52005PC0625

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en verdere ontwikkeling van statistieken over onderwijs en levenslang leren /* COM/2005/0625 def. - COD 2005/0248 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 6.12.2005

COM(2005) 625 definitief

2005/0248 (COD)

.

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de productie en verdere ontwikkeling van statistieken over onderwijs en levenslang leren

.

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL |

110 | Motivering en doel van het voorstel De Europese Raad kwam op zijn voorjaarsbijeenkomst in 2005 overeen om de Lissabonstrategie nieuw leven in te blazen. Europa moet, zo concludeerde de Raad, het fundament van zijn concurrentievermogen vernieuwen, zijn groeipotentieel en productiviteit vergroten, de sociale samenhang versterken en zich daarbij vooral op kennis, innovatie en een optimale benutting van het menselijk kapitaal richten. Tegen deze achtergrond wees de Europese Raad er met nadruk op dat het menselijk kapitaal “Europa’s waardevolste troef” is. Onderling vergelijkbare statistieken en indicatoren over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren worden hoe langer hoe belangrijker voor de opencoördinatiemethode waarmee de Europese Unie in haar onderwijs- en beroepsopleidingsbeleid werkt. Ze zijn tevens van groot belang voor de beleidsdiscussies over menselijk kapitaal, innovatie, groei en concurrentievermogen, die in het kader van het werkgelegenheids-, onderzoeks-, innovatie- en economisch beleid worden gevoerd. De onderwijs- en beroepsopleidingsstatistieken van de afgelopen tien jaar waren gebaseerd op de Resolutie van de Raad van 5 december 1994 betreffende de bevordering van de onderwijs- en opleidingsstatistiek (94/C 374/02) en het daarna gesloten gentlemen's agreement tussen de lidstaten om op dit terrein samen te werken. Sinds de top van Lissabon neemt de vraag naar statistieken over onderwijs en beroepsopleiding evenwel toe. Zowel de lidstaten als de Commissie zijn van mening dat nadere specificatie van deze vraag nodig is en er een formele rechtsgrondslag moet komen, zodat een planning kan worden gemaakt van de middelen die nodig zijn om kwaliteitsverbeteringen te bereiken en eventueel nieuwe surveys uit te voeren. |

120 | Algemene context Om bij te dragen aan de Lissabonstrategie hebben de ministers van onderwijs in 2001 een verslag over de concrete doelstellingen van de onderwijs- en opleidingsstelsels aangenomen, waarin voor het eerst gemeenschappelijk te bereiken doelstellingen voor het jaar 2010 geformuleerd zijn. In het jaar daarop hebben zowel de Onderwijsraad als de Commissie een werkprogramma (Onderwijs en opleiding 2010) goedgekeurd, dat een looptijd heeft van tien jaar en met behulp van de opencoördinatiemethode ten uitvoer wordt gebracht. Op 15 en 16 maart 2002 heeft de Europese Raad zich in Barcelona achter dit werkprogramma en de daarin opgenomen indicatieve lijst van indicatoren geschaard, waarmee vooruitgang in de richting van dertien concrete doelstellingen kan worden gemeten die met behulp van de opencoördinatiemethode worden verwezenlijkt. Doel is, aldus de Europese Raad, de onderwijs- en opleidingsstelsels “vóór 2010 tot een kwaliteitsreferentie op wereldniveau te maken.” Al deze akkoorden vormen het nieuwe, samenhangende strategische raamwerk voor samenwerking op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding in de Gemeenschap. Indicatoren en benchmarks (referentieniveaus van Europese gemiddelde prestaties) behoren tot het instrumentarium waarmee in het kader van de opencoördinatiemethode wordt gewerkt. Een belangrijke stap voorwaarts op dit vlak was het akkoord van de ministers van onderwijs in mei 2003 over vijf Europese benchmarks, die vóór 2010 gerealiseerd moeten zijn, maar geen nationale streefcijfers, noch beslissingen van de nationale regeringen voorschrijven[1]. In februari 2004 hebben de Commissie en de Raad een gezamenlijk tussentijds verslag goedgekeurd, waarin wordt vastgesteld dat er vooral op het terrein van het levenslang leren verbetering moet worden gebracht in de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de bestaande indicatoren. In november 2004 heeft de Commissie een werkdocument aangenomen, waarin wordt aangegeven hoe tegen de achtergrond van de eisen van de Raad nieuwe indicatoren voor onderwijs en beroepsopleiding zullen worden uitgewerkt. |

130 | Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Resolutie van de Raad van 5 december 1994 betreffende de bevordering van de onderwijs- en opleidingsstatistiek in de Europese Unie (PB C 374 van 30.12.1994). Verordening (EG) nr 1552/2005 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistiek van bij- en nascholing in ondernemingen. Deze specifieke verordening voor een uit te voeren survey heeft uitsluitend betrekking op een bepaald segment van de opleidingen die in bedrijfsverband worden gegeven. Aangezien er in de Raad en het Europese Parlement een akkoord over is bereikt, zal de verordening naar verwachting binnenkort worden gepubliceerd. |

141 | Samenhang met andere beleidsgebieden van de EU Niet van toepassing. |

RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van belanghebbende partijen |

219 | Niet van toepassing. |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

221 | Betrokken wetenschaps- en kennisgebieden De geraadpleegde deskundigen waren afkomstig van de nationale bureaus voor de statistiek, de ministeries van onderwijs en andere instellingen die in het kader van de nationale statistische systemen statistieken over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren produceren. |

222 | Gebruikte methode Schriftelijke raadpleging en discussies in werkgroepen. |

223 | Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen Een eerste versie van de voorgestelde tekst is in november 2004 voor schriftelijk commentaar verzonden naar de ETS-werkgroep (nationale coördinatoren voor onderwijs- en beroepsopleidingsstatistieken), de werkgroep voor de survey Volwasseneneducatie (hierbij betrokken vertegenwoordigers van de lidstaten) en de werkgroep van de UNESCO, OECD en Eurostat voor onderwijsstatistieken (bij de verzameling van bestuurlijke onderwijsgegevens betrokken vertegenwoordigers van de lidstaten). Vervolgens is een tweede versie uitgewerkt, die in december 2004 opnieuw voor schriftelijk commentaar gedistribueerd is. In januari 2005 is het ontwerpvoorstel op de jaarbijeenkomst van de ETS-werkgroep besproken. Deze was in beginsel akkoord met de voorgestelde tekst, maar stelde wel een aantal verbeteringen voor. Op 2 maart 2005 is een nieuwe versie voor definitief commentaar naar de nationale coördinatoren in de ETS-werkgroep gegaan. Het herziene voorstel is vervolgens voorgelegd aan de directeuren-generaal van de nationale bureaus voor de statistiek, die zich er op de vergadering van het Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen op 25 tot 27 mei 2005 in Kopenhagen positief over hebben uitgesproken. |

2249 | Samenvatting van ontvangen en gebruikte adviezen Er is niet gewezen op potentieel ernstige risico’s die niet meer ongedaan te maken gevolgen zouden kunnen hebben. |

225 | Met het merendeel van de reacties uit het raadplegingsproces is rekening gehouden. De voorgestelde tekst is hierdoor duidelijker, nauwkeuriger en eenvoudiger geworden. |

226 | Wijze waarop het deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek Het commentaar van de geraadpleegde werkgroepen is punt voor punt beantwoord. De punten zijn, waar nodig, ook in de desbetreffende notulen opgenomen. |

230 | Effectbeoordeling Voortzetting van het gentlemen’s agreement en de daaruit voortvloeiende samenwerking bij de productie van statistieken over onderwijs en levenslang leren zou het meest voor de hand liggende alternatief voor de verordening zijn. Een duurzaam systeem voor de productie van onderwijsstatistieken zou daardoor evenwel niet ontstaan. Ook zou niet zeker zijn of statistieken en indicatoren worden geproduceerd die voor het Europese beleid en een zinnige, wetenschappelijk gefundeerde discussie in het kader van de opencoördinatiemethode nodig zijn. Een tweede mogelijkheid zou zijn om specifieke rechtsgrondslagen voor alle in uitvoering zijnde of geplande statistische werkzaamheden afzonderlijk (surveys of gegevensverzamelingen) uit te werken. Na bestudering van dit alternatief was de conclusie evenwel dat dit alleen een optie zou zijn als er een akkoord wordt bereikt over de reikwijdte van de werkzaamheden en de doelstellingen van communautaire statistieken over onderwijs en levenslang leren. Op deze manier zou bij de opzet en implementatie van specifieke werkzaamheden in het oog kunnen worden gehouden dat de nagestreefde doelen in de pas lopen met de duidelijk omschreven overkoepelende doelstelling van de hier voorgestelde verordening. |

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

305 | Samenvatting van de voorgestelde maatregelen Doel van deze rechtsgrondslag is een raamwerk tot stand te brengen voor alle lopende en geplande statistische werkzaamheden in verband met levenslang leren (uitgezonderd zijn alleen de statistische werkzaamheden over bij- en nascholing in het bedrijfsleven - de zogenaamde CVTS-survey - waarvoor het Europees Parlement en de Raad binnenkort een verordening zullen goedkeuren). Gezien het grote belang van een raamwerk van op elkaar afgestemde concepten en onderling vergelijkbare maatregelen staan de werkzaamheden vooral in het teken van de nieuwste ontwikkelingen op het vlak van de methoden, specifieke gegevensverzamelingen over met name de onderwijssystemen en de volwasseneneducatie, en de algemeen nagestreefde kwaliteitsverbetering en verspreiding van onderwijsgegevens op groter schaal. Het is de bedoeling dat een duurzaam systeem voor de productie van onderwijsgegevens tot stand wordt gebracht, waarop in de discussies over het beleid van de EU op de verschillende terreinen kan worden teruggegrepen. |

310 | Rechtsgrondslag De rechtsgrondslag voor de statistische werkzaamheden van de Gemeenschap is verwoord in artikel 285 van het EG-Verdrag. Volgens dit artikel moet de Raad op basis van de medebeslissingsprocedure maatregelen voor de opstelling van statistieken nemen, wanneer dit voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap nodig is. Als eisen waaraan bij de productie van communautaire statistieken moet worden voldaan, noemt het artikel onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit en statistische geheimhouding. |

320 | Subsidiariteitsbeginsel Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voorzover het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen. |

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt: |

321 | Overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel kan de doelstelling van het voorstel, te weten de systematische productie van onderling vergelijkbare Europese statistieken over onderwijs en levenslang leren, niet voldoende door de lidstaten afzonderlijk en derhalve beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Hoewel de Commissie het best in staat is om het verzamelen van statistisch materiaal in de Gemeenschap te organiseren, zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de opzet en het functioneren van de nationale statistische systemen. Het voorstel heeft alleen betrekking op aan de Commissie te leveren statistische gegevens over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren voor de productie van communautaire statistieken. Het heeft geen enkel direct effect op de statistieken die voor nationale doeleinden worden geproduceerd. De voorschriften hiervoor zijn vervat in Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek. |

De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende reden(en) beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt: |

324 | Bij de verdere ontwikkeling van geharmoniseerde communautaire statistieken over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren moet worden ingehaakt op de eisen die uit het beleid van de Gemeenschap voortvloeien. Ook moet rekening worden gehouden met de manieren van werken, werkzaamheden en classificaties die op dit vlak internationaal gangbaar zijn en de praktische vraagstukken die zich bij de toepassing van definities in uiteenlopende nationale situaties voordoen. Dit vereist overleg, coördinatie en planning en de Commissie is de meest geschikte instelling om dit ter hand te nemen. Bij de desbetreffende statistieken zal op ruime schaal gebruik worden gemaakt van de onderwijsgegevens die Eurostat ieder jaar verzamelt, en van nieuw te verzamelen gegevens over de participatie aan volwasseneneducatie in de afzonderlijke landen. Indien er duidelijk behoefte ontstaat aan nieuwe gegevens, zijn er evenwel ook mogelijkheden om uit andere bronnen te putten en aanvullende statistische instrumenten uit te werken. |

325 | Gegevens die de hele Europese Unie bestrijken, zijn van het allergrootste belang om de vooruitgang in de richting van de Lissabondoelstellingen te monitoren en de in het kader van “Onderwijs en opleiding 2010” gehanteerde opencoördinatiemethode te onderbouwen. |

327 | De verordening wordt noodzakelijk geacht om méér onderling vergelijkbare communautaire statistieken beschikbaar te krijgen over een terrein waaraan zowel op Europees niveau als op het niveau van de lidstaten hoge prioriteit wordt toegekend. Wordt de verordening niet ingevoerd en blijven uitvoeringsmaatregelen in het verlengde daarvan uit, dan zal dit ernstige negatieve consequenties hebben voor zowel de ontwikkeling als de uitvoering van het beleid. |

Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. |

Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: |

331 | Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beperkt de verordening zich tot het minimum dat nodig is om de vastgelegde doelstelling te verwezenlijken en gaat zij daar niet boven uit. De verordening beschrijft de werkterreinen en te nemen maatregelen en geeft nuttige informatie over de reikwijdte daarvan. De gegevensaanvragen zullen gedetailleerd worden beschreven in uitvoeringsbesluiten, die voorzover nodig na goedkeuring van deze verordening voor iedere afzonderlijke gegevensverzameling zullen worden uitgewerkt. Doel is de Gemeenschap en nationale overheidsinstanties een stabiel raamwerk voor de door hen in te zetten middelen te verschaffen, dat voldoende ruimte laat om gedetailleerde regelingen te treffen voor alle vereiste afzonderlijke werkzaamheden. De verantwoordelijkheid voor statistieken over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren ligt in de lidstaten bij allerlei verschillende bureaus. Verwacht wordt dat de verordening in sommige landen tot een aantal veranderingen op statistisch gebied zal leiden. Zo zal men in sommige lidstaten nog een aantal variabelen bij de gegevensverzameling moeten betrekken of eraan moeten werken dat de gegevens sneller beschikbaar komen. Eurostat zal blijven samenwerken met de nationale autoriteiten die op dit gebied verantwoordelijk zijn en alles in het werk stellen om eventuele problemen in verband met de kaderverordening en de nog te nemen uitvoeringsmaatregelen van de Commissie tot een minimum te beperken. |

332 | Door de verordening komt een duidelijk omlijnd raamwerk voor de productie van communautaire statistieken over onderwijs en levenslang leren tot stand. Hierdoor zullen de noodzakelijke middelen zowel op het niveau van de Gemeenschap als op alle andere betrokken niveaus (nationaal, regionaal, lokaal) beschikbaar gesteld, gepland en doeltreffend ingezet kunnen worden. |

Keuze van instrumenten |

341 | Voorgesteld(e) instrument(en): verordening. |

342 | Andere instrumenten zouden om de volgende reden(en) ongeschikt zijn: Welk rechtsinstrument van het Europees Parlement en de Raad het meest geschikt is, hangt af van de doelstelling die met bepaalde wetgeving wordt nagestreefd. Gezien de behoefte aan Europese gegevens, werkt de Gemeenschap op statistisch gebied eerder met verordeningen dan met richtlijnen. Verordeningen verdienen de voorkeur, omdat daardoor in de hele Gemeenschap dezelfde wetgeving van kracht wordt en uitgesloten is dat de lidstaten daaraan een onvolledige of selectieve invulling geven. Aangezien verordeningen rechtstreeks van toepassing zijn in de lidstaten, hoeven ze bovendien niet eerst in nationale wetgeving te worden vertaald. Richtlijnen beogen daarentegen harmonisatie van nationale wetgeving en zijn alleen wat hun doelstelling betreft bindend voor de lidstaten. De lidstaten kunnen dan ook zelf de modaliteiten en methoden bepalen voor de verwezenlijking van de doelstelling, waarover in Europees verband overeenstemming is bereikt. Bovendien moeten richtlijnen in nationale wetgeving worden omgezet. |

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

409 | Geschat wordt dat door de verordening in de periode 2007 tot 2012 een begrotingslast van 5,4 miljoen euro ontstaat. Dit geld is met name bestemd voor de medefinanciering van de eerste uitvoeringsronde van de survey Volwasseneneducatie in 2011. De personeelskosten in verband met de uitvoering van de verordening worden voor dezelfde periode op 6,8 miljoen euro geraamd. De hiervoor benodigde middelen zijn evenwel reeds gereserveerd in het financieel kader van Beschikking nr. 2367/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het communautair statistisch programma voor de periode 2003-2007[2] en het daarop volgende vijfjarenprogramma. |

AANVULLENDE INFORMATIE |

560 | Europese Economische Ruimte De voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte. |

1. 2005/0248 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de productie en verdere ontwikkeling van statistieken over onderwijs en levenslang leren (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie[3],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[4],

Gezien de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

2. In de Resolutie van de Raad van 5 december 1994 betreffende de bevordering van de onderwijs- en opleidingsstatistiek in de Europese Unie[5] zijn de Commissie en de lidstaten om maatregelen voor de verdere ontwikkeling van statistieken op dit gebied verzocht.

3. De Europese Raad kwam op zijn voorjaarsbijeenkomst in 2005 overeen om de Lissabonstrategie nieuw leven in te blazen. Europa moet, zo concludeerde de Raad, het fundament van zijn concurrentievermogen vernieuwen, zijn groeipotentieel en productiviteit vergroten, de sociale samenhang versterken en zich daarbij vooral op kennis, innovatie en een optimale benutting van het menselijk kapitaal richten. Tegen deze achtergrond zijn inzetbare, flexibele en mobiele burgers voor Europa van vitaal belang.

4. Levenslang leren is een cruciaal element voor een vakbekwaam, geschoold en flexibel arbeidspotentieel. In 2005 heeft de Europese Raad er op zijn voorjaarsbijeenkomst met nadruk op gewezen dat het menselijk kapitaal “Europa’s belangrijkste troef is.”[6] Verbetering van het werk aan de Lissabonstrategie en uitwerking van brede strategieën voor levenslang leren zijn doelstellingen in de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid en de op 12 juli 2005 door de Raad goedgekeurde richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid[7], die daarvan deel uitmaken.

5. Met de goedkeuring in februari 2001 van het verslag van de Raad over de concrete doelstellingen van de onderwijs- en opleidingsstelsels en in februari 2002 van het tien jaar lopende werkprogramma voor de follow-up op dit verslag is een belangrijke invulling gegeven aan het streven de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels van de lidstaten te moderniseren en kwalitatief te verbeteren. Indicatoren en benchmarks (referentieniveaus van Europese gemiddelde prestaties) maken deel uit van de bij de opencoördinatiemethode gehanteerde instrumenten en spelen een belangrijke rol bij het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010[8]. De ministers van onderwijs hebben in mei 2003 overeenstemming bereikt over vijf Europese benchmarks, die vóór 2010 te bereiken zijn, en daarmee een beslissende stap voorwaarts gezet. Tegelijkertijd is erop gewezen dat hiermee geen nationale streefcijfers, noch door de nationale regeringen te nemen beslissingen worden voorgeschreven.[9]

6. In juni 2005 heeft de Raad conclusies over nieuwe indicatoren voor onderwijs en opleiding[10] aangenomen. De Commissie krijgt hierin het verzoek om de Raad strategieën en voorstellen voor te leggen voor nieuw uit te werken indicatoren op negen specifieke terreinen die met onderwijs en beroepsopleiding te maken hebben.

7. In november 2004 heeft de Raad tevens conclusies over Europese samenwerking in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding aangenomen. Overeengekomen werd om op Europees niveau prioriteit te geven aan “de verbetering van het bereik, de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de statistieken op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, waardoor een voortgangsevaluatie mogelijk wordt.”[11]

8. Op Europees niveau zijn onderling vergelijkbare statistische gegevens van fundamenteel belang om strategieën voor onderwijs en levenslang leren uit te werken en de vooruitgang bij de implementatie daarvan te meten. De productie van statistisch materiaal moet gegrondvest zijn op een raamwerk van op elkaar afgestemde concepten en onderling vergelijkbare gegevens, zodat een integraal Europees statistisch informatiesysteem over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren kan worden opgebouwd.

9. Uit hoofde van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de statistiek van bij- en nascholing in ondernemingen[12] verzamelt de Commissie (Eurostat) gegevens over in het bedrijfsleven gegeven opleidingen. Om blijvend statistieken over onderwijs en levenslang leren te kunnen produceren en uitbouwen, is evenwel een breder raamwerk nodig dat op zijn minst alle desbetreffende lopende of geplande werkzaamheden bestrijkt. In het kader van de zogenaamde UOE-enquête verzamelt de Commissie (Eurostat) ieder jaar in samenwerking met de OECD en het Institute for Statistics van de UNESCO (UIS) onderwijsgegevens, die op vrijwillige basis door de lidstaten worden geleverd. Ook verzamelt de Commissie (Eurostat) gegevens over onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren uit enquêtes onder huishoudens, zoals de steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap[13] en de communautaire statistiek van inkomen en levensomstandigheden[14], en speciale modules.

10. Daar de doelstellingen van deze verordening, te weten het uitwerken van gemeenschappelijke statistische standaards voor de productie van geharmoniseerde gegevens, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

11. Voor de productie van specifieke communautaire statistieken gelden de voorschriften van Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek[15].

12. Voor de toe te zenden gegevens die onder de statistische geheimhoudingsplicht vallen, gelden de voorschriften van Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad en Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen[16].

13. Verordening (EG) nr. 831/2002 van de Commissie van 17 mei 2002 tot tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek, met betrekking tot de toegang tot vertrouwelijke gegevens voor wetenschappelijke doeleinden[17], beschrijft de voorwaarden waaronder toegang kan worden verkregen tot vertrouwelijke gegevens die aan een instantie van de Gemeenschap zijn doorgegeven.

14. Het Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen, dat is opgericht bij Besluit (EEG, Euratom) nr. 89/382 van de Raad van 19 juni 1989, is overeenkomstig artikel 3 van dit besluit geraadpleegd.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt een gemeenschappelijk raamwerk voor de systematische productie van communautaire statistieken over onderwijs en levenslang leren vast.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder

(a) communautaire statistieken : statistieken van de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;

(b) productie van statistieken : productie van statistieken overeenkomstig artikel 2, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;

(c) nationale instanties : nationale instanties overeenkomstig artikel 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;

(d) onderwijs : georganiseerde, duurzame vorm van op leren gerichte communicatie;[18]

(e) levenslang leren : alle gedurende de hele levenscyclus plaatsvindende leeractiviteiten waarbij vanuit een persoonlijk, participatief, sociaal en/of arbeidsmarktperspectief kennis, vaardigheden en competenties worden verworven.[19]

Artikel 3

Deelgebieden

De verordening heeft betrekking op de productie van statistieken in de volgende drie deelgebieden:

15. deelgebied 1: statistieken over de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels;

16. deelgebied 2: statistieken over de deelname van volwassenen aan levenslang leren;

17. deelgebied 3: overige statistieken over onderwijs en levenslang leren die niet onder deelgebied 1 of 2 vallen, zoals statistieken over menselijk kapitaal en de sociale en financiële effecten van onderwijs.

De statistieken op deze drie deelgebieden worden overeenkomstig de bepalingen in de bijlage geproduceerd.

Artikel 4

Statistische werkzaamheden

1. Met het oog op de productie van communautaire statistieken over onderwijs en levenslang leren vinden de volgende afzonderlijke statistische werkzaamheden plaats:

- regelmatige levering van statistieken over onderwijs en levenslang leren door de lidstaten binnen de voor deelgebied 1 en 2 vastgelegde termijnen;

- levering van nog een aantal statistische variabelen en indicatoren over onderwijs en levenslang leren voor deelgebied 3 uit andere statistische informatiesystemen en surveys;

- uitwerking, verbetering en bijstelling van standaards en handboeken over statistische systemen, concepten and methoden;

- verbetering van de gegevenskwaliteit, met name op het punt van vergelijkbaarheid, nauwkeurigheid en actualiteit;

- verbetering van de verspreiding, toegankelijkheid en documentatie van statistische informatie.

De Commissie houdt rekening met de in de lidstaten aanwezige capaciteit om zowel gegevens te verzamelen en te verwerken als concepten en methoden uit te werken.

Waar van toepassing, wordt bijzondere aandacht besteed aan, resp. rekening gehouden met, regionale of genderaspecten van de verzamelde gegevens.

2. De Commissie (Eurostat) werkt vooral bij de uitwerking en verdere ontwikkeling van statistische concepten en methoden en bij de levering van statistieken door de lidstaten zoveel mogelijk samen met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), het Institute for Statistics van de UNESCO (UIS) en andere internationale organisaties om internationaal vergelijkbare gegevens te verkrijgen en dubbel werk te voorkomen.

3. Wanneer er behoefte aan belangrijke nieuwe gegevens is, de gegevens van onvoldoende kwaliteit zijn of een gegevensverzameling gepland is, geeft de Commissie (Eurostat) pilotstudies in opdracht, die op vrijwillige basis door de lidstaten worden uitgevoerd. In deze pilotstudies wordt de haalbaarheid van de desbetreffende gegevensverzameling onderzocht, waarbij de baten van de in te winnen gegevens worden afgezet tegen de kosten van het verzamelen en het werk voor de respondenten.

Artikel 5

T oezending van microgegevens over personen

Indien dit voor de productie van communautaire statistieken nodig is, zenden de lidstaten de Commissie (Eurostat) microgegevens over personen toe overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 322/97 en Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 neergelegde voorschriften voor de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens. De lidstaten zorgen er voor dat de identiteit van de statistische eenheden (personen) niet rechtstreeks uit de toegezonden gegevens af te leiden is.

Artikel 6

Uitvoeringsmaatregelen

18. De uitvoeringsmaatregelen voor de verordening, met inbegrip van de maatregelen die nodig zijn in verband met economische en technische ontwikkelingen voor het verzamelen, toezenden en verwerken van gegevens, worden vastgelegd volgens de procedure in artikel 7, lid 2.

19. De uitvoeringsmaatregelen voor de in artikel 4, lid 1 beschreven statistische werkzaamheden betreffen:

a) de selectie en specificatie, aanpassing en wijziging van te onderzoeken thema’s en kenmerken;

b) de uitsplitsing van de kenmerken;

c) de frequentie en termijnen voor de toezending van statistische gegevens.

20. Bij goedkeuring van de maatregelen wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

a) de meest recente afspraken tussen het UIS, de OECD en de Commissie (Eurostat) over concepten, definities, het formaat voor de gegevensverzameling, alsook de gegevensverwerking (deelgebied 1);

b) de uitkomsten van de eerste uitvoeringsronde van de survey Volwasseneneducatie in de periode 2005-2007 en verdere ontwikkelingen (deelgebied 2);

c) de specifieke vereisten voor werk met andere statistische bronnen, nadat duidelijk is komen vast te staan dat er behoefte is aan statistische gegevens die niet aan bestaande bronnen kunnen worden ontleend (deelgebied 3).

Artikel 7

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE

Deelgebieden

DEELGEBIED 1: STATISTIEKEN OVER DE ONDERWIJS- EN BEROEPSOPLEIDINGSSTELSELS

1. Doel

In deelgebied 1 worden onderling vergelijkbare gegevens verzameld over centrale aspecten van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels, zoals met name onderwijsdeelname, aantallen gediplomeerden/afgestudeerden, en de kosten resp. financiering van onderwijs en beroepsopleiding.

2. Reikwijdte

De gegevensverzameling betreft al het binnenlandse onderwijs, ongeacht de vraag of de verantwoordelijkheid voor de betrokken onderwijsinstellingen bij de publieke of private sector van het eigen of een ander land ligt, wie het onderwijs financiert en in welke vorm het onderwijs plaatsvindt. Over alle categorieën leerlingen/studenten en alle leeftijdsgroepen worden dan ook gegevens verzameld.

3. Thema's

Er worden gegevens over leerlingen/studenten, personeelsleden en uitgaven vergaard, waaruit indicatoren kunnen worden afgeleid over de in-, door- en uitstroom van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels.

De lidstaten verstrekken passende informatie (metagegevens) over de bijzonderheden van hun nationale onderwijs- en beroepsopleidingsstelsel. Ze geven de overeenkomsten met internationale classificaties aan, maken melding van afwijkingen op de specificaties voor gegevensaanvragen, en verstrekken alle informatie die voor de interpretatie van de gegevens en de uitwerking van onderling vergelijkbare indicatoren van belang is.

4. Frequentie

Levering van de gegevens en metagegevens vindt elk jaar en, indien niets anders is aangegeven, binnen de door de Commissie (Eurostat) en de nationale autoriteiten overeengekomen termijnen plaats.

DEELGEBIED 2: STATISTIEKEN OVER DE DEELNAME VAN VOLWASSENENEN AAN LEVENSLANG LEREN

1. Doel

In deelgebied 2 worden onderling vergelijkbare gegevens verzameld over de aantallen volwassenen die wel, resp. niet aan levenslang leren deelnemen.

2. Reikwijdte

De gegevensverzameling betreft personen en omvat ten minste personen in de leeftijdsgroep van de 25- tot 64-jarigen. Indien de gegevens door middel van een survey worden verzameld, moeten niet door de deelnemers zelf gegeven antwoorden zoveel mogelijk worden vermeden.

3. Thema's

Aan de Commissie (Eurostat) worden microgegevens geleverd over de deelname aan levenslang leren en de kenmerken van de leeractiviteiten. Ook worden sociaal-demografische gegevens bijeengebracht. Gegevens uit enquêtes of interviews over verworven vaardigheden of medewerking aan sociale of culturele activiteiten worden met name in de vorm van verklarende variabelen verzameld, zodat het profiel van de deelnemende, resp. niet-deelnemende volwassenen nader kan worden geanalyseerd.

4. Frequentie

Levering van de gegevens vindt elke vijf jaar plaats.

DEELGEBIED 3: OVERIGE STATISTIEKEN OVER ONDERWIJS EN LEVENSLANG LEREN

1. Doel

In deelgebied 3 worden met het oog op specifiek beleid van de Gemeenschap nog een aantal onderling vergelijkbare gegevens over onderwijs en levenslang leren verzameld die niet onder deelgebied 1 of 2 vallen.

2. Reikwijdte

Tot de overige statistieken over onderwijs en levenslang leren behoren met name:

(a) statistieken over onderwijs en economie waarmee het onderwijs-, onderzoeks-, concurrentie- en groeibeleid op Europees niveau kan worden gemonitord;

(b) statistieken over onderwijs en arbeidsmarkt waarmee het werkgelegenheidsbeleid op Europees niveau kan worden gemonitord;

(c) statistieken over onderwijs en maatschappelijke integratie waarmee het armoede- en integratiebeleid op Europees niveau kan worden gemonitord.

Op de hierboven vermelde terreinen worden de benodigde gegevens hoofdzakelijk ontleend aan reeds bestaand materiaal van statistische of andere aard (bijv. economische of sociale statistieken).

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en verdere ontwikkeling van statistieken over onderwijs en levenslang leren.

2. ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en):

Onderwijs en cultuur Onderwijs

Werkgelegenheid en sociale zaken Werkgelegenheid en Europees Sociaal Fonds

Statistieken Productie van statistische informatie

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen) inclusief omschrijving:

29 02 01 - Beleid inzake statistische informatie

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

In het voorstel is geen einddatum voor de actie vastgesteld. Het voorstel voorziet in de jaarlijkse productie van statistieken over de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels en vanaf 2011 in de vijfjaarlijkse productie van statistieken over de deelname van volwassenen aan levenslang leren. De subsidies voor de lidstaten zijn beperkt tot de eerste uitvoeringsronde van de survey over de deelname van volwassenen aan levenslang leren.

3.3. Begrotingskenmerken ( voeg zo nodig rijen toe ):

Begroting-sonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

29 0201 | NVU | Gesplitste kredieten | NEE | JA | NEE | Nr. 3: intern beleid |

29 0101 | NVU | GK/NGK | NEE | NEE | NEE | Nr. 3: intern beleid |

29 0102 | NVU | GK/NGK | NEE | NEE | NEE | Nr. 3: intern beleid |

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

Indicatief financieel memorandum. De benodigde middelen zijn opgenomen in het vijfjarenprogramma voor de statistiek van de Commissie (Beschikking nr. 2367/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het communautair statistisch programma voor de periode 2003-2007, PB L 358, blz. 1).

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt nr. | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | Totaal |

Beleidsuitgaven[20] |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1 | a | 0.200 | 0.300 | 0.300 | 0.200 | 4.200 | 0.200 | 5.400 |

Betalingskredieten (BK) | b | 0.100 | 0.250 | 0.300 | 0.250 | 2.125 | 2.375 | 5.400 |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag[21] |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4 | c | 0 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG |

VK | a+c | 0.200 | 0.300 | 0.300 | 0.200 | 4.200 | 0.200 | 5.400 |

BK | b+c | 0.100 | 0.250 | 0.300 | 0.250 | 2.125 | 2.375 | 5.400 |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen[22] |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5 | d | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 6.804 |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6 | e | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.510 |

Totale indicatieve kosten van de maatregel

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | a+c+d+e | 1.419 | 1.519 | 1.519 | 1.419 | 5.419 | 1.419 | 12.714 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | b+c+d+e | 1.319 | 1.469 | 1.519 | 1.469 | 3.344 | 3.594 | 12.714 |

Medefinanciering

Indien het voorstel door lidstaten of uit andere bronnen (geef aan welke) wordt medegefinancierd, geef dan een raming daarvan in de onderstaande tabel (voeg extra rijen toe indien de medefinanciering uit meer dan een bron afkomstig is):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Medefinancieringsbron | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | Totaal |

Lidstaten | F | 0.000 | 0.000 | 0.000 | 0.000 | 4.000 | 0.000 | 4.000 |

TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f | 1.419 | 1.519 | 1.519 | 1.419 | 9.419 | 1.419 | 16.714 |

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

( Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering en met de volgende financiële programmering (Mededeling van de Commissie van februari 2004 betreffende de financiële vooruitzichten 2007-2013, COM (2004) 101).

( Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

( Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord[23] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

( Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

NB: Alle gegevens en opmerkingen over de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten moeten in een aparte bijlage worden vermeld.

in miljoen euro (tot op een decimaal)

Voor de actie [Jaar n-1] | Situatie na de actie |

Totale personele middelen in VTE | 10.5 | 10.5 | 10.5 | 10.5 | 10.5 | 10.5 |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

Gegevens over de context van het voorstel moeten in de toelichting worden verstrekt. Geef in dit deel van het financieel memorandum de volgende aanvullende informatie:

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Voorzien in de behoeften van de Commissie voor beleidsvorming en monitoring door de productie van statistieken op het gebied van onderwijs en levenslang leren.

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

Zonder het communautaire optreden zouden deze statistieken niet worden geproduceerd.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

1- Jaarlijkse productie van statistieken over onderwijsstelsels;

2- Vijfjaarlijkse productie van statistieken over volwasseneneducatie;

3- Productie van overige statistieken over onderwijs en levenslang leren die nuttig zijn voor het EU-beleid.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

Gecentraliseerd beheer , rechtstreeks door de Commissie

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

Deze verordening zal worden uitgevoerd volgens de in artikel 6 van de verordening vastgestelde comitéprocedure.

Voor toezichtsdoeleinden zullen over de geproduceerde gegevens regelmatig gestandaardiseerde kwaliteitsverslagen worden opgesteld, waarin de belangrijkste kwaliteitsaspecten van de gegevens worden beschreven: relevantie, nauwkeurigheid, actualiteit en punctualiteit, toegankelijkheid en duidelijkheid, vergelijkbaarheid en coherentie, maar ook kosten en lasten, als bijkomend aspect dat niet los van de kwaliteit kan worden gezien.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Over doelstelling 2 (productie van statistische gegevens over volwasseneneducatie) is in 2004 bij Eurostat een voorafgaande interne evaluatie gemaakt. De belangrijkste conclusie daarvan was dat het verzamelen van gegevens over volwasseneneducatie wenselijk en haalbaar is, dat een proefproject zou moeten worden gestart voor de periode 2005-2007 en dat in 2008 een evaluatie moet worden gemaakt om het verzamelen van gegevens in 2011 voor te bereiden. Een andere conclusie van de voorafgaande evaluatie was dat voor de verzameling van gegevens op middellange termijn een specifieke verordening moet worden opgesteld.

Door de overige twee doelstellingen worden bestaande acties voortgezet, met name die waarbij de lidstaten thans op vrijwillige basis gegevens verzamelen over de onderwijsstelsels (doelstelling 1) en die welke in de context van andere bestaande regelgeving worden verricht (doelstelling 3).

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Niet van toepassing

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Het geplande proefproject ter voorbereiding van doelstelling 2 (productie van statistische gegevens over volwasseneneducatie) zal in 2008 worden geëvalueerd om de volgende verzameling van gegevens voor te bereiden. In dat project zullen de belangrijkste kwaliteitsaspecten van de gegevens worden beschreven: relevantie, nauwkeurigheid, actualiteit en punctualiteit, toegankelijkheid en duidelijkheid, vergelijkbaarheid en coherentie, maar ook kosten en lasten, als bijkomend aspect dat niet los van de kwaliteit kan worden gezien.

Zoals vermeld onder 6.1 zullen over de geproduceerde gegevens regelmatig gestandaardiseerde kwaliteitsverslagen moeten worden opgesteld, waarin de belangrijkste kwaliteitsaspecten van de gegevens worden beschreven: relevantie, nauwkeurigheid, actualiteit en punctualiteit, toegankelijkheid en duidelijkheid, vergelijkbaarheid en coherentie, maar ook kosten en lasten, als bijkomend aspect dat niet los van de kwaliteit kan worden gezien.

7. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Door het initiatief van de Commissie tot hervorming van het financieel beheer is een verbeterd systeem voor intern beheer en interne controle ingevoerd. In dit systeem is de capaciteit voor interne audits uitgebreid.

Er is een jaarlijkse controle van de voortgang bij de uitvoering van de interne controlenormen van de Commissie gepland, die zekerheid moet bieden over het bestaan en de correcte werking van procedures voor de preventie en opsporing van fraude en onregelmatigheden.

Er zijn nieuwe regels en procedures aangenomen voor de belangrijkste begrotingsprocessen: aanbestedingen, subsidies, vastleggingen, contracten en betalingen. De procedurehandleidingen worden beschikbaar gesteld aan iedereen die betrokken is bij financiële verrichtingen en zijn bedoeld om de verantwoordelijkheden beter af te bakenen, de workflows te vereenvoudigen en de belangrijkste controlepunten aan te geven. Voor het gebruik ervan wordt opleiding verstrekt. De handleidingen worden regelmatig herzien en bijgewerkt.

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 |

Ambtenaren[24] (29 01 01) | A*/AD | 3 | 3 | 3 | 3 | 3 | 3 |

B*, C*/AST | 3.5 | 3.5 | 3.5 | 3.5 | 3.5 | 3.5 |

Uit art. 29 01 02 gefinancierd personeel[25] | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 |

Uit art. 29 01 04/05 gefinancierd ander personeel[26] | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |

TOTAAL | 10.5 | 10.5 | 10.5 | 10.5 | 10.5 | 10.5 |

Het in de tabel vermelde personeel is aanwezig en wordt reeds ingezet voor de taken die onder de voorgestelde verordening vallen.

8.2.2. Omschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

Het gaat om de klassieke taken met betrekking tot de productie van statistieken, zoals:

- Methodologie-ontwikkeling om te zorgen voor de vergelijkbaarheid van het concept

- Verkennende en haalbaarheidsstudies

- Ontwerp van de vragenlijst en richtsnoeren

- Verzameling van gegevens van de lidstaten

- Controle en validatie van de gegevens

- Verspreiding en publicatie van de gegevens

- Kwaliteitsonderzoek

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

(Wanneer meer dan een bron wordt vermeld, geef dan het aantal posten per bron)

( Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma

( Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

( Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd

( Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling)

( Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag(XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel (nummer en omschrijving) | Jaar n | Jaar n+1 | Jaar n+2 | Jaar n+3 | Jaar n+4 | Jaar n+5 e.v. | TOTAAL |

Andere technische en administratieve bijstand |

intern |

extern |

Totaal Technische en administratieve bijstand |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (29 01 01) | 0.702 | 0.702 | 0.702 | 0.702 | 0.702 | 0.702 |

Uit art. 29 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.) | 0.432 | 0.432 | 0.432 | 0.432 | 0.432 | 0.432 |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen) | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 1.134 | 1.134 |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1

Gemiddeld 0,108 miljoen € per persoon en per jaar

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel

Verwijs zo nodig naar punt 8.2.1

Gemiddeld 0,108 miljoen € per persoon en per jaar

8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen in miljoen euro (tot op 3 decimalen) |

2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | TOTAAL |

29 01 02 11 01 Dienstreizen | 0.025 | 0.025 | 0.025 | 0.025 | 0.025 | 0.025 | 0.150 |

29 01 02 11 02 Conferenties en vergaderingen | 0.060 | 0.060 | 0.060 | 0.060 | 0.060 | 0.060 | 0.360 |

29 01 02 11 03 Comités[28] |

29 01 02 11 04 Studies en adviezen |

29 01 02 11 05 Informatiesystemen |

2. Totaal Andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) |

3 Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) |

Totale andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.085 | 0.510 |

Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

[1] Conclusies van de Raad van 5 mei 2003 over referentieniveaus van Europese gemiddelde prestaties in onderwijs en opleiding (benchmarks). PB C 134 van 7.6.2003.

[2] PB L 358 van 31.12.2002.

[3] PB C […] van […], blz. […].

[4] PB C […] van […], blz. […].

[5] PB C 374 van 30.12.1994, blz. 4-6.

[6] Doc. 7619/05, punt 34.

[7] PB L 205 van 6.8.2005 blz. 21–27.

[8] In maart 2003 heeft de Europese Raad in Brussel op het grote belang van benchmarks gewezen “om de beste praktijken in kaart te brengen en te zorgen voor efficiënte en doelstreffende investeringen in menselijke hulpbronnen.”

[9] Conclusies van de Raad van 5 mei 2003 over referentieniveaus van Europese gemiddelde prestaties in onderwijs en opleiding (benchmarks). PB C 134 van 7.6.2003.

[10] PB C 141 van 10.6.2005, blz. 7-8.

[11] 13832/04/EDUC 204 SOC 499, blz. 6.

[12] PBC L 255 van 30.9.2005, blz. 1..

[13] Verordening (EG) nr. 2104/2002 van de Commissie, PB L 324 van 29.11.2002, blz. 14.

[14] Verordening (EG) nr. 1983/2003 van de Commissie, PB L 298 van 17.11.2003, blz. 34.

[15] PB L 52 van 22.2.1997, blz. 61.

[16] PB L 151 van 15.6.1990, blz. 1, Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 322/97.

[17] PB L 133 van 18.5.2002, blz. 7.

[18] Definitie uit de International Standard Classification of Education (ISCED) van 1997.

[19] Resolutie van de Raad van 27 juni 2002 inzake levenslang leren. PB C 163 van 9.7.2002, blz. 1.

[20] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[21] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[22] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 enxx 01 05.

[23] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[24] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[25] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[26] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[27] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[28] Vermeld het soort comité en de groep waartoe het behoort.