Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Verslag over de tussentijdse evaluatie van het Erasmus Mundus-programma 2004-2008 /* COM/2007/0375 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 2.7.2007 COM(2007) 375 definitief VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Verslag over de tussentijdse evaluatie van het Erasmus Mundus-programma 2004-2008 VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Verslag over de tussentijdse evaluatie van het Erasmus Mundus-programma 2004-2008 INHOUD 1. Inleiding 3 2. Achtergrond van de externe evaluatie 3 3. De externe evaluatie 4 3.1. De modaliteiten van de evaluatie 4 3.2. Methodologie 4 3.3. De bevindingen van de evaluatie 4 3.3.1. Financiële aspecten 5 3.3.2. Europese toegevoegde waarde 5 3.3.3. Relevantie 6 3.3.4. Doeltreffendheid en impact 6 3.3.5. Efficiëntie en kosteneffectiviteit 7 3.3.6. Nut, toegevoegde waarde en duurzaamheid 8 4. Belangrijkste aanbevelingen van de externe evaluatie en opmerkingen van de Commissie 8 4.1. De opzet van het programma 8 4.2. Het beheer van het programma 10 4.3. De financiering van het programma 11 5. Conclusies van de Commissie 12 Statistische bijlagen. Aanvragen en selectie 13 1. INLEIDING Dit verslag is opgesteld op grond van artikel 12 van Besluit nr. 2317/2003/EG[1] van 5 december 2003 tot invoering van het Erasmus Mundus-programma, waarin wordt bepaald dat er een tussentijdse evaluatie van het programma moet worden uitgevoerd. Het verslag bevat het standpunt van de Commissie over de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie van het programma, die te vinden zijn via de link: http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/evalreports/index_en.htm. Deze conclusies en aanbevelingen zijn gebaseerd op uitgebreide enquêtes onder de deelnemers aan Erasmus Mundus en de directe belanghebbenden, waarvan de gedetailleerde resultaten in een bijlage bij het tussentijdse evaluatieverslag zijn opgenomen. 2. Achtergrond van de externe evaluatie Erasmus Mundus is een programma voor samenwerking en mobiliteit op het gebied van hoger onderwijs dat erop gericht is om de Europese Unie wereldwijd aantrekkelijker te maken als centrum van excellentie op het gebied van onderwijs. Doel van het programma is om Europese masteropleidingen van topkwaliteit te ontwikkelen en de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid van het Europees hoger onderwijs in derde landen te vergroten. Het strategische doel van Erasmus Mundus is het verhogen van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Europa en het bevorderen van het interculturele begrip door samenwerking met derde landen. Het programma heeft de volgende specifieke doelstellingen: het bevorderen van kwaliteit en excellentie in het Europees hoger onderwijs; het stimuleren van de inkomende mobiliteit van hooggekwalificeerde afgestudeerden en academici uit derde landen; het bevorderen van een meer gestructureerde samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs in derde landen; en het wereldwijd verbeteren van het profiel, de zichtbaarheid en de toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs. Het programma wordt hoofdzakelijk ten uitvoer gelegd door middel van vier acties. Deze zijn: actie 1 – masteropleidingen van Erasmus Mundus, die moeten bestaan uit geïntegreerde studieprogramma’s op masterniveau waarbij minimaal drie universiteiten uit drie verschillende Europese landen betrokken moeten zijn; actie 2 – een beurzenstelsel voor studenten en academici uit derde landen; actie 3 – partnerschappen met instellingen voor hoger onderwijs in derde landen, met inbegrip van mobiliteitsbeurzen voor studenten en academici ten behoeve van de uitgaande mobiliteit naar derde landen; actie 4 – projecten om de aantrekkelijkheid van het Europees hoger onderwijs wereldwijd te vergroten. 3. De externe evaluatie 3.1. De modaliteiten van de evaluatie Aansluitend op een Europese aanbesteding[2] werd het Centre for Strategy & Evaluation Services (CSES) geselecteerd om de evaluatie uit te voeren. De tussentijdse evaluatie betreft de periode 2004-2006. In deze periode is een aantal voorstellen ingediend voor de praktische uitvoering van het programma. Terwijl de masteropleidingen van Erasmus Mundus, het beurzenstelsel en de “aantrekkelijkheidsprojecten” (acties 1, 2 en 4) in het academisch jaar 2004-2005 van start zijn gegaan, is met de partnerschappen (actie 3) pas een jaar later, in 2005-2006, een begin gemaakt. De doelstellingen van de tussentijdse evaluatie waren het beoordelen van de relevantie en het nut, de efficiëntie, de doeltreffendheid, de duurzaamheid en de toegevoegde waarde van het programma voor de Gemeenschap; en het doen van aanbevelingen aan de Commissie over hoe de interventielogica, de doelstellingen, de opzet, de tenuitvoerlegging, de resultaten en de impact van het programma verder kunnen worden verbeterd. 3.2. Methodologie De gebruikte methodologie omvatte literatuuronderzoek, het enquêteren van instellingen en studenten en academici uit de EU en derde landen die aan de masteropleidingen, partnerschappen en aantrekkelijkheidsprojecten deelnemen of hebben deelgenomen (acties 1, 3 en 4), en gesprekken met de belangrijkste belanghebbenden, waaronder de Commissie, het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur (EACEA), de nationale structuren van Erasmus Mundus en deelnemers aan de vier acties van het programma. 3.3. De bevindingen van de evaluatie In algemene zin lijkt het Erasmus Mundus-programma 2004-2008 een zeer positieve start te hebben gemaakt. Het programma heeft zowel bij studenten als bij de instellingen voor hoger onderwijs voor enthousiaste reacties gezorgd, wat erop duidt dat het programma in hoge mate tegemoetkomt aan de eerder vastgestelde behoeften. In de optiek van de instellingen voor hoger onderwijs voegt het programma op een aantal manieren waarde toe, bijvoorbeeld door middel van de ontwikkeling van gezamenlijke, dubbele en meervoudige academische graden door instellingen voor hoger onderwijs in verschillende landen, wat aansluit bij de doelstellingen van het “Bolognaproces” om de Europese dimensie in het onderwijs te versterken en de mobiliteit te vergroten. Erasmus Mundus is ook begonnen met het bevorderen van academische excellentie in het Europees hoger onderwijs, met name door Europese instellingen voor hoger onderwijs aan te moedigen om samen te werken met andere instellingen voor hoger onderwijs die in een specifieke discipline te boek staan als “van wereldklasse”. Vanuit het gezichtspunt van de studenten is ook een groot aantal pluspunten vastgesteld, waaronder een bredere persoonlijke ontwikkeling als gevolg van de blootstelling aan nieuwe culturen en talen en de voordelen die verbonden zijn aan het volgen van een masteropleiding van academische topkwaliteit. De deelname aan Erasmus Mundus wordt door de studenten ook gezien als potentieel gunstig voor de toekomstige carrière. Omdat het programma echter pas in 2004 van start is gegaan, zal het effect van het programma op de kansen op de arbeidsmarkt van potentiële studenten moeten worden beoordeeld met behulp van longitudinaal onderzoek naar de functies waarin studenten die in het kader van het Erasmus Mundus-programma een academische graad halen, uiteindelijk terecht zullen komen (in dit verband zal er op korte termijn een eerste volgonderzoek van start gaan). 3.3.1. Financiële aspecten De begroting van het Erasmus Mundus-programma bedraagt 230 miljoen euro voor de periode 2004-2008. In de jaren 2005-2007 zijn aanvullende middelen ten bedrage van 57,3 miljoen euro beschikbaar gesteld via de “Aziatische vensters”, en in 2007 is daar nog eens 8,8 miljoen euro bijgekomen via het “ACS-venster” en het “Westelijke Balkan-venster”. Dit zijn kredieten om extra beurzen te kunnen verstrekken aan studenten uit specifieke landen, die beschikbaar zijn gesteld in de begroting voor de buitenlandse hulp van de EU. Als gevolg daarvan is er in totaal 296,1 miljoen euro beschikbaar voor de programmeringsperiode 2004-2008. Uit de algemene begroting voor het programma is een aantal opleidingen en beurzen van hoge kwaliteit gefinancierd dat overeenkomt met de aanvankelijke verwachtingen.[3] De vraag naar zowel opleidingen als beurzen is in de verslagperiode echter gestegen en was voldoende hoog om het beschikbaar stellen van extra middelen in de toekomst te rechtvaardigen. Zo werd er van alle aanvragen voor masteropleidingen en aantrekkelijkheidsprojecten van Erasmus Mundus (acties 1 en 4) tussen 2004 en 2006 slechts ongeveer een op de zeven gehonoreerd, terwijl bij de aanvragen voor partnerschappen (actie 3) ongeveer twee derde van de aanvragen succesvol was. In 2007 is maar ongeveer een op de zeven aanvragen voor een beurs (actie 2) gehonoreerd, wat erop wijst dat de concurrentie onder studenten uit derde landen om deze beurzen hoog is. Het feit dat de “vensters” gemakkelijk zijn opgebruikt, duidt erop dat een groter krediet moeiteloos zou zijn opgebruikt, wat de impact van het programma aanmerkelijk zou hebben vergroot. 3.3.2. Europese toegevoegde waarde Een van de kernelementen van het Erasmus Mundus-programma is dat de masteropleidingen een sterke transnationale dimensie moeten hebben, waarbij een voorwaarde is dat er in minimaal twee verschillende EU-lidstaten een studietijdvak wordt doorgebracht. Deelnemers en belanghebbenden slaan Erasmus Mundus daarom hoog aan als het gaat om toegevoegde waarde voor de Gemeenschap. De nauwe samenhang tussen Erasmus Mundus en de doelstellingen van het Bolognaproces (bijvoorbeeld door het bevorderen van een Europese dimensie in het onderwijs, de mobiliteit, gezamenlijke academische graden en Europese samenwerking op het gebied van kwaliteitsborging) wijst ook op toegevoegde waarde voor de Gemeenschap. 3.3.3. Relevantie [4] De beleidscontext is niet radicaal veranderd sinds het voorstel voor de programmeringsperiode 2004-2008 is opgesteld. De interventielogica blijft daarom relevant, zowel gezien vanuit het beleid (het versterken van de samenwerking met derde landen op het gebied van hoger onderwijs, het stimuleren van de interculturele dialoog, het bevorderen van geïntegreerde studieprogramma’s die leiden tot de toekenning van gezamenlijke, dubbele of meervoudige academische graden op Europees niveau, in overeenstemming met het Bolognaproces) als gezien vanuit de vastgestelde behoeften van de begunstigden van het programma (instellingen voor hoger onderwijs en studenten en academici uit Europa en derde landen). Er bestaan sterke verbindingen tussen Erasmus Mundus en de Lissabonstrategie, met name de agenda voor “Onderwijs en opleiding 2010”, en het Bolognaproces, waarin de nadruk ligt op de noodzaak om de onderwijs- en opleidingsstelsels open te stellen voor de wereld, als onderdeel van het antwoord van de Gemeenschap op de uitdagingen en kansen die voortvloeien uit de globalisering. Europa moet concurreren in een omgeving waar het aantal internationale studenten snel groeit en de concurrentie om deze studenten scherper wordt. 3.3.4. Doeltreffendheid en impact[5] Het programma had eind 2006 de volgende resultaten opgeleverd: 80 Erasmus Mundus-masteropleidingen (actie 1); 2 325 beurzen voor inkomende studenten uit derde landen (actie 2); 19 partnerschappen (actie 3); 23 aantrekkelijkheidsprojecten (actie 4).[6] De deelname aan het programma heeft tot dusverre min of meer de omvang die werd verwacht, met uitzondering van de partnerschappen (actie 3), waarbij de deelname lager is dan verwacht. Erasmus Mundus heeft ervoor gezorgd dat er enige vooruitgang is geboekt bij het ontwikkelen van meer gestructureerde samenwerking in het hoger onderwijs tussen de EU en derde landen, hoewel de lage deelnamecijfers bij de partnerschappen (actie 3) erop wijzen dat er op dit gebied nog meer moet worden gedaan. Wat betreft het vergroten van de toegankelijkheid van het Europees hoger onderwijs, in het bijzonder door hooggekwalificeerde masterstudenten en academici uit alle landen ter wereld in staat te stellen te studeren en/of te doceren in de EU, heeft het beurzenstelsel (actie 2) de toegang tot het Europees hoger onderwijs sterk verbeterd en de aantrekkelijkheid ervan voor studenten van hoog kaliber uit derde landen vergroot. Met betrekking tot het bevorderen van het intercultureel begrip heeft Erasmus Mundus de interculturele uitwisseling van ervaringen met succes gestimuleerd. Het feit dat de verdeling van de beurzen over de verschillende nationaliteiten van studenten uit derde landen zeer goed is geweest, heeft hieraan bijgedragen. Bovendien geven deze studenten aan dat zij de culturele en taalkundige voordelen van het programma belangrijker vinden dan de eventuele voordelen voor hun toekomstige loopbaan. Wel is het zo dat studenten uit derde landen tot nu toe in grotere mate van het programma hebben geprofiteerd dan studenten uit de EU, vanwege de meer beperkte financieringsmogelijkheden voor mobiliteit van EU-studenten. De ervaringen van studenten – in academisch, cultureel en taalkundig opzicht – zijn veel rijker bij Erasmus Mundus-opleidingen waarin een goede balans bestaat tussen studenten uit Europa (met inbegrip van het gastland) en internationale studenten dan bij opleidingen waarin de niet-Europese studenten veruit in de meerderheid zijn. Erasmus Mundus heeft ook een positief effect op die EU-landen die eerder nog geen wettelijk kader hadden voor het erkennen van twee of meer gecombineerde academische graden waarbij partners uit verschillende EU-landen betrokken zijn. Zelfs waar problemen met de erkenning van gecombineerde graden blijven bestaan, hebben de masteropleidingen van Erasmus Mundus in de praktijk een structuur van dubbele of meervoudige graden ten uitvoer gelegd die echte integratie van studies op basis van samenwerking mogelijk heeft gemaakt. Gecombineerde graden helpen ook om de arbeidsmarkt van de EU transparanter en meer toegankelijk te maken voor Europese studenten. Minder positief is het feit dat bepaalde Europese landen ondervertegenwoordigd zijn als het gaat om het aantal projecten waaraan hun instellingen deelnemen. De Commissie wil deze onevenwichtigheid aanpakken. De masteropleidingen van Erasmus Mundus betreffen praktisch alle academische disciplines, hoewel de technische wetenschappen en natuurwetenschappen duidelijk de overhand hebben. 3.3.5. Efficiëntie en kosteneffectiviteit [7] De nationale structuren en instellingen voor hoger onderwijs die masteropleidingen van Erasmus Mundus aanbieden, zijn van mening dat de Commissie en het EACEA tot op heden zeer goed werk hebben geleverd bij het toezicht houden op de tenuitvoerlegging van de programma’s. Vooral de communicatie en de informatiestroom werden zeer positief beoordeeld, te weten als regelmatig en informatief. Vragen van instellingen voor hoger onderwijs worden doorgaans snel beantwoord en er is nuttige feedback gegeven op de rapporten van de consortia. De over het algemeen hoge waardering voor het beheer van het programma door zowel de studenten als de instellingen voor hoger onderwijs wijst erop dat het programma door de Commissie en het EACEA doelmatig en efficiënt wordt beheerd. Het systeem van het uitkeren van bedragen ineens en het gebruik van eenheidskosten, evenals de hoogte daarvan, worden in hoge mate als kosteneffectief beschouwd, en hebben bijgedragen aan het bereiken van de doelstellingen van het programma tegen de laagst mogelijke kosten. Uit de evaluatie komt echter naar voren dat universiteiten en de Europese studenten die deelnemen aan de masteropleidingen van Erasmus Mundus in het huidige programma ondergefinancierd worden.[8] 3.3.6. Nut, toegevoegde waarde en duurzaamheid[9] Vrij veel masteropleidingen van Erasmus Mundus die via het programma zijn gesteund, waren al bestaande opleidingen die zijn gewijzigd om in het kader van Erasmus Mundus te passen. Het programma lijkt instellingen voor hoger onderwijs te hebben aangemoedigd om hun bestaande hoogwaardige opleidingen te wijzigen door samen te werken en gezamenlijke onderwijsprogramma’s te ontwikkelen met instellingen voor hoger onderwijs in andere Europese landen die dezelfde studie aanbieden, om op die manier het vereiste academische topniveau op Europees/internationaal niveau te bereiken. Uit het onderzoek komt naar voren dat de meeste van deze opleidingen in hun huidige vorm niet hadden kunnen blijven bestaan zonder financiering uit het Erasmus Mundus-programma. Terwijl dit op een lage duurzaamheid lijkt te wijzen, duidt het er vanuit een andere invalshoek op dat Europees geld wordt gebruikt om activiteiten te bevorderen die anders niet op dezelfde wijze hadden kunnen plaatsvinden. Een ander punt is of de studenten en academici (vooral die uit derde landen) aan het programma zouden hebben deelgenomen als de financiële steun er niet was geweest. In dit verband verklaarde 95 procent van de studenten uit derde landen dat ze zonder de beurs niet aan het programma hadden kunnen deelnemen. Dit wijst op een hoog niveau van additionaliteit. 4. Belangrijkste aanbevelingen van de externe evaluatie en opmerkingen van de Commissie De belangrijkste aanbevelingen van de evaluatie zijn vet gedrukt, en de antwoorden van de Commissie zijn cursief aangegeven. 4.1. De opzet van het programma Aanbeveling 1 Er moeten via een vergelijkende procedure ook beurzen worden toegewezen aan studenten uit de EU, zodat deze aan het Erasmus Mundus-programma kunnen deelnemen. EU-studenten moeten op meer gelijke voet met studenten uit derde landen aan het programma kunnen deelnemen. De Commissie is het eens met deze aanbeveling. Dit is een manier om de mobiliteit van studenten binnen de EU en de deelname van studenten uit EU-lidstaten te bevorderen. De Commissie zal mogelijke maatregelen bestuderen om de positie van EU-studenten te verbeteren, en daarnaast streven naar complementariteit met het Erasmus-programma. Aanbeveling 2 Het Erasmus Mundus-programma moet – als de financiële middelen dat toestaan – worden uitgebreid naar PhD-niveau. Dit geldt voor zowel de opleidingen als het beurzenstelsel. Daarbij moet goed worden nagedacht over de vraag hoe de kwaliteit van de PhD-opleidingen kan worden gewaarborgd. Het Franse model van “co-tutelle” kan in dit verband als voorbeeld dienen. Er dient speciaal op te worden gelet dat er geen overlapping met de Marie Curie-onderzoeksbeurzen plaatsvindt. De Commissie is het eens met deze aanbeveling. Op deze manier kan Europa uitmuntende studenten en onderzoekers uit derde landen vasthouden en verbindingen tot stand brengen tussen het hoger onderwijs en onderzoek. De Commissie zal het “co-tutelle”-model bestuderen bij het nemen van besluiten over toekomstige maatregelen en zal ervoor zorgen dat er synergieën met de Marie Curie-onderzoeksbeurzen en -netwerken zullen worden gecreëerd. Aanbeveling 3 Er moet worden gestimuleerd dat er in het kader van de masteropleidingen van Erasmus Mundus niet alleen naar samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs in derde landen wordt gestreefd, maar dat deze instellingen ook de kans krijgen om volledige en gelijkwaardige partners te worden in de opleiding zelf. Dit kan worden bereikt door de masteropleidingen en de partnerschappen (acties 1 en 3) samen onder één paraplu te brengen. De Commissie is het in beginsel met deze aanbeveling eens en zal passende maatregelen in overweging nemen voor de toekomst. Als het gaat om instellingen voor hoger onderwijs in derde landen is kwaliteitsborging echter een complexe materie. Het is belangrijk dat de wensen van de deelnemende Europese instellingen voor hoger onderwijs en de structuur van hun academische programma’s volledig worden gerespecteerd. Aanbeveling 4 Het Atlantis-programma en het samenwerkingsprogramma tussen de EU en Canada (evenals de proefprojecten met Japan, Australië en Nieuw-Zeeland) moeten worden samengevoegd met het Erasmus Mundus-programma om de samenhang binnen de aanpak van de Commissie met betrekking tot de versterking van de samenwerking op het gebied van het hoger onderwijs tussen de EU en derde landen te verbeteren. Vanuit het gezichtspunt van promotie en bewustmaking zouden er voordelen zijn verbonden aan het gebruik van Erasmus Mundus als het enige merk waarmee de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en de mobiliteit van studenten en academici uit de EU en derde landen worden gestimuleerd. Dit zou ook een belangrijk positief effect hebben op de zichtbaarheid van het programma en de samenhang van de Gemeenschapsactiviteiten op dit terrein. De Commissie vindt deze aanbeveling interessant. Het samenwerkingsprogramma tussen de EU en de VS (Atlantis), dat onlangs is verlengd, heeft echter een ruimere werkingssfeer dan het Erasmus Mundus-programma, omdat gezamenlijke masteropleidingen daarin slechts een onderdeel van het programma vormen. Het samenvoegen van alle Gemeenschapsactiviteiten met een externe dimensie op het gebied van onderwijs in één geïntegreerd programma kan echter een optie zijn voor de periode vanaf 2013. Aanbeveling 5 Er moet worden overwogen om Erasmus Mundus-studenten op meer systematische wijze stageplaatsen aan te bieden. Dit zou ook aanmerkelijk bijdragen aan het versterken van het profiel van het programma onder werkgevers en andere belanghebbenden. Deze stages moeten echter geen verplicht karakter krijgen, omdat dit niet noodzakelijkerwijs past bij alle masteropleidingen van Erasmus Mundus. De Commissie verwelkomt deze aanbeveling en zal de masteropleidingen van Erasmus Mundus aanmoedigen om hun studenten, waar dat een optie is, stagemogelijkheden aan te bieden. Een flexibele benadering van deze kwestie, zoals de onderzoekers voorstellen, lijkt hierbij gepast. 4.2. Het beheer van het programma Aanbeveling 6 De nationale structuren moeten grotendeels door de lidstaten blijven worden gefinancierd om te voorkomen dat er een volledige EU-agentschapsstructuur op nationaal niveau ontstaat (waarvoor geen steun onder de nationale structuren lijkt te bestaan). Dat neemt niet weg dat de EU wel enige middelen beschikbaar moet stellen voor de medefinanciering van promotieactiviteiten door de nationale structuren, aangezien hun werklast in de volgende programmeringsperiode waarschijnlijk sterk zal toenemen vanwege de verwachte stijging van de begroting van het programma. De Commissie moet de nationale structuren uitnodigen om op thematische basis een beperkt aantal voorstellen in te dienen voor de financiering van specifieke initiatieven die ze willen ondersteunen, zoals marketing- en promotieactiviteiten, enzovoorts. Overwogen kan worden om de nationale structuren in de nieuwe programmeringsperiode een formele rol te geven in het monitoren van de masteropleidingen van Erasmus Mundus. De Commissie is het eens met deze aanbeveling. De rol van de nationale structuren bij het uitvoeren van specifieke activiteiten op het gebied van voorlichting, promotie of de verspreiding van informatie, evenals bij het monitoren van de projecten, moet worden versterkt. Aanbeveling 7 De Europese Commissie moet haar aandacht richten op kwaliteitsborging wanneer de masteropleidingen met de merknaam Erasmus Mundus eenmaal van start zijn gegaan. Zelfevaluatie moet het fundamentele uitgangspunt blijven voor het waarborgen van een continue kwaliteit van de opleidingen. Bovendien moeten de masteropleidingen van Erasmus Mundus gedurende elke programmeringsperiode steekproefsgewijs worden onderworpen aan een externe kwaliteitsbeoordeling. Deze taak kan worden uitgevoerd door externe organisaties voor kwaliteitsborging die al eerder ervaring hebben opgedaan met het beoordelen van de kwaliteit van de inhoud en integratie van academische opleidingen (bij voorkeur van opleidingen die op een transnationale basis worden aangeboden). De Commissie is het ermee eens dat de kwaliteit van de masteropleidingen van Erasmus Mundus moet worden gewaarborgd en is hier binnen het huidige programma al mee bezig. De Commissie zal in 2007 – in samenwerking met externe deskundigen op dit gebied – richtsnoeren opstellen voor goede praktijken in de masteropleidingen van Erasmus Mundus. Nadat eerst een zelfbeoordeling heeft plaatsgevonden, zal een aantal opleidingen, op basis van een representatieve steekproef en in de context van een intercollegiale toetsing, worden bezocht door externe deskundigen, teneinde indicatoren voor goede praktijken vast te stellen en deze te verspreiden onder de huidige en potentiële toekomstige begunstigden. Aanbeveling 8 Het comitologiebeginsel voor de toekenning van beurzen in het kader van het Erasmus Mundus-programma (actie 2) moet worden verlaten om de selectieprocedure sneller te laten verlopen. Hiermee kan een definitief besluit over de toekenning van een beurs met wel zes tot acht weken worden vervroegd. De Commissie deelt de zorgen van de evaluatoren over de huidige comitologieprocedure bij het nemen van besluiten over de toekenning van beurzen, omdat deze besluiten door universiteiten zuiver en alleen worden genomen op basis van academische verdienste. De Commissie zal dit punt tegen het licht houden bij het opstellen van voorstellen voor de opzet van een toekomstig programma. 4.3. De financiering van het programma Aanbeveling 9 In de volgende programmeringsperiode moet de hoogte van de beurzen voor studenten uit derde landen niet worden verlaagd ten opzichte van het huidige niveau van 21 000 euro per jaar. De Commissie moet echter ook de hoogte van andere gerenommeerde beurzen blijven monitoren, zoals de Fulbright-, Chevening- en DAAD-beurzen (DAAD: Duitse academische uitwisselingsdienst). De hoogte van de beurzen moet uniform blijven, zonder dat er differentiatie plaatsvindt op basis van waar een bepaalde student besluit te gaan studeren of van het land van herkomst. Dat is de enige rechtvaardige benadering en andere benaderingen lijken niet te werken. Het gemeenschappelijke tarief van het collegegeld voor de masteropleidingen van Erasmus Mundus dat wordt vastgesteld door de individuele consortia dient te worden gehandhaafd. De Commissie is het eens met deze aanbeveling. Op deze manier kunnen de Erasmus Mundus-beurzen mondiaal gezien concurrerend worden gehouden. Wat betreft het gemeenschappelijke tarief van het collegegeld, is de Commissie van mening dat dit een essentieel element van een geïntegreerd studieprogramma is en is de Commissie voornemens om dit gemeenschappelijke tarief als een verplicht element van gezamenlijke programma’s in stand te blijven houden. Aanbeveling 10 In de volgende programmeringsperiode moet de financiële steun aan elk consortium dat masteropleidingen van Erasmus Mundus verzorgt worden verhoogd om de werkelijke kosten van het beheren van een geïntegreerde grensoverschrijdende masteropleiding beter te weerspiegelen. De Commissie heeft bij het monitoren van het programma zelf vastgesteld dat het huidige jaarlijkse bedrag van 15 000 euro dat aan universiteiten wordt gegeven over het algemeen de kosten van gezamenlijke programma’s onderschat. De Commissie zal deze aanbeveling in aanmerking nemen bij het plannen van de volgende fase van het programma, met volledige eerbiediging van het Financieel Reglement en de uitvoeringsbepalingen daarvan. 5. CONCLUSIES VAN DE COMMISSIE De Commissie deelt het globale oordeel van de evaluator dat het programma een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de internationalisering van het Europees hoger onderwijs. Erasmus Mundus is een relevant en efficiënt instrument voor Europese instellingen voor hoger onderwijs gebleken bij het vinden van een antwoord op de globalisering. De resultaten van deze tussentijdse evaluatie laten zien dat het programma voldoet aan de politieke en operationele doelstellingen, evenals aan de doelstellingen van artikel 149 van het Verdrag. In de periode 2004-2006 hebben niet minder dan 323 instellingen voor hoger onderwijs in Europa en derde landen en 2 325 studenten uit derde landen aan het programma deelgenomen, die hun tevredenheid – en zelfs enthousiasme – over het programma hebben onderstreept. De Commissie zal bij het ontwikkelen van voorstellen voor het toekomstige Erasmus Mundus-programma de nodige aandacht besteden aan de kritiek dat het programma minder succesvol is geweest ten aanzien van Europese studenten. De Commissie zal de resultaten van deze tussentijdse evaluatie in aanmerking nemen in het voorstel voor het nieuwe Erasmus Mundus-programma voor de periode na de huidige programmeringsperiode 2004-2008. De Commissie zal haar voorstel voor het nieuwe Erasmus Mundus-programma, dat zal worden gepresenteerd in juni 2007, baseren op de aanbevelingen van deze evaluatie, die samenvallen met de bevindingen van onderzoeken die zijn uitgevoerd buiten het bestek van deze evaluatie, maar wel in dezelfde periode. Statistische bijlagen. aanvragen en selectie. Instellingen voor hoger onderwijs die deelnemen in masteropleidingen van Erasmus Mundus (2004-2006) | EU- + EVA-/EER- landen | Deelnemingen van instellingen voor hoger onderwijs in masteropleidingen van Erasmus Mundus waarvoor een aanvraag is ingediend bij Erasmus Mundus (1) | Deelnemingen van instellingen voor hoger onderwijs in masteropleidingen van Erasmus Mundus die zijn geselecteerd voor Erasmus Mundus (1) | Instellingen voor hoger onderwijs die deelnemen in masteropleidingen van Erasmus Mundus die geselecteerd zijn voor Erasmus Mundus | Slagingspercentage | Oostenrijk | 23 | 6 | 4 | 26,09 | België | 110 | 16 | 7 | 14,55 | Cyprus | 0 | 0 | 0 | 0,00 | Tsjechië | 48 | 9 | 4 | 18,75 | Denemarken | 54 | 12 | 7 | 22,22 | Estland | 20 | 3 | 2 | 15,00 | Finland | 40 | 7 | 5 | 17,50 | Frankrijk | 367 | 50 | 40 | 13,62 | Duitsland | 248 | 41 | 30 | 16,53 | Griekenland | 34 | 4 | 4 | 11,76 | Hongarije | 57 | 8 | 3 | 14,04 | Ierland | 39 | 6 | 5 | 15,38 | Italië | 277 | 33 | 20 | 11,91 | Letland | 19 | 0 | 0 | 0,00 | Litouwen | 26 | 0 | 0 | 0,00 | Luxemburg | 6 | 1 | 1 | 16,67 | Malta | 16 | 1 | 1 | 6,25 | Nederland | 123 | 26 | 14 | 21,14 | Polen | 100 | 10 | 6 | 10,00 | Portugal | 131 | 20 | 11 | 15,27 | Slowakije | 10 | 1 | 1 | 10,00 | Slovenië | 17 | 2 | 2 | 11,76 | Spanje | 383 | 44 | 23 | 11,49 | Zweden | 103 | 21 | 11 | 20,39 | Ver. Konink. | 203 | 37 | 23 | 18,23 | IJsland | 2 | 0 | 0 | 0,00 | Liechtenstein | 0 | 0 | 0 | 0,00 | Noorwegen | 46 | 11 | 8 | 23,91 | Totaal | 2 502 | 369 | 232 | 14,75 | (1) Deze cijfers omvatten dubbele of meerdere deelnemingen van dezelfde instellingen voor hoger onderwijs in verschillende aanvragen. | Instellingen voor hoger onderwijs die deelnemen in de "aantrekkelijkheidsprojecten" (actie 4) van Erasmus Mundus (2004-2006) | EU- + EVA/EER- landen | Deelnemingen van instellingen voor hoger onderwijs in actie 4-projecten waarvoor een aanvraag is ingediend bij Erasmus Mundus (1) | Deelnemingen van instellingen voor hoger onderwijs in actie 4-projecten die zijn geselecteerd voor Erasmus Mundus (1) | Instellingen voor hoger onderwijs die deelnemen in actie 4-projecten die geselecteerd zijn voor Erasmus Mundus | Slagingspercentage | Oostenrijk | 24 | 3 | 3 | 12,50 | België | 42 | 4 | 4 | 9,52 | Cyprus | 3 | 1 | 1 | 33,33 | Tsjechië | 19 | 2 | 2 | 10,53 | Denemarken | 15 | 4 | 3 | 26,67 | Estland | 13 | 4 | 3 | 30,77 | Finland | 37 | 10 | 7 | 27,03 | Frankrijk | 76 | 11 | 10 | 14,47 | Duitsland | 65 | 9 | 7 | 13,85 | Griekenland | 15 | 1 | 1 | 6,67 | Hongarije | 25 | 2 | 2 | 8,00 | Ierland | 3 | 1 | 1 | 33,33 | Italië | 85 | 6 | 6 | 7,06 | Letland | 8 | 2 | 2 | 25,00 | Litouwen | 20 | 3 | 3 | 15,00 | Luxemburg | 1 | 0 | 0 | 0,00 | Malta | 5 | 1 | 1 | 20,00 | Nederland | 36 | 9 | 7 | 25,00 | Polen | 36 | 4 | 4 | 11,11 | Portugal | 26 | 3 | 3 | 11,54 | Slowakije | 19 | 2 | 2 | 10,53 | Slovenië | 10 | 0 | 0 | 0,00 | Spanje | 69 | 10 | 9 | 14,49 | Zweden | 29 | 5 | 4 | 17,24 | Ver. Konink. | 59 | 8 | 7 | 13,56 | IJsland | 1 | 0 | 0 | 0,00 | Liechtenstein | 1 | 1 | 1 | 0,00 | Noorwegen | 16 | 7 | 7 | 43,75 | Totaal | 758 | 113 | 100 | 14,91 | (1) Deze cijfers omvatten dubbele of meerdere deelnemingen van dezelfde instellingen voor hoger onderwijs in verschillende aanvragen. | Studiebeurzen | Aantal ontvangen aanvragen van studenten | Aantal toegekende beurzen voor het Erasmus Mundus- programma | Aantal toegekende “Venster”-beurzen | Totaal aantal toegekende studiebeurzen | Slagingspercentage | 2004-05 | n.v.t. | 140 | 0 | 140 | n.v.t. | 2005-06 | 3 030 | 455 | 353 | 808 | 26,67 | 2006-07 | 5 500 | 741 | 636 | 1 377 | 25,04 | 2007-08 | 12 766 | 1 198 | 606 | 1 804 | 14,13 | 2008-09[10] | n.v.t. | 1 890 | 45 | 1 935 | n.v.t. | Totaal | 21 296 | 4 424 | 1 640 | 6 064 | 19,39 | [1] PB L 345 van 31.12.2003. [2] Uitnodiging tot inschrijving nr. EAC 34/06. [3] Voor cijfers, zie punt 3.3.4. hieronder. [4] De mate waarin de doelstellingen van het programma relevant zijn voor de behoeften van het hoger onderwijs in Europa. [5] De mate waarin de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt. [6] Naar verwachting zullen tegen het einde van het programma in 2008 de volgende eindresultaten gerealiseerd zijn: 105 Erasmus Mundus-masteropleidingen (actie 1), 6 000 beurzen voor inkomende studenten uit derde landen (actie 2), 50 partnerschappen (actie 3) en 50 aantrekkelijkheidsprojecten (actie 4). [7] De mate waarin de gewenste effecten zijn verwezenlijkt tegen redelijke kosten. [8] De masteropleidingen van Erasmus Mundus ontvangen jaarlijks een bedrag ineens van 15 000 euro. EU-studenten ontvangen een beurs van 3 100 euro voor een studieperiode van drie maanden aan een instelling voor hoger onderwijs in een derde land. [9] De mate waarin positieve effecten naar verwachting zullen blijven bestaan nadat een activiteit is beëindigd. [10] Prognose