15.1.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 10/22


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie: Actieplan voor energie-efficiëntie — Het potentieel realiseren”

COM(2006) 545 final

(2008/C 10/08)

De Commissie heeft op 19 oktober 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over de bovengenoemde mededeling.

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 september 2007 goedgekeurd. Rapporteur was de heer IOZIA.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 26 en 27 september 2007 gehouden 438e zitting (vergadering van 27 september) het volgende advies uitgebracht, dat met 145 stemmen voor en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité waardeert en onderschrijft de door de Commissie voorgestelde doelstellingen en maatregelen. Energie-efficiëntie is het eerste en belangrijkste actiegebied voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het Europese energieplan (EEP), te weten: terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen, ook voor de bestrijding van de abnormale opwarming van de aarde, vermindering van de afhankelijkheid van het buitenland, bescherming van het concurrentievermogen van Europa en handhaving van de beschikbaarheid van energie tegen redelijke prijzen.

1.2

Mede in het licht van het recente IPCC-verslag (Intergovernmental Panel on Climate Change) meent het Comité dat alle zeilen moeten worden bijgezet om het energieverbruik terug te dringen en om de technisch haalbare besparingen van meer dan 20 % mogelijk te maken. Hiertoe dienen er nationale plannen te worden uitgewerkt, afgestemd op de financiële en technische uitgangssituatie, ten behoeve van een billijke verdeling van de doelstellingen tussen de lidstaten, uitgaande van ieders potentieel. Verder is het zinvol tussentijdse doelstellingen te bepalen, bijv. voor 2012 en 2016, om in geval van forse afwijkingen de maatregelen bij te kunnen stellen.

1.3

Volgens het Comité is het zinnig als de Commissie een special debat aangaat over „levensstijlen” en over de „kwaliteit van het bestaan”. Het legt de Commissie de vraag voor of zij het realistisch acht dat toekomstige generaties er dezelfde levenstijl op na kunnen houden, met groeiende consumptie en dito emissies. Het besef dat dit onmogelijk is, veronderstelt dat er een probleem is dat slechts opgelost kan worden met kordaat, moedig en tijdig optreden. Voorts is het zo dat de bespaarde energie, indien deze gepaard gaat met een directe toename van de koopkracht van de bevolking, niet mag dienen voor de financiering van verdere consumptie, door het „rebound”-effect.

1.4

Het Comité stelt voor een prioritaire actie toe te voegen: de opzet van districtnetwerken voor verwarming en koeling, waarmee een verlies van 33 % ten gevolge van de omzetting van primaire energie kan worden vermeden.

1.5

Het Comité beveelt de uitvoering aan van positieve prioritaire acties, ter bevordering van de introductie en ontwikkeling van beroepen in de sector energie-efficiëntie, verspreiding van nieuwe geïntegreerde energiediensten, exploitatie van O&O, promotie van recyclage en verwerking van vast afval, die veel werkgelegenheid kunnen scheppen, en de promotie van acties voor MVO. Van het hoogste belang is het bevorderen van studies op energiegebied in het hoger en universitair onderwijs.

1.6

De uitvoering van de 75 initiatieven uit het actieplan en de monitoring en evaluatie van de doeltreffendheid van alle voorgestelde instrumenten nopen tot een versterking van de diensten van de Commissie die het verloop van deze activiteiten zullen moeten volgen. Het Comité dringt aan op een weloverwogen analyse van de behoeften en een uitbreiding van personeel en financiële middelen.

1.7

Volgens het Comité dient het vermogen van de Unie om in haar internationale betrekkingen op het gebied van energie-efficiëntie met één stem te spreken, te worden versterkt. Hiertoe wordt de Commissie aanbevolen om na te gaan of een verdragswijziging nodig is voor een sterkere gemeenschappelijke vertegenwoordiging naar buiten toe, waarbij de lidstaten natuurlijk de bevoegdheid behouden om de voor hen optimale energiemix te kiezen.

1.8

De belastingmaatregelen die bestemd zijn ter ondersteuning van investeringen voor de doelstellingen van het plan dienen volgens het Comité oog te hebben voor de sociaal zwakkeren, werklozen, gepensioneerden en werknemers. Deze groepen dienen te worden gevrijwaard van zowel „energiebelastingen” als fiscale prikkels.

1.9

Het Comité betreurt de tekortschietende coördinatie tussen het vervoers- en het energiebeleid, die elkaar qua structuur, technische en industriële aspecten dienen aan te vullen, samen met het milieu- en industriebeleid; het is zeer bezorgd dat het Commissiedocument zonder deze coördinatie een groot deel van zijn eigen potentiële doeltreffendheid verliest.

1.10

Woningbouw is een belangrijk actieterrein. De potentiële besparingen zijn erg hoog, mits enkele fundamentele aspecten duidelijk zijn, zoals een drastische verlaging van de fiscale lasten voor maatregelen om de energie-efficiëntie te verbeteren, opschorting van administratieve lasten (vergunningen), verbetering van kennis en opleiding van werknemers, ook met behulp van overheidssteun. Woningen met een energiecertificaat zouden fiscale voordelen moeten genieten, of als de eigenaar geen belastbaar inkomen heeft, een energiebonus moeten krijgen om elektriciteit af te nemen. Gedacht kan worden aan preferentiële tarieven tot een bepaald jaarlijks verbruik. Werknemers in de bouwsector zouden opleidingen moeten krijgen t.a.v. de mogelijkheden om in gebouwen een veel hogere energie-efficiëntie te bereiken en hebben nieuwe stimulansen nodig om die mogelijkheden te benutten.

1.11

De financiering van de vereiste investeringen dient te worden verdeeld tussen de particuliere en de overheidssector. Op basis van enkele positieve ervaringen in sommige lidstaten is het de overweging waard algemene fondsen in te stellen, voor een klein deel gevoed met winsten van ondernemingen die in deze sector actief zijn. Een en ander mag niet leiden tot een prijsverhoging voor de eindgebruiker, noch tot een daling van de enorme vereiste investeringen op het gebied van de productie.

1.12

Onontbeerlijk voor de aanpak van het probleem acht het Comité de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, van werkgevers-, vakbonds- en milieu-organisaties. Slechts door collectieve gedragswijziging, wijdverspreide kennis en besef kunnen tastbare resultaten worden behaald, aangezien eindgebruikers in feite de eerste energieverbruikers zijn. Woningen, privévervoer, arbeid: het raakt de burgers rechtstreeks. Opvoeding tot „energieverantwoord gebruik” is fundamenteel, vanaf de eerste jaren op school. De hele samenleving moet zich hiervoor inzetten en dit moet voor iedereen een symbool van nieuwe beschaving worden. Elke Europeaan moet zich aangesproken voelen in deze energiebesparingswedloop, die ook toekomstige generaties de kans geeft over natuurlijke rijkdommen te blijven beschikken, die thans door vervuiling en de hiermee verbonden klimaatverandering zwaar onder druk staan.

1.13

Het Comité benadrukt de positieve resultaten die zijn bereikt met de etikettering van elektrische huishoudelijke apparatuur. Besparingen tot 70 % voor koelkasten en tot 60 % voor wasmachines tonen aan hoe doeltreffend deze methode is. Het Comité zou graag zien dat bijv. het eco-ontwerp wordt uitgebreid tot openbare gebouwen, woningbouw, openbaar en particulier vervoer, dus tot die sectoren met zeer hoog energieverbruik (ruim 70 % van het totale verbruik).

1.14

Wat volgens het Comité veel aandacht verdient, is de inefficiëntie op het gebied van energie-opwekking, transmissie en distributie. Ruim een derde van de energie gaat verloren, oftewel 480 Mtep. Door omzetting naar gelijkstroom met hoog voltage neemt het vermogensverlies af van meer dan 10 % tot 3 % per 1 000 km. Transmissie van gelijkstroom is bovendien gunstig voor de blootstelling van de bevolking aan elektrische en magnetische velden: de emissie van elektromagnetische golven (ELF, extremely low frequencies) die ontstaan bij transmissie van wisselstroom wordt opgeheven.

1.15

Gezien de zeer goede resultaten op het gebied van thermodynamische zonne-energie verzoekt het Comité de Commissie en de Raad deze technologie te stimuleren en verspreiding ervan aan te moedigen.

1.16

Het Comité onderschrijft de doelstelling van de Commissie om de ontwikkeling van WKK-installaties uit te breiden, ook al meent het dat er snel uniforme normen moeten komen voor het meten van de efficiëntie van deze installaties. Het is zinvol om te investeren in programma's voor de verspreiding van drievoudige koppeling, die ook met biomassa gevoed kunnen worden. Micro-WKK-installaties (Richtlijn 2004/8/EG, installaties met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 50 kWe) verdienen de voorkeur en kunnen worden opgenomen in programma's voor energiebesparing en voor minder milieubelasting, en door ze vlotter dan nu het geval is te integreren in de nationale netwerken, in het kader van de ontwikkeling van gedistribueerde energieopwekking. Ondernemingen moeten evenwel op steun kunnen rekenen in verband met de hogere kosten van dit systeem voor de aanpassing van de huidige transmissienetwerken.

1.17

De gas- en elektriciteitsmarkt zijn niet volledig geliberaliseerd. Er dient een wettelijke scheiding te komen tussen ondernemingen die een technisch monopolie uitoefenen en ondernemingen die vrij met elkaar concurreren.

1.18

Interessant is het voorstel om elektronische tellers te installeren waarmee de distributie van energie op afstand, alsook de belasting van het netwerk optimaal geregeld kunnen worden. Zulke tellers zijn geschikte instrumenten die voldoen aan de in de Europese richtlijnen gestelde eisen ten aanzien van energie-efficiëntie.

1.19

De vervoerssector heeft veel werk gemaakt van de terugdringing van het verbruik en van de vervuilende uitstoot. Een nog forsere inspanning is echter nodig gezien de gestaag stijgende uitstoot van CO2, met name in het privévervoer, maar ook in andere vormen van vervoer (de emissies in het wegvervoer zijn tussen 1990 en 2004 met 26 % gestegen). De Commissie onderzoekt aandachtig wat de gevolgen zijn indien bij wet wordt vastgelegd hoe de doelstelling 120 g CO2/km moet worden bereikt. Het Comité beveelt aan alle nodige maatregelen te nemen om de doelstelling te verwezenlijken. Er moet wel op worden gelet dat de maatregelen uit oogpunt van techniek en productie redelijk en haalbaar zijn.

1.20

Het Comité meent dat erop gewezen moet worden dat grootschalige overschakeling van fossiele brandstoffen op biobrandstoffen evenwel het risico met zich meebrengt dat er concurrentie ontstaat tussen brandstof- en voedselproductie bij de bestemming van vruchtbare grond, en dat de voedselprijs zich in stijgende lijn zal aanpassen aan de prijs voor energieopwekking, die op haar beurt de prijs voor fossiele brandstoffen volgt. Zo zouden de automobilisten in het noorden gaan concurreren met de arme en uitgehongerde bevolking in het zuiden (1).

1.21

Het Comité is het geheel eens met de door de Commissie voorgestelde stimulansen en financiële en fiscale strategieën, met name het betrekken van de EIB en de EBWO, maar ook met het voorstel om de Europese banken ervan te doordringen dat financiële steun geboden is voor de uitvoering van de nationale energieplannen. Het Comité hoopt dat er een speciale Europese conferentie over de financiering van energie-efficiëntie wordt belegd om geïnteresseerden warm te maken en om bij Europese banken te pleiten voor deelname aan de uitvoering van een groot moderniseringsproject voor de Europese economie.

1.22

Het Comite stemt in met het „Convenant van de burgemeesters”, maar vindt het streven om de 20 belangrijkste Europese steden te bundelen nog te bescheiden. De lat zou veel hoger moeten liggen en de lokale ervaringen zouden beter moeten worden benut. Opening van een speciaal meldpunt (of andere vormen van communicatie) voor de uitwisseling van goede praktijken tussen (middel)grote en kleine steden in de Unie, waar ruim 80 % van de Europeanen woont, zou een uitstekend instrument kunnen zijn om lokale bestuurders met elkaar in contact te brengen die belast zijn met beleid voor stadsvervoer en bestuurders die zich bezighouden met dicht bij de burger staande activiteiten die de publieke opinie rechtstreeks beïnvloeden.

1.23

Het Comité betreurt het dat in het actieplan voorbij wordt gegaan aan de belangrijke rol die de sociale partners en de sociale dialoog op elk niveau kunnen vervullen om beleid inzake energiebesparing te beoordelen, te bevorderen en nader uit te werken. Het Comité zou graag zien dat de Commissie meer aandacht besteedt aan de opname van milieuduurzaamheid in bestaande structuren voor de sociale dialoog op verschillende niveaus, met name in de sectorale dialoog en de Europese ondernemingsraden. Verder kunnen vakbondsorganisaties een essentiële rol spelen op het gebied van kennis en bewustmaking, zowel in Europees als nationaal verband, door bij te dragen aan de verspreiding van goede praktijken.

1.24

Het is belangrijk dat het thema energiebesparing gerelateerd wordt aan de goede praktijk van maatschappelijk verantwoord ondernemen, met name door multinationals: er is dan ook behoefte aan een sterkere sociale dialoog om alle aspecten van energie-efficiëntie onder de loep te nemen.

1.25

De Commissie wijst nadrukkelijk op het internationale aspect van de verbetering van de energie-intensiteit. Het Comité steunt de voorstellen voor partnerschap en de totstandkoming van een internationale kaderovereenkomst. Tegen de achtergrond van de aangekondigde internationale conferentie over energie-efficiëntie beveelt het Comité aan om landen die betrokken zijn bij ACS-programma's, Euromed en het ENB niet links te laten liggen. Internationale samenwerking is onontbeerlijk om tot duurzame ontwikkeling te komen; hiertoe dienen op diplomatiek terrein, tijdens de conferentie die dit jaar op Bali plaatsvindt, de inspanningen te worden opgevoerd om voor 2009 tot een nieuw internationaal post-Kyoto protocol te komen.

2.   De Mededeling van de Commissie

2.1

De Commissie heeft de Mededeling „Actieplan voor energie-efficiëntie — Het potentieel realiseren” opgesteld na het verzoek daartoe van de Europese Voorjaarsraad 2006, die instemde met de suggesties die werden gedaan in het Groenboek „Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa”.

2.2

Met de in de Mededeling beknopt omschreven voorstellen wordt gestreefd naar een besparing van minstens 20 % tegen 2020 ten opzichte van het verwachte verbruik bij een groeiend BBP en zonder nieuwe maatregelen. Voor uitvoering van het plan moet er 390 Mtoe/jaar bezuinigd worden, waarbij de CO2-uitstoot met 780 Mt/jaar wordt teruggedrongen. De voorgestelde maatregelen zouden het verbruik in absolute termen terug moeten dringen met 1 % per jaar, bij een groei van 2,3 % van het BBP. Zonder maatregelen zou het verbruik echter met 0,5 % per jaar toenemen. Tegenover de vereiste investeringen zou een besparing van brandstoffen moeten staan ter waarde van circa 100 miljard euro per jaar.

2.3

Het debat dat op gang kwam na het Groenboek over energie-efficiëntie, „Meer doen met minder”, leidde tot de voorstellen die samen het „pakket” van deze mededeling vormen: 75 maatregelen op alle gebieden die voor besparingen in aanmerking komen. De belangrijkste hiervan zijn de bouw- en vervoerssector, die overigens het grootste aandeel in het aardolieverbruik heeft. Evenveel aandacht dient echter uit te gaan naar besparingen die kunnen worden bereikt in de productie, transmissie en omzetting van energie en in het bedrijfsleven.

2.4

Het plan van de Commissie omvat onmiddellijke en later uit te voeren acties, binnen een termijn van 6 jaar. Een later actieplan is nodig voor de verwezenlijking van de doelstelling „20 % besparing tegen 2020”.

2.5

De mogelijkheden voor besparingen leveren interessante resultaten op in sectoren voor eindgebruik. Uitgaande van 25 % die haalbaar is in de verwerkende industrie, met name voor randapparatuur (motoren, ventilatoren, verlichting); van 26 % in de vervoerssector, waarbij meer aandacht uitgaat naar co-modaliteit en overschakeling op andere vervoerswijzen, zoals in de tussentijdse herziening van het Witboek over vervoer wordt opgemerkt; en van 27 % in de woningbouw, aan de hand van muur- en dakisolatie, verlichting, hogere efficiëntie van huishoudelijke apparaten, zou de besparing voor commerciële gebouwen kunnen uitkomen op 30 %, waarbij de systemen voor energiebeheer over de gehele lijn worden verbeterd.

2.6

Van structurele veranderingen, de impact van de geschetste maatregelen en de invoering van nieuwe technologieën wordt een verbetering verwacht van de energie-intensiteit van 1,8 %/jaar (470 Mtoe/jaar). Dit betekent dat de totale vermindering van de energie-intensiteit, als de verwachte 20 % van de nieuwe voorstellen wordt bereikt, die voor de periode 2005-2020 garant staan voor 1,5 %/jaar (ofwel 390 Mtoe/jaar), zou moeten uitkomen op 3,3 % per jaar. Bij een verwachte jaarlijkse groei van het BBP van 2,3 % zou de absolute energiebesparing dus 1 %/jaar moeten bedragen.

2.7

De voordelen van het actieplan zullen zich doen gevoelen op het gebied van milieubescherming, vermindering van de invoer van fossiele brandstoffen, minder afhankelijkheid van derde landen, verbetering van de rentabiliteit en het concurrentievermogen van de Europese bedrijven, mede aan de hand van technologische innovatie, die wordt gestimuleerd door de op gang gebrachte processen, hetgeen positieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid.

2.8

Het plan bestaat uit 10 prioritaire en urgente acties; de Commissie roept de lidstaten, lokale en regionale overheden en alle geïnteresseerde partijen op om verdere acties uit te voeren voor een nog beter resultaat. De voorgenomen maatregelen zijn sectoraal en horizontaal.

2.9

Tot de mogelijkheden behoren: de invoering van dynamische energieprestatie-eisen voor verschillende producten en diensten, bevordering van de efficiëntie van de bestaande en nieuwe productiecapaciteit in de energie-omzettingssector en de drastische beperking van de verliezen bij transmissie en distributie; voor de vervoerssector is een uitgebreide aanpak nodig.

2.10

Het strategische plan voor energietechnologieën, dat in 2007 zou moeten worden goedgekeurd, zal verder bijdragen aan verbetering van de efficiëntie.

2.11

Veel aandacht verdienen voorts de „prijssignalen”, die ertoe leiden dat men beter van de ernst doordrongen raakt. Ook dienen er op alle politieke niveaus adequate financiële instrumenten en stimulerende (fiscale) maatregelen te worden voorbereid voor producenten en consumenten.

2.12

Energie-efficiëntie is een wereldwijd vraagstuk dat internationale overeenkomsten en partnerschappen vereist.

2.13

Strikte toepassing van vigerende richtlijnen en verordeningen, zoals de recente richtlijn over de efficiëntie van eindgebruik van energie en energiediensten, de richtlijn over etikettering, inclusief de 8 uitvoeringsrichtlijnen, de richtlijn over de energieprestatie van gebouwen, de richtlijn over ecologisch ontwerp en de „Energy Star-verordening” zal bijdragen tot de verwezenlijking van de omschreven doelstellingen.

2.14   De prioritaire acties

2.14.1

Etikettering van apparaten en toestellen en minimum prestatie-eisen. Actualisering van kaderrichtlijn 92/75/EG, aansluitend op nieuwe en dynamische normen voor elektrische huishoudapparatuur. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan energieverlies tijdens de „waakstand”. Er wordt begonnen met 14 productgroepen. Het streven is dat tegen 2010 voor de meeste producten die vrij veel energie verbruiken de minimumnormen gelden van de richtlijn ecologisch ontwerp of de prestatieclassificatie.

2.14.2

Eisen inzake energieprestaties voor de bouwsector en gebouwen die heel weinig energie vergen („passieve woningen”). Uitbreiding van de reikwijdte van de richtlijn tot energieprestaties van woningen (momenteel geldend voor oppervlakten van meer dan 1 000 m2); in 2009 wordt een nieuwe richtlijn verwacht met minimumnormen voor de gehele EU, voor nieuwe en gerenoveerde gebouwen (kWh/m2). Samen met de bouwsector zal worden gekeken naar strategieën voor gebouwen met uiterst laag energieverbruik.

2.14.3

Elektriciteitsproductie en -distributie efficiënter maken. De energieomzettingssector gebruikt circa een derde van alle primaire energie, waarbij een omzettingsefficiëntie van circa 40 % wordt bereikt. Met de nieuwe productiecapaciteit is 60 % haalbaar. De verliezen tijdens transmissie en distributie, die om en nabij de 10 % liggen, kunnen aanzienlijk worden gereduceerd. Er zullen minimumefficiëntienormen komen voor nieuwe elektriciteits-, stadsverwarmings- en -koelingsinstallaties met een vermogen van minder dan 20 MW. Verdere vooruitgang wordt verwacht van de invoering van de Richtlijn 2004/8/EG inzake de bevordering van WKK. Tot slot zullen er ook minimumprestatienormen worden ingevoerd voor stadsverwarming.

2.14.4

Brandstofefficiëntie van auto's bereiken. Om de CO2-uitstoot terug te dringen, zal de Commissie zo nodig in 2007 met wetsvoorstellen komen die ervoor moeten zorgen dat de doelstelling van 120 g CO2/km tegen 2012 wordt verwezenlijkt. Tevens worden fiscale maatregelen overwogen in verband met de CO2-uitstoot. De bandensector kan eveneens een bijdrage aan energie-efficiëntie leveren (die kan oplopen tot 5 %): hetzij via normen voor de rolweerstand, hetzij door een juiste bandenspanning. De Commissie zal een Groenboek uitwerken over stadsvervoer om het openbaar vervoer aan te moedigen, en andere passende maatregelen om het probleem grondiger aan te pakken, vooral in gebieden met veel verkeer.

2.14.5

Passende financiering van energie-efficiëntie-investeringen in het MKB en in ESCO's vergemakkelijken. De Commissie zal de banksector verzoeken speciale financieringsformules voor energiebesparing aan te bieden. Communautaire financiering zoals groene investeringsfondsen, het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie zullen in het bijzonder het MKB ten goede moeten komen.

2.14.6

Aansporen tot energie-efficiëntie in de nieuwe lidstaten. De Commissie zal verzoeken om meer van de voor het cohesiebeleid bestemde middelen te besteden aan grootschalige projecten voor energie-efficiëntie.

2.14.7

Een coherent gebruik van energieheffingen. In het komende Groenboek inzake indirecte belastingen en in de herziening van de richtlijn over belasting van energieproducten zal overwogen worden of evaluaties van energie-efficiëntie en milieubescherming gecombineerd kunnen worden. Wellicht zijn belastingkortingen geschikt om ondernemingen aan te zetten tot de productie en consumenten tot het gebruik van energie-efficiënte elektrische huishoudelijke en overige apparatuur.

2.14.8

Het bewustzijn inzake energie-efficiëntie verhogen. Er zullen voorzieningen komen voor de ontwikkeling van vaardigheden, opleidingen en informatie voor degenen die belast zijn met energiebeheer in het bedrijfsleven en in openbarenutsdiensten. De scholen zullen desbetreffend lesmateriaal ontvangen.

2.14.9

Energie-efficiëntie in bebouwde gebieden. De Commissie zal in 2007 een „convenant met burgemeesters” sluiten. Het gaat om de 20 grootste en meest geavanceerde Europese steden die goede praktijken zullen uitwisselen.

2.14.10

Een wereldwijde aanpak. Gestreefd wordt naar een kaderovereenkomst met de voornaamste handelspartners en internationale organisaties voor de verbetering van de energie-efficiëntie in de sectoren van het eindgebruik en in de sector energieomzetting.

Conclusie

Tot slot kondigt de Commissie in het document een tussentijdse herziening van het actieplan aan voor 2009 en verzoekt zij hiervoor om brede steun van de Raad, het Parlement en de nationale, regionale en lokale politici.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Met haar actieplan wil de Commissie proberen op harmonische wijze het geheel van initiatieven voor het bereiken van een ambitieus doel, te weten een besparing van het energieverbruik van 20 % tegen 2020, in evenwicht te brengen met een verlaging van de CO2-uitstoot met 780 Mt/jaar. Het Comité meent, ook in het licht van het recente IPCC-rapport (Intergovernmental Panel on Climate Change), dat dit doel haalbaar is, hoewel alles in het werk moet worden gesteld om het energieverbruik terug te dringen en om de technisch haalbare besparingen van meer dan 20 % mogelijk te maken. Dit moet gepaard gaan met nationale plannen, die samen het gewenste resultaat mogelijk maken en afgestemd zijn op de financiële en technologische uitgangssituatie, zodat de taken billijk over de lidstaten verdeeld worden, uitgaande van hun potentieel.

3.2

Het is aan te bevelen ook tussentijdse doelstellingen vast te stellen, bijv. voor 2012 en 2016, om indien nodig maatregelen aan te scherpen. Een herziening in 2009 lijkt te vroeg om een gefundeerd oordeel te kunnen vellen. Het Comité beveelt aan om ook een langetermijndoelstelling te overwegen (2040/2050) om doelstellingen voor energiebesparing te kunnen bijstellen. Over enkele jaren zullen de miljardeninvesteringen in de opwekking van energie op basis van fossiele brandstoffen overbodig zijn. Dergelijke installaties dienen zo efficiënt en snel mogelijk te worden vervangen. Het gaat om een uitdaging zonder weerga, in weerwil van wat tegenwoordig gebeurt, bijv. de bouw van glaspaleizen met wel 120 verdiepingen, die dag en nacht worden verlicht, of bijv. het gebruik van terreinen voor vervoersinfrastructuur. De autoriteiten dienen zo snel mogelijk de enorme omvang van het probleem te beseffen als gevolg van de vervanging van energiebronnen.

3.3

De Commissie stelt een plan voor dat tegelijkertijd het energieverbruik terugdringt en de levensstandaard handhaaft. Uitgaande van deze doelstelling wordt tegen 2020 een vermindering van de energie-intensiteit van 3,3 % verwacht, bij een constante groei van het BBP van 2,3 %. Zo daalt het energieverbruik jaarlijks met 1 %, wat overeenkomt met een absolute vermindering van het verbruik van 14 % tussen 2005 en 2020. Het Comité suggereert de Commissie om een discussie te beginnen over „levensstijlen” en over de zgn. „kwaliteit van het bestaan”. Verbetering van de levensstandaard meten sommigen af aan het aantal elektrische huishoudapparaten, GSM's, auto's per persoon, terwijl anderen denken aan CO2-uitstoot, fijnstof, files, reistijd en de kwaliteit van openbare diensten. Het spreekt vanzelf dat ook een bescheiden verandering, in de meest ecologische zin van de term „levensstijl”, ervoor zorgt dat doelstellingen op het stuk van efficiëntie en energiebesparing sneller worden verwezenlijkt. Het Comité vraagt de Commissie of zij het realistisch acht dat ook toekomstige generaties er dezelfde levensstijl op na kunnen houden, met meer consumptie en evenredig toenemende emissies? Probleem is de aanvaarding van het idee dat bespaarde energie niet mag dienen om verdere consumptie, ten gevolge van het rebound-effect, te financieren. Bijgevolg moet het economische systeem bijtijds aangepast worden, door adequate infrastructuur te verwezenlijken en door de komende generaties een adequaat waardensysteem voor te stellen. Bijvoorbeeld (2):

terugdringing van het gebruik van hulpbronnen en energie

preventie van lucht-, water- en bodemverontreiniging

vermindering van afval aan de bron

streven naar minimaal risico voor bevolking en milieu.

3.3.1

De verantwoordelijkheid voor energie-efficiëntie moet worden gespreid over alle niveaus; naast nationale plannen dienen er ook regionale en lokale plannen te komen. De regionale overheden moeten bij deze grote opgave betrokken worden. De reikwijdte en het belang van het plan vormen daadwerkelijk een uitdaging. Sommige aspecten van onze levensstijl, die geassocieerd worden met 20e-eeuwse vooruitgang, zullen we in de ban moeten doen. Esthetiek dient ook een ethisch aspect te omvatten (is iets vanuit energie-efficiënt oogpunt aanvaardbaar?) Zoals nu al geldt voor bontmantels, gemaakt van huiden van zeldzame dieren, of ivoren voorwerpen, zo moet ook een glazen wolkenkrabber of een SUV als onaanvaardbaar beschouwd worden. Een dergelijke ingrijpende wijziging van het heersende waardensysteem vergt ook de medewerking van de privesector, die de gelegenheid te baat moet nemen om vooruit te lopen op een koerswijziging, te weten energie-efficiëntie aangrijpen om er op mondiaal niveau profijt van te trekken, door deze nieuwe waarden ook in reclame te promoten, in plaats van de tegengestelde boodschap te verkondigen, waar gewicht en overbodig vermogen als statussymbool worden opgehemeld.

3.4

Het actieplan onderscheidt tien prioritaire acties, verdeeld over vier terreinen: omzetting, transmissie en distributie van energie; woningen en commerciële/professionele gebouwen; vervoer; industrieel en landbouwgebruik. Deze gebieden zijn goed voor ruim 90 % van het verbruik. In het kader van internationale overeenkomsten zullen andere initiatieven worden genomen om tot partnerschappen te komen voor de definitie van normen, alsook initiatieven op het gebied van informatie, opleiding en communicatie in het streven naar een maximum aan synergie en bewustwording van alle betrokken partijen.

3.5

Het Comité stelt voor nog een prioritaire actie toe te voegen om maatregelen in te voeren ter beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen voor verwarming en verkoeling. Het stelt vast dat niet wordt ingegaan op de mogelijkheid om distributienetwerken voor verwarming en verkoeling op te zetten, waarmee een verlies van 33 % door omzetting van primaire energie voorkomen kan worden. De mogelijkheden zouden nog verdubbelen in combinatie met het gebruik van hernieuwbare energiebronnen of verwerkt afval, wat een besparing van maximaal 50,7 Mtoe/jaar kan opleveren. Naast de prioritaire acties beveelt het Comité positieve prioritaire acties aan, zoals de aanmoediging en ontwikkeling van nieuwe beroepen in de sector energie-efficiëntie, verspreiding van nieuwe geïntegreerde diensten voor energie, promotie van nieuwe energiebesparende en minder vervuilende producten, exploitatie van nationale en Europese O&O, met forse verhoging van de desbetreffende budgetten, alsook de inzet van alle reeds beschikbare technologische middelen. Andere actieterreinen zijn de ontwikkeling van recyclage en verwerking van grof huisvuil, die tal van gebruiksmogelijkheden bieden en de bevordering van acties voor MVO of vrijwillige overeenkomsten binnen de ondernemingen, met actieve inbreng van de werknemers en toepassing van EMAS-procedures.

3.6

In het document van de Commissie worden veel wettelijke maatregelen aangekondigd, zoals nieuwe richtlijnen, verordeningen en de herziening van bestaande instrumenten om de voorschriften strenger te maken (mededeling van 7 februari 2007 over het plafond voor de CO2-uitstoot in de automobielindustrie). Het Comité neemt kennis van de voorstellen van de Commissie en van de besluiten van de Voorjaarstop van maart jongstleden, maar vindt dat het erop moet wijzen dat na de uitbreiding van mei 2004 en van januari 2007 een enorm aantal gebruikte auto's de nieuwe lidstaten is binnengekomen. De ononderbroken stroom is daarna zelfs toegenomen. Volgens het Comité zal het vele jaren duren voordat het wagenpark in deze landen vervangen is, en is het uitgesloten dat dit zal gebeuren door middel van een bindende norm voor de in omloop zijnde voertuigen.

3.7

In het document wordt niet gerept van uitbreiding van de verantwoordelijkheid en communautaire bevoegdheden om ervoor te zorgen dat de doelstellingen worden bereikt en om met één stem te spreken tegenover internationale partners. Het Comité onderschrijft de inhoud van het document van de Europese Raad, alsook de goedkeuring van het Europees Energieplan (EEP), dat energiebeleid beschouwt als één van de prioriteiten voor de toekomst van de Unie en dat de samenwerking en het buitenlands beleid van de Unie versterkt. De juridische grens van de geldende verdragen, die de lidstaten bevoegd maken voor het energiebeleid, wordt in zekere zin overschreden door een concrete uitbreiding van de vertegenwoordigende bevoegdheden tegenover derde landen, ook al erkent art. 174, lid 4, een gedeelde bevoegdheid en een specifieke rol in de samenwerking met internationale organisaties. Vanzelfsprekend geldt: hoe meer coördinatie van het beleid, hoe sterker de onderhandelingspositie van de Unie. Het Comité zou graag zien dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bezien of het, indien nodig, mogelijk is de verdragen zodanig te herzien dat de Unie als vertegenwoordiger tegenover buitenlandse partners meer bevoegdheden krijgt dan ze momenteel kan uitoefenen.

3.8

In Richtlijn 2006/32/EG inzake energie-efficiëntie is niet alleen sprake van de strategie voor een algemene invoering van witte certificaten, maar ook van nationale actieplannen die de diensten van de Commissie zullen beoordelen. Volgens hetzelfde actieplan zullen de activiteiten van de Commissie aanmerkelijk toenemen, zowel voor wetsvoorstellen en regelgeving als voor controletaken. Het Comité meent dat de tot nu toe opgedane ervaringen positief zijn, ook al waren er enkele tekortkomingen in de beginfase van de witte certificaten, die onder meer het gevolg waren van uiteenlopende regelingen in de lidstaten. Een uitbreiding van het personeel bij de Commissie dat zich hiermee bezighoudt, is nodig in verband met de werkzaamheden ter verwezenlijking van de doelstellingen van de onderhavige richtlijn en, meer in het algemeen, om de inspanningen van de Commissie op dit gebied doeltreffend te maken. De Commissie schat de behoefte op circa 20 eenheden. Het Comité beveelt aan om de behoefte aan personeel goed te beoordelen en hoopt dat de versterking er komt.

3.9

Uitvoering van de onderhavige maatregelen zal leiden tot besparingen en bijgevolg tot een lagere BTW-opbrengst, wat gevolgen kan hebben voor de communautaire begroting, hoewel hier nieuwe activiteiten tegenover staan in verband met het beleid voor energie-efficiëntie. Het Comité verzoekt de Commissie zich in deze zin uit te laten, overwegende dat zo'n scenario in de effectbeoordeling ontbreekt. Volgens het Comité zijn de huidige middelen van de Unie volstrekt ontoereikend om alle communautaire programma's te bekostigen, waaraan bovendien voortdurend middelen onttrokken worden voor projecten die opeens in de belangstelling staan en te maken hebben met energiebesparing. De invoering van een eventuele „energiebelasting” moet passen in een fiscaal beleid dat oog heeft voor sociaal zwakkeren; de belasting mag geen negatieve gevolgen hebben voor het huidige niveau van sociale zekerheid en openbare dienstverlening.

3.10

Het actieplan heeft te lijden onder de moeilijkheden bij de verwezenlijking van de doelstellingen uit het Witboek inzake vervoer. In de tussentijdse herziening stelt de Commissie vast dat vanwege de tot nu toe geconstateerde belemmeringen niet alle mogelijkheden voor vervoer per spoor of over water konden worden gerealiseerd, die een aanmerkelijke besparing van energie zouden opleveren. Deze mogelijkheden verdienen absolute prioriteit, gelet op de benodigde tijd voor de aanleg van infrastructuur en voor de wijziging van gewoonten door de bevolking. Meer aandacht dient uit te gaan naar beter vervoer voor werknemers, die nu het slachtoffer zijn van een beleid dat meer gericht is op rechtstreeks economisch resultaat dan op de behoeften aan openbaar vervoer; voorbeeld zijn de investeringen in hogesnelheidslijnen. Verbetering van woon-/werkverkeer zou niet alleen het energieverbruik terugdringen, maar ook de levenskwaliteit op een hoger peil brengen. De vereiste overheidsinvesteringen voor de uitbreiding van de mogelijkheden voor openbaar vervoer leden onvermijdelijk ook schipbreuk tijdens de vijfjarige economische crisis die haar weerslag heeft gehad op de begrotingen van vele lidstaten. Door het niet-aanleggen van de noodzakelijke infrastructuur, de gekortwiekte communautaire financiering voor strategische plannen zoals de TEN-corridors (van 20 naar 7,5 miljard euro) en de strategieën van de belangrijke Europese automobielindustrie is het plan onuitvoerbaar geworden. Het Comité is bezig met de afronding van een belangrijk advies over stadsvervoer, waaruit blijkt dat het openbaar vervoer steeds minder gebruikt wordt en oplossingen aan de hand worden gedaan om het gebruik van eigen vervoer te beperken (3). Het Comité betreurt het dat er te weinig coördinatie is van vervoers- en energiebeleid, die te maken hebben met elkaar overlappende technische en industriële aspecten, samen met het milieu- en industriebeleid. Het Comité is zeer bezorgd dat het Commissiedocument zonder deze coördinatie veel van zijn eigen efficiëntie verliest.

3.11

Deze moeilijkheden duiken weer op bij de uitwerking van normen, mededelingen en aanbevelingen van de Commissie. In Brussel is men getuige van dezelfde problemen als op nationaal niveau, met de verzwarende omstandigheid dat het op Europees niveau tot coördinatie van het nationale beleid moet komen (en niet andersom!).

3.12

Een Europees energiebeleid moet onder alle sociale klassen draagvlak kunnen vinden, zonder verschillen voor wat betreft de toegang tot diensten van energiebedrijven, de aanschaf van efficiëntere huishoudelijke apparatuur of het huren van een appartement. Dergelijk beleid dient werkgelegenheid te scheppen, wat in de sector woningbouw zeker direct mogelijk is. Uit elke maatregel voor meer energie-efficiëntie dient duidelijk te blijken dat de gebruiker erbij gebaat is, alsook dat de terugverdientijd redelijk kort en eenvoudig te berekenen is.

3.13

De financiering mag niet uitsluitend van de overheid komen: gezien de hoge winsten die de energie- en elektriciteitsbedrijven maken, zou er een fonds kunnen worden opgericht met een klein deel van deze winsten, waarmee in sommige lidstaten overigens al is geëxperimenteerd. Daarbij moet vermeden worden dat zulks tot hogere prijzen voor de eindverbruiker leidt, of tot lagere strategische investeringen door de ondernemingen. Er moet natuurlijk rekening worden gehouden met de enorme investeringen die de producerende industrie moet doen om tegen steeds hogere kosten tegemoet te komen aan de groeiende vraag, terwijl voor sommige fossiele grondstoffen de prijs gerelateerd is aan het verloop van de aardolieprijs, maar de kosten van onderzoek veel lager zijn, zoals ook geldt voor de distributiebedrijven. Daarom moet bij de bijdrage aan het fonds rekening worden gehouden met deze belangrijke verschillen in kosten voor het onderzoek. Er valt te denken aan een differentiatie tussen de diverse lidstaten op grond van de uiteenlopende vigerende wetgevingen: men zou energiebedrijven kunnen verplichten om te investeren in onderzoek naar efficiëntie en controle van het prijsniveau. Dit zou soelaas kunnen bieden voor kleine eigenaren die niet over de vereiste middelen beschikken om de energie-efficiëntie van hun woning op te vijzelen, waarmee tevens nieuwe banen worden geschapen.

3.14

Fiscale tegemoetkomingen dienen met uiterste terughoudendheid te worden toegepast. En er moet rekening worden gehouden met arme bevolkingsgroepen, die, indien ze geen belasting betalen, uitgesloten zouden worden van voorzieningen die aanzetten tot efficiënt energieverbruik. Dit is mogelijk door efficiëntiepremies in te zetten, ook voor degenen die vanwege hun lage inkomen niet onderworpen zijn aan directe belastingen.

3.15

Volgens het Comité moeten er bewustmakingscampagnes komen op Europees, nationaal, lokaal en regionaal niveau, met steeds één thema (bijv. de ene maand is het thema spaarlampen, de volgende maand de ontwikkeling van openbaar vervoer, de derde maand milieuvriendelijke en efficiënte verwarming/air conditioning enz.). Ook kan gedacht worden aan campagnes voor ideeën of voorstellen, waarbij de burger erop gewezen wordt dat deze steeds nodig zijn. Slechts door middel van een massaal bewustzijn kunnen concrete resultaten worden bereikt. Het democratische debat, de betrokkenheid van alle vertegenwoordigers van op het spel staande belangen en de rol van de overheid zijn essentieel voor de juiste aanpak van de geplande acties. De lidstaten die beschikken over veel technisch adviseurs op het gebied van energie-efficiëntie zouden zich kunnen ontfermen over de opleiding van adviseurs in andere lidstaten om te zorgen voor een homogene verspreiding van de vereiste kennis voor het welslagen van het plan. In de lidstaten dienen energiestudies op universiteiten en in het hoger onderwijs te worden gestimuleerd, ook door interregionale samenwerking te begunstigen. De Commissie zou e.e.a. doeltreffend kunnen coördineren.

3.16

Maximale aandacht dient uit te gaan naar het vinden van het evenwicht tussen de noodzaak om de vereiste verbeteringen tot stand te brengen en het vermogen van het economisch en productiesysteem om al te onverwachte veranderingen op te vangen. Het gevaar bestaat dat, gezien de hoge kosten, energieintensieve bedrijven, de wijk nemen naar minder „veeleisende” gebieden. Het tempo van de overschakeling dient gelijke tred te houden met de mogelijkheid om zich aan te passen en om de kosten in de hand te houden. Er moeten maatregelen bestudeerd worden voor langetermijncontracten die stabiele energieprijzen garanderen in ruil voor investeringsverplichtingen in innovatie, technologie of infrastructuur voor productie, vervoer en distributie. Deze investeringen moeten beoordeeld worden op hun impact op energie-efficiëntie. Totstandkoming van op vrijwilligheid gebaseerde overeenkomsten is een goede zaak, maar dit vereist ook daadwerkelijke en tijdige controlemogelijkheden voor regionale instanties, alsook de bereidheid om deze overeenkomsten door bindende verplichtingen te vervangen indien komt vast te staan dat ze niet effectief zijn.

3.17

De geschetste maatregelen dienen te passen in de markt, die steeds globaler wordt. Eventuele verhoging van energieprijzen zou enorme problemen kunnen opleveren in sectoren met een hoog energieverbruik, bijv. de cement- en aluminiumsector. De Lissabondoelstellingen mogen niet uit het oog verloren worden en het concurrentievermogen van Europa mag niet verzwakken; de energieprijzen dienen te sporen met de wereldwijde economie. Anderzijds mag Europa niet lijdzaam toezien als sommige sectoren of ondernemingen blijven dreigen om te vertrekken. Ondernemingen die uitsluitend vertrekken om elders hogere winsten te kunnen maken, zouden sancties moeten krijgen omdat ze niet alleen sociale problemen veroorzaken, die soms dramatisch zijn en zwaar wegen op de samenleving, maar ook de interne markt verstoren en de concurrentie vervalsen doordat ze producten op de markt brengen uit andere, meer tolerante landen zonder bindende voorschriften.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Om voor de hand liggende redenen (verdienste, methode) wil het EESC niet elk voorstel (circa 75) apart beoordelen. Het wil echter zijn oordeel geven over de in het document en de bijlagen genoemde belangrijkste bepalingen en voorstellen. Er heeft bij het EESC een hoorzitting plaatsgevonden, tijdens welke de deelnemers nadere informatie hebben verstrekt die voor de overwegingen van het Comité een waardevolle bijdrage betekenen.

4.2

Ten eerste moet worden vastgesteld dat de tot nu toe ingevoerde maatregelen voor dynamische energieprestaties voor energieverbruikende producten, de bouwsector en energiediensten goede resultaten hebben opgeleverd. Producenten en consumenten zijn zeer geïnteresseerd, wat heeft geleid tot een grotere vraag en aanbod van nieuwe, steeds efficiëntere producten. De directe vergelijking van haalbare besparingen, de steeds grotere verspreiding van milieu-educatie en -bewustzijn leiden tot het inzicht dat via deze beleidsgebieden sneller resultaat geboekt kan worden. Milieuvriendelijk ontwerp is een succesfactor en valt in de smaak bij het brede publiek, dat steeds meer oog heeft voor de inhoud van het aanbod. De deels al bestaande tendens waarbij producenten energie-efficiëntie benadrukken en de consument voorzien van gedetailleerde instructies voor een energievriendelijk gebruik van het product, moet worden aangemoedigd. Ook is het Amerikaanse model het overwegen waard, waarbij ondernemingen voor eco-ontwerp beloond worden met speciale prikkels; dit heeft veelbelovende resultaten opgeleverd. Volgens het Comité zijn de belastingkortingen voor ondernemingen die zeer energie-efficiënte producten ontwikkelen en produceren, zeer positief: voorwaarde is wél dat er een doeltreffend en strikt toezicht op de markt en de producten is, naar analogie van de situatie in de machinebouw. Dit toezicht moet gezien worden als een garantie voor ethische producenten om hun investeringen in energie-efficiëntie niet in rook te zien opgaan; het toezicht wordt aanbevolen aan de regio's waaraan het wordt toegewezen.

4.2.1

De normen inzake etikettering verdienen aanmoediging, moeten voor zoveel mogelijk producten gelden en zo snel mogelijk in de automobiel- en bouwsector ingang vinden. Het EESC staat achter het voorstel en spoort de Commissie aan om de 14 productgroepen onderdeel te maken van een regeling met minimumeisen voor energie-efficiëntie, met bijzondere aandacht voor specifieke marktsegmenten om concurrentievervalsing ten gevolge van nieuwe voorschriften te voorkomen. Verder dienen er nog andere producten voor eindgebruik te worden geselecteerd waaraan minimumeisen moeten worden gesteld. De prioriteit om het verbruik te verminderen van de „waakstand” en „slaapstand” wordt ondersteund door het Comité, dat groot belang hecht aan deze maatregel; het energieverbruik voor deze stand zou met maximaal 70 % kunnen verminderen door de in gebruik zijnde apparaten geleidelijk te vervangen. Volgens het Comité zou de „Energy Star”-overeenkomst ook voor de EU moeten voorzien in een verplichte registratie (reeds geldend in de VS) van aanbestedingen voor kantoorapparatuur; de verwachting is dat „De Commissie (…) het goede voorbeeld (zou) moeten geven” (4). Een dergelijke overeenkomst zou voorts gesloten moeten worden met grote producenten in het Verre Oosten aangezien zij een flink deel van de markt voor elektronische gebruiksapparatuur voor hun rekening nemen.

4.2.2

Wat elektrische huishoudelijke apparatuur betreft, dreigen het gebrek aan snelle controleprocedures voor de betrouwbaarheid van etiketten en het gebrek aan sancties in geval van overtreding de „brave” bedrijven die in energie-efficiëntie investeren ernstig af te straffen, en ertoe te leiden dat er ondeugdelijke producten op de markt komen. Vooral de vervanging van oude elektrische huishoudelijke apparaten zou een flinke besparing opleveren (geschat wordt dat er in Europa 200 miljoen in gebruik zijn die meer dan 10 jaar oud zijn). Tevens moet voorkomen worden dat de verouderde, inefficiënte apparatuur terechtkomt op tweedehandsmarkten in ontwikkelingslanden. Voorts moet worden bekeken of de financieringsmaatregelen voor de aanschaf van elektrische huishoudelijke apparaten bestemd zijn voor de meest energie-efficiënte producten.

4.2.2.1

Aangezien zij een vrijwillige code voor zelfregulering van de hand wijst, laat de industrie in dit verband impliciet doorschemeren dat er verplichte maatregelen nodig zijn voor een marktregeling. De afwezigheid van sancties voor gewetenloze producenten en importeurs die klasse-A producten aanbieden die niet voldoen aan de vastgelegde definities voor energiebesparing heeft ertoe geleid dat er op de markt nepproducten in omloop zijn met een zogenaamd laag energieverbruik. De regulering waarom Europese ondernemingen verzoeken, geeft te denken over de doeltreffendheid van de vrijwillige overeenkomsten.

4.2.3

De in de bouwsector te verwezenlijken besparing is zeer aanzienlijk; tegenwoordig zijn er al materialen, bouwmethoden en alternatieven voor traditionele verwarming beschikbaar (bijv. condensatieketels die een brandstofbesparing van 6 tot 11 % opleveren), door latente warmte opnieuw te gebruiken, die gewoonlijk verloren gaat. Het energieverbruik voor airconditioning zou teruggedrongen kunnen worden door gebouwen aan de buitenkant te beschermen tegen zonlicht, daar interne voorzieningen het licht afschermen, maar de warmte grotendeels vasthouden. In de eerste plaats dient de bouw van zgn. „passieve” woningen te worden bevorderd (woningen met zeer laag energieverbruik): tot deze categorie behoren huizen die niet meer dan 15 kWh/m2 per jaar (winter en zomer) verbruiken, voor het basisverbruik voor verkoeling en verwarming. Vermelding verdient ook het totale verbruik (sufficiency) en het maximum aan het primaire verbruik, alles inbegrepen (verlichting, elektrische apparaten), inclusief het drogen van wasgoed (één kg wasgoed drogen kan 3-4 maal de energie vergen die nodig is voor één wasbeurt). Als we bedenken dat er een daling mogelijk is van een gemiddeld verbruik van 180 kWh/m2 per jaar naar circa 15 kWh/m2 per jaar, betekent dit een besparing (efficiency + sufficiency) van maximaal 90 %! (voorbeeld: dorp PH Wiesbaden 1997, 22 huizen, gemiddeld verbruik 13,4 kWh/m2 per jaar; Kronsberg 1998, 32 passieve woningen, gemiddeld verbruik 14,9KWh/m2 per jaar). De totstandkoming van een Europese markt voor deze producten verdient aanmoediging om ervoor te zorgen dat deze technologie tegen redelijke prijzen wijd en zijd verkrijgbaar is.

4.2.4

Het Comité wil er nogmaals op wijzen dat er overheidsinvesteringen nodig zijn voor energie-efficiëntie in sociale woningbouw en overheidsgebouwen, in combinatie met herbruikbare energiebronnen, met name in de nieuwe lidstaten, die veelbelovende kansen op energiebesparing bieden. Naast programma's voor de harmonisatie van wetgeving en ontwikkeling van opleidingen voor technisch specialisten verzoekt het Comité dat voor dit doel een deel van de Structuurfondsen wordt bestemd; verder verzoekt het de Europese financiële instellingen meer te investeren in een moderne energiehuishouding van gebouwen.

4.2.4.1

Echte passieve woningen vergen enkele bijzondere constructies (superisolatie van wanden en vloeren, precirculatieleidingen onder het huis voor binnenkomende lucht), waardoor volledige aanpassing van bestaande woningen aan deze standaard een ingewikkelde en dure zaak wordt. Alles moet dus in het werk gesteld worden om zoveel mogelijk nieuwe woningen volgens de passieve norm te bouwen, met name overheidsgebouwen, waarvoor de standaard geleidelijk verplicht zou moeten worden. Voorts is het zeer belangrijk om de energie-efficiënte oplossingen van de passieve woningen op grote schaal toe te passen bij restauratie en onderhoud aan particuliere woningen, gesteund door revolverende fondsen tegen zeer lage rente. De huidige gebouwen zullen immers ook in 2020 nog grotendeels in gebruik zijn. Voor huurwoningen luidt de vraag hoe het voor eigenaren economisch aantrekkelijk kan worden gemaakt om fors te investeren in energiebesparende maatregelen, waarvan doorgaans vooral de huurders de vruchten plukken.

4.2.4.2

In effectbeoordeling SEC(2006) 1175 stelt de Commissie dat door wijziging van Richtlijn 2002/91/EG inzake het energierendement in gebouwen — vermindering van de oppervlakte (1 000 m2) waarop de minimumvereisten van toepassing zijn (en aanscherping van die minimumvereisten voor openbare gebouwen) — en door algemene invoering van het TEE-systeem (witte certificaten), een besparing van 140 Mtoe haalbaar is. Het Comité twijfelt sterk of dit op korte termijn (5) realistisch is. Volgens het Comité moeten de lidstaten uniforme instrumenten hanteren om het effect van de regelgeving te meten (bijv. de kwaliteit van thermische isolatie) en verplicht worden een en ander daadwerkelijk te controleren (zie bijv. het verschil tussen Frankrijk, waar nauwelijks controle is, en Vlaanderen, waar de regels veel strikter zijn). In dit verband dienen Raad en Parlement te bekijken of het wettelijk mogelijk is de Commissie te machtigen om een verordening uit te vaardigen ter vervanging van het voorstel voor een nieuwe richtlijn door eenvoudigweg na 2009 Richtlijn 2002/91/EG af te schaffen.

4.2.4.3

In een recent gepubliceerde doctoraalscriptie (6) wordt het volgende gesteld:

1.

„Bij een beoordeling van het energieverbruik van een bestaand gebouw, ongeacht of het een woning, school of ander gebouw is, is het niet altijd mogelijk de doelstellingen te halen van gebouwen met een laag energieverbruik of de doelstellingen van een passieve woning …;

2.

Voor herstelwerkzaamheden is een investering nodig die voor een individu een zware last kan zijn. Ook de in theorie meer opleverende investering wordt zonder financiële middelen waarschijnlijk niet in overweging genomen;

3.

Om het niveau van energieverbruik van een passieve woning te bereiken door betere isolatie is specifieke technische kennis nodig, die zeker niet buitenissig is. Deze kennis moet echter niet uitsluitend in de ontwerpfase een rol spelen, maar vooral ook tijdens de uitvoering;

4.

Energieverbruik is gebonden aan primaire gebruikseisen en vanzelfsprekend niet flexibel: schommelingen, ook plotselinge, in de energieprijzen resulteren niet in een even plotselinge gedragswijziging op korte termijn. Beperking van het verbruik of onderzoek naar alternatieve energiebronnen zijn reacties achteraf om zich aan te passen aan een nieuw evenwicht vanuit een langetermijnperspectief, waarin de elasticiteit van de curve van de vraag naar energie slechts weinig verbetert.”

4.2.4.4

Wat uit deze analyse naar voren komt, is dat een aanzienlijke isolatielaag (van minstens 16 cm dikte) besparingen oplevert die altijd de investering rechtvaardigen om de streefwaarden van een passieve woning te halen, zeker in vergelijking met traditionele gebouwen. Uit praktisch oogpunt blijkt dat de isolatie van de bouwschil op de eerste plaats komt, voor enige andere ingreep, terwijl op basis van een analyse van alle maatregelen de actuele nettowaarde van de investering geoptimaliseerd kan worden.

4.2.5

De positieve ervaringen in de landen die witte certificaten hebben ingevoerd, zijn beperkt maar staan haaks op de vertraagde industriële innovatie in sommige lidstaten. Een doeltreffend TEE-systeem (certicificaten voor energie-efficiëntie) vergt immers realistische doelstellingen in verband met de technisch-economische mogelijkheden, een brede reeks opties die resultaten opleveren (sectoren, projecten, actoren, kosten), een goede werking van de markt (vraag- en aanbodstructuur, randvoorwaarden), duidelijke, transparante, vereenvoudigde en non-discriminatoire regels (voorwaarden voor toegang tot de markt, marktregels) en overtuigende sancties. Zijn deze voorwaarden aanwezig in een eventuele Europese markt voor TEE? Eventuele verspreiding van deze voorwaarden dient met de nodige terughoudendheid plaats te vinden.

4.3

De verliezen tijdens omzetting zijn gelijk aan het gehele primaire energieverbruik in woningen en industrie, te weten 33 % (gelijk aan ruim 580 Mtoe). Het Comité vindt vanzelfsprekend dat op dit terrein direct actie moet worden ondernomen. Ook de verliezen tijdens transmissie over grote afstanden zijn een belangrijke factor. Een sector die zich zeker nog zal ontwikkelen zijn de moderne hoogspanningstransmissielijnen voor gelijkspanning, waarbij slechts circa 3 % van het vermogen per 1 000 km transport over het netwerk verloren gaat. Deze technologie levert niet alleen een aanzienlijke besparing op, maar heft ook de effecten van elektromagnetisme op ten gevolge van de transmissie van wisselstroom, zoals de emissie van elektromagnetische golven (bijzonder lage frequenties, ELF) waarmee de transmissie van wisselstroom gepaard gaat. De huidige technologie maakt dit type transmissie over lange afstand economisch al interessant (ze is al decennialang in gebruik in Zweden en de VS, en is elders in de wereld in aanbouw), terwijl voor de korte afstanden nog flinke kosten gemaakt moeten worden voor installaties voor de omzetting in lage wisselspanning voor lokaal gebruik. Speciale onderzoeksprojecten zouden gericht moeten zijn op de vraag of deze kosten terug te dringen zijn (7).

4.3.1

Steun verdient voorts de invoering van thermodynamische zonnetechnologie, die samen met Euromed-landen ontwikkeld kan worden, die over grote onbebouwde oppervlakten beschikken waar de zon voortdurend fel schijnt. In een recent rapport in opdracht van het Duitse federale Ministerie van milieu wordt gewezen op het strategisch belang van deze technologie, die is ontwikkeld door de Italiaanse Nobelprijswinnaar Carlo Rubbia en waarmee thans geëxperimenteerd wordt in Granada. De Italiaanse nationale elektriciteitsmaatschappij Enel is samen met Enea, nationale maatschappij voor alternatieve energie, onlangs een project — Archimedes — gestart voor de toepassing, voor de eerste keer in de geschiedenis, van een gecombineerde stoom-gascyclus en een thermodynamische installatie voor zonne-energie. Dankzij door Enea ontwikkelde innovatieve en exclusieve technologie wordt met Archimedes constant elektrische energie geproduceerd op basis van zonlicht. Het project kan bovendien bogen op andere unieke eigenschappen; zo exploiteert het vijf nieuwe octrooien, bijv. voor gesmolten vloeistoffen, vloeistoffen die opgewarmd warmte afgeven waarmee energie wordt geproduceerd. De tot nu toe gebruikte vloeistoffen konden worden verwarmd tot 300 graden, terwijl in dit project tot 550 graden wordt gegaan, dezelfde temperatuur van fossiele stoom, waardoor de combinatie mogelijk is met traditionele centrales. Op die manier wordt ook gegarandeerd dat het energiesysteem stabiel is.

4.3.2

Het Comité beveelt de Europese instellingen aan om zich voor deze zaak sterk te maken door de invoering van specifieke maatregelen voor de ontwikkeling van thermodynamische zonne-energie.

4.3.3

Dankzij warmtekrachtkoppeling kan, ofwel door het gebruik van de bij stroomopwekking vrijkomende restwarmte voor verwarming of door het gebruik van restwarmte (bijv. in hoogovens) voor het opwekken van stroom de efficiëntie van de gebruikte brandstoffen enorm toenemen: van circa 35 naar 70 %. Er moet gekeken worden naar de bijkomende kosten voor netwerkbeheerders in verband met gedistribueerde opwekking en actieve distributie; de vereiste investeringen moeten worden aangemoedigd. Daarbij mogen de verschillende uitgangssituaties in de lidstaten niet over het hoofd worden gezien. Het Comité onderschrijft het streven van de Commissie om WKK-installaties te ontwikkelen met een hoog rendement, ook al is de normalisatie van de berekeningsmethoden opgeschort tot 2010 en ook al worden er garanties van herkomst afgegeven waarvan niet altijd kan worden nagegaan of zij aan de minimumeisen voldoen. Het Comité vraagt zich af of het niet mogelijk is om de termijnen voor een harmonisatie van de berekeningsmethoden te verkorten, waardoor de weg wordt geopend voor een interne markt voor WKK-apparatuur, die thans belemmerd wordt door de uiteenlopende voorschriften in de diverse landen. Elke lidstaat heeft het recht om eigen methoden te hanteren voor de berekening van de efficiëntie van installaties en om de communautaire regelgeving erop toe te passen; de installaties moeten voldoen aan de bepalingen in de richtlijn. In de praktijk gebeurt dit echter niet en bij toepassing van berekeningsmethoden van diverse lidstaten lopen de resultaten fors uiteen. Harmonisatie is een doeltreffend instrument, ook om fraude tegen te gaan. De Unie zou zich meer moeten inzetten, aangezien de bevindingen van de eerste check-up op 21 februari 2007 achterblijven bij de strategische doelstellingen, zoals blijkt uit de door de lidstaten voorgelegde evaluatie van de geboekte vooruitgang met de ontwikkeling van WKK om het aandeel van met WKK opgewekte elektriciteit te doen stijgen.

4.3.4

Het Comité verzoekt de Commissie en de Raad zich sterker in te zetten voor de programma's op het gebied van „trigeneratie” of drievoudige koppeling, die restwarmte ook voor verkoeling gebruiken. De COP's (coefficients of performance), dat wil zeggen de verhouding tussen de uitgaande koelenergie en de ingaande warmte-energie van deze installaties zijn bijzonder gunstig. Terwijl de traditionele installaties tot een COP van 2,0 komen, behalen deze installaties een COP van 0,7-1,3 per seconde verbruikte warmte (8). Er zijn al regeneratoren in de handel voor afvalhout, die ook fruit- en landbouwafval kunnen verwerken (pitten, schillen, afval van olijfoliepersingen, afgeriste maïskolven), afval van houtzagerijen en houtbewerking, snoeihout, boomschors, schillen van koffiebonen, palmafval, industrieel afval en verpakkingsmateriaal. 100 kg van dit afval levert 70 kW elektrisch vermogen op (met een piek van 80 kW) en 130 kW warmte en koeling. Een ton afvalhout kost 70 euro en vervangt 160 l diesel, die 175 euro kost.

4.3.5

Naar het oordeel van het Comité moeten een campagne en maatregelen leiden tot een beperking van het gebruik van materiaal voor de verpakking van producten, dat gerecycleerd zou moeten kunnen worden. Het is abnormaal dat er zoveel energie wordt verbruikt om verpakkingen te maken en vervolgens te verwerken, overwegende dat het meeste verpakkingsmateriaal niet biologisch afbreekbaar is en veel verontreiniging oplevert.

4.4   Werking van de markt

4.4.1

Momenteel grijpt de energiemarkt niet alle mogelijkheden voor meer efficiency aan; er is behoefte aan meer transparantie over de daadwerkelijke efficiency van centrales en over de verliezen van transmissienetten. De gas- en elektriciteitsmarkt zijn niet volledig geliberaliseerd. In sommige gevallen zijn de gebrekkige transparantie over prijsvorming en over de liberalisatie zelf een sta-in-de-weg voor een doeltreffend beleid voor energie-efficiëntie. In dit verband zou het nuttig zijn om de juridische scheiding tussen bedrijven die een technisch monopolie uitoefenen en bedrijven die op een vrij concurrerende markt actief zijn, waarvan sprake is in de richtlijnen voor de interne markt voor elektriciteit en gas (Richtlijn 2003/54/EG en 2003/55/EG), uit te breiden met de scheiding van eigenaren.

4.4.2

Het prijsbeleid in de sector zou besparingen en energie-efficiëntie moeten aanmoedigen, met name voor fossiele brandstoffen, en moeten aanzetten tot gebruik van hernieuwbare energiebronnen. Bijzondere aandacht verdienen sociaal zwakkere consumenten, in wier basisbehoeften aan energie moet worden voorzien, maar die er economisch belang bij moeten hebben om energie te besparen. Te denken valt aan sociale tarieven voor minvermogenden, maar slechts tot een zekere verbruiksdrempel, of aan financiële steun voor gezinnen.

4.4.3

Een interessant experiment om energie te besparen is de installatie van elektronische tellers waarmee de distributie van energie op afstand, alsook de belasting van het netwerk optimaal geregeld kunnen worden. Volgens de ENEL, die de tellers gratis aan haar 30 miljoen klanten ter beschikking heeft gesteld, kan dankzij een rationele energieafname, en door het gehanteerde speciale tariefbeleid, de productie geoptimaliseerd worden, met name in de uren met lage belasting. De elektronische teller maakt de eindverbruiker bewust en leidt tot een rationeler gebruik van hulpbronnen. Dit is erkend als instrument voor energie-efficiëntie in de zin van de richtlijnen „Energiediensten” en „Continuïteit van de energievoorziening”.

4.4.4

Aan het model voor „gedistribueerde” opwekking — met tal van producenten, ook heel kleine — kleven heel wat bezwaren omtrent het beheer van midden- en laagspanningsnetwerken, die uitsluitend ontworpen zijn voor gebruik in één richting. De vernieuwing van de netwerken vergt enorme investeringen voor de nieuwe wijzen van energieopwekking. Het staat vast dat decentrale productie tot minder verlies bij omzetting leidt, maar de vereiste investeringen zijn zeer omvangrijk; verder leeft er veel weerstand in de regio's om ook door kleine centrales te vestigen.

4.5

De vervoerssector heeft veel werk gemaakt van de terugdringing van het verbruik en van de vervuilende uitstoot, maar het is gerechtvaardigd een extra inspanning te vragen: de sector vertoont de sterkste groei qua verbruik en is een bron van broeikasgassen. De CO2-uitstoot in het wegvervoer is immers tussen 1990 en 2004 met 26 % gestegen. Door de afhankelijkheid van derde landen voor brandstof voor het vervoer (voor 98 % bestaande uit fossiele brandstoffen) is het onontbeerlijk dat ook het Europese bedrijfsleven een bijdrage levert aan energie-efficiëntie, de vermindering van de uitstoot en van de invoer van aardolieproducten en gas.

4.5.1

Een belangrijk signaal voor de markt is het zeer recente besluit van de Commissie om bij wet vast te leggen dat de doelstelling van 120 g CO2/km moet worden bereikt, dat banden specifieke maxima voor de rolweerstand moeten vermelden en dat de vereisten veranderen voor brandstoffen, benzinemengsels met hoog ethanolgehalte, biobrandstoffen, brandstoffen met een laag koolstofgehalte en dieselolie met een zeer laag zwavelgehalte. De Europese leveranciers dienen de uitstoot van broeikasgas, afkomstig van brandstof tijdens de raffinage, vervoer en gebruik, in de periode 2011-2020 terug te brengen met 10 %. In 2020 is dan 500 miljoen ton minder CO2 uitgestoten. Deze maatregelen worden ingegeven door het feit dat tussen 1995 en 2004 de uitstoot is gedaald van 186 g CO2/km naar 163 g CO2/km, een vermindering van slechts 12,4 %, terwijl het gemiddeld motorvermogen sterk gestegen is, waardoor het lastiger wordt de schadelijke emissie te beperken. Gezien deze ongerijmdheid lijkt het zinvol om de belasting te verhogen op luxe voertuigen die niet energie-efficiënt zijn, zoals in enkele lidstaten al gebeurd is. Volgens de Commissie is het gevolg hiervan dat de uitstoot van CO2 tot 2020 nog zal toenemen met 400 miljoen ton.

De ACEA, de vereniging van Europese automobielfabrikanten, heeft verzocht de termijn op te schorten van 2012 naar ten minste 2015 en om alle betrokkenen te raadplegen, zoals aanbevolen door CARS 21, de groep op hoog niveau. Indien deze maatregelen niet gerelateerd worden aan de langetermijnplanning voor de aanpassing van modellen zullen ze, volgens de Europese fabrikanten, de Europese industrie met ondraaglijke kosten opzadelen.

4.5.2

Het Comité meent dat erop gewezen moet worden dat grootschalige overschakeling van fossiele brandstoffen op biobrandstoffen evenwel het risico met zich meebrengt dat er concurrentie ontstaat tussen brandstof- en voedselproductie bij de bestemming van vruchtbare grond, en dat de voedselprijs zich in stijgende lijn zal aanpassen aan de prijs voor energieopwekking, die op haar beurt de prijs voor fossiele brandstoffen volgt. Zo zouden de automobilisten in het noorden gaan concurreren met de arme en uitgehongerde bevolking in het zuiden (9). Er is hoe dan ook een ethisch probleem: landen in de noordelijke hemisfeer maken voor hun brandstofvoorziening gebruik van landbouwproducten, die in het onderontwikkelde zuiden miljoenen levens zouden kunnen redden. De totale maïsproductie van Iowa zou kunnen worden gebruikt voor de productie van ethanol. Wanneer men bedenkt dat een volle tank van een SUV, van 25 gallons, oftewel 94,5 liter, gelijkstaat aan de jaarlijkse hoeveelheid voedsel voor één persoon, wordt het probleem tastbaar. Dit vraagt om een reactie. Het Comité staat op het punt om over dit onderwerp een advies uit te brengen (10).

4.5.3

Het Comité stelt vast dat de Commissie enerzijds vrijwillige overeenkomsten aanmoedigt, en anderzijds bindende maatregelen aankondigt. Diezelfde Commissie acht zelfregulering van fundamenteel belang aangezien zij „de mogelijkheid biedt doelstellingen sneller te verwezenlijken en economischer dan wettelijke verplichtingen. Vrijwillige overeenkomsten kunnen voordelen bieden ten opzichte van regelgeving. Er kan sneller vooruitgang worden geboekt dankzij vlotte en economische uitvoering. Flexibele aanpassing is mogelijk, die aansluit bij de technologische opties en de tendensen van de markt”. Het Comité verzoekt de Commissie aandachtig na te gaan waarom de Europese automobielindustrie, die toch het meeste investeert in onderzoek en ontwikkeling, zo weinig succes boekt met het beteugelen van de CO2-uitstoot. Het Comité staat achter het standpunt van de Commissie dat strenge regels soms haaks staan op volledige ontwikkeling van onderzoeksmogelijkheden en op mogelijke voortgang van oplossingen.

4.5.4

De bouwsector speelt een centrale rol in de verwezenlijking van energie-efficiëntie, zowel in nieuwe gebouwen als bij de aanpassing van bestaande gebouwen. In meerdere landen evenwel neemt de industrie verbeterde methoden maar langzaam over en verzet zij zich tegen opgelegde strengere normen. Er moet meer gedaan worden om degenen die in de sector werkzaam zijn, te doordringen van de behoefte aan en haalbaarheid van striktere normen. Ook moeten ze worden aangespoord om het voortouw te nemen als het gaat om de toepassing van betere normen voor energie-efficiëntie in plaats van veranderingen tegen te houden. Ontwerpers, managers en vaklieden in alle takken van de bouwsector dienen nieuwe opleidingen te krijgen over de mogelijkheden voor energie-efficiëntie en moeten nieuwe prikkels krijgen om die mogelijkheden te benutten.

4.6

Het Comité is het geheel eens met de door de Commissie voorgestelde stimulansen en financiële en fiscale strategieën, met name het betrekken van de EIB en de EBWO, maar ook met het voorstel om de Europese banken ervan te doordringen dat financiële steun geboden is voor de uitvoering van de nationale energieplannen. Van groot belang in deze context is de definitieve opheffing van nog steeds aanwezige belemmeringen voor de rechtszekerheid van ondernemingen die efficiëntieoplossingen aanbieden (Energy Saving Companies, ESCO's).

4.6.1

Het Comité hoopt dat er een speciale conferentie over de financiering van energie-efficiëntie wordt belegd om geïnteresseerden warm te maken en om bij Europese banken te pleiten voor deelname aan de uitvoering van een groot moderniseringsproject voor de Europese economie. De Europese banken zouden zich kunnen inzetten voor een soort „millennium challenge”, waarbij prijzen worden uitgereikt aan banken die met de beste oplossingen komen voor de financiering van energie-efficiëntie.

4.7

Van doorslaggevend belang zijn, naar het oordeel van het Comité, op het brede publiek gerichte bewustmakingsacties van nationale en lokale autoriteiten, verwerkende bedrijven en energieproductiebedrijven. De rol van regionale overheden, als „neutrale” informatieverstrekker ten dienste van het publiek, moet worden versterkt. Ruime aandacht moet er komen voor de positieve resultaten van energiebesparingsinitiatieven. In de media moeten de schijnwerpers worden gezet op de voordelen van energie-efficiëntie en milieubehoud als daadwerkelijk kwaliteitscriterium voor producten, om zo een verandering van het begrip statussymbool te bewerkstelligen, dat thans maar al te vaak uitdrukkelijk geassocieerd wordt met producten die gelet op hun praktische gebruik energieverslinders zijn. Het Comite stemt in met het „Convenant van de burgemeesters”, maar vindt het streven om de 20 belangrijkste Europese steden bijeen te brengen al te bescheiden. De lat zou veel hoger moeten liggen en de lokale ervaringen zouden beter moeten worden benut. Opening van een speciale website voor de uitwisseling van goede praktijken tussen (middel)grote en kleine steden in de Unie, waar ruim 80 % van de Europeanen woont, zou een uitstekend instrument kunnen zijn om lokale bestuurders met elkaar in contact te brengen, die belast zijn met fundamenteel beleid voor stadsvervoer en overige, dicht bij de burger staande activiteiten die de publieke opinie rechtstreeks beïnvloeden. Uitreiking van het certificaat „Gemeente met hoge energie-efficiëntie” (dat voor de eerste keer is toegekend aan een klein Italiaans dorp: Varese Ligure) is zeker een belangrijke prikkel om een lokaal beleid voor energie-efficiëntie te voeren. De Commissie zou een „Europese wedstrijd voor energie-efficiëntie” kunnen uitschrijven voor Europese scholen, met een prijs voor oplossingen waarbij besparing, kwaliteit en de beste resultaten hand in hand gaan.

4.7.1

Het Comité betreurt het dat in het actieplan voorbij wordt gegaan aan de belangrijke rol die de sociale partners en de sociale dialoog op elk niveau kunnen vervullen om beleid inzake energiebesparing te beoordelen, te bevorderen en nader uit te werken. Het Comité zou graag zien dat de Commissie meer aandacht besteedt aan de opname van milieuduurzaamheid in bestaande structuren voor de sociale dialoog op verschillende niveaus, met name in de sectorale dialoog en de Europese ondernemingsraden. Aspecten met betrekking tot de werkplek, verbetering van de kwaliteit van de informatie, raadpleging en participatie van de werknemers kunnen een goudmijn voor energiebesparing worden: alleen als men al denkt aan de processen en technologieën in de industrie, de mobiliteit van werknemers, recyclage, telewerken, om maar enkele van de belangrijkste te noemen. Hiervoor is zonder meer de betrokkenheid van vertegenwoordigers van de werknemers vereist bij strategieën voor energie-efficiëntie. De sociale partners zouden ook kunnen denken aan collectieve overeenkomsten op grond waarvan een deel van de in de onderneming behaalde besparingen aan de werknemers wordt uitgekeerd via een echt partnerschap. Vakbondsorganisaties kunnen een essentiële rol spelen op het gebied van kennis en bewustmaking, zowel in Europees als nationaal verband, door bij te dragen aan de verspreiding van goede praktijken.

4.7.2

Het is belangrijk dat het thema energiebesparing gerelateerd wordt aan de goede praktijken van maatschappelijk verantwoord ondernemen, met name van multinationals: er is behoefte aan een sterkere sociale dialoog om alle aspecten in verband met energie-efficiëntie onder de loep te nemen. Dit is de weg die leidt naar de opzet van een sobere Europese strategie voor steenkoolverbruik, rekening houdend met alle schadelijke gevolgen voor de gezondheid (zoals fijnstof), die in veel steden van Europa alarmerend zijn. Verspreiding van goede praktijken, bijvoorbeeld verwijdering van koolstof uit printers, of andere initiatieven, dragen bij aan meer besef en een positieve houding tegenover duurzaam beleid.

4.8

De Commissie wijst nadrukkelijk op het internationale aspect van de verbetering van de energie-intensiteit. Het Comité steunt de voorstellen voor partnerschap en de totstandkoming van een internationale kaderovereenkomst. Tegen de achtergrond van de aangekondigde internationale conferentie over energie-efficiëntie beveelt het Comité aan om landen die betrokken zijn bij ACS-programma's, Euromed en het ENB niet links te laten liggen. Internationale samenwerking is onontbeerlijk om tot duurzame ontwikkeling te komen; hiertoe dienen de diplomatieke inspanningen tijdens de dit jaar op Bali te houden conferentie om voor 2009 een nieuw, internationaal post-Kyoto-protocol te bereiken, te worden opgevoerd.

4.9

De Europese industrie, die aan belangrijke technologie voor energiebesparing werkt, kan andere landen door industriële samenwerking in aanzienlijke mate helpen om de kwaliteit van de elektriciteitsproductie te verbeteren en om het energieverbruik en bijgevolg de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Dit is een bijdrage aan een wereldwijde daling van het energieverbruik.

Brussel, 27 september 2007.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  L. Brown, www.earthpolicy.org en FAO-verslag 2005.

(2)  Factor 4: verdubbeling van de rijkdom door het verbruik van hulpbronnen te halveren (U. Weizsacker, A. Lovins e.a.).

(3)  Verkeer in stedelijke en grootstedelijke gebieden, TEN/276, rapporteur: de heer RIBBE.

(4)  Energie-etikettering/kantoorapparatuur (rapporteur: Voles).

(5)  De desbetreffende richtlijn vermeldt in art. 15, lid 2, een moratorium van drie jaar voordat zij volledig in werking treedt; indien de lidstaat kan aantonen dat er een gebrek is aan gekwalificeerde en bevoegde deskundigen, krijgt hij dus de mogelijkheid om niet alleen de invoering van energiecertificaten, maar ook de inspectie van ketels en airconditioningsystemen uit te stellen. Dit betekent dat het onwaarschijnlijk is dat de Raad zich voor 2009 bereid verklaart het hoofdstuk opnieuw te openen (en de Commissie laat dit ook doorschemeren), maar voordat de voorgenomen maatregelen daadwerkelijk vruchten afwerpen, vergt de goedkeuring van een nieuwe richtlijn op dit gebied nog enkele jaren.

(6)  „Confronto tra modelli di valutazione per la stima dell'impatto energetico e macroeconomico dello standard Passivhaus — Giulio SCAPIN — Università degli studi di Padova — [2005-2006]”30.5.2007 — Tesi on-line.it.

(7)  Verder is het zo dat veel in gebruik zijnde transformatoren één van de voor de mens meest schadelijke stoffen bevatten, te weten PCB (polychloorbifenyl). Er vinden campagnes plaats om deze te vervangen en te saneren (alleen al in Italië zijn er circa 200 000 transformatoren (van in totaal 600 000) die PCB gebruiken of erdoor vervuild zijn. Vanwege de uitstekende isolerende eigenschappen is deze stof indertijd massaal gebruikt, zonder dat de zeer schadelijke chemisch-fysische eigenschappen in geval van verbranding bekend waren. Het zou daarom zinvol zijn deze transformatoren te vervangen.

(8)  Uit Wikipedia: Een bijzondere toepassing van WKK-systemen is trigeneratie, die niet alleen elektriciteit opwekt, maar waarmee aan de hand van omgezette gerecupereerde thermische energie ook koelenergie gemaakt kan worden, ofwel koelwater voor airconditioning of industriële processen. De omzetting van thermische energie in koelenergie is mogelijk door het gebruik van een koelcyclus met absorptie, die werkt op grond van een voortdurende verandering van de aggregatietoestand van het koelmiddel in combinatie met de als absorptiemiddel gebruikte substantie.

(9)  L. Brown, www.earthpolicy.org en FAO-verslag 2005.

(10)  TEN 286 — Voortgangsverslag biobrandstoffen (rapporteur: de heer IOZIA).