi. Rang: Generaal. Functie: Commandant van de luchtmacht, Islamic Revolutionary Guard Corps (IRGC, Pasdaran). Overige informatie: Persoon betrokken bij het ballistische-rakettenprogramma van Iran.

BIJLAGE V

Lijst van personen, entiteiten en lichamen bedoeld in artikel 7, lid 2

A. Rechtspersonen, entiteiten en lichamen

-

B. Natuurlijke personen

-

[1] PB L 61 van 28.2.2007, blz. 49.

[2] PB L 159 van 30.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 394/2006 (PB L 74 van 13.3.2006, blz. 1).

[3] Zie de VN-documenten S/2006/814 en S/2006/815.

[4] De huidige versie van de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen is gepubliceerd in PB C 66 van 17.3.2006, blz. 1.

[5] PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

--------------------------------------------------