[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 1.6.2006 COM(2006) 257 definitief 2006/0089 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije betreffende de deelneming van Turkije aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. INLEIDING De Commissie dient voorstellen voor besluiten van de Raad in betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de overeenkomsten betreffende de deelneming van drie kandidaat-lidstaten, namelijk Bulgarije, Roemenië en Turkije, aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. De Commissie onderhandelde met Bulgarije, Roemenië en Turkije op basis van het haar door de Raad verleende mandaat. De Commissie rondde de onderhandelingen met Bulgarije, Roemenië en Turkije af met de parafering van de ontwerp-overeenkomsten in 2004. 2. Pretoetredingsstrategie 2.1. Agenda 2000 In Agenda 2000 heeft de Commissie het standpunt verdedigd dat de deelneming van de kandidaat-lidstaten aan de programma's ter uitvoering van het acquis "een nuttige voorbereiding vormt die de kandidaat-lidstaten en hun burgers vertrouwd maakt met het beleid van de Unie en de aanpak die daar wordt gehanteerd". Dit is een van de belangrijkste instrumenten om de kandidaat-lidstaten beter in staat te stellen het acquis uit te voeren en het in nationaal recht om te zetten. 2.2. De conclusies van de Europese Raad De Europese Raad van Luxemburg (december 1997) heeft van de deelneming aan de communautaire programma's en agentschappen een instrument van de geïntensiveerde pretoetredingsstrategie gemaakt. De Europese Raad heeft in zijn conclusies gesteld dat de kandidaat lidstaten overeenkomstig per geval te nemen besluiten aan de communautaire agentschappen moeten kunnen deelnemen. Wat Turkije betreft, bevestigde de Europese Raad van Helsinki (december 1999) het inclusieve karakter van het toetredingsproces, dat thans 13 kandidaat-lidstaten in één enkel kader omvat waarbij de kandidaat-lidstaten op voet van gelijkheid aan het toetredingsproces deelnemen. Turkije haalt voordeel uit een pretoetredingsstrategie en krijgt de gelegenheid om in het kader van het toetredingsproces deel te nemen aan communautaire programma's en agentschappen. 3. Besluit van de Raad waarbij de Commissie wordt gemachtigd onderhandelingen te voeren over de deelneming van kandidaat-lidstaten aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving Op basis van het voorstel van de Commissie SEC(1878) 2000 van 24 juli 2000 besloot de Raad op 19 maart 2001 de Commissie te machtigen onderhandelingen te voeren over de deelneming van de kandidaat-lidstaten aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. Het doel daarvan was de kandidaat-lidstaten de gelegenheid te geven nog vóór hun toetreding tot de Europese Unie deel te nemen aan de werkzaamheden van het centrum. In de onderhandelingsrichtsnoeren staat dat de overeenkomsten de voorwaarden moeten vaststellen voor de deelneming van de kandidaat-lidstaten aan de werkzaamheden van het centrum. In deze overeenkomsten moet met name worden vastgesteld dat de kandidaat-lidstaten op de vergaderingen van de raad van bestuur geen stemrecht zullen hebben en dat zij financieel moeten bijdragen tot de werkzaamheden van het centrum. Deze overeenkomsten dienen ook bepalingen te omvatten betreffende de bescherming van gegevens, de voorrechten en immuniteiten van het centrum en de bevoegdheid van het Europees Hof van Justitie. 4. De onderhandelingen De Commissie heeft op basis van het mandaat onderhandeld met Bulgarije, Roemenië en Turkije. Er is overeenstemming bereikt over bilaterale ontwerp-overeenkomsten en Bulgarije, Roemenië en Turkije en de Gemeenschap dienen nu de ontwerp-overeenkomsten te ratificeren. 5. ontwerp-overeenkomst De Commissie heeft met Bulgarije, Roemenië en Turkije overeenstemming bereikt over ontwerp-overeenkomsten waarin dezelfde voorwaarden voor deelneming aan het centrum zijn vastgesteld als die welke gelden voor de deelneming van Noorwegen aan het centrum. Krachtens de overeenkomsten nemen Bulgarije, Roemenië en Turkije deel aan het werkprogramma van het centrum en komen zij de verplichtingen van Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordeningen (EG) nrs. 3294/94, 2220/2000 en 1651/2003 van de Raad, na. Bulgarije, Roemenië en Turkije worden aangesloten op het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (Reitox) en delen gegevens met het centrum, waarbij de communautaire en nationale gegevensbeschermingsvoorschriften in acht moeten worden genomen. Bulgarije, Roemenië en Turkije dragen elk financieel bij tot het centrum om de kosten van hun deelneming te dekken. Zij hebben ook zonder stemrecht zitting in de raad van bestuur van het centrum tot zij lid van de Unie worden. De overeenkomsten zijn opgesteld voor onbepaalde tijd totdat Bulgarije, Roemenië en Turkije lid worden van de Europese Unie. De partijen keuren de overeenkomst goed volgens hun eigen procedures. De overeenkomst zal in werking treden wanneer beide partijen elkaar in kennis hebben gesteld van het feit dat hun respectieve procedures zijn afgerond. Het centrum zal Bulgarije, Roemenië en Turkije op dezelfde wijze behandelen als de bestaande lidstaten wat betreft de aansluiting op het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (Reitox) en het ter beschikking stellen van personeel. 6. Sluiting van de overeenkomsten 6.1. Rechtsgrondslag Onderhandelingen om het centrum open te stellen voor deelneming van de kandidaat-lidstaten zijn mogelijk op grond van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad tot oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. Artikel 13 bevat de vereiste procedurevoorschriften voor het openstellen van het centrum voor landen die geen lid van de Unie zijn maar met de Gemeenschap en de lidstaten het belang bij de doelstellingen en het werk van het centrum delen. De tussen dergelijke landen en de Gemeenschap gesloten overeenkomsten dienen de procedure van artikel 300 van het Verdrag te volgen. De Europese Commissie heeft, op basis van de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad, de onderhandelingen met Bulgarije, Roemenië en Turkije afgerond. Als vervolg daarop dient de Commissie thans voorstellen voor besluiten van de Raad in betreffende de sluiting van de overeenkomsten die ten doel hebben de deelneming van deze landen aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving mogelijk te maken. 6.2. Gevolgen voor de begroting Volgens de afgeronde onderhandelingen dragen Bulgarije, Roemenië en Turkije financieel bij tot het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving ter dekking van de kosten die de uitbreiding van de werkzaamheden van het centrum tot de kandidaat-lidstaten met zich brengt. Volgens plan zullen Bulgarije, Roemenië en Turkije na een overgangsperiode van drie jaar volledig bij alle werkzaamheden van het centrum worden betrokken. Bijgevolg zal de financiële bijdrage tijdens deze periode stijgen. Bulgarije, Roemenië en Turkije kunnen in het kader van de desbetreffende communautaire steunprogramma’s een gedeelte van hun financiële bijdrage aan het centrum laten subsidiëren. Wanneer het volledige werkprogramma van het centrum ten uitvoer wordt gelegd, zullen Bulgarije, Roemenië en Turkije jaarlijks elk 271 000 EUR bijdragen. Vanaf 2008 wordt het bedrag van 271 000 EUR verhoogd door het aan te passen aan de stijging van de subsidie die de Gemeenschap aan het centrum verleent. 7. Voordelen van de overeenkomsten De deelneming van Bulgarije, Roemenië en Turkije aan het centrum biedt verscheidene voordelen: - deelneming aan het centrum zal Bulgarije, Roemenië en Turkije in het kader van de voorbereiding op de toetreding helpen het acquis inzake drugs aan te nemen en ten uitvoer te leggen; - deelneming aan het centrum zal Bulgarije, Roemenië en Turkije in staat stellen vertrouwd te raken met de besluitvormingsprocedures van het centrum en bijdragen aan de vaststelling van het werkprogramma; - het centrum zal zijn verslaggeving over de stand van de drugsproblematiek en drugsverslaving kunnen uitbreiden tot Bulgarije, Roemenië en Turkije; - deelneming zal ertoe bijdragen dat het centrum en zijn lidstaten alsook Bulgarije, Roemenië en Turkije uitgebreidere en betere gegevens inzake drugs en drugsverslaving in Europa krijgen. De door Bulgarije, Roemenië en Turkije verstrekte gegevens zullen aan een kwaliteitscontrole worden onderworpen en zullen op grote schaal worden verspreid via het jaarverslag en de website van het centrum; - deelneming zal Bulgarije, Roemenië en Turkije in staat stellen te worden betrokken bij het systeem voor vroegtijdige waarschuwing over nieuwe synthetische drugs, dat door het centrum is ontwikkeld. 8. AANBEVELING DE ONDERHANDELINGEN ZIJN AFGEROND EN MET BULGARIJE, ROEMENIË EN TURKIJE IS ER OVEREENSTEMMING BEREIKT OVER HUN DEELNEMING AAN HET EUROPEES WAARNEMINGSCENTRUM VOOR DRUGS EN DRUGSVERSLAVING, ZULKS ONDER DEZELFDE VOORWAARDEN ALS DIE WELKE GELDEN VOOR NOORWEGEN. Daarom kan de Gemeenschap haar goedkeuring hechten aan de sluiting van de bilaterale overeenkomsten met Bulgarije, Roemenië en Turkije betreffende hun deelneming aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. 2006/0089 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije betreffende de deelneming van Turkije aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, juncto artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin, en artikel 300, lid 3, eerste alinea, Gezien het voorstel van de Commissie[1], Gezien het advies van het Europees Parlement[2], Overwegende hetgeen volgt: (1) In artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving[3], zoals gewijzigd bij Verordeningen (EG) nrs. 3294/94[4], 2220/2000[5] en 1651/2003[6], wordt bepaald dat het centrum open staat voor deelneming door derde landen die het belang van de Gemeenschap en van haar lidstaten bij de doelstellingen en het werk van het centrum delen. (2) De Commissie heeft namens de Gemeenschap onderhandeld over een overeenkomst met de Republiek Turkije betreffende de deelneming van Turkije aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. (3) Deze op 26 augustus 2004 geparafeerde overeenkomst moet worden goedgekeurd, BESLUIT: Artikel 1 De overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije betreffende de deelneming van Turkije aan de werkzaamheden van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving wordt hierbij namens de Gemeenschap goedgekeurd. De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht. Artikel 2 De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd de persoon aan te wijzen die bevoegd is de overeenkomst te ondertekenen teneinde tot uitdrukking te brengen dat de Gemeenschap ermee instemt zich daardoor te binden. Artikel 3 De voorzitter van de Raad wordt hierbij gemachtigd om de persoon aan te wijzen die bevoegd is om de in artikel 10 van de overeenkomst bedoelde diplomatieke nota door te zenden. Artikel 4 Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie . Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter Bijlage Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije betreffende de deelneming van de Republiek Turkije aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving De EUROPESE GEMEENSCHAP, enerzijds, en de REPUBLIEK TURKIJE, hierna "Turkije" genoemd, anderzijds, hierna "de overeenkomstsluitende partijen" genoemd, Eraan herinnerend dat de Europese Raad van Luxemburg (1997) deelneming aan de programma's en agentschappen van de Gemeenschap een manier heeft genoemd om de pretoetredingsstrategie te intensiveren, Overwegende dat de Europese Gemeenschap bij Verordening (EEG) nr. 302/93[7] van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordeningen (EG) nrs. 3294/94[8], 2220/2000[9] en 1651/2003[10] van de Raad, (hierna de “verordening” genoemd) het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (hierna “het centrum” genoemd) heeft opgericht, Overwegende dat in artikel 13 van de verordening wordt bepaald dat het centrum open staat voor deelneming door derde landen die het belang van de Gemeenschap en van haar lidstaten delen, Overwegende dat Turkije de doelstellingen die in de verordening voor het centrum zijn geformuleerd, deelt omdat het de uiteindelijke doelstelling van Turkije is om lid te worden van de Europese Unie, Overwegende dat Turkije de taakomschrijving, de werkmethode en de prioritaire werkterreinen van het centrum zoals die in de verordening zijn geformuleerd, onderschrijft, Overwegende dat in Turkije een instelling bestaat die kan worden aangesloten op het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving, ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN: Artikel 1 Turkije neemt volledig deel aan de werkzaamheden van het centrum, volgens de voorwaarden van deze overeenkomst. Artikel 2 Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (Reitox) 1. Turkije wordt aangesloten op het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (Reitox). 2. Turkije licht het centrum binnen 28 dagen na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in over de belangrijkste elementen waaruit zijn nationale informatienetwerk bestaat, met inbegrip van het nationale waarnemingscentrum, en geeft daarbij aan welke andere gespecialiseerde instellingen een nuttige bijdrage aan de werkzaamheden van het centrum kunnen leveren. Artikel 3 Raad van bestuur De raad van bestuur van het centrum nodigt een vertegenwoordiger van Turkije uit om aan zijn vergaderingen deel te nemen. Deze vertegenwoordiger neemt volledig aan de vergaderingen deel, maar heeft geen stemrecht. Bij wijze van uitzondering kan de raad van bestuur uitsluitend de vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Europese Commissie bijeenroepen om te vergaderen over onderwerpen die in het bijzonder voor de Gemeenschap en haar lidstaten van belang zijn. De raad van bestuur stelt in een vergadering met de vertegenwoordigers van Turkije nadere regelingen vast met betrekking tot de deelneming van Turkije aan de werkzaamheden van het centrum. Artikel 4 Begroting Turkije draagt financieel bij tot de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden van het centrum, overeenkomstig het bepaalde in bijlage I bij deze overeenkomst, die er integrerend deel van uitmaakt. Artikel 5 Bescherming en vertrouwelijkheid van gegevens 1. Voorzover het centrum uit hoofde van deze overeenkomst en overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en het Turkse recht persoonsgegevens, aan de hand waarvan de identificatie van natuurlijke personen niet mogelijk is, aan de Turkse autoriteiten verstrekt, is het gebruik van die gegevens alleen toegestaan voor het vermelde doel en onder de voorwaarden als gesteld door de autoriteit die deze gegevens verstrekt. 2. De door het centrum aan de Turkse autoriteiten verstrekte gegevens over drugs en drugsverslaving mogen worden gepubliceerd onder voorbehoud van naleving van de communautaire en Turkse voorschriften betreffende de verspreiding en de vertrouwelijkheid van informatie. Persoonsgegevens mogen niet worden gepubliceerd of voor het publiek toegankelijk worden gemaakt. 3. De in Turkije aangewezen gespecialiseerde centra zijn niet verplicht krachtens de Turkse wetgeving als vertrouwelijk aangemerkte informatie te verstrekken. 4. Met betrekking tot de gegevens die de Turkse autoriteiten aan het centrum hebben verstrekt, gelden voor het centrum de in artikel 6 van de verordening vastgestelde voorschriften. Artikel 6 Juridische status Het centrum bezit rechtspersoonlijkheid naar Turks recht en geniet in Turkije de ruimste rechtsbevoegdheid die naar Turks recht aan rechtspersonen wordt toegekend. Artikel 7 Aansprakelijkheid De aansprakelijkheid van het centrum wordt geregeld bij artikel 16 van de verordening. Artikel 8 Voorrechten Turkije past op het centrum het protocol toe betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, dat als bijlage II bij deze overeenkomst is gevoegd en daarvan integrerend deel uitmaakt. Artikel 9 Personeelsstatuut In afwijking van artikel 12, lid 2, onder a), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, kunnen Turkse onderdanen die over hun volledige burgerrechten beschikken, op basis van een contract door de directeur van het centrum in dienst worden genomen. Artikel 10 Inwerkingtreding Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van ontvangst van de laatste diplomatieke nota ter bevestiging dat de desbetreffende overeenkomstsluitende partij heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften in verband met de inwerkingtreding van de overeenkomst. Artikel 11 Geldigheid en beëindiging 1. Deze overeenkomst wordt gesloten voor onbepaalde tijd totdat Turkije lid wordt van de Europese Unie. 2. Elk van de overeenkomstsluitende partijen kan deze overeenkomst door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij opzeggen. De overeenkomst vervalt zes maanden na de datum van deze kennisgeving. BIJLAGE I Financiële bijdrage van Turkije aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving Artikel 1 De financiële bijdrage van Turkije aan de begroting van de Europese Unie met het oog op zijn deelneming aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (hierna "het centrum" genoemd) stijgt geleidelijk gedurende een periode van vier jaar waarin Turkije stapsgewijs bij de werkzaamheden ervan wordt betrokken. De financiële bijdrage beloopt: - tijdens het eerste jaar van deelneming | 100 000 EUR | - tijdens het tweede jaar van deelneming | 150 000 EUR | - tijdens het derde jaar van deelneming | 210 000 EUR | - tijdens het vierde jaar van deelneming | 271 000 EUR | Met ingang van het vijfde jaar van deelneming is de jaarlijkse financiële bijdrage van Turkije aan het centrum gelijk aan de bijdrage van het vierde jaar, aangepast aan de stijging van de subsidie die de Gemeenschap aan het centrum verleent. Artikel 2 Turkije mag voor de betaling van haar bijdrage aan het centrum gedeeltelijk gebruik maken van communautaire steun, met een maximale communautaire bijdrage van 75% in het eerste jaar, 60% in het tweede jaar en 50% vanaf het derde jaar. Naargelang van de onderscheiden programmaprocedure, wordt de aangevraagde communautaire bijdrage ter beschikking gesteld aan Turkije door middel van een apart financieringsmemorandum. Het resterende deel van de bijdrage wordt betaald door Turkije. Artikel 3 De bijdrage van Turkije wordt beheerd overeenkomstig het financieel reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Unie. De reis- en verblijfskosten van de vertegenwoordigers en deskundigen van Turkije voor deelneming aan werkzaamheden of vergaderingen van het centrum in verband met de tenuitvoerlegging van het werkprogramma van het centrum worden terugbetaald door het centrum op dezelfde grondslag en volgens de procedures welke momenteel gelden voor de lidstaten van de Europese Unie. Artikel 4 Voor het eerste kalenderjaar van zijn deelneming betaalt Turkije een bijdrage die op pro rata-basis wordt berekend vanaf de datum van het begin van zijn deelneming tot het jaareinde. Voor de hierop volgende jaren wordt de bijdrage vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst. BIJLAGE II Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen 1. DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, 2. OVERWEGENDE dat krachtens de bepalingen van artikel 28 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, deze Gemeenschappen en de Europese Investeringsbank op het grondgebied van de lidstaten de immuniteiten en voorrechten genieten welke nodig zijn ter vervulling van hun taak, HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen welke aan dit Verdrag zijn gehecht: HOOFDSTUK I EIGENDOMMEN, FONDSEN, BEZITTINGEN EN VERRICHTINGEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 1 De gebouwen en terreinen van de Gemeenschappen zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard. Artikel 2 Het archief van de Gemeenschappen is onschendbaar. Artikel 3 De Gemeenschappen, hun bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen. Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de lidstaten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen, wanneer de Gemeenschappen voor haar officieel gebruik belangrijke aankopen doen van goederen in de prijs waarvan zodanige belastingen begrepen zijn. De toepassing van deze bepalingen mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de Gemeenschappen wordt vervalst. Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut. Artikel 4 De Gemeenschappen zijn vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik van de Gemeenschappen; de aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van het land alwaar zij zijn ingevoerd niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van dat land zijn goedgekeurd. Zij zijn eveneens vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot hun publicaties. Artikel 5 De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal kan alle soorten van deviezen en rekeningen in iedere geldsoort aanhouden. HOOFDSTUK II MEDEDELINGEN EN LAISSEZ-PASSER Artikel 6 De instellingen van de Gemeenschappen genieten, voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten op het grondgebied van iedere lidstaat de behandeling, welke door deze staat aan diplomatieke missies wordt toegestaan. De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de instellingen van de Gemeenschappen zijn niet aan censuur onderworpen. Artikel 7 1. Laissez-passer, waarvan de vorm door de Raad wordt vastgesteld en welke als geldige reispapieren worden erkend door de overheidsinstanties van de lidstaten kunnen door de voorzitters van de instellingen van de Gemeenschappen aan de leden en het personeel van deze instellingen worden verstrekt. Deze laissez-passer worden aan de ambtenaren, en overige personeelsleden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het statuut van de ambtenaren en de regeling voor de andere personeelsleden van de Gemeenschappen. De Commissie kan akkoorden sluiten teneinde deze laissez-passer te doen erkennen als geldige reispapieren voor het grondgebied van derde staten. 2. De bepalingen van artikel 6 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal blijven echter tot de toepassing van de bepalingen van lid 1 toepasselijk op de leden en personeelsleden van de instellingen, die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag in het bezit van de in dat artikel bedoelde laissez-passer zijn. HOOFDSTUK III LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT Artikel 8 De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard. Aan de leden van het Europees Parlement worden, wat betreft douane en deviezencontrole, toegekend: 3. door hun eigen regering, dezelfde faciliteiten als zijn toegekend aan hoge ambtenaren, die zich, belast met een tijdelijke officiële zending, naar het buitenland begeven, 4. door de regeringen van de andere lidstaten, dezelfde faciliteiten als zijn toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen, belast met een tijdelijke officiële zending. Artikel 9 Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht. Artikel 10 Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden: 5. op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, 6. op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook. De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren. Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen. HOOFDSTUK IV DE AAN DE WERKZAAMHEDEN VAN DE INSTELLINGEN DER EUROPESE GEMEENSCHAPPEN DEELNEMENDE VERTEGENWOORDIGERS DER LIDSTATEN Artikel 11 De aan de werkzaamheden van de instellingen van de Gemeenschappen deelnemende vertegenwoordigers der lidstaten, alsmede hun raadslieden en de deskundigen, genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten. Dit artikel is eveneens van toepassing op de leden der raadgevende organen van de Gemeenschappen. HOOFDSTUK V AMBTENAREN EN OVERIGE PERSONEELSLEDEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 12 De ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der lidstaten: 7. vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Gemeenschappen, en voorts op de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen in geschillen tussen de Gemeenschappen en hun ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd; 8. te zamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie; 9. inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend; 10. gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in het betrokken land hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit genoemd land vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van het land waar dit recht wordt uitgeoefend, als noodzakelijk beschouwt; 11. gerechtigd uit een lidstaat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van het betrokken land als noodzakelijk beschouwt. Artikel 13 Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke door de Raad op voorstel van de Commissie worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen onderworpen aan een belasting ten bate van de Gemeenschappen op de door hun betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Zij zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Artikel 14 De ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Gemeenschappen vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de staat van de fiscale woonplaats, welke zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Gemeenschappen, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien deze lid is van de Gemeenschappen. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voorzover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen. De roerende goederen welke toebehoren aan de in de vorige alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de staat van verblijf, worden in de staat vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting. De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel. Artikel 15 Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met eenparigheid van stemmen de regeling vast inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen van toepassing zijn. Artikel 16 Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de overige betrokken instellingen, bepaalt de Raad op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 geheel of ten dele van toepassing zijn. De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan de regeringen van de lidstaten medegedeeld. HOOFDSTUK VI VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN DER BIJ DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN GEACCREDITEERDE MISSIES VAN DERDE STATEN Artikel 17 De lidstaat, op wiens grondgebied de zetel van de Gemeenschappen is gevestigd, verleent aan de missies der bij de Gemeenschappen geaccrediteerde derde staten de gebruikelijke diplomatieke immuniteiten en voorrechten. HOOFDSTUK VII ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 18 De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen verleend. Elke instelling van de Gemeenschappen is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar haar mening niet strijdig is met de belangen van de Gemeenschappen. Artikel 19 Voor de toepassing van dit protocol handelen de instellingen van de Gemeenschappen in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken lidstaten. Artikel 20 De artikelen 12 tot en met 15 en 18 zijn van toepassing op de leden van de Commissie. Artikel 21 De artikelen 12 tot en met 15 en 18 zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, onverminderd de bepalingen van artikel 3 van de protocollen betreffende het statuut van het Hof van Justitie nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters en de advocaten-generaal. Artikel 22 Dit protocol is eveneens van toepassing op de Europese Investeringsbank, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers der lidstaten, die aan haar werkzaamheden deelnemen, onverminderd de bepalingen van het protocol betreffende haar statuten. De Europese Investeringsbank wordt bovendien vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing ter gelegenheid van de uitbreiding van haar aandelenkapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten welke deze verrichtingen kunnen medebrengen in de staat waar de zetel gevestigd is. Haar opheffing en liquidering zullen evenmin enige heffing medebrengen. Ten slotte geeft de werkzaamheid van de Bank en van haar organen, uitgeoefend onder de statutaire voorwaarden, geen aanleiding tot de heffing van omzetbelastingen Artikel 23 Dit protocol is eveneens van toepassing op de Europese Centrale Bank, de leden van haar organen en haar personeel, onverminderd de bepalingen van het protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank. De Europese Centrale Bank wordt bovendien vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten welke hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel van de bank gevestigd is. De werkzaamheden van de Bank en van haar organen, uitgeoefend overeenkomstig de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, geven geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting. Bovengenoemde bepalingen zijn eveneens van toepassing op het Europees Monetair Instituut. De ontbinding of liquidatie ervan brengt geen enkele heffing met zich. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld. Gedaan te Brussel de achtste april negentienhonderdvijfenzestig. FINANCIEEL MEMORANDUM 1. Benaming van het voorstel Deelneming van Turkije aan het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving. 2. Betrokken begrotingsonderdeel 18 07 01 01: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving — Subsidiëring titels 1 en 2 18 07 01 02: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving — Subsidiëring titel 3 3. Financiële gevolgen Dit voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de uitgaven maar wel voor de ontvangsten, namelijk: Begrotingsonderdeel | Ontvangsten | Jaar n | 18 07 01 01/18 07 01 02 | € 100,000 (pro rata) | Vanaf inwerkingtreding van de overeenkomst tot het eind van het boekjaar waarin deze overeenkomst in werking is getreden. | 1 | 18 07 01 01/18 07 01 02 | € 150,000 | Eerste complete boekjaar na het inwerkingtreden van deze overeenkomst | 2 | 18 07 01 01/18 07 01 02 | € 210,000 | Tweede complete boekjaar na het inwerkingtreden van deze overeenkomst | 3 | 18 07 01 01/18 07 01 02 | € 271,000 | Derde complete boekjaar na het inwerkingtreden van deze overeenkomst | 4 | 4. Fraudebestrijdingsmaatregelen De fraudebestrijdingsbepalingen van de basisbegrotingsonderdelen zijn eveneens van toepassing op dit onderdeel, mits zij voor Turkije worden aangepast. De betalingen hebben betrekking op vaste bedragen waardoor het risico op fraude uiterst beperkt is. 5. Andere opmerkingen Geen. [1] PB C […] van […], blz. […]. [2] PB C […] van […], blz. […]. [3] PB L 36 van 12.2.1993, blz. 1. [4] PB L 341 van 30.12.1994, blz. 7. [5] PB L 253 van 7.10.2000, blz. 1. [6] PB L 245 van 29.9.2003, blz. 30. [7] PB L 36 van 12.2. 2. 1993, blz. 1. [8] PB L 341 van 30.12.1994, blz. 7. [9] PB L 253 van 7.10.2000, blz. 1. [10] PB L 245 van 29.9.2003, blz. 30.