52007PC0036




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 14.2.2007

COM(2007) 36 definitief

2007/0028 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van Beschikking 3052/95/EG

(door de Commissie ingediend){SEC(2007) 112}{SEC(2007) 113}

TOELICHTING

1. Achtergrond van het voorstel

2. Motivering en doel van het voorstel

De interne markt voor goederen is een fundamenteel element van de Europese integratie. Een geïntegreerde markt zonder grenzen is de beste manier om het concurrentievermogen van de Europese economie te vergroten. Daarom is in de herzien Strategie voor werkgelegenheid en groei een beter functionerende interne markt voor de EU van essentieel belang om te kunnen concurreren en slagen in een gemondialiseerde economie, waarin onze belangrijkste handelspartners over één grote markt beschikken.

De artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag hebben onder meer tot gevolg dat de lidstaat van bestemming de verkoop van in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte goederen die niet op Gemeenschapsniveau zijn geharmoniseerd, op zijn grondgebied niet kan verbieden, tenzij de door de lidstaat van bestemming vastgestelde technische beperkingen gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 30 van het EG-Verdrag of van in de jurisprudentie van het Hof van Justitie erkende dwingende redenen van algemeen belang, en zij evenredig zijn. Dit is het zogenoemde beginsel van wederzijdse erkenning, dat voortvloeit uit een analyse van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie het beroemde Cassis de Dijon-arrest, zaak 120/78, van 20 februari 1979 en de mededeling van de Commissie over de gevolgen van dit arrest (PB C 256 van 3.10.1980)).

Diverse problemen staan in de weg aan de tenuitvoerlegging van dit beginsel van wederzijdse erkenning in het kader van de artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag:

3. het feit dat het bedrijfsleven en de nationale autoriteiten niet goed op de hoogte zijn van het bestaan van het beginsel;

4. de rechtsonzekerheid over de reikwijdte van het beginsel en de bewijslast. Om te beginnen is het vaak niet duidelijk voor welke categorieën producten de wederzijdse erkenning geldt;

5. het risico voor ondernemingen dat hun producten in de lidstaat van bestemming niet in de handel mogen worden gebracht;

6. het ontbreken van een regelmatige dialoog tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

In haar Mededeling aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de internemarktstrategie voor 2003-2006 [COM(2003) 238] gaf de Commissie een beeld van enkele problemen bij de tenuitvoerlegging van het beginsel van wederzijdse erkenning voor niet-geharmoniseerde producten. Zij wees erop dat zou worden gekeken naar de mogelijkheid van nieuwe wetgeving, teneinde het vrije verkeer van goederen in de Europese Gemeenschap te waarborgen.

Dit voorstel maakt deel uit van de internemarktstrategie voor 2003-2006. Het is de bedoeling de rechten en verplichtingen vast te stellen van, enerzijds, de nationale autoriteiten en, anderzijds, ondernemingen die producten die in de ene lidstaat legaal in de handel zijn gebracht, in een andere lidstaat willen verkopen, terwijl de bevoegde instanties voornemens zijn om op grond van nationale technische voorschriften beperkende maatregelen ten aanzien van die producten te nemen. Het voorstel draait met name om de bewijslast: het stelt de procedurele eisen voor het weigeren van wederzijdse erkenning vast. Bovendien wordt met het voorstel beoogd het risico voor ondernemingen dat hun producten in de lidstaat van bestemming niet in de handel mogen worden gebracht, te verkleinen en regelmatig overleg tussen de bevoegde instanties te bevorderen door in elke lidstaat een of meer productcontactpunten in te richten. Hun hoofdtaak zal erin bestaan informatie over technische voorschriften voor producten aan ondernemingen en de bevoegde instanties in andere lidstaten te verstrekken en de adresgegevens van die instanties te geven. Aldus kunnen overheidsinstanties hun collega's in andere lidstaten identificeren, zodat zij gemakkelijk inlichtingen kunnen verzamelen bij en overleggen met de bevoegde instanties in andere lidstaten.

- Algemene context

Allerlei bronnen (klachten en inbreukprocedures in het kader van artikel 226 van het EG-Verdrag, kennisgevingen uit hoofde van Richtlijn 98/34/EG, enquêtes, casestudy's, literatuuronderzoek en raadpleging van belanghebbenden) duiden erop dat de tenuitvoerlegging van het beginsel van wederzijdse erkenning nog steeds op tal van problemen stuit, met name wanneer het gaat om technisch ingewikkelde producten of producten die problemen kunnen opleveren voor de veiligheid of de gezondheid. De Commissie heeft al interpretatieve mededelingen gepubliceerd waarin wordt uiteengezet hoe de wederzijdse erkenning in de praktijk zou moeten werken. Ook heeft zij conferenties, seminars en rondetafels georganiseerd om de kennis bij het bedrijfsleven en de nationale autoriteiten te vergroten. Het is echter erg moeilijk om in deze bijeenkomsten bedrijven te bereiken, vooral wanneer ze voor verschillende bedrijfssectoren worden georganiseerd.

Hoewel dankzij het huidige beleid een enorme hoeveelheid technische belemmeringen uit de weg kon worden geruimd zonder dat er op EG-niveau harmonisatiemaatregelen moesten worden genomen, wezen de belanghebbenden erop dat het huidige beleid op zijn grenzen is gestuit of is gestagneerd. Bovendien staat de werking van het beginsel van wederzijdse erkenning al lang op de politieke agenda. De Raad Interne markt van maart 1998 wees erop dat de politiek de aandacht moest vestigen op een doeltreffende toepassing van de wederzijdse erkenning. Verder wees hij op de directe verantwoordelijkheid van de lidstaten ter zake. De Raad steunde de Commissie door op 28 oktober 1999 een resolutie over wederzijdse erkenning goed te keuren.

Volgens het verslag-Kok wordt het vrije goederenverkeer binnen de EU nog steeds gehinderd door diverse plaatselijke voorschriften, die vaak willekeurig en in duidelijke tegenspraak met het beginsel van wederzijdse erkenning worden toegepast. Volgens het verslag mogen dergelijke belemmeringen niet langer worden toegestaan en moet de Commissie het verwijderen van deze hinderpalen tot een topprioriteit van haar beleid maken.

De resultaten van de openbare raadpleging over de toekomst van de interne markt, die de Commissie in april 2006 begon [SEC(2006) 1215 van 20.9.2006], bevestigen dat de nationale technische voorschriften nog steeds een belangrijke belemmering voor de vrije handel in de EU vormen. De respondenten voeren aan dat nationale technische voorschriften een belangrijk obstakel voor het vrije goederenverkeer in de EU blijven vormen en dat dit extra administratieve controles en tests tot gevolg heeft.

- Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Er bestaan nog geen bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied.

- Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU

Niet van toepassing.

7. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling

8. Raadpleging van belanghebbende partijen

Wijze van raadpleging, voornaamste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

Met de raadpleging van de belanghebbenden via haar website Uw stem in Europa beoogde de Commissie de mening van de lidstaten, het bedrijfsleven en de consumentenorganisaties te peilen over de mogelijkheden om de werking van de wederzijdse erkenning voor producten te verbeteren. Er kwamen 135 antwoorden binnen, naar het schijnt het normale aantal voor een raadpleging over een technische aangelegenheid.

Bij de respondenten ging het bij 22,7% om representatieve organisaties, bij 19,7% om ondernemingen, bij 13,6% om overheidsinstanties en bij 31,1% om consumenten.

Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden

Volgens de antwoorden die de Commissie bij de raadpleging via Uw stem in Europa ontving, moet de Commissie onder andere meer doen ter verbetering van de werking van de wederzijdse erkenning op gebieden die niet zijn geharmoniseerd. Ongeveer 60% van de respondenten denkt dat hiervoor wetgeving nodig is, terwijl dit volgens ongeveer 33% niet nodig is.

De antwoorden werden gebruikt bij de selectie van de beleidsopties in de effectbeoordeling.

Van 17 februari 2004 tot 30 april 2004 heeft via internet een openbare raadpleging plaatsgevonden. De Commissie heeft 135 reacties ontvangen. De uitkomsten zijn beschikbaar op http://europa.eu.int/yourvoice/consultations.

- Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.

- Effectbeoordeling

- Optie 1: status quo, d.w.z. het huidige beleid voortzetten.

- Optie 2: een andere aanpak dan regelgeving, d.w.z. een aanvulling van het huidige beleid met nieuwe maatregelen: invoering van een speciale website met een lijst van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt; een algemeen onderzoek door de Commissie en de lidstaten naar alle nationale technische voorschriften over een bepaalde categorie producten en de nationale autoriteiten die voor die voorschriften verantwoordelijk zijn; het systematisch opnemen van de eindtekst van alle ingevolge Richtlijn 98/34/EG gemelde technische voorschriften in de TRIS-gegevensbank; organisatie van conferenties en seminars in de lidstaten ten behoeve van de ondernemingen en de bevoegde instanties; specifieke publicaties waarin de wederzijdse erkenning voor specifieke categorieën producten wordt uitgelegd; uitvoeriger clausules inzake wederzijdse erkenning; administratieve samenwerking in de bestaande, bij secundaire EG-wetgeving opgerichte comités.

- Optie 3: regelgeving, d.w.z. vaststelling van een verordening waarbij de wederzijdse erkenning voor niet-geharmoniseerde producten wordt georganiseerd en productcontactpunten worden ingericht. De verordening heeft dan betrekking op een lijst van producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt. In de richtlijn worden de rechten en verplichtingen vastgesteld van de nationale autoriteiten en van ondernemingen die producten die in de ene lidstaat legaal in de handel zijn gebracht, in een andere lidstaat willen verkopen, terwijl de bevoegde instanties voornemens zijn om op grond van nationale technische voorschriften beperkende maatregelen ten aanzien van die producten te nemen. In elk van de lidstaten krijgen een of meer productcontactpunten de taak informatie over technische voorschriften voor producten aan ondernemingen en de bevoegde instanties in andere lidstaten te verstrekken en de adresgegevens van die instanties te geven.

- Optie 4: een verordening plus maatregelen van niet-wetgevende aard. Deze optie is gebaseerd op de onder optie 3 beschreven verordening, maar met één groot verschil: de lijst van producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt, wordt niet in de verordening opgenomen, maar er wordt een website opgezet met de lijst van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt, zoals onder optie 2.

De Commissie heeft conform haar werkprogramma een effectbeoordeling uitgevoerd, waarvan het verslag kan worden geraadpleegd op:http://ec.europa.eu/enterprise/regulation/goods/mutrec_en.htm.

9. Juridische elementen van het voorstel

10. Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en)

In het voorstel komen twee aspecten van het vrije verkeer van niet-geharmoniseerde goederen aan de orde: de procedure die de nationale autoriteiten moeten volgen wanneer zij voornemens zijn een nationaal technisch voorschrift vast te stellen (d.w.z. wanneer om wat voor reden dan ook geen wederzijdse erkenning wordt toegepast), en de oprichting van een of meer productcontactpunten per lidstaat, die als hoofdtaak hebben informatie te verstrekken over de toepasselijke technische voorschriften en belanghebbenden te verwijzen naar de bevoegde instanties of organisaties.

Wanneer dit voorstel wordt goedgekeurd, moet Beschikking nr. 3052/95/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een procedure voor uitwisseling van informatie over nationale maatregelen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap (PB L 321 van 30.12.1995, blz. 1) worden ingetrokken.

- Rechtsgrondslag

Artikelen 37 en 95 van het EG-Verdrag.

- Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voor zover het voorstel niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt.

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende redenen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt.

Het wegnemen van technische belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten kan niet voldoende door de lidstaten worden bereikt, maar kan wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Het is noodzakelijk procedures vast te stellen om de kans dat nationale technische voorschriften onrechtmatige belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten vormen, te minimaliseren. Het ontbreken van dergelijke procedures in de lidstaten veroorzaakt extra belemmeringen voor het vrije goederenverkeer omdat het ondernemingen ontmoedigt hun in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte producten te verkopen op het grondgebied van een lidstaat die technische voorschriften vaststelt. Uit enquêtes is gebleken dat veel ondernemingen, en met name kleine en middelgrote, hun producten aanpassen aan de technische voorschriften van de lidstaat van bestemming of ervan afzien ze daar in de handel te brengen. Ook ontbreekt het de nationale autoriteiten aan passende procedures om hun technische voorschriften toe te passen op specifieke producten die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht. Door het ontbreken van dergelijke procedures zijn zij niet goed in staat de conformiteit van producten overeenkomstig het Verdrag te beoordelen.

Slechts weinig lidstaten hebben procedures om de kans dat nationale technische voorschriften onrechtmatige belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten vormen, te minimaliseren. Omdat het bij deze belemmeringen vooral gaat om producten die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht, hebben lidstaten er niet noodzakelijkerwijs belang bij dergelijke procedures vast te stellen.

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende redenen beter door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

Uit het commentaar van belanghebbenden en het overzicht van de situatie in de lidstaten blijkt dat de doelstelling de technische belemmeringen voor het vrije goederenverkeer op te heffen, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten en dat alleen een maatregel op Gemeenschapsniveau tot verbetering van het vrije goederenverkeer kan leiden. Bij dit voorstel wordt het subsidiariteitsbeginsel optimaal in acht genomen omdat - bij een correcte toepassing - het vrije goederenverkeer zonder verdere harmonisatie van nationale technische voorschriften kan worden bereikt.

Er is in de lidstaten rechtsonzekerheid over de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; dit leidt tot een onvoorspelbare toepassing van dit beginsel en tot het opleggen van nationale technische voorschriften. Hierdoor ontstaan kosten voor het bedrijfsleven en voor de maatschappij, terwijl de intra-EU-handel mogelijk wordt beperkt omdat ondernemingen niet actief worden op de markt van een andere lidstaat. Een algemeen kader voor de toepassing van nationale technische voorschriften, waarbij de betrokken marktdeelnemers vooraf kunnen zien dat er een nationaal technische voorschrift op hun product zal worden toegepast en op de hoogte zijn van de redenen daarvoor, is een kwalitatieve indicator dat de doelstellingen beter door de EU kunnen worden bereikt.

Het voorstel legt voor de gehele EU de rechten en verplichtingen vast van, enerzijds, de nationale autoriteiten, en, anderzijds, ondernemingen die hun producten die in de ene lidstaat al legaal in de handel worden gebracht, in een andere lidstaat willen verkopen. Het voorstel draait met name om de bewijslast: het stelt de procedurele eisen voor het weigeren van wederzijdse erkenning vast. De effectbeoordeling laat zien dat de werking van het vrije goederenverkeer op het door het voorstel bestreken gebied een leemte vertoont die niet zonder Gemeenschapswetgeving kan worden gedicht.

Het voorstel is dus in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

- Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Het voorstel heeft alleen betrekking op gevallen waarin technische belemmeringen kunnen voorkomen, en niet op gebieden waar het vrije verkeer goed functioneert en nationale technische voorschriften geen belemmeringen opwerpen.

Het voorstel is beperkt tot de belangrijkste bepalingen om zijn doel te bereiken.

Omdat het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten het algemene beginsel is en uitzonderingen daarop eng moeten worden geïnterpreteerd, werd de financiële en administratieve belasting geminimaliseerd door de reikwijdte van het voorstel te beperken tot gevallen waarin technische belemmeringen voorkomen of mogelijk zijn. Het voorstel is niet van toepassing wanneer het vrije verkeer goed functioneert en er geen sprake is van belemmeringen als gevolg van nationale technische voorschriften.

- Keuze van instrumenten

Voorgestelde instrumenten: verordening.

Andere instrumenten zouden om de volgende redenen ongeschikt zijn.

Voor de beoogde maatregelen is gekozen voor een verordening omdat andere middelen niet geschikt zouden zijn. Een verordening lijkt het meest geschikte instrument om het doel te bereiken. De aan de procedure gestelde eisen, zoals die in dit voorstel zijn neergelegd, zijn zo precies dat zij onmiddellijk in het interne recht ten uitvoer kunnen worden gelegd.

11. Gevolgen voor de begroting

Hoewel het voorstel op zich geen gevolgen voor de begroting heeft, moet voor de uitvoering van de verordening een lijst worden opgesteld van producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt, en moet er voorts een website worden gemaakt met een lijst van de producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt. De opstelling van de lijst en de invoering van de website hebben wel gevolgen voor de begroting; deze worden in het financieel memorandum uiteengezet.

12. Aanvullende informatie

13. Intrekking van bestaande wetgeving

De vaststelling van het voorstel heeft de intrekking van bestaande wetgeving tot gevolg.

- Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling

Het voorstel bevat een evaluatiebepaling.

- Europese Economische Ruimte

De voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte.

- Nadere uitleg van het voorstel

De artikelen 2 en 3 bepalen het toepassingsgebied van het voorstel; dit omvat hoofdzakelijk de restrictieve besluiten die worden genomen ten aanzien van in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte industrie-, landbouw- en visserijproducten op basis van een technisch voorschrift dat niet op Gemeenschapsniveau geharmoniseerd is, wanneer dat besluit direct of indirect tot gevolg heeft dat het product in zijn huidige vorm niet in de handel mag worden gebracht.

De artikelen 4, 5 en 6 vormen het kernstuk van het voorstel; zij beschrijven de minimumeisen waaraan de nationale autoriteiten moeten voldoen voordat zij in een specifiek geval een nationaal technisch voorschrift ten uitvoer kunnen leggen (d.w.z. wanneer er om wat voor reden dan ook geen sprake kan zijn van wederzijdse erkenning). De bewijslast wordt gelegd op de nationale autoriteiten die een technisch voorschrift willen toepassen dat de toegang van het product tot de nationale markt beperkt.

In de artikelen 7 en 8 worden de taken van de productcontactpunten vastgesteld. Hun belangrijkste taak behelst het verstrekken van informatie over technische voorschriften aan ondernemingen en aan de bevoegde instanties van andere lidstaten.

Artikel 9 biedt de mogelijkheid om overeenkomstig Besluit 2004/387/EG betreffende de interoperabele levering van pan-Europese e-overheidsdiensten aan overheidsdiensten, ondernemingen en burgers (IDABC) een telematicanetwerk op te richten.

Artikel 10 gaat over verslaglegging.

2007/0028 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van Beschikking 3052/95/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 37 en 95,

Gezien het voorstel van de Commissie[1],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[2],

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s[3],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[4],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen, waarbinnen het vrije goederenverkeer wordt gewaarborgd door het Verdrag, dat maatregelen met dezelfde werking als kwantitatieve invoerbeperkingen verbiedt. Dit verbod betreft elke nationale maatregel die de intracommunautaire handel in goederen direct of indirect, feitelijk of potentieel kan belemmeren.

(2) Wanneer de wetgeving niet geharmoniseerd is, kunnen de nationale autoriteiten onrechtmatig belemmeringen voor het vrije goederenverkeer tussen lidstaten opwerpen door op goederen die afkomstig zijn uit andere lidstaten waar zij legaal in de handel zijn gebracht, technische voorschriften toe te passen waarbij aan die producten eisen worden gesteld, zoals met betrekking tot aanduiding, vorm, omvang, gewicht, samenstelling, aanbiedingsvorm, etikettering of verpakking. De toepassing van dergelijke technische voorschriften op in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte goederen kan in strijd zijn met de artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag, ook al zijn die nationale voorschriften zonder onderscheid van toepassing op alle goederen.

(3) Het is noodzakelijk procedures vast te stellen om de kans dat dergelijke nationale technische voorschriften onrechtmatige belemmeringen voor het vrije goederenverkeer tussen lidstaten vormen, te minimaliseren. Het ontbreken van dergelijke procedures in de lidstaten veroorzaakt extra belemmeringen voor het vrije goederenverkeer omdat het ondernemingen ontmoedigt hun in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte goederen te verkopen op het grondgebied van een lidstaat die technische voorschriften vaststelt. Uit enquêtes is gebleken dat veel ondernemingen, en met name kleine en middelgrote, hun producten aan de technische voorschriften van de lidstaat van bestemming aanpassen of ervan afzien ze daar in de handel te brengen.

(4) Ook ontbreekt het de nationale autoriteiten aan passende procedures om hun technische voorschriften toe te passen op specifieke producten die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht. Door het ontbreken van dergelijke procedures zijn zij niet goed in staat de conformiteit van producten overeenkomstig het Verdrag te beoordelen.

(5) De Resolutie van de Raad van 28 oktober 1999 betreffende wederzijdse erkenning[5] constateerde dat de marktdeelnemers en de burgers niet altijd ten volle en op de juiste wijze gebruikmaken van het beginsel van wederzijdse erkenning, omdat zij zich niet voldoende bewust zijn van dit beginsel en de praktische consequenties ervan. Zij riep de lidstaten op passende maatregelen uit te werken om de marktdeelnemers en de burgers een doeltreffend kader voor wederzijdse erkenning te bieden, onder meer door verzoeken van de marktdeelnemers en de burgers doeltreffend te behandelen en snel op die verzoeken te antwoorden.

(6) De Europese Raad van 15 en 16 juni 2006 legde de nadruk op het belang van een eenvoudige, transparante en gemakkelijk toe te passen regelgeving en op versterking van het vertrouwen van de consumenten en ondernemingen in de interne markt.

(7) Voor een soepele werking van de interne goederenmarkt zijn passende, transparante middelen nodig voor de oplossing van problemen die voortvloeien uit de toepassing van nationale technische voorschriften op specifieke producten die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht.

(8) In het licht van het evenredigheids- en het subsidiariteitsbeginsel is het niet passend alle nationale technische voorschriften voor alle of de meeste productcategorieën te harmoniseren.

(9) Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid[6] bepaalt dat uitsluitend veilige producten in de handel mogen worden gebracht. De richtlijn geeft de autoriteiten de bevoegdheid gevaarlijke producten met onmiddellijke ingang te verbieden of om een product dat gevaarlijk kan zijn tijdelijk, voor zolang dit voor de verschillende controles, onderzoeken of veiligheidsbeoordelingen noodzakelijk is, te verbieden. Het is daarom noodzakelijk maatregelen die de lidstaten uit hoofde van de nationale wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 2001/95/EG nemen, van het toepassingsgebied van deze verordening uit te sluiten.

(10) Bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden[7] is onder meer een systeem voor snelle waarschuwingen ingesteld, voor kennisgevingen van het bestaan van een direct of indirect risico voor de gezondheid van de mens, verband houdend met een levensmiddel of diervoeder. De verordening verplicht de lidstaten ertoe om de Commissie door middel van het systeem voor snelle waarschuwingen onverwijld in kennis te stellen van elke door hen vastgestelde maatregel die, met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens, het in de handel brengen van een product beperkt of het uit de handel nemen of het terugroepen van levensmiddelen of diervoeders voorschrijft en waarvoor snelle actie vereist is. Maatregelen die de nationale autoriteiten ingevolge artikel 50, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 178/2002 hebben genomen, moeten derhalve van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(11) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn[8] bevat algemene voorschriften voor de uitvoering van officiële controles op de naleving van voorschriften die in het bijzonder zijn gericht op het voorkomen, wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen van rechtstreekse of door het milieu veroorzaakte risico's voor mens en dier, op het zorgen voor eerlijke praktijken in de handel in levensmiddelen en diervoeders en op het beschermen van de belangen van de consument, onder meer door de etikettering van diervoeders en levensmiddelen en andere vormen van consumentenvoorlichting. De verordening bevat een specifieke procedure om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemer in geval van niet-naleving de situatie rechtzet. Het is derhalve noodzakelijk maatregelen van de nationale autoriteiten uit hoofde van artikel 54 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het toepassingsgebied van deze verordening uit te sluiten.

(12) Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn)[9] omvat een vergunningsprocedure voor de indienststelling van reeds in gebruik zijnd rollend materieel, maar laat daarbij ruimte voor de toepassing van bepaalde nationale voorschriften. Ingevolge artikel 14 van die richtlijn door de nationale autoriteiten genomen maatregelen moeten daarom van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(13) Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem[10] en Richtlijn 2001/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem[11] bevatten bepalingen betreffende de geleidelijke harmonisatie van de systemen en de exploitatie door de stapsgewijze vaststelling van technische specificaties inzake interoperabiliteit. De systemen en de uitrusting die binnen het toepassingsgebied van die richtlijnen vallen, moeten daarom van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(14) De nationale autoriteiten moeten in elk geval aantonen dat de toepassing van nationale technische voorschriften op specifieke, in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte producten tot de toegestane uitzonderingen behoren.

(15) Elk nationaal besluit waarop deze verordening van toepassing is, moet de beschikbare beroepsmogelijkheden specificeren, zodat de marktdeelnemers een zaak bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie aanhangig kunnen maken.

(16) Beslissingen van nationale rechterlijke instanties, waarbij de rechtmatigheid wordt beoordeeld van zaken waarbij in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte producten wegens de toepassing van een technisch voorschrift geen toegang tot de nationale markt krijgen, moeten van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(17) Voor de interne goederenmarkt is het van belang de toegankelijkheid van de nationale technische voorschriften te waarborgen, zodat ondernemingen, en met name kleine en middelgrote, betrouwbare en nauwkeurige informatie kunnen verzamelen over de wetgeving die in de lidstaat van bestemming van kracht is.

(18) Het is daarom noodzakelijk beginselen van administratieve vereenvoudiging ten uitvoer te leggen, onder meer door de invoering van een systeem van productcontactpunten. Dit moet zodanig worden opgezet dat ondernemingen op transparante en correcte wijze toegang tot informatie kunnen krijgen, zodat vertragingen, kosten en het ontmoedigende effect waartoe nationale technische voorschriften leiden, kunnen worden vermeden.

(19) Om het vrije goederenverkeer te vergemakkelijken, moeten de productcontactpunten uitstekende informatie over nationale technische voorschriften en de uitvoering daarvan kunnen geven. Omdat de oprichting van productcontactpunten niet in de weg mag staan aan de toewijzing van functies aan de bevoegde instanties binnen elk nationaal regelgevingssysteem, moet het aantal productcontactpunten per lidstaat kunnen variëren naargelang de regionale of plaatselijke bevoegdheden.

(20) De lidstaten moeten de rol van productcontactpunt niet alleen kunnen toevertrouwen aan bestaande overheidsdiensten, maar ook aan kamers van koophandel, beroepsorganisaties of particuliere organisaties, teneinde de administratieve kosten voor de ondernemingen en de bevoegde instanties niet te laten toenemen.

(21) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de productcontactpunten de beschikking kunnen krijgen over gedetailleerde informatie over elk besluit waarop deze verordening van toepassing is, en deze op verzoek kunnen leveren, tenzij openbaarmaking van dergelijke informatie ten koste gaat van de bescherming van de commerciële belangen, met inbegrip van de intellectuele eigendom, van een marktdeelnemer.

(22) De lidstaten en de Commissie moeten nauw samenwerken bij de opleiding van het personeel van de productcontactpunten en bij het stimuleren van de productcontactpunten om informatie over de toepassing van de nationale technische voorschriften in andere talen van de Gemeenschap beschikbaar te stellen.

(23) Met het oog op de ontwikkeling en totstandbrenging van een pan-Europese e-overheidsdienst en de hieraan ten gronde liggende interoperabele telematicanetwerken moet, in overeenstemming met Besluit 2004/387/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de interoperabele levering van pan-Europese e-overheidsdiensten aan overheidsdiensten, ondernemingen en burgers (IDABC)[12], de invoering van een elektronisch systeem voor de uitwisseling van informatie tussen productcontactpunten worden overwogen.

(24) Er moeten betrouwbare en efficiënte controle- en evaluatiemechanismen worden vastgesteld, zodat informatie over de uitvoering van deze verordening beschikbaar komt.

(25) Het bij Beschikking nr. 3052/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1995 tot vaststelling van een procedure voor uitwisseling van informatie over nationale maatregelen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap[13] ingevoerde controleprogramma is grotendeels ontoereikend gebleken, want het heeft de Commissie niet voldoende informatie opgeleverd om te bepalen in welke sectoren harmonisatie dienstig zou zijn. Ook heeft het geen snelle oplossing voor bepaalde problemen in verband met het vrije verkeer gebracht. Beschikking 3052/95/EG moet derhalve worden ingetrokken.

(26) Daar het doel van het overwogen optreden, namelijk het opheffen van technische belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(27) De maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze verordening, moeten worden genomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[14],

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Artikel 1

Deze verordening bevat de regels en procedures die de nationale autoriteiten moeten volgen wanneer zij een besluit, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, met betrekking tot het vrije verkeer van een in een andere lidstaat legaal in de handel gebracht product nemen of voornemens zijn te nemen.

Ook voorziet zij in de oprichting, in elke lidstaat, van productcontactpunten voor het verstrekken van informatie over onder meer de toepasselijke nationale technische voorschriften.

Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op besluiten die ten aanzien van in een andere lidstaat legaal in de handel gebrachte industrie-, landbouw- en visserijproducten op basis van een technisch voorschrift worden genomen, wanneer het besluit direct of indirect tot gevolg heeft dat:

a) dat product of producttype wordt verboden;

b) het in de handel brengen van dat product of producttype niet wordt toegestaan;

c) dat product of producttype moet worden gewijzigd voordat het in de handel mag worden gebracht of in de handel mag blijven;

d) dat product of producttype uit de handel moet worden genomen.

Voor de doeleinden van de eerste alinea, punt c), gaat het bij de aldaar bedoelde wijziging van het product of het producttype om elke wijziging van een of meer van de kenmerken van een specifiek product of producttype, zoals opgenomen in een technische specificatie in de zin van artikel 1, lid 3, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad[15].

2. Voor de doeleinden van deze verordening betekent een technisch voorschrift een wet, reglement of administratieve bepaling van een lidstaat, die niet op Gemeenschapsniveau is geharmoniseerd, waarvan naleving verplicht is voor het in de handel brengen of het gebruik van een product of producttype op het grondgebied van een lidstaat en waarin een van de volgende elementen is vastgesteld:

a) de voor dat product of producttype vereiste kenmerken, zoals het kwaliteits-, prestatie- of veiligheidniveau of de afmetingen, alsmede eisen ten aanzien van het product of het producttype met betrekking tot de naam waaronder het wordt verkocht, de bewoordingen, symbolen, tests en testmethoden, verpakking, markering, etikettering en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

b) elk ander vereiste dat aan het product of het producttype wordt gesteld ter bescherming van de consument of het milieu en dat van invloed is op de levenscyclus van het product nadat dit in de handel is gebracht, zoals de gebruiksvoorwaarden, recycling, hergebruik of verwijdering, wanneer deze voorwaarden een significante invloed kunnen hebben op de samenstelling of de aard van het product of het producttype of op het in de handel brengen ervan.

Artikel 3

3. Deze verordening is niet van toepassing op gerechtelijke beslissingen van nationale rechterlijke instanties.

4. Deze verordening is niet van toepassing op maatregelen van de nationale autoriteiten van de lidstaten krachtens:

a) artikel 8, onder d), e) en f), van Richtlijn 2001/95/EG;

b) artikel 50, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 178/2002;

c) artikel 54 van Verordening (EG) nr. 882/2004;

d) artikel 14 van Richtlijn 2004/49/EG.

5. Deze verordening is niet van toepassing op systemen en uitrusting die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG vallen.

Hoofdstuk 2

Toepassing van een technisch voorschrift

Artikel 4

6. Wanneer een nationale autoriteit voornemens is een besluit als bedoeld in artikel 2, lid 1, vast te stellen, stelt zij de overeenkomstig artikel 5 geïdentificeerde marktdeelnemer schriftelijk van haar voornemen in kennis, waarbij zij specificeert op welk technisch voorschrift haar besluit zal worden gebaseerd en voldoende technisch of wetenschappelijk bewijs aanvoert ter onderbouwing van het feit dat het voorgenomen besluit gerechtvaardigd is op een van de in artikel 30 van het Verdrag genoemde gronden of gezien een andere dwingende reden van openbaar belang en dat het besluit geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken.

De betrokken marktdeelnemer krijgt na ontvangst van de kennisgeving ten minste twintig werkdagen tijd om commentaar te leveren.

7. Elk besluit als bedoeld in artikel 2, lid 1, wordt aan de betrokken marktdeelnemer bekendgemaakt onder opgave van de redenen waarop het is gebaseerd, met inbegrip van de redenen waarom aan de door de marktdeelnemer aangevoerde argumenten werd voorbijgegaan.

Ook worden de ingevolge de in de betrokken lidstaat toepasselijke bepalingen openstaande rechtsmiddelen en de beroepstermijn gespecificeerd.

8. Wanneer de nationale autoriteiten na de schriftelijke kennisgeving overeenkomstig lid 1 van dit artikel besluiten geen besluit als bedoeld in artikel 2, lid 1, te nemen, stellen zij de betrokken marktdeelnemer daarvan in kennis.

Artikel 5

De in artikel 4, lid 1, bedoelde schriftelijke kennisgeving wordt gestuurd naar de producent in de zin van artikel 2, onder e), van Richtlijn 2001/95/EG, wanneer zijn identiteit en contactgegevens op de verpakking of het etiket van het product of op de begeleidende documenten staan.

De schriftelijke kennisgeving wordt gestuurd naar de distributeur in de zin van artikel 2, onder f), van Richtlijn 2001/95/EG, wanneer zijn identiteit en contactgegevens op de verpakking of het etiket van het product of op de begeleidende documenten staan.

Wanneer de identiteit en de adresgegevens van de producent en de distributeur niet op de verpakking of het etiket van het product of op de begeleidende documenten staan, wordt de schriftelijke kennisgeving gestuurd naar de andere producenten en distributeurs in de zin van de in de eerste en tweede alinea genoemde bepalingen.

Artikel 6

Elk besluit als bedoeld in artikel 2, lid 1, kan voor de nationale rechter worden betwist.

Hoofdstuk 3

Productcontactpunten

Artikel 7

9. Elke lidstaat wijst op zijn grondgebied een of meer productcontactpunten aan en deelt hun contactgegevens mee aan de andere lidstaten en aan de Commissie.

10. De Commissie publiceert de lijst van productcontactpunten en werkt deze regelmatig bij.

Artikel 8

11. De productcontactpunten verstrekken op verzoek de volgende informatie:

a) de technische voorschriften die op het nationale grondgebied op een bepaald producttype van toepassing zijn;

b) de contactgegevens van de nationale autoriteiten, zodat deze rechtstreeks kunnen worden gecontacteerd, met inbegrip van de gegevens betreffende de instanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de uitvoering van de specifieke technische voorschriften op het nationale grondgebied;

c) de rechtsmiddelen die op het nationale grondgebied in het algemeen beschikbaar zijn in het geval van een geschil tussen de bevoegde instanties en een producent of distributeur;

d) de contactgegevens van verenigingen of organisaties buiten de nationale autoriteiten, waar producenten en distributeurs op het nationale grondgebied praktische hulp kunnen krijgen.

12. De productcontactpunten beantwoorden alle verzoeken om de in lid 1 bedoelde informatie binnen twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek.

13. Het productcontactpunt in de lidstaat waar de betrokken producent en distributeur het product in kwestie legaal in de handel hebben gebracht, wordt op de hoogte gebracht van de in artikel 4 bedoelde schriftelijke kennisgevingen en besluiten, tenzij openbaarmaking van dergelijke informatie ten koste gaat van de bescherming van de commerciële belangen, met inbegrip van de intellectuele-eigendomsrechten, van die marktdeelnemer. Dat productcontactpunt heeft het recht zijn opmerkingen aan de nationale autoriteit voor te leggen.

Artikel 9

De Commissie kan, volgens de procedure van artikel 11, lid 2, een telematicanetwerk voor informatie-uitwisseling tussen de productcontactpunten in het kader van deze verordening inrichten.

Hoofdstuk 4

Slotbepalingen

Artikel 10

14. De lidstaten sturen de Commissie op haar verzoek een uitvoerig verslag over de uitvoering van deze verordening, met gedetailleerde informatie over de schriftelijke kennisgevingen of besluiten die ingevolge artikel 4, leden 1, 2 en 3, zijn verstuurd.

15. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad binnen vijf jaar na de in artikel 13 genoemde datum een verslag over de uitvoering van deze verordening voor.

Artikel 11

16. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

17. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de raadplegingsprocedure van artikel 3 van Besluit nr. 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

Artikel 12

Beschikking 3052/95/EG wordt ingetrokken.

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL:

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat legaal in de handel zijn gebracht

2. ABM / ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein en bijbehorende activiteit: ABB2 - Interne goederenmarkt en sectoraal beleid

3. BEGROTINGSONDERDEEL

3.1. Begrotingsonderdeel (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

02.03.01

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

Permanent

3.3. Begrotingskenmerken:

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdrage kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

02.03.01 | Niet-verplicht | GK | NEE | JA | NEE | 1 bis |

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

mln EUR (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt nr. | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2011 e.v. | Totaal |

Beleidsuitgaven[16] |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1. | a | 0,2 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0,2 |

Betalingskredieten (BK) | b | 0,1 | 0,1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0,2 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag[17] |

Technische en administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4. | c | 0 | 0,5 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,7 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG |

Vastleggingskredieten | a+c | 0,2 | 0,5 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,9 |

Betalingskredieten | b+c | 0,1 | 0,6 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0.9 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen[18] |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5. | d | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6. | e | 0,05 | 0,05 | 0,15 | 0,25 | 0,15 | 0,15 | 0,8 |

Totale indicatieve kosten van de maatregel |

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | a+c+d+e | 0,25 | 0,55 | 0,20 | 0,30 | 0,20 | 0,20 | 1,7 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | b+c+d+e | 0,15 | 0,65 | 0,20 | 0,30 | 0,20 | 0,20 | 1,7 |

Medefinanciering: geen medefinanciering.

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering. De financiering van de gevolgen geschiedt uit middelen die in de officiële financiële programmering van de Commissie al voor het begrotingsonderdeel voorzien waren.

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

4.2. Personele middelen in voltijdequivalenten (VTE; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) – zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 e.v. |

Totale personele middelen in VTE | 1,4 | 1,4 | 1,4 | 1,4 | 1,4 | 1,4 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Als begeleidende maatregel van het voorstel moet een gedetailleerde lijst van de producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt, worden opgesteld; vervolgens moet een website worden opgezet waarop die lijst wordt bekendgemaakt. Wellicht is het noodzakelijk seminars over de uitvoering van de verordening te organiseren. Bovendien voorziet het voorstel in de oprichting van een raadgevend comité.

De algemene doelstellingen van het voorstel zijn uiteengezet in de toelichting.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

De totstandkoming van de interne markt voor goederen is een van de doelstellingen van de Europese Gemeenschap. Ingevolge artikel 14, lid 2, van het EG-Verdrag omvat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag. Het verbod tussen de lidstaten op maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen bij de invoer van goederen is een van de belangrijkste beginselen van het EG-Verdrag (artikel 3, lid 1, onder a), en artikelen 28-30).

Een vergelijking van de opties laat zien dat een regelgevingsaanpak op basis van artikel 95, lid 1, van het EG-Verdrag de beste resultaten biedt. Dit artikel zegt dat in afwijking van artikel 94 en tenzij in het Verdrag anders is bepaald, de doeleinden van artikel 14 kunnen worden verwezenlijkt door de vaststelling van maatregelen inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

In het kader van de uitgebreide interne markt hebben maatregelen op EU-niveau duidelijk een toegevoegde waarde omdat zij het Europese bedrijfsleven een grote interne markt bieden en schaalvoordelen mogelijk maken. Terzelfder tijd vereist de soepele werking van de interne markt juist wegens het supranationale karakter ervan een aanpak op EU-niveau, hoewel deze tot het strikt noodzakelijke moet worden beperkt.

Het voorstel heeft vooral ten doel het vrije verkeer van niet-geharmoniseerde goederen te waarborgen. De economische belasting mag niet groter zijn dan voor het bereiken van dit doel noodzakelijk is, terwijl de richtlijn doeltreffend en gemakkelijk moet worden toegepast. De effectbeoordeling omvat een uitvoeriger technische beschrijving van de doelen en de verwachte resultaten.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

Gecentraliseerd beheer rechtstreeks door de Commissie

Opmerkingen: Voor de opstelling van een gedetailleerde lijst van de producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt, en vervolgens het opzetten van een website waarop die lijst wordt bekendgemaakt, moeten diensten worden verleend.

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

Op de opstelling van een gedetailleerde lijst van de producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt, en vervolgens het opzetten van een website waarop die lijst wordt bekendgemaakt, zal toezicht worden uitgeoefend door de Commissie, in samenwerking met de vertegenwoordigers van de lidstaten in het bij de verordening opgerichte comité. Bovendien kan de productcontactpunten zo nodig worden gevraagd mee te werken aan dit toezicht.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Uit enquêtes en literatuur blijkt dat er nog geen gedetailleerde lijst is van de producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Niet van toepassing.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

De vorm en de frequentie van toekomstige evaluaties zullen in overeenstemming met de toepasselijke regels worden vastgesteld.

7. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Volledige toepassing van de interne controlenormen nrs. 14, 15, 16, 18, 19, 20 en 21.

De Commissie zorgt er bij de uitvoering van de uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties voor dat de financiële belangen van de Gemeenschap worden beschermd door preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te nemen, doeltreffende controles te verrichten en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen, en door, indien er onregelmatigheden worden geconstateerd, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, mln EUR (tot op 3 decimalen)

2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 |

Ambtenaren of tijdelijk personeel[19] (XX 01 01) | A*/AD | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |

B*, C*/AST | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,4 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel[20] | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel[21] | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

TOTAAL | 1,4 | 1,4 | 1,4 | 1,4 | 1,4 | 1,4 |

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

Afgezien van de follow-up van het voorstel, bestaan de werkzaamheden in beheerstaken:

- de opstelling van een gedetailleerde lijst van de producten of aspecten van producten waarvoor wederzijdse erkenning geldt;

- het opzetten van een website waarop de lijst zal worden bekendgemaakt.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling).

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

mln EUR (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 e.v. | TOTAAL |

Andere technische en administratieve bijstand |

- intern | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

- extern | 0 | 0,5 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,7 |

Totaal Technische en administratieve bijstand | 0 | 0,5 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,7 |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

mln EUR (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis enz.) (vermeld begrotingsonderdeel) | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen mln EUR (tot op 3 decimalen) |

2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 e.v. | TOTAAL |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,05 | 0,3 |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen | 0 | 0 | 0,1 | 0,1 | 0 | 0 | 0,2 |

XX 01 02 11 03 – Comités[22] | 0 | 0 | 0 | 0,1 | 0,1 | 0,1 | 0,3 |

XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

XX 01 02 11 05 – Informatiesystemen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

2 Totaal Andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) | 0,05 | 0,05 | 0,15 | 0,25 | 0,15 | 0,15 | 0,8 |

3 Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

Totaal Andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,05 | 0,05 | 0,15 | 0,25 | 0,15 | 0,15 | 0,8 |

[1] PB C , blz. .

[2] PB C , blz. .

[3] PB C , blz. .

[4] PB C , blz. .

[5] PB C 141 van 19.5.2000, blz. 5.

[6] PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

[7] PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 575/2006 van de Commissie van 7 april 2006 (PB L 100 van 8.4.2006, blz. 3).

[8] PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 776/2006 van de Commissie van 23 mei 2006 (PB L 136 van 24.5.2006, blz. 3).

[9] PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44. Rectificatie in PB L 220 van 21.6.2004, blz. 16.

[10] PB L 235 van 17.9.1996, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 114).

[11] PB L 110 van 20.4.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/50/EG.

[12] PB L 144 van 30.4.2004, blz. 62. Rectificatie in PB L 181 van 18.5.2004, blz. 25.

[13] PB L 321 van 30.12.1995, blz. 1.

[14] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

[15] PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

[16] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[17] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[18] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[19] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[20] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[21] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[22] Raadgevend comité