Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende onderhandelingen over overeenkomsten inzake de handel in diensten andere dan vervoerdiensten /* COM/2005/0326 def. - ACC 2005/0132 */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 20.7.2005 COM(2005) 326 definitief 2005/0132 (ACC) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende onderhandelingen over overeenkomsten inzake de handel in diensten andere dan vervoerdiensten (door de Commissie ingediend) TOELICHTING In haar mededeling van 26 februari 2003[1] over de betrekkingen tussen de Gemeenschap en derde landen op het gebied van het luchtvervoer heeft de Commissie enkele basisprincipes uiteengezet voor onderhandelingen over en de uitvoering van overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen, die zijn afgeleid van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen[2]. De lidstaten kunnen het gevaar van strijdigheid met hun Verdragsverplichtingen en met het Gemeenschapsrecht verminderen door een reeks basisprincipes in acht te nemen: 1. Krachtens artikel 10 van het Verdrag treffen de lidstaten alle maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, dat wil zeggen dat zij de vervulling van de taak van de Gemeenschap vergemakkelijken en zich onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen. De lidstaten moeten in hun betrekkingen met derde landen dienovereenkomstig handelen; 2. Het optreden van de lidstaten moet de initiatieven, de onderhandelingen, het beleid en de doelstellingen van de Gemeenschap ondersteunen; 3. De lidstaten mogen geen onderhandelingen beginnen over aangelegenheden die tot de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap behoren of onderwerp zijn van door de Gemeenschap in het kader van een specifieke machtiging gevoerde onderhandelingen; 4. Wat bilaterale overeenkomsten betreft, moeten de lidstaten alle geplande internationale onderhandelingen alsook het resultaat van dergelijke onderhandelingen melden bij de Commissie, zodat deze de aanpak ten aanzien van derde landen kan bewaken en coördineren en er tevens voor kan zorgen dat het Gemeenschapsrecht in acht wordt genomen. Op het gebied van het luchtvervoer is invulling gegeven aan deze verplichtingen door middel van een informatie-uitwisselingssysteem dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 847/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake onderhandelingen over en de uitvoering van overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen[3]. Er zijn goede redenen om op het gebied van de handel in andere diensten dan vervoerdiensten niet alleen een informatie-uitwisselingssysteem op te zetten, maar dit ook te versterken. De overwegingen die ten grondslag liggen aan de instelling van het informatie-uitwisselingssysteem[4] op het gebied van luchtdiensten, gelden mutatis mutandis voor onderhandelingen over en de sluiting van alle internationale overeenkomsten. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice heeft de Gemeenschap bovendien een volledige bevoegdheid, op grond van artikel 133, lid 5, EG om te onderhandelen over internationale overeenkomsten inzake de handel in diensten, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 6 van hetzelfde artikel. Deze bevoegdheid staat los van het feit of er eerder al bestaande interne bevoegdheden werden uitgeoefend, aangezien dit slechts van belang is om vast te stellen in hoeverre de externe bevoegdheden van de Gemeenschap exclusief zijn en of er al dan niet eenparigheid van stemmen vereist is. Omdat er tegelijkertijd sprake is van een volledige bevoegdheid van de Gemeenschap en een recht van de lidstaten om overeenkomsten te handhaven en te sluiten voorzover deze in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en andere toepasselijke internationale overeenkomsten, is het van essentieel belang dat de Commissie, als hoedster van het Verdrag, constant toezicht kan houden op alle bestaande overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen inzake diensten andere dan vervoerdiensten. Het is ook van essentieel belang dat de Commissie in kennis wordt gesteld van alle voorgenomen onderhandelingen over nieuwe overeenkomsten inzake diensten. Met de verplichting de Commissie van alle voorgenomen onderhandelingen over overeenkomsten inzake diensten in kennis te stellen, wordt niet alleen beoogd eventuele inconsistenties met het Gemeenschapsrecht te corrigeren, maar wordt ook en vooral gestreefd naar de ontwikkeling van een evenwichtige en effectieve werkwijze op communautair niveau waarbij het volle gewicht van de Gemeenschap in de schaal wordt geworpen om de belangen van de Europese bedrijven en consumenten te bevorderen. Ook als de beoogde overeenkomst zich niet uitstrekt tot gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen, en zij geen bepalingen omvat die tegen het Gemeenschapsrecht indruisen, kan het gemeenschappelijk belang vereisen dat er een overeenkomst tussen de Gemeenschap en het derde land in kwestie wordt gesloten. In dit verband wordt voorgesteld dat lidstaten die voornemens zijn met een derde land te onderhandelen over een overeenkomst inzake diensten, andere dan vervoerdiensten, gedurende een bepaalde periode een standstill-verplichting in acht nemen, wat de Commissie in voorkomend geval in staat zou stellen de Raad aan te bevelen dat de onderhandelingen worden gevoerd met het oog op een communautaire overeenkomst. Hierbij zouden soortgelijke bepalingen worden vastgesteld als die welke zijn vervat in Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften[5]. 2005/0132 (ACC) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende onderhandelingen over overeenkomsten inzake de handel in diensten andere dan vervoerdiensten DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133, Gezien het voorstel van de Commissie[6], Gezien het advies van het Europees Parlement[7], Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[8], Gezien het advies van het Comité van de Regio’s[9], Overwegende hetgeen volgt: 5. Alle bestaande bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen of internationale organisaties die bepalingen bevatten die in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht, moeten worden gewijzigd of worden vervangen door overeenkomsten die volledig verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. 6. Onverminderd de bepalingen van het Verdrag, met name de artikelen 133 en 226, kunnen de lidstaten desgewenst bestaande overeenkomsten wijzigen en maatregelen nemen met het oog op de uitvoering ervan, totdat een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst van kracht wordt. 7. Te dien einde dient de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, constant toezicht te houden op alle overeenkomsten inzake handel in diensten, andere dan vervoerdiensten, die de lidstaten vóór de inwerkingtreding van deze verordening met derde landen of internationale organisaties hebben gesloten. 8. Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat een lidstaat bij onderhandelingen rekening houdt met het Gemeenschapsrecht, de bredere belangen van de Gemeenschap en lopende of geplande onderhandelingen van de Gemeenschap, met name in de context van de WTO. 9. Daartoe dient een efficiënte en transparante verificatieprocedure te worden vastgesteld. Binnen deze procedure zouden de Commissie en de lidstaten, net zoals bij de procedure die eerder op het gebied van het luchtvervoer werd vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 847/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake onderhandelingen over en de uitvoering van overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten en derde landen[10], voldoende tijd krijgen om opmerkingen te maken over de overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, de bredere belangen van de Gemeenschap en lopende of geplande onderhandelingen van de Gemeenschap. De Commissie zou tevens moeten kunnen voorstellen dat niet de betrokken lidstaat, maar de Gemeenschap over de beoogde overeenkomst onderhandelt in overeenstemming met de bepalingen van artikel 133 van het Verdrag. De betrokken lidstaat dient, overeenkomstig de algemene verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 10 van het Verdrag, de aanvang van de beoogde onderhandelingen lang genoeg uit te stellen, zodat ofwel de opmerkingen gezamenlijk kunnen worden bekeken ofwel de Commissie een aanbeveling kan opstellen voor onderhandelingen over een communautaire overeenkomst. 10. Bij de herziening van overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening werden gesloten, en bij het toezicht op onderhandelingen over en de sluiting van overeenkomsten ná de inwerkingtreding van deze verordening neemt de Commissie alle passende maatregelen om te garanderen dat deze overeenkomsten volledig in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en het communautaire beleid. 11. Krachtens artikel 284 van het Verdrag kan de Commissie voor de vervulling van de haar opgedragen taken, binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten. 12. Iedere lidstaat mag zich beroepen op de vertrouwelijkheid van de bepalingen in bilaterale overeenkomsten die hij heeft gesloten, en de Commissie verzoeken de desbetreffende informatie niet aan andere lidstaten door te geven. 13. Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de coördinatie van onderhandelingen met derde landen over de sluiting van overeenkomsten inzake handel in diensten andere dan vervoerdiensten, de noodzaak van een geharmoniseerde aanpak bij de uitvoering en toepassing van die overeenkomsten, alsook de controle op de verenigbaarheid ervan met het Gemeenschapsrecht, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens het Gemeenschapsbrede toepassingsgebied van deze verordening beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Kennisgeving van bestaande overeenkomsten aan de Commissie De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle overeenkomsten inzake handel in diensten andere dan vervoerdiensten, die zij vóór de inwerkingtreding van deze verordening met derde landen of internationale organisaties hebben gesloten, behalve wanneer deze de Commissie overeenkomstig andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht reeds ter kennis zijn gebracht. Deze informatie dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening te worden verstrekt. Artikel 2 Kennisgeving van beoogde overeenkomsten aan de Commissie 1. Wanneer een lidstaat voornemens is onderhandelingen te openen met een derde land of een internationale organisatie over een nieuwe overeenkomst inzake handel in diensten andere dan vervoerdiensten of over de wijziging van een bestaande overeenkomst inzake handel in diensten andere dan vervoerdiensten, de bijlagen ervan of enige andere daarmee verband houdende bilaterale of multilaterale regeling, stelt hij de Commissie schriftelijk van dit voornemen in kennis. Deze kennisgeving omvat een kopie van de bestaande overeenkomst, indien beschikbaar, andere relevante documenten en een opgave van de bepalingen waarover zal worden onderhandeld, de onderhandelingsdoelstellingen en alle andere relevante informatie. De Commissie stelt de kennisgeving en desgevraagd de begeleidende documenten ter beschikking van de overige lidstaten, met inachtneming van de vereisten van vertrouwelijkheid. 2. De informatie wordt ten minste vier kalendermaanden vóór de geplande aanvang van de formele onderhandelingen met het betrokken derde land of de betrokken internationale organisatie toegezonden. Artikel 3 Herziening van beoogde overeenkomsten 1. De Commissie en de lidstaten kunnen opmerkingen doen toekomen aan de lidstaat die overeenkomstig artikel 2 zijn voornemen om onderhandelingen te openen, kenbaar heeft gemaakt. Deze lidstaat houdt bij de onderhandelingen zoveel mogelijk rekening met die opmerkingen. 2. Een lidstaat stelt de aanvang van formele onderhandelingen met een derde land of een internationale organisatie uit voor een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de in artikel 2 bedoelde kennisgeving, als de Commissie of een andere lidstaat binnen drie maanden vanaf die datum een omstandig advies, waarin wordt geconcludeerd dat de onderhandelingen waarschijnlijk tot een met het Gemeenschapsrecht onverenigbare overeenkomst zullen leiden, uitbrengt en aan de betrokken lidstaat meedeelt. Omstandige adviezen worden tevens ter kennis gebracht van het in artikel 133 van het EG-Verdrag bedoelde comité. De betrokken lidstaat deelt de Commissie en de overige lidstaten vóór het verstrijken van de periode van zes maanden mee welke maatregelen hij heeft genomen of voornemens is te nemen om zich aan het omstandige advies te conformeren, of hij motiveert waarom de overeenkomst niet onverenigbaar zal zijn met het Gemeenschapsrecht. 3. Een lidstaat stelt de aanvang van formele onderhandelingen met een derde land of een internationale organisatie uit voor een periode van negen maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de in artikel 2 bedoelde kennisgeving, als de Commissie binnen drie maanden vanaf die datum het in artikel 133 van het EG-Verdrag bedoelde comité in kennis stelt van haar voornemen om een aanbeveling te doen voor onderhandelingen over een communautaire overeenkomst op hetzelfde gebied met dezelfde partij of partijen. Als de Commissie binnen deze periode van negen maanden haar voorstel voorlegt, opent de betrokken lidstaat geen onderhandelingen met het derde land. Artikel 4 Sluiting van overeenkomsten Na ondertekening van een overeenkomst brengt de betrokken lidstaat het resultaat van de onderhandelingen en alle relevante documenten ter kennis van de Commissie. De Commissie stelt de kennisgeving en desgevraagd de begeleidende documenten ter beschikking van de overige lidstaten, met inachtneming van de vereisten van vertrouwelijkheid. Artikel 5 Vertrouwelijkheid Bij de kennisgeving van onderhandelingen en het resultaat daarvan aan de Commissie, zoals bepaald in de artikelen 2 en 4, delen de lidstaten de Commissie duidelijk mee of in de kennisgeving opgenomen informatie als vertrouwelijk dient te worden beschouwd en of deze informatie aan andere lidstaten kan worden doorgegeven. De Commissie en de lidstaten dragen er zorg voor dat als vertrouwelijk aangemerkte informatie wordt behandeld overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad[11]. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, […] Voor de Raad De voorzitter [1] COM(2003) 94 def. [2] Zie in dit verband de arresten in de volgende zaken: C-62/98 Commissie tegen Portugal [2000] Jurispr. I-5171, C-466/98 Commissie tegen Verenigd Koninkrijk [2002] Jurispr. I-9427, C-467/98 Commissie tegen Denemarken [2002] Jurispr. I-9519, C-468/98 Commissie tegen Zweden [2002] Jurispr. I-9575, C-469/98 Commissie tegen Finland [2002] Jurispr. I-9627, C-471/98 Commissie tegen België [2002] Jurispr. I-9681, C-472/98 Commissie tegen Luxemburg [2002] Jurispr. I-9741, C-475/98 Commissie tegen Oostenrijk [2002] Jurispr. I-9797 en C-476/98 Commissie tegen Duitsland [2002] Jurispr. I-9855, en de adviezen 1/78 ([1978] Jurispr. 2151), 2/91 ([1993] Jurispr. I-1061) en 1/94 ([1994] Jurispr. I- 5267). [3] PB L 157 van 30.4.2004, blz. 7. Verordening als gerectificeerd en opnieuw bekendgemaakt in PB L 195 van 2.6.2004, blz. 3. [4] Ingevolge de ontwikkeling van het Gemeenschapsrecht vallen verschillende aangelegenheden nu, in uitvoering van de jurisprudentie in de zaak-AETR (zaak 22/70 ‘AETR’ [1971] Jurispr. 263), onder de exclusieve externe bevoegdheid van de Gemeenschap. Dit kan betekenen dat lidstaten op zichzelf geen nieuwe internationale verplichtingen kunnen aangaan. Het kan ook betekenen dat lidstaten dergelijke verplichtingen niet in bestaande overeenkomsten mogen handhaven indien deze niet in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht. Wanneer voorts blijkt dat het onderwerp van een overeenkomst of conventie deels onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap en deels onder die van haar lidstaten valt, is nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap van essentieel belang, zowel bij de onderhandelingen over en de sluiting van de overeenkomst of conventie als bij het nakomen van de aangegane verplichtingen. De verplichting tot samenwerking vloeit voort uit de eis dat de Gemeenschap internationaal met één stem moet spreken. De instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten ondernemen alle nodige stappen in dit verband om voor een optimale samenwerking te zorgen. [5] PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003. [6] PB C […] van […], blz. […]. [7] PB C […] van […], blz. […]. [8] PB C […] van […], blz. […]. [9] PB C […] van […], blz. […]. [10] PB L 157 van 30.4.2004, blz. 7. Verordening als gerectificeerd en opnieuw bekendgemaakt in PB L 195 van 2.6.2004, blz. 3. [11] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.