8.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 185/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité — Nanowetenschappen en nanotechnologieën: Een actieplan voor Europa 2005-2009

(2006/C 185/01)

De Europese Commissie heeft op 7 juni 2005 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over bovengenoemde Mededeling.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 28 maart 2006 goedgekeurd; rapporteur was de heer PEZZINI.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 20 en 21 april 2006 gehouden 426e zitting (vergadering van 20 april) onderstaand advies uitgebracht, dat met 117 stemmen vóór, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Het EESC heeft het in een eerder advies (1) over nanowetenschappen en nanotechnologieën (hierna: N&N) nuttig geacht de tekst te laten voorafgaan door een glossarium met een verklaring van de meest gebruikte termen, omdat het een tot op zekere hoogte nieuwe materie betrof, met een vaak weinig bekende of in ieder geval weinig gebruikte terminologie. Dit glossarium zal ook het onderhavige advies voorafgaan.

1.1.1

Aangezien er in 2006 behalve het zesde kaderprogramma nog tal van andere Europese programma's van kracht zijn die rond 2000 van start zijn gegaan, wordt in de voetnoten verwezen naar de belangrijkste programma's die relevant zijn voor N&N, met name die welke van belang zijn voor de in 2004 toegetreden nieuwe lidstaten, die immers niet betrokken zijn geweest bij de lancering van die programma's en de discussie over de doelstellingen ervan.

1.2   Definities  (2)

1.2.1

Nano: het miljardste deel van een geheel. In dit advies, verwijzend naar afmetingen, wordt „nano” gebruikt voor het miljardste deel van een meter.

1.2.2

Micro: het miljoenste deel van een geheel. In dit advies gaat het om het miljoenste deel van een meter.

1.2.3

Nanowetenschappen: deze wetenschappen vormen een nieuwe benadering van de traditionele wetenschappen (schei- en natuurkunde, biologie, elektronica...) voor wat betreft de fundamentele structuur en het gedrag van de materie op atoom- en molecuulniveau. Het zijn in feite de wetenschappen die de mogelijkheden van de atomen in diverse disciplines bestuderen (3).

1.2.4

Nanotechnologie: de technologie met behulp waarvan atomen en moleculen kunnen worden bewerkt om nieuwe oppervlakken of objecten te maken die dankzij hun andere samenstelling en nieuwe schikking van atomen bijzondere eigenschappen aannemen die in het leven van alledag bruikbaar zijn (4). Het gaat dus om de technologie van het miljardste deel van een meter.

1.2.5

Behalve de hierboven vermelde definitie is het de moeite waard om er een uit wetenschappelijk oogpunt pregnantere versie naast te zetten. De term „nanotechnologie” verwijst naar een multidisciplinaire aanpak voor het scheppen van materialen, instrumenten en systemen door de beheersing van de materie op nanoschaal. Op grond van deze multidisciplinariteit vergt de verwerving van de kwalificatie „nanotechnologie” brede kennis op het gebied van elektronica, natuurkunde en scheikunde.

1.2.6

Nanomechanica: de afmetingen van een object worden belangrijk voor de bepaling van de eigenschappen daarvan als het scala aan afmetingen loopt van één nanometer tot enkele tientallen nanometers (het gaat dan om objecten van enkele tientallen tot enkele duizenden atomen). Binnen dit scala zijn de fysisch-chemische eigenschappen van een object dat uit 100 ijzeratomen bestaat, radicaal anders dan van een object van 200 atomen, ook al zijn beide met dezelfde atomen tot stand gebracht. Zo zijn ook de mechanische en elektromagnetische eigenschappen van een vast lichaam dat uit nanodeeltjes bestaat, radicaal anders dan die van een traditioneel vast lichaam met dezelfde chemische samenstelling; de eigenschappen van eerstgenoemd vast lichaam worden beïnvloed door de eigenschappen van de afzonderlijke eenheden waaruit het is samengesteld.

1.2.7

Micro-elektronica: tak van elektronica die zich bezighoudt met de ontwikkeling van geïntegreerde circuits, tot stand gebracht binnen „één bereik van een halfgeleider”, van zeer geringe afmetingen. Tegenwoordig is de micro-elektronica in staat om afzonderlijke componenten te maken met een afmeting van circa 0,1 micrometer, ofwel 100 nanometer (5).

1.2.8

Nano-elektronica: wetenschap die zich bezighoudt met de studie en de productie van circuits, met behulp van niet op silicium gebaseerde technologie en materialen en die uitgaan van wezenlijk andere beginselen dan de huidige (6).

1.2.9

Nano-elektronica staat op het punt om één van de hoekstenen van de nanotechnologie te worden, zoals de elektronica thans in alle wetenschappelijke sectoren en industriële processen aanwezig is (7).

1.2.10

Biomimetica  (8): de wetenschap die de wetten bestudeert die ten grondslag liggen aan de samenvoeging van in de natuur bestaande moleculen. Met kennis van deze wetten is het wellicht mogelijk kunstmatige nanomotoren te creëren, uitgaande van de ook in de natuur geldende beginselen (9).

1.3   Conclusies en aanbevelingen

1.3.1

Het Comité is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor de uitvoering van een actieplan op het gebied van N&N tussen nu en 2009, met name als het gaat om:

de noodzaak van een duurzame, concurrerende en stabiele ontwikkeling;

de gevoelige opvoering van de wereldwijde investeringen in O&O op nanoschaal en toepassingen daarvan;

de noodzaak om de risico's en mogelijkheden van de nanoschaalbenadering te analyseren, en de urgentie van een gemeenschappelijke visie onder de politieke en institutionele besluitvormers, de sociale partners, het grote publiek en de media. Dit is nodig om het succes van N&N te waarborgen, met het oog op hun nut voor de gezondheid, de veiligheid en de kwaliteit van het bestaan van de burgers;

de behoefte aan materieel en infrastructuur van hoge kwaliteit, geïntegreerde Europese netwerken en gemeenschappelijke databanken;

de noodzaak om gekwalificeerd personeel in de wetenschappelijke, technische en productiesector, en managers die in staat zijn in te spelen op de ontwikkelingen op het gebied van N&N, op te leiden;

de mogelijkheid om een Europees promotie- en coördinatiecentrum (Focal Point) op te richten, dat zich opstelt als vaste en proactieve intermediair met name tussen bedrijfsleven en wetenschappers, zowel binnen de Unie als op internationaal niveau, waarvoor tevens een operationeel agentschap zou moeten worden opgericht;

1.3.1.1

De medewerkers van dat Focal Point moeten over uitgebreide en aantoonbare wetenschappelijke kennis en managementcapaciteiten beschikken, en zeer goed op de hoogte zijn van de algemene ontwikkelingen op het gebied van N&N.

1.3.1.2

Ook voor N&N geldt dat „door de Europese Gemeenschap gesteunde O&O […] een belangrijke Europese meerwaarde [creëert]. Zo worden mogelijkheden aangeboord die de capaciteiten van individuele lidstaten duidelijk te boven gaan, en in het verleden heeft dit al Europese ontwikkelingen van mondiaal belang opgeleverd” (10). Vandaar dus het belang van een communautair Focal Point dat deze sector beheert, met duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden.

1.3.2

Met het oog op de kentering die N&N teweegbrengen, is het EESC ervan overtuigd dat een goede coördinatie en de totstandkoming van een Europese kritische massa van nanotechnologieën, op zekerheid biedende bases, bepalend zijn voor het vermogen van Europa om op de internationale markt, die er steeds weer nieuwe, ambitieuze spelers bij krijgt, tot de voorhoede te behoren.

1.3.3

Het EESC acht het van cruciaal belang dat de Europese Unie een actieplan voor N&N weet te ontwikkelen waaruit een gezamenlijke visie op de governance spreekt en waarin, onder eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel, de communautaire, nationale en regionale niveaus met elkaar worden geïntegreerd. Dat actieplan moet met name zorgen voor:

een niet onopgemerkt blijvende en transparante dialoog met het maatschappelijk middenveld, dat op die manier wordt doordrongen van het belang van N&N, op basis van objectieve beoordelingen van de risico's en mogelijkheden hiervan;

de voortdurende inachtneming van ethische en milieu-overwegingen, met eveneens aandacht voor de gezondheid en veiligheid van werknemers en consumenten;

een Europees eensluidend referentiepunt, dat garant staat voor de vergaande coördinatie van de verschillende beleidsvormen en actieniveaus;

een gemeenschappelijk Europees standpunt t.a.v. de rest van de wereld, om initiatieven te bevorderen op het gebied van gemeenschappelijke verklaringen en gedragscodes, om een verantwoord gebruik van N&N te waarborgen, en om de samenwerking in het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek veilig te stellen;

de bestrijding van de „nanokloof” (= de uitsluiting van de kennisontwikkeling op het gebied van N&N), samen met de minst ontwikkelde landen;

de rechtszekerheid en zekerheid m.b.t. de regeling inzake onderzoeksactiviteiten, toegepast onderzoek en innovatie op de markt voor N&N;

een gedetailleerd tijdschema van de geplande maatregelen, zowel op communautair niveau als op het niveau van de lidstaten, met mechanismen om te controleren of de termijnen worden gehaald, en met duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden.

1.3.4

Het EESC hoopt dat het communautaire actieplan vergezeld gaat van nationale actieplannen, die zorgen voor een doorlopende coördinatie en benchmarking van de convergenties en synergieën op de volgende gebieden: infrastructuur; opleiding en onderwijs; risicobeoordeling; opleiding ten behoeve van de veiligheid op het werk; normalisatie en octrooien; de dialoog met het maatschappelijk middenveld en de consumenten in het bijzonder.

1.3.5

Het Comité is van mening dat het Europese bedrijfsleven de onderzoeksinspanningen en de toepassing van N&N moet vergroten en het tempo daarvan moet opvoeren, zodat het investeringsniveau op zijn minst gelijk is aan dat van zijn grootste concurrenten. Dat kan door middel van de volgende acties: ontwikkeling van de Europese Technologieplatforms; stimulansen voor de bescherming en industriële toepassingen van N&N; stimulansen voor opleidingsacties voor kleine ondernemers; ontwikkeling van Europese netwerken voor innovatie en toepassing van N&N; steun voor de multidisciplinaire opleiding van werknemers en technisch-wetenschappelijk kaderpersoneel; aanwerving van „nanotechnologen” in bedrijven en laboratoria voor prototypering en certificering; totstandbrenging van een gemeenschappelijk kader voor technische standaardisatie en intellectuele en industriële eigendom.

1.3.6

Het tweejaarlijks verslag over de controle op en de monitoring van de uitvoering van het communautaire actieplan en zijn verenigbaarheid met ander EU-beleid, dient volgens het EESC te worden aangevuld met een jaarlijks scoreboard t.a.v. de naleving van het vastgestelde tijdschema en met de verslagen van de lidstaten over de uitvoering van de nationale actieplannen.

1.3.7

Dit verslag zou niet alleen aan het EP en de Raad moeten worden voorgelegd, maar ook aan het Europees Economisch en Sociaal Comité.

2.   Motivering

2.1

Nanowetenschappen en nanotechnologieën (N&N) zijn een snel groeiende sector die veel belooft wat de omzetting van fundamenteel onderzoek in succesvolle innovaties betreft. Het is een uiterst belangrijke sector, zowel om het concurrentievermogen van de Europese industrie als geheel te verhogen als om nieuwe producten en diensten te creëren die het welzijn en de kwaliteit van het bestaan van de Europese burger kunnen verbeteren.

2.2

De analisten zijn het er inmiddels over eens dat op N&N gebaseerde materialen, producten en diensten tussen nu en 2015 een wereldmarkt van honderden miljarden euro per jaar (11) kunnen genereren, op voorwaarde dat de wetenschappelijke excellence wordt omgezet in commercieel succesvolle producten, processen en diensten, en dat wordt voorkomen dat, zoals de Commissie (12) het zelf formuleert, „de Europese „paradox”, waaronder andere technologieën gebukt gingen, zich herhaalt”.

2.3

Naar de mening van het EESC is het derhalve zaak:

de inspanningen op het gebied van O&O te versterken en te coördineren, door de investeringen op te voeren;

een speciale N&N-infrastructuur van hoge kwaliteit te ontwikkelen;

gedurende de hele levenscyclus van een technologie — vanaf het wetenschappelijk onderzoek tot aan de toepassing — de risico's zorgvuldig te beoordelen;

de ethische beginselen onverkort na te leven;

te zorgen voor innovatiebevorderende en proactieve randvoorwaarden in de hele economische en productiestructuur, met name in het MKB;

te zorgen voor de opleiding van gekwalificeerd personeel;

het regelgevings- en octrooistelsel aan te passen;

partnerschappen tussen openbare en particuliere organisaties te bevorderen.

2.4

Het Comité heeft zich in een eerder advies (13) reeds uitgesproken over dit onderwerp, waarbij het onder meer aandrong op:

bundeling van communautaire/nationale inspanningen inzake OTO en wetenschappelijke en technologische opleidingen, met een sterke interactie tussen bedrijfsleven en universiteiten; bijzondere aandacht voor industriële en multisectorale toepassingen; meer coördinatie van beleidsmaatregelen, structuren en netwerken van actoren; inachtneming van ethische, milieu-, gezondheids- en veiligheidsaspecten; een deugdelijke technische standaardisatie;

een stevige verankering van N&N in de samenleving, om te waarborgen dat onderzoeksresultaten het concurrentievermogen van de Europese economie, de volksgezondheid, het milieu en de veiligheid, alsook de kwaliteit van het bestaan van de burgers ten goede komen;

de toewijzing van voldoende middelen in het kader van de financiële vooruitzichten voor 2007-2013, met name aan het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7), en de versterking van de Europese Technologieplatforms;

de lancering van een hoogwaardig communautair actieplan, met een roadmap en een vast omlijnd tijdschema, uitgaande van een geïntegreerde benadering — samen met de lidstaten — die de consensus krijgt van alle actoren van het maatschappelijk middenveld, op basis van een gemeenschappelijke visie;

de totstandbrenging van een Europese infrastructuur van hoge kwaliteit voor onderzoek en technologieoverdracht, gericht op innovatie en op de markt;

optimalisering van de bescherming van de intellectuele eigendom, en de oprichting van een Europese „Nano-IPR Helpdesk” om tegemoet te komen aan de behoeften van onderzoekers, ondernemingen en onderzoekscentra, en met name ook van het maatschappelijk middenveld;

versterking van de internationale samenwerking t.a.v. ethische vraagstukken en de risico's, veiligheid en technische normen, octrooien en metrologie;

gerichte acties voor de ontwikkeling van industriële, op N&N gebaseerde processen en bewustmakingsacties inzake het gebruik van deze technologieën, alsmede de oprichting van een Europees clearing house voor het op de markt brengen van de producten, de overdracht van technologie en de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden;

een voortdurende en populair wetenschappelijk verantwoorde dialoog met de media en de publieke opinie, om de burgers ervan te overtuigen dat de mogelijke risico's voor de gezondheid of het milieu onder controle worden gehouden, en om misvattingen over de vooruitgang op N&N-gebied uit de wereld te helpen.

2.5   N&N in de nieuwe lidstaten

2.5.1

De afgelopen vijf jaar heeft de Europese Commissie financiële steun gegeven aan circa 30 centra voor toponderzoek, m.b.t. de verschillende thematische prioriteiten van het communautair kaderprogramma voor onderzoek: van de centra die actief zijn op het gebied van N&N (14) zijn er velen verbonden aan universiteiten, onderzoekscentra en ondernemingen uit de nieuwe lidstaten.

2.5.2

Het EESC acht het van belang dat het Europese Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek (GCO) de centra voor toponderzoek van de nieuwe en kandidaat-lidstaten blijft steunen en stimuleren, vooral op het gebied van N&N, door dit thema expliciet op te nemen in zijn werkprogramma's.

2.5.3

Volgens het EESC zou de Commissie ook de ontwikkeling van Europese netwerken voor de innovatie, toepassing en prototypering van N&N moeten steunen, met name voor kleine ondernemingen, die de overgrote meerderheid van de Europese productiestructuur uitmaken.

2.5.4

Er zouden met name specifieke dienstenpakketten in het leven moeten worden geroepen om ondernemers te helpen de mogelijkheden en beperkingen van N&N-toepassingen op te sporen, en om succesvolle initiatieven als Gate2Growth  (15) en Minanet  (16) navolging te geven. Hiervoor zouden nieuwe bronnen en vormen van risicokapitaal moeten worden gevonden, evenals nieuwe waarborgsystemen, die bovenop de huidige komen.

2.5.5

Volgens het EESC loont het ook de moeite om het communautaire initiatief Phantoms — een topnetwerk op het gebied van nanotechnologie dat is gelanceerd in het kader van het communautair programma IST-FET, voor de technologieën van de informatiemaatschappij — verder te ontwikkelen, en meer zichtbaarheid te geven.

2.5.6

Het EESC is bovendien van mening dat, met name gezien de noodzaak om de onderzoek- en innovatie-activiteiten in de nieuwe en kandidaat-lidstaten te bevorderen, er synergieën moeten worden opgewekt met de initiatieven Eureka en Cost, in het kader waarvan nu al N&N-activiteiten worden uitgevoerd in veel van die landen.

2.6   Het internationale raamwerk

2.6.1

De mondiale uitgaven van regeringen, ondernemingen en de financiële wereld aan onderzoek en ontwikkeling in de sector N&N werd in januari 2005 geschat rond de 7 miljard euro per jaar (17) (waarvan meer dan de helft van overheidswege): circa 35 % hiervan wordt uitgegeven in Noord-Amerika, 35 % in Azië, 28 % in Europa en 2 % in de rest van de wereld.

2.6.1.1

Wat betreft de uitgaven per hoofd van de bevolking, waren de verschillen in overheidsinvesteringen aan het einde van de jaren '90 nog heel gering: ongeveer 1 euro in de VS en Japan, en de helft in de EU. Maar in 2005 waren de uitgaven als volgt verdeeld: in de VS 5, in Japan 6,5 en in de EU 3,5 euro per hoofd van de bevolking. De voorspellingen voor 2011 zijn: meer dan 9 euro in de VS en Japan en 6,5 euro in de EU (18).

2.6.2

De uitgaven van het bedrijfsleven bedragen wereldwijd meer dan 3 miljard euro per jaar, waarvan 46 % voor rekening komt van Amerikaanse bedrijven, 36 % van Aziatische bedrijven, 17 % van Europese bedrijven en minder dan 1 % voor rekening van bedrijven uit andere delen van de wereld. Circa 1500 ondernemingen hebben verklaard zich sterk te willen inzetten voor onderzoek en ontwikkeling van N&N; 80 % van deze bedrijven zijn zgn. start-ups, voor meer dan de helft uit Noord-Amerika. Het aantal artikelen dat in de media verschijnt over nanotechnologie is gestegen van 7.000 tot 12.000 per jaar (19).

2.6.3

In de VS heeft de federale regering in vijf jaar tijd — van eind 2000 tot op heden — meer dan 4 miljard dollar geïnvesteerd in nanotechnologie. Alleen al voor 2006 heeft de regering Bush 1 miljard dollar gevraagd voor N&N-onderzoek in de 11 federale onderzoeksagentschappen. Zoals staat te lezen in het verslag uit 2005 „5-Years Assessment on Nanotechnology Initiative” worden de Verenigde Staten in de hele wereld erkend als leider op het gebied van nanotechnologisch O&O, met jaarlijkse publieke en particuliere investeringen van in totaal 3 miljard dollar, ongeveer een derde van de mondiale uitgaven.

2.6.3.1

De VS staan ook bovenaan als het gaat om het aantal start-ups, publicaties en octrooien. Op het niveau van de federale overheid zouden de uitgaven voor nieuwe kennis en nieuwe infrastructuren voor N&N „adequaat en royaal zijn geweest, zodat op lange termijn een aanzienlijk economisch rendement kan worden behaald”.

2.6.4

De jaarlijkse uitgaven van Japan zijn in 2003 geschat op circa 630 miljoen euro, waarvan 73 % afkomstig was van het Ministerie van onderwijs en 21 % van het Ministerie van economie, handel en industrie. Het onderzoek is er voornamelijk gericht op nanomaterialen. Mitsui heeft besloten om de komende vier jaar bijna 700 miljoen euro aan risicokapitaal te investeren in nanotechnologieën, terwijl het Fonds voor kritische technologieën circa 30 miljoen euro per jaar aan N&N-onderzoek zal besteden (20).

2.6.5

Ook in Azië, is Taiwan van plan om tussen nu en 2008 meer dan 600 miljoen euro in N&N te investeren. Zo'n 800 Taiwanese bedrijven zijn actief op dit gebied. Naar verwachting zal de productie in 2006 stijgen tot bijna 7,5 miljard euro, het aantal bedrijven tot 1500 en de ontwikkeling van nieuwe producten tot 25 miljard euro in 2012, vooral in diverse sectoren van de nanoelektronica.

2.6.5.1

Absolute voorwaarde voor deze expansie is dat de problemen i.v.m. de intellectuele en industriële eigendom eerst worden opgelost.

2.6.6

Zuid-Korea is een van de eerste landen waar ondernemingen met succes op N&N gebaseerde producten op de markt hebben gebracht (21). Zuid-Korea, waar het binnenlandse marktpotentieel voor nanotechnologie op 2 miljard euro wordt geschat, heeft een programma voor N&N gelanceerd, het „Next Generation Core Development Program”, met een budget van 168 miljoen euro, dat vooral bedoeld is voor nanomaterialen, nanocomposieten en bionanotechnologie.

2.6.7

In Australië zijn de afgelopen jaren meer dan 30 N&N-ondernemingen opgericht, en hun aantal stijgt nog met 50 % per jaar. De overheids- en particuliere investeringen in N&N-onderzoek bedragen circa 60 miljoen euro per jaar; deze concentreren zich hoofdzakelijk op nieuwe materialen, bionanotechnologie en medische en therapeutische toepassingen.

2.6.8

En dan China: een onlangs in Peking gepubliceerd onderzoek over de ontwikkeling van nanotechnologie in China in de periode 2005-2010, waarin tevens wordt vooruitgeblikt tot 2015 (22), laat zien dat China een van de wereldleiders is in termen van nieuwe nanotechnologische bedrijven, publicaties en octrooien op het gebied van N&N, met een binnenlandse markt van N&N-producten en -systemen die al op meer dan 4,5 miljard euro wordt geschat en naar verwachting in 2010 zullen zijn gestegen tot meer dan 27 miljard euro, en in 2015 tot meer dan 120 miljard euro (23).

2.6.9

De internationale context maakt duidelijk hoe het belangrijk het is dat in alle landen van de Unie proactieve randvoorwaarden worden gecreëerd voor onderzoek en innovatie, zodat met succes kan worden bijgedragen tot de investeringen in onderzoek en ontwikkeling in deze sector.

3.   Opmerkingen

3.1

Het EESC is altijd al voorstander geweest van grotere inspanningen — een absolute en relatieve stijging van de Europese investeringen in O&O — om de 3 %-doelstelling van Barcelona te verwezenlijken. Gezien de internationale trends is het van oordeel dat deze inspanningen in de eerste plaats op de sector N&N moeten zijn gericht.

3.1.1

Het is van mening dat deze inspanningen hun doel missen indien zij niet worden geïntegreerd via een sterke Europese coördinatie van nationale en regionale onderzoekprogramma's op het gebied van N&N, onder meer via ERA-NET en ERA-NET PLUS (24). Deze inspanningen zouden vergezeld moeten gaan van bewustmakingsacties en steun t.b.v. onderzoekscentra, universiteiten en de industrie, met behulp van COST (25), de ESW (26) en EUREKA (27) en door gebruik te maken van EIB-leningen.

3.1.2

Het is van mening dat de Europese coördinatie en samenwerking ook betrekking moeten hebben op de inspanningen van de lidstaten ter verwezenlijking van interdisciplinaire infrastructuur en N&N-expertisecentra en centrum voor toponderzoek, ten einde deze bij elkaar te brengen in een pan-Europees netwerk dat de synergie optimaliseert en onnodig dubbel werk voorkomt.

3.2   Op communautair niveau

3.2.1

Om ervoor te zorgen dat het communautaire actieplan werkbaar en geloofwaardig is, moet het volgens het EESC worden voorzien van een gedetailleerd tijdschema, zodat beter kan worden nagegaan welke vooruitgang is geboekt op de volgende gebieden:

opvoering van de investeringen in onderzoek, innovatie en opleiding op het gebied van N&N, zowel op het niveau van de Unie als van de lidstaten en hun regio's, maar altijd met een sterke Europese coördinatie door de Commissie en een grotere inzet van de industrie;

oprichting binnen het zevende kaderprogramma (hierna: KP7) van een Europees coördinatiecentrum of „ Focal Point ”, dat zich opstelt als vaste en proactieve gesprekspartner, zowel binnen de Unie als op het niveau van de internationale samenwerking en dialoog, met een Europees „Nano-Janus”-centrum (28) dat over voldoende middelen kan beschikken;

opleiding van gekwalificeerd personeel met een multidisciplinair profiel in de wetenschappelijke, technische en productiesector, en ervoor zorgen dat er meer managers komen die openstaan voor de nieuwe N&N-benadering;

waarborging van de acceptatie en het succes van N&N, door een geruchtmakende en transparante dialoog met het maatschappelijk middenveld te voeren, niet alleen vanwege de vergroting van het Europese concurrentievermogen door N&N, maar ook vanwege het nut van N&N voor de gezondheid, de veiligheid en de kwaliteit van het bestaan van de burgers;

invoering — vanaf de ontwerpfase van projecten tot de toepassing in de praktijk — van mechanismen voor de beoordeling van de toxicologische en ecotoxicologische risico's, en zorgen voor een adequate opleiding om deze risico's te bestrijden;

toetsing van de voorstellen voor onderzoek en financiering aan ethische criteria — zoals ook is voorgeschreven in het kaderprogramma — met een systematische bestudering van ethische vraagstukken die zich op het vlak van N&N kunnen voordoen,

behoud van het juiste evenwicht tussen de noodzaak van sociale ontwikkeling, verspreiding van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en bescherming van gezondheid en milieu enerzijds en de bescherming van de intellectuele en industriële eigendom anderzijds.

3.2.2

Het EESC is een groot voorstander van een gevoelige verhoging van de EU-investeringen in onderzoek, innovatie en opleiding op het gebied van N&N, parallel aan en strak gecoördineerd met de groei van de desbetreffende investeringen van de lidstaten en hun regio's.

3.2.2.1

Het EESC onderstreept in dit verband dat, in tegenstelling tot andere onderzoeksectoren, de hoeveelheid financiële middelen die de Gemeenschap uittrekt voor N&N overeenkomt met de hoeveelheid die de lidstaten hiervoor uittrekken (terwijl de communautaire uitgaven voor onderzoek in het algemeen 4 à 5 % van de globale Europese uitgaven voor onderzoek bedragen, vertegenwoordigen de door de lidstaten uitgetrokken bedragen 87 %).

3.2.3

Volgens het EESC zou ten minste 10 % van de middelen van het specifieke programma „Samenwerking” in het kader van het KP7 2007-2013 naar de thematische prioriteit op het gebied van N&N moeten gaan.

3.2.3.1

In het specifieke programma „Capaciteiten” zou het MKB voldoende ruimte moeten worden geboden voor onderzoek en innovatie op het gebied van N&N, met name voor N&N-centra en infrastructuren voor nanotechnologische excellence en Foresight.

3.2.3.2

In het specifieke programma „Mensen” zouden de opleiding en mobiliteit van onderzoekers op het gebied van N&N meer ruimte moeten krijgen. Dit zou ook moeten gelden voor de activiteiten van het GCO, voor zover het de veiligheid en metronomie betreft, en voor de technologische vooruitzichten.

3.2.4

Daarentegen zou vanaf 2007 een deel van de middelen van het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie — hoe beperkt deze middelen ook zijn — moeten kunnen worden gebruikt ten behoeve van de totstandbrenging van een ondernemingscultuur, gericht op organisatorische toepassingen van N&N.

3.2.5

Het EESC is een groot voorstander van de oprichting van Europese technologieplatforms, naar het voorbeeld van de platforms die reeds bestaan op het gebied van nano-elektronica en nanogeneeskunde. Dit zijn namelijk zeer geschikte instrumenten om, op grond van een gemeenschappelijke Foresight, alle openbare en particuliere actoren in de verschillende sectoren — wetenschap, opleiding, technologie, industrie, financiën — in te schakelen ten behoeve van communautaire, nationale/regionale of gezamenlijke projecten en initiatieven.

3.2.6

Het EESC acht investeringen in onderwijs en opleiding op hoog niveau van fundamenteel belang. De nieuwe communautaire programma's voor de periode na 2006 zouden uitdrukkelijk actielijnen moeten bevatten voor een multidisciplinaire ondersteuning van N&N.

3.2.7

De Commissie zou de industriële exploitatie van N&N moeten vergemakkelijken, door vóór 2007, in het kader van het specifieke programma N&N van het KP7, het volgende te verwezenlijken:

een Nano-IPR helpdesk, zoals het EESC in zijn eerdere advies over N&N heeft voorgesteld;

een Europees clearing house voor de uitwisseling van voorbeelden van goede praktijken en de monitoring van octrooien en nieuwe toepassingen op de wereldmarkt;

een „digitale N&N-bibliotheek”, zoals in de onderhavige Mededeling wordt voorgesteld;

aanbestedingen van CEN-STAR (29) voor prenormatieve en conormatieve projecten voor technisch onderzoek;

proefprojecten voor de demonstratie van industriële toepassingen van N&N.

3.2.8

De Commissie zou voortaan het instrument voor ethische evaluatie moeten versterken, voor een systematische bestudering van alle ethische vraagstukken die zich op het vlak van N&N kunnen voordoen, met name op het gebied van geneeskunde, de agro-voedselsector en cosmetica.

3.3   Op het niveau van de lidstaten

3.3.1

Het EESC benadrukt dat het communautaire actieplan vergezeld moet gaan van nationale actieplannen, die uiterlijk in het eerste halfjaar van 2006 moeten worden gepresenteerd aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, om te zorgen voor wisselwerkingen en synergieën op het gebied van infrastructuur, opleiding en onderwijs, normalisatie en octrooien, risicobeoordeling en de dialoog met het maatschappelijk middenveld, de consumenten en de media.

3.3.2

De lidstaten zouden volgens het EESC een groter deel van de openbare en particuliere middelen waarover zij beschikken moeten reserveren voor N&N, en bij het EP en de Raad periodiek verslag moeten uitbrengen van de vooruitgang in de investeringen en de uitvoering van de nationale plannen.

3.3.3

Deze verslagen zouden moeten worden opgenomen in het tweejaarlijks communautair verslag, met speciale aandacht voor:

de totstandkoming van een gunstig wetgevingskader voor de nieuwe cyclus van industriële toepassingen van N&N op nieuwe ondernemingsconcepten; voor de nieuwe kwalificaties en vereisten wat betreft de opleiding van ondernemers, werknemers en technici; voor de normalisatie; voor de certificering van producten; en ten slotte voor de naleving van ethische normen en de doorzichtigheid, vooral op het stuk van de medisch-wetenschappelijke opleiding, de toegankelijkheid en de gelijke kansen;

de stimulering van innoverende toepassingen van N&N op territoriaal niveau, met de ontwikkeling van netwerken van laboratoria voor prototypering, certificering en risk assessment, die toegankelijk moeten zijn voor alle ondernemingen, instellingen, universiteiten en onderzoekscentra; voor dat doel zouden specifieke financiële maatregelen voor start- en risicokapitaal moeten worden genomen, met name in de cohesieregio's, en zouden informatiecentra voor het grote publiek moeten worden opgericht waar informatie kan worden verkregen over de risico's en mogelijkheden van N&N;

de lancering van acties ter voorkoming van de „nanokloof”, vooral in gebieden die voor steun uit de structuur- of cohesiefondsen in aanmerking komen en in eiland- en perifere gebieden, waarbij er ook maatregelen worden genomen om te voorkómen dat minder ontwikkelde derde landen worden uitgesloten van de ontwikkeling van N&N.

3.3.4

De lidstaten zouden gerichte actie moeten ondernemen om het evenwicht te bewaren tussen de noodzaak van samenwerking, de verspreiding van wetenschappelijk en toegepast onderzoek in de gezondheidszorg en milieubescherming enerzijds, en de noodzaak van de bescherming van het uitvindersgeheim en van de intellectuele en industriële eigendom anderzijds.

3.3.5

Volgens het EESC blijkt ook hier weer hoe nadelig het ontbreken van een gemeenschapsoctrooi en een uniform gemeenschappelijk octrooirecht is. Dat gemis doet zich bijvoorbeeld gevoelen m.b.t. de vraag welke uitvindingen op het gebied van bio-nanotechnologie in de lidstaten octrooieerbaar zijn, maar betreft ook eenvoudigweg de toegang van geïnteresseerde actoren tot informatie over nieuwe uitvindingen en octrooien.

3.4   Op internationaal niveau

3.4.1

Het EESC kan zich volledig vinden in de richtsnoeren die in het actieplan worden voorgesteld voor de ontwikkeling van de samenwerking en van een gestructureerde dialoog op internationaal niveau. Wel stelt het voor de richtsnoeren als volgt aan te vullen:

de organisatie, met regelmatige tussenpozen en onder auspiciën van de EU, van internationale fora om meer kansen te bieden voor dialoog, uitwisseling en communicatie, teneinde de capaciteiten van de internationale gemeenschap van wetenschappers, ondernemers en academici uit te bouwen;

de ontwikkeling van het Europese leiderschap ter bevordering van wereldwijde initiatieven voor gemeenschappelijke verklaringen en gedragscodes m.b.t. een verantwoord gebruik en een verantwoorde ontwikkeling van N&N;

de oprichting, uiterlijk in 2008, van een elektronisch archief van internationale wetenschappelijke en technische publicaties op het gebied van N&N;

de uitbreiding van het Europese ontwikkelingsbeleid met acties t.b.v. de capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden, de opleiding van wetenschappelijk personeel en de bevordering van de ontvankelijkheid van het lokale niveau voor N&N: dit alles om de N&N-kloof (de uitsluiting van de kennisontwikkeling op het gebied van N&N) te voorkómen;

de totstandbrenging van gebruiksvriendelijke synergie met Europese initiatieven (bv. EUREKA) en internationale initiatieven (bv. Human Frontiers).

3.5   Op het niveau van ondernemingen, de arbeidsmarkt en het maatschappelijk middenveld

3.5.1

Volgens het EESC kunnen ondernemingen — met name het MKB — veel baat hebben bij N&N-onderzoekactiviteiten en de verspreiding en overdracht van technologie, met name dankzij de integratie van energiebesparings- en milieutechnologieën, IT-nanotechnologieën, nieuwe materialen, toegepast op processen, producten en diensten, en convergerende nano-bio-info-technologieën.

3.5.2

Het EESC is van mening dat het Europese bedrijfsleven de onderzoeksinspanningen en de toepassing van N&N moet vermenigvuldigen en het tempo moet opvoeren, zodat het investeringsniveau op zijn minst gelijk is aan dat van zijn grootste concurrenten; deze inspanningen zouden moeten worden aangemoedigd door de totstandkoming van een gunstig wet- en regelgevingskader op zowel communautair als nationaal/regionaal niveau.

3.5.3

Het is ervan overtuigd dat het van essentieel belang is het bedrijfsleven volop te betrekken bij het onderzoek, de ontwikkeling en de toepassing van N&N, mits vergezeld van steunmaatregelen op Europees, nationaal en regionaal niveau, en vooral, combinaties daarvan. Te denken valt aan:

doorzichtige, eenvoudige en duidelijke informatie over de onderzoeksresultaten („nanotechnology scouting”), die permanent kunnen worden toegepast, zonder gevaar voor werknemers en technici, consumenten, het milieu en de gezondheid; deze resultaten moeten vergezeld gaan van certificaten die de acceptatie door de samenleving en de markt garanderen;

gerichte opleidingsacties om tegemoet te komen aan de problemen van ondernemers — vooral van kleine bedrijven — t.b.v. een bewust en verantwoord gebruik van N&N, dat voldoet aan de vereisten van de nieuwe productieprocessen waarin de N&N worden toegepast (30);

acties op het gebied van de multidisciplinaire opleiding en kwalificaties van het technisch-wetenschappelijk personeel, m.b.t. de nieuwe concepten en wijze van arbeidsorganisatie in de diverse sectoren met gebruik van nieuwe nanotechnologische productieprocessen en aanverwante diensten, en de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen om toxicologische en ecotoxicologische risico's uit te bannen;

het op duidelijke en van te voren vastgestelde wijze afbakenen van de mogelijkheden en beperkingen van de intellectuele en industriële eigendom, om het evenwicht te waarborgen tussen samenwerking en mededinging; het productiegeheim en de verspreiding van de vooruitgang op N&N-gebied; de publicatie en het vrije verkeer van de nieuwe kennis in Europese en internationale wetenschappelijke kringen enerzijds en de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten anderzijds;

vergemakkelijking van de toegang van ondernemingen — met name kleine ondernemingen of ondernemingen in eiland- en perifere gebieden — tot de instituten van het GCO (31), laboratoria voor prototypering en instanties waar certificeringen, metingen en proeven plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor de toegang tot nationale en Europese normalisatieorganisaties, waar internationaal erkende en geaccepteerde standaards kunnen worden opgesteld;

verbetering, in het kader van de EIB, het EIF, het KCI (32) en de communautaire structuurfondsen, van de toegang van ondernemingen — met name het MKB — tot financiële steunmaatregelen, start- en risicokapitaal, en initiatieven om de spin-off in de academische wereld te bevorderen, om de oprichting van nieuwe ondernemingen te stimuleren, om nieuwe banen te scheppen in de sector van N&N, en om uitgestrekte netwerken te creëren voor de acquisitie, productie en distributie van N&N-producten en –diensten;

uitbreiding van de betrekkingen tussen universiteiten, onderzoekscentra en het bedrijfsleven — met name het MKB — door centra op te richten voor het gezamenlijke beheer van verschillende toepassingen, door de aanwerving van „nanotechnologen” in bedrijven te bevorderen, en door cursussen te organiseren in het kader van de nieuwe acties van het Marie Curie-programma.

3.5.4

Het EESC onderstreept dat, zeker op het gebied van N&N, de werknemers en het technisch-wetenschappelijk kaderpersoneel de motor zijn van Europese ondernemingen die de maatschappelijke verantwoordelijkheid hoog in het vaandel hebben.

3.5.4.1

Het EESC onderstreept in dat verband het belang van acties om te zorgen voor zekere randvoorwaarden en veilige productieprocessen, en het belang van een adequate opleiding, van vooral mensen die werkzaam zijn in de medische diagnostiek en behandeling, met bijzondere aandacht voor preventie en de ex-ante-beoordeling van de risico's. Dit kan onder meer met behulp van technische handleidingen die op Europees niveau zijn gekeurd en goedbevonden.

3.5.4.2

De Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden in Dublin moet uitgebreid onderzoek doen naar de impact van de nieuwe arbeidsorganisatie — nodig geworden als gevolg van de toepassing van N&N op de productieketen — en van de nieuwe behoeften op het gebied van opleiding, veiligheid en bescherming van de gezondheid.

3.5.5

De Europese dialoog over N&N met alle betrokken partijen zou vóór 2007 een formeel karakter moeten krijgen, door hiervoor een raadgevend orgaan of forum op te richten, dat voldoende zichtbaar en transparant moet zijn om te kunnen fungeren als meest geschikte en erkende gesprekspartner voor de media en het maatschappelijk middenveld.

3.5.6

De succesvolle proefprojecten voor de bewustmaking van de burgers zouden vóór 2007 moeten worden geconsolideerd, en toegankelijk moeten worden gemaakt op de „Europa”-website. Ook zouden zij onder de aandacht moeten worden gebracht van de andere instellingen, met name het EP en de Raad. Zij zouden een internationale weerklank moeten krijgen met de uitreiking van de „Europese interdisciplinariteitsprijs voor N&N”, die vanaf 2008 ieder jaar zal worden uitgereikt tijdens de „Europese week van N&N”.

3.5.7

De Commissie zou vóór 2007 geconsolideerde methoden moeten invoeren voor de bestudering van de risico's i.v.m. de toepassing en/of het gebruik van N&N, en zou uiterlijk in het eerste halfjaar van 2008 Europese richtsnoeren moeten voorstellen.

Brussel, 20 april 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  PB C 157 van 28-6-2005.

(2)  Idem.

(3)  Vraaggesprek met commissaris Busquin (samenvatting in IP/04/820 van 29-6-2004).

(4)  Zie voetnoot 2

(5)  Centrum voor micro- e nano-elektronica van de Technische Hogeschool van Milaan, prof. A. Spinelli.

(6)  Idem.

(7)  De investeringen in de nano-elektronica bedragen tegenwoordig 6 miljard euro, als volgt verdeeld: 1/3 voor nano en micro, 1/3 voor diagnoses, 1/3 voor materiaal (bron: Europese Commissie, DG Onderzoek).

(8)  Van het Griekse mimesis, nabootsing van de natuur.

(9)  Bijv. de zelfstandige beweging van spermatozoa.

(10)  PB C 65 van 17-03-2006

(11)  Zie „Nanotechnologies and nanosciences, knowledge-based multifunctional materials & new production processes and devices”, gepresenteerd tijdens het „Euronanoforum” dat in september 2005 te Edinburgh werd gehouden.

(12)  COM(2005) 243 final en COM(2005) 24 final.

(13)  (PB C 157 van 28-6-2005).

(14)  De belangrijkste „centres of excellence” zijn: het centrum voor moleculair onderzoek Desmol, het centrum voor hogedrukonderzoek en het Celdis-centrum van het Instituut voor fysica van de Poolse academie van wetenschappen; het onderzoekscentrum KFKI-CMRC en het onderzoeksinstituut voor „Solid State Physics and Optics” van de Hongaarse academie van wetenschappen; en het centrum voor onderzoek en technologie m.b.t. geavanceerde materialen (CAMART) van het instituut voor Solid State Physics van de universiteit van Letland.

(15)  Het communautair initiatief Gate2Growth biedt een pakket diensten en netwerken om de toegang tot investeringen voor nieuwe, innoverende bedrijven te vergemakkelijken, met behulp van pan-Europese netwerken van investeerders en intermediairs, zoals het netwerk I-TecNet.

(16)  Minanet is een online-databank voor Europese onderzoeksprojecten op het gebied van microsystemen en nanotechnologie. Deze bevat N&N-projecten uit Tsjechië, Polen, Slowakije, Hongarije, Bulgarije, Litouwen, Letland, Cyprus en Roemenië.

(17)  Lux Research and Technology Review on Nanotechnology 2005.

(18)  Cfr: http://cordis.europa.eu.int/nanotechnology; Europese Commissie, DG Onderzoek, Eenheid G4 (8-12-2005).

(19)  Lux Research and Technology Review on Nanotechnology 2005.

(20)  Wat betreft de particuliere investeringen in N&N: circa 60 Japanse ondernemingen geven ongeveer 170 miljoen euro per jaar uit aan nanotechnologisch O&O, een stijging van 20 % sinds 2003.

(21)  Samsung heeft reeds in 2002 de zgn. Flash Memory Chips geïntroduceerd, die 90 nanometrische componenten bevatten.

(22)  Beijin Report 2005 on Nanotech Development to 2010-2015.

(23)  Het Chinese aandeel op de wereldmarkt zal volgens het rapport meer dan 6 % bedragen in 2010, en zelfs 16 % in 2015. De ontwikkeling van afgewerkte producten zal sterk afhangen van de mate van convergentie van de nanobiologische toepassingen, de nanowetenschappen, en het applicatief onderzoek van de drie grote nationale onderzoekscentra en de meer dan 20 instituten voor N&N.

(24)  Europese onderzoeksruimte: samenwerking en coördinatie van de nationale en regionale onderzoeksinspanningen. In het kader van het ERA-NET-programma, dat over een budget van 148 miljoen euro beschikte, werd tot en met 2005 iedere zes maanden een aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor projecten waaraan instanties uit ten minste drie lidstaten deelnamen. Voor de komende jaren is er het programma ERA-NET Plus, dat een uitgebreide versie is van het vorige programma.

(25)  COST: intergouvernementele organisatie voor samenwerking op het gebied van wetenschappelijk en technisch onderzoek.

(26)  ESW: Europese Stichting voor Wetenschappen.

(27)  EUREKA: Europees initiatief voor de ontwikkeling van markttechnologieën.

(28)  Naar het voorbeeld van het Nanotechnology National Office dat in 2003 in de VS is opgericht bij de wet inzake de ontwikkeling van nanotechnologie.

(29)  CEN = Europees normalisatiecomité. STAR = onderzoek op het gebied van normalisatie.

(30)  Het EESC is ingenomen met de publicaties – op papier en CD-rom – van het directoraat Innovatiebeleid van DG Ondernemingen en industrie, en met de pedagogisch benadering die daarin wordt gevolgd, gericht op een publiek dat weliswaar belangstelling heeft voor N&N maar niet erg vakkundig is op dit gebied.

(31)  GCO = Gemeenschappelijk centrum voor onderzoek.

(32)  KCI = Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (zie het EESC-advies INT/270 van rapporteurs Welschke en Fusco).