52007DC0010

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad {SEC(2007) 29}


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 17.1.2007

COM(2007) 10 definitief

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad {SEC(2007) 29}

1. INLEIDING

Dit is het derde van een reeks van driejaarlijkse rapporten die de Commissie moet voorleggen op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 577/98 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap. Het eerste rapport is door de Commissie ingediend in 2000 en betrof de periode 1998-1999, terwijl het tweede werd ingediend in 2003 en de periode 2000-2002 betrof.

In dit rapport wordt de vooruitgang beschreven die de lidstaten, de kandidaat-lidstaten en de EVA-lidstaten (hierna "de deelnemende landen"[1] te noemen) in de periode 2003-2005 hebben geboekt met betrekking tot de bepalingen van de verordening van de Raad en van de desbetreffende verordeningen van de Commissie . De inhoud van het rapport is gebaseerd op kwaliteitsrapporten, gegevens en andere informatie die van de betrokken landen is ontvangen, in aanvulling op analyses van de nationale vragenlijsten.

2. HOOFDPUNTEN

Sinds het laatste rapport aan de Raad en het Europees Parlement is er aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de verbetering van de gegevenskwaliteit en van de vergelijkbaarheid van de nationale arbeidskrachtenenquêtes. Alle lidstaten voeren nu een doorlopende enquête uit, zodat Eurostat kwartaalresultaten kan publiceren. De gegevens worden tijdiger ingediend en verscheidene landen hebben hun vragenlijsten en de opzet van de enquêtes verbeterd, zodat de enquête door heel Europa beter vergelijkbaar is en de dekkingsgraad van de populatie is toegenomen.

De geboekte vooruitgang bij de uitvoering van specifieke aspecten van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad is hieronder meer gedetailleerd beschreven, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen.

2.1. Uitvoering van doorlopende kwartaalenquêtes - Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1991/2002 van het Europees Parlement en de Raad, op grond waarvan de lidstaten vanaf 2003 een doorlopende kwartaalenquête moeten uitvoeren, is goedgekeurd in oktober 2002. Voor twee landen werd een afwijking toegestaan waarbij de overgangsperiode werd verlengd, namelijk voor Italië (tot eind 2003) en voor Duitsland (tot eind 2004).

Over de hele linie is aanmerkelijke vooruitgang geboekt met de uitvoering van de doorlopende enquête, met enkele uitzonderingen: Luxemburg heeft tot nu toe alleen een enquête uitgevoerd die jaarresultaten oplevert. Hongarije, Slovenië, Bulgarije, Roemenië en Turkije hadden in 2005 niet alle weken gedekt. Vanaf 2006 is dit probleem in Hongarije, Slovenië, Roemenië en Turkije opgelost. In Luxemburg, Slovenië, Hongarije, Nederland en Duitsland is er nog geen sprake van een uniforme verdeling van de steekproef over de weken van het jaar.

Kroatië, Turkije en Zwitserland voeren geen doorlopende enquête uit. Kroatië is van plan in 2007 met de uitvoering te beginnen, en Turkije en Zwitserland in 2009.

2.2. Eisen ten aanzien van de nauwkeurigheid – Artikel 3, leden 1 en 2

Artikel 3, lid 1, bepaalt dat de jaarlijkse relatieve standaardafwijking voor het kenmerk werkloosheid (vastgesteld op 5%) op regionaal niveau (NUTS II) niet meer dan 8 % mag bedragen.

In slechts 31 van de 281 regio’s op NUTS-II-niveau (8 in Frankrijk, 6 in Polen, 8 in het Verenigd Koninkrijk, 2 in Bulgarije en 7 in Roemenië) voldeed de arbeidskrachtenenquête niet in elk van de drie jaren aan de nauwkeurigheidseis van artikel 3, lid 1.

Artikel 3, lid 2, bepaalt dat de relatieve standaardafwijking voor het verschil tussen twee opeenvolgende kwartalen (bij een deelpopulatie van 5%) niet meer dan 3% mag bedragen (2% voor landen met ten minste 20 miljoen inwoners).

België, Denemarken, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Bulgarije en Roemenië voldeden in geen van de jaren 2003-2005 aan de nauwkeurigheidseis van artikel 3, lid 2.

2.3. Kenmerken van de enquête – Artikel 4, lid 1

Sommige deelnemende landen verstrekken nog steeds niet alle verplichte variabelen, wat de vergelijkbaarheid van de gegevens beperkt.

2.4. Jaarlijks programma van speciale modules – Artikel 4, lid 2

Het jaarlijks programma van speciale modules heeft resultaten opgeleverd over een leven lang leren (2003), lengte en organisatie van de arbeidstijd (2004) en combinatie van beroep en gezin (2005). Alle lidstaten, kandidaat-lidstaten en EVA-landen hebben aan de speciale modules deelgenomen, met uitzondering van Kroatië en Turkije.

De gegevens werden doorgaans op tijd ingediend, met uitzondering van één lidstaat voor de module 2003 (SE), vier lidstaten voor de module 2004 (CZ, EL, IT en SE) en drie lidstaten voor de module 2005 (DE, EL en SE).

Alle lidstaten hebben de hele reeks variabelen voor 2005 ingediend. Twee lidstaten (NL en VK) hebben enkele van de variabelen van de speciale module 2003 niet ingediend. Bij de speciale module 2004 gold dit ook voor LT, HU en SI.

2.5. Definitie van werkloosheid en de twaalf principes bij de formulering van de vragenlijsten – artikel 4, lid 3.

Er zijn nog aspecten van de arbeidssituatie die niet in alle deelnemende landen op dezelfde manier worden gemeten. Dit betreft de lagere leeftijdsgrens (Spanje, VK, IJsland en Noorwegen stellen deze vast op 16), definitie van de beschikbaarheidsperiode (België, Tsjechië, Griekenland, Ierland, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Nederland, Slovenië, Slowakije, Finland, Bulgarije, Kroatië, Roemenië, Turkije, IJsland, en Noorwegen stellen deze vast op twee weken na het interview) en follow-upvragen over personen die geen werk zoeken omdat zij reeds een baan hebben gevonden (Estland, Ierland, Luxemburg, Hongarije, Slovenië, Kroatië, Roemenië en Noorwegen onderzoeken niet wanneer de betrekking ingaat, of niet of de betrokkene inmiddels binnen twee weken na de referentieweek beschikbaar is voor werk). In 2006 hebben Duitsland, Slowakije en Noorwegen deze afwijkingen reeds hersteld.

De twaalf principes bij de formulering van de vragenlijsten zijn bedoeld om een minimumharmonisatie voor hoofdmetingen van de arbeidskrachtenenquête te verschaffen. Ierland, Malta, Slovenië en Kroatië beginnen met vragen over de voornaamste arbeidssituatie, wat kan leiden tot verschillen met de ILO-definitie van werkenden de referentieweek. Nederland en Noorwegen vragen alleen degenen die een wens tot werken te kennen geven of zij de laatste vier weken werk hebben gezocht. De andere afwijkingen zijn geringer. Twee landen (Oostenrijk en Spanje) voldoen aan alle beginselen.

2.6. Tijdige gegevensindiening – Artikel 6

Sinds het laatste rapport worden de kwartaalgegevens tijdiger ingediend.

De meeste deelnemende landen verstrekken hun gegevens nu binnen de indieningstermijn van twaalf weken.

3. CONCLUSIE

De lidstaten, kandidaat-lidstaten en de EVA-landen hebben sinds het laatste rapport aan de Raad op een aantal belangrijke gebieden goede vooruitgang geboekt.

Door de snellere indiening van de gegevens is de bruikbaarheid van de kwartaalresultaten verbeterd. De landen hebben eigen middelen aangewend om technische verbeteringen van hun enquêtes te beproeven en aan te brengen, in sommige gevallen met financiële steun van de Commissie. Daardoor is de vergelijkbaarheid en de totale kwaliteit van de gegevens verbeterd.

Het baart de Commissie echter zorgen dat niet alle verplichte variabelen door de deelnemende landen worden ingediend en dat het nog voorkomt dat deelnemende landen bepaalde variabelen niet op dezelfde wijze meten. Dit geldt vooral voor de belangrijkste schattingen betreffende werkgelegenheid en werkloosheid, aangezien sommige landen de definitie van werkloosheid en de twaalf principes bij de formulering van vragen over de arbeidssituatie niet volledig hebben uitgevoerd.

Er is veel vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de doorlopende enquête. Toch zijn er nog deelnemende landen die de steekproef niet volledig uniform over alle weken van het jaar verdelen. Eén lidstaat verstrekt nog geen kwartaalresultaten van de doorlopende enquête.

Sommige deelnemende landen moeten de opzet van hun enquêtes nog aanpassen om volledig aan de nauwkeurigheidseisen te voldoen, hetzij op regionaal niveau, hetzij wat de schattingen van het verschil tussen kwartalen betreft.

De deelnemende landen moeten voldoen aan hun verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien en de Commissie zal verder nauw met de lidstaten, kandidaat-lidstaten en EVA-landen blijven samenwerken om tot de volledige uitvoering van de bepalingen van deze verordening te komen.

In dit verband voert Eurostat twee maal per jaar een controle van de naleving uit. Vervolgens worden er maatregelen naargelang van de ernst van de inbreuk genomen.

[1] De voormalige Joegoslavische republiek Macedonië verstrekt Eurostat geen microgegevens uit de nationale arbeidskrachtenenquête en heeft evenmin details over de enquête gegeven. Daarom valt FYROM buiten het bestek van dit rapport.