52005PC0170

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën /* COM/2005/0170 def. - COD 2003/0107 */


Brussel, 27.4.2005

COM(2005) 170 defínitief

2003/0107 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën

2003/0107 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het

gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van de winningsindustrieën

1 . VOORGESCHIEDENIS

Datum van toezending van het voorstel aan het Europees Parlement en de Raad (document COM(2003)319 definitief – 2003/0107 COD): | 2 juni 2003. |

Datum van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: | 11 december 2003. |

Datum van het advies van het Europees Parlement in eerste lezing: | 31 maart 2004. |

Datum van vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt: | 12 april 2005 |

2 . DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Met het voorstel wordt beoogd minimumeisen te stellen ter verbetering van de wijze waarop afval van de winningsindustrieën wordt beheerd. De twee belangrijkste technische doelstellingen die met de voorgestelde richtlijn worden nagestreefd, kunnen als volgt worden samengevat:

- de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van verontreinigde afvoer van afvalbeheervoorzieningen (afvalbergen en afvalbassins) moeten tot een minimum worden beperkt; door de grote hoeveelheden en de kenmerken van het betrokken afval kunnen dergelijke voorzieningen milieueffecten op zeer lange termijn hebben die nog geruime tijd na de sluiting van de voorziening zelf en van de mijn of steengroeve waarbij deze hoort, blijven bestaan;

- tevens gaat het erom ongelukken te voorkomen en de gevolgen van eventuele ongelukken tot een minimum te beperken, en meer in het bijzonder de stabiliteit op lange termijn van residudammen en afvalbassins te waarborgen aangezien dambreuken grootschalige milieuschade kunnen veroorzaken en daarbij ook mensenlevens in gevaar kunnen brengen.

De doelstellingen van het voorstel moeten worden bereikt door middel van op de beste beschikbare technieken gebaseerde maatregelen die betrekking hebben op de planning, het vergunnen, de exploitatie, de uiteindelijke sluiting en de nazorg van bij winningsindustrieën horende afvalbeheervoorzieningen, waarbij speciale aandacht dient uit te gaan naar de stabiliteit van dergelijke voorzieningen en naar het voorkómen van water- en bodemverontreiniging.

3. OPMERKINGEN OVER HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

3.1 Algemene opmerkingen

Van de 74 amendementen die het Europees Parlement in eerste lezing had voorgesteld, heeft de Commissie er 46 volledig, gedeeltelijk of in beginsel aanvaard. Daarvan zijn er nu 41 woordelijk of naar de geest opgenomen in het gemeenschappelijk standpunt.

De Commissie heeft ingestemd met alle amendementen die de tekst juridisch verduidelijken, het toepassingsgebied van het voorstel verbeteren wat het scala van eronder vallende materialen betreft, een veilige exploitatie op lange termijn van de afvalvoorzieningen bevorderen, met name via strengere bepalingen inzake de sluiting en de nazorg van die voorzieningen, of zijn gericht op het aanpakken van historische verontreinigingen.

De Commissie heeft met name die amendementen afgewezen die al te prescriptief en gedetailleerd zijn of die het toepassingsgebied van het voorstel sterk uitbreiden.

De Raad heeft in belangrijke mate rekening gehouden met de amendementen van het Parlement en heeft nog enkele verdere wijzigingen aangebracht. Hoewel de Commissie de voorkeur zou hebben gegeven aan een breder toepassingsgebied voor de richtlijn, zonder verscheidene mogelijkheden om ontheffing te verlenen, met name wat ongevaarlijk niet-inert afval betreft, is zij van mening dat het gemeenschappelijk standpunt over het geheel genomen geen verandering in de aanpak en de doelstellingen van het voorstel brengt, zodat zij het kan steunen.

3.2 Specifieke opmerkingen

3.2.1. Door de Commissie aanvaarde amendementen van het Parlement die volledig, gedeeltelijk of in beginsel in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

De volgende amendementen die de Commissie volledig, gedeeltelijk of in beginsel had aanvaard, zijn ook opgenomen in het gemeenschappelijk standpunt: de amendementen 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 21, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 35, 37, 39, 44, 47, 50, 51, 52, 57, 59, 60, 63, 66, 67, 70, 71, 72, 75, 76, 86, 93 en 98.

3.2.2. Door de Commissie en de Raad afgewezen – en dus niet in het gemeenschappelijk standpunt opgenomen - amendementen van het Parlement

In de amendementen 4 en 8 wordt voorgesteld tekst die nuttige verduidelijkingen bevat, te schrappen. De betrokken tekst moet dus worden gehandhaafd.

In de amendementen 9, 90, 24, 38, 53, 61 en 64 worden toevoegingen voorgesteld die onnodig worden geacht omdat het merendeel van de betrokken aspecten uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt behandeld in andere bepalingen van de huidige tekst.

De amendementen 20 en 88 zijn van taalkundige aard en worden onnodig geacht.

In de amendementen 22, 34, 40, 41, 48, 55, 56 en 74 worden toevoegingen voorgesteld die te gedetailleerd worden geacht om in een richtlijn te kunnen worden opgenomen.

De amendementen 43, 45 en 65 strekken ertoe bepalingen betreffende teruggestort afval uit te breiden tot de uitgegraven ruimte zelf, die buiten het toepassingsgebied van het voorstel valt.

In de amendementen 58, 62 en 73 worden verwijzingen toegevoegd naar andere communautaire regelgeving die hoe dan ook naar gelang van het geval van toepassing is.

Amendement 69 brengt een wijziging aan in bewoordingen die zijn overgenomen uit het VN-Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (Verdrag van Espoo).

3.2.3. Amendementen van het Parlement die volledig, gedeeltelijk of in beginsel door de Commissie waren aanvaard, maar niet zijn opgenomen in het gemeenschappelijk standpunt

Geoordeeld wordt dat amendement 19 van taalkundige aard is.

Amendement 26 legt er de nadruk op dat bij de opstelling van het afvalbeheersplan aandacht moet worden geschonken aan alternatieve mogelijkheden voor afvalbeheer. De Commissie vond dat de voorgestelde toevoeging de tekst zou verduidelijken, maar volgens de Raad is deze toevoeging te prescriptief om voor opneming in de tekst in aanmerking te komen.

In amendement 42 wordt voorgesteld om de werkingssfeer van bepalingen betreffende afval dat in uitgegraven ruimtes wordt teruggeplaatst, uit te breiden tot andere productieresten. De Commissie heeft met deze toevoeging ingestemd, zij het in een iets andere formulering om ten aanzien van teruggestort materiaal elke juridische onzekerheid weg te nemen. De Raad is echter van mening dat deze kwestie niet over afval gaat en daarom buiten het toepassingsgebied van dit voorstel valt.

Volgens amendement 46 moeten beschermde gebieden een belangrijke rol spelen in de keuze van de locatie van een afvalvoorziening. Met de communautaire voorschriften betreffende beschermde natuurgebieden moet echter hoe dan ook op passende wijze rekening worden gehouden.

In amendement 54 wordt gespecificeerd dat de maatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot gesloten afvalvoorzieningen, dienen te zijn gericht op naleving van de communautaire milieunormen. Deze normen zijn echter hoe dan ook van toepassing en bijgevolg wordt deze toevoeging onnodig geacht.

3.2.4. Amendementen van het Parlement die de Commissie niet heeft aanvaard en die volledig, gedeeltelijk of in beginsel in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen

De Raad is van mening dat de amendementen 36 en 68 in het gemeenschappelijk standpunt zijn weerspiegeld. De Commissie achtte het niet nodig deze amendementen te aanvaarden omdat zij vond dat de inhoud ervan reeds in haar voorstel was terug te vinden.

3.2.5. Verdere wijzigingen die de Raad in het voorstel heeft aangebracht

Overwegingen

Enkele aanpassingen van de overwegingen houden verband met in de artikelen aangebrachte wijzigingen. Daarnaast wordt de aandacht gevestigd op de volgende wijzigingen van de overwegingen:

In overweging 4 wordt verduidelijkt dat het begrip “afval” ook het afval omvat dat ontstaat tijdens de ontwikkelingsfase die aan de productie voorafgaat.

Aan overweging 6 is de definitie van “afval van winningsindustrieën” toegevoegd die voorkomt in de bepaling waarnaar wordt verwezen.

In overweging 8 wordt verduidelijkt dat voor het bij de winning ontstane afval dat geen direct verband houdt met het winningsproces, en voor afval van winningsindustrieën dat wordt vervoerd naar een locatie die geen winningsafvalvoorziening is, andere afvalregelgeving geldt naar gelang van het geval.

Een nieuwe overweging 11 is toegevoegd om te verduidelijken dat de richtlijn niet geldt voor afvalstoffen van de winning van materialen die voor hun radioactieve eigenschappen worden gebruikt, indien deze afvalstoffen reeds vallen onder regelgeving die is gebaseerd op het Euratom-Verdrag. De Commissie vestigt er de aandacht op dat de gecombineerde overwegingen 10 en 11 zo moeten worden uitgelegd dat dergelijke afvalstoffen niet onder deze richtlijn dienen te vallen voorzover er andere, op grond van het Euratom-Verdrag aangenomen communautaire regelgeving bestaat waarmee dezelfde milieudoelstellingen worden nagestreefd en die de in deze richtlijn behandelde aspecten op deugdelijke wijze regelt.

Een nieuwe overweging 16 is toegevoegd om te verduidelijken dat de opneming van afvalvoorzieningen in categorie A niet uitsluitend mag zijn gebaseerd op risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers, aangezien dit een onderwerp is waarvoor andere communautaire regelgeving geldt.

Een nieuwe overweging 23 is toegevoegd om te beklemtonen dat moet worden voorzien in een passende nazorgperiode voor de bewaking en controle van voorzieningen van categorie A.

Een nieuwe overweging 37 is toegevoegd om de lidstaten ertoe aan te sporen een overzicht op te stellen dat het verband aangeeft tussen de richtlijn en hun nationale omzettingsmaatregelen.

Artikelen

Aan artikel 1 is tekst toegevoegd om de nadruk te leggen op de bescherming van water, fauna, flora, bodem, lucht en landschap.

In artikel 2 is onder verwijzing naar Richtlijn 2000/60/EG de injectie van water en de herinjectie van opgepompt grondwater uitgezonderd van de werkingssfeer. Het beperkte aantal bepalingen dat geldt voor inert afval (en als gevolg van amendement 98 ook voor niet-verontreinigde grond en bij prospectie ontstaan afval), is uitgebreid en omvat nu artikel 5 in zijn geheel. Ook afval van de turfwinning is binnen de werkingssfeer van dat beperkte aantal bepalingen gebracht. Gespecificeerd is echter dat voor al deze soorten afval die in een afvalvoorziening van categorie A worden gestort, de richtlijn in haar geheel geldt. De bevoegde autoriteiten krijgen de mogelijkheid om voor ongevaarlijk afval van prospectie, niet-verontreinigde grond en afval van de turfwinning de voorschriften te versoepelen. Voorts is een nieuwe categorie ingesteld, namelijk ongevaarlijk niet-inert afval, waarvoor de lidstaten ontheffing kunnen verlenen van de toepassing van de bepalingen betreffende financiële garanties (artikel 14) en betreffende kennisgeving van gebeurtenissen die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit (artikel 11, lid 3, en artikel 12, leden 5 en 6), zulks (net als in het bovengenoemde geval) tenzij dat afval in een afvalvoorziening van categorie A wordt gestort.

Aan artikel 3 zijn definities van “niet-verontreinigde grond”, “off-shore”, “prospectie” en “ingrijpende wijziging” toegevoegd. Gedeeltelijk op basis van amendement 21 is voor de definitie van “afvalvoorziening” een gedifferentieerde aanpak ingevoerd naar gelang van de risico’s die aan elk type afval zijn verbonden, waarbij is gespecificeerd dat uitgegraven ruimtes waarin afval wordt teruggeplaatst voor andere dan rehabilitatie- of bouwdoeleinden, eveneens onder deze definitie vallen. Gespecificeerd is voorts dat de verantwoordelijkheid van een exploitant zich ook tot de tijdelijke opslag van afval uitstrekt.

De algemene voorschriften van artikel 4 gelden nu voor alle afvalbeheer, met inbegrip van tijdelijke opslag. Ook is in artikel 4 het volledige artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG overgenomen.

De eisen die worden gesteld in verband met de categorie waarbij de afvalvoorziening is ingedeeld, zijn uit artikel 7 overgebracht naar artikel 5, waar zij nu deel uitmaken van het afvalbeheersplan. Een nieuw lid is toegevoegd waarin staat dat het afvalbeheersplan moet zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

In artikel 6 is gepreciseerd op welk tijdstip de verschillende regelingen met betrekking tot zware ongevallen voorhanden moeten zijn.

In artikel 9 is het classificatiesysteem voor afvalvoorzieningen vereenvoudigd, terwijl de in bijlage III opgenomen criteria zijn aangepast aan de definitie van “zwaar ongeval”.

In artikel 11 zijn verscheidene elementen toegevoegd aan de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de keuze van de locatie van een afvalvoorziening.

In artikel 13 is voor nieuwe afvalvoorzieningen de grenswaarde voor de cyanideconcentratie verlaagd tot het strengste niveau.

In artikel 14 is aangegeven dat het bij de financiële garanties ook om equivalente systemen mag gaan. De Commissie wijst erop dat een dergelijk systeem, wat de vorm ervan ook is, moet garanderen dat te allen tijde voldoende fondsen voor de nodige rehabilitatiewerkzaamheden beschikbaar zijn mocht de exploitant insolvabel of “met de noorderzon verdwenen” zijn. De milieuaansprakelijkheid is geregeld in een afzonderlijk artikel, waarin is bepaald dat de desbetreffende richtlijn geldt voor alle beheer van winningsafval.

In artikel 20 is de interpretatie van de definitie van inert afval toegevoegd aan de volgens de regelgevingsprocedure te verrichten taken en bovendien zijn binnen die taken prioriteiten gesteld. De genoemde interpretatie behoort tot die prioriteiten.

Aan artikel 22 is een nieuwe bepaling toegevoegd voor afvalvoorzieningen die vóór de datum van omzetting van de richtlijn met het ontvangen van afval zijn gestopt, maar op die datum hun sluitingsprocedures nog niet hebben voltooid.

Bijlagen

In bijlage III is het eerste streepje anders geformuleerd om een rechtstreeks verband te leggen met de in het voorstel opgenomen definitie van “zwaar ongeval”.

4. CONCLUSIE

De door de Raad aangebrachte wijzigingen helpen de bewoordingen van het voorstel te verduidelijken en hoewel zij ook het toepassingsgebied enigermate beperken, doen zij geen afbreuk aan de algemene strekking. De Commissie kan daarom het gemeenschappelijk standpunt steunen.