52005PC0086

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 /* COM/2005/0086 def. - CNS 2005/0014 */


Brussel, 14.03.2005

COM(2005) 86 definitief

2005/0014 (CNS)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98

(DOOR DE COMMISSIE INGEDIEND)

TOELICHTING

Verordening (EG) Nr. 88/98 van de Raad bevat de thans geldende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont. De technische maatregelen bepalen de maaswijdte en de andere aspecten van de structuur van vistuigen, de periodes en de geografische zones waarin bepaalde soorten visserijactiviteiten verboden of beperkt zijn en de minimummaten bij aanvoer van levende aquatische hulpbronnen.

De Gemeenschap is verdragsluitende partij bij de Internationale Visserijcommissie voor de Oostzee ( International Baltic Sea Fisheries Commission , IBSFC), de organisatie die maatregelen vaststelt voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in de Oostzee. De IBSFC doet ieder jaar aanbevelingen voor de maximale vangstniveaus en voor technische maatregelen met het oog op de instandhouding en verantwoorde exploitatie van de visbestanden in de Oostzee. De Gemeenschap is verplicht de door de IBSFC aanbevolen maatregelen ten uitvoer te leggen, tenzij zij daartegen bezwaar heeft aangetekend. Wat de technische maatregelen betreft, heeft de Gemeenschap aan haar verplichtingen voldaan bij Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad. Een aantal recente aanbevelingen van de IBSFC voor technische maatregelen zijn echter omgezet in het kader van de jaarlijkse TAC’s- en quotaverordeningen, terwijl Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad niet is gewijzigd. Het is dan ook dienstig om alle bepalingen betreffende technische maatregelen voor het betrokken gebied te integreren in een enkele verordening waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van de regelgeving in de afgelopen jaren.

Bovendien is in de Toetredingsakte van 2003 bepaald dat vóór de datum van de toetreding een specifieke regeling ter beperking van de visserij-inspanning in de Golf van Riga moet worden vastgesteld via een wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad.

Het is noodzakelijk al deze herziene technische maatregelen in één enkele verordening te bundelen.

De ervaring met de toepassing van Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad heeft bovendien bepaalde onvolkomenheden aan het licht gebracht, die tot problemen bij de toepassing en de handhaving hebben geleid. Daarom heeft de Commissie in haar voorstel een aantal voorwaarden opgenomen om deze onvolkomenheden te corrigeren, met name door doelsoorten en vangstpercentages voor verschillende maaswijdteklassen en geografische zones bij de visserij met bepaalde vistuigen vast te stellen. Bij de opstelling van deze aanvullende voorwaarden heeft de Commissie getracht ze zoveel mogelijk te laten samenvallen met soortgelijke voorwaarden die zijn bepaald in de communautaire wetgeving betreffende technische maatregelen buiten de Oostzee.

Bovendien valt, na de uitbreiding van de Gemeenschap op 1 mei 2004, redelijkerwijs te verwachten dat de IBSFC zal worden opgeheven en vervangen door een bilateraal samenwerkingsverband met de Russische Federatie, sinds die datum de enige kuststaat in het Oostzeegebied die geen deel uitmaakt van de Europese Unie. Tegen deze achtergrond zal de Gemeenschap in de toekomst niet meer afhankelijk zijn van besluiten van de IBSFC voor het ontwikkelen van technische maatregelen in de Oostzee. Aangezien ook enkele van de huidige bepalingen onnodig gedetailleerd zijn en/of niet gerechtvaardigd zijn voor de instandhouding van de bestanden, heeft de Commissie in dit voorstel geprobeerd de regels zoveel mogelijk te vereenvoudigen, zonder noodzakelijkerwijs de bestaande IBSFC-regels strikt te volgen.

Alle overige relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad worden gehandhaafd.

Tot slot bevat Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad regels inzake de aanvoer van haring voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie. Vanuit het streven naar vereenvoudiging van deze wetgeving, stelt de Commissie voor de bepalingen van laatstgenoemde verordening die voor de Oostzee van belang zijn, te vervangen door de in dit voorstel opgenomen algemene bepalingen inzake ongesorteerde aanlandingen.

Wanneer dit voorstel wordt goedgekeurd, wordt Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad ingetrokken en worden de voor de Oostzee relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad geschrapt.

2005/0014 (CNS)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie[1],

Gezien het advies van het Europees Parlement[2],

Overwegende hetgeen volgt:

Krachtens de artikelen 2 en 4 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[3], stelt de Raad, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, de nodige communautaire maatregelen vast om een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen te garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt. De Raad mag daartoe technische maatregelen vaststellen om de visserijsterfte en het effect van de visserij op het milieu te beperken.

De toetreding van de Gemeenschap tot het Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen van de zee in de Oostzee en de Belten, gewijzigd bij het Protocol van de Conferentie van de vertegenwoordigers van de verdragsluitende staten (hierna "het Verdrag van Gdansk" genoemd) is goedgekeurd bij Besluit 83/414/EEG[4].

Sinds de oprichting bij het Verdrag van Gdansk heeft de Internationale Visserijcommissie voor de Oostzee ( International Baltic Sea Fisheries Commission , IBSFC) een reeks maatregelen vastgesteld voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in de Oostzee. Ook heeft de IBSFC de verdragsluitende partijen verscheidene aanbevelingen gedaan voor wijzigingen van deze technische maatregelen.

De Gemeenschap moet aan deze aanbevelingen gevolg geven. Aangezien de IBSFC wellicht zal worden opgevolgd door een bilateraal samenwerkingsverband met de Russische Federatie, is het echter niet noodzakelijk dat de regels van de Gemeenschap de aanbevelingen strikt volgen, maar wel dat er een allesomvattend en coherent geheel van technische maatregelen voor de Gemeenschapswateren tot stand wordt gebracht op basis van de bestaande regels. Er is ruimte voor vereenvoudiging in enkele gevallen waarin de bestaande regels onnodig gedetailleerd zijn en/of niet gerechtvaardigd zijn voor de instandhouding van de bestanden.

Bij Verordening (EG) Nr. 88/98 van de Raad van 18 december 1997 zijn technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont[5] vastgesteld.

De toepassing van Verordening (EG) nr. 88/98 heeft bepaalde onvolkomenheden van die verordening aan het licht gebracht die problemen voor de toepassing en de handhaving opleveren en die derhalve moeten worden gecorrigeerd, met name door de vaststelling van doelsoorten en vereiste vangstpercentages voor verschillende maaswijdteklassen en geografische zones bij de visserij met bepaalde vistuigen.

Bepaald moet worden op welke manier de percentages van de doelsoorten en van de andere soorten moeten worden berekend.

De minimummaat van een soort moet overeenstemmen met de selectiviteit van de voor die soort geldende maaswijdte van het vistuig.

De Golf van Riga is een uniek en vrij kwetsbaar marien ecosysteem waarvoor speciale maatregelen nodig zijn om een duurzame exploitatie van de hulpbronnen te garanderen en het effect van de visserijactiviteiten te minimaliseren. Artikel 21 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond[6], bepaalt daarom dat de Raad Verordening (EG) nr. 88/98 voor de datum van de toetreding moet wijzigen om de nodige instandhoudingsmaatregelen voor de Golf van Riga vast te stellen.

Om de visserijactiviteiten te controleren, moeten voor de toegang tot de Golf van Riga speciale visdocumenten worden afgegeven als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten[7].

Wetenschappelijke gegevens hebben aangetoond dat, voor kabeljauw, gesleepte vistuigen zonder ontsnappingspanelen minder selectief zijn dan die met een ontsnappingspaneel van het “BACOMA”-type. Het is dan ook dienstig in de wateren van de Gemeenschap en voor vaartuigen van de Gemeenschap het gebruik van gesleepte vistuigen zonder ontsnappingspanelen van het “BACOMA”-type te verbieden wanneer gericht op kabeljauw wordt gevist.

Bij Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad van 29 juni 1998 zijn de voorwaarden vastgesteld waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie[8].

Om de complexe regels van Verordening (EG) nr. 1434/98 te vereenvoudigen, moeten de voor de Oostzee relevante bepalingen van die verordening worden geschrapt en vervangen door algemene bepalingen inzake ongesorteerde aanlandingen in de onderhavige verordening. Verordening (EG) nr. 1434/98 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[9].

Wijzigingen van de bijlagen bij deze verordening moeten eveneens worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG.

Wegens het grote aantal wijzigingen in de regelgeving en de omvang van die wijzigingen, moet Verordening (EG) nr. 88/98 worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuwe tekst,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden technische instandhoudingsmaatregelen vastgesteld in verband met de vangst en de aanvoer van visserijhulpbronnen in de maritieme wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de lidstaten vallen en zijn gelegen in de in bijlage I omschreven geografische zone.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) “actief vistuig” , alle soorten vistuig die tijdens het vissen actief worden voortbewogen, met name gesleept vistuig en omringend vistuig;

b) “trawlnetten” , netten die actief worden gesleept met behulp van de hoofdmotor van het vaartuig en die bestaan uit een kegel- of piramidevormig gedeelte (de eigenlijke trawl) dat aan de achterkant is afgesloten door een kuil en aan de voorkant door de vleugels wordt opengetrokken of op een vast frame wordt geplaatst. Dit horizontaal openen vindt plaats door middel van visborden of met behulp van een boom of een frame van variabele vorm en afmetingen. Deze netten kunnen over de bodem (bodemtrawl) of op een bepaalde diepte tussen bodem en oppervlak (pelagische trawl) worden voortgesleept;

c) “Deense zegens” , gesleept omringend vistuig dat vanaf een vaartuig wordt bediend door middel van twee lange lijnen (vislijnen), met het doel de vis naar de opening van de zegen te leiden. Dit type vistuig, dat naar vorm en grootte vergelijkbaar is met een bodemtrawl, bestaat uit twee lange vlerken, een middengedeelte bestaande uit buik en rug, en een kuil;

d) “korren” , netten of metalen manden op een frame van variabele vorm en grootte, aan de onderzijde voorzien van een al dan niet getand mes;

e) “ringzegens”, omringend vistuig of ringnetten waarvan de bodem aan de onderkant wordt samengetrokken door een sluitlijn die door een reeks ringen langs de onderpees loopt, waardoor het net kan worden samengetrokken en gesloten;

f) “boomkorren” , trawlnetten die horizontaal worden opengehouden door een rondhout of een metalen buis, de “boom”, die zijn voorzien van wekkerkettingen, kettingmatten of kietelaars en die door de motor van het vaartuig actief over de bodem worden gesleept;

g) “overkuil” , een cilindervormig stuk netwerk dat volledig rond de kuil en de tunnel is aangebracht. Het materiaal van de overkuil mag even zwaar als of zwaarder dan dat van de kuil of de tunnel zijn;

h) “keel” , een stuk netwerk dat zodanig in actief vistuig is aangebracht dat de vis van het voorste gedeelte naar het achterste gedeelte van het sleepnet wordt doorgelaten, maar dat de mogelijkheid om terug te zwemmen wordt beperkt;

i) “passief vistuig” , alle soorten vistuig die tijdens het vissen niet actief worden voortbewogen, met inbegrip van kieuwnetten, warnetten, schakelnetten, geankerde drijvende netten, drijfnetten, staande kieuwnetten, beugen, geankerde drijvende beugen en drijflijnen. De netten kunnen bestaan uit een of meer afzonderlijke netten die zijn opgetuigd met een onder-, een boven- en een verbindingspees, en al dan niet zijn voorzien van verankerings-, drijf- en positiesignaleringsvoorzieningen;

j) “kieuwnetten” en “warnetten” , netten die uit één stuk bestaan en in een verticale positie in het water worden gehouden door drijflichamen en zinkers. Levende aquatische hulpbronnen worden gevangen doordat zij in het net verward of verstrikt raken. Afhankelijk van het zinkvermogen of het drijfvermogen kunnen deze netten onder het wateroppervlak in de waterkolom (geankerd drijvend net en drijfnet) of dicht bij de bodem (staand kieuwnet) worden gebruikt;

k) “schakelnetten” , netten die bestaan uit twee of meer wanden die parallel zijn opgehangen van één enkele hoofdlijn, en op enigerlei wijze op de zeebodem zijn verankerd, of kunnen worden verankerd;

l) “geankerde drijvende netten”, netten die op enigerlei wijze op of in de bodem van de zee worden of kunnen worden vastgemaakt en die onder het wateroppervlak in de waterkolom drijven;

m) “drijfnetten” , kieuwnetten of warnetten die op het wateroppervlak of op een bepaalde afstand daaronder worden gehouden door drijflichamen die vrijelijk met de stroom meedrijven of, wat vaker het geval is, met het vaartuig waaraan zij zijn bevestigd. Zij kunnen worden uitgerust met zeeankers of drijflichamen om het net te stabiliseren en/of het wegdrijven te beperken.

n) “staande kieuwnetten” , kieuwnetten die op enigerlei wijze op of in de bodem van de zee worden of kunnen worden vastgemaakt en dicht bij de bodem op hun plaats worden gehouden;

o) “beugen” , onderling verbonden vislijnen, hetzij geankerd of drijvend, elk voorzien van een groot aantal haken met aas;

p) “onderwatertijd” , de periode vanaf het tijdstip waarop de netten voor het eerst in het water worden gelaten tot het tijdstip waarop ze weer volledig aan boord zijn gehaald;

q) “netgedeelte met vierkante mazen” , een netconstructie die zo is aangebracht dat van de twee stellen parallelle lijnen die door de benen van de mazen worden gevormd, het ene stel evenwijdig loopt met de lengteas van het net en het andere stel daar loodrecht op staat;

r) “kuil” , het achterste gedeelte van de trawl, hetzij cilindrisch, d.w.z. met dezelfde omtrek over de hele lengte, hetzij kegelvormig;

s) “overkuil” , een cilindrisch stuk netwerk dat volledig rond de kuil is aangebracht en op verschillende plaatsen aan de kuil is bevestigd. De overkuil is minstens even groot (in de lengte en in de breedte) als het gedeelte van de kuil waaraan het is bevestigd;

t) “kleine strop” , de achterste verstevigingsstrop die rond de kuil is bevestigd op maximaal 2 meter afstand van de pooklijn, gemeten terwijl de mazen zijn gestrekt in de lengterichting;

u) “verdeelstrop” , een strop van touw of staaldraad die door lussen of ringen los om de kuil of eventueel de overkuil is bevestigd;

v) “kuilboei” , een boei die wordt gebruikt om een vistuig drijfvermogen te geven en/of om de plaats van het vistuig te markeren;

w) “boeireep” , touw waarmee de kuilboei wordt bevestigd aan het gedeelte van het vistuig dat ondersteund of gemarkeerd moet worden.

HOOFDSTUK IINETTEN EN BEPALINGEN INZAKE HET GEBRUIK ERVAN

DEEL IACTIEF VISTUIG

Artikel 3 Doelsoorten en minimummaaswijdten

1. Voor elk van de in bijlage I vermelde deelsectoren staan de voor iedere doelsoort toegestane maaswijdten vermeld in bijlage II.

De minimumpercentages voor het aandeel van de doelsoorten in de totale hoeveelheid aan boord gehouden levende aquatische hulpbronnen per geografische zone en per maaswijdte staan eveneens vermeld in bijlage II.

2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor korren. Het is evenwel verboden tijdens een visreis waarbij korren aan boord zijn, levende aquatische hulpbronnen aan boord te houden of aan te landen indien niet ten minste 95 % van het totale levend gewicht ervan bestaat uit weekdieren.

Artikel 4Berekening van de percentages van de doelsoorten

1. De in bijlage II bedoelde percentages worden berekend ten opzichte van het levend gewicht van de totale hoeveelheid van alle in bijlage II vermelde soorten die:

a) na sorteren aan boord wordt gehouden, of

b) wordt aangevoerd.

2. De percentages van de doelsoorten en van de andere soorten worden verkregen door alle aan boord gehouden hoeveelheden van de doelsoorten en van de andere in bijlage II vermelde soorten samen te tellen.

3. Voor het berekenen van de percentages van de doelsoorten voor vissersvaartuigen waarvan bepaalde hoeveelheden van de in bijlage II vermelde soorten zijn overgeladen, worden ook de overgeladen hoeveelheden in aanmerking genomen.

4. De percentages van de doelsoorten mogen worden berekend aan de hand van een of meer representatieve monsters.

5. Wanneer vangsten ongesorteerd worden aangevoerd, zien de lidstaten erop toe dat de aangevoerde hoeveelheden worden geraamd op basis van representatieve monsters.

Artikel 5Structuur van de vistuigen

1. Het is niet toegestaan voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen van het net versperren of waardoor de maaswijdte wordt verkleind.

2. In afwijking van lid 1 is het toegestaan om aan de buitenkant van de onderste helft van de kuil van actief vistuig een stuk zeildoek, netwerk of enig ander materiaal te bevestigen om slijtage te voorkomen of te beperken. Dergelijk materiaal mag alleen aan de voor- en de zijkanten van de kuil worden bevestigd.

3. In afwijking van lid 1 is het bij de visserij met trawlnetten, Deense zegens of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 90 mm toegestaan om een overkuil te bevestigen aan de buitenkant van de kuil en de tunnel. De mazen van de overkuil moeten ten minste tweemaal zo wijd zijn als die van de kuil, en mogen in geen geval kleiner zijn dan 80 mm.

Een overkuil mag op de volgende plaatsen worden bevestigd:

a) aan de voorzijde, en

b) aan de achterzijde.

Een overkuil mag als volgt worden vastgeregen:

a) langs de omtrek aan de kuil en de tunnel over één rij mazen,

b) in de lengterichting over één enkele rij mazen.

4. In afwijking van lid 1 mag in actief vistuig een flap of keel worden gebruikt waarvan de mazen ten minste even groot zijn als die van de kuil. De keel mag binnen de kuil of vóór de kuil zijn aangebracht. De afstand tussen het voorste aanhechtingspunt van de keel tot het achtereinde van de kuil moet ten minste driemaal zo groot zijn als de lengte van de keel.

Artikel 6 Verboden voorzieningen

Het is verboden te vissen met gebruikmaking van:

a) een kuil waarin het aantal mazen van gelijke grootte rond de omtrek van de kuil van vóór naar achteren toeneemt;

b) een tunnel waarin het aantal mazen in de omtrek van de tunnel, met uitzondering van die in de naadlijn, waar dan ook kleiner is dan het aantal mazen, met uitzondering van die in de naadlijn, in de omtrek van het voorste einde van de kuil waaraan de tunnel is bevestigd;

c) een net met een maaswijdte van 32 mm of meer, waarin niet alle mazen vierzijdig zijn;

d) netmateriaal met eender welke vierzijdige maas waarvan de lengte van één van de zijden van de maas meer dan 10 % en minstens 2 mm van die van een andere zijde verschilt;

e) een demersaal net waaraan een kuil op een andere manier dan door naaien aan het deel van het net juist voor de kuil is bevestigd;

f) een combinatie van een kuil en een tunnel waarvan de gezamenlijke uitgestrekte lengte groter is dan 36 m in netten met een maaswijdte van meer dan 89 mm;

g) een kuil of een tunnel of een paneel met vierkante mazen, die niet uitsluitend uit één soort netmateriaal zijn vervaardigd;

h) een kuil en/of een tunnel die is vervaardigd uit meer dan één paneel netmateriaal, op zodanige wijze dat de gestrekte lengte van de bovenste helft van de kuil en/of de tunnel niet gelijk is aan de gestrekte lengte van de onderste helft of de bodem van het net.

Artikel 7 Verboden gebieden

Het is het hele jaar verboden met actief vistuig te vissen in de geografische zone die wordt begrensd door een lijn die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbindt:

54˚ 23´ NB, 14˚ 35´ OL

54˚ 21´ NB, 14˚ 40´ OL

54˚ 17´ NB, 14˚ 33´ OL

54˚ 07´ NB, 14˚ 25´ OL

54˚ 10´ NB, 14˚ 21´ OL

54˚ 14´ NB, 14˚ 25´ OL

54˚ 17´ NB, 14˚ 17´ OL

54˚ 24´ NB, 14˚ 11´ OL

54˚ 27´ NB, 14˚ 25´ OL

54˚ 23´ NB, 14˚ 35´ OL

DEEL IIPASSIEF VISTUIG

ARTIKEL 8 DOELSOORTEN EN MINIMUMMAASWIJDTEN

1. Voor elk van de in bijlage I vermelde deelsectoren staan de voor iedere doelsoort toegestane maaswijdten vermeld in bijlage III.

De minimumpercentages voor het aandeel van elke doelsoort in de totale hoeveelheid aan boord gehouden levende aquatische hulpbronnen per geografische zone en per maaswijdte staan eveneens vermeld in bijlage III.

2. Binnen een deelsector is het gebruik of het aan boord hebben van een kieuwnet, warnet of schakelnet met kleinere maaswijdten dan die welke in bijlage III zijn vermeld, verboden.

Bij schakelnetten moet de maaswijdte in het deel van het net met de grootste mazen overeenkomen met een van de in bijlage III vermelde klassen. De maaswijdte in het deel van het net met de kleinste mazen moet minder dan 16 mm bedragen.

3. Voor elke visreis is het verboden om in de in bijlage I vermelde deelsectoren gevangen en aan boord gehouden vis aan te landen als deze niet voldoet aan de voorwaarden die in bijlage III zijn bepaald.

Artikel 9Berekening van de percentages van de doelsoorten

1. De in bijlage III bedoelde percentages worden berekend ten opzichte van het levend gewicht van de totale hoeveelheid van alle in bijlage III vermelde soorten die:

a) na sorteren aan boord wordt gehouden, of

b) wordt aangevoerd.

2. De percentages van de doelsoorten en van de andere levende aquatische hulpbronnen worden verkregen door alle aan boord gehouden hoeveelheden van de doelsoorten en van de andere in bijlage III vermelde soorten samen te tellen.

3. Voor het berekenen van de percentages van de doelsoorten voor vissersvaartuigen waarvan bepaalde hoeveelheden van de in bijlage III vermelde soorten zijn overgeladen, worden ook de overgeladen hoeveelheden in aanmerking genomen.

4. De percentages van de doelsoorten mogen worden berekend aan de hand van een of meer representatieve monsters.

5. Wanneer vangsten ongesorteerd worden aangevoerd, zien de lidstaten erop toe dat de aangevoerde hoeveelheden worden geraamd op basis van representatieve monsters.

Artikel 10Afmetingen en onderwatertijd

1. Bij het vissen met geankerde drijvende netten en drijfnetten mogen per vaartuig niet meer dan 600 netten tegelijkertijd worden gebruikt; de lengte van elk net, gemeten over de bovenpees, mag niet meer dan 35 m bedragen. Naast het toegestane aantal netten mogen er maximaal 100 reservenetten aan boord zijn.

2. Bij het vissen met staande kieuwnetten, warnetten of schakelnetten mogen niet meer dan 12 km netten worden gebruikt voor vaartuigen met een lengte over alles van ten hoogste 12 meter en 24 km netten voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 12 meter.

3. De onderwatertijd van de in lid 2 bedoelde netten mag niet meer dan 48 uur bedragen.

Artikel 11Identificatiemerken

Het is verboden drijvend of geankerd vistuig te gebruiken zonder bebakening door middel van boeien of andere herkenningstekens.

Artikel 12Beperkingen ten aanzien van drijfnetten

1. Vanaf 1 januari 2008 is het verboden drijfnetten aan boord te hebben of daarmee te vissen.

2. In 2006 en 2007 mag een vaartuig drijfnetten aan boord hebben of daarmee vissen, indien het daartoe door de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat is gemachtigd.

3. In 2006 en 2007 mag het maximumaantal vaartuigen dat door een lidstaat kan worden gemachtigd om drijfnetten aan boord te hebben of daarmee te vissen, niet meer bedragen dan respectievelijk 40 % en 20 % van de vissersvaartuigen die in de periode van 2001 tot en met 2003 drijfnetten hebben gebruikt.

4. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 30 april van elk jaar de lijst van vaartuigen mee die gemachtigd zijn met drijfnetten te vissen.

Artikel 13 Voorwaarden betreffende drijfnetten

1. Wanneer drijfnetten worden gebruikt, wordt aan elk uiteinde van het net een drijvende boei met radarreflectoren bevestigd, zodat de positie ervan te allen tijde kan worden bepaald. De boeien zijn permanent gemerkt met de registratieletter(s) en het nummer van het vaartuig waartoe ze behoren.

2. De kapitein van een vissersvaartuig dat drijfnetten gebruikt, houdt een logboek bij waarin hij dagelijks de volgende gegevens noteert:

a) de totale lengte van de netten aan boord,

b) de totale lengte van de bij elke visserijactiviteit gebruikte netten,

c) het aantal als bijvangst gevangen walvisachtigen;

d) de datum en de plaats van dergelijke vangsten.

3. Elk vissersvaartuig dat drijfnetten gebruikt, moet de in artikel 12, lid 2, bedoelde machtiging aan boord hebben.

DEEL III GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN INZAKE NETTEN EN HET GEBRUIK ERVAN

ARTIKEL 14 BEPALING VAN DE MAASWIJDTE EN DE TWIJNDIKTE

De technische voorschriften voor het bepalen van de maaswijdte en de twijndikte van visnetten worden vastgesteld overeenkomstig de procedures van Verordening (EG) nr. 129/2003 van de Commissie[10].

Artikel 15Inachtneming van de voorgeschreven vangstpercentages

1. De hoeveelheden levende aquatische hulpbronnen die zijn gevangen boven de in de bijlagen II en III vermelde toegestane percentages mogen niet worden aangeland en moeten vóór elke terugkeer in de haven in zee worden teruggezet.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 moet, wanneer een vissersvaartuig tijdens een visreis een van de in bijlage I vermelde deelsectoren verlaat, binnen twee uur daarna zijn voldaan aan de in de bijlagen II en III vastgestelde minimumpercentages voor de doelsoorten die in de betrokken geografische zone zijn gevangen en aan boord zijn gehouden.

Artikel 16Voorwaarden inzake het gebruik van vistuig

1. Vistuig dat in een bepaalde geografische zone of in een bepaald tijdvak niet mag worden gebruikt, moet in het gesloten gebied of de gesloten tijd zodanig aan boord worden opgeborgen dat het niet gebruiksklaar is. Reservevistuig moet afzonderlijk en niet-gebruiksklaar worden opgeborgen.

2. Als niet-gebruiksklaar worden beschouwd:

a) actief vistuig indien:

i) de trawlborden aan de buiten- of binnenkant van de verschansing of aan de galgen zijn vastgesjord, en

ii) van de trawlborden of van de gewichten de vislijn van het sleepnet of de kabels zijn losgemaakt;

b) passief vistuig waarvoor zalm is omschreven als doelsoort, indien:

i) de netten onder een dekzeil zijn vastgesjord;

ii) de lijnen en vishaken in gesloten kisten zijn opgeborgen;

c) ringzegens, indien de sluitlijn uit het net is verwijderd.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag, wanneer vistuig wordt gebruikt waarvoor kabeljauw (Gadus morhua) in de bijlagen II of III is vermeld als doelsoort, geen ander type vistuig aan boord zijn.

HOOFDSTUK III MINIMUMMATEN VAN VIS BIJ AANVOER

Artikel 17Meting van vis

1. Vissen worden als ondermaats beschouwd indien zij kleiner zijn dan de minimummaat die in bijlage IV voor de betrokken soort en de betrokken geografische zone is vastgesteld.

2. De maat van een vis wordt gemeten van de punt van de gesloten snuit tot het uiteinde van de staartvin.

Artikel 18 Het aan boord houden van ondermaatse vis

1. Ondermaatse vissen mogen niet aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar moeten onmiddellijk in zee worden teruggezet.

2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op andere vissen dan die welke in bijlage II als doelsoort zijn vermeld voor de maaswijdteklassen kleiner dan 16 mm of van 16 tot en met 31 mm en zijn gevangen met actief vistuig met een maaswijdte van minder dan 32 mm, op voorwaarde dat de betrokken vissen niet zijn gesorteerd en niet voor menselijke consumptie worden verkocht, uitgestald of te koop aangeboden.

HOOFDSTUK IV BEPERKINGEN BETREFFENDE BEPAALDE ZONES OF LEVENDE AQUATISCHE HULPBRONNEN

Artikel 19Sluiting van het Bornholm Deep

In de periode van 15 mei tot en met 31 augustus geldt een volledig visverbod in het Bornholm Deep in de zone die wordt begrensd door een lijn die achtereenvolgens de volgende punten met elkaar verbindt:

– 55°30' NB, 15°30' OL,

– 55°30' NB, 16°30' OL,

– 55°00' NB, 16°30' OL,

– 55°00' NB, 16°00' OL,

– 55°15' NB, 16°00' OL,

– 55°15' NB, 15°30' OL,

– 55°30' NB, 15°30' OL.

Artikel 20 Beperkingen voor de visserij op kabeljauw

In de periode van 15 juni tot en met 15 augustus is het verboden kabeljauw aan boord te houden.

Artikel 21 Beperkingen voor de visserij op platvis

1. Het is verboden de volgende vissoorten aan boord te houden die zijn gevangen in de geografische zones en tijdens de periodes die hierna worden gespecificeerd:

Soort | Geografische zone | Periode |

Bot (Platichthys flesus) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 1 februari tot en met 15 mei |

Schol (Pleuronectes platessa) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 1 februari tot en met 15 mei |

Tarbot (Psetta maxima) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 1 juni tot en met 31 juli |

Griet (Scophtalmus rhombus) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 1 juni tot en met 31 juli |

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 mogen, wanneer vistuig wordt gebruikt waarvoor kabeljauw in de bijlagen II of III als doelsoort is vermeld, bijvangsten van bot, schol, tarbot en griet aan boord worden gehouden tot maximaal 10% van het levend gewicht van het totale vangst van kabeljauw die aan boord wordt gehouden in de in dat lid vermelde verboden perioden.

Artikel 22 Beperkingen voor de visserij op zalm en zeeforel

1. Het is verboden zalm ( Salmo salar ) of zeeforel ( Salmo trutta ) aan boord te houden:

a) van 1 juni tot en met 15 september in wateren van de deelsectoren 22 tot en met 31,

b) van 15 juni tot en met 30 september in wateren van deelsector 32.

2. Dit verbod geldt in de betrokken periode in het zeegebied dat zich uitstrekt buiten vier zeemijl van de basislijnen.

Artikel 23 Beperkingen voor de visserij op paling

Het aan boord houden van paling die is gevangen met actief vistuig is het gehele jaar verboden.

HOOFDSTUK VSPECIFIEKE MAATREGELEN VOOR DE GOLF VAN RIGA

Artikel 24Afbakening van de wateren

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder de “Golf van Riga”, de wateren begrensd:

a) in het westen door een lijn van 57° 34,1234' NB, 21° 42,9574' OL naar 57° 57,4760' NB, 21° 58,2789' OL, vandaar zuidwaarts naar het meest zuidelijke punt van het schiereiland Sõrve en vandaar in noordoostelijke richting langs de oostkust van het eiland Saaremaa, en

b) in het noorden door een lijn van 58°30,0' NB 23°13,2'OL naar 58°30,0'NB 23°41,1'OL.

Artikel 25 Speciaal visdocument

1. Voor de visserij in de Golf van Riga moeten vaartuigen beschikken over een speciaal visdocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat vaartuigen waaraan een speciaal visdocument is afgegeven overeenkomstig lid 1, voorkomen op een door elke lidstaat aan de Commissie mee te delen lijst waarin hun naam en intern registratienummer is vermeld.

3. De vaartuigen op die lijst moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) het totale motorvermogen (kW) van de in de lijsten opgenomen vaartuigen mag niet groter zijn dan het vermogen dat voor de betrokken lidstaat in de jaren 2000-2001 in de Golf van Riga is geconstateerd;

b) hun motorvermogen mag nooit groter zijn dan 221 kilowatt (kW).

Artikel 26Vervanging van vaartuigen of motoren

1. Elk vaartuig op de in artikel 25, lid 2, bedoelde lijst mag worden vervangen door een of meer andere vaartuigen, op voorwaarde dat:

a) vervanging in geen enkel geval leidt tot een verhoging van het in artikel 25, lid 3, onder a), bedoelde totale motorvermogen per lidstaat; en

b) het motorvermogen van vervangende vaartuigen 221 kW nooit overschrijdt.

2. De motoren van de vaartuigen die voorkomen op de in artikel 25, lid 2, bedoelde lijsten van de lidstaten mogen worden vervangen, op voorwaarde dat:

a) de vervanging van een motor er nooit toe leidt dat het motorvermogen van een vaartuig 221 kW overschrijdt, en

b) het vermogen van de ruilmotor niet zodanig is dat de vervanging leidt tot een verhoging van het totale motorvermogen voor de betrokken lidstaat als bedoeld in artikel 25, lid 3, onder a).

HOOFDSTUK VIALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 27Verboden vistuig en visserijpraktijken

1. Het is verboden levende aquatische hulpbronnen te vangen met behulp van boomkorren.

2. Het is verboden levende aquatische hulpbronnen te vangen met gebruikmaking van explosieven, giftige of bedwelmende stoffen, of elektrische stroom.

3. Het is verboden levende aquatische hulpbronnen die zijn gevangen met een van de in lid 2 genoemde methoden of met gebruikmaking van enigerlei projectiel, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden.

Artikel 28Wetenschappelijk onderzoek

1. Deze verordening is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, op voorwaarde dat:

a) deze activiteiten worden verricht met toestemming en onder gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten,

b) de Commissie en de lidstaat of lidstaten in de wateren waarvan het onderzoek plaatsvindt, daarvan tevoren in kennis zijn gesteld,

c) vaartuigen die dergelijke visserijactiviteiten uitoefenen, een vergunning aan boord hebben die is afgegeven door de lidstaat waarvan zij de vlag voeren.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1, mogen levende aquatische hulpbronnen die voor de in lid 1 genoemde doeleinden zijn gevangen, niet worden verkocht, opgeslagen, uitgestald of te koop worden aangeboden, tenzij:

a) zij voldoen aan de in bijlage IV vastgestelde minimummaat bij aanvoer, of

b) rechtstreeks worden verkocht voor andere doeleinden dan menselijke consumptie.

Artikel 29Kunstmatig uitzetten en overbrengen

Deze verordening is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van het kunstmatig uitzetten of overbrengen van levende aquatische hulpbronnen met toestemming en onder gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten. Wanneer levende aquatische hulpbronnen kunstmatig worden uitgezet in of overgebracht naar de wateren van een andere lidstaat of andere lidstaten, dienen de Commissie en alle betrokken lidstaten daarvan tevoren in kennis te worden gesteld.

Artikel 30 Maatregelen van lidstaten die uitsluitend van toepassing zijn op vaartuigen die hun vlag voeren

1. De lidstaten mogen voor instandhouding en beheer technische maatregelen nemen die zijn gericht op een beperking van de vangsten en die:

a) de in de communautaire visserijregelgeving vastgestelde maatregelen aanvullen, of

b) die strenger zijn dan de in die regelgeving vastgestelde minimumeisen.

Deze maatregelen gelden uitsluitend voor de vissers van de betrokken lidstaat en dienen met het Gemeenschapsrecht verenigbaar te zijn.

2. De betrokken lidstaat brengt dergelijke maatregelen onmiddellijk ter kennis van de Commissie en van de andere lidstaten.

3. De lidstaten verstrekken de Commissie desgevraagd alle nodige inlichtingen om de Commissie in staat te stellen te beoordelen of de maatregelen voldoen aan de voorwaarden van lid 1.

4. Indien de Commissie besluit dat de maatregelen niet voldoen aan de voorwaarden van lid 1, gelast zij de betrokken lidstaat bij besluit de maatregelen in te trekken of te wijzigen.

HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN

Artikel 31Uitvoeringsbepalingen

De uitvoeringsbepalingen van deze verordening worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

Artikel 32Wijziging van de bijlagen

Wijzigingen van de bijlagen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

Artikel 33Wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98

Verordening (EG) nr. 1434/98 wordt als volgt gewijzigd:

1) artikel 1, lid 2, wordt geschrapt;

2) artikel 2, leden 2 en 3, worden geschrapt;

3) artikel 3, lid 1, komt als volgt te luiden:

“1. Haring die is gevangen:

– in de gebieden 1 en 2 met sleepnetten met een minimummaaswijdte van 32 mm of meer, of

– in gebied 3 met sleepnetten met een minimummaaswijdte van 40 mm of meer, of

– in de gebieden 1, 2 en 3 met ander vistuig dan sleepnetten,

mag niet worden aangevoerd voor andere doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie, tenzij deze eerst ten verkoop voor rechtstreekse menselijke consumptie wordt aangeboden en geen koper wordt gevonden.”;

4) artikel 3, lid 2, eerste streepje, wordt geschrapt.

Artikel 34Intrekkingen

Verordening (EG) nr. 88/98 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening, volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 35Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op […]

Voor de Raad

De Voorzitter

BIJLAGE I

DEELSECTOREN VAN DE IN ARTIKEL 1 BEDOELDE GEOGRAFISCHE ZONE

Deelsector 22

De wateren begrensd door een lijn vanaf kaap Hasenøre (56° 09' NB, 10° 44' OL) op de oostkust van Jutland tot kaap Gniben (56° 01' NB, 11° 18' OL) op de westkust van Seeland, vandaar langs de westkust en de zuidkust van Seeland tot het punt op 12° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot het eiland Falster, vandaar langs de oostkust van het eiland Falster tot Gedser Odde (54° 34' NB, 11° 58' OL), vandaar rechtwijzend oost tot 12° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot de kust van de Bondsrepubliek Duitsland, vandaar in zuidwestelijke richting langs de kust van de Bondsrepubliek Duitsland en langs de oostkust van Jutland tot het beginpunt.

Deelsector 23

De wateren begrensd door een lijn vanaf kaap Gilbjerg Head (56° 08' NB, 12° 18' OL) op de noordkust van Seeland tot Kullen (56° 18' NB, 12° 28' OL) op de kust van Zweden, vandaar in zuidelijke richtlijn langs de kust van Zweden tot de vuurtoren van Falsterbo (55° 23' NB, 12° 50' OL), vandaar over de zuidelijke toegang van de Øresund tot de vuurtoren van Stevns (55° 19' NB, 12° 28' OL) op de kust van Seeland, vandaar in noordelijke richting langs de oostkust van Seeland tot het beginpunt.

Deelsector 24

De wateren begrensd door een lijn vanaf de vuurtoren van Stevns (55° 19' NB, 12° 28' OL) op de oostkust van Seeland over de zuidelijke toegang van de Øresund tot de vuurtoren van Falsterbo (55° 23' NB, 12° 50' OL) op de kust van Zweden, vandaar langs de zuidkust van Zweden tot de vuurtoren van Sandhammaren (55° 24' NB, 14° 12' OL), vandaar tot de vuurtoren van Hammerodde (55° 18' NB, 14° 47' OL) op de noordkust van Bornholm, vandaar langs de westkust en zuidkust van Bornholm tot het punt op 15° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot de kust van Polen, vandaar in westelijke richting langs de kusten van Polen en van Duitsland tot het punt op 12° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot het punt op 54° 34' NB en 12° 00' OL, vandaar rechtwijzend west tot Gedser Odde (54° 34' NB, 11° 58' OL), vandaar langs de oost- en noordkust van het eiland Falster tot het punt op 12° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot de zuidkust van Seeland, vandaar in westelijke en noordelijke richting langs de westkust van Seeland tot het beginpunt.

Deelsector 25

De wateren begrensd door een lijn vanaf een punt op de oostkust van Zweden op 56° 30' NB, rechtwijzend oost tot de westkust van het eiland Öland, vandaar zuidwaarts rond het eiland Öland tot het punt op de oostkust op 56° 30' NB, vandaar rechtwijzend oost tot 18° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot de kust van Polen, vandaar in westelijke richting langs de kust van Polen tot het punt op 15° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot het eiland Bornholm, vandaar langs de zuidkust en westkust van Bornholm tot de vuurtoren van Hammerodde (55° 18' NB, 14° 47' OL), vandaar tot de vuurtoren van Sandhammaren (55° 24' NB, 14° 12' OL) op de zuidkust van Zweden, vandaar in noordelijke richting langs de oostkust van Zweden tot het beginpunt.

Deelsector 26

De wateren begrensd door een lijn vanaf het punt 56° 30' NB en 18° 00' OL, vandaar rechtwijzend oost tot de westkust van Letland, vandaar in zuidelijke richting langs de kusten van Letland, Litouwen, Rusland en Polen tot het punt op de kust van Polen op 18° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot het beginpunt.

Deelsector 27

De wateren begrensd door een lijn vanaf een punt op de oostkust van het vasteland van Zweden op 59° 41' NB, 19° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot de noordkust van het eiland Gotland, vandaar in zuidelijke richting langs de westkust van Gotland tot het punt op 57° 00' NB, vandaar rechtwijzend west tot 18° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot 56° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot de oostkust van het eiland Öland, vandaar zuidwaarts rond het eiland Öland tot het punt op de westkust van dit eiland op 56° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot de kust van Zweden, vandaar in noordelijke richting langs de oostkust van Zweden tot het beginpunt.

Deelsector 28

De wateren begrensd door een lijn vanaf het punt op 58° 30' NB en 19° 00' OL, rechtwijzend oost naar de westkust van het eiland Saaremaa, vandaar noordwaarts rond het eiland Saaremaa tot het punt op de oostkust van dit eiland op 58° 30' NB, vandaar rechtwijzend oost tot de kust van Estland; vandaar in zuidelijke richting langs de westkust van Estland en de noord- en westkust van Letland tot het punt op 56° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot 18° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot 57° 00' NB, vandaar rechtwijzend oost tot de westkust van het eiland Gotland, vandaar in noordelijke richting tot het punt op de noordkust van Gotland op 19° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot het beginpunt.

Deelsector 29

De wateren begrensd door een lijn vanaf het punt op de oostkust van het vasteland van Zweden op 60° 30' NB, vandaar rechtwijzend oost tot het vasteland van Finland, vandaar in zuidelijke richting langs de westkust en zuidkust van Finland tot het punt op de zuidkust van het vasteland op 23° 00' OL, vandaar rechtwijzend zuid tot 59° 00' NB, vandaar rechtwijzend oost tot het vasteland van Estland, vandaar in zuidelijke richting langs de westkust van Estland tot het punt 58° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot de oostkust van het eiland Saaremaa, vandaar noordwaarts rond het eiland tot het punt op de westkust van dit eiland op 58° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot 19° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot het punt op het vasteland van de oostkust van Zweden op 59° 41' NB, vandaar in noordelijke richting langs de oostkust van Zweden tot het beginpunt.

Deelsector 30

De wateren begrensd door een lijn vanaf het punt op de oostkust van Zweden op 63° 30' NB, vandaar rechtwijzend oost tot het vasteland van Finland, vandaar in zuidelijke richting langs de kust van Finland tot een punt op 60° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot het vasteland van Zweden, vandaar in noordelijke richting langs de oostkust van Zweden tot het beginpunt.

Deelsector 31

De wateren begrensd door een lijn vanaf een punt op de oostkust van Zweden op 63° 30' NB, vandaar noordwaarts rond de Botnische Golf tot een punt op het vasteland van de westkust van Finland op 63° 30' NB, vandaar rechtwijzend west tot het beginpunt.

Deelsector 32

De wateren begrensd door een lijn vanaf een punt op de zuidkust van Finland op 23° 00' OL, vandaar oostwaarts rond de Finse Golf tot een punt op de westkust van Estland 59° 00' NB, vandaar rechtwijzend west tot 23° 00' OL, vandaar rechtwijzend noord tot het beginpunt.

BIJLAGE II

ACTIEF VISTUIG: TOEPASSELIJKE MAASWIJDTEKLASSEN, DOELSOORTEN EN VEREISTE VANGSTPERCENTAGES

Doelsoorten | Maaswijdteklasse (millimeter) |

Kabeljauw (Gadus morhua) | Deelsectoren 22-32 | 38 cm |

Bot (Platichthys flesus) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 21 cm |

Schol (Pleuronectes platessa) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 25 cm |

Tarbot (Psetta maxima) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 30 cm |

Griet (Scophthalmus rhombus) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 30 cm |

Paling (Anguilla anguilla) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 35 cm |

Zalm (Salmo salar) | Deelsectoren 22 tot en met 32 | 60 cm |

BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad. | Deze verordening |

Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3, leden 1 en 2 Artikel 3, lid 3 Artikel 3, lid 4 Artikel 3, lid 5 Artikel 4 Artikel 5, lid 1 Artikel 5, leden 2 en 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8, lid 1 Artikel 8, lid 2 Artikel 8, lid 3 Artikel 8, lid 4 Artikel 9, lid 1 Artikel 9, lid 2 Artikel 10, lid 1 Artikel 10, lid 2 Artikel 10, lid 3 Artikel 10, lid 4 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI | Artikel 1 Artikel 21 Artikel 17 Artikel 18, lid 1 – – – Artikel 3 Artikel 8 Artikel 14 Artikel 5 Artikel 16, lid 1 Artikel 16, lid 2 Artikel 7 Artikel 16, lid 3 Artikel 22 Artikel 10, lid 1 – Artikel 27, lid 2 Artikel 11 – Artikel 28 Artikel 29 Artikel 30 Artikel 31 Artikel 34 Artikel 35 Bijlage I – Bijlage IV Bijlagen II en III Aanhangsel van bijlage II Bijlage V |

[1] PB C […], […], blz. […].

[2] PB C […], […], blz. […].

[3] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

[4] PB L 237 van 26.8.1983, blz. 4.

[5] PB L 9 van 15.1.1998, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1520/98 van 13 juli 1998 (PB L 201 van 17.7.1998, blz. 1).

[6] PB L 236 van 23.9.2003, blz. 33.

[7] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7.

[8] PB L 191 van 7.7.1998, blz. 10

[9] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[10] PB L 22 van 25.1.2003, blz. 5.