Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Opmerkingen van de Commissie bij de conclusies en aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie van het programma "Intelligente Energie - Europa” (2003-2006) {SEC(2006) 858} /* COM/2006/0357 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 4.7.2006 COM(2006) 357 definitief MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Opmerkingen van de Commissie bij de conclusies en aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie van het programma "Intelligente Energie – Europa” (2003-2006) {SEC(2006) 858} MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Opmerkingen van de Commissie bij de conclusies en aanbevelingen van de tussentijdse evaluatie van het programma "Intelligente Energie – Europa” (2003-2006)(Voor de EER relevante tekst) 1. Inleiding Het programma “Intelligente Energie-Europa (IEE)” is in juni 2003 ingevoerd bij Beschikking nr. 1230/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad[1]. Het blijft van kracht tot 31 december 2006. Doel van het programma, waarvoor een indicatief bedrag van 250 miljoen euro is uitgetrokken, is een evenwichtige bijdrage te leveren tot het bereiken van de algemene doelstellingen inzake continuïteit van de energievoorziening, de Lissabondoelstellingen inzake groei, het scheppen van duurzame werkgelegenheid en concurrentievermogen, alsmede de bescherming van het milieu. Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de beschikking tot vaststelling van het programma, deelt de Commissie de conclusies van de tussentijdse evaluatie van het communautair programma en haar opmerkingen daarbij mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. De tussentijdse evaluatie is uitgevoerd door een onafhankelijk team van deskundigen, hierna “de evaluatoren” genoemd. Hun evaluatie en strategie is gebaseerd op diverse informatiebronnen zoals eerdere evaluaties van dit en voorgaande programma’s, een analyse van de programmagegevens, een overzicht van de aanvragers en begunstigden, een raadpleging van de betrokkenen en een onderzoek van relevante marktrapporten. In het rapport worden de relevantie, efficiëntie, doelmatigheid, toegevoegde waarde en duurzaamheid van het programma getoetst en worden, rekening houdend met de randvoorwaarden inzake tijd en budget, een aantal maatregelen aanbevolen om het management van het programma te verbeteren en het programma te verlengen en uit te breiden met vergelijkbare activiteiten. De evaluatoren vergelijken hun eigen resultaten en bevindingen tevens met evaluaties van voorgaande programma’s en de tussentijdse evaluatie van het “Kaderprogramma voor energie, 1998-2002” (KPE). De evaluatoren hebben het rapport op 24 maart 2006 officieel ingediend bij de Commissie. 2. Standpunt van de Commissie betreffende de werkzaamheden van de evaluatoren en bestaande randvoorwaarden De Commissie is van mening dat de evaluatoren een evenwichtig en volledig verslag hebben neergelegd, waarin zowel erkenning als kritiek zijn terug te vinden, en is verheugd over de algemene kwaliteit van het rapport. De Commissie benadrukt dat de meeste van de door de evaluatoren geformuleerde conclusies nauw aansluiten bij haar eigen bevindingen en reeds hebben geleid of nog zullen leiden tot een verbetering van bijvoorbeeld de efficiëntie en de toegankelijkheid van het programma. Maatregelen die een aanpassing van het bestaande wettelijk kader vergen, kunnen alleen in overweging worden genomen bij de voorbereiding van nieuwe programma's. De evaluatie heeft betrekking op de programma-activiteiten die zijn uitgevoerd in de periode van augustus 2003 tot november 2005. Door omstandigheden konden de evaluatoren slechts beschikken over de evaluatieresultaten van twee oproepen en het begin van de tenuitvoerlegging van de eerste contracten. Bovendien zullen een groot deel van de aanbevelingen voor de resterende looptijd van het programma alleen betrekking hebben op de laatste oproep tot het indienen van voorstellen die nog moet worden gepubliceerd, aangezien de derde oproep reeds werd gepubliceerd op 7 oktober 2005 en afgesloten op 31 januari 2006 voor de meeste categorieën van activiteiten. In de evaluatie wordt niet ingegaan op de rol en de prestaties van het programmacomité. Bovendien hebben de evaluatoren, omdat het om een evaluatie op programmaniveau gaat, geen opmerkingen geformuleerd over bepaalde specifieke projecten. 3. Standpunt van de Commissie betreffende de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit het evaluatierapport 3.1. Algemene conclusies en aanbevelingen De vijf belangrijkste conclusies en algemene aanbevelingen uit het rapport zijn: - Het IEE-prorgamma scoort op de meeste vlakken aanzienlijk beter dan het vroegere KPE en de Commissie heeft bij implementatie van dit programma rekening gehouden met een groot deel van de aanbevelingen en relevante adviezen uit vorige evaluaties door onafhankelijke deskundigen. - Vanaf de start heeft het programma zijn nut bewezen. De doelstellingen van het programma stemmen immers overeen met die van de Lissabonstrategie en sluiten aan bij het toenemende belang van de continuïteit van de energievoorziening en de opwarming van het klimaat. Het programma trekt waardevolle en degelijke projecten aan en wordt goed beheerd. Derhalve wordt aanbevolen het programma voort te zetten. - Belangrijk is dat het programma een toegevoerde waarde tot stand brengt door de sterke synergie tussen hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en vervoer. Bovendien mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de lidstaten door de gesubsidieerde projecten zullen worden aangespoord tot een bijsturing van hun beleid en nieuwe maatregelen. Dit aspect moet worden onderzocht bij een ex-post evaluatie van het programma. - Het programma overlapt niet met werkzaamheden die andere financieringsbronnen hebben: het is een aanvulling op de werkzaamheden in het kader van andere communautaire programma’s zoals het Kaderprogramma van RTD (KP6). De unieke transnationale dimensie is een toegevoegde waarde ten aanzien van nationale, regionale of lokale programma's en initiatieven waardoor vergelijkende analyses kunnen worden gemaakt en overlappende initiatieven worden vermeden. - Het totale budget volstaat. Er wordt echter betwijfeld of het programma een wezenlijke bijdrage zal kunnen leveren tot het behalen van de algemene energiedoelstellingen. De evaluatoren zijn het er in het algemeen over eens dat er goede argumenten zijn om de werkingssfeer van het programma te verruimen en ook steun te verlenen voor projecten ter bevordering van de marktintroductie van technologieën en beste praktijken en pleiten derhalve voor een verhoging van het budget. Reactie van de Commissie De Commissie verheugt zich over de eerste belangrijke conclusie van de evaluatoren. Bij de voorbereiding van haar voorstel voor een meerjarenprogramma voor acties op energiegebied 2003-2006[2] heeft de Commissie zorgvuldig rekening gehouden met de aanbevelingen uit voorgaande evaluaties. Zij is ervan overtuigd dat de eenheidsstructuur van het IEE, tegenover het KPE en zijn zes specifieke programma's, gezorgd heeft voor een betere algemene samenhang, een groter effect van de ondersteunde projecten, een vlottere invoering van coherente managementprocedures en meer flexibiliteit om in te spelen op wijzigende behoeften en prioriteiten. De grotere synergie tussen de verschillende gebieden biedt ongetwijfeld een grote toegevoegde waarde. De Commissie is het volledig eens met de visie van de evaluatoren dat er reeds een sterk draagvlak bestaat voor het programma. Gelet op het belang van verbeteringen inzake energie-efficiëntie en een toenemend gebruik van hernieuwbare energie in de strijd tegen klimaatverandering en met het oog op de continuïteit van de energievoorziening, een centrale doelstelling die de Commissie en de Europese staats- en regeringsleiders[3] onlangs in het Groenboek "Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa”[4] naar voren hebben geschoven, zal het draagvlak nog sterker worden. De Commissie is tevreden met de waardering van de evaluatoren voor het beheer van het programma en de kwaliteit van de ondersteunde projecten. De projecten waarvoor medefinanciering wordt verleend, bieden een Europese meerwaarde omdat ze model kunnen staan en als benchmark fungeren voor oplossingen die later op veel grotere schaal kunnen worden verspreid via andere programma’s en de Europese stroomopwaartse onderzoeksactiviteiten beter kunnen doen aansluiten bij de beleidsbehoeften. In het algemeen verwacht de Commissie dat de bestaande coördinatie met andere relevante Commissieprogramma’s een veel ruimere financieringsbasis zal creëren voor activiteiten op het gebied van duurzame energie en de algemene impact van de communautaire financiering zal optimaliseren. De Commissie heeft er tevens nauwlettend op toegezien dat acties complementair zijn en worden afgestemd op acties van de lidstaten en andere belangrijke actoren in de energiesector. De belangrijkste bijdrage wordt in dit verband geleverd door de leden van het programmacomité. De Commissie pleegt met hen overleg over een aantal aspecten van het programma; zoals de prioriteiten en de tenuitvoerlegging. De Europese dimensie van het programma waarborgt inderdaad een toegevoegde waarde ten opzichte van nationale, regionale of lokale initiatieven. In dit verband zal de Commissie de suggestie van de evaluatoren in overweging nemen om bij de ex-post evaluatie van het programma te onderzoeken in welke mate de financiering van projecten lidstaten aanzet tot een wijziging van hun beleid en tot andere maatregelen. Op basis van een aanbeveling uit de evaluatie van het KPE werd onderzocht of een extern beheer van het programma goedkoper zou zijn en heeft de Commissie op 23 december 2003 het Uitvoerend Agentschap voor intelligente energie (IEEA) opgericht. Het agentschap heeft zijn werkzaamheden eind 2004 aangevat en beschikt sinds januari 2006 over volledige autonomie. Ten slotte neemt de Commissie akte van de twijfels inzake het potentieel van het programma om een wezenlijke bijdrage te leveren tot het behalen van de algemene energiedoelstellingen, en is zij het volledig eens met de conclusie van de evaluatoren dat in het programma instrumenten moeten worden opgenomen om, mits het budget daartoe wordt uitgebreid, de marktintroductie van beste technologieën en praktijken te ondersteunen. Deze aanbeveling kan alleen in overweging worden genomen bij de voorbereiding van een volgend programma. 3.2. Specifieke aanbevelingen inzake het beheer van het programma De evaluatoren stellen een aantal verbeteringen voor op het gebied van de tenuitvoerlegging van het programma. In vergelijking met eerdere programma’s werden in het kader van dit programma minder voorstellen ingediend, hoewel het budget relatief is toegenomen. Het programma heeft een zeker succes geboekt bij het aantrekken van nieuwe actoren en nieuwkomers op de markt en alle in aanmerking komende landen (op Liechtenstein na) nemen actief deel. Het aantal kandidaten had echter veel hoger kunnen liggen en er waren eigenlijk te weinig indieners uit de nieuwe lidstaten. De evaluatoren stellen voor meer doelgerichte informatiedagen te organiseren over specifieke thema’s om nieuwe kandidaten aan te trekken, met name uit de nieuwe lidstaten. De evaluatoren menen voorts dat extra inspanningen moeten worden gedaan om de kwaliteit van de ingediende voorstellen verder te verbeteren en de werklast voor evaluaties te verminderen. Zij menen dat de begeleiding van indieners van projecten nog kan worden verbeterd. De evaluatoren roepen de Commissie op, ook op basis van haar vroegere ervaringen, na te denken over de doelmatigheid van een aanvraagprocedure in twee stappen, hetzij voor de laatste oproep van dit programma, hetzij voor het volgende programma. Met betrekking tot steun voor evenementen in het kader van het programma stellen de evaluatoren voor deze steun ook te verlenen tijdens een eventueel opvolgprogramma, waarbij kan worden overwogen te voorzien in een lichtere beoordelingsprocedure voor deze projecten. De aanvragers zijn in het algemeen zeer tevreden over de informatieverstrekking over het programma, de oproepen, regels en richtsnoeren voor de indiening van een aanvraag en lopende projecten waaraan steun wordt verleend. De informatieverstrekking is aanmerkelijk geëvolueerd en verbeterd bij de verschillende oproepen tot het indienen van voorstellen. Veel kandidaten begrijpen echter nog steeds niet helemaal wat van hen wordt verlangd op het gebied van indicatoren. Om de invoering en het nut van succesindicatoren van projecten te bevorderen, stellen de evaluatoren dat de begeleiding van kandidaten nog moet worden verbeterd door meer en eenvoudige voorbeelden van de output-, resultaat- en impactketen aan te bieden en de inspanningen van het IEEA om de aanvraagformulieren en richtsnoeren te verbeteren, voort te zetten. Ondanks aanzienlijk vooruitgang, met name wat de aanvraagformulieren betreft, is er inzake de collectieve verspreiding van resultaten nog ruimte voor verbetering. De evaluatoren wijzen erop dat het profiel en het gebruiksgemak van de zogenaamde IntellEbase en andere vergelijkbare instrumenten moet worden verbeterd en dat er tijdens de onderhandelingsfase behoefte is aan meer groepsoverleg tussen coördinatoren van verwante projecten. Behalve voor de COOPENER-projecten volstaat de subsidiëring van 50%. Er blijft bezorgdheid bestaan over de spreiding en mogelijke vertraging bij de betaling van reeds toegekende contracten. Wat de COOPENER-component van het programma betreft, zijn de evaluatoren van mening dat er een nauwe integratie dient te blijven bestaan met het institutioneel proces van het Energie-initiatief voor de uitroeiing van de armoede en de bevordering van duurzame ontwikkeling (EUEI) en dat de band met de EU-delegaties in de ACS-landen moet worden versterkt. Uit eerste aanwijzingen blijkt dat de Commissie, via het DG TREN en het IEEA, tijdens de eerste twee jaren van het programma inspanningen geleverd heeft om de efficiëntie van het programma te verbeteren. De evaluatoren wijzen er weliswaar op dat het nog te vroeg is om formele uitspraken te doen over de doelmatigheid van het Agentschap of zijn personeelsformatie, maar stellen voor deze aspecten op een later ogenblik formeel te evalueren. Reactie van de Commissie De Commissie spreekt haar waardering uit voor de constructieve opmerkingen en suggesties van de evaluatoren. Zij zal hun voorstellen grondig bestuderen en zorgen voor een passende opvolging ervan. Hierna volgen een aantal reacties op specifieke voorstellen. De Commissie is het ermee eens dat het aantal indieners, met name uit de nieuwe lidstaten, hoger had kunnen liggen hoewel kandidaten uit die landen het vaak moeilijk hebben om medefinanciering voor IEE-projecten te vinden. Informatiedagen zijn een belangrijk instrument. Bij de oproep van 2005 heeft het IEEA meer informatiedagen georganiseerd, met name in alle nieuwe lidstaten en vaak met een presentatie in de taal van de lidstaat. Deze dagen zijn echter relatief duur omdat slechts een beperkt aantal potentiële kandidaten worden bereikt. Het IEEA heeft richtsnoeren inzake beste praktijken ontwikkeld om de lidstaten te helpen op een zo efficiënt mogelijke manier informatiedagen te organiseren. In de toekomst zullen naast informatiedagen ook een aantal strategisch geplande presentaties worden gegeven op belangrijke evenementen en conferenties om zo meer potentiële kandidaten te bereiken. Naar aanleiding van de oproep van 2005 werden nieuwe richtsnoeren voor het indienen van een voorstel opgesteld voor alle soorten IEE-voorstellen. De nieuwe richtsnoeren bieden nadere toelichting over de succesindicatoren van een programma, aangevuld met concrete voorbeelden op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen. Rekening houdend met de reacties van indieners en de externe deskundigen die hebben meegewerkt aan de evaluatie van de oproep tot het indienen van voorstellen zullen verdere verbetering worden doorgevoerd. Bovendien werden extra inspanningen geleverd om efficiënter te antwoorden op vragen van kandidaten. Wat de indienings- en beoordelingsprocedure betreft, zal een evaluatie worden gemaakt van de huidige procedure alsook worden onderzocht welke andere mogelijkheden er zijn, zoals een aanvraag in twee stappen of een lichtere procedure voor kleine bedragen ter ondersteuning van evenementen. De Commissie is het ermee eens dat in het algemeen door de invoering van een procedure in twee stappen, op vaarwaarde dat de eerste stap eenvoudig is, de totale kosten voor indieners kunnen worden verlaagd. Ervaring, met name bij de kaderprogramma's van RTD, heeft geleerd dat een procedure in twee stappen tot langere termijnen kan leiden bij de verwerking van de voorstellen en tot een aanzienlijke extra werkbelasting en alleen rendabel kan zijn bij zeer complexe en grote projecten die investeringen in hardware vergen. Om deze redenen acht de Commissie het niet opportuun een dergelijke procedure in te voeren in het kader van dit programma, maar sluit zij niet uit dit in overweging te nemen voor een volgend programma. De Commissie is het ermee eens dat de verspreiding van de projectresultaten uiterst belangrijk is. Er worden constant verbeteringen aangebracht aan de IEE-website. Over alle IEE-projecten zijn informatiefiches opgesteld. Uit de monitoring van de website blijkt dat de belangstelling voor de geboden informatie blijft toenemen. De projectfiches zijn reeds meer dan 41 000 keer geraadpleegd, het overzicht van de projecten uit de bouwsector ongeveer 27 000 keer. Om de informatie te verspreiden, publiceert het IEEA elk kwartaal een nieuwsbrief, waarvan elk nummer intussen meer dan 10 000 keer is gedownload. Later dit jaar zal (via een aanbesteding) een beroep worden gedaan op externe ondersteuning om een vollediger database van de IEE-projecten te ontwikkelen. De ervaringen met thematische overlegvergaderingen met de coördinatoren, zowel tijdens de onderhandelings- als de implementatiefase, waren zeer positief en zullen worden uitgebreid tot alle thematische gebieden. Ondanks de tevredenheid van de geïnterviewde coördinatoren over het maximale subsidieniveau van 50%, ervaart de Commissie ook negatieve gevolgen. Er moet op gewezen worden dat coördinatoren vaak met hun consortium overeenkomen dat zij, ter compensatie van hun taak als manager, vaak een groter aandeel van de subsidies ontvangen dan hun partners. Dat kan omdat de totale grens van 50% voor IEE-steun voor het volledige project geldt en niet voor elke betrokken partner. Zoals reeds vermeld, stelt de Commissie vast dat deze steungrens enerzijds problemen oplevert voor indieners uit de nieuwe lidstaten en tot problemen leidt op een aantal thematische gebieden. Anderzijds, zou voor thematische gebieden die nauwer bij de markt aansluiten een lager steunpercentage kunnen worden gehanteerd. In het algemeen wordt ook de beperkte medefinanciering uit publieke of private financieringsbronnen in de lidstaten als reden aangehaald voor het beperkte aantal aanvragen. Voor het vervolgprogramma zal een meer gedifferentieerde aanpak worden overwogen. Om historische redenen blijft er bij contractanten nog steeds enige bezorgdheid bestaan over mogelijke vertragingen bij de betaling, terwijl het IEEA wat tijd nodig heeft om haar werking te stroomlijnen en tijdig te betalen. Niettemin doet de IEEA al het mogelijke om een tijdige betaling te waarborgen en zijn er reeds tekenen van betere resultaten terzake. De contractuele vereenvoudigingen die het IEEA onlangs heeft doorgevoerd, met name op het vlak van bankgaranties, zou moeten leiden tot snellere en eenvoudigere financiële procedures. De Commissie wijst erop dat de COOPENER-component integraal deel uitmaakt van het EU Energie-initiatief waartoe in 2001 is besloten tijdens de VN-wereldtop voor duurzame ontwikkeling. De Commissie is het ermee eens dat deze koppeling kan worden versterkt via de delegaties van de Commissie in de begunstigde landen van COOPENER-projecten. Aangezien het steunpercentage in de rechtsgrond van het programma is vastgesteld, kan in het kader van het lopende programma geen hoger percentage worden toegekend voor COOPENER-projecten. Op grond van de regelmatige rapportage die zij van het agentschap ontvangt, sluit de Commissie zich aan bij de mening van de evaluatoren inzake de prestaties van het uitvoerend agentschap. De prestaties van het agentschap en zijn invloed op de tenuitvoerlegging van het programma zullen in 2006 worden beoordeeld in het kader van een kosten-batenanalyse voor de uitbesteding van het volgende programma. 3.3. Specifieke aanbevelingen voor het volgende programma De evaluatoren zijn van mening dat er een zeer duidelijke behoefte bestaat aan een verlenging van het programma na 2006 met een ruimer werkgebied en budget om ervoor zorgen dat beste praktijken op ruime schaal worden verspreid en nieuwe indieners en belangrijke actoren worden aangetrokken. Interessante perspectieven worden geboden door de synergieën met de andere subprogramma's van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (KCI), de vooruitzichten inzake de verbreding en diversifiëring van de indieners en doelgroepen en de vereenvoudiging van de uitvoeringsmechanismen. Het is evenwel belangrijk dat de identiteit en onafhankelijkheid van het programma bewaard blijven om voort te bouwen op de historische achtergrond ervan. De evaluatoren zijn van oordeel dat het toekennen van extra steun voor “markttoepassingsprojecten”, zoals de Commissie heeft voorgesteld, een nauwgezette coördinatie vergt tussen het KCI en het toekomstige 7e kaderprogramma om overlappingen te vermijden. Op basis van de eerste indicatoren, die erop wijzen dat het IEEA de doelmatigheid van het programma bevordert, bevelen de evaluatoren aan het IEEA te behouden en uit te breiden met het oog op het volgende IEE-programma, als onderdeel van het KCI of zelfs het volledige KCI, mits dit degelijk wordt onderbouwd door een formele evaluatie van de werking van het IEEA. Reactie van de Commissie De Commissie constateert dat de door de evaluatoren geformuleerde conclusies en aanbevelingen voor het volgende programma aansluiten bij haar eigen ideeën en het voorstel dat zij vorig jaar heeft ingediend betreffende het nieuwe KCI (2007-2013)[5]. Het volgende IEE-programma, dat weliswaar moet worden gesitueerd binnen coherente en overkoepelende doelstellingen, alsmede een algemene structuur en budget, behoudt zijn budgettaire zekerheid, specifieke comité en beheerautonomie binnen het nieuwe KCI. Dit waarborgt dat de specifieke aard van het IEE bewaard blijft. Voorts herinnert de Commissie eraan dat in het kader van het 7e kaderprogramma nog steeds steun zal worden verleend voor projecten inzake fundamenteel onderzoek en technologische ontwikkeling, alsmede demonstratieprojecten, waaronder de ontwikkeling van hernieuwbare energie en energie-efficiënte technologieën. Activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling vallen op grond van artikel 166 van het Verdrag niet onder het KCI. Het KCI zal complementair zijn aan het 7e kaderprogramma en betrekking hebben op zowel niet-technologische als technologische innovatie die de laatste demonstratiefase voorbij is en klaar is voor markttoepassing. Bij de voorbereiding van de jaarlijkse werkprogramma’s voor het volgende IEE-programma zal de Commissie de coördinatie met het 7e kaderprogramma versterken om de synergieën tussen beide complementaire instrumenten maximaal te benutten. Voor de tenuitvoerlegging van het KCI of een deel daarvan kan de Commissie, naargelang de resultaten van een kosten-batenanalyse overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van 19 december 2002, een beroep doen op een nieuw en/of bestaande uitvoerend agentschap, met name het IEEA. De beslissing kan slechts worden genomen na goedkeuring van het Kaderprogramma door het Europees Parlement en de Raad. 3.4. Specifieke aanbevelingen betreffende de externe component van het toekomstige programma (COOPENER) In het kader van de nieuwe architectuur voor programma’s voor externe betrekkingen voor de periode 2007-2013, zal de verschuiving van de COOPENER-component van het IEE-programma naar een internationaal ontwikkelings- en economisch samenwerkingsinstrument volgens de evaluatoren een oplossing bieden voor de problemen betreffende medefinanciering en subcontractanten uit programmalanden. De evaluatoren pleiten er evenwel voor het specifieke karakter, de autonomie en de zichtbaarheid van COOPENER binnen het nieuwe thematische programma te behouden en benadrukken dat het management over expertise moet blijven beschikken inzake zowel energie als internationale hulpverlening, hoewel die laatste weliswaar de belangrijkste is. Reactie van de Commissie Het voorstel van de Commissie van 25 januari 2006[6] voor een “thematisch programma voor het milieu en het duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen met inbegrip van energie, 2007-2013” bevat een onderdeel “steun voor duurzame energiekeuzes in partnerlanden en –regio’s”. Dit onderdeel bouwt verder op de vroegere COOPENER-werkzaamheden en zou, afhankelijk van het budget dat ter beschikking zal worden gesteld, een ruimer toepassingsgebied hebben dan de huidige programma's waarbij institutionele steun wordt verleend voor het verbeteren van de toegang tot duurzame energiediensten in ontwikkelingslanden alsmede voor acties in partnerlanden met het oog op een grotere zekerheid van de mondiale energievoorziening en een betere bescherming van het milieu. De Commissie verwacht dat de integratie van COOPENER in dit centraal thematisch programma tot een grotere bekendheid en zichtbaarheid van de ondersteunde acties zal leiden alsook tot een betere integratie en synergie met andere acties van de Commissie inzake externe betrekkingen. Dit is tevens een mogelijke oplossing voor de huidige problemen door de beperking van de medefinanciering tot 50% en betreffende de status van contractanten van organisaties uit derde landen. De Commissie neemt akte van de bezorgdheid van de evaluatoren over de behoefte aan een degelijke deskundigheid inzake energie voor de tenuitvoerlegging van het programma en zal deze opmerking meenemen bij beslissingen over de managementstructuur van het thematisch programma. [1] PB L 176 van 15.7.2003, blz.29. [2] COM(2002) 162 definitief van 9.4.2002 en COM(2002) 162 definitief /2. van 24.4.2002. [3] Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006. [4] COM(2006) 105 definitief van 8.3.2006. [5] COM(2005) 121 definitief van 6.4.2005. [6] COM(2006) 20 definitief.