52006PC0471

Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea /* COM/2006/0471 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 30.08.2006

COM(2006) 471 definitief

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Achtergrond van het voorstel |

110 | Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel heeft betrekking op de toepassing van Verordening (EG) nr. 384/1996[1] van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005[2], (hierna “de basisverordening” genoemd) in het kader van de procedure betreffende de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea. |

120 | Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat werd verricht in overeenstemming met de in de basisverordening vastgestelde materiële en procedurele vereisten. |

139 | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad[3] tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer ivan folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea. Verordening (EG) nr. 2597/1999 van de Raad[4] van de Raad tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van polyethyleentereftalaatfolie (PET-folie) uit India en tot definitieve inning van het ingestelde voorlopige recht. |

141 | Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU Niet van toepassing. |

RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van belanghebbende partijen |

219 | De verzoeker en de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in kennis gesteld van de bevindingen van het onderzoek en zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen. |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

229 | Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. |

230 | Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de uitvoering van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar omvat wel een volledige lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. |

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

305 | Samenvatting van de voorgestelde maatregel Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer in de Gemeenschap van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 366/2006 van de Raad, biedt Indiase producenten/exporteurs die aan bepaalde criteria voldoen de mogelijkheid een behandeling als nieuwe producent/exporteur te krijgen. De Indiase producent/exporteur SRF Limited heeft voldoende bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat hij aan voornoemde criteria voldoet en hij kan bijgevolg een behandeling als nieuwe producent/exporteur krijgen. Daarom wordt voorgesteld dat de Raad bijgevoegd voorstel voor een verordening van de Raad goedkeurt, waarna deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. |

310 | Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 384/1996 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad. |

329 | Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. |

Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. |

331 | De vorm van de maatregel is beschreven in bovengenoemde Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer in de Gemeenschap van folie van polyethyleentereftalaat (PET-folie) uit onder meer India, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 366/2006 van de Raad, en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. |

332 | De beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Gemeenschap, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel is niet van toepassing. |

Keuze van instrumenten |

341 | Voorgesteld instrument: verordening. |

342 | Andere instrumenten zouden om de volgende reden(en) ongeschikt zijn. Bovengenoemde verordening voorziet niet in andere mogelijkheden. |

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

409 | Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. |

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[5] (hierna “de basisverordening” genoemd),

Gelet op Verordening (EG) nr. 1676/2001 van de Raad van 13 augustus 2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van folie van polyethyleentereftalaat uit India en de Republiek Korea[6], en met name op artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORAFGAANDE PROCEDURE

(1) Bij Verordening (EG) nr. 1676/2001 heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van folie van polyethyleentereftalaat (PET-folie) uit onder meer India. Gezien het grote aantal producenten/exporteurs van PET-folie in India is tijdens het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van die verordening (hierna het “oorspronkelijke onderzoek” genoemd) een steekproef van de producenten/exporteurs getrokken overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Er zijn individuele dumpingmarges, variërend van 0% tot 65,3%, berekend voor ondernemingen die individueel zijn onderzocht en er is ook een dumpingmarge van 57,7% berekend overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening voor meewerkende ondernemingen die geen deel uitmaakten van de steekproef. Er zijn bijgevolg antidumpingrechten, variërend van 0% tot 62,6%, ingesteld, ook rekening houdend met de voor dezelfde producten uit India ingestelde compenserende rechten in verband met exportsubsidies, die toen van toepassing waren uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2597/1999 van 6 december 1999[7].

(2) De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 366/2006 van 27 februari 2006 (hierna “de wijzigingsverordening” genoemd) het niveau van de dumpingmarges, berekend bij Verordening (EG) nr. 1676/2001, gewijzigd. De nieuwe dumpingmarges variëren tussen 3,2% en 29,3% en de nieuwe antidumpingrechten variëren tussen 0% en 18%, opnieuw om rekening te houden met de voor dezelfde producten uit India ingestelde compenserende rechten in verband met exportsubsidies, als gewijzigd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 367/2006 van 27 februari 2006[8], die is vastgesteld ingevolge een onderzoek naar aanleiding van het verstrijken van Verordening (EG) nr. 2597/1999.

(3) Bovendien wordt in Verordening (EG) nr. 367/2006 het compenserende recht dat van toepassing is op de ondernmingen die niet individueel in artikel 1, lid 2, worden vermeld, vastgesteld op 19,1%, waarbij de exportsubsidiemarge voor die ondernemingen wordt berekend op 12%.

(4) Artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1676/2001, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 366/2006, stelt drie criteria, als nader omschreven in overweging (7) hieronder, vast waardoor, als daaraan wordt voldaan, Indiase producenten/exporteurs die ingevolge het oorspronkelijke onderzoek niet het voorwerp zijn van antidumpingmaatregelen een behandeling als nieuwe producent/exporteur kunnen krijgen. Verzoekers aan wie deze behandeling wordt toegekend, krijgen hetzelfde recht opgelegd als de ondernemingen die aan het oorspronkelijke onderzoek hebben meegewerkt maar niet in de steekproef zijn opgenomen. Zij zijn daarom onderworpen aan een recht dat overeenkomt met de gewogen gemiddelde dumpingmarge die is vastgesteld voor de ondernemingen die tijdens het oorspronkelijke onderzoek in de steekproef waren opgenomen, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met nihilmarges en minimale marges overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening.

(5) Tijdens het oorspronkelijke onderzoek is de hierboven vermelde gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend als het gewogen gemiddelde van de dumpingmarges van drie in de steekproef opgenomen ondernemingen, aangezien een van de vier in de oorspronkelijke steekproef opgenomen ondernemingen een nihilmarge had. De aldus in het oorspronkelijke onderzoek berekende gewogen gemiddelde dumpingmarge bedroeg, zoals vermeld in overweging (1), 57,7%. De wijzigingsverordening vermindert de dumpingmarge van de drie hierboven vermelde ondernemingen aanzienlijk. De nieuwe gewogen gemiddelde dumpingmarge die moet worden toegepast op ondernemingen die voldoen aan de vereisten van artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1676/2001, herberekend ingevolge de bevindingen van de wijzigingsverordening, bedraagt daarom 15,5%.

B. VERZOEKEN VAN NIEUWE PRODUCENTEN/ EXPORTEURS

(6) De Indiase producent/exporteur SRF Limited (hierna “de verzoeker” genoemd) heeft een verzoek ingediend om dezelfde behandeling te krijgen als de ondernemingen die aan het oorspronkelijke onderzoek hebben meegewerkt en niet in de steekproef zijn opgenomen (hierna “behandeling als nieuwe producent/exporteur” genoemd).

(7) Er is een onderzoek uitgevoerd om te bepalen of de verzoeker voldoet aan de criteria om een behandeling als nieuwe producent/exporteur te krijgen, als vastgesteld in artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1676/2001; er is met name onderzocht:

- of hij de in artikel 1, lid 1, van die verordening beschreven goederen in het oorspronkelijke onderzoektijdvak (1 april 1999 tot en met 31 maart 2000) niet naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd,

- of hij geen banden heeft met een exporteur of producent in India waarop de bij de verordening vastgestelde maatregelen van toepassing zijn

en

- of hij de betrokken goederen na het onderzoektijdvak heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een belangrijke hoeveelheid van de betrokken goederen naar de Gemeenschap uit te voeren.

(8) Er is een vragenlijst gestuurd naar de verzoeker, die ook is gevraagd om bewijsmateriaal te verstrekken waaruit blijkt dat hij aan de drie hierboven vermelde criteria voldoet.

(9) De verzoeker heeft op de vragenlijst geantwoord en bewijsmateriaal verstrekt dat als toereikend wordt geacht om hem als een nieuwe producent/exporteur te beschouwen.

(10) Het op de verzoeker van toepassing zijnde antidumpingrecht moet zijn gebaseerd op de gewogen gemiddelde dumpingmarge, vastgesteld voor de in het oorspronkelijke onderzoek in de steekproef opgenomen partijen, als gewijzigd ingevolge de wijzigingsverordening, d.w.z. 15,5%, als aangegeven in overweging (5) hierboven.

(11) Aangezien overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de basisverordening op geen enkel product zowel antidumpingrechten als compenserende rechten kunnen worden geheven ter verhelping van een zelfde situatie die door dumping of toekenning van uitvoersubsidies is ontstaan, moet dit recht worden verminderd met de exportsubsidiemarge van de verzoeker, als vastgesteld in het antisubsidieonderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van Verordening (EG) nr. 367/2006 (zie overweging (59) van Verordening (EG) nr. 366/2006). Aangezien de verzoeker geen individueel compenserend recht heeft, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde recht van toepassing zijn.

(12) Het op de verzoeker van toepassing zijnde antidumpingrecht moet daarom worden berekend zoals aangegeven in de onderstaande tabel:

Onder-neming | Export-subsidie-marge | Totale subsidiemarge | Dum-pingmarge | Com-pense-rend recht | Anti-dumping-recht | Totaal recht |

SRF Limited | 12,0 % | 19,1 % | 15,5 % | 19,1 % | 3,5 % | 22,6 % |

(13) De verzoeker en de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn in kennis gesteld van de bevindingen van het onderzoek en zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen in te dienen.

(14) De verzoeker heeft opmerkingen ingediend over de berekening van de dumpingmarge. Deze opmerkingen zijn in aanmerking genomen en worden weerspiegeld in hetgeen voorafgaat.

(15) Alle andere argumenten en standpunten van de partijen zijn onderzocht en waar nodig is er terdege rekening mee gehouden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1676/2001 wordt vervangen door:

‘ 2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, is als volgt voor producten uit:

Land | Onderneming | Definitief recht (%) | Aanvullende TARIC-code |

India | Ester Industries Limited 75-76, Amrit Nagar Behind South Extension Part-1 New Delhi 110 003 India | 17,3 | A026 |

India | Flex Industries Limited A-1, Sector 60 Noida 201 301 (U.P.) India | 0 | A027 |

India | Garware Polyester Limited Garware House 50-A, Swami Nityanand Marg Vile Parle (East) Mumbai 400 057 India | 6,8 | A028 |

India | Jindal Poly Films Limited 56 Hanuman Road New Delhi 110 001 India | 0 | A030 |

Land | Onderneming | Definitief recht (%) | Aanvullende TARIC-code |

India | MTZ Polyfilms Limited New India Centre, 5th floor 17 Co-operage Road Mumbai 400 039 India | 18,0 | A031 |

India | Polyplex Corporation Limited B-37, Sector-1 Noida 201 301 Dist. Gautam Budh Nagar Uttar Pradesh India | 0 | A032 |

India | SRF Limited Express Building 9-10 Bahadur Shah Zaraf Marg New Delhi 110 002 India | 3,5 | A753 |

India | Alle andere ondernemingen | 17,3 | A999 |

Korea | Kolon Industries Inc. Kolon Tower 1-23, Byulyang-dong Kwacheon-city Kyunggi-do Korea | 0 | A244 |

Korea | SKC Co. Ltd. Kyobo Gangnam Tower 1303-22, Seocho 4 Dong, Seocho Gu Seoul 137-074 Korea | 7,5 | A224 |

Korea | Toray Saehan Inc. 17F, LG Mapo B/D 275 Kongdug-Dong Mapo-Gu Seoul 121-721 Korea | 0 | A222 |

Korea | HS Industries Co. Ltd. Kangnam Building, 5th floor 1321, Seocho-Dong Seocho-Ku Seoul Korea | 7,5 | A226 |

Korea | Hyosung Corporation 450, Kongduk-Dong Mapo-Ku Seoul Korea | 7,5 | A225 |

Land | Onderneming | Definitief recht (%) | Aanvullende TARIC-code |

Korea | KP Chemical Corporation No. 89-4, Kyungun Dong Chongro-Ku Seoul Korea | 7,5 | A223 |

Korea | Alle andere ondernemingen | 13,4 | A999’ |

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, […]

Voor de Raad

De Voorzitter

[1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

[2] PB L 340 van 23.11.2005, blz. 17.

[3] PB L 227 van 23.8.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 366/2006 van de Raad (PB L 68 van 8.3.2006, blz. 6).

[4] PB L 316 van 10.12.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 367/2006 van de Raad (PB L 68 van 8.3.2006, blz. 15).

[5] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

[6] PB L 227 van 23.8.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 366/2006 (PB L 68 van 8.3.2006, blz. 6).

[7] PB L 316 van 10.12.1999, blz. 1.

[8] PB L 68 van 8.3.2006, blz. 15. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. XXX/2006 van de Raad (PB L XX van XX XX XX.2006, blz. XX).