|
28.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 71/35 |
Initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit
(2007/C 71/13)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 30, lid 1, onder a) en b), artikel 31, lid 1, onder a), artikel 32 en artikel 34, lid 2, onder c),
Op initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad van de Europese Unie hecht het allergrootste belang aan de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zijnde een idee dat sterk leeft bij de bevolking van de landen die in de Unie verenigd zijn. |
|
(2) |
De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld de burgers een hoog niveau van zekerheid te verschaffen in die ruimte van vrijheid, veiligheid en recht door in de lidstaten gemeenschappelijke procedures op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken te ontwikkelen. |
|
(3) |
In de conclusies van de Europese Raad van Tampere in oktober 1999 wordt bevestigd dat met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van strafbare feiten betere informatie-uitwisseling tussen de bevoegde instanties van de lidstaten nodig is. |
|
(4) |
In het Haags programma betreffende de versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie van november 2004, bracht de Europese Raad zijn overtuiging tot uitdrukking dat daartoe een innoverende benadering van de grensoverschrijdende uitwisseling van rechtshandhavingsinformatie nodig is. |
|
(5) |
De Europese Raad verklaarde derhalve dat dergelijke informatie moet worden uitgewisseld volgens het beschikbaarheidsbeginsel. Dit betekent dat een rechtshandhavingsfunctionaris in een lidstaat van de Unie informatie die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft bij een andere lidstaat kan verkrijgen en dat de betrokken rechtshandhavingsinstantie in een lidstaat die informatie voor het aangegeven doel beschikbaar stelt, rekening houdend met de eisen van de lopende onderzoeken in die lidstaat. |
|
(6) |
De Europese Raad stelde 1 januari 2008 vast als uiterste datum voor de verwezenlijking van deze doelstelling van het Haags programma. |
|
(7) |
Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten van de Europese Unie (2) stelt regels vast volgens welke de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten snel en doeltreffend bestaande informatie en inlichtingen kunnen uitwisselen teneinde een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren of politie-inlichtingen te verzamelen. |
|
(8) |
In het Haags programma betreffende de versterking van vrijheid, veiligheid en recht wordt echter verklaard dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van nieuwe technologieën en dat ook wederzijdse toegang tot nationale databanken moet worden gefaciliteerd. Het Haags programma bepaalt ook dat nieuwe gecentraliseerde Europese gegevensbestanden uitsluitend kunnen worden opgezet op basis van studies die de toegevoegde waarde ervan hebben aangetoond. |
|
(9) |
Met het oog op effectieve internationale samenwerking is het van fundamenteel belang dat nauwkeurige informatie snel en efficiënt kan worden uitgewisseld. Doel is procedures te introduceren ter bevordering van middelen voor snelle, efficiënte en goedkope gegevensuitwisseling. Met het oog op het gezamenlijk gebruik van gegevens zal met betrekking tot die procedures een verantwoordingsplicht gelden, en moeten de procedures de nodige waarborgen bieden wat betreft de juistheid en de beveiliging van de gegevens bij transmissie en opslag, en zullen er procedures zijn voor de registratie van uitgewisselde gegevens en beperkingen op het gebruik van die gegevens. |
|
(10) |
Aan die eisen is voldaan door middel van het Verdrag van Prüm van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie. Opdat alle lidstaten kunnen voldoen aan de essentiële vereisten van het Haags programma en tevens het tijdschema daarvan gehaald kan worden, moeten de fundamentele onderdelen van het Verdrag van Prüm voor alle lidstaten van toepassing zijn. Dit besluit van de Raad is daarom gebaseerd op de voornaamste bepalingen van het Verdrag van Prüm. |
|
(11) |
Dit besluit bevat derhalve bepalingen die bedoeld zijn om de informatie-uitwisseling te bevorderen en houdt in dat de lidstaten elkaar toegang verlenen tot hun geautomatiseerde DNA-analysebestanden, geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen en voertuigregisters. In het geval van nationale DNA-analysebestanden en geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen moet een hit/no hit-systeem de verzoekende lidstaat in staat stellen specifieke met een dossier verband houdende persoonsgegevens op te vragen in de lidstaat die het dossier beheert en, waar nodig, via rechtshulpprocedures om nadere informatie te verzoeken. |
|
(12) |
Dit zal de bestaande procedures aanzienlijk bespoedigen doordat de lidstaten zo kunnen nagaan of een andere lidstaat over de door hen gewenste informatie beschikt, en om welke lidstaat het gaat. |
|
(13) |
Grensoverschrijdende gegevensvergelijking kan misdaadbestrijding een nieuwe dimensie geven. De informatie die door het vergelijken van gegevens wordt verkregen, moet voor de lidstaten de deur openen naar nieuwe onderzoeksmethoden en derhalve een cruciale rol spelen in het ondersteunen van de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten. |
|
(14) |
De regels zijn gebaseerd op het in een netwerk onderbrengen van de nationale databanken van de lidstaten en houden dus een eenvoudige en effectieve aanpak in van de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. |
|
(15) |
Onder bepaalde voorwaarden moeten de lidstaten al dan niet persoonsgebonden gegevens kunnen verstrekken, zodat de uitwisseling van gegevens over grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie wordt verbeterd. |
|
(16) |
Aangezien internationale samenwerking, met name wat betreft de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, verder moet worden verbeterd, maakt dit besluit niet alleen verbeterde informatie-uitwisseling mogelijk, maar ook onder meer nauwere samenwerking tussen de politieautoriteiten, bijv. door middel van gezamenlijke veiligheidsoperaties (bijv. gezamenlijke patrouilles) en grensoverschrijdende interventies indien er onmiddellijk gevaar voor lijf en leden dreigt. |
|
(17) |
Nauwere politiële en justitiële samenwerking in strafzaken moet gepaard gaan met de eerbiediging van de grondrechten, met name het recht op bescherming van het privé-leven en van persoonsgegevens. Dat wordt gewaarborgd door de uitgebreide specifieke regeling inzake gegevensbescherming die in het besluit is opgenomen, en die toegesneden is op de specifieke aard van de gegevensuitwisseling die het reguleert. De specifieke bepalingen inzake gegevensbescherming in het besluit houden met name rekening met het specifieke karakter van de grensoverschrijdende online toegang tot databanken. Aangezien bij online toegang de lidstaat die het dossier beheert geen voorafgaande controle kan uitvoeren, bevat het besluit een aantal maatregelen die ervoor moeten zorgen dat controle achteraf plaatsvindt. |
|
(18) |
Zich bewust van het belang van dit Raadsbesluit voor de bescherming van de rechten van personen, en in het besef dat voor het verstrekken van gegevens aan een andere lidstaat een voldoende niveau van gegevensbescherming door de ontvangende lidstaat nodig is, dragen de lidstaten zorg voor de efficiënte uitvoering van alle in dit besluit vervatte gegevensbeschermingsregels. |
|
(19) |
Aangezien de doelstellingen van dit besluit, met name de verbetering van de informatie-uitwisseling in de Europese Unie, wegens het grensoverschrijdend karakter van misdaadbestrijding en veiligheidskwesties niet afdoende door de lidstaten afzonderlijk kunnen worden verwezenlijkt, en de lidstaten genoodzaakt zijn hiervoor op elkaar een beroep te doen, kunnen zij derhalve beter op Europees niveau gerealiseerd worden. De Raad kan bijgevolg maatregelen aannemen volgens het subsidiariteitsbeginsel op grond van artikel 5 van het EG-Verdrag, waarnaar in artikel 2 van EU-verdrag wordt verwezen. Overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(20) |
Dit besluit is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegd zijn, |
BESLUIT:
HOOFDSTUK I
ALGEMEEN
Artikel 1
Doel en werkingssfeer
De lidstaten beogen met dit besluit de grensoverschrijdende samenwerking, met name op gebieden die onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallen, te intensiveren, met name de uitwisseling van informatie tussen instanties die met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten belast zijn. Daartoe hebben bevat dit besluit regels op de volgende gebieden:
|
a) |
bepalingen over de voorwaarden en de procedure voor de geautomatiseerde overdracht van DNA-profielen, dactyloscopische gegevens en bepaalde gegevens uit de nationale kentekenregisters (Hoofdstuk 2); |
|
b) |
bepalingen over de voorwaarden voor gegevensverstrekking in het kader van grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie (Hoofdstuk 3); |
|
c) |
bepalingen over de voorwaarden voor de verstrekking van informatie ter voorkoming van terroristische misdrijven (Hoofdstuk 4); |
|
d) |
bepalingen over de voorwaarden en de procedure voor de intensivering van de politiële samenwerking via diverse maatregelen (Hoofdstuk 5). |
HOOFDSTUK 2
ONLINE TOEGANG EN VERVOLGVERZOEKEN
DEEL 1
DNA-Profielen
Artikel 2
Aanleggen van nationale DNA-analysebestanden
1. De lidstaten leggen ter opsporing van strafbare feiten nationale DNA-analysebestanden aan en beheren deze. De verwerking van de in deze bestanden opgeslagen gegevens op grond van dit besluit geschiedt behoudens de overige bepalingen van dit verdrag, met inachtneming van het voor de verwerking geldende nationale recht.
2. Ter uitvoering van dit besluit waarborgen de lidstaten dat linkgegevens uit het nationale DNA-analysebestand, als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, aanwezig zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend de op basis van het niet-gecodeerde gedeelte van het DNA vastgestelde DNA-profielen en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten op basis waarvan de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde DNA-profielen), dienen als zodanig herkenbaar te zijn.
3. Elke lidstaat deelt overeenkomstig artikel 33 het secretariaat-generaal van de Raad de nationale DNA-analysebestanden, waarop de artikelen 2 tot en met 6 van toepassing zijn, alsmede de voorwaarden voor de geautomatiseerde bevraging, bedoeld in artikel 3, lid 1, mee.
Artikel 3
Geautomatiseerde bevraging van DNA-profielen
1. Ter opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 6, toegang tot de linkgegevens van hun DNA-analysebestanden, met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de DNA-profielen. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaten worden uitgeoefend.
2. Indien bij een geautomatiseerde bevraging wordt vastgesteld dat een verstrekt DNA-profiel met een in het bestand van de ontvangende lidstaat opgeslagen DNA-profiel overeenkomt, ontvangt het nationale contactpunt van de verzoekende lidstaat geautomatiseerd de informatie over de linkgegevens waarmee een overeenkomst is vastgesteld. Indien geen overeenkomst kan worden vastgesteld, wordt zulks geautomatiseerd meegedeeld.
Artikel 4
Geautomatiseerde vergelijking van DNA-profielen
1. Ter opsporing van strafbare feiten vergelijken de lidstaten met wederzijds goedvinden via hun nationale contactpunten hun ongeïdentificeerde DNA-profielen met alle DNA-profielen uit linkgegevens van de andere nationale DNA-analysebestanden. Verstrekking en vergelijking geschieden geautomatiseerd. Verstrekking ter vergelijking van ongeïdentificeerde DNA-profielen geschiedt uitsluitend in die gevallen waarin het nationale recht van de verzoekende lidstaat hierin voorziet.
2. Indien een lidstaat bij de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat verstrekte DNA-profielen met enig profiel in zijn DNA-analysebestand overeenkomen, verstrekt hij onverwijld aan het nationale contactpunt van de andere lidstaat de linkgegevens waarmee een overeenkomst is vastgesteld.
Artikel 5
Verstrekking van nadere persoonsgegevens en overige informatie
Indien in het kader van de procedure, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt vastgesteld dat DNA-profielen overeenkomen, is het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens beschikbare persoonsgegevens en overige informatie.
Artikel 6
Nationaal contactpunt en uitvoeringsmaatregelen
1. Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. Het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht bepaalt de bevoegdheden van het nationaal contactpunt.
2. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de in de artikelen 3 en 4 beschreven procedures worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 34 geregeld.
Artikel 7
Afname van celmateriaal en verstrekking van DNA-profielen
Indien in het kader van een lopend opsporingsonderzoek of strafrechtelijke procedure geen DNA-profiel beschikbaar is van een bepaalde persoon die zich op het grondgebied van een aangezochte lidstaat bevindt, verleent de aangezochte lidstaat rechtshulp door het afnemen en onderzoeken van celmateriaal van deze persoon evenals door verstrekking van het verkregen DNA-profiel, indien:
|
a) |
de verzoekende lidstaat meedeelt voor welk doel zulks vereist is; |
|
b) |
de verzoekende lidstaat een naar het recht van die staat vereist onderzoeksbevel of verklaring van de bevoegde autoriteit overlegt, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor het afnemen en onderzoeken van celmateriaal zou zijn voldaan indien de desbetreffende persoon zich op het grondgebied van de verzoekende lidstaat zou bevinden; en |
|
c) |
naar het recht van de aangezochte lidstaat aan de voorwaarden voor het afnemen en onderzoeken van celmateriaal alsmede aan de voorwaarden voor de verstrekking van het verkregen DNA-profiel, is voldaan. |
DEEL 2
Dactyloscopische gegevens
Artikel 8
Dactyloscopische gegevens
Ter uitvoering van dit besluit zien de lidstaten erop toe dat linkgegevens uit het bestand van de ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten opgezette nationale geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen beschikbaar zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend dactyloscopische gegevens en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde dactyloscopische gegevens) dienen als zodanig herkenbaar te zijn.
Artikel 9
Geautomatiseerde bevraging van dactyloscopische gegevens
1. Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 11, toegang tot de linkgegevens van de geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen die zij daartoe hebben opgezet, zulks met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de dactyloscopische gegevens. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend.
2. De definitieve koppeling van een dactyloscopisch gegeven aan een linkgegeven van de met het bestandsbeheer belaste lidstaat geschiedt door het nationale contactpunt van de verzoekende lidstaat aan de hand van de geautomatiseerd verstrekte linkgegevens, die voor de eenduidige koppeling noodzakelijk zijn.
Artikel 10
Verstrekking van nadere persoonsgegevens en overige informatie
Indien in het kader van de procedure, als bedoeld in artikel 9, wordt vastgesteld dat dactyloscopische gegevens overeenkomen, is het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens beschikbare persoonsgegevens en overige informatie.
Artikel 11
Nationaal contactpunt en uitvoeringsmaatregelen
1. Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 9, benoemt elke lidstaat een nationaal contactpunt. De bevoegdheden van het nationaal contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht.
2. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de in artikel 9 beschreven procedure worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 34 geregeld.
DEEL 3
Gegevens uit de kentekenregisters
Artikel 12
Geautomatiseerde bevraging van gegevens uit de kentekenregisters
1. Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten alsmede ter afhandeling van overtredingen die in de verzoekende lidstaat tot de bevoegdheid van de rechtbanken of het Openbaar Ministerie behoren, en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in het tweede lid, toegang tot de volgende gegevens uit de nationale kentekenregisters, zulks met het recht deze in individuele gevallen geautomatiseerd te bevragen:
|
a) |
gegevens met betrekking tot de eigenaars of houders; en |
|
b) |
gegevens met betrekking tot voertuigen. |
De bevraging mag uitsluitend met gebruikmaking van een volledig chassisnummer of een volledig kenteken worden gedaan. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend.
2. Ter uitvoering van de gegevensuitwisseling, bedoeld in het eerste lid, benoemt elke lidstaat een nationaal contactpunt voor inkomende verzoeken. De bevoegdheden van de nationale contactpunten worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de procedure worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 35 geregeld.
HOOFDSTUK 3
GROOTSCHALIGE EVENEMENTEN
Artikel 13
Verstrekking van niet-persoonsgebonden gegevens
Ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad, verstrekken de lidstaten elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief, met inachtneming van het nationale recht van de verstrekkende lidstaat, niet-persoonsgebonden gegevens die hiertoe noodzakelijk kunnen zijn.
Artikel 14
Verstrekking van persoonsgegevens
1. Ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad, verstrekken de lidstaten elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief persoonsgegevens, indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens het evenement strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormen, voor zover de verstrekking van deze gegevens overeenkomstig het nationale recht van de verstrekkende lidstaat is toegestaan.
2. De persoonsgegevens mogen uitsluitend worden verwerkt voor de in het eerste lid omschreven doeleinden en in het kader van het nauwkeurig omschreven evenement waarvoor deze werden meegedeeld. De verstrekte gegevens dienen onverwijld te worden gewist zodra de doeleinden, bedoeld in het eerste lid, zijn verwezenlijkt of niet meer verwezenlijkt kunnen worden. De verstrekte gegevens dienen in elk geval uiterlijk na een jaar te worden gewist.
Artikel 15
Nationaal contactpunt
Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, bedoeld in de artikelen 13 en 14, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. De bevoegdheden van het nationaal contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht.
HOOFDSTUK 4
MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN TERRORISTISCHE MISDRIJVEN
Artikel 16
Verstrekking van informatie ter voorkoming van terroristische misdrijven
1. Ter voorkoming van terroristische misdrijven kunnen lidstaten aan de nationale contactpunten van andere lidstaten, bedoeld in het derde lid, met inachtneming van het nationale recht, in individuele gevallen, ook zonder verzoek de in het tweede lid genoemde persoonsgegevens en informatie verstrekken, voor zover zulks noodzakelijk is omdat bepaalde feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de betrokkenen strafbare feiten zullen plegen als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (3).
2. De te verstrekken gegevens en informatie omvatten namen, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats alsmede de beschrijving van de omstandigheden die aanleiding geven tot het vermoeden, bedoeld in het eerste lid.
3. Elke lidstaat benoemt een nationaal contactpunt dat is belast met de gegevensuitwisseling met de nationale contactpunten van de andere lidstaat. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hiervoor van toepassing zijnde nationale recht.
4. De verstrekkende lidstaat kan, met inachtneming van het nationale recht, voorwaarden verbinden aan het gebruik van deze gegevens en informatie door de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat is aan deze voorwaarden gebonden.
HOOFDSTUK 5
ANDERE SAMENWERKINGSVORMEN
Artikel 17
Gezamenlijk optreden
1. Ter intensivering van de politiële samenwerking kunnen de door de lidstaten aangewezen bevoegde autoriteiten gezamenlijke patrouilles en andere vormen van gezamenlijk optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van strafbare feiten instellen, waarbij de door de lidstaten aangewezen ambtenaren of ander overheidspersoneel („ambtenaren”), van andere lidstaten aan het optreden op het grondgebied van een lidstaat meewerken.
2. Elke lidstaat kan als gastlidstaat, met inachtneming van zijn nationale recht, ambtenaren van andere lidstaten met toestemming van de zendlidstaat in het kader van een gezamenlijk optreden uitvoerende bevoegdheden toekennen of, voor zover zulks naar het recht van de gastlidstaat is toegestaan, ambtenaren van andere lidstaten toestaan hun uitvoerende bevoegdheden overeenkomstig het recht van de zendlidstaat uit te oefenen. Deze uitvoerende bevoegdheden mogen hierbij uitsluitend onder leiding en in beginsel in aanwezigheid van ambtenaren van de gastlidstaat worden uitgeoefend. De ambtenaren van de andere lidstaten zijn hierbij aan het nationale recht van de gastlidstaat gebonden. Hun handelen valt onder de verantwoordelijkheid van de gastlidstaat.
3. Bij een gezamenlijk optreden betrokken ambtenaren van andere lidstaten zijn onderworpen aan de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit van de gastlidstaat.
4. De lidstaten dienen een verklaring in als bedoeld in artikel 34 waarin zij de praktische aspecten van de samenwerking vaststellen.
Artikel 18
Bijstand in verband met massabijeenkomsten en zware ongevallen
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen elkaar met inachtneming van het nationale recht wederzijds bijstand bij massabijeenkomsten en soortgelijke grootschalige evenementen en, bij zware ongevallen, waarbij zij trachten strafbare feiten te voorkomen en de openbare orde en veiligheid te handhaven door:
|
a) |
elkaar zo vroeg mogelijk over dergelijke situaties met grensoverschrijdende gevolgen te informeren en relevante informatie uit te wisselen; |
|
b) |
in situaties met grensoverschrijdende gevolgen de op hun grondgebied noodzakelijke politiemaatregelen te treffen en te coördineren; |
|
c) |
op verzoek van de lidstaat op wiens grondgebied de situatie zich voordoet, voor zover mogelijk, ambtenaren, specialisten en adviseurs uit te zenden en uitrusting ter beschikking te stellen. |
Artikel 19
Gebruik van bewapening, munitie en uitrusting
1. Ambtenaren van een lidstaat die zich in het kader van een gezamenlijk optreden op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, kunnen ter plaatse hun nationale dienstkleding dragen. Zij kunnen daar hun naar het nationale recht van de zendlidstaat toegestane bewapening, munitie en uitrusting meedragen. Elke gastlidstaat kan het meevoeren van bepaalde bewapening, munitie en uitrusting door ambtenaren van de zendlidstaat verbieden.
2. De lidstaten brengen verklaringen uit als bedoeld in artikel 34 waarin bewapening, munitie en uitrusting worden opgesomd die uitsluitend mogen worden gebruikt bij wettige zelfverdediging of ter verdediging van anderen. De met de feitelijke leiding belaste ambtenaar van de gastlidstaat kan in individuele gevallen met inachtneming van het nationale recht toestemming verlenen voor gebruik van bewapening, munitie en uitrusting dat verder reikt dan het bepaalde in de eerste volzin. Het gebruik van de bewapening, munitie en uitrusting wordt bepaald door het recht van de gastlidstaat. De bevoegde autoriteiten informeren elkaar over de toegestane bewapening, munitie en uitrusting alsmede over de voorwaarden voor het gebruik ervan.
3. Indien ambtenaren van de ene lidstaat bij maatregelen op grond van dit besluit op het grondgebied van een andere lidstaat voertuigen inzetten, zijn zij aan dezelfde verkeersregels, met inbegrip van de voorrangsrechten en speciale voorrechten, onderworpen als de ambtenaren van de gastlidstaat.
4. De lidstaten leggen verklaringen over als bedoeld in artikel 34 waarin zij de praktische aspecten van het gebruik van bewapening, munitie en uitrusting vaststellen.
Artikel 20
Bescherming en bijstand
De lidstaten zijn jegens de grensoverschrijdende ambtenaren van de andere lidstaten tijdens de dienstuitoefening tot dezelfde bescherming en bijstand verplicht als jegens de eigen ambtenaren.
Artikel 21
Algemene civielrechtelijke aansprakelijkheidsregeling
1. Wanneer ambtenaren van een lidstaat in een andere lidstaat optreden, is de eerstgenoemde lidstaat overeenkomstig het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij optreden aansprakelijk voor de schade die zij aldaar tijdens hun optreden veroorzaken.
2. De lidstaat op het grondgebied waarvan de in lid 1 bedoelde schade wordt veroorzaakt, vergoedt deze schade op dezelfde wijze als schade die door zijn eigen ambtenaren wordt toegebracht.
3. De lidstaat waarvan de ambtenaren op het grondgebied van een andere lidstaat enige schade hebben veroorzaakt, betaalt deze laatste het volledige bedrag terug dat hij aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.
4. Onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in lid 3 ziet elke lidstaat, in het geval bedoeld in lid 1, ervan af het bedrag van de door hem geleden schade op een andere lidstaat te verhalen.
Artikel 22
Strafrechtelijke aansprakelijkheid
De ambtenaren die uit hoofde van dit besluit op het grondgebied van gastlidstaat optreden, worden gelijkgesteld met de ambtenaren van die andere lidstaat wat betreft strafbare feiten die door of tegen hen worden gepleegd, tenzij in een andere voor de betrokken lidstaten bindende overeenkomst anderszins is overeengekomen.
Artikel 23
Arbeidsverhouding
Op ambtenaren die uit hoofde van dit besluit op het grondgebied van een andere lidstaat optreden, blijven in arbeidsrechtelijk, en in het bijzonder in tuchtrechtelijk opzicht de in hun lidstaat geldende voorschriften van toepassing.
HOOFDSTUK 6
ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE GEGEVENSBESCHERMING
Artikel 24
Definities en toepassingsgebied
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
a) |
„Verwerking van persoonsgegevens”: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedures, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken of wijzigen, selecteren, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens. Als verwerking in de zin van dit besluit geldt ook de mededeling of er al dan niet een hit gevonden is. |
|
b) |
„Geautomatiseerde bevraging”: de directe toegang tot een geautomatiseerd bestand van een andere instantie, en wel op zodanige wijze dat de bevraging volledig geautomatiseerd wordt beantwoord. |
|
c) |
„Kenmerken”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens, zonder dat daarmee het doel wordt nagestreefd om hun toekomstige verwerking te beperken. |
|
d) |
„Afscherming”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens met het doel hun toekomstige verwerking te beperken. |
2. Voor gegevens die uit hoofde van dit besluit worden of zijn verstrekt gelden de volgende bepalingen, tenzij in de voorafgaande hoofdstukken anderszins is bepaald.
Artikel 25
Niveau van gegevensbescherming
1. Elke lidstaat waarborgt met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die uit hoofde van dit besluit worden of zijn verstrekt, in het nationale recht een gegevensbeschermingsniveau dat tenminste overeenstemt met datgene dat voortvloeit uit het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het daarbij behorende Aanvullend Protocol van 8 november 2001, en houdt daarbij rekening met Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied van 17 september 1987 ook wanneer de gegevens niet geautomatiseerd worden verwerkt.
2. Met de in dit besluit voorziene verstrekking van persoonsgegevens mag pas worden begonnen nadat op het grondgebied van de bij de verstrekking betrokken lidstaten de bepalingen van dit hoofdstuk in het nationale recht zijn verwerkt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen of aan de voorwaarden is voldaan.
3. Lid 2 is niet van toepassing op de lidstaten waar met de in dit besluit voorziene verstrekking van persoonsgegevens reeds is begonnen op grond van het Verdrag van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie (Verdrag van Prüm).
Artikel 26
Doeleinden
1. De ontvangende lidstaat mag de persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de doeleinden waarvoor deze op grond van dit besluit zijn verstrekt; verwerking voor andere doeleinden is alleen toegestaan na voorafgaande toestemming van de lidstaat die het dossier beheert en mag uitsluitend beheerd worden door het nationale recht van de ontvangende lidstaat. De toestemming mag worden verleend voor zover op grond van het nationale recht van de lidstaat die het bestand beheert deze verwerking voor zulke andere doeleinden is toegestaan.
2. De verwerking van de op grond van de artikelen 3, 4 en 9 verstrekte gegevens door de ontvangende lidstaat is uitsluitend toegestaan met het oog op:
|
a) |
de vaststelling of de vergeleken DNA-profielen of dactyloscopische gegevens overeenstemmen; |
|
b) |
de voorbereiding en indiening van een politieel of justitieel verzoek om rechtshulp conform nationaal recht in geval van overeenstemming van deze gegevens; |
|
c) |
de protocollering als bedoeld in artikel 31. |
De lidstaat die het dossier beheert mag de hem op grond van de artikelen 3, 4 en 9 verstrekte gegevens uitsluitend verwerken voor zover dit voor het uitvoeren van de vergelijking, het geautomatiseerde beantwoorden van de bevraging of het protocolleren als bedoeld in artikel 31 noodzakelijk is. Na afloop van de gegevensvergelijking of na de geautomatiseerde beantwoording van de bevraging worden de verstrekte gegevens onverwijld gewist, tenzij verdere verwerking noodzakelijk is ten behoeve van de doelen genoemd in alinea's 2 en 3 van lid 1.
3. Uit hoofde van artikel 12 verstrekte gegevens mogen door de lidstaat die het dossier beheert uitsluitend worden gebruikt voor zover dit voor het geautomatiseerd beantwoorden van de bevraging of het protocolleren als bedoeld in artikel 31 noodzakelijk is. Na de geautomatiseerde beantwoording van de bevraging worden de verstrekte gegevens onverwijld gewist, tenzij verdere verwerking noodzakelijk is voor het protocolleren op grond van artikel 31. De ontvangende lidstaat mag de in het kader van de beantwoording verkregen gegevens uitsluitend gebruiken voor de procedure op grond waarvan de bevraging is geschied.
Artikel 27
Bevoegde autoriteiten
De verstrekte persoonsgegevens mogen uitsluitend door de autoriteiten, instanties en rechtbanken worden verwerkt die bevoegd zijn voor een taak in het kader van de in artikel 27 genoemde doeleinden. In het bijzonder vindt de doorzending van de verstrekte gegevens aan andere instanties alleen plaats na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat en met inachtneming van het recht van de ontvangende lidstaat.
Artikel 28
Juistheid, actualiteit en opslagduur van de gegevens
1. De lidstaten staan borg voor de juistheid en de actualiteit van de persoonsgegevens. Als blijkt, op basis van een mededeling van de betrokkene of anderszins, dat onjuiste gegevens of gegevens die niet hadden mogen worden verstrekt, toch verstrekt zijn, dan wordt dit onverwijld aan de ontvangende lidstaat of lidstaten meegedeeld. De betrokken lidstaat is, c.q. de betrokken lidstaten zijn, verplicht de gegevens te corrigeren of te wissen. Voor het overige worden verstrekte persoonsgegevens gecorrigeerd als blijkt dat ze onjuist zijn. Als de ontvangende instantie reden heeft om aan te nemen dat de verstrekte gegevens onjuist zijn of gewist moeten worden, dan stelt zij de verstrekkende autoriteit daarvan onverwijld op de hoogte.
2. Gegevens waarvan de betrokkene de juistheid aanvecht en waarvan de juistheid of onjuistheid niet kan worden vastgesteld, moeten met inachtneming van het nationale recht van de lidstaten op verzoek van de betrokkene worden gemarkeerd. Indien er een markering is aangebracht mag deze met inachtneming van het nationale recht van de lidstaten alleen met toestemming van de betrokkene of op basis van een besluit van de bevoegde rechtbank of de voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instantie worden opgeheven.
3. Verstrekte persoonsgegevens worden gewist als ze niet verstrekt of ontvangen hadden mogen worden. Rechtmatig verstrekte en ontvangen gegevens worden gewist:
|
a) |
als ze voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, niet of niet meer noodzakelijk zijn; als persoonsgegevens ongevraagd zijn verstrekt, moet de ontvangende instantie onverwijld controleren of ze noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt; |
|
b) |
na afloop van een in het nationale recht van de verstrekkende lidstaat voorziene maximale termijn voor het bewaren van de gegevens, als de verstrekkende instantie de ontvangende instantie bij de verstrekking op deze termijn heeft gewezen. |
Als er reden bestaat om aan te nemen dat door het wissen de belangen van de betrokkene worden geschaad, worden de gegevens afgeschermd in plaats van gewist, overeenkomstig het nationale recht. Afgeschermde gegevens mogen alleen worden verstrekt of gebruikt voor het doel dat ertoe heeft geleid dat ze niet zijn gewist.
Artikel 29
Technische en organisatorische maatregelen ter bescherming en beveiliging van gegevens
1. De verstrekkende en de ontvangende instantie zijn verplicht om persoonsgegevens effectief te beschermen tegen toevallige of onbevoegde vernietiging, toevallig verlies, onbevoegde toegang, onbevoegde of toevallige verandering en onbevoegde bekendmaking.
2. De bijzonderheden van de technische vormgeving van de geautomatiseerde bevragingsprocedure worden geregeld in uitvoeringsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 34, die waarborgen dat:
|
a) |
aan de huidige stand van de techniek aangepaste maatregelen ter waarborging van de bescherming en de beveiliging van gegevens worden getroffen, die in het bijzonder de vertrouwelijkheid en de integriteit van de gegevens waarborgen; |
|
b) |
bij het gebruik van algemeen toegankelijke netwerken door de daarvoor bevoegde instanties erkende versleutelings- en autorisatieprocedures worden gebruikt; en |
|
c) |
dat de toelaatbaarheid van de bevragingen in overeenstemming met artikel 30, leden 2, 4 en 5, kan worden gecontroleerd. |
Artikel 30
Vastleggen en protocolleren; bijzondere voorschriften met betrekking tot de geautomatiseerde en niet-geautomatiseerde verstrekking
1. Elke lidstaat waarborgt dat iedere niet-geautomatiseerde verstrekking en iedere niet-geautomatiseerde ontvangst van persoonsgegevens door de instantie die het bestand beheert en de ontvangende instantie ter controle van de toelaatbaarheid van de verstrekking wordt vastgelegd. De vastlegging omvat de volgende gegevens:
|
a) |
de aanleiding van de verstrekking; |
|
b) |
de verstrekte gegevens; |
|
c) |
de datum van de verstrekking; en |
|
d) |
de aanduiding of het kenmerk van de ontvangende instantie en de instantie die het bestand beheert. |
2. Voor de geautomatiseerde bevraging van gegevens op grond van de artikelen 3, 9 en 12 of geautomatiseerde vergelijking uit hoofde van artikel 4 geldt het volgende:
|
a) |
Geautomatiseerde bevraging of vergelijking mag alleen geschieden door speciaal daartoe gemachtigde ambtenaren van de nationale contactpunten. Op verzoek wordt de lijst van ambtenaren die zijn gemachtigd tot geautomatiseerde bevraging of vergelijking aan de in lid 5 bedoelde toezichthoudende autoriteiten en aan de andere lidstaten ter beschikking gesteld. |
|
b) |
Elke lidstaat waarborgt dat iedere verstrekking en iedere ontvangst van persoonsgegevens door de instantie die het dossier beheert en de ontvangende instantie wordt geprotocolleerd, inclusief de kennisgeving ten aanzien van het al dan niet bestaan van een hit. De protocollering omvat de volgende informatie:
|
De ontvangende instantie protocolleert bovendien de aanleiding van de bevraging of verstrekking alsmede het kenmerk van de ambtenaar die de bevraging heeft uitgevoerd en de ambtenaar die opdracht tot bevraging of verstrekking heeft gegeven.
3. De protocollerende instantie deelt op verzoek de geprotocolleerde gegevens onverwijld mee aan de voor de controle van de gegevensbescherming bevoegde instanties van de desbetreffende lidstaat en dit uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het verzoek. Geprotocolleerde gegevens mogen uitsluitend worden gebruikt voor de volgende doeleinden:
|
a) |
de controle van de gegevensbescherming; |
|
b) |
het waarborgen van de dataveiligheid. |
4. De geprotocolleerde gegevens worden door passende voorzieningen tegen oneigenlijk gebruik en andere vormen van misbruik beschermd en twee jaar bewaard. Na afloop van de bewaringstermijn worden de geprotocolleerde gegevens onverwijld gewist.
5. De juridische controle van de verstrekking of de ontvangst van persoonsgegevens is in handen van de voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instanties van de respectieve lidstaten. Met inachtneming van het nationale recht kan eenieder deze instanties verzoeken om de rechtmatigheid van de verwerking van gegevens met betrekking tot zijn persoon te controleren. Deze instanties alsmede de voor de protocollering bevoegde instanties voeren ook, los van dergelijke verzoeken, bij wijze van steekproef controles uit ten aanzien van de rechtmatigheid van de verstrekkingen, en wel aan de hand van de betrokken bestanden.
De resultaten van deze controleactiviteit worden ter controle door de voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instanties gedurende 18 maanden bewaard. Na afloop van deze termijn worden ze onverwijld gewist. Elke voor de gegevensbescherming bevoegde instantie kan door de voor gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instantie van een andere lidstaat in overeenstemming met het nationale recht om de uitoefening van haar bevoegdheden worden verzocht. De voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instanties van de lidstaten dragen zorg voor de ter vervulling van hun controletaken noodzakelijke wederzijdse samenwerking, in het bijzonder door het uitwisselen van relevante informatie.
Artikel 31
Recht van de betrokkene op informatie en schadevergoeding
1. Aan de betrokkene dient met inachtneming van het nationale recht, na overlegging van bewijs van zijn identiteit, op verzoek van de op grond van het nationaal recht bevoegde instantie, zonder onredelijke kosten, in algemeen begrijpelijke vorm en zonder onaanvaardbare vertraging informatie te worden verstrekt over de met betrekking tot zijn persoon verwerkte gegevens alsmede over de herkomst daarvan, de ontvanger of ontvangercategorieën, het beoogde doel van de verwerking en de rechtsgrond voor de verwerking. Bovendien heeft de betrokkene recht op correctie van onjuiste gegevens en op het wissen van onrechtmatig verwerkte gegevens. De lidstaten dragen er bovendien zorg voor dat de betrokkene in geval van inbreuk op zijn rechten met betrekking tot gegevensbescherming klacht kan indienen bij een onafhankelijke rechtbank of een tribunaal in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europese Verdrag van de rechten van de mens of bij een onafhankelijke controle-instantie in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (4), en dat hij aanspraak op schadevergoeding kan maken of om een andere vorm van genoegdoening kan verzoeken. De nadere bijzonderheden met betrekking tot de procedure ter verwezenlijking van deze rechten en de redenen voor het beperken van het recht op toegang richten zich naar de desbetreffende nationale wettelijke voorschriften van de lidstaat waarin de betrokkene zijn rechten doet gelden.
2. Als een instantie van de ene lidstaat persoonsgegevens heeft verstrekt uit hoofde van dit besluit, kan de ontvangende instantie van de andere lidstaat zich niet beroepen op de onjuistheid van de verstrekte gegevens om haar aansprakelijkheid jegens de benadeelde krachtens het nationale recht te ontlopen. Moet de ontvangende instantie schade vergoeden wegens het gebruik van onjuist doorgegeven gegevens, dan betaalt de verstrekkende instantie de ontvangende instantie het volledige bedrag aan schadevergoeding terug.
Artikel 32
Door de lidstaten gevraagde informatie
De ontvangende lidstaat informeert de verstrekkende lidstaat over de verwerking van de verstrekte gegevens en het opgeleverde resultaat.
HOOFDSTUK 7
UITVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 33
Verklaringen
1. Voor de uitvoering van dit besluit dient elke lidstaat bij de toezending van de tekst van de bepalingen waarmee hij zijn verplichtingen ingevolge dit besluit in zijn nationaal recht omzet, bij het secretariaat-generaal van de Raad een verklaring in, zoals bedoeld in artikel 37, lid 2.
2. De conform lid 1 ingediende verklaringen kunnen te allen tijde worden gewijzigd door middel van een bij het secretariaat-generaal van de Raad ingediende verklaring. Het secretariaat-generaal van de Raad zendt de ontvangen verklaring door aan de lidstaten en de Commissie.
Artikel 34
Uitvoeringsmaatregelen
De Raad stelt conform de procedure van artikel 34, lid 2, onder c), tweede zin, van het VEU de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit op het niveau van de Unie.
Artikel 35
Kosten
Elke lidstaat draagt de operationele kosten die door zijn instanties bij de uitvoering van dit besluit zijn gemaakt. In bijzondere gevallen kunnen de betrokken lidstaten een afwijkende regeling overeenkomen.
Artikel 36
Verhouding tot andere instrumenten
1. Het staat de lidstaten vrij om bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die betrekking hebben op de werkingssfeer van dit besluit en van kracht zijn op het tijdstip van de aanneming ervan, te blijven toepassen, voor zover deze overeenkomsten of regelingen de mogelijkheid bieden de doelstellingen van dit besluit tussen de lidstaten te verruimen of te verbreden. Voor de betrokken lidstaten zullen de desbetreffende bepalingen van dit besluit worden toegepast in de plaats van de bepalingen over de werkingssfeer van dit besluit in het Verdrag van Prüm. Artikelen van het Verdrag van Prüm waarvoor in het geheel of gedeeltelijk geen bepalingen van dit besluit in de plaats zijn getreden, blijven van toepassing tussen de verdragsluitende partijen
2. Het staat de lidstaten vrij om bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die betrekking hebben op de werkingssfeer van dit besluit aan te gaan of in werking te doen treden nadat het besluit van kracht is geworden, voor zover deze overeenkomsten of regelingen de mogelijkheid bieden de doelstellingen van dit besluit tussen de lidstaten te verruimen of te verbreden.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde overeenkomsten en regelingen laten de betrekkingen met de lidstaten die daarbij geen partij zijn, onverlet.
4. Binnen [… jaar] na het van kracht worden van dit besluit stellen de lidstaten de Raad en de Commissie in kennis van de bestaande overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 1 die zij willen blijven toepassen.
5. De lidstaten stellen de Raad en de Commissie ook in kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling in de zin van lid 2, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan, dan wel, voor de instrumenten die reeds vóór de aanneming van dit besluit waren ondertekend, binnen drie maanden na de inwerkingtreding daarvan.
6. Dit besluit bevat geen bepalingen die afbreuk doen aan bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten en derdelanden.
Artikel 37
Uitvoering
1. De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om binnen [… jaar] na het van kracht worden aan dit besluit te voldoen.
2. De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie de tekst mede van de bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit besluit in hun nationaal recht omzetten. Bij deze mededeling kan iedere lidstaat laten weten dat hij dit besluit onmiddellijk zal toepassen in zijn betrekkingen met de lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben gedaan.
3. Op basis van deze en andere informatie die door de lidstaten op verzoek ter beschikking gesteld wordt, dient de Commissie [uiterlijk drie jaar na het van kracht worden] bij de Raad een verslag in betreffende de tenuitvoerlegging van dit besluit, alsmede voorstellen voor vervolgstappen.
Artikel 38
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking [… dagen] volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
(1) Advies van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89.
(3) PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.
(4) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.