52005PC0598

Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn /* COM/2005/0598 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 24.11.2005

COM(2005) 598 definitief

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

110

- Doel van het voorstel

Het doel van dit voorstel is het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor de lidstaten in 2006 voor de in commercieel opzicht belangrijkste visbestanden in de Oostzee.

120

- Algemene context

Volgens Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet dit beleid een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt. Een belangrijk instrument om deze doelstellingen te bereiken is het jaarlijks vaststellen van de vangstmogelijkheden in de vorm van totaal toegestane vangsten ( total allowable catches , TAC’s), quota en beperkingen van de visserij-inspanning. Tot op heden zijn de vangstmogelijkheden ieder jaar vastgesteld bij een enkele verordening van de Raad (de zogenaamde TAC's- en quotaverordening). Om een en ander te vereenvoudigen en verduidelijken, wordt nu echter voorgesteld om de vangstmogelijkheden voor 2006 vast te stellen bij twee afzonderlijke verordeningen, namelijk een voor de Oostzee en een voor alle overige gebieden.

In juni jongstleden heeft de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (International Council for the Exploration of the Sea, ICES) wetenschappelijk advies voor de vangstmogelijkheden voor 2006 in de Oostzee afgegeven. Op basis van dit wetenschappelijk advies heeft de Gemeenschap in september de TAC's, quota en visserijvoorwaarden besproken met de Russische Federatie in het kader van de Internationale Visserijcommissie voor de Oostzee (International Baltic Sea Fisheries Commission, IBSFC). De aanbevelingen over de TAC's en de toewijzingen aan de twee partijen die de IBSFC heeft goedgekeurd, zijn een goede afspiegeling van deze besprekingen en zijn in overeenstemming met het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Door de uitbreiding van de Gemeenschap in 2004 telt de IBSFC nu eigenlijk nog maar twee partijen, namelijk de Gemeenschap en Rusland. De Gemeenschap heeft zich uit de IBSFC teruggetrokken en de organisatie zal de facto eind 2005 ophouden te bestaan. De aanbevelingen van de IBSFC zijn derhalve na 2005 niet meer bindend voor de Gemeenschap. Er zijn echter geen redenen om de aanbevelingen niet te volgen, en de TAC's en quota van dit voorstel zijn dan ook in overeenstemming met de aanbevelingen van de IBSFC.

Het voorstel bevat drie delen die voor het beheer van de visserij in de Oostzee in 2006 van belang zijn. In het eerste deel zijn de TAC's en quota vastgelegd, het tweede bevat beperkingen van de visserij-inspanning en in het derde deel zijn de relevante technische maatregelen en controlemaatregelen vastgelegd.

- Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Op de vangstmogelijkheden voor en toewijzingen aan de lidstaten zijn de bepalingen van de jaarlijkse verordeningen van toepassing. De meest recente is Verordening (EG) Nr. 27/2005 van de Raad van 22 december 2004 tot vaststelling, voor 2005, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften. Voor het beheer van de visserij in de Oostzee is ook Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad van 18 december 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund van belang.

- Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en in samenhang met het beleid van de Gemeenschap over duurzame ontwikkeling.

2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

- Raadpleging van belanghebbende partijen

Over alle drie belangrijke onderdelen van het voorstel zijn de visserijsector, NGO's op het gebied van de visserij in de Oostzee en de betrokken lidstaten geraadpleegd.

De visserijsector en de NGO's zijn over de TAC's en quota geraadpleegd tijdens een door DG Visserij op 23 februari te Brussel georganiseerde workshop. De wetenschappelijke basis voor het voorstel is door de ICES toegelicht en DG Visserij heeft zijn standpunt over de TAC's en quota voor 2006 uiteengezet. Er was algemene steun voor het standpunt van DG Visserij ofschoon de visserijsector pleitte voor een iets hogere TAC voor sprot dan door de ICES was geadviseerd.

De grootste discussie betrof de TAC's voor de twee kabeljauwbestanden. Beide kabeljauwbestanden zijn overbevist en vooral het bestand in de oostelijke Oostzee wordt niet duurzaam bevist. De ICES heeft aanbevolen de visserij op beide bestanden aanzienlijk te verminderen om ervoor te zorgen dat de bestanden zich kunnen herstellen tot binnen biologisch veilige grenzen. Om de bestanden binnen een jaar op peil te krijgen, zou de visserij-inspanning zo sterk moeten worden verminderd dat de visserijsector zijn economische basis zou kwijtraken en het beheersysteem zou worden ondermijnd. DG Visserij heeft daarom een langetermijnaanpak voorgesteld waarbij de visserij geleidelijk wordt verminderd tot een duurzaam niveau. Deze aanpak en de daaruit voortvloeiende TAC's hebben de steun van de sector gekregen.

Tijdens de vergadering van de IBSFC in september zijn ook de lidstaten geraadpleegd en alle betrokken lidstaten hebben de door de Commissie voorgestelde TAC's gesteund.

Over de maatregelen inzake de visserij-inspanning en controle zijn de sector, de NGO's en de lidstaten bij verscheidene gelegenheden geraadpleegd en de inhoud van het voorstel is met name aangepast aan de opmerkingen van de visserijsector.

- Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De Gemeenschap wint ieder jaar wetenschappelijk advies in bij de ICES en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) over de toestand van de belangrijkste visbestanden. Het ontvangen advies bestrijkt alle bestanden in de Oostzee waarvoor TAC's worden voorgesteld. De voorgestelde TAC's zijn wel gebaseerd op het advies maar volgen dit niet noodzakelijk naar de letter. Voor sprot is de voorgestelde TAC hoger dan het door wetenschappers aanbevolen niveau. De ICES heeft aanbevolen de TAC aanzienlijk te verminderen. In overeenstemming met het algemene beleid om de jaarlijkse variatie in de vangstmogelijkheden te beperken, is de voorgestelde verlaging van de TAC kleiner dan door de ICES aanbevolen. Volgens de voorspellingen van de ICES bevindt het bestand zich in een gezonde toestand en kan het met de voorgestelde TAC duurzaam worden bevist.

Voor de kabeljauwbestanden passen de voorgestelde TAC's in een langetermijnaanpak waarbij de visserij-inspanning in de loop van enkele jaren geleidelijk wordt verlaagd tot een duurzaam niveau. Gelijktijdig met dit voorstel zal de Commissie een voorstel indienen voor een beheersplan op langere termijn voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee. Het centrale element in dit plan is een geleidelijke verlaging van de visserij-inspanning tot een op langere termijn duurzaam niveau dat zorgt voor een grotere en stabiele opbrengst. De voorgestelde TAC's sluiten dan ook niet aan bij het vangstadvies van de ICES maar wel bij de geleidelijke aanpak die past in het beheersplan op langere termijn.

Belangrijkste geraadpleegde organisaties en deskundigen

De geraadpleegde wetenschappelijke organisaties zijn de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

- Effectbeoordeling

Wanneer de voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd, zullen zij leiden tot een algehele toename van de vangstmogelijkheden voor vaartuigen van de Gemeenschap in de Oostzee. De vangstmogelijkheden voor kabeljauw en voor sommige haringbestanden zullen toenemen en alleen voor sprot zullen de vissers te maken krijgen met lagere quota. Naar verwachting zal de waarde bij eerste verkoop van de aanvoer uit de Oostzee, bij gelijkblijvende prijzen, dan ook toenemen in 2006.

Het voorstel is niet alleen gericht op de korte termijn, maar past ook in de langetermijnaanpak op grond waarvan de visserij geleidelijk wordt verminderd tot een duurzaam niveau.

De gekozen benadering zal daarom op de middellange tot lange termijn resulteren in een vermindering van de visserij-inspanning maar stabiele of zelfs stijgende quota. Naar verwachting zal de aanpak op langere termijn minder gevolgen hebben voor het milieu door de vermindering van de visserij-inspanning, een vermindering van het aantal vaartuigen en/of een vermindering van de visserij-inspanning per vaartuig, en een onveranderde of zelfs toegenomen aanvoer.

3. JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET VOORSTEL

- Rechtsgrond

De rechtsgrond voor dit voorstel is Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, en met name artikel 20.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De voorgestelde verordening heeft geen consequenties voor de Gemeenschapsbegroting.

5. AANVULLENDE INFORMATIE

- Gedetailleerde toelichting

Het voorstel betreft de vangstmogelijkheden voor de lidstaten voor de visserij in de Oostzee in 2006. Bovendien worden bij het voorstel overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied ingevoerd die in 2006 moeten worden toegepast.

De aan de lidstaten toegewezen TAC's en quota staan vermeld in bijlage I. De voorgestelde hoeveelheden sluiten aan bij het wetenschappelijke advies en de aanbevelingen die de IBSFC in zijn vergadering van september 2005 heeft goedgekeurd.

De TAC's en quota voor de twee kabeljauwbestanden houden nauw verband met de beperkingen op de visserij-inspanning die zijn vastgesteld in bijlage II en punt 5 van bijlage III. De TAC's zijn alleen aanvaardbaar indien de beperkingen ten aanzien van de periodes waarin op kabeljauw mag worden gevist, zoals voorgesteld in bijlage II, en de daaraan verbonden controlemaatregelen, zoals voorgesteld in punt 5 van bijlage III, worden goedgekeurd.

De technische overgangsmaatregelen in bijlage III (m.u.v. punt 8) zijn belangrijke maatregelen die nog niet zijn opgenomen in de verordening met technische maatregelen voor de Oostzee (Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad). De Commissie heeft een voorstel ingediend voor een nieuwe verordening met technische maatregelen waarin alle voorgestelde maatregelen zullen worden opgenomen. Naar verwachting zal dit voorstel in november door de Raad worden goedgekeurd. In dat geval kunnen de technische bepalingen van bijlage III uit dit voorstel worden geschrapt.

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2006, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[1], en met name op artikel 20,

Gelet op Verordening (EG) nr. 847/1996 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota[2], en met name op artikel 2,

Gelet op het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet de Raad, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met name van het verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij, maatregelen vaststellen waarbij de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden geregeld.

(2) Krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 dient de Raad de vangstmogelijkheden per visserijtak of groep van visserijtakken vast te stellen en deze over de lidstaten te verdelen.

(3) Voor een efficiënt beheer van deze vangstmogelijkheden moeten bijzondere voorschriften voor de uitoefening van de betrokken visserij worden vastgesteld.

(4) De beginselen van en bepaalde procedures voor het visserijbeheer moeten door de Gemeenschap worden vastgesteld om de lidstaten in staat te stellen de vaartuigen die onder hun vlag varen, te beheren.

(5) In artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zijn begripsomschrijvingen vastgesteld die van belang zijn voor de toewijzing van vangstmogelijkheden.

(6) Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad moeten de bestanden waarop de daarin vervatte maatregelen van toepassing zijn, worden omschreven.

(7) Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad van 29 juni 1998 tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie[3], garandeert niet dat de hoeveelheid gevangen haring niet groter is dan de voor de betrokken soort vastgestelde maximale hoeveelheid. Het is dan ook noodzakelijk overgangsmaatregelen vast te stellen voor een passende controle en weging van de hoeveelheden haring in niet-gesorteerde aanvoer. Wanneer dergelijke maatregelen van kracht zijn, is het niet nodig de betrokken bepalingen van de genoemde verordening te handhaven.

(8) Bij de toepassing van de vangstmogelijkheden moet worden voldaan aan de communautaire wetgeving op dit gebied, en met name aan Verordening (EEG) nr. 1381/87 van de Commissie van 20 mei 1987 inzake uitvoeringsbepalingen met betrekking tot kentekens voor vissersvaartuigen en met betrekking tot documenten aan boord van die vaartuigen[4], Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de lidstaten[5], Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid[6], Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad van 18 december 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund[7], Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de Commissie van 18 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen (VMS)[8], Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen[9] en Verordening (EEG) nr. 3880/91 van de Raad van 17 december 1991 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van Lid-Staten die in het noordwestelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen[10].

(9) Met het oog op de instandhouding van de visbestanden moet een aantal aanvullende technische en controlemaatregelen voor de visserij in het jaar 2006 ten uitvoer worden gelegd.

(10) Om het inkomen van de vissers in de Gemeenschap veilig te stellen, is het belangrijk dat deze visgronden op 1 januari 2006 worden opengesteld. Gezien de urgentie van deze kwestie moet een uitzondering worden gemaakt op de periode van zes weken, als bedoeld in punt I.3 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gehechte Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening worden voor het jaar 2006 de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee vastgesteld, alsmede de bij de visserij in acht te nemen specifieke voorschriften.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1. Deze verordening is van toepassing op alle in de Oostzee vissende vissersvaartuigen van de Gemeenschap (hierna "vaartuigen van de Gemeenschap" genoemd) en vissersvaartuigen die de vlag voeren van en geregistreerd staan in een derde land.

2. In afwijking van lid 1, is deze verordening niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd met toestemming en onder het gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten en waarvan de Commissie en de lidstaat of lidstaten in de wateren waarvan het onderzoek plaatsvindt, tevoren in kennis zijn gesteld.

Artikel 3 Begripsomschrijvingen

Naast de begripsomschrijvingen van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, wordt in deze verordening verstaan onder:

a) "de zones van de ICES" (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee, International Council for the Exploration of the Sea), de zones afgebakend in Verordening (EEG) nr. 3880/91;

b) "Oostzee", ICES-sectoren IIIb, IIIc en IIId;

c) "totaal toegestane vangsten (TAC's)", de hoeveelheid die per bestand per jaar mag worden gevangen;

d) "quotum", een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Gemeenschap, aan een lidstaat of aan een derde land.

HOOFDSTUK IIVangstmogelijkheden en visserijvoorschriften

Artikel 4 Vangstmogelijkheden en toewijzingen

De vangstmogelijkheden, de verdeling daarvan over de lidstaten en de aanvullende voorwaarden als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96, zijn vastgesteld in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 5 Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen

1. De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig bijlage I aan de lidstaten toegewezen onverminderd:

a) het ruilen van quota op grond van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002,

b) nieuwe toewijzingen op grond van artikel 21, lid 4, artikel 23, lid 1, en artikel 32, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2847/93;

c) het aanvoeren van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96,

d) het overdragen van hoeveelheden op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96,

e) verminderingen of kortingen op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 847/96.

2. Bij inhoudingen op de quota voor overdracht naar 2007 is het bepaalde in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96, in afwijking van het bepaalde in die verordening, van toepassing op alle bestanden waarvoor een analytische TAC is vastgesteld.

Artikel 6 Voorwaarden voor vangsten en bijvangsten

1. Vis van bestanden waarvoor vangstmogelijkheden zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of aangevoerd mits die vis:

a) is gevangen met vaartuigen van een lidstaat die een quotum heeft en die zijn quotum niet heeft opgebruikt, of

b) deel uitmaakt van een aandeel van de Gemeenschap dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat niet is opgebruikt, of

c) samen met andere soorten dan haring of sprot is gevangen met trawlnetten, Deense zegens of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 32 mm, op voorwaarde dat de vangsten niet aan boord of bij aanvoer zijn gesorteerd.

2. Alle aangevoerde hoeveelheden worden in mindering gebracht op het betrokken quotum of, wanneer het aandeel van de Gemeenschap niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, op het Gemeenschapsaandeel, met uitzondering van vangsten bedoeld in lid 1, onder c.

3. Indien het aan een lidstaat toegewezen quotum voor haring is opgebruikt, mogen de vaartuigen die de vlag van die lidstaten voeren, in de Gemeenschap zijn geregistreerd en actief zijn in de visserijtak waarvoor het quotum is vastgesteld, geen ongesorteerde vangsten aanvoeren die haring bevatten.

Artikel 7 Ongesorteerde aanvoer

1. De lidstaten zorgen ervoor dat er adequate bemonsteringsprogramma's bestaan voor een effectief toezicht per soort op alle ongesorteerde aanvoer.

2. Ongesorteerde aanvoer mag alleen worden aangevoerd in havens of plaatsen van aanvoer waar een bemonsteringsprogramma als bedoeld in lid 1 bestaat.

Artikel 8 Aanvoer van haring voor industriële doeleinden

Verordening (EG) nr. 1434/98 is niet van toepassing in de Oostzee.

Artikel 9 Beperkingen van de visserij-inspanning

De beperkingen van de visserij-inspanning zijn vastgesteld in bijlage II.

Artikel 10 Overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied

Overgangsmaatregelen op technisch en controlegebied zijn vastgesteld in bijlage III.

HOOFDSTUK IIISlotbepalingen

Artikel 11 Verkoop van voor wetenschappelijke doeleinden gevangen mariene organismen

Mariene organismen die overeenkomstig artikel 2, lid 2, zijn gevangen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek mogen worden verkocht, opgeslagen, uitgestald of te koop aangeboden, op voorwaarde dat:

a) de in bijlage I vastgestelde vangstmogelijkheden niet zijn opgebruikt, en

b) de mariene organismen rechtstreeks worden verkocht voor andere doeleinden dan menselijke consumptie.

Artikel 12 Gegevensoverdracht

Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij deze verordening vermelde bestandscodes.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter

BIJLAGE I

Maximale aanvoerhoeveelheden en daaraan verbonden voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de vangstbeperkingen per soort en per gebied voor vaartuigen van de Gemeenschap in gebieden met vangstbeperkingen

Onderstaande tabellen bevatten de TAC's en quota (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) per bestand, de verdeling daarvan onder de lidstaten en de daaraan verbonden voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de quota.

Soort: | Haring | Zone: | Deelsectoren 30-31 |

Clupea harengus | HER/3D30.; HER/3D31. |

Finland | 75 099 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Zweden | 16 501 |

EG | 91 600 |

TAC | 91 600 |

Soort: | Haring | Zone: | Deelsectoren 22-24 |

Clupea harengus | HER/3B23.; HER/3C22.; HER/3D24. |

Denemarken | 6 658 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 26 207 |

Finland | 3 |

Polen | 6 181 |

Zweden | 8 451 |

EG | 47 500 |

TAC | 47 500 |

Soort: | Haring | Zone: | Deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32 |

Clupea harengus | HER/3D25.; HER/3D26.; HER/3D27.; HER/3D28.; HER/3D29.; HER/3D32. |

Denemarken | 2 548 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 676 |

Estland | 13 015 |

Finland | 25 404 |

Letland | 3 212 |

Litouwen | 3 382 |

Polen | 28 861 |

Zweden | 38 744 |

EG | 115 842 |

TAC | 128 000 |

Soort: | Haring | Zone: | Deelsector 28.1 |

Clupea harengus | HER/03D.RG |

Estland | 18 472 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Letland | 21 528 |

EG | 40 000 |

TAC | 40 000 |

Soort | Kabeljauw | Zone: | Deelsectoren 25-32 (EG-wateren) |

Gadus morhua | COD/3D25.; COD/3D26.; COD/3D27.; COD/3D28.; COD/3D29.; COD/3D30.; COD/3D31.; COD/3D32. |

Denemarken | 11 307 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 4 498 |

Estland | 1 102 |

Finland | 865 |

Letland | 4 204 |

Litouwen | 2 770 |

Polen | 13 019 |

Zweden | 11 455 |

EG | 45 339 |

TAC | 49 220 |

Soort: | Kabeljauw | Zone: | Deelsectoren 22-24 (EG-wateren) |

Gadus morhua | COD/3B23.; COD/3C22.; COD/3D24. |

Denemarken | 12 395 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 6 061 |

Estland | 275 |

Finland | 244 |

Letland | 1 026 |

Litouwen | 665 |

Polen | 3 317 |

Zweden | 4 417 |

EG | 28 400 |

TAC | 28 400 |

Soort: | Schol | Zone: | IIIbcd (EG-wateren) |

Pleuronectes platessa | PLE/3B23.; PLE/3C22.; PLE/3D24.; PLE/3D25.; PLE/3D26.; PLE/3D27.; PLE/3D28.; PLE/3D29.; PLE/3D30.; PLE/3D31.; PLE/3D32. |

Denemarken | 2 697 | Voorzorgs-TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 300 |

Zweden | 203 |

Polen | 565 |

EG | 3 766 |

TAC | Niet relevant |

Soort: | Atlantische zalm | Zone: | IIIbcd (EG-wateren) met uitzondering van deelsector 32 |

Salmo salar | SAL/3B23.; SAL/3C22.; SAL/3D24.; SAL/3D25.; SAL/3D26.; SAL/3D27.; SAL/3D28.; SAL/3D29.; SAL/3D30.; SAL/3D31. |

Denemarken | 93 512 | (1) | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 10 404 | (1) |

Estland | 9 504 | (1) |

Finland | 116 603 | (1) |

Letland | 59 478 | (1) |

Litouwen | 6 992 | (1) |

Polen | 28 368 | (1) |

Zweden | 126 400 | (1) |

EG | 451 260 | (1) |

TAC | 460 000 | (1) |

__________ |

(1) Aantal stuks. |

Soort: | Atlantische zalm | Zone: | Deelsector 32 |

Salmo salar | SAL/3D32. |

Estland | 1 581 | (1) | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Finland | 13 838 | (1) |

EG | 15 419 | (1) |

TAC | 17 000 | (1) |

_________ |

(1) Aantal stuks. |

Soort: | Sprot | Zone: | IIIbcd (EG-wateren) |

Sprattus sprattus | SPR/3B23.; SPR/3C22.; SPR/3D24.; SPR/3D25.; SPR/3D26.; SPR/3D27.; SPR/3D28.; SPR/3D29.; SPR/3D30.; SPR/3D31.; SPR/3D32. |

Denemarken | 41 512 | Analytische TAC. Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing. |

Duitsland | 26 299 |

Estland | 48 204 |

Finland | 21 730 |

Letland | 58 219 |

Litouwen | 21 060 |

Polen | 123 552 |

Zweden | 80 250 |

EG | 420 826 |

TAC | 468 000 |

BIJLAGE IIBeperkingen van de visserij-inspanning

1. De visserij met trawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm, met staande kieuwnetten, warnetten of schakelnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm, of met de geankerde beug is verboden:

a) van 15 maart tot en met 14 mei in deelsectoren 22-24, en

b) van 15 juni tot en met 14 september in deelsectoren 25-32.

2. De visserij met trawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm, met staande kieuwnetten, warnetten of schakelnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm, of met de geankerde beug is verboden van iedere zaterdag om 23.00 uur UTC tot en met de daaropvolgende zondag om 23.00 uur UTC:

a) van 1 januari tot en met 14 maart en van 15 mei tot en met 30 oktober in deelsectoren 22-24, en

b) van 1 januari tot en met 14 juni in deelsectoren 25-32.

BIJLAGE IIIOvergangsmaatregelen op technisch en controlegebied

1. Voorwaarden voor vistuig dat mag worden gebruikt bij de kabeljauwvisserij in de Oostzee

1.1. Sleepnetten

1.1.1. Structuur van de netten

In afwijking van bijlage IV van Verordening (EG) nr. 88/98, moeten trawls, zegennetten en soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 105 mm, worden voorzien van een Bacoma-ontsnappingspaneel of een T90-kuil en -tunnel waarvan de maaswijdte en overige specificaties zijn vastgesteld in aanhangsel 1.

1.1.2. Eén-net-regel

Wanneer een trawl, zegennet of soortgelijk gesleept vistuig, voorzien van een Bacoma-ontsnappingspaneel of een T90-kuil en -tunnel, wordt gebruikt, mag er geen ander type vistuig aan boord worden gehouden.

1.2. Kieuwnetten

1.2.1 In afwijking van het bepaalde in bijlage IV van Verordening (EG) nr. 88/98 is de minimummaaswijdte voor kieuwnetten 110 mm.

1.2.2. Voor vaartuigen met een lengte over alles tot en met 12 meter bedraagt de lengte van de kieuwnetten maximaal 12 km.

1.2.3. Voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 12 meter bedraagt de lengte van de kieuwnetten maximaal 24 km.

1.2.4. De uitzettijd van de kieuwnetten bedraagt ten hoogste 48 uur, ingaand bij de eerste tewaterlating en eindigend wanneer de netten weer volledig zijn ingehaald.

2. Bijvangst van kabeljauw in de Oostzee

2.1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 88/98 mag geen ondermaatse kabeljauw aan boord worden gehouden, behalve in de in punt 2.2 genoemde gevallen.

2.2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 88/98, mag de bijvangst van kabeljauw bij de visserij op haring en sprot met netten met een maaswijdte van 32mm of kleiner niet meer bedragen dan 3 gewichtspercenten van het totale gewicht van de vangsten. Van de toegestane bijvangst van kabeljauw aan boord mag niet meer dan 5% ondermaats zijn.

2.3. Bij de visserij op andere soorten dan haring en sprot met andere trawlnetten en Deense zegennetten dan die vermeld in punt 1.1.2, mogen de bijvangsten van kabeljauw niet meer dan 10% bedragen.

3. Minimummaat voor kabeljauw in de Oostzee

In afwijking van het bepaalde in bijlage III van Verordening (EG) nr. 88/98 is de minimummaat voor kabeljauw 38 cm.

4. Beperkingen voor de visserij

4.1. Iedere vorm van visserij is verboden in het gebied dat wordt ingesloten door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden; metingen gebeuren volgens de WGS84-norm:

Gebied 1:

– 55°45'NB, 15°30'OL

– 55°45'NB, 16°30'OL

– 55°00'NB, 16°30'OL

– 55°00'NB, 16°00'OL

– 55°15'NB, 16°00'OL

– 55°15'NB, 15°30'OL

– 55°45'NB, 15°30'OL

Gebied 2:

– 55°00'NB, 19°14'OL

– 54°48'NB, 19°20'OL

– 54°45'NB, 19°19'OL

– 54°45'NB, 18°55'OL

– 55°00'NB, 19°14'OL

Gebied 3:

– 56°13'NB, 18°27'OL

– 56°13'NB, 19°31'OL

– 55°59'NB, 19°13'OL

– 56°03'NB, 19°06'OL

– 56°00'NB, 18°51'OL

– 55°47'NB, 18°57'OL

– 55°30'NB, 18°34'OL

– 56°13'NB, 18°27'OL

5. Toezicht, inspectie en bewaking in verband met het herstel van de kabeljauwbestanden in de Oostzee

5.1. Speciale visdocumenten voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee

5.1.1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten[11], moeten alle communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles gelijk aan of groter dan 8 meter die vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm aan boord hebben of gebruiken, een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee aan boord hebben.

5.1.2. Lidstaten mogen alleen een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij als bedoeld in punt 5.1.1 afgeven aan communautaire vissersvaartuigen die voor 2005 beschikken over een speciaal visdocument voor de visserij op kabeljauw in de Oostzee als omschreven in punt 6.2.1 van bijlage III van Verordening (EG) Nr. 27/2005 van de Raad van 22 december 2004 tot vaststelling, voor 2005, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften[12]. Lidstaten mogen echter ook speciale visdocumenten afgeven voor de visserij op kabeljauw aan communautaire vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren, in de Gemeenschap zijn geregistreerd en niet beschikken over een speciaal visdocument voor 2005, mits de lidstaat ervoor zorgt dat een gelijkwaardig vermogen, in kilowatt gemeten, niet wordt gebruikt voor vissen in de Oostzee met vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm.

5.1.3. Iedere lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen die beschikken over een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee, houdt deze lijst bij en stelt deze via zijn website beschikbaar voor de Commissie en de overige lidstaten aan de Oostzee.

5.1.4. De kapitein, of zijn gemachtigde vertegenwoordiger, van een communautair vissersvaartuig waaraan een lidstaat een speciaal visdocument voor de kabeljauwvisserij in de Oostzee heeft afgegeven, moet een kopie van dit document aan boord houden.

5.2. Kennisgeving van het binnenvaren of verlaten van het gebied

5.2.1. Wanneer een vaartuig van de Gemeenschap met meer dan 50 kg kabeljauw aan boord de deelsectoren 22-24 binnenvaart of verlaat, deelt de kapitein, of zijn gemachtigde vertegenwoordiger, de autoriteiten van de vlaggenstaat de datum, het tijdstip en de positie van het vaartuig mee, evenals de hoeveelheden in levend gewicht per soort voor de gehele aan boord aanwezige vangst. Er mag niet opnieuw worden gevist voordat alle kabeljauw aan boord is aangeland.

5.2.2. Wanneer een vaartuig van de Gemeenschap met meer dan 50 kg kabeljauw aan boord de deelsectoren 25-32 binnenvaart of verlaat, deelt de kapitein, of zijn gemachtigde vertegenwoordiger, de autoriteiten van de vlaggenstaat de datum, het tijdstip en de positie van het vaartuig mee, evenals de hoeveelheden in levend gewicht per soort voor de gehele aan boord aanwezige vangst. Er mag niet opnieuw worden gevist voordat alle kabeljauw aan boord is aangeland.

5.2.3. Onverminderd het bepaalde in de punten 5.2.1 en 5.2.2 delen vaartuigen die tijdens het vissen gedurende een periode van 24 uur de grens tussen deelsectoren 24 en 25 meer dan eens overschrijden maar binnen een zone van 5 mijl aan weerszijden van deze grens blijven, de vereiste gegevens mee zodra zij deze zone binnen de betrokken periode van 24 uur voor het eerst binnenvaren en voor het laatst verlaten.

5.3. Logboeken

5.3.1. In afwijking van artikel 6, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid[13], houden de kapiteins van alle communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles gelijk aan of groter dan 8 meter een logboek van hun activiteiten bij overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

5.4. Toegestane afwijking

In afwijking van het bepaalde in artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de lidstaten[14] is de toegestane afwijking bij de raming van hoeveelheden vis aan boord in kilogrammen, gelijk aan 8% ten opzichte van de logboekgegevens.

5.5. Voorafgaande kennisgeving

5.5.1. In afwijking van artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93, meldt de kapitein, of zijn gemachtigde vertegenwoordiger, van een communautair vissersvaartuig met een hoeveelheid kabeljauw van meer dan 300 kg levend gewicht aan boord ten minste twee uur voordat hij een plaats van aanvoer van een lidstaat binnenvaart, het volgende aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat:

a) de naam van de plaats van aanvoer,

b) het vermoedelijke tijdstip van aankomst op die plaats.

5.5.2. In afwijking van artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93, meldt de kapitein, of zijn gemachtigde vertegenwoordiger, van een communautair vissersvaartuig met een hoeveelheid kabeljauw van meer dan 300 kg levend gewicht aan boord ten minste één uur voordat hij een plaats van aanvoer van een lidstaat binnenvaart, aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat alle hoeveelheden vis aan boord per soort voor iedere soort waarvan meer dan 50 kg levend gewicht aan boord is.

5.5.3. Vaartuigen met een hoeveelheid kabeljauw van meer dan 300 kg levend gewicht aan boord mogen niet beginnen met lossen voordat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de aanlanding plaatsvindt, daarvoor toestemming hebben gegeven.

5.6. Aangewezen havens

5.6.1. Wanneer een vaartuig een hoeveelheid kabeljauw van meer dan 750 kg levend gewicht aan boord heeft, mag deze kabeljauw uitsluitend in een van de daartoe aangewezen havens worden aangeland.

5.6.2. Elke lidstaat wijst de havens aan waar hoeveelheden kabeljauw uit de Oostzee van meer dan 750 kg levend gewicht mogen worden aangevoerd.

5.6.3. Uiterlijk 15 dagen na de inwerkingtreding van deze verordening dient iedere lidstaat een lijst aangewezen havens op te stellen en bij te houden en via zijn website beschikbaar te stellen voor de Commissie en de overige lidstaten aan de Oostzee. Deze lijst bevat alle nodige contactgegevens voor het mededelen van logboeken en aanvoeraangiften bij aanlanding in die lidstaat.

5.7. Weging van kabeljauw bij eerste aanlanding

5.7.1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat eisen dat hoeveelheden kabeljauw die in de Oostzee zijn gevangen en voor het eerst worden aangeland in de betrokken lidstaat, in aanwezigheid van controleurs worden gewogen voordat ze vanuit de haven van eerste aanlanding worden vervoerd.

5.7.2. Iedere lidstaat stelt specifieke inspectiebenchmarks vast. Deze benchmarks moeten periodiek worden herzien na analyse van de behaalde resultaten. Inspectiebenchmarks moeten geleidelijk worden aangepast totdat de in aanhangsel 2 vastgestelde beoogde benchmarks zijn bereikt.

5.8. Visserij-inspanningsgegevens

In afwijking van het bepaalde in artikel 19 bis, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93, zijn de artikelen 19 ter, 19 quater, 19 quinquies, 19 sexies en 19 duodecies van die verordening van toepassing op de communautaire vaartuigen met een lengte over alles gelijk aan of groter dan 8m.

5.9. VMS-berichten

5.9.1. Iedere lidstaat dient de volgende, overeenkomstig artikel 8, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1, Verordening (EG) nr. 2244/2003, ontvangen gegevens in computerleesbare vorm op te slaan:

a) alle gegevens betreffende het binnenvaren en verlaten van een haven;

b) alle gegevens betreffende het binnenvaren en verlaten van maritieme gebieden waar speciale voorschriften gelden voor de toegang tot de wateren en de bestanden.

5.9.2. De lidstaten controleren de indiening van logboeken en de in de logboeken geregistreerde gegevens aan de hand van VMS-gegevens. Dergelijke kruiscontroles worden in computerleesbare vorm drie jaar lang bewaard.

5.10. Verbod op doorvoer en overladen

5.10.1. Doorvoer in gebieden die zijn gesloten voor de visserij op kabeljauw is verboden tenzij het vistuig aan boord is vastgesjord overeenkomstig de voorwaarden van artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

5.10.2. Het overladen van kabeljauw is verboden.

5.11. Vervoer van kabeljauw uit de Oostzee

In afwijking van artikel 13, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 moet iedere hoeveelheid kabeljauw uit de Oostzee van meer dan 50 kg bij vervoer door communautaire vaartuigen met een lengte over alles gelijk aan of groter dan 8 meter, vergezeld gaan van een aanvoeraangifte als bedoeld in artikel 8, lid 1, van die verordening.

5.12. Gezamenlijk toezicht en uitwisseling van inspecteurs

5.12.1. De lidstaten ondernemen gezamenlijk inspectie- en toezichtactiviteiten en stellen daartoe operationele procedures vast.

5.12.2. Lidstaten die gezamenlijk inspectie- en toezichtactiviteiten ondernemen zorgen ervoor dat inspecteurs uit alle deelnemende lidstaten worden uitgenodigd om ten minste aan deze activiteiten deel te nemen.

5.12.3. Inspecteurs van de Commissie mogen aan deze gezamenlijke inspectie- en toezichtactiviteiten deelnemen.

5.12.4. Uiterlijk op 31 januari 2006 worden de voor inspectie bevoegde nationale autoriteiten uitgenodigd om het gezamenlijke inspectie- en toezichtprogramma voor 2006 te coördineren.

5.13. Nationale controleprogramma’s

5.13.1. Iedere betrokken lidstaat stelt een nationaal controleprogramma in de Oostzee vast overeenkomstig aanhangsel 3.

5.13.2. Vóór 31 januari 2006 stellen de betrokken lidstaten het in punt 5.13.1 bedoelde nationale controleprogramma, samen met een tijdschema voor de uitvoering, op hun officiële website beschikbaar voor de Commissie en de overige landen aan de Oostzee.

5.13.3. De Commissie belegt een vergadering van het Comité voor de visserij en de aquacultuur voor het evalueren van de naleving en resultaten van het nationaal actieprogramma voor controle van de kabeljauwvisserij in de Oostzee.

6. Specifieke bepalingen voor deelsector 28.1

6.1. Speciaal visdocument

6.1.1. Voor de visserij in deelsector 28.1 moeten vaartuigen beschikken over een speciaal visdocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94.

6.1.2. De lidstaten zorgen ervoor dat vaartuigen waaraan een speciaal visdocument is afgegeven overeenkomstig punt 6.1.1, voorkomen op een door elke lidstaat aan de Commissie mee te delen lijst waarin hun naam en intern registratienummer is vermeld.

De vaartuigen op die lijst moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) het totaal motorvermogen van de in de lijsten opgenomen vaartuigen mag niet groter zijn dan het vermogen dat voor de betrokken lidstaat in de jaren 2000-2001 in deelsector 28.1 is geconstateerd;

b) hun motorvermogen mag nooit groter zijn dan 221 kilowatt (kW).

6.2. Vervanging van vaartuigen of motoren

6.2.1. Elk vaartuig op de in punt 6.1.2 bedoelde lijst mag worden vervangen door een of meer andere communautaire vaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren en in de Gemeenschap geregistreerd zijn, op voorwaarde dat:

a) vervanging in geen enkel geval leidt tot een verhoging van het in punt 6.1.2, onder a), bedoelde totale motorvermogen per lidstaat, en

b) het motorvermogen van vervangende vaartuigen nooit meer bedraagt dan 221 kW.

6.2.2. De motoren van de vaartuigen die voorkomen op de in punt 6.1.2 bedoelde lijst mogen worden vervangen, op voorwaarde dat:

a) de vervanging van een motor er nooit toe leidt dat het motorvermogen van een vaartuig 221 kW overschrijdt, en

b) het vermogen van de ruilmotor niet zodanig is dat de vervanging leidt tot een verhoging van het totale motorvermogen voor de betrokken lidstaat als bedoeld in punt 6.1.2, onder a).

Aanhangsel 1 van bijlage III

OMSCHRIJVING VAN HET ONTSNAPPINGSPANEEL IN HET BOVENSTE DEEL VAN DE KUIL ("BACOMA")

Omschrijving

a. Omschrijving van het ontsnappingspaneel

Het ontsnappingspaneel is een rechthoekig stuk net in de kuil. Er is slechts één ontsnappingspaneel.

b. Afmetingen van kuil, tunnel en achtereind van de trawl

i. De kuil bestaat uit twee netdelen die aan de zijkanten met gelijke naadlijnen aan elkaar zijn vastgemaakt.

ii. De minimummaaswijdte van de ruitvormige mazen bedraagt 105 mm. Het paneel is gemaakt van gevlochten polyethyleengaren met een maximale twijndikte van 6 mm enkel of 4 mm dubbel.

iii. Het gebruik van kuilen en tunnels die uit één paneel bestaan en slechts één naadlijn hebben, is verboden.

iv. Het aantal open ruitvormige mazen, de mazen in de naadlijnen niet meegerekend, mag op geen enkel punt in de omtrek van de tunnel kleiner of groter zijn dan het maximumaantal mazen in de omtrek aan de voorkant van de kuil (zie figuur 1).

c. Plaats van bevestiging van het ontsnappingspaneel

i. Het ontsnappingspaneel wordt aangebracht in het bovenste deel van de kuil (zie figuur 2).

ii. Het paneel eindigt niet meer dan 4 mazen van de pooklijn, inclusief de rij handgebreide mazen waardoor de pooklijn is bevestigd (zie figuur 3 of 4).

d. Grootte van het ontsnappingspaneel

i. De breedte van het paneel, uitgedrukt in aantal benen, moet gelijk zijn aan het aantal open ruitvormige mazen in het bovenste netdeel gedeeld door twee. In gevallen waarin zulks noodzakelijk is, zal worden toegestaan dat in het bovenste netdeel maximaal 20% van het aantal open ruitvormige mazen - gelijk verdeeld aan weerszijden van het ontsnappingspaneel - worden behouden (zie figuur 4).

ii. De lengte van het paneel bedraagt minimaal 3,5 meter.

e. Netwerk

i. De mazen moeten een maaswijdte van ten minste 110 mm hebben. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit.

ii. Het netwerk moet zo worden aangebracht dat de benen evenwijdig lopen met, respectievelijk loodrecht staan op, de lengterichting van de kuil. Het netwerk moet zijn vervaardigd uit knooploos gebreid enkelvoudig garen of netmateriaal met dezelfde bewezen selectieve eigenschappen. Onder “knooploze netten” wordt verstaan netten die bestaan uit mazen met vier zijden waarbij de zijden van iedere maas op de hoeken door elkaar heen zijn geweven.

iii. Het garen heeft een diameter van ten minste 4,9 mm.

f. Andere specificaties

i. In de figuren 3 en 4 is gespecificeerd hoe het paneel moet worden aangebracht.

ii. De lengte van de verdeelstrop bedraagt ten minste:

1. 4 m voor een kuil met een omtrek van maximaal 100 en minimaal 89 ruitvormige mazen, gemeten vóór het ontsnappingspaneel;

2. 3,5 m voor een kuil met een omtrek van maximaal 88 en minimaal 75 ruitvormige mazen, gemeten vóór het ontsnappingspaneel;

3. 3 m voor een kuil met een omtrek van minder dan 75 ruitvormige mazen, gemeten vóór het ontsnappingspaneel.

iii. De kleine strop mag niet om het BACOMA-ontsnappingspaneel heen worden aangebracht. Deze strop heeft een diameter van maximaal 20 mm en een lengte van minimaal 2 m.

i v. De kuilboei is bolvormig en heeft een diameter van maximaal 40 cm. Deze kuilboei wordt door middel van een boeireep aan de pooklijn bevestigd.

v. De keel mag het BACOMA-ontsnappingspaneel niet overlappen.

Voorwaarden voor de reparatie van panelen met vierkante mazen

a. Voor inspectiedoeleinden worden nadere voorschriften vastgesteld inzake de reparatie van beschadigde vierkante mazen in BACOMA-ontsnappingspanelen:

i. Het gebruik van BACOMA-ontsnappingspanelen met vierkante mazen waarvan 10% of meer van de mazen gerepareerd is, is verboden.

ii. Beschadigde vierkante mazen moeten volgens de voorgeschreven methode worden gerepareerd.

iii. Onder “gerepareerde maas” wordt verstaan iedere maas die bij de reparatie betrokken is.

b. Methode voor het repareren van het BACOMA-ontsnappingspaneel

[pic]

Punch: Opening/Patch: Los stuk netwerk/Repaired net with double meshes: Gerepareerd net met dubbele mazen

i. Maak de opening vrij door de uiteinden van het garen rond de opening te smelten, zodat het garen niet uitrafelt.

ii. Tel de mazen die moeten worden vervangen. Vervaardig een los stuk knooploos netwerk van enkelvoudig garen met dezelfde maaswijdte en sterkte als het te vervangen stuk netwerk.

iii. Het losse stuk netwerk moet aan alle zijden twee mazen groter zijn dan de vrijgemaakte opening, zodat het de randen van de opening voldoende overlapt.

i v. Werk de randen van het losse stuk netwerk af door de uiteinden van het garen rondom het stuk te smelten.

v. Plaats het losse stuk over de opening en rijg het aan het bestaande net met gevlochten garen als aangegeven in de illustratie.

vi. Rijg de hoeken van de mazen aan elkaar.

vii. Rijg het losse stuk aan alle zijden ten minste tweemaal vast rondom de hele opening.

viii. Na afloop ziet de gerepareerde opening eruit als aangegeven op de illustratie.

[pic]

Figuur 1

Op basis van vorm en functie kunnen bij trawlnetten drie secties worden onderscheiden.

De trawl bevat altijd een trechtervormig gedeelte dat vaak tussen 10 en 40 m lang is. De tunnel is cilindervormig en vervaardigd uit één of twee netten van 49,5 mazen diep, hetgeen overeenkomt met een lengte in gestrekte toestand van 6 tot 12 meter. De kuil is eveneens cilindervormig en vaak vervaardigd van dubbelgetwijnd garen voor een betere slijtagebestendigheid. Het deel onder de verdeelstrop wordt de zak genoemd.

Figure 2

A Tunnel

B Kuil

C Ontsnappingspaneel met vierkante mazen

1 Bovenpaneel, maximaal 50 open ruitvormige mazen

2 Onderpaneel, maximaal 50 open ruitvormige mazen

3 Naadlijnen

4 Samenvoegingsnaden

5 Verdeelstrop

6 Kleine strop

7 Pooklijn

8 Afstand van ontsnappingspaneel (figuur 3 en 4)

9 Boeireep

10 Kuilboei

[pic]

BEVESTIGING VAN ONTSNAPPINGSPANEEL

Figuur 3

A Paneel met vierkante mazen van 110 mm (25 benen).

B Bevestigingsnaad van het paneel met vierkante mazen aan de naadlijn.

C Bevestigingsnaad van het paneel met vierkante mazen aan het paneel met ruitvormige mazen, behalve randen van het paneel aan weerszijden

2 ruitvormige mazen per vierkante maas

D Paneel met ruitvormige mazen van 105 mm (max. 50 open mazen).

E Afstand van het ontsnappingspaneel tot de pooklijn. Het paneel eindigt niet meer dan 4 mazen van de pooklijn, inclusief de rij handgebreide mazen waardoor de pooklijn is bevestigd.

F Een rij handgebreide mazen voor de pooklijn.

[pic]

BEVESTIGING VAN ONTSNAPPINGSPANEEL

Figuur 4

A Paneel met vierkante mazen van 110 mm (20 benen).

B Bevestigingsnaad van het paneel met vierkante mazen aan de naadlijn.

C Bevestigingsnaad van het paneel met vierkante mazen aan het paneel met ruitvormige mazen, behalve randen van het paneel aan weerszijden: 2 ruitvormige mazen per vierkante maas.

D Paneel met ruitvormige mazen van 105 mm (max. 50 open mazen).

E Afstand van het ontsnappingspaneel tot de pooklijn. Het paneel eindigt niet meer dan 4 mazen van de pooklijn, inclusief de rij handgebreide mazen waardoor de pooklijn is bevestigd.

F Een rij handgebreide mazen voor de pooklijn.

G Aan weerszijden maximaal 10% van de open mazen als bedoeld onder D.

[pic]

II. OMSCHRIJVING VAN T90-TRAWLS

a. Begripsomschrijving

i. Onder T90-trawls wordt verstaan alle trawls, zegens en soortgelijke sleepnetten van netwerk met ruitvormige mazen dat 90° is gedraaid zodat de looprichting van de twijnen evenwijdig is aan de sleeprichting.

ii. De looprichting van de twijnen in standaardnetwerk met ruitvormige mazen (A) en in netwerk dat 90° is gedraaid (B) is hieronder weergegeven.

[pic]

A | B |

b. Maaswijdte en meting

De minimummaaswijdte bedraagt 110 mm. In afwijking van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 129/2003 van de Commissie van 24 januari 2003 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bepaling van de maaswijdte en de twijndikte van visnetten[15], wordt de maaswijdte in de kuil en de tunnel loodrecht op de lengterichting van het vistuig gemeten.

c. Twijndikte

Kuil en tunnel zijn vervaardigd uit netwerk met een maximale twijndikte van 5 mm enkel of 4 mm dubbel. Deze bepaling is niet van toepassing op de achterste rij mazen in de kuil indien daarin een pooklijn is aangebracht.

d. Bouw

iii. Kuilen en tunnels met gedraaide mazen (T90) moeten bestaan uit twee panelen van gelijke afmetingen met zowel in de breedte als in de lengte gelijke aantallen mazen in de hierboven beschreven looprichting; deze panelen moeten aan weerszijden met een naadlijn aan elkaar worden bevestigd. Elk paneel moet zijn vervaardigd van netmateriaal met niet-slippende knopen en moet zo zijn aangebracht dat de mazen bij het vissen steeds volledig open blijven.

iv. Het aantal open mazen in de omtrek van de tunnel is van de voorkant van de tunnel tot aan het achterste gedeelte van de kuil op alle plaatsen gelijk.

v. Op de plaats waar de kuil of de tunnel is bevestigd aan de trechter van de trawl, is het aantal mazen in de omtrek van de kuil of de tunnel gelijk aan de helft van het aantal mazen in de laatste rij mazen van de trechter van de trawl.

vi. Onderstaande figuur toont een afbeelding van een kuil en een tunnel.

e. Omtrek

Het aantal mazen in de omtrek van de kuil en de tunnel mag op geen enkele plaats meer dan 50 bedragen, de mazen aan de naadlijnen niet meegerekend.

f. Samenvoegingsnaden

De voorzijde van de panelen van zowel de kuil als de tunnel worden voorzien van een rij handgebreide halve mazen. Aan de achterzijde van de panelen wordt de kuil voorzien van een rij handgebreide halve mazen waardoor de pooklijn wordt aangebracht.

g. Lengte van de kuil

De kuil heeft een lengte van ten minste 50 mazen.

h. Verdeelstrop

De lengte van de verdeelstrop op de plaats waar hij is bevestigd aan de kuil is ten minste gelijk aan de lengte in gestrekte toestand van de mazen in de omtrek van de kuil, vermenigvuldigd met een factor 0,6.

i. Kuilboei

De kuilboei is bolvormig en heeft een diameter van maximaal 40 cm. Deze kuilboei wordt door middel van een boeireep aan de pooklijn bevestigd. De lengte van de boeireep is ten minste tweeënhalf maal de vierkantswortel van de diepte.

[pic]

Netting twine etc.: Netwerk van PE met een twijndikte van 5 mm enkel of, alleen in de kuil, 4 mm dubbel.

All meshes turned etc.: Alle mazen 90° gedraaid. Looprichting van de twijnen evenwijdig aan de lengteas van de trawl.

Circumference 50% etc.: Omtrek 50% van het aangrenzende aantal mazen in de trechter van de trawl – bij gelijke maaswijdte aan de achterkant van de buik en in de tunnel.

Aanhangsel 2 van bijlage III

Gemeenschappelijke regels voor nationale controleprogramma's

Doelstelling

1. Iedere lidstaat stelt specifieke inspectiebenchmarks vast overeenkomstig de bepalingen van dit aanhangsel.

Strategie

2. Inspectie en bewaking van visserijactiviteiten moeten vooral worden gericht op vaartuigen waarvan mag worden verwacht dat zij kabeljauw vangen. Om de doeltreffendheid van de inspectie- en bewakingsactiviteiten te controleren vinden als aanvullend mechanisme voor kruiscontroles steekproefsgewijze inspecties bij het vervoer en de verkoop van kabeljauw plaats.

Prioriteiten

3. Per type vistuig wordt het prioriteitsniveau bepaald op basis van de geldende vangstmogelijkheden voor de vloten. Om deze reden dient iedere lidstaat specifieke prioriteiten te bepalen.

Benchmarks

4. Uiterlijk een maand na de datum van inwerkingtreding van deze verordening leggen de lidstaten hun inspectieschema's ten uitvoer met inachtneming van onderstaande streefdoelen:

a. Aantal inspecties in de haven

In de regel moet 20 % van het gewicht van de totale aanvoer van kabeljauw van alle plaatsen van aanvoer worden geïnspecteerd. In afwijking hiervan mag zo vaak worden geïnspecteerd als nodig is om per periode van drie maanden minstens éénmaal een aantal communautaire vaartuigen te inspecteren waarvan de vangst overeenkomt met minimaal 20 % van het gewicht van de totale aanvoer van kabeljauw. In totaal moet voldoende aangevoerde ladingen kabeljauw worden geïnspecteerd om te garanderen dat de totale hoeveelheid aangevoerde kabeljauw met een nauwkeurigheid van 95 % kan worden geraamd.

b. Aantal inspecties bij de afzet

Van de totale hoeveelheid kabeljauw die op veilingen te koop wordt aangeboden, moet 5% worden geïnspecteerd.

c. Aantal inspecties op zee

Deze benchmark is flexibel en moet worden vastgesteld na een gedetailleerde analyse van de visserijactiviteiten in ieder gebied. De benchmarks voor inspecties op zee moeten worden uitgedrukt in het aantal dagen patrouille op zee in het beheersgebied voor kabeljauw, indien mogelijk met een afzonderlijke benchmark voor het aantal dagen patrouille in specifieke gebieden.

d. Aantal inspecties vanuit de lucht

Deze benchmark is flexibel en moet worden vastgesteld na een gedetailleerde analyse van de visserijactiviteiten in ieder gebied, rekening houdend met de middelen waarover de lidstaat beschikt.

Aanhangsel 3 van bijlage III

Inhoud van de nationale controleprogramma's

In de nationale controleprogramma's moet onder andere het volgende worden vastgelegd:

1. CONTROLEMIDDELEN

Personele middelen

1.1. De aantallen inspecteurs die aan de wal en op zee worden ingezet, alsmede de periodes en gebieden waarin zij worden ingezet.

Technische middelen

1.2. De aantallen patrouillevaartuigen en vliegtuigen die worden ingezet, alsmede de periodes en gebieden waarin zij worden ingezet.

Financiële middelen

1.3. De begrotingsmiddelen die worden toegewezen voor de inzet van personele middelen, patrouillevaartuigen en vliegtuigen.

2. AANGEWEZEN HAVENS

2.1. Een lijst van aangewezen havens voor de aanvoer van kabeljauw overeenkomstig punt 5.6.2 van bijlage III.

3. KENNISGEVING VAN HET BINNENVAREN EN VERLATEN VAN EEN GEBIED

3.1. Omschrijving van de systemen die worden toegepast voor de handhaving van de bepalingen van punt 5.2 van bijlage III.

4. CONTROLE VAN DE AANVOER

4.1. Omschrijving van de systemen die worden toegepast voor de handhaving van de bepalingen van punt 5.5 van bijlage III.

4.2. Omschrijving van de systemen die worden toegepast voor het berekenen van de toegestane afwijking als bepaald in punt 5.4 van bijlage III.

4.3. Omschrijving van de systemen die worden toegepast voor het wegen van de aanvoer als bedoeld in punt 5.7 van bijlage III

4.4. Omschrijving van het systeem dat wordt toegepast voor het opstellen van specifieke inspectiebenchmarks als bedoeld in punt 5.7.2 van bijlage III.

5. INSPECTIEPROTOCOLS

5.1. Protocols voor de inspecties aan de wal en op zee in verband met de visserij op kabeljauw.

5.2. Protocols voor de communicatie met de bevoegde autoriteiten die door andere lidstaten zijn belast met het nationale controleprogramma voor kabeljauw.

5.3. Protocols voor gezamenlijk toezicht en voor uitwisselingen van inspectuers, met inbegrip van een specificatie van de bevoegdheden van inspecteurs bij activiteiten in wateren van andere lidstaten.

[1] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

[2] PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3.

[3] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 10.

[4] PB L 132 van 21.5.1987, blz. 9.

[5] PB L 276 van 10.10.1983, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1965/2001 (PB L 268 van 9.10.2001, blz. 23).

[6] PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).

[7] PB L 9 van 15.1.1998, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 812/2004 (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 12).

[8] PB L 333 van 20.12.2003, blz. 17.

[9] PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3259/94 (PB L 339 van 29.12.1994, blz. 11).

[10] PB L 365 van 31.12.1991, blz. 1.

[11] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7.

[12] PB L 12 van 14.1.2005, blz. 1.

[13] PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

[14] PB L 276 van 10.10.1983, blz. 1.

[15] PB L 22 van 25.1.2003, blz. 4.