|
30.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 324/59 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels
COM(2006) 16 final — 2006/0006 (COD)
(2006/C 324/23)
De Raad heeft op 24 februari 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 149 van het EG-Verdrag te raadplegen over het bovengenoemde voorstel.
De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 september 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer GREIF.
Vanwege de vernieuwing van het Comité heeft de voltallige vergadering besloten dit advies op de agenda van de oktober-zitting te zetten en de heer Greif tot algemeen rapporteur te benoemen.
Het Comité heeft tijdens zijn 430e zitting op 26 oktober 2006 onderstaand advies uitgebracht, dat met 118 stemmen vóór, zonder stemmen tegen en bij drie onthoudingen is goedgekeurd.
1. Dé politieke boodschap van het Europees Economisch en Sociaal Comité
|
1.1 |
Het EESC beschouwt onderhavig Commissievoorstel als een belangrijke stap voorwaarts op de weg naar verbeterde voorwaarden voor het vrije verkeer in de EU. |
|
1.2 |
Vooral nu 2006 tot Europees Jaar voor de mobiliteit van werknemers is uitgeroepen, dringt het er bij de lidstaten op aan om ervoor te ijveren dat de thans voorgestelde verordening tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 zo spoedig mogelijk wordt goedgekeurd, omdat die nieuwe verordening dan pas van kracht wordt en de daaraan verbonden verbeteringen en vereenvoudigingen kunnen worden doorgevoerd. |
|
1.3 |
Snelle goedkeuring zou vooral symboolwaarde hebben: het gaat er in feite om een concrete daad te stellen waardoor de burgers van Europa meer mogelijkheden tot mobiliteit krijgen. De toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 en van de uitvoeringsverordening waarover dit advies gaat, brengt voor de betrokkenen tal van vereenvoudigingen, verduidelijkingen en verbeteringen bij de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels met zich mee. |
|
1.4 |
Het EESC is vooral ingenomen met de uitbreiding van de (materiële en personele) werkingssfeer en met alle bepalingen die tot doel hebben om de samenwerking tussen socialezekerheidsorganen te verbeteren. |
|
1.5 |
Het EESC verzoekt de Commissie met klem om op zo kort mogelijke termijn het nodige te doen om alle relevante verordeningen en overeenkomsten dusdanig aan te passen dat ook de EER, Zwitserland, Groenland en onderdanen van landen buiten de EU onder de werkingssfeer van de verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels gaan vallen. Bedoelde verordeningen en overeenkomsten houden altijd verband met Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de bijbehorende toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72. De dienovereenkomstige wijzigingen van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 moeten op zijn laatst zijn goedgekeurd bij de inwerkingtreding daarvan. |
|
1.6 |
Het EESC ziet in dat op de administratie kan worden bezuinigd door betere en minder tijdrovende procedures voor de uitwisseling van gegevens toe te passen en dat verzekerden voordeel hebben bij snellere procedures bij grensoverschrijdende gevallen, maar beseft dat die versnelde gegevensuitwisseling alléén nog geen doorbraak betekent. De socialezekerheidsorganen in de lidstaten kunnen die grotere efficiëntie qua afhandelingstijd alleen bereiken als tegelijkertijd wordt gezorgd voor voldoende gekwalificeerd personeel en adequate technische hulpmiddelen. |
|
1.7 |
Voortaan zal gegevensuitwisseling dus voornamelijk elektronisch plaatsvinden: een punt van zorg voor het EESC is wel dat het hier om gevoelige persoonsgebonden gegevens gaat (bv. over iemands gezondheid, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid). Er moet dus beslist worden gegarandeerd dat die gegevens naar behoren worden beschermd en niet in verkeerde handen kunnen komen. |
|
1.8 |
Verder moet volgens het EESC profijt worden getrokken van de ervaringen met de Europese ziekteverzekeringskaart, ook vanuit het oogpunt van de nog tekortschietende praktische tenuitvoerlegging daarvan in sommige lidstaten. De lidstaten worden geacht adequate maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de burgers van Europa, vooral als het gaat om hun ziekteverzekering, ten volle kunnen profiteren van de voordelen van de nieuwe regelingen. |
|
1.9 |
Het EESC is zonder meer voorstander van alle maatregelen in de toepassingsverordening waardoor de gebruikers van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie wordt geboden. In het verleden is al voorgekomen dat schulden in de clearing tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten jarenlang niet vereffend werden. Gehoopt mag worden dat lidstaten zich netter gaan gedragen als het op betalen aankomt. Toch dusverre wordt echter nog steeds weinig doorzettingsvermogen getoond bij de invordering van openstaande rekeningen tussen socialezekerheidsorganen. |
|
1.10 |
Het EESC vraagt zich af of er door het bepaalde in de verordening en de toepassingsverordening — vooral omdat ook niet-actieven onder het toepassingsgebied ervan gaan vallen — niet een ontwikkeling in gang wordt gezet waardoor goede sociale stelsels van lidstaten worden uitgehold en er een tendens ontstaat om voorzieningen geleidelijk aan op te heffen. Daarom moeten volgens het EESC de nodige maatregelen worden genomen waardoor vergelijkbare en significante gegevens ter beschikking worden gesteld over de mate waarin in de EU grensoverschrijdend een beroep op sociale voorzieningen en voorzieningen in de gezondheidszorg wordt gedaan, en in de toekomst naar verwachting zal worden gedaan. Belangwekkend zijn vooral de veranderingen waarmee de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004 gepaard zal gaan. |
|
1.11 |
Tot besluit vraagt het EESC de Commissie en de lidstaten om meer maatregelen om alle potentiële gebruikers van de verordening nog beter vertrouwd te maken met de regelingen voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en de voordelen daarvan. Met de daartoe te treffen voorbereidselen mag niet langer worden gewacht. |
2. Inleiding
|
2.1 |
Gemeenschappelijke voorschriften ter coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten zijn vastgelegd in Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de bijbehorende toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72. In de loop der jaren zijn beide verordeningen meerdere malen aangepast en geactualiseerd. Verordening (EEG) nr. 1408/71 moet worden vervangen door de al op 29 april 2004 goedgekeurde Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
2.2 |
Deze verordeningen betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels hebben ten doel ervoor te zorgen dat mensen die onder het toepassingsgebied ervan vallen, hun socialezekerheidsrechten niet kwijtraken als zij naar een andere lidstaat reizen, daar verblijven of daar wonen. Daarom zijn daarin, om het behoud van die rechten te waarborgen, diverse uitvoeringsbepalingen opgenomen die aan de vereisten van de verschillende onderdelen van de sociale zekerheid voldoen, alsook beginselen voor de praktijk van de coördinatie. Hiermee wordt dus niet de harmonisatie, maar de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels beoogd. |
|
2.3 |
In art. 89 van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 staat dat de wijze van toepassing van deze verordening bij een latere verordening wordt vastgesteld. Verordening (EG) nr. 883/2004 kan pas in werking treden en worden toegepast als die toepassingsverordening — waarvan sinds 1 januari 2006 een ontwerp voorligt en waarover dit advies gaat — is goedgekeurd. Tot dan blijven Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de bijbehorende toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72 onverkort van kracht. |
|
2.4 |
Het is gewoonte geworden de gemeenschappelijke bepalingen voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels op te delen in een basisverordening en een toepassingsverordening: in de basisverordening worden de beginselen vastgelegd, in de toepassingsverordening worden daarvan vooral de „technische” tegenhangers gegeven. |
|
2.4.1 |
Onderhavig voorstel kan dan ook worden gezien als een „gebruiksaanwijzing” voor Verordening (EG) nr. 883/2004. De bedoeling daarvan is duidelijkheid te scheppen over alle nog onbeantwoord gebleven vragen van bestuursrechtelijke of procedurele aard en bepaalde aspecten van de gemeenschappelijke coördinatie te behandelen waarvoor speciale procedures nodig zijn. |
|
2.4.2 |
Zo moet bij ouderdomspensioenen worden gepreciseerd hoe verzekerden een pensioenaanvraag moeten indienen, bij welke instantie die aanvraag moet worden ingediend als belanghebbende in meer dan één lidstaat heeft gewerkt, hoe de instanties informatie kunnen uitwisselen om het hele verzekeringstraject van belanghebbende in aanmerking te kunnen nemen en hoe alle instanties het deel van het pensioen moeten berekenen dat voor hun rekening komt. |
|
2.5 |
In de praktijk is die scheiding tussen „beginselen” en „technische bepalingen” echter niet altijd even duidelijk: in de thans voorliggende toepassingsverordening staan enkele punten die eigenlijk in Verordening (EG) nr. 883/2004 thuishoren. |
|
2.5.1 |
Over Verordening (EG) nr. 883/2004 is meer dan zes jaar lang onderhandeld. In april 2004, nog voor de laatste uitbreiding van de EU, zijn die onderhandelingen gelukkig tot een goed einde gebracht, waardoor nieuw uitstel kon worden voorkomen. Alleen is Verordening (EG) nr. 883/2004 daardoor wel op bepaalde punten stukwerk gebleven (dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde hiaten vertonende bijlagen, met name Bijlage XI), zodat in de thans voorgestelde toepassingsverordening bepaalde materiële regelingen zijn getroffen die volgens bovengenoemde opdeling eigenlijk in Verordening (EG) nr. 883/2004 thuishoren. Hierbij wordt vooral gedoeld op aspecten van de financiële vereffening tussen socialezekerheidsorganen. Wat de rechten van de burgers betreft zijn er geen open materiële vragen. |
|
2.5.2 |
In dit advies zal bij die materiële kwesties nadrukkelijk worden stilgestaan. |
3. De toepassingsverordening in grote lijnen
|
3.1 |
Met de bepalingen van onderhavige verordening moet worden bereikt dat
|
|
3.2 |
Deze nieuwe toepassingsverordening verschilt qua opzet radicaal van toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72 bij Verordening (EEG) nr. 1408/71. Dat komt vooral doordat de opzet ervan is geënt op Verordening (EG) nr. 883/2004, die op haar beurt op een aantal belangrijke punten afwijkt van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Om te beginnnen is er het verschil in (materiële en personele) werkingssfeer: de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 is ruimer dan die van de nog steeds van kracht zijnde Verordening (EEG) nr. 1408/71. Verder is het zwaartepunt in de nieuwe verordening bij algemene bepalingen en beginselen gelegd, in tegenstelling tot de specifieke bepalingen in de hoofdstukken over de afzonderlijke onderdelen van de sociale zekerheid in Verordening (EEG) nr. 1408/71. |
|
3.2.1 |
Verordening (EEG) nr. 1408/71 was oorspronkelijk bedoeld voor werknemers en hun gezinsleden. Daarop volgde begin jaren tachtig een uitbreiding van de werkingssfeer tot zelfstandigen. Eind jaren negentig kwamen daar ook nog ambtenaren en studenten bij. |
|
3.2.2 |
Om onder de werkingssfeer van de verordening te vallen, moet iemand de nationaliteit van een lidstaat hebben of, in het geval van staatlozen of vluchtelingen, in een lidstaat wonen. Hun aan de verordening ontleende rechten worden ook aan gezinsleden en nabestaanden toegekend. |
|
3.2.3 |
De verordening is ook van toepassing op nabestaanden, op voorwaarde dat zij de nationaliteit van een lidstaat hebben. In dit geval is dus de nationaliteit van de persoon van wie het recht is afgeleid, niet relevant. |
|
3.2.4 |
Verordening (EG) nr. 883/2004 geldt voortaan voor alle krachtens hun nationale wetgeving verzekerde burgers van Europa: niet-actieven horen daar dus ook bij. |
|
3.2.5 |
Ook de materiële werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 is ruimer dan die van Verordening (EEG) nr. 1408/71: naast de regelingen die al onder die laatste verordening vielen, is de nieuwe verordening ook van toepassing op uitkeringen bij vervroegde uittreding en op vaderschapsuitkeringen (naar analogie met moederschapsuitkeringen). Voorschotten op onderhoudsgeld vallen niet meer onder Verordening (EG) nr. 883/2004. |
|
3.2.6 |
Verordening (EG) nr. 883/2004 is van toepassing op alle wetgeving inzake de volgende takken van sociale zekerheid: a) prestaties bij ziekte; b) moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen; c) uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid; d) ouderdomsuitkeringen; e) uitkeringen aan nabestaanden; f) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten; g) uitkeringen bij overlijden; h) werkloosheidsuitkeringen; i) uitkeringen bij vervroegde uittreding; j) gezinsbijslagen. |
|
3.3 |
Door die uitbreiding van de werkingssfeer is er behoefte ontstaan aan voor de doelgroepen op maat gesneden nieuwe regels en procedures. Zo moet worden bepaald welke wettelijke regeling van toepassing is op de berekening van de tijd die mensen die nooit in loondienst of als zelfstandige hebben gewerkt, aan de opvoeding van kinderen hebben besteed als ze in meer dan één land hebben gewoond. |
|
3.4 |
De voorgestelde toepassingsverordening heeft dezelfde structuur als Verordening (EG) nr. 883/2004: Titel I: Algemene bepalingen; Titel II: Vaststelling van de toe te passen wettelijke regeling; Titel III: Bijzondere bepalingen voor verschillende categorieën uitkeringen; Titel IV: Financiële bepalingen; Titel V: Diverse bepalingen, overgangs- en slotbepalingen. In het hierna volgende hoofdstuk „Bijzondere opmerkingen” zal het EESC ingaan op de Algemene bepalingen (Titel I) en De vaststelling van de toe te passen wettelijke regeling (Titel II), zonder t.a.v. de verschillende soorten uitkeringen al te veel in bijzonderheden te treden. |
|
3.4.1 |
De nu nog blanco bijlagen bij de toepassingsverordening moeten worden ingevuld: Bijlage 1: Van kracht gebleven en nieuwe toepassingsbepalingen van bilaterale overeenkomsten; Bijlage 2: Bijzondere stelsels voor ambtenaren; Bijlage 3: Lidstaten die de kosten van de prestaties op basis van basisbedragen vergoeden; Bijlage 4: Bevoegde autoriteiten en organen, organen van de woon- of verblijfplaats, toegangspunten, door de bevoegde autoriteiten aangewezen organen en instellingen. |
|
3.5 |
Daarnaast zijn veel maatregelen en procedures van de toepassingsverordening erop gericht de criteria te verduidelijken die de socialezekerheidsorganen krachtens Verordening (EG) nr. 883/2004 moeten gaan hanteren. |
|
3.5.1 |
Zo zijn veel definities van Titel I „Algemene bepalingen” van Verordening (EG) nr. 883/2004 algemeen toepasbaar, terwijl diezelfde definities in Verordening (EEG) nr. 1408/71 steeds aan een bepaald onderdeel van de sociale zekerheid zijn gekoppeld, waardoor er sprake kan zijn van een gebrek aan uniformiteit. In Verordening (EG) nr. 883/2004 ligt de nadruk dus meer op algemene definities, waardoor er per hoofdstuk minder bepalingen nodig zijn. Het gevolg is dat iedere categorie uitkeringen in Verordening (EG) nr. 883/2004 niet als een „wereld op zich” wordt behandeld waar alle toepasselijke voorschriften apart moeten worden besproken. |
|
3.5.2 |
Artikel 5 „Gelijkstelling van feiten en gebeurtenissen” is belangrijk, omdat daarin wordt bepaald dat in een andere lidstaat vastgestelde feiten of gebeurtenissen moeten worden behandeld als feiten en gebeurtenissen die zich op het eigen grondgebied hebben voorgedaan. |
|
3.6 |
Basisverordening en toepassingsverordening gaan alleen over grensoverschrijdende feiten tussen twee of meer lidstaten. Alleen in die gevallen worden aan verzekerden en werkgevers extra eisen gesteld (bv. de aanmelding van een detachering bij het socialezekerheidsorgaan). Welke andere verplichtingen verzekerden en werkgevers verder nog kunnen hebben, blijft een zaak van de lidstaten: daar gaan de verordeningen niet over. |
4. Algemene opmerkingen
|
4.1 |
Het EESC is ingenomen met onderhavig voorstel voor een verordening ter uitvoering van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, omdat daarmee wordt bijgedragen tot betere voorwaarden voor het vrije verkeer in de EU. Ook brengt dit voorstel geen grotere problemen voor de diverse gebruikers van de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten met zich mee, noch worden regelingen in het leven geroepen die problematisch lijken. |
|
4.2 |
Daarentegen zorgt onderhavig voorstel wel voor talrijke vereenvoudigingen, verduidelijkingen en verbeteringen. Het EESC is vooral heel goed te spreken over de uitbreiding van de (materiële en personele) werkingssfeer en over alle regelingen om de samenwerking tussen socialezekerheidsorganen te verbeteren. |
|
4.2.1 |
De uitbreiding van de personele werkingssfeer van de Verordening heeft getalsmatig vooral veel gevolgen voor landen waar de verzekering aan de woonplaats is gekoppeld. De impact daarvan is minder groot in landen waar die verzekeringsdekking afhankelijk is van het al dan niet hebben van een baan: daar komen er nauwelijks nieuwe groepen verzekerden bij. |
|
4.3 |
Het EESC blijft daarom bij zijn vooral aan de lidstaten gerichte en al eerder in adviezen gestelde eis dat dit voorstel voor een toepassingsverordening zo snel mogelijk en met het oog op een zo snel mogelijk inwerkingtreding in behandeling wordt genomen. Verordening (EG) nr. 883/2004, alsook de daarmee beoogde verbeteringen en vereenvoudigingen, moeten op zo kort mogelijke termijn van kracht worden (1). |
|
4.4 |
De Commissie komt met dit voorstel anderhalf jaar na de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 883/2004. Het ligt nu al vanaf begin 2006 ter tafel. Gezien het complexe en uitgebreide karakter ervan en de talrijke nog hangende problemen, is er hoe dan ook nog enige tijd nodig voordat zowel in de Raad als in de administratieve commissies uitsluitsel over alle precieze vragen inzake handhaving en procedures in de lidstaten kan worden gegeven. |
|
4.4.1 |
De bedoeling is dat de toepassingsverordening begin 2008 van kracht wordt. Dat gebeurt krachtens artikel 91 pas „zes maanden na de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie”. Die termijn lijkt noodzakelijk, maar is ook lang genoeg om de vigerende stelsels aan de nieuwe regelingen aan te passen. Voorkomen moet worden dat die termijn van zes maanden tussen bekendmaking en inwerkingtreding toch nog langer wordt. |
|
4.4.2 |
Daarom zouden de lidstaten hun socialezekerheidsorganen nu al van de nodige personele en technische middelen moeten voorzien, zodat zo snel mogelijk met de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 kan worden begonnen. Het bestaande instrumentarium van de nationale actoren en gebruikers (m.n. de TRESS-netwerken (2) van alle kringen en actoren in de lidstaten die hier belang bij hebben) moet worden gebruikt om naar behoren voor iedere lidstaat te kunnen evalueren hoe de eenmaal in werking getreden verordening in de praktijk wordt toegepast. De Commissie zou hieraan steun moeten verlenen. |
|
4.5 |
Ook Verordening (EG) nr. 883/2004 is nog niet af. Dat geldt met name voor bijlage XI, die nog blanco was toen de verordening in 2004 is goedgekeurd en momenteel in de werkgroep van de Raad gelijktijdig met het voorstel voor de toepassingsverordening wordt besproken en behandeld. |
|
4.5.1 |
Bijlage XI heeft niet alleen betrekking op Verordening (EG) nr. 883/2004, maar ook op de toepassingsverordening: beide teksten kunnen niet los van elkaar worden gezien. De in bijlage XI op te nemen „Bijzondere bepalingen voor de toepassing van de wetgeving van de lidstaten” worden door de Raad samen met het Europees Parlement vastgelegd. De inhoud van de bijlage moet vaststaan op het tijdstip waarop de toepassingsverordening in werking treedt. |
|
4.5.2 |
In deze bijlage kan worden vastgelegd hoe bepaalde wettelijke voorschriften procedureel moeten worden toegepast. Daarbij zullen de lidstaten er alles aan doen om te voorkomen dat sommige van hun wettelijke voorschriften in het gedrang komen. Gezien de mogelijkheid dat er een overvloed aan vermeldingen komt, is bijlage XI een heel gevoelig onderdeel van de verordening. Het EESC zal hierover, onmiddellijk na dit advies, een apart advies uitbrengen. |
|
4.6 |
Vooral nu 2006 door de Commissie tot Europees Jaar van de mobiliteit van werknemers is uitgeroepen, mag de inwerkingtreding van de nieuwe Verordening (EG) nr. 883/2004 (en dus ook van alle daarmee gepaard gaande verbeteringen) niet nog langer worden vertraagd doordat deelbelangen worden nagestreefd. Snelle goedkeuring zou symboolwaarde hebben, maar het gaat er natuurlijk om de burgers van Europa te laten zien dat hier een concrete daad wordt gesteld om de mobiliteit te verhogen (3). |
|
4.7 |
Verordening nr. 1408/71 en de bijbehorende toepassingsverordening nr. 574/72 blijven voor bepaalde doelgroepen van kracht, ook als onderhavige toepassingsverordening en daarmee Verordening (EG) nr. 883/2004 in werking treden, zolang er geen wijzigingen worden doorgevoerd in enkele andere verordeningen of overeenkomsten (zie artikel 90 van Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 90 van de toepassingsverordening). |
|
4.7.1 |
Het toepassingsgebied van Verordening nr. 1408/71 is mettertijd met nieuwe doelgroepen uitgebreid. Die gebeurde niet in Verordening nr. 1408/71 zelf of in de bijbehorende toepassingsverordening nr. 574/71, maar in specifieke aanvullende verordeningen of overeenkomsten. |
|
4.7.2 |
Zo is in Verordening nr. 859/2003 bepaald dat de regels voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels ook van toepassing zijn op niet-EU-onderdanen, hun gezinsleden en nabestaanden: sinds 1 juni 2003 gelden die regels voor legaal in een EU-lidstaat verblijvende onderdanen van niet-EU-landen net zo goed als voor EU-burgers. Daarbij moet worden aangetekend dat die gelijkstelling alleen opgaat voor grensoverschrijdende feiten van niet-EU-onderdanen waarbij twee of meer EU-lidstaten betrokken zijn. Anders gezegd, geldt die gelijkstelling dus niet voor feiten die hun land van herkomst en één EU-lidstaat betreffen. |
|
4.7.3 |
De bepalingen van Verordeningen nr. 1408/71 en nr. 574/72 gelden al vanaf 1994 ook voor de EER-landen en hun burgers. De met Zwitserland gesloten en op 1 juni 2002 in werking getreden „Overeenkomst over het vrije verkeer van personen” maakt dat de coördinatiebepalingen ook op dat land van toepassing zijn. Hetzelfde geldt — krachtens Verordening nr. 1661/85 — voor Groenland en Groenlanders. |
|
4.7.4 |
Daardoor is ook voor EU-burgers de bewegingsruimte vergroot. EER-landen en Groenland zijn gelijkgesteld met EU-lidstaten. Het komt erop aan deze gelijke behandeling van onderdanen van landen buiten de EU en van EU-onderdanen te behouden. In deze verordeningen zijn dienovereenkomstige wijzigingen nodig om ervoor te zorgen dat die uitbreiding van de werkingssfeer ook geldt voor Verordening (EG) nr. 883/2004. |
|
4.8 |
Daarom dringt het EESC erop aan dat alle relevante, met Verordening nr. 1408/71 verband houdende verordeningen en overeenkomsten zo snel mogelijk, en in ieder geval vóór de inwerkingtreding van de nieuwe coördinatieverordening, worden gewijzigd. Voortaan moet Verordening (EG) nr. 883/2004 voor dezelfde personen en landen gelden, omdat niet-EU-onderdanen, EER-burgers, Zwitsers en Groenlanders daar anders niet onder zouden vallen en ook EU-onderdanen bij bepaalde grensoverschrijdende feiten met deze landen nadelen kunnen ondervinden. Op die gevallen zou nog steeds Verordening nr. 1408/71 moeten worden toegepast. |
|
4.8.1 |
De Commissie wordt met klem verzocht om op zo kort mogelijke termijn de nodige stappen in die zin te nemen. Anders dreigen verschillende burgers met een woonplaats in de EU ongelijk te worden behandeld en worden de socialezekerheidsorganen van de lidstaten met veel extra en lastig werk opgezadeld, omdat zij tegelijkertijd twee complexe verordeningen moeten toepassen. |
|
4.8.2 |
Ook mag niet worden vergeten dat Verordeningen nr. 1408/71 en nr. 574/72, zolang ze nog van kracht zijn, ook nog steeds zullen moeten worden gewijzigd en geactualiseerd, hoe klein de doelgroep ook is waarvoor die verordeningen nog gelden. Dat is zowel voor de administratie van de EU als voor de gebruikers van de verordeningen een niet langer te verantwoorden belasting. |
|
4.9 |
Doel van Verordening (EG) nr. 883/2004 is ook te bewerkstelligen dat de socialezekerheidsorganen van de lidstaten betere procedures gaan volgen, waardoor een vlottere en betrouwbarere uitwisseling van gegevens mogelijk wordt. Dit impliceert vooral dat informatie voortaan elektronisch wordt uitgewisseld en dat met elektronische documenten wordt gewerkt. |
|
4.9.1 |
Tot voor kort is steeds met papier gewerkt en bleef het gebruik van elektronische documenten facultatief en afhankelijk van bilaterale afspraken tussen lidstaten. Voortaan moet informatie tussen de instellingen in de regel on line worden uitgewisseld. |
|
4.9.2 |
Zo kan worden bezuinigd, maar dat niet alleen: aan elektronische uitwisseling van gegevens zitten ook nog andere voordelen vast, zoals minder tijdrovende procedures voor verzekerden, kortere beantwoordings- en afhandelingstermijnen, snellere terugbetalingen en snellere inwilliging van aanspraken op uitkeringen bij grensoverschrijdende feiten. |
|
4.9.3 |
In het verordeningsvoorstel staat niet dat socialezekerheidsorganen altijd elektronisch met elkaar moeten communiceren. Integendeel, het zou al voldoende zijn als er in iedere lidstaat ten minste één instantie is die als on line ontvang- en verzendpunt voor socialezekerheidsgegevens kan dienen en ervoor zorgt dat die gegevens aan het bevoegde orgaan in eigen land worden doorgestuurd. Om te weten welke instantie dat is, moet er volgens artikel 83 van dit voorstel een „voor het publiek toegankelijke gegevensbank” zijn. In die gegevensbank moet zijn opgeslagen welke instanties, volgens de daarvan gegeven definitie, „bevoegde autoriteit”, „bevoegd orgaan”, „orgaan van de woonplaats”, „orgaan van de verblijfplaats”, „toegangspunt” en „verbindingsorgaan” zijn. Dankzij de toegang tot die gegevensbank kunnen de tot dusverre gebruikte bijlagen bij de verordening, door geactualiseerde lijsten van de relevante instanties worden vervangen. |
|
4.9.4 |
Volgens het EESC moet profijt worden getrokken van de ervaringen met de Europese ziekteverzekeringskaart, ook wat de nog tekortschietende praktische tenuitvoerlegging daarvan in sommige lidstaten betreft. Met name moet worden uitgezocht in hoeverre gebruik kan worden gemaakt van de bestaande gegevensbanken voor zorgverzekeringen. De Administratieve Commissie moet worden gevraagd om aan te geven welke gegevens in ieder geval moeten worden uitgewisseld. Daarenboven worden de lidstaten geacht adequate maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de burgers van Europa, vooral als het hun ziekteverzekering aangaat, ten volle van de voordelen van de nieuwe regelingen kunnen profiteren. |
|
4.10 |
Het EESC ziet in dat de afhandelingstijd door het elektronisch doorsturen van gegevens, in het belang van de verzekerden, kan worden ingekort. In dat opzicht kan die omschakeling alleen maar worden toegejuicht. Een punt van zorg is echter wel dat het hier om gevoelige persoonsgegevens gaat (bv. over iemands gezondheid, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid). Er moet dus beslist worden gegarandeerd dat die gegevens naar behoren worden beschermd en niet in verkeerde handen komen. |
|
4.10.1 |
Alhoewel de vigerende EU-regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens en inzake het vrije verkeer van gegevens ook hierop van toepassing is (zie artikel 84 van Verordening nr. 1408/71 en artikel 77 van Verordening (EG) nr. 883/2004), dringt het EESC er toch op aan dat in de toepassingsverordening — vooral nu de socialezekerheidsorganen van de lidstaten gegevens voortaan voornamelijk on line zullen gaan uitwisselen — uitdrukkelijk op het gevoelige karakter van deze gegevens wordt gewezen en dat er adequate regelingen worden getroffen om de bescherming ervan te garanderen. |
|
4.10.2 |
Hoe dan ook ontbreekt in de toepassingsverordening het in artikel 84, lid 5, van Verordening nr. 1408/71 opgenomen uitdrukkelijke verbod om die gegevens voor andere dan socialezekerheidsdoeleinden te gebruiken. Die passage moet in artikel 4 van de toepassingsverordening worden overgenomen. |
|
4.11 |
Overigens mag het voordeel van online uitwisseling van gegevens tussen de socialezekerheidsorganen van de lidstaten ook niet worden overdreven. Dat gegevens op die manier sneller kunnen worden verstuurd, staat buiten kijf. Dit vergt echter veelal wel een herstructuring van de nationale organen. |
|
4.11.1 |
Ook is het maar de vraag of de voordelen van snellere gegevensuitwisseling significant zijn voor de verzekerden, omdat het versturen van de gegevens doorgaans in verhouding tot alle tijd die nodig is voor de afhandeling van een dossier, maar weinig tijd vergt. Bovendien zullen bepaalde dossiers, gezien de complexiteit van de feiten (vooral zaken i.v.m. pensioenregelingen of waarbij delen van uitkeringen voor rekening van een andere lidstaat komen, of gevallen van pro rato-uitkeringen), een specifieke bewerking vergen, omdat ze anders niet of alleen maar met een onevenredig grote inzet van informaticaprogramma's zullen kunnen worden afgehandeld. Voor dergelijke dossiers zullen ook in de toekomst nog terzake bevoegde personen nodig zijn. |
|
4.11.2 |
Versnelde uitwisseling van gegevens en feiten alléén betekent volgens het EESC nog geen doorbraak. De socialezekerheidsorganen in de lidstaten kunnen die gewenste grotere efficiëntie qua afhandelingstijd alleen bereiken als tegelijkertijd wordt gezorgd voor voldoende en hoog gekwalificeerd personeel en adequate technische hulpmiddelen. |
|
4.11.3 |
Daarom mogen de lidstaten er niet langer mee wachten om de medewerkers van de socialezekerheidsorganen op de nieuwe regelingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de bijbehorende toepassingsverordening voor te bereiden. Er valt niet aan te ontkomen dat zij zullen moeten worden bijgeschoold. De Commissie, die de bevoegdheid heeft om dergelijke initiatieven te nemen, moet de lidstaten daarbij helpen. Er zou EU-steun moeten komen voor bijscholingsprogramma's en eventueel moet ook aan die opleidingen worden meegewerkt. |
|
4.12 |
De socialezekerheidsstelsels waarop Verordening (EG) nr. 883/2004 betrekking heeft, zijn gebaseerd op solidariteit tussen verzekerden. Daarom moeten er regelingen worden getroffen om onrechtmatig ontvangen uitkeringen doeltreffend te kunnen terugvorderen en om de bijdragen (zoals premies) die verzekerden of andere bijdrageplichtigen verzuimd hebben te betalen, alsnog te innen. |
|
4.12.1 |
De Commissie merkt terecht op dat er dwingendere procedures moeten komen om de termijnen voor de betaling van schuldvorderingen tussen socialezekerheidsorganen van de lidstaten te bekorten, omdat het vertrouwen in de uitwisselingen anders zou kunnen worden aangetast. |
|
4.12.2 |
De toepassingsverordening vermeldt dan ook termijnen voor de vervulling van verplichtingen en bestuurlijke formaliteiten: hiermee wordt bijgedragen aan transparante en goed geregelde betrekkingen tussen verzekerden en socialezekerheidsorganen. |
|
4.12.3 |
Bovendien zijn er, in navolging van Richtlijn 76/308/EEG betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het EOGFL, van landbouwheffingen en douanerechten, procedures voor ambtelijke hulp tussen socialezekerheidsorganen gepland. Ook moeten voortaan op openstaande schuldvorderingen moratoire interesten worden betaald, waardoor de morele druk om te betalen, wordt vergroot. |
|
4.12.4 |
Alle maatregelen in de toepassingsverordening die tot doel hebben om verzekerden meer rechtszekerheid en transparantie te bieden, krijgen de uitdrukkelijke instemming van het EESC. Het is namelijk al wel voorgekomen dat het jaren heeft gekost voordat schulden tussen nationale socialezekerheidsorganen werden vereffend. Het EESC hoopt dan ook dat de discipline om schulden tussen landen te vereffenen, veel groter zal worden, in weerwil van het feit dat de inning van openstaande vorderingen tussen socialezekerheidsorganen nog gebrekkig blijft. |
|
4.13 |
Verder is het EESC ermee ingenomen dat onderhavige verordening in vergelijking met Verordening nr. 574/72 omtrent de toepassing van Verordening nr. 1408/71 flexibeler is geworden, omdat de lidstaten daarin de mogelijkheid wordt gelaten om via bilaterale afspraken wat verder te gaan dan de toepassingsverordening, zolang de belangen van de begunstigden en de werking van de coördinatie daardoor niet in het gedrang komen. Vooropgesteld dus dat die grotere flexibiliteit niet ten koste mag gaan van de belangen van de begunstigden, pleit het EESC voor een aangescherpte formulering van artikel 9. Het „mits die procedures de rechten van de begunstigden onverlet laten” zou moeten worden vervangen door een tekst waarin met zoveel woorden duidelijk wordt gemaakt dat die overeenkomsten tussen lidstaten om anders te werk te gaan, bijvoorbeeld niet mogen leiden tot langere termijnen of extra ambtelijke formaliteiten. |
|
4.14 |
De Commissie en de lidstaten moeten nog meer maatregelen nemen om alle gebruikers van de Verordening vertrouwder te maken met de regelingen en voordelen van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, met inbegrip van de veranderingen als gevolg van de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004. De informatie daarover moet niet alleen het bedrijfsleven en de verzekerden bereiken, maar vooral ook de mensen die in de meest uiteenlopende sectoren werkzaam zijn, van de werknemers in de officiële tot de werknemers in de „informele” economie. Daartoe moeten volgens het EESC onverwijld de nodige voorbereidingen worden getroffen. |
|
4.15 |
Volgens Verordening (EG) nr. 883/2004 moeten de procedures bijdragen tot een evenwichtige lastenverdeling tussen de lidstaten. Tegen die achtergrond vraagt het EESC zich af of er door de bepalingen van de beide verordeningen niet een ontwikkeling in gang wordt gezet waardoor goed in elkaar zittende sociale stelsels van lidstaten worden uitgehold en er een tendens ontstaat om prestaties geleidelijk aan te verminderen. Vooral gezien de uitbreiding van de werkingssfeer van de verordening tot niet-actieven en het vrije verkeer van personen in de EU, hamert het EESC erop dat de nagestreefde coördinatie niet mag uitmonden in een aanpassing naar beneden toe, noch in de afbraak van de sociale normen. |
|
4.15.1 |
Daarom acht het EESC het noodzakelijk om vergelijkbare en significante gegevens ter beschikking te stellen over de mate waarin in de EU grensoverschrijdend een beroep op sociale voorzieningen en voorzieningen in de gezondheidszorg wordt gedaan, en in de toekomst naar verwachting zal worden gedaan. Belangwekkend zijn vooral de veranderingen waarmee de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 883/2004 gepaard zal gaan. |
5. Specifieke opmerkingen bij artikelen
5.1 Artikel 2: Tussen de organen uit te wisselen informatie en de wijze waarop
Het EESC dringt erop aan dat voor beantwoording en afhandeling duidelijke termijnen worden gesteld. Aan overschrijding van de termijn moet de verzekerde een recht op schadevergoeding kunnen ontlenen, als hij of zij daarvan schade ondervindt. De rechten van verzekerden moeten kunnen worden afgedwongen: daartoe moeten adequate rechtsmiddelen in het leven worden geroepen. Nadelen mogen niet op de verzekerden worden afgewenteld. Schade moet door het bevoegde socialezekerheidsorgaan worden vergoed. Daarover moet een zinsnede aan artikel 2 van de verordening worden toegevoegd.
5.2 Artikel 3: Tussen de rechthebbenden en de organen uit te wisselen informatie en de wijze waarop
Artikel 3, lid 4: om de procedure te versnellen, moet worden gestimuleerd dat de verzending van documenten in het algemeen, maar vooral van de ontvangstbevestiging, elektronisch plaatsvindt. Alleen in uitzonderingsgevallen zou nog van papier gebruik moeten worden gemaakt.
5.3 Artikel 4: Formaat en wijze van uitwisseling van gegevens
In par. 4.10.2 is gewezen op de noodzaak van de bescherming van gegevens bij online communicatie. Daarenboven moet erop worden toegezien dat alleen online met een verzekerde kan worden gecommuniceerd als deze daarmee instemt. Vooral bij pensioenkwesties gaat het vaak om verzekerden die hun leven lang nog nooit elektronisch hebben gecommuniceerd en die daartoe nu niet mogen worden gedwongen. In veel gevallen hebben verzekerden ook geen toegang tot middelen om online te communiceren. Ook moet rekening worden gehouden met andere groepen, bv. van mensen met een handicap, voor wie de mogelijkheid om elektronisch gegevens uit te wisselen, beperkt is. Bevorderd moet worden dat de relevante technologie zoveel mogelijk voor iedereen vrij toegankelijk wordt.
Het EESC pleit er daarom voor om aan artikel 4, lid 2, de volgende zinsnede toe te voegen: „Maatregelen in het kader van de elektronische uitwisseling van gegevens en wijzen waarop daarbij te werk wordt gegaan, moeten altijd voldoen aan de vereisten van algemene toegankelijkheid”. Verder plaatst het EESC vraagtekens bij de formulering van het derde lid van dit artikel: „In hun communicatie met de rechthebbenden maken de bevoegde organen bij voorkeur gebruik van elektronische technieken”. Daaraan moet volgens het EESC worden toegevoegd: „…, op voorwaarde dat de rechthebbenden daarmee instemmen”.
5.4 Artikel 5: Juridische waarde van in een andere lidstaat opgestelde documenten en bewijsstukken
Artikel 5, lid 2: volgens dit lid kan het orgaan van de lidstaat dat een document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering over dat document vragen. Als het daarbij echter gaat om een document van een belastingautoriteit, zoals krachtens het eerste lid van dit artikel mogelijk is, moet een socialezekerheidsorgaan van een lidstaat daarvoor dan contact opnemen met een belastingautoriteit van een andere lidstaat? Dat lijkt niet uitvoerbaar en hoe dan ook omslachtig.
Daar zijn „verbindingsorganen” toch voor? Het EESC stelt dan ook voor om de bevoegdheden waarover deze „verbindingsorganen” op het gebied van informatie en assistentie beschikken, sterker te onderbouwen, zodat zij als zodanig kunnen optreden. Dan moeten socialezekerheidsorganen zich met hun verzoek om opheldering tot het verbindingsorgaan wenden.
Artikel 5, lid 3: De coördinatie wordt er niet eenvoudiger of beter op als de Administratieve Commissie zes maanden de tijd krijgt om een voor twee of meer organen uit twee of meer lidstaten „aanvaardbare oplossing te vinden”. Die termijn is veel te lang. Het EESC dringt erop aan dat met de afhandeling van een aanvraag, m.i.v. van alle formaliteiten tussen organen, niet meer dan drie maanden gemoeid mag zijn.
5.5 Artikel 8: Administratieve regelingen tussen twee of meer lidstaten
In dit artikel worden de lidstaten gemachtigd om „onderling regelingen overeen (te) komen … mits deze regelingen de rechten van de begunstigden onverlet laten”. Omwille van de transparantie en de rechtszekerheid dringt het EESC erop aan dat dergelijke regelingen bij de Commissie moeten worden aangemeld en gedeponeerd. Nog meer rechtszekerheid komt er als een lijst van die regelingen als bijlage bij de verordening wordt gevoegd.
5.6 Artikel 11: Gegevens voor de vaststelling van de woonplaats
In de leden 1a) t/m 1e) van dit artikel worden criteria aangedragen aan de hand waarvan iemand's woonplaats moet worden vastgesteld. Daarbij wordt evenveel gewicht gehecht aan „feitelijke gegevens” als aan wat de betrokkene wil: 1d) „de wens van de betrokkenene … enz.”. Het EESC vindt dat de feitelijke gegevens bij het hierover te nemen besluit voorrang moeten krijgen. Bij ontstentenis daarvan kan altijd nog worden geluisterd naar de door de betrokkene kenbaar gemaakte „wens”. Dat moet dan wel zo worden vermeld in lid 2.
Dan nog blijft het EESC zich afvragen of onderzoek naar de redenen waarom iemand besluit om te verhuizen, niet als een ontoelaatbare inbreuk op zijn of haar privacy moet worden beschouwd.
5.7 Artikel 12: Samentelling van tijdvakken
In artikel 12, lid 3, staat dat „Wanneer een tijdvak van verzekering of wonen, vervuld op grond van een verplichte verzekering krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, … met een op grond van een vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat vervuld tijdvak van verzekering (samenvalt), … alleen het tijdvak in aanmerking (wordt) genomen dat is vervuld op grond van een verplichte verzekering”. Het gevolg hiervan mag volgens het EESC geenszins zijn dat eventuele voor vrijwillige verzekeringen betaalde bijdragen van nul en generlei waarde worden. Voor die gevallen moet in de toepassingsverordening worden vastgelegd dat verzekerden die bijdragen waardevast terugbetaald krijgen.
5.8 Artikel 16: Procedure voor de toepassing van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 883/2004
Volgens dit artikel moeten werkgevers die werknemers detacheren, het bevoegde orgaan hiervan „indien mogelijk” van tevoren op de hoogte brengen. Door de toevoeging „indien mogelijk” wordt te veel interpretatievrijheid gelaten: het EESC dringt er dan ook op aan om die woorden te schrappen.
Gegarandeerd moet worden dat het orgaan in de regel van tevoren van een detachering in kennis wordt gesteld. Op die manier wordt de gedetacheerde rechtszekerheid geboden en worden problemen voorkomen die kunnen ontstaan als zich tijdens de detachering een aangelegenheid voor de verzekering voordoet en het orgaan van de lidstaat waar de werknemer is gedetacheerd, niet van die detachering op de hoogte was gesteld.
5.9 Artikel 21: Verplichtingen van de werkgever
Volgens dit artikel kunnen een „… werkgever die geen vestiging heeft in de lidstaat waarvan de wettelijke regeling van toepassing is, enerzijds, en … (een) werknemer anderzijds (…) overeenkomen dat laatstbedoelde de verplichtingen van de werkgever inzake de betaling van premies en bijdragen voor rekening van deze laatste nakomt”. Het gaat hier dus om een mogelijkheid waarover werkgever en werknemer overeenstemming moeten bereiken.
Het EESC hecht eraan dat de verantwoordelijkheid in dat geval wel bij de werkgever blijft liggen. Zo kan worden voorkomen dat die mogelijkheid om de verplichting om premies en bijdragen te betalen van werkgever op werknemer over te dragen, ertoe leidt dat ook werkgeverspremies door de werknemer wordt betaald, hetgeen betekent dat werknemers op hun loon worden gekort. Werknemers moeten werkgeverspremies die worden overgedragen, volledig vergoed krijgen door hun werkgever.
Die in het tweede lid van dit artikel bedoelde afspraak tussen werkgever en werknemer zou volgens het EESC verplicht op schrift moeten worden gesteld om rechtsonzekerheid te voorkomen. Ook moet de verplichting voor de werkgever om het bevoegde orgaan van die afspraak op de hoogte te brengen, nadrukkelijker in de tekst naar voren worden gebracht. Die kennisgeving moet terstond (binnen een nog vast te stellen korte termijn) en schriftelijk plaatsvinden.
5.10 Artikel 25: Verblijf in een andere dan de bevoegde lidstaat
In artikel 25 A 1) staat dat de verzekerde „Voor de toepassing van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 883/2004 …, alvorens het grondgebied van de lidstaat waar hij woont te verlaten, zijn bevoegd orgaan om het document (verzoekt) waaruit blijkt dat hij recht op verstrekkingen heeft”. Volgens het EESC moet worden verduidelijkt dat de Europese ziekteverzekeringskaart aan die eisen voldoet en dat die kaart volstaat. Als er in de toekomst nog een ander soort attest komt, kan dit artikel altijd nog gewijzigd worden.
Zoals artikel 25 B nu is geformuleerd, blijft onduidelijk of verzekerden zelf mogen beslissen bij welk orgaan — het orgaan van de lidstaat van verblijf of het bevoegde orgaan — zij een aanvraag om vergoeding van de kosten indienen.
5.11 Artikel 26: Geplande geneeskundige verzorging
De huidige tekst van artikel 26 B („Rechtstreekse betaling van de kosten in verband met verstrekkingen in het kader van een geplande geneeskundige verzorging”) kan volgens het EESC verkeerd worden uitgelegd en moet worden aangevuld. In lijn met de gedachtengang van de Commissie, stelt het voor om de eerste zin van dit artikel als volgt te wijzigen: „Wanneer toestemming is verleend en de verzekerde de kosten van de behandeling zelf heeft betaald, betaalt neemt het bevoegd orgaan de kosten rechtstreeks volgens het hoogste tarief over en betaalt het desbetreffend bedrag aan de verzekerde uit”.
Zoniet, dan kan uit de tekst worden afgeleid dat het bevoegde orgaan de kosten vergoed aan het uitvoerend orgaan en dat de verzekerde daarna pas kan vragen om uitbetaling van het verschil. Dat is niet wat wordt beoogd met deze regeling voor de overname van de kosten bij geplande geneeskundige verzorging.
5.12 Artikel 88: Wijziging van de bijlagen
Zoals al in par. 4.5 is opgemerkt, wordt momenteel bij de Raad over het voorstel voor de toepassingsverordening, maar tegelijkertijd ook over de nog blanco gebleven bijlage XI van de verordening onderhandeld. In die bijlage moet door de lidstaten worden vastgelegd hoe bepaalde wettelijke voorschriften van de lidstaten procedureel moeten worden toegepast. Daarbij zullen de lidstaten er alles aan doen om te voorkomen dat sommige van hun wettelijke voorschriften in het gedrang komen. Gezien de mogelijke overvloed aan vermeldingen is bijlage XI een gevoelig onderdeel van de Verordening nr. 883/2004.
Het EESC pleit ervoor dat in Bijlage XI alleen strikt noodzakelijke vermeldingen worden opgenomen en is voornemens over die bijlage een apart advies uit te brengen.
5.13 Artikel 91: Slotbepalingen
Het is voor de burgers van Europa van belang dat de toepassingsverordening op korte termijn haar beslag krijgt. Daarom roept het EESC de lidstaten ertoe op om een duidelijke termijn te stellen waarbinnen de onderhandelingen in de Raad over de verordening moeten zijn afgerond (zie ook par. 4.4). Een dergelijke door de „politiek” gestelde termijn is ook nuttig en haalbaar gebleken bij de onderhandelingen over de Europese ziekteverzekeringskaart. Verordening nr. 883/2004 moet zo gauw mogelijk in werking treden.
Brussel, 26 oktober 2006
De voorzitter
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Dimitrios DIMITRIADIS
(1) EESC-advies „Socialezekerheidsregelingen werknemers en zelfstandigen” (PB C 24 van 31 januari 2006; rapporteur: de heer Rodríguez García-Caro).
(2) Training and Reporting on European Social Security (zie ook http://www.tress-network.org).
(3) cf. het ontwerpadvies van het EESC over de „Wijziging van Verordening 1408/71” (SOC/213, CESE 920/2006, rapporteur: de heer Rodríguez García-Caro, par. 5).