[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 7.8.2006 COM(2006) 443 definitief VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DERICHTSNOEREN VOOR TRANS-EUROPESE ENERGIENETWERKENIN DE PERIODE 2002-2004 overeenkomstig artikel 11 van Beschikking nr.1229/2003/EG {SEC(2006) 1059} Dit verslag is opgesteld overeenkomstig artikel 11 van Beschikking nr. 1229/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking nr. 1254/96/EG [1]. Dit verslag over de tenuitvoerlegging biedt een overzicht van het kader dat ten grondslag ligt aan het beleid inzake trans-Europese netwerken in de energiesector (TEN-E) en de werkingssfeer en doelstellingen van de richtsnoeren, alsmede een samenvatting van de bij de tenuitvoerlegging geboekte vooruitgang in de periode 2002-2004. Het is gebaseerd op informatie die is verstrekt door de transmissienetbeheerders en door deskundigen van de lidstaten. De bijlage bij dit verslag bevat gegevens over de tenuitvoerlegging van projecten met betrekking tot elektriciteits- en gasnetverbindingen in de periode 2002-2004. 1. Kader van het TEN-E-beleid De continuïteit van de energievoorziening en de werking van de interne energiemarkt zijn kernpunten van het beleid. Dit komt tot uiting in de richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector (TEN-E-richtsnoeren), die tot doel hebben een elektriciteits- en gasnetwerk met een werkelijk Europese dimensie tot stand te brengen door de versnipperde nationale netwerken beter te koppelen. Het beleid van de Europese Unie inzake trans-Europese netwerken is gebaseerd op drie pijlers: de rechtsgrondslag voor TEN’s, dat wil zeggen de artikelen 154-156 van het EG-Verdrag, zoals toegevoegd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verordening betreffende financiële bijstand voor TEN’s[2] en de beschikking tot opstelling van richtsnoeren voor TEN’s in de energiesector, waarin assen voor prioritaire projecten en projecten van gemeenschappelijk belang zijn vastgesteld. Het optreden van de Gemeenschap, zoals vastgelegd in het Verdrag, is gericht op de bevordering van de onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale netwerken, alsmede van de toegang tot deze netwerken in het kader van open en concurrerende energiemarkten. De richtsnoeren omvatten het doel, de werkingssfeer en de doelstellingen van het optreden van de Gemeenschap, evenals lijsten met projecten die zijn opgenomen in de bijlagen. In de richtsnoeren worden de criteria uiteengezet op grond waarvan projecten in aanmerking kunnen komen voor financiële bijstand. Dat betekent dat via de verordening betreffende financiële bijstand voor TEN’s bijstand kan worden verleend aan een aantal duidelijk omschreven projecten van gemeenschappelijk belang. 2. TEN-E-richtsnoeren De richtsnoeren van de Europese Gemeenschap voor trans-Europese netwerken in de energiesector zijn in 1996 aangenomen en omvatten een lijst met projecten van gemeenschappelijk belang. De lijst met projecten is tweemaal herzien, in 1997 en in 1999. De recente herziening van de richtsnoeren is in juni 2003 van kracht geworden. In deze richtsnoeren zijn assen voor prioritaire projecten en projecten van gemeenschappelijk belang vastgesteld. De tenuitvoerlegging van deze projecten wordt in dit verslag geanalyseerd. Het doel van de richtsnoeren voor de ontwikkeling van de trans-Europese netwerken in de energiesector is de doeltreffende werking van de interne energiemarkt te waarborgen, de cohesie in de Unie te bevorderen, de continuïteit van de energievoorziening te versterken en het milieu te beschermen. De onderlinge koppeling van nationale netwerken en de aanleg van extra koppelverbindingen tussen lidstaten vormen tezamen een integratie-element waardoor een Europees netwerk voor energietransmissie ontstaat. Van groot belang is in dit verband de voltooiing van een reeks projecten op de prioritaire assen die grensoverschrijdend van aard zijn of die een aanzienlijk effect hebben op de grensoverschrijdende transmissiecapaciteit. Bij het vaststellen van de assen voor prioritaire projecten wordt rekening gehouden met de verbindingen die nodig zijn voor de doelmatige werking van de interne markt en voor de continuïteit van de energievoorziening. De uitdagingen voor elektriciteitsnetten verschillen van die voor gasnetten: i) De bestaande koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten is bij lange na niet toereikend voor de verdere toename van de uitwisseling en de handel. Daarom zijn de staatshoofden en regeringsleiders in maart 2002 tijdens de Europese Raad van Barcelona als doelstelling voor de lidstaten overeengekomen dat zij uiterlijk in 2005 voor elektriciteit een interconnectieniveau dienen te bereiken dat overeenstemt met ten minste 10% van hun geïnstalleerde opwekkingscapaciteit. ii) Met betrekking tot aardgas zal de afhankelijkheid van de invoer van gas de komende 20 tot 30 jaar sterk toenemen. In het kader van het TEN-E-beleid is als realistische doelstelling vastgesteld om uiterlijk in 2013 voor gas een extra invoercapaciteit te realiseren van 70 miljard kubieke meter uit bronnen in Rusland, Noord-Afrika, het gebied van de Kaspische Zee en het Midden-Oosten. Op dit moment zijn de voornaamste leveranciers van aardgas Noorwegen, Rusland en Noord-Afrika. In de toekomst zullen daarnaast ook het gebied van de Kaspische Zee, het Midden-Oosten en de Golfregio belangrijke leveranciers worden. De ligging van deze bronnen is bepalend voor de loop van de natuurlijke doorvoerroutes. De assen voor prioritaire projecten die voortvloeien uit deze uitdagingen worden omschreven in deel 1 van de bijlage. 2.1 Vaststelling en prioritering van de projecten in het kader van TEN-E Het optreden van de Gemeenschap ten behoeve van de ontwikkeling van energienetwerken richt zich op de belangrijkste transport-/transmissienetten voor elektriciteit en aardgas, met uitzondering van distributienetten. Projecten kunnen van gemeenschappelijk belang zijn als zij beantwoorden aan de doelstellingen en prioriteiten die in de richtsnoeren zijn vastgelegd en als zij uitzicht bieden op potentiële economische levensvatbaarheid. Bij de opname van een project in de lijst met projecten van gemeenschappelijk belang wordt niet vooruitgelopen op de beoordeling van het milieueffect ervan. Hoewel de Europese Raad van Essen in december 1994 aanvankelijk slechts tien projecten, de zogenaamde “Essen-projecten” noodzakelijk achtte, werd deze lijst via een bottom-upbenadering zeer snel uitgebreid tot ongeveer 200 projecten van gemeenschappelijk belang in 1999. Bij de in 2003 aangenomen herziening werd besloten ruim 220 projecten als projecten van algemeen belang aan te merken. Bij de recente herziening is besloten een hiërarchische structuur aan te brengen in de projecten. Het gaat niet meer uitstluitend om verbetering van de verbindingen in het algemeen; er worden ook specifieke verbindingen aangewezen die moeten worden ontwikkeld en waaraan een hoge prioriteit moet worden toegekend. Dit heeft geleid tot een verschuiving in de strategie, en wel tot een top-downstrategie voor de aanpak van assen met de hoogste prioriteit. Deze strategie heeft tot gevolg gehad dat er in de beschikking tot opstelling van richtsnoeren voor energie die in juni 2003 is aangenomen naast projecten van gemeenschappelijk belang ook assen voor prioritaire projecten zijn vastgesteld. Op die manier wordt met het TEN-E-programma ingespeeld op de toegenomen afhankelijkheid van de invoer van gas, die vraagt om een aanzienlijke uitbreiding van de transmissiecapaciteit voor aardgas, alsmede op de behoefte aan uitbreiding van de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten tussen de lidstaten, die een betrouwbaarder en doelmatiger werking van het elektriciteitsnet mogelijk zou maken en waarmee stroomuitval kan worden voorkomen. In de figuren 1) en 2) zijn de assen voor prioritaire projecten weergegeven. De noodzaak om afzonderlijke markten in de elektriciteitssector met elkaar te verbinden is evident; hetzelfde geldt voor de behoefte aan extra aanvoerroutes voor aardgas. 2.2 Implicaties van de TEN-E-richtsnoeren Het verslag en de bijlage ervan hebben betrekking op de vooruitgang die is geboekt bij de projecten voor de ontwikkeling van infrastructuur voor energietransmissie overeenkomstig de doelstellingen van het beleid van de Europese Unie inzake trans-Europese netwerken in de energiesector (TEN-E). Een essentieel aspect is dat met de herziene richtsnoeren die in juni 2003 door de Raad en het Europees Parlement zijn aangenomen de typologie van projecten is gewijzigd. Vanwege de lange termijnen die nodig zijn voor de goedkeuring en aanleg, doorgaans vijf tot tien jaar, werd het noodzakelijk geacht ook de periode 1996-2000 in de analyse mee te nemen. Er is een verband gelegd tussen de nieuwe en de oude classificatie. In het verslag over de tenuitvoerlegging wordt derhalve gebruik gemaakt van de typologie van projecten zoals die is vastgelegd in de beschikking tot opstelling van richtsnoeren die in juni 2003 is aangenomen. Daarnaast bevat de bijlage relevante informatie over de projecten die zijn opgenomen in de richtsnoeren die al van kracht zijn, alsmede over contracten die zijn gegund uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn. De gegevens die zijn opgenomen in de betreffende tabellen zijn in de loop van 2005 bevestigd door deskundigen van de lidstaten die door het TEN-E-comité waren aangewezen. 3. Vooruitgang bij de tenuitvoerlegging Sinds 1996 zijn in de gas- en elektriciteitssectoren verschillende patronen te zien geweest met betrekking tot de tenuitvoerlegging van projecten. Terwijl de continuïteit van de gasvoorziening tot nu toe goed is beheerd, geldt voor elektriciteit dat het gebrek aan zowel opwekkingscapaciteit als adequate koppelverbindingen heeft geleid tot ernstige congestie van specifieke verbindingen, en in 2003 zelfs tot een reeks elektriciteitsstoringen. De 5 specifieke gasprojecten op de in 1994 opgestelde lijst met “Essen-projecten” zijn korte tijd na vaststelling van die lijst van start gegaan. Hierbij ging het om de belangrijke gaspijpleidingen van Algerije via Marokko naar Spanje en van Rusland via Wit-Rusland en Polen naar de EU, alsmede om de nieuwe gasnetten in Griekenland, Portugal en het zuiden en westen van Spanje. Van de 5 specifieke elektriciteitsprojecten zijn twee projecten van start gegaan: de verbinding tussen het noorden van Portugal en Spanje en de koppelverbinding Italië - Griekenland. In het geval van de drie andere projecten konden de problemen met betrekking tot de vereiste vergunningen niet opgelost worden (voor de projecten Frankrijk - Italië en Frankrijk - Spanje) of is een besluit over de aanleg uitgebleven (betreft de verbinding tussen het oostelijk en het westelijk deel van Denemarken). Deze tendens heeft zich voortgezet met betrekking tot de projecten die in de periode 1996-2001 van start zijn gegaan; het gaat hierbij om 18 projecten in de gassector en 6 in de elektriciteitssector. 3.1 Voltooide projecten In de figuren 3) en 4) (waarvan de details zijn opgenomen in de tabellen 1 en 2 in de bijlage) zijn de projecten weergegeven die na 2001 van start zijn gegaan; het gaat om 45 elektriciteitsprojecten, waarvan een aanzienlijk aantal in Spanje, Portugal en Zuidoost-Europa, en 16 gasprojecten. Van deze projecten zijn er 14 ondersteund met contracten uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn. Tot de grensoverschrijdende projecten (en de projecten met een groot effect op grensoverschrijdende transmissies) die als prioritaire projecten zijn aangemerkt behoren elektriciteitsverbindingen op de assen EL.1, EL.2, EL.3, EL.4, EL.6 en EL.7, alsmede gasnetverbindingen op de assen NG.2 en NG.4, zoals aangegeven in de figuren 3) en 4). 3.2 Projecten in uitvoering In de figuren 3) en 4) (waarvan de details zijn opgenomen in de tabellen 2 en 3 in de bijlage) zijn de projecten weergegeven die op dit moment worden uitgevoerd. Deze lijst omvat 14 elektriciteitsprojecten, waarvan een aanzienlijk aantal in Spanje en Portugal, en 11 gasprojecten. Van deze projecten zijn er 9 ondersteund met contracten uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn. Tot de grensoverschrijdende projecten (met inbegrip van een project met een groot effect op de grensoverschrijdende transmissie) die als prioritaire projecten zijn aangemerkt behoren elektriciteitsverbindingen op de assen EL.3, EL.4, EL.6 en EL.7, alsmede gasnetverbindingen op de assen NG.3 en NG.4, zoals aangegeven in de figuren 3) en 4). 3.2b Effect van extra grensoverschrijdende verbindingen De beoordeling van het effect van de voltooide en in uitvoering zijnde grensoverschrijdende verbindingen is gebaseerd op de toename van de capaciteit die wordt vermeld in de tabellen 2 en 4 in de bijlage. Voor elektriciteitsverbindingen wordt deze toename uitgedrukt in “extra nettocapaciteit” die verband houdt met de “netto-overdrachtscapaciteit” van het betreffende land. Voor België geldt dat de nettocapaciteitstoename van 900 MVA vanwege de extra verbinding tussen het Franse Avelin en het Belgische Avelgem overeenkomt met 16% van de huidige netto-overdrachtscapaciteit. Voor Italië geldt dat de toename ten gevolge van de faseverschuiver in Rondissone en de voltooide verbinding met Zwitserland 22% van de netto-overdrachtscapaciteit oplevert. De twee lijnen die de verbinding met Ernestinovo in Kroatië vormen zijn goed voor 38% van de netto-overdrachtscapaciteit. De twee extra verbindingen tussen Portugal en Spanje kunnen een groot deel van de netto-overdracht van en naar Spanje aan. Dit betekent dat als er één lijn zou uitvallen, de tweede nog altijd voldoende capaciteit heeft voor de noodzakelijke stroomtransmissie. De continuïteit van de energievoorziening in Portugal is derhalve sterk verbeterd. Deze extra verbindingen vergroten de elektriciteitsuitwisseling aanzienlijk. Met name Portugal heeft nu een niveau bereikt dat hoger ligt dan de doelstelling voor de koppelingscapaciteit van ten minste 10% van de opwekkingscapaciteit. Andere landen, waaronder Spanje, Italië, Griekenland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, halen deze doelstelling echter nog niet. Dit illustreert de noodzaak om de continuïteit van de energievoorziening in de Gemeenschap te versterken door congestie in de elektriciteitsnetten aan te pakken en tegemoet te komen aan de daadwerkelijke transmissiebehoeften op de markt. Daarom zijn extra grensoverschrijdende koppelingsverbindingen tussen de elektriciteitsnetten op de prioritaire assen nog altijd noodzakelijk. Voor gasnetverbindingen wordt de capaciteitstoename uitgedrukt in miljarden kubieke meters per jaar (Bcm/a). Uit de tabellen 2 en 4 blijkt dat de nieuwe gaspijpleidingen van Libië naar Italië, van Algerije naar Spanje en van de gasvelden onder de Noordzee naar het Verenigd Koninkrijk het invoervolume vergroten met maximaal 20 Bcm/a. De terminals voor vloeibaar aardgas (LNG) die inmiddels zijn voltooid of in aanbouw zijn vergroten het invoervolume nog eens met 50 Bcm/a. Deze hoeveelheden zijn goed voor een aanzienlijk deel van de extra invoer in de EU van ruim 200 Bcm/a die vanaf 2020 nodig zal zijn, maar nieuwe gaspijpleidingen zullen desalniettemin noodzakelijk blijven voor het veiligstellen en diversifiëren van de extra invoercapaciteit voor aardgas. 3.3 Vergunningsfase Tijdens de vergunningsfase van de tenuitvoerlegging van een project komt een breed scala aan kwesties aan de orde, waardoor een behoorlijk lange lijst met taken moet worden afgewerkt alvorens de vergunningsfase kan worden afgerond. De lijst met projecten die zich in de vergunningsfase bevinden (voor details: zie bijlage) omvat 80 projecten, waaronder 61 elektriciteits- en 19 gastransmissieprojecten. Van deze projecten zijn er 29 ondersteund met contracten uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn. Het grote aantal projecten dat zich in de vergunningsfase bevindt geeft aan dat het stroomlijnen van de vergunningsprocedures essentieel is voor het versnellen van de tenuitvoerlegging, met name in verband met grensoverschrijdende projecten van groot Europees belang. De kabelverbinding tussen Estland en Finland (ESTLINK) vormt de eerste en tot nu toe enige elektriciteitsverbinding tussen de Baltische staten en andere lidstaten van de Europese Unie. De motivatie om deze verbinding te voltooien was dan ook groot. De tenuitvoerlegging van het project nam in totaal 7 jaar in beslag, waarvan 3 jaar voor de vergunningsfase en slechts 2 jaar voor de aanleg. In 1992 werd een begin gemaakt met het plan voor de ontwikkeling van de verbinding tussen Italië en Zwitserland, S. Fiorano-Robbia. In 2001 zijn de studies naar de technische en ecologische haalbaarheid uitgevoerd. Nadat de haalbaarheidsstudie en het voorlopige ontwerp waren voltooid, begon er een lang en moeizaam vergunningsproces. Het is de moeite waard te vermelden dat de goedkeuring van het project werd verkregen dankzij een reeks maatregelen ter compensatie en vermindering van de milieueffecten, zoals de ontmanteling van bestaande bovengrondse hoogspanningsleidingen in het gebied waar dit nieuwe project wordt gerealiseerd. De nieuwe verbinding werd uiteindelijk eind 2004 (na 12 jaar) voltooid en is op 20 januari 2005 in gebruik genomen. Deze voorbeelden bevestigen dat voor elektriciteitslijnen de totale duur van een project tot de voltooiing ervan 5 jaar bedraagt als er geen hindernissen zijn of weerstand tegen bestaat. Zelfs zonder grote hindernissen is de realiteit dat er in de meeste recente gevallen ongeveer 10 jaar verstrijkt tussen het begin van de planning van een project en de ingebruikname ervan. Als er wel sprake is van echte hindernissen en weerstand, komt het voor dat projecten na 12 tot 20 jaar nog altijd de uitvoeringsfase niet hebben bereikt (een voorbeeld hiervan is de verbinding Bescano (ES)-Baixas (FR); over dit project bestaat nog altijd geen overeenstemming). In sommige gevallen komen projecten na 10 jaar of langer debatteren toch niet van de grond, zoals in het geval van de lijn Lienz (AT) – Cordignano (IT). Er bestaan grote verschillen in de publieke perceptie van de risico’s en effecten die worden geassocieerd met bovengrondse hoogspanningsleidingen in vergelijking met gaspijpleidingen, die doorgaans minder vertraging oplopen. Recentelijk is er zowel op lokaal als regionaal niveau bezwaar gemaakt tegen de bouw van LNG-terminals. In het geval van de terminal in Rosignano (IT) bestond er, ondanks de overeenstemming die op nationaal niveau was bereikt, aanzienlijke weerstand tegen het project binnen de gemeente Rosignano, die wilde dat bepaalde delen van de installatie werden aangelegd op een ander deel van haar grondgebied, verder het binnenland in. Na een periode van drie jaar, waarin een aanvullende milieueffectbeoordeling is uitgevoerd, lijkt een oplossing in zicht, en de bouw zou binnenkort van start kunnen gaan. 3.4 Geboekte vooruitgang in de periode 2002-2004 Wat het gasnet betreft, is er een belangrijke verbinding tussen Frankrijk en Spanje in gebruik genomen, alsmede enkele nieuwe terminals voor vloeibaar aardgas (LNG) in de Spaanse steden Carthagena, Bilbao en Barcelona. Daarnaast worden er verschillende LNG-terminals gebouwd in Italië, Spanje, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk. Verder is een nieuwe pijpleiding van Libië naar Italië (Sicilië) in gebruik genomen. Belangrijke projecten die zich in de vergunningsfase bevinden zijn onder meer de pijpleiding van de Kaspische Zee door Turkije naar Oostenrijk, de koppelverbinding Griekenland – Italië en de koppelverbinding Denemarken – Duitsland – Zweden, alsook een aanzienlijk aantal LNG-terminals in Italië en Spanje en een ondergrondse opslaginstallatie in Spanje. Met betrekking tot het elektriciteitsnet is de capaciteit van de bestaande verbinding tussen Frankrijk en Italië vergroot, zijn een ontbrekende schakel tussen Frankrijk en België en een nieuwe lijn tussen Italië en Zwitserland in gebruik genomen, alsmede extra verbindingen tussen Spanje en Portugal, in Zuidoost-Europa, tussen Zweden en Noorwegen, Finland en Rusland, binnen Ierland en in Denemarken. Daarnaast wordt gewerkt aan de aanleg van een onderzeese verbinding tussen Finland en Estland, een nieuwe koppelverbinding tussen Bulgarije en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, lijnen tussen Spanje en Portugal en lijnen in Ierland. Belangrijke projecten die zich in de vergunningsfase bevinden zijn onder meer de verbindingen tussen Frankrijk en Spanje, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, verbindingen in Zuidoost-Europa, waaronder verbindingen tussen Griekenland en Bulgarije - de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië - Turkije, en verbindingen tussen Duitsland en Polen, Duitsland en Oostenrijk, Oostenrijk en Hongarije en Oostenrijk en Tsjechië. De tenuitvoerlegging van projecten op prioritaire assen in de periode 2002-2004 wordt in detail besproken in de bijlage. Voorts is de tenuitvoerlegging van projecten in geïsoleerde regio’s op doeltreffende wijze ondersteund met subsidies uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn (voor details: zie bijlage). 3.5 Communautaire financiering Uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn is tussen 1995 en 2004 voor een totaalbedrag van 174 miljoen euro aan financiële bijstand toegekend. Deze middelen zijn met name besteed aan de medefinanciering van studies. Het is de moeite waard de toegekende bijstand te bekijken in het licht van de prioritaire assen. Van het bedrag dat in de periode 2001-2004 aan prioritaire assen is besteed, is ongeveer 64% van de beschikbare begroting toegekend aan deze projecten. Het grootste deel van dit bedrag is besteed aan het gasnet, namelijk 62,8%, en een kleiner deel van 37,2% is uitgegeven aan het elektriciteitsnet. Deze cijfers werden bevestigd in de oproep tot het indienen van voorstellen van 2004, die gebaseerd was op de in juni 2003 aangenomen richtsnoeren, waarin aan de voor financiering geselecteerde prioritaire projecten bijna 64% van de totale begroting werd toegekend. De gasnetten ontvingen 65% van de begroting, die werd besteed aan prioritaire projecten. Uit deze cijfers blijkt dat de eerder gestelde prioriteiten overeenstemmen met de prioritaire assen zoals die zijn gedefinieerd in de beschikking van 2003. Dit laat duidelijk zien dat de prioritaire assen die in 2003 zijn geselecteerd een afspiegeling vormen van de noodzakelijke verbeteringen van de energie-infrastructuur op Europees niveau. Ten tweede blijkt hieruit dat cruciale politieke en financiële steun gericht kan worden ingezet voor de uitvoering van prioritaire projecten. 3.6 Cruciale rol van de TEN-E-begroting De omvang van de jaarlijkse TEN-E-begroting is zeer bescheiden als men de vereiste investeringen in aanmerking neemt, namelijk ongeveer 0,2-0,5% (in de tabellen 1 en 3 in de bijlage is de uit hoofde van TEN-E verleende bijstand weergegeven in verhouding tot de totale kosten). Desalniettemin kan de bijstand die wordt verleend voor studies essentieel zijn voor de planning van projecten in geïsoleerde of insulaire gebieden. De desbetreffende haalbaarheids- en bouwtechnische studies zijn cruciaal voor de start van dergelijke projecten en kunnen leiden tot het versneld nemen van bouwbesluiten. Bovendien geeft de steun voor nieuwe technologieën voor elektriciteitstransmissie, zoals de ondergrondse aanleg van leidingen of het gecombineerd gebruik van spoor- en verkeerstunnels, een krachtige stimulans aan dergelijke projecten. Financiële bijstand in de ontwerpfase zorgt bovendien voor een sneller verloop van het project en kan beslissend zijn voor het bouwbesluit. Grensoverschrijdende projecten hebben aanzienlijke bijstand ontvangen uit hoofde van de TEN-E-begrotingslijn, zoals is vermeld in de bijlage. In enkele goedgemotiveerde gevallen was het mogelijk bijstand ter beschikking te stellen tijdens de uitvoeringsfase. Voor deze gevallen geldt dat de grote zichtbaarheid van de bijstand uit de TEN-E-begroting het essentiële aspect is en niet de omvang van de financiële bijdrage. Wanneer de ontbrekende schakel slechts een beperkte lengte heeft en de kosten van het project derhalve laag zijn, kan de bijdrage uit de TEN-E-begroting een orde van grootte van 10% halen, anders is zij kleiner. Specifieke bijstand uit de TEN-E-begroting voor nieuwe technologieën: Kabeltechnologie: Er is bijstand verleend aan een aantal onderzeese kabelprojecten, waaronder de koppelverbinding Nederland / Noorwegen – de langste onderzeese kabel die in gebruik zal worden genomen – en de kabel die Schotland verbindt met Engeland, met het oog op een groter gebruik van uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en aan diverse onderzeese kabels voor de verbinding van verschillende markten of eilanden met het voornaamste synchroon gekoppelde systeem. Er wordt een nieuwe benadering gevolgd met betrekking tot het gebruik van met gas geïsoleerde leidingen (GIL) voor de verbinding met Europese windmolenparken voor de opwekking van energie op zee. Synergie tussen hoogspanningskabels en spoor-/verkeerstunnels: Er is bijstand verleend om een studie te verrichten naar een nieuwe verbinding via de Brenner-basistunnel tussen Oostenrijk en Italië, alsmede naar de integratie van elektriciteitstransport en spoorvervoer in de spoortunnel voor de hogesnelheidstrein Lyon – Turijn. De mogelijkheden van nieuwe kabel- of GIL-technologie zijn tot in detail geanalyseerd. Studies naar elektriciteitsnetten met een Europese dimensie: Vanwege het strategisch belang wordt 75% van de subsidiabele kosten toegewezen voor het verrichten van onderzoek naar verbindingen en koppelverbindingen tussen het uitgebreide westelijke synchroon gekoppelde systeem, het netwerk van de Unie voor de coördinatie van de transmissie van elektriciteit (UCTE), en de oostelijke gesynchroniseerde zone, met inbegrip van het elektriciteitssysteem van Rusland inclusief de regio Kaliningrad (UPS) en het elektriciteitssysteem van Wit-Rusland, Oekraïne, Moldavië, Georgië, Azerbeidzjan, de Baltische staten (IPS) en andere gekoppelde systemen. Het resultaat van deze haalbaarheidstudie zal cruciale informatie opleveren voor het besluit tot tenuitvoerlegging. Een ander voorbeeld is het project waarbij een analyse wordt uitgevoerd van nieuwe verbindingen tussen het UCTE-systeem en de Oost-Europese CENTREL-systemen. 3.7 Leningen van de Europese Investeringsbank en overige communautaire subsidies Zoals in de bijlage wordt toegelicht, wordt via leningen van de Europese Investeringsbank (EIB) of subsidies uit andere communautaire bronnen aanzienlijke financiële bijstand gegeven aan de energie-infrastructuur. Vaak is een aanmerkelijk deel van deze bijstand echter bestemd voor de energie-infrastructuur in algemene zin, met inbegrip van de distributienetten, en dus niet uitsluitend gericht op koppelverbindingen. 4. Conclusies Op basis van de in de bijlage opgenomen gegevens komt de Commissie tot de volgende algemene conclusies: - De doelstelling om de bijstand te concentreren op prioritaire projecten wordt ten uitvoer gelegd. Het feit dat in de periode 2001-2004 ruim 60% van de bijstand uit de TEN-E-begroting werd toegewezen aan prioritaire projecten toont aan dat de in 2003 geselecteerde prioritaire assen een afspiegeling vormen van de vereiste verbeteringen in de transmissie-infrastructuur. - Coördinerende maatregelen inzake de tenuitvoerlegging moeten hoge prioriteit krijgen binnen het TEN-E-beleid. Om de tenuitvoerlegging van projecten te versnellen, moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan gedetailleerde monitoring van de vooruitgang en aan periodieke uitwisseling van informatie over grensoverschrijdende verbindingen. De aanstelling van een Europese coördinator, zoals goedgekeurd in de TEN-T-richtsnoeren voor vervoer, zou een gepaste maatregel kunnen zijn en wordt voorgesteld in het kader van de herziening van de TEN-E-richtsnoeren. - De politieke steun die in het ‘TEN-E-keurmerk’ tot uitdrukking komt wordt steeds doorslaggevender voor de aanvaarding van projecten door het publiek en voor het versnellen van de vergunningsprocedure. Er zij echter op gewezen dat de vergunningsprocedures een groot probleem blijven, omdat er tussen het begin van de planning en de ingebruikname doorgaans ongeveer 10 jaar verstrijkt. Uit de feedback van de transmissienetbeheerders blijkt dat de erkenning van een specifiek Europees belang door de Gemeenschap even belangrijk wordt gevonden als financiële bijstand en kan bijdragen tot de tijdige start van de aanleg. - Op de lange lijst met projecten van gemeenschappelijk belang bevindt zich een relatief groot aantal projecten waarbij goede vooruitgang is geboekt – kennelijk zonder veel steun uit hoofde van TEN-E. Uit nauwkeuriger onderzoek naar grensoverschrijdende verbindingen, met name op de prioritaire assen, is echter gebleken dat het effect van het TEN-E-programma in deze subcategorie aanzienlijk was (zie de tabellen 2 en 4 in de bijlage). - De TEN-E-begroting heeft, ondanks haar relatief beperkte omvang, aanzienlijk bijgedragen tot: - het initiëren van projecten in geïsoleerde of insulaire gebieden, - projecten waarbij onderzoek wordt gedaan naar het potentiële gebruik van nieuwe technologieën en - de totstandkoming van het bouwbesluit voor specifieke projecten. - De Europese Investeringsbank (EIB) is goed toegerust om een belangrijke rol te vervullen in de verbetering van de integratie van de gas- en elektriciteitsmarkten in de EU. Financiering van de transmissie-infrastructuur voor gas en elektriciteit behoort van oudsher al tot de activiteiten van de EIB; in de toekomst zal deze activiteit met betrekking tot prioritaire projecten moeten worden geïntensiveerd. - Het is duidelijk geworden dat een actualisering van zowel de prioritaire assen als de lijst met projecten[3] een eerste voorwaarde is voor het vergroten van de steun voor de verbetering van de verbindingen met de nieuwe lidstaten en de toetredingslanden. De prioritaire assen moeten worden geactualiseerd om de tien lidstaten die op 1 mei 2004 tot de EU zijn toegetreden volledig te betrekken bij de prioritaire projecten. De voorgestelde herziening van de TEN-E-richtsnoeren omvat daartoe extra assen voor prioritaire projecten. De belangrijkste conclusies voor elektriciteits- en gasnetten zijn: Elektriciteitsnetten: - Bij het vaststellen van prioritaire projecten wordt rekening gehouden met het belang van de grensoverschrijdende handel voor de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. De koppelcapaciteit blijft over het algemeen nog altijd ver achter bij de in Barcelona overeengekomen doelstelling van 10% van de opwekkingscapaciteit, hoewel er wel vooruitgang is geboekt. - De voltooide verbindingen en de verbindingen in uitvoering dragen in belangrijke mate bij tot het oplossen van de congestie op de prioritaire assen. De transmissiecapaciteit wordt met name aanzienlijk uitgebreid door de grensoverschrijdende verbindingen tussen Frankrijk en België (EL.1), tussen Italië en Zwitserland en de faseverschuiver tussen Italië en Frankrijk (EL.2), door diverse lijnen tussen Portugal en Spanje (EL.3), door grensoverschrijdende lijnen in Zuidoost-Europa (EL.4), door verbindingen waarmee de transmissiecapaciteit tussen Ierland en Noord-Ierland wordt uitgebreid (EL.6), en door verbindingen tussen Denemarken en Duitsland, tussen Finland en Estland, tussen Finland en Rusland en tussen Zweden en Noorwegen (EL.7). Gasnetten: - Bij het vaststellen van de prioritaire projecten wordt rekening gehouden met het belang van de grensoverschrijdende handel voor de liberalisering van de gasmarkt. - De voltooide verbindingen en de verbindingen in uitvoering dragen in belangrijke mate bij tot het vergroten van de invoercapaciteit voor gas op de prioritaire assen. De invoercapaciteit wordt met name aanzienlijk uitgebreid door de grensoverschrijdende pijpleiding voor de levering van aardgas uit Algerije via Marokko (NG.2), van Turkije naar Griekenland of Oostenrijk (NG.3) en een reeks nieuwe LNG-terminals (NG.4) in Spanje, Italië, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk. Kopjes bij de figuren: Figuur 1: Assen voor prioritaire projecten in verband met elektriciteitsnetten. Figuur 2: Assen voor prioritaire projecten in verband met gasnetten. Figuur 3: Vooruitgang bij de tenuitvoerlegging sinds 2001 voor elektriciteitsnetten. Figuur 4: Vooruitgang bij de tenuitvoerlegging sinds 2001 voor gasnetten. [1] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 11. [2] PB L 228 van 23.9.1995, blz. 1, Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad van 18 september 1995 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken, zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1159/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 (PB L 191 van 22.7.2005, blz. 16.) [3] Voorstel van de Commissie voor een herziening van de TEN-E-richtsnoeren COM (2003) 742 def. van 10.12.2003.