52005PC0054

Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stapelvezels van polyester uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2852/2000 van de Raad houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stapelvezels van polyesters uit India en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het op deze invoer ingestelde voorlopige antidumpingrecht /* COM/2005/0054 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 17.02.2005

COM(2005) 54 definitief

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stapelvezels van polyester uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2852/2000 van de Raad houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stapelvezels van polyesters uit India en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het op deze invoer ingestelde voorlopige antidumpingrecht

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Op 19 december 2003 heeft de Commissie een antidumpingonderzoek geopend naar de invoer van stapelvezels van polyesters uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië en een tussentijds antidumpingonderzoek naar de invoer van hetzelfde product uit de Republiek Korea en Taiwan.

Daar bepaalde aspecten in verband met schade en oorzakelijk verband nader onderzocht moesten worden, werden geen voorlopige maatregelen genomen in het kader van de procedure betreffende de invoer uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië. Vervolgens werden de resultaten van beide procedures gecombineerd.

Van de vijf Chinese producenten/exporteurs die verzochten om als marktgerichte onderneming te worden behandeld, voldeed er slechts één aan de criteria. Voor de overige vier Chinese producenten/exporteurs werd de normale waarde vastgesteld aan de hand van de gegevens van een producent in het referentieland, de Verenigde Staten van Amerika. Daar drie van laatstbedoelde ondernemingen voldeden aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de antidumpingbasisverordening werden voor deze ondernemingen individuele rechten vastgesteld. Voor alle producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China werd een aanzienlijke dumpingmarge vastgesteld.

Een van de twee Saoedi-Arabische producenten/exporteurs heeft onbetrouwbare gegevens verstrekt. Voor deze producent/exporteur werd dezelfde dumpingmarge aangehouden als voor de andere.

Wat de Republiek Korea betreft, werd dumping vastgesteld voor twee van de drie in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs, hoewel de dumpingmarge lager was dan bij het oorspronkelijk onderzoek. Voor de derde onderneming werd een te verwaarlozen dumpingmarge vastgesteld. De gewijzigde omstandigheden bleken van duurzame aard te zijn. De maatregelen moeten daarom worden gewijzigd.

Voor de twee onderzochte ondernemingen in Taiwan die in het onderzoektijdvak goed waren voor meer dan 95% van de invoer van het betrokken product uit Taiwan werden te verwaarlozen dumpingmarges vastgesteld. De wijziging in de omstandigheden bleek van duurzame aard te zijn. Derhalve wordt voorgesteld de procedure ten aanzien van Taiwan te beëindigen zonder maatregelen in te stellen.

In de periode 2000 - 2003 steeg de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en Zuid-Korea met 12% en het daarmee overeenstemmende marktaandeel van 15,6% tot 17,6%, terwijl de invoerprijzen met 18% daalden en het verbruik in de EG stabiel bleef. De prijzen van de klagende EG-producenten op de vrije markt werden door de betrokken producenten/exporteurs onderboden met respectievelijk gemiddeld 16% (Volksrepubliek China), 16,8% (Saoedi-Arabië) en 24% (Zuid-Korea).

De productie van de klagende EG-producenten daalde met 5%, hun bezettingsgraad van 87% tot 81%, de omvang van hun verkoop op de vrije markt met 6%, hun gemiddelde verkoopprijzen met 8%, hun marktaandeel van 31% tot 29%, hun winstgevendheid van 4,4% tot -3,2%, het aantalo arbeidsplaatsen in hun bedrijven met 7%, terwijl de kasstroom in het onderzoektijdvak negatief was. Er wordt geoordeeld dat de klagende EG-producenten aanmerkelijke schade hebben geleden.

Er werd vastgesteld dat de achteruitgang van de situatie van de EG-producenten samenviel met de stijging van de invoer met dumping en dat geen andere factoren de aanmerkelijke schade konden hebben veroorzaakt die deze producenten hebben geleden.

Ten slotte werd vastgesteld dat er geen dwingende redenen waren om in het algemene belang van de EG geen antidumpingmaatregelen vast te stellen.

Derhalve wordt de Commissie voorgesteld het bijgevoegde voorstel voor een verordening van de Raad uiterlijk 16 februari 2005 goed te keuren zodat het voor goedkeuring aan de Raad kan worden voorgelegd en uiterlijk 18 maart 2005 in het Publicatieblad kan verschijnen.

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stapelvezels van polyester uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2852/2000 van de Raad houdende instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stapelvezels van polyesters uit India en de Republiek Korea en tot definitieve inning van het op deze invoer ingestelde voorlopige antidumpingrecht

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995[1] betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese EG (“de basisverordening”), met name op artikel 9 en artikel 11, lid 3,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,[2]

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

1. Geldende maatregelen

(1) In juli 1999 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1728/1999[3] definitieve antidumpingrechten ingesteld op stapelvezels van polyester uit Taiwan.

(2) In december 2000 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 2852/2000[4] definitieve antidumpingrechten ingesteld op stapelvezels van polyester uit onder meer de Republiek Korea.

(3) De definitieve antidumpingrechten waren als volgt, in procenten van de cif-prijs, grens EG:

– Taiwan

- Far Eastern Textile Ltd 6,8%

- Nan Ya Plastics Corporation 5,9%

- Shingkong Synthetic Fibres Co. 13,0%

- Alle andere ondernemingen 13,0%

– Republiek Korea

- Daehan Synthetic Fibre Co. Ltd. 0%

- Huvis Corporation 4,8%

- SK Global Co. Ltd. 4,8%

- Sung Lim Co. Ltd. 0%

- Alle andere ondernemingen 20,2%

2. Onderhavige onderzoeken

(4) Op 19 december 2003 heeft de Commissie met een bericht (“bericht van inleiding”) in het Publicatieblad van de Europese Unie [5] de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van stapelvezels van polyester uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië.

(5) Op dezelfde dag heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie [6] , de inleiding aangekondigd van een tussentijdse procedure voor de eventuele herziening van de definitieve antidumpingmaatregelen die bij de Verordeningen (EG) nr. 1728/1999 en (EG) nr. 2852/2000 waren vastgesteld ten aanzien van stapelvezels van polyester uit de Republiek Korea en Taiwan.

(6) De antidumpingonderzoeken werden geopend naar aanleiding van een klacht en een verzoek die op 10 november 2003 waren ingediend door het “Comité International de la Rayonne et des Fibres Synthétiques (CIRFS)” namens producenten die goed zijn voor een groot deel – in dit geval meer dan 40% - van de productie van stapelvezels van polyester in de EG. De klacht bevatte bewijsmateriaal dat het betrokken product met dumping werd ingevoerd en dat hierdoor aanmerkelijke schade was ontstaan, welk bewijsmateriaal toereikend werd geacht om tot de inleiding van procedures over te gaan.

3. Onderzoeken betreffende andere landen en geldende maatregelen

(7) Momenteel zijn definitieve antidumpingmaatregelen van toepassing op stapelvezels van polyester uit (i) Australië, Indonesië en Thailand, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1522/2000 van de Raad[7], (ii) India, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2852/2000 van de Raad en (iii) Wit Rusland, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1799/2002 van de Raad[8].

4. Partijen bij de procedures

(8) De Commissie heeft de haar bekende producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië, Korea en Taiwan, importeurs/handelaren in de EG en hun organisaties, leveranciers van de EG-producenten en EG-bedrijven die het betrokken product verwerken, de vertegenwoordigers van de betrokken exportlanden, de indiener van de klacht en andere haar bekende belanghebbende EG-producenten van de inleiding van de procedures in kennis gesteld. Zij werden in de gelegenheid gesteld om binnen een bepaalde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(9) Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China, Taiwan en Korea die in de klacht en het verzoek werden genoemd en het grote aantal ondernemingen dat het betrokken product in de EG invoert werd in beide berichten van inleiding vermeld dat misschien gebruik zou worden gemaakt van een steekproef voor de vaststelling van dumping en schade overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

(10) Om de Commissie in staat te stellen te besluiten of een steekproef moest worden samengesteld en – indien dat het geval was – deze samen te stellen, werd alle producenten/exporteurs in de in overweging 9 vermelde landen alsmede de importeurs in de EG verzocht contact op te nemen met de Commissie en de in de berichten van inleiding gevraagde basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 november 2003 (“steekproefperiode”).

(11) Na onderzoek van de door de Chinese producenten/exporteurs verstrekte gegevens en gezien het geringe aantal antwoorden op de vragenlijst die in verband met het samenstellen van de steekproef was toegezonden, bleek het niet nodig te zijn een steekproef van Chinese producenten/exporteurs samen te stellen.

(12) Negen Koreaanse producenten/exporteurs hebben de vragenlijst in verband met de steekproef beantwoord. De drie producenten/exporteurs die de grootste hoeveelheid hadden uitgevoerd werden voor de steekproef geselecteerd. Daar een van de geselecteerde ondernemingen later toch geen medewerking verleende, werd deze vervangen door de daarop volgende grootste onderneming in termen van exportvolume. De uiteindelijk in de steekproef opgenomen ondernemingen waren goed voor meer dan 80% van de gerapporteerde uitvoer van het betrokken product naar de EG in de steekproefperiode en waren de volgende:

- Huvis Corporation

- Sung Lim Co. Ltd.

- Saehan Industries Inc.

(13) Wat Taiwan betreft hebben vijf ondernemingen die het betrokken product in de steekproefperiode naar de EG hadden uitgevoerd, de vragenlijst in verband met de steekproef beantwoord. De drie grootste ondernemingen in termen van exportvolume werden in de steekproef opgenomen. Later bleek echter dat een van de geselecteerde ondernemingen het betrokken product in de steekproefperiode niet voor verbruik naar de EG had uitgevoerd en deze moest dus van de steekproef worden uitgesloten. De daarop volgende grootste onderneming, in termen van exportvolume, bleek zich in dezelfde situatie te bevinden. Bij opname van een andere onderneming in de steekproef – waardoor de termijn om de vragenlijst te beantwoorden verlengd had moeten worden – had het onderzoek wellicht niet tijdig voltooid kunnen worden. Daar de twee overblijvende ondernemingen in de steekproefperiode goed waren voor meer dan 95% van de uitvoer van het betrokken product naar de EG konden deze als representatief worden beschouwd. De steekproef bestond daarom uit de volgende ondernemingen:

- Far Eastern Textile Ltd.

- Nan Ya Plastics Corporation

(14) Vijf EG-importeurs die geen banden hadden met de betrokken producenten/exporteurs waren aanvankelijk voor de steekproef geselecteerd op basis van de omvang van hun invoer uit de betrokken landen. Een van de vijf geselecteerde ondernemingen moest later als niet-medewerkend worden beschouwd en van de steekproef uitgesloten. De vier overige ondernemingen zijn goed voor 14,6% van de totale invoer uit de betrokken landen, en zijn de volgende:

- S.I.M.P., SpA, Italië

- Highams Group Ltd., Verenigd Koninkrijk

- Tob Herman Industries, N.V., België

- Marubeni Europe plc Hamburg Branch, Duitsland

(15) De Commissie heeft de haar bekende belanghebbende Chinese producenten/exporteurs formulieren toegezonden waarmee een behandeling als marktgericht bedrijf kon worden aangevraagd of een individuele behandeling indien bij het onderzoek zou blijken dat zij niet in aanmerking kwamen voor een behandeling als marktgerichte onderneming. Antwoorden werden ontvangen van vijf producenten/exporteurs en van twee gelieerde ondernemingen.

(16) De Commissie heeft alle haar bekende belanghebbenden en de andere ondernemingen die zich binnen de gestelde termijn hadden bekendgemaakt een vragenlijst toegezonden. De vragenlijst werd beantwoord door vijf Chinese producenten/exporteurs, twee Saoedi-Arabische producenten/exporteurs, de drie in de steekproef opgenomen Koreaanse producenten/exporteurs, de twee in de steekproef opgenomen Taiwanese producenten/exporteurs, vijf EG-importeurs die banden hadden met een Saoedische exporteur, een EG-importeur die het betrokken product uit Korea invoerde, twee in de steekproef opgenomen EG-importeurs die geen banden hadden met de betrokken producenten/exporteurs, de zes EG-producenten namens welke de klacht was ingediend, twee andere EG-producenten, twee toeleveranciers van de EG-producenten, tien bedrijven die het betrokken product verwerken en een producent in het referentieland, de Verenigde Staten van Amerika (“VS”).

(17) De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, schade en het belang van de EG nodig had verzameld en gecontroleerd. Er vonden controles plaats bij de volgende ondernemingen:

(a) Klagende EG-producenten

- Catalana de Polimers, S.A, Spanje

- Dupont Sabanci Polyester GmbH, Duitsland

- Industrias Químicas Textiles, S.A., Spanje

- Tergal Fibres, S.A., Frankrijk

- Trevira GmbH, Duitsland

- Wellman International Limited, Ierland

(b) Niet-klagende EG-producenten

- Freudenberg Politex, S.r.l., Italië

- Realplastic, S.r.l., Italië

(c) Producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China

- De AnShun Pettechs Groep:

- Hangzhou AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd

- Deqing AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd

- Kunshan AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd

- Cixi Jiangnan Chemical Fiber Co. Ltd.

- Far Eastern Industries (Shanghai) Ltd.

- Jiangyin Changlong Chemical Fibre Co. Ltd

- Xiake Color Spinning Co., Ltd.

(d) Producenten/exporteurs in Saoedi-Arabië

- National Polyester Fibers Factory

- Saudi Basic Industries Corporation, en gelieerde producent Arabian Industrial Fibres Company (Ibn Rushd)

(e) Producenten/exporteurs in de Republiek Korea

- Huvis Corporation, Seoul

- Saehan Industries Inc., Seoul

- Sung Lim Co., Ltd., Kumi-si

(f) Producenten/exporteurs in Taiwan

- Nan Ya Plastics Corporation, Taipei

- Far Eastern Textile Ltd., Taipei

(g) Importeur die banden heeft met een exporteur

- Sabic Global Ltd, Nederland

(h) Importeur van het betrokken product uit Korea

- Saehan Industries Deutschland (Eschborn, Duitsland)

(i) Importeurs die geen banden hebben met de betrokken producenten/exporteurs

- S.I.M.P. SpA, Italië

- Highams Group Ltd., Verenigd Koninkrijk

- Tob Herman Industries, N.V., België

- Marubeni Europe plc Hamburg Branch, Duitsland

(18) Ten behoeve van het vaststellen van de normale waarde voor producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China die niet als marktgericht bedrijf konden worden behandeld, vond een controle plaats bij onderstaande onderneming in het referentieland:

- Wellman Inc., Verenigde Staten van Amerika

5. Onderzoektijdvak

(19) Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2000 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”).

6. Mededelingen

(20) Alle partijen werden in kennis gesteld van de voornaamste gegevens en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was de volgende aanbevelingen te doen:

(i) definitieve antidumpingrechten in te stellen op stapelvezels van polyesters uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië

(ii) de procedure betreffende Taiwan te beëindigen

(iii) Verordening (EG) nr. 2852/2000 van de Raad tot instelling van definitieve maatregelen ten aanzien van stapelvezels van polyesters uit onder meer de Republiek Korea te wijzigen.

Overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening konden de partijen hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken.

(21) De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de partijen werd onderzocht en waar nodig werden de definitieve bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Betrokken product

(22) De procedure heeft betrekking op het product dat is gedefinieerd in de in de overwegingen 1 en 2 vermelde verordeningen.

(23) De definitie van het product is als volgt: synthetische stapelvezels van polyesters, niet gekaard, niet gekamd, noch op andere wijze bewerkt met het oog op het spinnen, ingedeeld onder GN-code 5503 20 00 (hierna “polyester stapelvezels”, “het betrokken product” of “het product” genoemd).

(24) Het betrokken product is een basismateriaal dat in diverse stadia van de productie van textielproducten wordt gebruikt. Polyester stapelvezels worden gebruikt in spinnerijen, voor het vervaardigen van filamenten voor de productie van textiel, al dan niet gemengd met andere vezels, bijvoorbeeld vezels van katoen of wol, of voor nonwoven toepassingen, bijvoorbeeld voor het vullen of watteren van textielproducten zoals kussens, autostoelen en anoraks.

(25) Het betrokken product wordt in verschillende soorten verkocht die kunnen worden onderverdeeld al naar gelang van gewicht, reksterkte, glans, siliconenbehandeling of door indeling in verschillende productfamilies zoals ronde, holle of bicomponente vezels en speciale producten zoals gekleurde en drielobbige vezels. Uit het oogpunt van de productie kan een onderscheid worden gemaakt tussen het product dat uit nieuwe grondstoffen wordt vervaardigd en het geregenereerde product dat van gerecycleerde stoffen wordt vervaardigd. Ten slotte wordt een onderscheid gemaakt tussen producten van eerste en tweede keuze.

(26) Bij het onderzoek is gebleken dat alle soorten van het betrokken product dat in overweging 23 is omschreven, ondanks de in de voorgaande overweging beschreven verschillen, dezelfde fysische en chemische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Derhalve worden alle soorten van het betrokken product in het kader van deze antidumpingprocedures als een enkel product beschouwd.

2. Soortgelijk product

(27) Het product uit de onderzochte exportlanden dat in die landen op de binnenlandse markt wordt verkocht en naar de EG uitgevoerd, het product uit het referentieland (“VS”) dat aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht en het product dat door de EG-producenten wordt vervaardigd en in de EG verkocht beantwoorden alle aan de omschrijving van het betrokken product in de voorgaande overwegingen en zijn dus soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C. DUMPING

1. Algemene werkwijze

(28) De hierna beschreven algemene werkwijze om dumping vast te stellen werd toegepast op alle producenten/exporteurs in de Republiek Korea, Taiwan, Saoedi-Arabië en, in de mate van het mogelijke, op die in de Volksrepubliek China. De daarop volgende uiteenzetting van de bevindingen per land bevat dus alleen die punten die specifiek zijn voor dat land.

2. Normale waarde

(29) Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd eerst voor iedere medewerkende producent/exporteur nagegaan of zijn binnenlandse verkoop van het betrokken product representatief was, met andere woorden of de totale binnenlandse verkoop minstens 5% bedroeg van de uitvoer van dat product naar de EG.

(30) Vervolgens heeft de Commissie vastgesteld welke op de binnenlandse markt verkochte soorten identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de soorten die naar de EG waren uitgevoerd. Wat het onderzoek per soort betreft, heeft de Commissie in het binnenland verkochte en uitgevoerde soorten als rechtstreeks vergelijkbaar beschouwd indien zij dezelfde herkomst, denier, samenstelling, dwarsdoorsnede, glans, kleur, kwaliteit en toepassingsmogelijkheden hadden en dezelfde siliconenbehandeling hadden ondergaan.

(31) Voor ieder soort die op de binnenlandse markt was verkocht en rechtstreeks vergelijkbaar was met de naar de EG uitgevoerde soort werd vastgesteld of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaalde soort werd voldoende representatief geacht wanneer deze verkoop in het onderzoektijdvak 5% of meer had bedragen van de totale uitvoer van die soort naar de EG.

(32) Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de representatieve binnenlandse verkoop van iedere soort had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening door voor iedere soort het aandeel vast te stellen van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers. Indien van een soort 80% of meer was verkocht tegen nettoprijzen die gelijk waren aan of hoger dan de berekende productiekosten van die soort en de gewogen gemiddelde prijs van die soort gelijk was aan of hoger dan de productiekosten werd de normale waarde gebaseerd op de binnenlandse prijs, dat wil zeggen de gewogen gemiddelde prijs van de gehele, al dan niet winstgevende binnenlandse verkoop, van die soort in het onderzoektijdvak. Indien de winstgevende verkoop van een soort 80% of minder bedroeg van de totale verkoop van die soort of indien de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de productiekosten, werd de normale waarde gebaseerd op de binnenlandse prijs, dat wil zeggen de gewogen gemiddelde prijs van uitsluitend de winstgevende verkoop van die soort, mits deze ten minste 10% bedroeg van de totale verkoop van die soort.

(33) Indien van een soort minder dan 10% met winst was verkocht, werd geoordeeld dat van deze soort onvoldoende was verkocht om aan de hand van die verkoop de normale waarde vast te stellen. Wanneer geen gebruik kon worden gebruikt van de binnenlandse prijzen van een bepaalde soort om de normale waarde vast te stellen, moest een andere methode worden gebruikt.

(34) Onderzocht werd dan of de normale waarde kon worden vastgesteld aan de hand van de binnenlandse prijzen van andere producenten overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening. Indien geen betrouwbare binnenlandse prijzen van andere producenten beschikbaar waren, werd de normale waarde geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening.

(35) Overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening werd de normale waarde geconstrueerd door de fabricagekosten van de betrokken producent/exporteur te nemen en daaraan een redelijk bedrag toe te voegen voor verkoopkosten, algemene en administratieve kosten (VAA-kosten) en winst.

(36) De Commissie heeft onderzocht of de VAA-kosten en winst bij verkoop door de betrokken producent/exporteur op de binnenlandse markt betrouwbare gegevens waren.

(37) De binnenlandse VAA-kosten werden betrouwbaar geacht indien de binnenlandse verkoop van de betrokken onderneming als representatief kon worden beschouwd in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse winstmarge was dan gelijk aan die op de binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties.

(38) Wanneer niet aan deze voorwaarden was voldaan, werd onderzocht of de gegevens van andere producenten/exporteurs in het betrokken land konden worden gebruikt overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening. Wanneer slechts voor één producent/exporteur betrouwbare gegevens beschikbaar waren, kon geen gemiddelde overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van de basisverordening worden vastgesteld en werd onderzocht of voldaan was aan de voorwaarde van artikel 2, lid 6, onder b), met andere woorden of gebruik kon worden gemaakt van gegevens over productie en verkoop van dezelfde algemene categorie producten van de betrokken producent/exporteur. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar waren of niet werden verstrekt door de producent/exporteur, werden de VAA-kosten en winst vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c) van de basisverordening, d.w.z. op basis van een andere redelijke methode.

3. Exportprijs

(39) Wannneer het product aan onafhankelijke afnemers in de EG was uitgevoerd, werd de exportprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening namelijk aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

(40) Indien de verkoop naar de EG via een gelieerde importeur had plaatsgevonden en de prijs daarom niet als betrouwbaar werd geacht, werd de exportprijs gecontrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening door de prijs te nemen waartegen het product voor de eerste maal was doorverkocht aan een onafhankelijke afnemer in de EG, op welke prijs zo nodig correcties werden toegepast voor alle kosten tussen invoer en wederverkoop, en daaraan een redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst toe te voegen. In dit verband werd gebruik gemaakt van de eigen VAA-kosten van de gelieerde importeur. Het is de normale praktijk van de diensten van de Commissie de winstmarge vast te stellen aan de hand van gegevens die medewerkende niet-gelieerde importeurs verstrekken.

(41) Eén niet-gelieerde importeur bleek het product slechts bij wijze van nevenactiteit te verhandelen. Daarom werd de winstmarge van deze importeur niet in aanmerking genomen.

4. Vergelijking

(42) De normale waarde en de exportprijzen werden, per soort, vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking van de normale waarde met de exportprijs mogelijk te maken, werden correcties toegepast voor verschillen die gevolgen hadden voor de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening. Correcties werden toegestaan wanneer de betrokken verzoeken redelijk en accuraat waren en met bewijsmateriaal gestaafd.

5. Dumpingmarge voor de onderzochte ondernemingen

(43) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, doch niet in de in overweging 45 beschreven gevallen, werd de dumpingmarge voor iedere producent/exporteur vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs per productsoort.

(44) In een geval moest worden onderzocht of een vergelijking per transactie mogelijk was omdat de dumpingmarge niet geheel tot uiting kwam bij een vergelijking van gemiddelden (zie overwegingen 133, 134 en 135) Een vergelijking per transactie was echter niet mogelijk gezien het grote verschil in het aantal binnenlandse transacties en exporttransacties. Bovendien bleken de binnenlandse transacties en de exporttransacties niet samen te vallen in de tijd.

(45) Wanneer de exportprijzen in de tijd sterk uiteenliepen en de dumpingmarge niet volledig tot uiting kwam bij gebruik van de in overweging 43 beschreven methode, werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de prijzen van alle afzonderlijke exporttransacties overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening.

(46) Voor producenten/exporteurs die banden met elkaar hadden werd een gemiddelde dumpingmarge berekend overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie.

6. Residuele dumpingmarge

(47) Voor niet-medewerkende ondernemingen werd een “residuele” dumpingmarge vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening.

(48) Om de residuele dumpingmarge vast te stellen, werd eerst het niveau van medewerking onderzocht. Het niveau van medewerking werd als hoog beschouwd indien het door de producenten/exporteurs opgegeven exportvolume voldoende overeenstemde met de Eurostat-gegevens voor het betrokken land en er geen redenen waren om aan te nemen dat er producenten/exporteurs waren die geen medewerking verleenden. In dat geval was de residuele dumpingmarge gelijk aan de dumpingmarge van de medewerkende onderneming met de hoogste dumpingmarge teneinde de doeltreffendheid van eventuele maatregelen te waarborgen.

(49) Indien het niveau van medewerking laag was, werd de residuele dumpingmarge gelijkgesteld met de hoogste dumpingmarge die was vastgesteld voor een representatieve productsoort van een medewerkende producent. Deze werkwijze werd gevolgd om te voorkomen dat het niet-verlenen van medewerking wordt beloond en als er geen aanwijzingen waren dat de dumpingmarge voor een niet-medewerkend bedrijf lager zou zijn.

7. Volksrepubliek China

7.1 Behandeling als marktgericht bedrijf

(50) In antidumpingprocedures die betrekking hebben op de Volksrepubliek China wordt de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot 6 van artikel 2 van de basisverordening voor producenten die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c).

(51) Kort samengevat zijn de criteria van artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening – waaraan de ondernemingen moeten voldoen om als marktgericht bedrijf te worden beschouwd – de volgende:

1. de besluiten van het bedrijf inzake prijzen en kosten worden genomen als reactie op marktsignalen en zonder staatsinmening van betekenis op dat punt;

2. de boekhouding van het bedrijf wordt gecontroleerd door een onafhankelijke accountant in overeenstemming met de internationale boekhoudnormen en bestrijkt alle terreinen;

3. er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4. rechtszekerheid en stabiliteit worden gewaarborgd door faillissements- en eigendomswetgeving;

5. munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(52) Vijf producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China hebben om een behandeling als marktgericht bedrijf verzocht overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b) van de basisverordening en de desbetreffende vragenlijst beantwoord. De gegevens die deze ondernemingen hebben verstrekt werden door de Commissie ter plaatse gecontroleerd.

(53) Slechts één van de vijf producenten/exporteurs bleek aan de criteria te voldoen en werd daarom als marktgericht bedrijf behandeld. Deze producent/exporteur is:

- Far Eastern Industries (Shanghai) Ltd.

(54) De verzoeken van de vier overige ondernemingen moesten worden afgewezen. In de volgende tabel wordt de situatie van deze ondernemingen samengevat aan de hand van de vijf criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

Onderneming | Of voldaan werd aan de criteria van |

artikel 2, lid 7, onder c) eerste streepje | artikel 2, lid 7, onder c) tweede streepje | artikel 2, lid 7, onder c) derde streepje | artikel 2, lid 7, onder c) vierde streepje | artikel 2, lid 7, onder c) vijfde streepje |

1 | Nee | Nee | Nee | Ja | Ja |

2 | Ja | Nee | Nee | Ja | Ja |

3 | Nee | Nee | Nee | Ja | Ja |

4 | Nee | Nee | Nee | Ja | Ja |

Bron: Gecontroleerde antwoorden van medewerkende Chinese exporteurs op de vragenlijst |

(55) De betrokken ondernemingen konden opmerkingen maken over deze bevindingen. Zij betwistten deze en herhaalden hun verzoek om als marktgericht bedrijf te worden behandeld.

(56) In verband met het eerste criterium, namelijk dat zakelijke besluiten moeten worden genomen als reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis en dat de kosten marktconform moeten zijn, maakte een onderneming bezwaar tegen de conclusie van de Commissie dat zij een subsidie had ontvangen en dat haar kosten dus niet marktconform waren. De overheid had als aandeelhouder bij de oprichting van de onderneming activa ingebracht, maar geen compensatie voor de meerwaarde ontvangen toen de aandelen werden verkocht. Bij de controle ter plaatse werd bevestigd dat de overheidsaandeelhouder geen vergoeding had ontvangen voor de waardestijging. Door dit financiële voordeel had de onderneming niet de marktwaarde betaald voor de activa die nodig zijn voor de productie van het betrokken product. Bijgevolg werd geoordeeld dat besluiten inzake kosten en productiemiddelen niet werden genomen als reactie op marktsignalen.

(57) Bovendien had de onderneming getracht mogelijke staatsinmenging te verhullen. Uit de vertaling van de Chinese versie van de bedrijfsvergunning van de onderneming bleek dat gegevens over de bedrijfsactiviteiten van de aandeelhouder, met name verwijzingen naar beheer en werking van de activa die eigendom waren van de stad, zonder meer waren weggelaten. De conclusie was dat de onderneming niet had kunnen aantonen op marktvoorwaarden te werken. Geen van de argumenten die deze onderneming na de mededeling van deze conclusie heeft aangevoerd konden deze conclusie wijzigen en het verzoek werd afgewezen.

(58) In verband met het tweede criterium – dat de bedrijven over een duidelijke basisboekhouding moeten beschikken die door een onafhankelijke accountant in overeenstemming met de internationaal boekhoudnormen moet worden gecontroleerd – voerden vier ondernemingen aan dat zij het aan het criterium voldeden omdat hun basisboekhouding door een onafhankelijke accountant werd gecontroleerd. Het accountantsrapport van drie ondernemingen bleek echter geen melding te maken van verschillende ernstige problemen (waaronder de niet-naleving van de internationale basisboekhoudnormen) die bij de controle ter plaatste waren ontdekt en geen uitleg bevatte over wijzigingen in het boekhoudbeleid. Een andere onderneming bleek geen rekening te hebben gehouden met de aanbevelingen van de accountant. De conclusie was daarom dat de boekhouding van de betrokken ondernemingen niet gecontroleerd werd in overeenstemming met de internationaal boekhoudnormen zoals vereist bij artikel 2, lid 7, onder c), tweede streepje van de basisverordening en de verzoeken werden derhalve afgewezen.

(59) In verband met het derde criterium voerden drie ondernemingen aan dat, in tegenstelling tot de bevindingen van de Commissie, zij niet onderhevig waren aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie. De eerste onderneming bleek echter van de overheid een rentevrije lening alsmede verschillende andere subsidies te hebben ontvangen. Dit betekende dat de productiekosten nog onderhevig waren aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie. Voor de tweede onderneming kon geen overeenstemming worden vastgesteld tussen de door haar verschuldigde en betaalde gebruiksrechten voor grond. Bovendien werd vastgesteld (in verband met het tweede criterium) dat immateriële activa niet overeenkomstig de boekhoudnormen waren afgeschreven. Een derde onderneming voerde aan dat het feit dat zij niet kon bewijzen dat het kapitaal was gestort zoals bepaald in haar statuten niet gelijkstond met een verstoring van betekenis die nog voortvloeide uit het vroegere systeem zonder markteconomie, omdat het hier om particuliere belangen ging. Bij het onderzoek bleek echter dat de voorschriften met betrekking tot het storten van kapitaal niet waren nageleefd. Derhalve werd geconcludeerd dat deze onderneming nog onderhevig was aan een aanzienlijke verstoring die nog voortvloeide uit het vroegere systeem zonder markteconomie, waardoor haar kosten onjuist waren weergegeven, met name in verband met de afschrijving van activa. Daar de betrokken ondernemingen niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje van de basisverordening, werden hun verzoeken afgewezen.

(60) Een onderneming voerde aan dat de Commissie bij de behandeling van haar verzoek om als marktgericht bedrijf te worden beschouwd de bij artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening vastgestelde termijn van drie maanden had overschreden en dat de bevindingen van de Commissie daarom ongeldig waren.

(61) De Commissie wijst er in dit verband op dat zij de betrokken Chinese ondernemingen, waaronder bovenvermelde, die ernstige problemen hadden om de vragenlijsten binnen de termijn te beantwoorden, verschillende termijnverlengingen had toegestaan.

(62) Het onderzoek had vertraging opgelopen omdat de meeste antwoorden op de vragenlijsten onduidelijk waren waardoor verscheidene malen om toelichtingen en aanvullende informatie moest worden gevraagd. Ook had het onderzoek vertraging opgelopen door de complexiteit van een aantal kwesties zoals de structuur van de ondernemingen en de verkoopkanalen waarvan deze gebruik maakten en door ernstige problemen bij de controle ter plaatse in verband met de boekhouding van de ondernemingen, zodat het niet mogelijk was binnen de drie maanden tot een conclusie te komen aangaande de verzoeken om een behandeling als marktgericht bedrijf.

(63) In dit opzicht wordt erop gewezen dat de overschrijding van deze termijn geen juridische gevolgen heeft daar de ondernemingen ook in de gelegenheid werden gesteld om opmerkingen te maken. Bedoelde onderneming heeft niet eerder gewag gemaakt van nadelige gevolgen die zij zou hebben ondervonden omdat de Commissie meer tijd nodig had om tot bevindingen te komen over haar verzoek om een behandeling als marktgericht bedrijf. Andere belanghebbenden hebben evenmin aangevoerd hierdoor een nadeel te hebben ondervonden.

(64) Gelet op het voorgaande is de conclusie dat ook na het verstrijken van de termijn van drie maanden een geldige conclusie kan worden geformuleerd in verband met verzoeken om een behandeling als marktgericht bedrijf en het verzoek van de betrokken onderneming werd derhalve afgewezen.

(65) Het Raadgevend Comité werd geraadpleegd en de rechtstreeks betrokken partijen werden van de conclusies in kennis gesteld. De EG-producenten hebben geen opmerkingen gemaakt over de conclusies betreffende de verzoeken om een behandeling als marktgericht bedrijf.

7.2 Individuele behandeling

(66) Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt een voor het gehele land geldend recht vastgesteld voor landen waarop artikel 2, lid 7, van de basisverordening van toepassing is, tenzij ondernemingen in die landen, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening, kunnen aantonen dat zij a) kapitaal en winsten vrij kunnen repatriëren b) hun exportprijzen en -hoeveelheden en de verkoopvoorwaarden vrij kunnen vaststellen, c) de meerderheid van hun aandeelhouders particulieren zijn, d) zij valuta’s tegen marktkoersen omrekenen, en e) de staatsinmenging niet dusdanig is dat maatregelen ontweken kunnen worden indien voor individuele exporteurs verschillende rechten worden vastgesteld.

(67) De vijf producenten/exporteurs die om een behandeling als marktgericht bedrijf hadden verzocht, hadden ook verzocht om een individuele behandeling indien zij niet als marktgericht bedrijf konden worden beschouwd. Zoals hierboven vermeld, moesten de ondernemingen aantonen dat zij aan de criteria voldeden van artikel 9, lid 5, van de basisverordening. Zoals vermeld in overweging 57 heeft een onderneming misleidende gegevens verstrekt over de bedrijfsactiviteiten van een van zijn aandeelhouders om mogelijke staatsinmenging te verhullen. De onderneming kon hierdoor niet aantonen dat zij volledig vrij was haar exportprijzen en –hoeveelheden alsmede de verkoopvoorwaarden vast te stellen. Bovendien kon ze niet aantonen dat de staatsinmenging niet dusdanig was dat maatregelen ontweken konden worden indien haar een individueel recht werd toegekend. Aangezien deze onderneming niet aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldeed, werd haar geen individuele behandeling toegestaan.

(68) Een van de andere drie ondernemingen die geen behandeling als marktgericht bedrijf had verkregen was ten dele in buitenlandse handen en was vrij haar winsten te repatriëren. De twee andere ondernemingen waren in handen van in de Volksrepubliek China gevestigd gevestigde Chinezen en vallen daarom niet onder dit criterium. Uit de gecontroleerde gegevens van deze drie ondernemingen bleek dat zij hun exportprijzen en –hoeveelheden en hun verkoopvoorwaarden vrij konden vaststellen. De staatsinmenging in deze ondernemingen was ook niet dusdanig dat maatregelen ontweken konden worden, daar de meerderheid van de aandeelhouders particuliere ondernemingen waren. Daar deze ondernemingen zowel op de binnenlandse als op de buitenlandse markt met elkaar concurreren, zal geen onderneming met een lager recht toestaan dat een andere onderneming, waarvoor een hoger recht geldt, van haar lagere recht gebruik maakt om het hogere recht te ontduiken. Zoals reeds vermeld in overweging 54 voldeden alle ondernemingen aan het vijfde criterium van artikel 2, lid 7, onder c) van de basisverordening, namelijk dat munteenheden tegen de marktkoers worden omgerekend. De conclusie was dat drie van de ondernemingen die niet als marktgericht bedrijf konden worden beschouwd, wel voor een individuele behandeling in aanmerking kwamen volgens de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening.

(69) De volgende drie producenten/exporteurs in de Volksrepubliek China kwamen voor een individuele behandeling in aanmerking:

- De groep AnShun Pettechs, die banden heeft met de volgende exporteurs:

- Hangzhou AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd

- Deqing AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd

- Kunshan AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd

- Cixi Jiangnan Chemical Fiber Co. Ltd.

- Jiangyin Changlong Chemical Fibre Co. Ltd

7.3 Normale waarde

7.3.1 Voor medewerkende ondernemingen die als marktgericht bedrijf werden beschouwd

(70) De Chinese producent/exporteur die als marktgericht bedrijf werd beschouwd werd verzocht gegevens te verstrekken over zijn binnenlandse verkoop en de productiekosten van het betrokken product. De antwoorden werden ter plaatse gecontroleerd.

(71) Voor de vaststelling van de normale waarde paste de Commissie de methode toe die is beschreven in de overwegingen 29 tot en met 38.

7.3.2 Voor ondernemingen die niet als marktgericht bedrijf werden beschouwd

- (i) Keuze van het referentieland

(72) Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt de normale waarde voor producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf worden beschouwd vastgesteld aan de hand van de prijs of de geconstrueerde waarde in een land met markteconomie (“het referentieland”).

(73) In het bericht van inleiding werd vermeld dat overwogen werd de VS te kiezen als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde voor de Volksrepubliek China. Drie producenten/exporteurs maakten binnen de termijn bezwaar tegen deze keuze. Eén stelde voor als referentieland het exportland met de laagste normale waarde te kiezen dat bij onderhavige procedure is betrokken. Gelet op het verschil in economische ontwikkeling van de VS en de Volksrepubliek China zouden de kosten, waaronder de prijzen van grondstoffen, in de VS hoger zijn.

(74) Om vast te stellen of de VS een geschikt referentieland was, heeft de Commissie de haar bekende producenten van polyester stapelvezels in andere landen met een markteconomie (de VS, India, Indonesië en Thailand) om gegevens over hun verkoop en marktvoorwaarden verzocht. Zij heeft een antwoord op de door haar gestelde vragen ontvangen van een producent in de VS, een producent in India en twee producenten in Indonesië. De Commissie heeft eveneens onderzocht of Taiwan en de Republiek Korea – die betrokken zijn bij de parallelle tussentijdse herzieningsprocedure betreffende hetzelfde product (zie overweging 5) - beschouwd konden worden als geschikte referentielanden.

(75) Uit de gegevens van het parallelle tussentijdse onderzoek bleek dat in Taiwan slechts uit nieuwe grondstoffen verkregen polyester stapelvezels op de binnenlandse markt werden verkocht, terwijl de Chinese exporteurs die geen behandeling als marktgericht bedrijf hadden verkregen uitsluitend polyester stapelvezels uit gerecycleerde materialen verkochten. Dit betekent dat aanzienlijke correcties moeten worden toegepast om de normale waarde met de exportprijs te kunnen vergelijken. De Koreaanse producenten/exporteurs voerden het betrokken product tegen dumpingprijzen naar de EG uit (zie overwegingen 108 tot en met 127), hetgeen erop wees dat de binnenlandse markt van dit land zeer waarschijnlijk was verstoord. Bovendien werden op de Koreaanse markt meestal polyester stapelvezels uit nieuwe materialen verkocht; slechts een onderneming (van drie) vervaardigde polyester stapelvezels uit gerecycleerd materiaal. In de VS daarentegen werden polyester stapelvezels uit zowel nieuwe als gerecycleerde materialen in toereikende hoeveelheden verkocht. De conclusie was dat Korea of Taiwan als referentieland niet geschikter waren dan de VS. Voor andere mogelijke referentielanden gelden reeds antidumpingrechten en/of compenserende rechten, hetgeen wijst op verstoringen op de binnenlandse markt van deze landen.

(76) Bij onderzoek van de gegevens waarover de Commissie beschikte bleek dat de markt van de VS voor het betrokken product groot en sterk concurrerend is: hierop zijn meer dan tien binnenlandse producenten aanwezig en er worden aanzienlijke hoeveelheden ingevoerd. Hoewel antidumpingrechten van toepassing waren op het betrokken product uit de Republiek Korea en Taiwan, was de invoer van dit product uit andere landen nog aanzienlijk.

(77) Zoals vermeld in overweging 27, was het product dat in de VS werd vervaardigd en aldaar op de binnenlandse markt verkocht vergelijkbaar met het product dat uit China in de EG werd ingevoerd. Voor de vergelijking werden slechts die in de VS vervaardigde productsoorten in aanmerking genomen die met behulp van eenzelfde productieproces waren vervaardigd, namelijk die met gebruik van gerecycleerd afval.

(78) In China werd de belangrijkste grondstof, gerecycleerde afval, grotendeels aangekocht op de binnenlandse markt; een deel werd evenwel ook ingevoerd uit de VS en Europa. De producent in het referentieland kocht zijn grondstof uitsluitend aan in het binnenland. De conclusie was dat toegang tot de grondstof in de VS even gemakkelijk of zelfs gemakkelijker was als de Volksrepubliek China.

(79) De keuze van het referentieland aan de hand van de laagste normale waarde werd als onredelijk beschouwd omdat dit geen keuze is die op duidelijke criteria is gebaseerd, maar op het resultaat. Het feit dat kosten in een derde land met markteconomie hoger zijn kan op zich geen reden zijn om dat land als referentieland uit te sluiten. Staatsinmenging kan immers als doel hebben de kosten voor binnenlandse bedrijfstakken laag te houden om hun concurrentievermogen te ondersteunen. In dat geval zouden de lagere kosten het gevolg zijn van staatsinmenging en niet van marktwerking. Doel van artikel 2, lid 7, onder a) van de basisverordening is juist om een land te kiezen waar de prijzen en kosten (en dus de normale waarde) niet beïnvloed worden door omstandigheden die in strijd zijn met die van een markteconomie.

(80) Het verschil in economische ontwikkeling van de VS en de Volksrepubliek China is op zich geen relevante factor voor de selectie van een referentieland. De normale waarde zou op een moderne, kostenefficiënte markt die gekenmerkt wordt door sterke concurrentie lager moeten zijn dan op een markt waarvan de economische ontwikkeling vergelijkbaar is met die van het land zonder markteconomie.

(81) Gelet op het voorgaande werd geconcludeerd dat de VS het geschikste referentieland waren en dat de selectie van de VS in deze omstandigheden redelijk en gerechtvaardigd was overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening.

(82) De producent in de VS werd om gegevens verzocht over de binnenlandse verkoopprijzen en productiekosten van het betrokken product. Het antwoord van de producent werd ter plaatse gecontroleerd.

(83) Na het verstrijken van de termijn om opmerkingen te maken, hebben twee Chinese producenten/exporteurs aangevoerd dat de VS geen geschikt referentieland waren daar er sinds januari 2001 een onderzoek loopt naar concurrentievervalsing en prijsafspraken op de Amerikaanse markt voor polyester stapelvezels, waarbij de medewerkende onderneming en acht andere Amerikaanse ondernemingen zijn betrokken. Twee van de aangeklaagde ondernemingen hebben schuld erkend en een ervan moest een boete betalen. Aangevoerd werd dat de Republiek Korea of Taiwan als referentieland kon worden gebruikt.

(84) Opgemerkt wordt dat bovengenoemd onderzoek betrekking heeft op praktijken die zich meer dan een jaar voor het begin van het onderzoektijdvak hebben voorgedaan en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze praktijken, door de twee ondernemingen die schuld hebben erkend, van invloed zijn op de prijzen in het onderzoektijdvak die als basis voor de berekening van de normale waarde werden gebruikt. Integendeel, de producent in het referentieland maakte op de verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt een soortgelijke of lagere winst dan de Koreaanse en Taiwanese producenten. Voorts heeft het bedoelde onderzoek niet geleid tot beschuldigingen ten aanzien van de medewerkende Amerikaanse onderneming (Wellman Inc.). Deze kreeg in september 2004 van de Amerikaanse autoriteiten te horen dat zij of haar werknemers niet zouden worden vervolgd. De conclusie is derhalve dat de gegevens die de medewerkende Amerikaanse producent heeft verstrekt en die als basis zijn gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde, niet verstoord zijn door concurrentievervalsend gedrag dat zich vroeger op de Amerikaanse markt kan hebben voorgedaan. In deze omstandigheden wordt bevestigd dat VS een passend referentieland zijn. Mocht evenwel bij een onderzoek worden vastgesteld dat zich in het onderzoektijdvak concurrentievervalsende praktijken hebben voorgedaan die afbreuk kunnen hebben gedaan aan de geldigheid van de bevindingen van dit onderzoek, dan kunnen deze bevindingen opnieuw worden onderzocht.

- (ii) Normale waarde in het referentieland

(85) Overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening werd de normale waarde voor de producenten/exporteurs die niet als marktgericht bedrijf werden beschouwd vastgesteld aan de hand van gecontroleerde gegevens die de producent in het referentieland had verstrekt, d.w.z. aan de hand van alle betaalde of te betalen prijzen op de binnenlandse markt van de VS voor vergelijkbare productsoorten, daar was vastgesteld dat de betrokken verkoop had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties en de verkochte hoeveelheden representatief waren.

(86) Voor de vaststelling van de normale waarde heeft de Commissie de werkwijze toegepast die werd beschreven in de overwegingen 29 tot en met 38.

7.4 Exportprijs

(87) De producenten/exporteurs die als marktgericht bedrijf werden beschouwd of die een individuele behandeling hadden verkregen hadden steeds rechtstreeks uitgevoerd naar onafhankelijke afnemers in de EG. De exportprijs werd derhalve vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, namelijk aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

7.5 Vergelijking

(88) Correcties werden toegepast voor terugbetaalde invoerrechten, de kosten van vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag, verpakking, krediet en commissielonen alsmede voor bankkosten, indien de verzoeken daartoe gerechtvaardigd waren en met bewijsmateriaal gesteund.

(89) Sommige productsoorten, uitgevoerd door Chinese producenten/exporteurs die een individuele behandeling hadden verkregen, hadden enkele andere kenmerken dan de productsoorten in het referentieland wat glans, kleur, dwarsdoorsnede of de siliconenbehandeling betreft. Hiervoor werden correcties toegepast overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a) van de basisverordening. Bij gebrek aan meer betrouwbare gegevens werd de correcties vastgesteld aan de hand van het prijsverschil in het referentieland dat met deze specifieke kenmerken verband hield.

(90) In het referentieland werd uitsluitend verkocht aan eindgebruikers, terwijl de Chinese producenten/exporteurs ook via andere kanalen verkochten. Voor dit verschil in verkoopkanaal werd een correctie toegestaan overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder d) ii) van de basisverordening waarbij van de normale waarde bij verkoop aan eindgebruikers een bedrag werd afgetrokken dat overeenstemde met 10% van de bruto winstmarge.

(91) Op bovenbeschreven wijze werd de normale waarde vastgesteld voor 70 à 90% van de omvang van de uitvoer naar de EG door ondernemingen die een individuele behandeling hadden verkregen. Deze hoeveelheid werd representatief geacht voor de mate waarin dumping had plaatsgevonden.

(92) Er werd ook een correctie toegepast voor verschillen in de terugbetaling van de BTW.

7.6 Dumpingmarge

(93) Voor de onderneming die als marktgericht bedrijf werd beschouwd, werd de dumpingmarge vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde van de onderneming met haar gewogen gemiddelde exportprijs per productsoort, vastgesteld zoals hierboven beschreven.

(94) Voor de drie onderneming die een individuele behandeling hadden verkregen, werd de gewogen gemiddelde normale waarde voor de naar de EG uitgevoerde soorten die voor het referentieland was vastgesteld vergeleken met de gewogen gemiddelde prijs bij uitvoer van deze soorten naar de EG overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening.

(95) Voor de medewerkende onderneming die niet als marktgericht bedrijf werd beschouwd en die evenmin een individuele behandeling had verkregen, en voor alle niet-medewerkende exporteurs werd een voor het gehele land geldende dumpingmarge vastgesteld die gelijk was aan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die was vastgesteld voor de producent die niet als marktgericht bedrijf werd beschouwd en die geen individuele behandeling had verkregen en de hoogste dumpingmarge van een representatief model van een medewerkende producent/exporteur die niet als marktgericht bedrijf werd beschouwd zoals uiteengezet in overweging 49.

(96) De dumpingmarges, in procenten van de netto prijs cif grens EG, vóór inklaring, zijn:

Onderneming | Dumpingmarge |

Cixi Jiangnan Chemical Fiber Co. Ltd | 26,3% |

Far Eastern Industries (Shanghai) Ltd | 4,9% |

Hangzhou AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd | 49,0% |

Deqing AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd |

Kunshan AnShun Pettechs Fibre Industry Co., Ltd |

Jiangyin Changlong Chemical Fibre Co. Ltd | 63,2% |

Alle andere ondernemingen | 85,8% |

8. Saoedi-Arabië

(97) Twee producenten/exporteurs en vijf importeurs die banden hadden met deze producenten/exporteurs hebben de vragenlijst beantwoord.

8.1 Saudi Basic Industries Corporation (‘Sabic’)

8.1.1 Normale waarde

(98) Deze producent/exporteur had representatieve hoeveelheden van het betrokken product op de binnenlandse markt verkocht, maar deze verkoop kon op grond van de prijs niet beschouwd worden als verkoop in het kader van normale handelstransacties. Bij gebrek aan betrouwbare gegevens van andere producenten in dat land diende de normale waarde te worden geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening.

(99) Om de normale waarde te construeren werden de werkelijke VAA-kosten van de betrokken producent/exporteur bij verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties in het onderzoektijdvak toegevoegd aan de gemiddelde fabricagekosten van elke uitgevoerde soort in het onderzoektijdvak.

(100) Omdat geen betrouwbare gegevens beschikbaar waren voor andere Saoedi-Arabische producenten/exporteurs (zie de overwegingen 104, 105 en 106) en de betrokken producent/exporteur geen gegevens verstrekte over de productie en verkoop van dezelfde algemene categorie producten, diende de winstmarge te worden vastgesteld aan de hand van een andere redelijke methode overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c) van de basisverordening. Een winstmarge van 5% werd redelijk geacht. Er waren geen aanwijzingen dat deze winstmarge hoger was dan die welke andere exporteurs of producenten maakte bij verkoop van dezelfde algemene categorie van producten op de binnenlandse markt van Saoedi-Arabië, zoals in artikel 2, lid 6, onder c) van de basisverordening wordt geëist.

8.1.2 Exportprijs

(101) Het product werd steeds via een gelieerde importeur naar de EG uitgevoerd die het doorverkocht aan zowel gelieerde als niet-gelieerde afnemers. Deze gelieerde afnemers verkochten het product op hun beurt door aan onafhankelijke afnemers. De exportprijs werd bijgevolg geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening.

8.1.3 Vergelijking

(102) Er vonden correcties plaats voor verschillen in de kosten voor vervoer, verzekering, verpakking en krediet.

(103) Deze producent/exporteur had ook verzocht om een correctie op de normale waarde voor de kosten na verkoop op de binnenlandse markt. Afgezien van het feit dat hij niet kon aantonen om welk bedrag het ging, bleek uit de verstrekte gegevens niet dat deze factor van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen. De producent kon met name niet aantonen dat zijn binnenlandse afnemers systematisch andere prijzen hadden betaald tengevolge van deze factor. Bovendien bleek dat deze kosten niet alleen werden gemaakt bij verkoop op de binnenlandse markt maar ook bij verkoop op andere markten, waaronder de EG-markt. Het verzoek om een correctie werd afgewezen, omdat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 2, lid 10.

8.2 National Polyester Fibers Factory (‘NPF’)

(104) De antwoorden die deze producent/exporteur op de vragenlijst heeft gegeven waren zeer onvolledig en soms zelfs tegenstrijdig. De ontbrekende informatie werd niet verstrekt en antwoorden werden niet gecorrigeerd, hoewel de Commissie hem hierom had verzocht. Bovendien bleek bij de controle ter plaatse dat NPF meer dan de helft van zijn binnenlandse verkoop van het betrokken product in het onderzoektijdvak niet had vermeld. Voorts waren de gegevens die de onderneming over de totale verkoop, inclusief de uitvoer naar de EG, had verstrekt niet met de boekhouding in overeenstemming. Daarom werd geoordeeld dat de gegevens over de verkoop die in antwoord op de vragenlijst waren verstrekt geen betrouwbare basis waren om de dumpingmarge vast te stellen.

(105) Bovendien waren de verstrekte gegevens over de productiekosten niet in overeenstemming met de boekhouding en kon niet worden aangetoond dat de gerapporteerde gegevens volledig en correct waren. Derhalve werd geconcludeerd dat de verstrekte gegevens over de productiekosten niet betrouwbaar waren en niet konden worden gebruikt als basis voor de vaststelling van de normale waarde.

(106) De dumpingmarge voor deze producent/exporteur kon dus niet worden vastgesteld aan de hand van de door hem verstrekte gegevens. Daarom moest worden uitgegaan van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Gelet op de gebrekkige informatie die NPF had verstrekt waren er geen redenen om aan te nemen dat de dumpingmarge voor deze onderneming verschilde van de dumpingmarge die voor de andere Saoedi-Arabische producent/exporteur was vastgesteld. Het werd derhalve passend geacht voor NPF dezelfde dumpingmarge aan te houden als voor de andere Saoedi-Arabische producent/exporteur.

(107) De onderneming maakte bezwaar tegen deze werkwijze daar zij op volledig transparante wijze zou hebben gehandeld; indien de verstrekte informatie niet juist was geweest zou het gaan om onopzettelijke fouten en schrijffouten. Er werden echter geen aanvullende controleerbare inlichtingen verstrekt aan de hand waarvan de Commissie haar bevindingen had kunnen wijzigen.

(108) De andere Saoedi-Arabische onderneming maakte bezwaar tegen deze werkwijze daar deze inhield dat het niet verlenen van medewerking werd beloond. Voorts zou NPF soorten uitvoeren die niet vergelijkbaar waren met de door Sabic uitgevoerde soorten. In dit verband wordt erop gewezen dat de dumpingmarge voor NPF aan de hand van de best beschikbare gegevens werd vastgesteld. Daar Sabic de onderneming was die goed was voor het overgrote deel van de uitvoer van het betrokken product uit Saoedi-Arabië naar de EG (81%) werd het, in afwezigheid van een andere redelijke methode, passend geacht op deze basis de dumpingmarge voor NPF vast te stellen. Zoals hierboven vermeld, waren er voorts geen redenen om aan te nemen dat de dumpingmarge voor NPF anders zou zijn dan voor de andere producent/exporteur in Saoedi-Arabië. De verschillende productsoorten die door de twee ondernemingen werden uitgevoerd vallen alle onder de definitie van het betrokken product. In deze omstandigheden wordt de door de Commissie gevolgde werkwijze redelijk geacht.

8.2.1 Dumpingmarge

(109) De dumpingmarge voor de medewerkende Saoedi-Arabische producent (Sabic) werd vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde van deze onderneming met haar gewogen gemiddelde exportprijs, per productsoort. Zoals vermeld in overweging 106, werd voor de andere Saoedi-Arabische producent/exporteur, NPF, dezelfde dumpingmarge aangehouden.

(110) Bij vergelijking van de normale waarde met de exportprijs bleek dat het betrokken product uit Saoedi-Arabië met dumping in de EG was ingevoerd. De dumpingmarges, in procenten van de nettoprijs, cif grens EG, vóór inklaring, zijn:

National Polyester Fibers Factory 31,7%

Saudi Basic Industries Corporation (Sabic) 31,7%

(111) Daar deze twee ondernemingen goed zijn voor de gehele uitvoer uit Saoedi-Arabië naar de EG, zoals vermeld in overweging 48, werd het residuele recht afgestemd op de hoogste dumpingmarge die was vastgesteld voor een medewerkende onderneming. Het residuele recht bedraagt daarom 31,7% van de netto prijs cif grens EG, vóór inklaring.

9. Republiek Korea

(112) De drie in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs hebben de vragenlijst beantwoord.

(113) Een producent/exporteur had gegevens verstrekt over alle polyesterbevattende producten. Daar deze procedure uitsluitend betrekking heeft op synthetische stapelvezels van polyester, niet gekaard noch gekamd of anderszins bewerkt met het oog op spinnen, ingedeeld onder GN-code 5503 20 00 (d.w.z. met 50% of meer polyester), werden de gegevens over alle producten die minder dan 50% polyester bevatten, buiten beschouwing gelaten.

9.1 Normale waarde

(114) De binnenlandse verkoop van de drie in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs was representatief in de zin van de overwegingen 29, 30 en 31. De normale waarde werd in grote mate gebaseerd op de door onafhankelijke afnemers in de Republiek Korea betaalde of te betalen prijzen bij verkoop in het kader van normale handelstransacties overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening. Voor productsoorten waarvan de binnenlandse verkoop te gering was om als representatief te worden beschouwd of die niet in het kader van normale handelstransacties waren verkocht, werd de normale waarde geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, zoals in overweging 34 uiteengezet.

(115) Een producent/exporteur in de Republiek Korea had zijn verkoop aan Koreaanse verwerkende bedrijven als binnenlandse verkoop opgegeven, hoewel de producten uiteindelijk voor uitvoer waren bestemd. De producent/exporteur voerde aan dat het om binnenlandse verkoop ging. Bij deze verkoop waren evenwel specifieke exportregelingen toegepast, daar geen binnenlandse omzetbelasting was verschuldigd, de facturen in VS-dollars waren gesteld, er betaald was met kredietbrieven, invoerrechten waren terugbetaald en deze verkoop in de boekhouding van de onderneming doorgaans was opgevoerd als binnenlandse verkoop voor de export. Derhalve werd deze verkoop, overeenkomstig de werkwijze die bij het oorspronkelijk onderzoek (zie overweging 2) was gevolgd, bij de berekening van de normale waarde buiten beschouwing gelaten.

(116) Dezelfde producent/exporteur in de Republiek Korea profiteerde van een nationaal programma dat bedoeld was om Koreaanse ondernemingen in financiële moeilijkheden te helpen, het zogenaamde “work out programme”. In het kader van dit programma kon de onderneming schulden omzetten in aandelenkapitaal, wat verklaart dat een aanzienlijk bedrag werd geboekt als inkomsten waardoor de VAA-kosten van de onderneming grotendeels, doch op kunstmatige wijze, waren verminderd. Geoordeeld werd dat dit bedrag niet beschouwd kon worden als gewone inkomsten waarmee rekening moest worden gehouden bij de berekening van de VAA-kosten. De opgegeven VAA-kosten, waarbij rekening was gehouden met de kunstmatige inkomsten, waren dus geen redelijke weergave van de kosten die bij de productie en verkoop van het betrokken product waren ontstaan. Met dit bedrag werd geen rekening gehouden bij de berekening van de VAA-kosten overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening.

(117) De onderneming had bij de berekening van de VAA-kosten ook winst geclaimd ten gevolge van opgevoerd ten gevolge van een schuldenregeling. Daar deze schulden geen verband hielden met het betrokken product en betrekking hadden op voordelen in het kader van het “work out programme”, vormen zij geen normale inkomsten waarmee bij de berekening van de VAA-kosten rekening moet worden gehouden. De onderneming voerde aan dat een dergelijke schuldenregeling elk jaar plaatsvond en dus niet van de berekening moet worden uitgesloten. Dit is echter in tegenspraak met de accountantsrapporten van de onderneming waaruit blijkt dat een dergelijke schuldenregeling de afgelopen twee boekjaren niet heeft plaatsgevonden en dat deze uitsluitend verband hield met het “work out programme”. Daarom wordt deze schuldenregeling niet in aanmerking genomen bij de berekening van de VAA-kosten.

(118) De onderneming voerde ook aan dat de correcties op de VAA-kosten het resultaat waren van haar normale bedrijfsactiviteiten en daarom niet buiten beschouwing mochten worden gelaten. Na de mededeling van de bevindingen van de Commissie verstrekte de onderneming nieuwe gegevens waaruit echter bleek dat de in de vorige overwegingen vermelde inkomsten geen verband hielden met het betrokken product. Daar deze nieuwe, niet-gecontroleerde gegevens in strijd waren met de gegevens die tijdens de controle ter plaatse waren verzameld, konden zij niet worden aanvaard. De verzoeken in verband met het “work out programme” moeten dus worden afgewezen.

(119) Dezelfde producent/exporteur had voor het onderzoektijdvak hoge verzekeringsinkomsten opgegeven die het gevolg waren van een brand die zich voor het onderzoektijdvak had voorgedaan in een van de productielijnen. De onderneming had deze inkomsten afgetrokken van de VAA-kosten bij verkoop op de binnenlandse markt van het betrokken product. Anderzijds was geen rekening gehouden met de kosten die in het onderzoektijdvak tengevolge van die brand waren ontstaan. De VAA-kosten waren dus ruimschoots te laag opgegeven. Het door de verzekering betaalde bedrag was gebruikt om een nieuwe productielijn te installeren die evenwel niet werd gebruikt voor de vervaardiging van het betrokken product. Daar de kosten en de inkomsten als gevolg van de brand, hetzij niet in het onderzoektijdvak waren ontstaan, hetzij geen verband hielden met het betrokken product, werd geoordeeld dat zij niet in aanmerking mochten worden genomen bij de berekening van de VAA-kosten.

(120) De onderneming maakte bezwaar tegen de conclusies van de Commissie omdat kosten waren ontstaan door zakelijke verliezen. Dit argument was tijdens de controle ter plaatse al onderzocht, maar de onderneming kon toen niet aantonen dat een deel van het door de verzekering uitbetaalde bedrag verband hield met zakelijke verliezen. Dit argument moest dus worden afgewezen.

9.2 Exportprijs

(121) Een producent/exporteur deelde mede dat hij in het oorspronkelijk onderzoektijdvak had uitgevoerd via een gelieerde importeur in de EG, maar waarmee hij in het huidige onderzoektijdvak geen banden meer had. De betrokken importeur was echter nog steeds goed voor een aanzienlijk deel van de verkoop van het betrokken product van de Koreaanse producent/exporteur in de EG. Deze kwestie werd zorgvuldig onderzocht teneinde vast te stellen of het gerechtvaardigd was in dit geval artikel 2, lid 9, van de basisverordening toe te passen.

(122) Onderzocht werd welke prijzen de Koreaanse producent/exporteur de importeur aanrekende. Deze prijzen bleken in het onderzoektijdvak steeds dezelfde te zijn als die voor onafhankelijke importeurs. Daarom werden de prijzen tussen die producent/exporteur en die importeur geacht prijzen te zijn die gelden tussen onafhankelijke partijen en werden dus betrouwbaar geacht. Daar de exportprijzen betrouwbaar waren, moest geen beroep worden gedaan op artikel 2, lid 9, van de basisverordening - er waren geen banden tussen bedoelde ondernemingen.

(123) Voor deze producent/exporteur werd de exportprijs dus gebaseerd op de door alle afnemers in de EG betaalde of te betalen prijzen.

(124) Voor de twee andere producenten/exporteurs werd de exportprijs gebaseerd op de door onafhankelijke afnemers in de EG betaalde of te betalen prijzen.

9.3 Vergelijking

(125) Om een billijke vergelijking mogelijk te maken werden correcties toegepast voor verschillen in de kosten van invoerheffingen en indirecte belastingen, rechten, vervoer, verzekering, lossen, laden, op- en overslag en aanverwante kosten, verpakking, bankdiensten, krediet en commissielonen, wanneer van toepassing en gerechtvaardigd.

(126) De drie producenten/exporteurs verzochten om een correctie voor terugbetaalde invoerrechten omdat deze waren geheven van het product dat voor binnenlands verbruik was bestemd, maar die bij uitvoer naar de EG werden terugbetaald. In elk geval bleek het geclaimde bedrag hoger te zijn dan het bedrag aan invoerheffingen dat op de binnenlandse markt moest worden betaald en de correcties werden derhalve aangepast.

(127) Nadat de Commissie haar conclusies had medegedeeld, hebben twee ondernemingen bezwaar gemaakt tegen de werkwijze van de Commissie voor de berekening van de correctie voor terugbetaalde rechten, voor een deel vanwege het feit dat een andere werkwijze was gevolgd dan bij het oorspronkelijke onderzoek. Zij waren van mening dat de werkwijze die zij in de antwoorden op de vragenlijst hadden gebruikt, moest worden toegepast.

(128) De ondernemingen hadden in hun antwoord de werkwijze gevolgd die bij het oorspronkelijke onderzoek was toegepast. De Commissie had echter opgemerkt dat gebruik van deze methode niet leidde tot een juiste weergave van de invoerrechten die rusten op het op de binnenlandse markt verkochte product. Deze methode was niet in overeenstemming met de eisen van artikel 2, lid 10, onder b) en kon dus niet worden gebruikt. De in het kader van dit onderzoek gebruikte werkwijze was wel in overeenstemmming met de eisen van genoemde bepaling en werd dus gehandhaafd.

(129) Bovendien verzochten de drie producenten/exporteurs om een correctie voor kredietkosten op basis van de krediettermijnen die voor afnemers gelden in het kader van het “open rekening”-betalingssysteem dat op de Koreaanse markt wordt gebruikt. De producenten/exporteurs bleken in het kader van dit systeem in het algemeen geen specifieke krediettermijnen te hanteren; bovendien konden de krediettermijnen niet nauwkeurig worden vastgesteld, daar ontvangen bedragen niet met bepaalde facturen in verband konden worden gebracht. Derhalve konden deze correcties niet worden toegestaan.

(130) Na de Commissie haar conclusies had medegedeeld, voerden twee ondernemingen aan dat het feit dat zij gebruik maken van het “open-rekeningsysteem” op zich geen reden is om een correctie voor kredietkosten te weigeren. Bij het onderzoek is echter gebleken dat er geen duidelijk verband is tussen opgegeven prijzen en kredietvoorwaarden. Er kon niet worden aangetoond dat de kredietvoorwaarden met de afnemer waren afgesproken voordat de koop werd gesloten en dat zij daarom van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Daarom moest dit argument worden afgewezen.

(131) Een producent/exporteur verzocht om een correctie voor andere factoren overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening daar uitvoer en binnenlandse verkoop niet in hetzelfde handelsstadium plaatsvonden, wat van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het binnenland werd hoofdzakelijk verkocht aan eindgebruikers, terwijl bij uitvoer naar de EG aan distributeurs werd verkocht. Omdat de onderneming de correctie niet kon kwantificeren werd uitgegaan van artikel 2, lid 10, onder d) ii) in plaats van artikel 2, lid 10, onder d) i) van de basisverordening. Later voerde de onderneming aan dat de correctie gebaseerd diende te worden op het prijsverschil dat bij verkoop op de binnenlandse markt gold tussen eindgebruikers en distributeurs. De onderneming kon evenwel niet aantonen dat er steeds een duidelijk prijsverschil was bij verkoop aan deze categorieën afnemers. Derhalve kon niet worden geconcludeerd dat het verschil in handelsstadium gevolgen had voor de vergelijkbaarheid van de prijzen en werd het verzoek afgewezen.

(132) Een producent/exporteur voerde aan dat een correctie voor verschillen in fysische kenmerken gerechtvaardigd was vanwege het verschil in denier en glans tussen de productsoorten. Hij kon evenwel niet aantonen dat dit verschil gevolgen had voor de prijzen of de vergelijkbaarheid van de prijzen en het verzoek werd derhalve afgewezen.

9.4 Dumpingmarge

(133) Bij vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs per productsoort in het stadium af fabriek bleek dat het betrokken product van twee producenten/exporteurs met dumping in de EG was ingevoerd. De exportprijzen van een producent/exporteur waren in de laatste maand van het onderzoektijdvak gemiddeld hoger dan daarvoor. Terwijl de exportprijzen in deze laatste maand hoog waren en meestal geen dumpingprijzen, had in de daaraan voorafgaande periode, waarin de exportprijzen lager waren, sterke dumping plaatsgevonden. Het patroon van de exportprijzen in de eerstgenoemde en de laatstgenoemde periode van het onderzoektijdvak verschilde dus sterk. Een vergelijking van gemiddelden bleek geen juist beeld te geven van de ernstige dumping die in de eerstgenoemde periode van het onderzoektijdvak was toegepast omdat de aanzienlijke verschillen in het patroon van de exportprijzen in de eerst- en laatstgenoemde periode van het onderzoektijdvak bij gebruik van deze vergelijking niet tot uiting kwamen. Gelet op de in overweging 124 vermelde bevindingen werd derhalve geconcludeerd dat de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken moest worden met de prijzen van de afzonderlijke exporttransacties overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening om de dumpingmarge volledig tot uiting te brengen.

(134) Om de in overweging 44 uiteengezette redenen was een vergelijking van de normale waarden en de exportprijzen per transactie niet mogelijk. Aangezien bedoelde producent/exporteur slechts een factuur per maand en per afnemer opstelde, kon geen overeenstemming worden gevonden tussen afzonderlijke exporttransacties en afzonderlijke binnenlandse transacties. In de meeste gevallen zouden ten behoeve van de vergelijking gemiddelde prijzen in dezelfde maand moeten worden genomen (waardoor er dan geen vergelijking zou zijn per transactie) of zouden willekeurige exportprijzen voor de vergelijking moeten worden gekozen.

(135) De producent/exporteur waarvoor de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken werd met de prijzen van alle afzonderlijke exporttransacties maakte bezwaar tegen deze werkwijze. De onderneming stelde dat er een economische rechtvaardiging was voor het geringe aantal transacties tegen hogere dan dumpingprijzen in de laatste maand van het onderzoektijdvak en daarom kon niet worden gesteld dat er sprake was van verschillende prijspatronen in verschillende periodes. Opgemerkt wordt dat de economische rechtvaardiging van deze hogere prijzen - ongeacht het feit of deze rechtvaardiging in dit verband relevant is - niet bij de eindafnemer kon worden gecontroleerd. De bewering dat er een economische rechtvaardiging is voor het geringe aantal transacties tegen hogere prijzen is overigens in strijd met de bewering van de onderneming tijdens het onderzoek dat na het onderzoektijdvak prijscompensatie had plaatsgevonden. Bij de berekening van de dumpingmarge op basis van gewogen gemiddelden voor de eerste elf maanden van het onderzoektijdvak (dus niet december) en voor het eerste halfjaar van het onderzoektijdvak werden soortgelijke resultaten verkregen als bij vergelijking van gewogen gemiddelden met afzonderlijke transacties voor het gehele onderzoektijdvak. Gelet op het voorgaande wordt de vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de prijzen van alle afzonderlijke exporttransacties in dit geval als een passende werkwijze beschouwd.

(136) Voor medewerkende, maar niet in de steekproef opgenomen ondernemingen werd de gewogen gemiddelde dumpingmarge van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in aanmerking genomen. Hierbij werd geen rekening gehouden met Sung Lim Co., Ltd., een onderneming met een te verwaarlozen dumpingmarge, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening.

(137) In procenten van de cif-prijs grens EG, vóór inklaring, zijn de dumpingmarges:

- Huvis Corporation, Seoul 5,7 %,

- Saehan Industries Inc., Seoul 10,6 %,

- Sung Lim Co., Ltd., Kumi-si 0,9 % (te verwaarlozen dumpingmarge),

- Medewerkende, maar niet in de steekproef opgenomen onderneming 6,0 %

- Alle andere ondernemingen 10,6 %.

10. Taiwan

(138) De twee in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs hebben de vragenlijsten beantwoord.

(139) Beide producenten/exporteurs verstrekten gegevens over alle polyesterbevattende producten. Daar deze procedure slechts betrekking heeft op synthetische stapelvezels van polyesters, niet gekaard, gekant of anderszins, ingedeeld onder GN-code 5503 20 00 (dit wil zeggen met 50% of meer polyester), werden de gegevens over producten die minder dan 50% polyester bevatten, buiten beschouwing gelaten.

10.1 Normale waarde

(140) De verkoop van beide producenten/exporteurs op de binnenlandse markt was representatief. De normale waarde werd voor het grootste deel gebaseerd op de door onafhankelijke afnemers in Taiwan in het kader van normale handelstransacties betaalde of te betalen prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening. Voor de productsoorten waarvan de binnenlandse verkoop ontoereikend was geweest dan wel niet had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties werd de normale waarde geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, zoals uiteengezet in overweging 34. De VAA-kosten en de winst werden gebaseerd op de gegevens over de productie en verkoop van het product in het kader van normale handelstransacties door de onderzochte producenten/exporteurs overeenkomstig artikel 2, lid 6, eerste alinea, van de basisverordening.

10.2 Exportprijs

(141) Voor beide producenten/exporteurs werden de exportprijzen vastgesteld aan de hand van de door onafhankelijke afnemers in de EG werkelijk betaalde prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

10.3 Vergelijking

(142) Om een billijke vergelijking mogelijk te maken werden correcties toegepast voor verschillen in de kosten voor vervoer, verzekering, lossen, laden, op- en overslag en aanverwante kosten, verpakking, bankdiensten, kortingen, krediet en commissielonen, wanneer van toepassing en gerechtvaardigd.

10.4 Dumpingmarge

(143) De gewogen gemiddelde normale waarde werd vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs, per soort, overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, in het stadium af fabriek.

(144) Bij de vergelijking bleek dat de twee onderzochte Taiwanese producenten/exporteurs het betrokken product met dumping in de EG hadden ingevoerd.

(145) De dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens EG, vóór inklaring zijn:

- Nan Ya Plastics Corporation, Taipei 1,7 %,

- Far Eastern Textile Ltd., Taipei 1,8 %,

(146) Daar beide dumpingmarges te verwaarlozen zijn, d.w.z. lager zijn dan 2%, dient de procedure ten aanzien van Taiwan, overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie, te worden beëindigd zonder de instelling van maatregelen, indien de omstandigheden die tot deze resultaten hebben geleid geacht worden duurzaam te zijn.

D. DUURZAAMHEID VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN EN WAARSCHIJNLIJKHEID VAN EEN VOORTZETTING/HERHALING VAN SCHADELIJKE DUMPING

1. Algemeen

(147) In het kader van de tussentijdse herzieningsprocedure betreffende Taiwan en de Republiek Korea heeft de Commissie eveneens onderzocht of de wijziging van de omstandigheden ten opzichte van het oorspronkelijk onderzoek met betrekking tot dumping en schade redelijkerwijze als duurzaam kon worden beschouwd overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening.

(148) In verband met Taiwan werd, overeenkomstig artikel 11, lid 7, van de basisverordening, tevens onderzocht of een voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk was indien de maatregelen vervallen.

2. Republiek Korea

(149) Zoals hierboven vermeld bleek bij onderhavig onderzoek dat het product van twee van de drie in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs met dumping in de EG was uitgevoerd. De dumpingmarge was nu echter lager dan de dumpingmarge die bij het oorspronkelijk onderzoek was vastgesteld. Voor de derde producent/exporteur werd, zoals bij het oorspronkelijk onderzoek, een te verwaarlozen dumpingmarge vastgesteld.

(150) Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van de gewijzigde omstandigheden wat dumping betreft, werd rekening gehouden, wat de drie in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs in de Republiek Korea betreft die in het onderzoektijdvak goed waren voor meer dan 80% van de uitvoer van het betrokken product naar de EG, met productiecapaciteit, de ontwikkeling van de verkoop op de binnenlandse markt, op de EG-markt en de markt van andere landen en met de prijzen van het betrokken product op elk van die markten.

2.1 Productiecapaciteit

(151) De productie van het betrokken product is sinds 2001 licht gestegen, namelijk met 3,5% (in december 2000 werden antidumpingmaatregelen vastgesteld), terwijl de productiecapaciteit met ongeveer 4% daalde. De bezettingsgraad was dus hoog (89% in 2001 en 95% in het onderzoektijdvak) en de overcapaciteit gering. De producenten/exporteurs hadden voor de volgende jaren geen stijging van de productie gepland en een onderneming die in het onderzoektijdvak een van de grootste exporteurs was van het betrokken product naar de EG is na het onderzoektijdvak zelfs opgehouden met de productie van het betrokken product.

2.2 Omvang van de verkoop

(152) De binnenlandse markt is de laatste jaren betrekkelijk stabiel gebleven. Hoewel het binnenlands verbruik kan dalen door de verplaatsing van bedrijven die polyester stapelvezels verwerken naar het buitenland, worden op de binnenlandse markt geen aanzienlijke en onmiddellijke wijzigingen verwacht. Zelfs indien het binnenlands verbruik van het polyester stapelvezels zou dalen, kan op de productie van andere polyestergarens worden overgeschakeld – dit is technisch zeer goed mogelijk - of kunnen de polyester stapelvezels worden uitgevoerd naar andere landen waar geen of lagere antidumpingrechten dan in de EG gelden, of een combinatie van beide mogelijkheden. De Koreaanse producenten zijn exportgeoriënteerd, want zij exporteren meer dan 70% van hun productie van het betrokken product. Gezien de betrekkelijk geringe afhankelijkheid van de binnenlandse markt, zou een daling van het binnenlands verbruik de winstgevendheid van de ondernemingen niet sterk beïnvloeden. Zij zouden in dat geval niet noodzakelijkerwijs een grote behoefte hebben om de verkoop buiten Korea op te voeren door het product daar tegen lagere prijzen aan te bieden. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat een wijziging in de omvang van de binnenlandse markt automatisch zal leiden tot een stijging van de uitvoer naar de EG tegen steeds lagere prijzen.

(153) De uitvoer naar andere landen was de laatste drie boekjaren steeds stabiel en maakte ongeveer 68% uit van de totale verkoop van het betrokken product. Er is geen reden om aan te nemen dat de Koreaanse producenten in de toekomst niet meer kunnen uitvoeren, met name omdat de vraag naar het betrokken product wereldwijd toeneemt tengevolge van ruimere toepassingsmogelijkheden. Het product is niet langer uitsluitend bestemd om te worden gesponnen of geweven: het aantal nonwoventoepassingen neemt steeds toe.

(154) Gezien de hoge bezettingsgraad van de Koreaanse producenten, de geringe overcapaciteit en de vrij stabiele situatie op de binnenlandse markt en de exportmarkten, is het weinig waarschijnlijk dat lagere antidumpingrechten tot een aanzienlijke toename van de invoer van het betrokken product in de EG zullen leiden.

2.3 Verkoopprijs

(155) Onderzocht werd of het waarschijnlijk was dat lagere antidumpingrechten tot lagere exportprijzen zullen leiden, hetgeen op zijn beurt tot een hogere dumpingmarge zou leiden. Daar de uitvoer naar de EG stabiel en omvangrijk is, ondanks de geldende antidumpingmaatregelen, is er niets dat erop wijst dat lagere antidumpingrechten tot lagere exportprijzen zullen leiden. Er kan integendeel aangevoerd worden dat, indien de importeurs lagere dumpingrechten moeten betalen, de Koreaanse producenten hun prijzen kunnen verhogen zonder dat dit leidt tot een wijziging van de prijs die onafhankelijke afnemers betalen.

2.4 Waarschijnlijke ontwikkeling van de normale waarde

(156) Er zijn geen aanwijzingen dat de in het kader van dit onderzoek vastgestelde normale waarde niet als duurzaam kan worden beschouwd.

(157) De ontwikkeling van de grondstofprijzen, die nauw verband houdt met de ontwikkeling van de olieprijzen, zou veel invloed op de normale waarde kunnen uitoefenen. Daar de grondstoffen evenwel basisproducten zijn waarvan de prijzen over de gehele wereld ongeveer gelijk zijn, zou een stijging van de grondstofprijzen dezelfde gevolgen hebben voor de exportprijs als voor de normale waarde daar deze op alle producenten dezelfde invloed zou hebben.

2.5 Conclusies

(158) Gelet op het voorgaande werd overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening geconcludeerd dat de gewijzigde omstandigheden die tot een lagere dumpingmarge hebben geleid redelijkerwijze als duurzaam kunnen worden beschouwd.

(159) Op de onderneming waarvoor een te verwaarlozen dumpingmarge werd vastgesteld, was sedert de instelling van de definitieve maatregelen in 2000 een antidumpingrecht van 0% van toepassing. Niettemin kon voor deze onderneming in het kader van dit tussentijdse onderzoek, ondanks de lage prijzen van met name producten uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië die met de Koreaanse producten concurreerden, geen dumping worden vastgesteld. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat de uitvoer van deze onderneming in de toekomst sterke wijzigingen zal ondergaan.

(160) Daar voor alle betrokken ondernemingen in Korea lagere dumpingmarges werden vastgesteld en deze situatie niet geacht wordt van korte duur te zijn, dienen de maatregelen die werden ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2852/2000 dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(161) Om dezelfde redenen dient de minimale dumpingmarge voor Sung Lim Co., Ltd. te worden bevestigd.

3. Taiwan

(162) Er werd een onderzoek ingesteld naar productiecapaciteit, de ontwikkeling van de verkoop op de binnenlandse markt, de EG-markt en andere markten en met de prijzen op deze markten wat de twee in de steekproef opgenomen Taiwanese producenten/exporteurs betreft die in het onderzoektijdvak goed waren voor meer dan 90% van de uitvoer van het betrokken product naar de EG.

3.1 Productiecapaciteit

(163) In de vier laatste boekjaren is de productiecapaciteit van de twee Taiwanese producenten/exporteurs met ongeveer 6,5% gedaald. Hoewel de bezettingsgraad in het algemeen slechts 73% bedraagt, bleef ze stabiel. De beschikbare gegevens lijken erop te wijzen dat de productie zal worden verplaatst naar andere landen (Vietnam, China) met een hogere productiviteit. Het is derhalve onwaarschijnlijk, zelfs indien er overcapaciteit is, dat de uitvoer naar de EG zal stijgen indien de maatregelen vervallen, aangezien de overcapaciteit eerder naar andere landen zal worden verplaatst.

3.2 Verkoop

(164) In drie laatste boekjaren hebben de Taiwanese producenten/exporteurs zich steeds meer op andere exportmarkten dan de EG-markt gericht. De uitvoer naar de EG was nog steeds aanzienlijk, daar hij 24% uitmaakte van de totale verkoop van het betrokken product in het onderzoektijdvak. Deze uitvoer is echter in de loop van de tijd gedaald (hij bedroeg 29% in 2001). De uitvoer naar andere landen is in drie jaar met 14% gestegen en was in het onderzoektijdvak goed voor 62% van de totale verkoop van het betrokken product, ondanks de maatregelen die sommige andere landen (China en Japan) hebben getroffen.

(165) De verkoop op de binnenlandse markt was in de laatste drie jaren stabiel en bedroeg 13,4% van de totale verkoop van het betrokken product in het onderzoektijdvak.

(166) Daar de Taiwanese producenten/exporteurs de uitvoer naar andere derde landen dan de EG hebben opgevoerd (hoewel verscheidene van die landen antidumpingmaatregelen toepassen op hun producten) en hun positie op de EG-markt sterk is gebleven, zijn er geen aanwijzingen dat zij hun overcapaciteit zullen benutten om goederen voor de EG-markt te produceren, indien de procedure ten aanzien van Taiwan wordt beëindigd. Ook wordt geconcludeerd dat de verplaatsing van productiecapaciteit naar het buitenland geen verband houdt met de handelsbeschermingsmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Taiwan.

3.3 Verkoopprijzen op exportmarkten

(167) Er werd een vergelijking gemaakt van de prijzen van het betrokken product bij uitvoer naar de EG en bij uitvoer naar derde landen in het onderzoektijdvak.

(168) Daarbij bleek dat de verkoopprijzen in het algemeen (alle productsoorten) op de EG-markt veel hoger waren (meer dan 10% in de laatste drie boekjaren) dan op andere exportmarkten. Het prijsverschil tussen de EG-markt en andere exportmarkten kan evenwel grotendeels worden verklaard door de grote prijsverschillen tussen de uitgevoerde soorten. Daar de naar de EG uitgevoerde hoeveelheden, ondanks antidumpingmaatregelen, aanzienlijk zijn, zouden de exporteurs, na de beëindiging van deze maatregelen, hun exportprijs kunnen verhogen.

(169) Uit deze gegevens blijkt dus niet dat de ondernemingen hun prijzen op de EG-markt zullen verlagen, gezien de prijzen die op andere exportmarkten worden toegepast.

3.4 Waarschijnlijke ontwikkeling van de normale waarde

(170) Er werden geen aanwijzingen gevonden dat de normale waarde is gewijzigd. De binnenlandse markt bleef stabiel en dat geldt ook voor de kosten op de binnenlandse markt.

(171) Wat de invloed van de grondstofprijzen op de normale waarde betreft, gelden de conclusies in overweging 157 ook voor Taiwan.

3.5 Conclusie

(172) Er werden geen aanwijzingen gevonden dat opnieuw dumping zou plaatsvinden indien de maatregelen vervielen.

4. Waarschijnlijkheid van een voortzetting/herhaling van de (schadelijke) dumping

(173) De thans geldende maatregelen ten aanzien van het betrokken product uit de Republiek Korea zijn strenger dan nodig om de schadelijke gevolgen van dumping weg te nemen. Gelet op de bevindingen inzake de waarschijnlijkheid van een voortzetting dan wel herhaling van dumping, indien de maatregelen vervallen en de bevindingen inzake dumping, ondanks de maatregelen die momenteel voor de Republiek Korea gelden, is de conclusie dat de maatregelen moeten worden aangepast aan de dumpingmarges die in het kader van onderhavig onderzoek zijn vastgesteld.

(174) De huidige maatregelen ten aanzien van Taiwan zijn niet langer gerechtvaardigd. Aangezien niets erop wijst dat de dumping waarschijnlijk zal worden voortgezet dan wel herhaald indien de maatregelen vervallen en gezien de minimale dumpingmarge die bij onderhavig onderzoek werd vastgesteld, is de conclusie dat de procedure ten aanzien van Taiwan beëindigd moet worden zonder dat maatregelen worden genomen.

(175) De klagende EG-producenten hebben bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde beëindiging van de antidumpingprocedure ten aanzien van Taiwan. Zij voerden aan dat de Taiwanese markt in zijn geheel moest worden geanalyseerd en niet alleen de situatie van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs, daar het veel waarschijnlijker is niet in de steekproef opgenomen ondernemingen weer dumpingprijzen zullen toepassen indien de maatregelen vervallen. De niet in de steekproef opgenomen ondernemingen zouden, gezien hun precaire financiële situatie, zeer waarschijnlijk trachten hun kasstroom te maximaliseren door de omvang van hun uitvoer (tegen dumpingprijzen) te vergroten, hetgeen bevestigd zou worden door hun prijspraktijken op de Amerikaanse markt. Voorts werd aangevoerd dat de invloed van deze export aanzienlijk zou zijn, omdat deze ondernemingen een productiecapaciteit hebben die kan voldoen aan ongeveer 66% van het verbruik in de EG.

(176) Opgemerkt wordt dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen niet alleen goed waren voor 95% van de uitvoer uit Taiwan naar de EG, maar ook goed voor 43% van de uitvoer naar andere landen, 71% van de verkoop op de binnenlandse markt en 57% van de binnenlandse productie van het betrokken product en dus zeer representatief waren in de zin van artikel 17 van de basisverordening. De klagende EG-producenten hebben in een vorig stadium van de procedure geen bezwaar gemaakt tegen deze steekproef.

(177) Wat de waarschijnlijkheid van een herhaling van schadeveroorzakende dumping betreft, hebben de klagende EG-producenten argumenten aangevoerd die niet door voldoende bewijsmateriaal werden gestaafd. Wat hun bewering betreft dat niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, vanwege hun precaire financiële situatie, waarschijnlijk zullen trachten hun kasstroom te maximaliseren door de omvang van hun uitvoer, tegen dumpingprijzen, naar de EG te vergroten, wordt opgemerkt dat kasstroom op verschillende andere manieren kan worden gegenereerd dan door een vergroting van het verkoopvolume, zoals leningen, de verkoop van verlieslatende bedrijfsonderdelen en de verhoging van het kapitaal door een aandelenemissie. De EG-producenten hebben evenmin op overtuigende wijze kunnen aantonen dat de export naar de VS tegen dumpingprijzen geschiedde. Tenslotte hebben zij bij hun analyse van de productiecapaciteit in Taiwan geen rekening gehouden met de verplaatsing van Taiwanese productiefaciliteiten naar het buitenland en het faillissement van een Taiwanese producent.

(178) Gelet op het voorgaande wordt de conclusie inzake de waarschijnlijkheid van een herhaling van dumping vanuit Taiwan gehandhaafd.

E. SCHADE

1. Omschrijving van de bedrijfstak van de EG

(179) De volgende producenten van de Europese Gemeenschap steunden de klacht:

- Catalana de Polimers, S.A, Spanje

- Dupont Sabanci Polyester GmbH, Duitsland

- Industrias Químicas Textiles, S.A., Spanje

- Tergal Fibres, S.A., Frankrijk

- Trevira GmbH, Duitsland

- Wellman International Limited, Ierland

(180) Aangezien deze zes klagende EG-producenten goed zijn voor 49% van de productie van het betrokken product in de EG en geen enkele andere EG-producent uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de inleiding van onderhavige procedure, wordt geoordeeld dat de klagende producenten de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Twee EG-producenten hebben de Commissie algemene informatie verstrekt, maar steunden de klacht niet.

2. Verbruik in de EG

(181) Het verbruik in de EG werd vastgesteld door de omvang van de invoer van het betrokken product uit de bij deze procedure en alle andere landen te nemen en daaraan de omvang van de verkoop van de EG-producenten op de EG-markt toe te voegen. Daar slechts twee van de tien EG-producenten die de klacht niet steunen, gegevens over hun verkoop hebben verstrekt, werd de verkoop van de overige acht EG-producenten berekend aan de hand van gegevens die de klagende EG-producenten hebben verstrekt. Deze gegevens werden bevestigd door publicaties van een onafhankelijk consultancybureau dat in de vezelsector is gespecialiseerd.

(182) Er werd een beroep gedaan op Eurostat om de omvang van de invoer op het niveau van de GN-code vast te stellen. De door de producenten in de betrokken exportlanden opgegeven cijfers bleken met de Eurostat-gegevens in overeenstemming te zijn.

(183) Uit deze gegevens bleek dat het verbruik in de EG stagneerde en gedaald is van 712.773 ton in 2000 tot 709.828 ton in het onderzoektijdvak.

Tabel 1 |

2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Verbruik in de EG (ton) | 712.773 100 | 661.227 94 | 729.916 102 | 709.828 99 |

3. Invoer uit de betrokken landen

3.1 Cumulering

(184) Voor Taiwan bedroeg de dumpingmarge minder dan 2% (zie overwegingen 138 tot en met 146). Er was derhalve niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 4, van de basisverordening om de invoer uit dit land samen met de invoer uit de overige onderzochte landen te beoordelen.

(185) De Commissie ging vervolgens na of de gevolgen van de invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en Zuid-Korea (hierna “de betrokken landen” genoemd) cumulatief moesten worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

(186) Dit artikel bepaalt: “wanneer de invoer van een product uit meer dan een land tezelfdertijd aan een antidumpingonderzoek wordt onderworpen, worden de gevolgen van deze invoer uitsluitend cumulatief beoordeeld indien wordt vastgesteld dat (i) de dumpingmarge voor het uit elk land ingevoerde product meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, en (ii) de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is, en (iii) een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en tussen de ingevoerde producten en het soortgelijke product uit de EG, opportuun is.

3.1.1 Dumpingmarge en omvang van de invoer

(187) Zoals hierboven vermeld, is bij dit onderzoek gebleken dat de dumpingmarges voor de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea veel hoger zijn dan minimaal en dat de omvang van de invoer uit deze landen niet te verwaarlozen is in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening (in het onderzoektijdvak was het marktaandeel respectievelijk 4,7%, 3,1% en 10%).

3.1.2 Concurrentieverhoudingen

(188) Om na te gaan of een cumulatieve beoordeling passend was, gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten onderling en het EG-product, heeft de Commissie eerst het marktgedrag van de exporteurs onderzocht in termen van exportprijzen en -hoeveelheden.

(189) Wat de exportprijzen betreft bleek het marktgedrag van de Chinese, Saoedi-Arabische en Koreaanse producenten vergelijkbaar. Deze landen hebben hun gemiddelde verkoopprijzen per eenheid in de loop van de beoordelingsperiode met respectievelijk 27%, 23% en 15% verlaagd. Bovendien was ook de onderbiedingsmarge van de producenten uit deze drie landen vergelijkbaar (zie overweging 201).

(190) De drie landen hebben elk een aanzienlijk marktaandeel in de EG, maar de Republiek Korea verreweg het grootste (in het onderzoektijdvak was het marktaandeel van de Volksrepubliek China 4,7%, van Saoedi-Arabië 3,1% en van de Republiek Korea 10%).

(191) Bij invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en Republiek Korea werd gebruik gemaakt van dezelfde verkoopkanalen, aangezien het betrokken product meestal aan distributeurs en niet aan eindgebruikers werd verkocht.

(192) Bovendien werd vastgesteld – zoals uiteengezet in de overwegingen 22 en volgende - dat het betrokken product uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea en het EG-product dezelfde technische, fysische en chemische basiskenmerken hebben en beschouwd moeten worden als soortgelijke producten die onderling vervangbaar en verwisselbaar zijn en dus per soort met elkaar concurreren.

(193) Een Saoedi-Arabische producent/exporteur voerde aan dat het product uit zijn land niet concurreert met het EG-product en het product uit de andere betrokken landen, met name de Volksrepubliek China. Volgens deze producent is de Saoedi-Arabische productie uitsluitend toegespitst op standaardproducten, namelijk die soorten die niet voor specifieke toepassingen, maar slechts voor algemeen gebruik geschikt zijn, terwijl de Chinese en de EG-producenten capaciteit hebben voor “speciale” producten of deze ook werkelijk produceren. Deze “speciale” producten zijn doorgaans merkproducten die ontworpen zijn voor specifieke toepassingen; het betreft hier brandvertragende, antibacteriële of niet-pluizende vezels die doorgaans veel O&O vergen. Sommige verwerkende bedrijven voerden voorts aan dat zogenaamde holle geconjugeerde vezels, die zij beschouwen als een "speciaal” product, in de EG slechts wordt geleverd door Koreaanse producenten.

(194) Deze argumenten werden bij het onderzoek niet bevestigd. Ten eerste bleek dat de Volksrepubliek China uitsluitend standaardsoorten uitvoert. Ten tweede bleek dat de Republiek Korea niet vooral holle geconjugeerde vezels produceert, daar deze soort in het onderzoektijdvak slechts goed was voor 24% van de totale uitvoer van het betrokken product naar de EG. Bovendien kunnen holle geconjugeerde vezels niet beschouwd worden als een “speciale” soort, daar alle producenten van het betrokken product deze soort doorgaans kunnen vervaardigen, maar dit niet doen vanwege de hoge prijzen die de productie van die soort onrendabel maken. Tenslotte werd vastgesteld dat de EG-producenten ook "speciale" soorten vervaardigen, maar dat zij vooral standaardsoorten produceren.

(195) Derhalve werd vastgesteld dat de producten uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea met elkaar concurreren en ook met het product dat de klagende EG-producenten vervaardigen of zouden kunnen vervaardigen.

(196) Gelet op het voorgaande werd geconcludeerd dat was voldaan aan alle voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling van de invoer van het betrokken product uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea.

3.2 Gecumuleerde hoeveelheden en marktaandeel

(197) De invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea tezamen genomen steeg van 111.905 ton in 2000 tot 125.633 ton in het onderzoektijdvak, d.w.z. met 12%.

(198) Het marktaandeel van het betrokken product uit genoemde landen steeg van 15,6% in 2000 tot 17,6% in het onderzoektijdvak.

Tabel 2 |

VOLKSREPUBLIEK CHINA, SAOEDI-ARABIË EN REPUBLIEK KOREA | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Invoer (ton) Index | 111.905 100 | 89.457 79 | 120.847 107 | 125.633 112 |

Marktaandeel | 15,6% | 13,5% | 16,5% | 17,6% |

3.3 Prijzen en onderbieding

(199) De gewogen gemiddelde prijs van het betrokken product uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en Zuid-Korea daalde van 2000 tot in het onderzoektijdvak met 18%.

Tabel 3 |

VOLKSREPUBLIEK CHINA, SAOEDI-ARABIË EN REPUBLIEK KOREA | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Gewogen gemiddelde prijs (€/kg) Index | 1,08 100 | 1,07 99 | 0,9689 88 | 0,89 82 |

(200) Voor de vaststelling van de prijsonderbieding heeft de Commissie gegevens over het onderzoektijdvak onderzocht. De verkoopprijzen van de klagende EG-producenten waren prijzen aan onafhankelijke afnemers, waar nodig gecorrigeerd tot het stadium af fabriek, d.w.z. exclusief vrachtkosten in de EG en na aftrek van kortingen. De prijzen van de verschillende productsoorten van de klagende EG-producenten werden vergeleken met de prijzen van die soorten uit de betrokken landen, na aftrek van de kortingen en zo nodig gecorrigeerd tot het niveau cif grens EG.

(201) In het onderzoektijdvak bedroeg de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge voor de Volksrepubliek China 16%, voor Saoedi-Arabië 16,8% en voor de Republiek Korea 24%.

4. Situatie van de klagende EG-producenten

4.1 Productie

(202) De productie daalde in de beoordelingsperiode met 5%.

Tabel 4 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Productie (ton) Index | 236.902 100 | 229.598 97 | 225.290 95 | 224.649 95 |

4.2 Productiecapaciteit en bezettingsgraad

(203) De productiecapaciteit is in de beoordelingsperiode ongeveer gelijk gebleven, namelijk van 271.466 ton in 2000 tot 277.561 ton in de beoordelingsperiode. In het onderzoektijdvak bedroeg de productiecapaciteit van de klagende EG-producenten 36% van het totale verbruik in de EG.

(204) De bezettingsgraad daalde met 6 procentpunten, namelijk van 87% tot 81%. Daar de productiecapaciteit zelf niet daalde, is deze daling van de bezettingsgraad uitsluitend te wijten aan de daling van de productie.

Tabel 5 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Productiecapaciteit (ton) Index | 271.466 100 | 272.561 100 | 277.561 102 | 277.561 102 |

Bezettingsgraad | 87% | 84% | 81% | 81% |

4.3 Voorraden

(205) De voorraden stegen in de beoordelingsperiode met 13%. Dit wordt evenwel niet beschouwd als een schade-indicator daar dit cijfer in overeenstemming is met het beleid van de klagende EG-producenten in principe een voorraad aan te houden die gelijk is met de productie van een maand.

Tabel 6 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Voorraden (ton) Index | 20.560 100 | 22.301 108 | 21.592 105 | 23.317 113 |

4.4 Investeringen

(206) De investeringen werden vastgesteld aan de hand van de gegevens die vijf van de zes klagende EG-producenten hebben verstrekt. De zesde onderneming heeft geen betrouwbare gegevens verstrekt. In de beoordelingsperiode hebben bedoelde vijf ondernemingen investeringen gedaan ter waarde van € 34,5 miljoen. Zoals blijkt uit onderstaande tabel 7 vertoonden de investeringen een stijgende tendens, behalve in 2002, toen een daling optrad ten opzichte van het voorgaande jaar. Deze investeringen werden echter hoofdzakelijk gedaan om activa te vervangen. Het grootste deel van de investeringen hield rechtstreeks verband met de fabricage van het betrokken product. Slecht een van de klagende EG-producenten heeft aanzienlijke investeringen gedaan in een recyclage-installatie om grondstoffen (polyethyleentereftalaat (PET)-vlokken) te verkrijgen voor de productie van polyester stapelvezels.

(207) De omvang en de aard van de investeringen (hoofdzakelijk met het oog op vervanging) worden laag geacht voor een kapitaalintensieve bedrijfstak.

Tabel 7 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Investeringen (€) (5 van de 6 ondernemingen) Index | 4.325.661 100 | 12.850.473 297 | 5.833.264 132 | 11.522.994 238 |

4.5 Verkoop en marktaandeel

(208) De verkoop op de EG-markt daalde in de beoordelingsperiode met 6%. Daar het verbruik in de EG in de beoordelingsperiode met 11% steeg, kwam deze daling overeen met een verlies van marktaandeel. Het marktaandeel van de klagende EG-producenten daalde in de beoordelingsperiode van 31% tot 29%.

Tabel 8 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Verkoop in de EG (ton) Index | 220.695 100 | 213.322 97 | 211.609 96 | 206.926 94 |

Marktaandeel | 31% | 32% | 29% | 29% |

4.6 Prijzen

(209) De verkoopprijs van de klagende EG-producenten daalde in de beoordelingsperiode met 8%. Zoals blijkt uit de tabel hieronder deed deze daling zich voor na 2001 en viel zij samen met de sterk stijgende invoer uit de betrokken landen en de aanzienlijke prijsdaling van de ingevoerde goederen.

Tabel 9 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Gewogen gemiddelde prijs (€/kg) Index | 1,48 100 | 1,49 101 | 1,38 93 | 1,36 92 |

4.7 Winstgevendheid

(210) De gewogen gemiddelde winst over de netto omzet daalde van 4,4% in 2000 tot -3,2% in het onderzoektijdvak.

Tabel 10 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Gewogen gemiddelde winst over netto omzet | 4.4% | 1.2% | -2.9% | -3.2% |

4.8 Kasstroom en rendement van het nettovermogen

(211) De kasstroom daalde van 25.687.824 € in 2000 tot 12.178.328 € in het onderzoektijdvak.

(212) Het rendement van het nettovermogen werd gebaseerd op gegevens die vijf van de zes klagende EG-producenten hebben verstrekt. De zesde onderneming heeft geen betrouwbare gegevens verstrekt, maar deze stemden wel overeen met die van de vijf andere EG-producenten. Het rendement van het nettovermogen bleek in de beoordelingsperiode sterk te zijn gedaald, namelijk van 51,1% in 2000 tot -8,5% in het onderzoektijdvak.

Tabel 11 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Kasstroom (€) Index | 25.687.824 100 | 17.843.711 70 | 14.511.142 56 | 12.178.328 47 |

Gewogen rendement van het nettovermogen (5 van de 6 ondernemingen) | 51,1% | 19,9% | 47,4% | -8.5% |

4.9 Vermogen om kapitaal aan te trekken

(213) De activiteiten van sommige ondernemingen werden gefinancierd door de financiële groep waartoe zij behoren hetzij door samenvoeging van kasmiddelen hetzij door leningen van de moedermaatschappij. In andere gevallen werd de door de onderneming gegenereerde kasstroom gebruikt als financieringsbron. Sommige ondernemingen hebben hun aandelenkapitaal verhoogd door risicokapitaalconstructies met financiële instellingen die de participerende ondernemingen soms aanvullende financiering verstrekten in de vorm van aandeelhoudersleningen.

(214) De meeste klagende EG-producenten hebben op deze wijze geen ernstige moeilijkheden ondervonden om kapitaal aan te trekken. Een van de gecontroleerde ondernemingen ondervond evenwel aanzienlijke problemen bij de financiering van haar activiteiten, zowel wat schulden als aandelenkapitaal betreft.

4.10 Werkgelegenheid en lonen

(215) De werkgelegenheid daalde in de beoordelingsperiode met 7%, namelijk met 84 arbeidsplaatsen. Een van de ondernemingen heeft voor het jaar 2000 geen betrouwbare gegevens verstrekt inzake lonen. Voor de overige jaren van de beoordelingsperiode stegen de lonen met 5%, dus veel minder dan de gemiddelde stijging van de geharmoniseerde index van de consumentenprijzen voor de vier landen waarin de klagende EG-producenten zijn gevestigd (9,1%).

Tabel 12 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Werknemers Index | 1.270 100 | 1.223 96 | 1.227 97 | 1.186 93 |

Gewogen gemiddeld loon (€/jaar) (5 van de 6 ondernemingen in 2000) | 31.993 | 40.340 100 | 41.054 102 | 42.430 105 |

4.11 Productiviteit

(216) De productiviteit is in de beoordelingsperiode ongeveer gelijk gebleven, daar in de beoordelingsperiode slechts een daling met 2% kon worden vastgesteld. De stagnerende productiviteit weerspiegelt het lage investeringsniveau van de klagende EG-producenten (zowel wat kwaliteit als wat kwantiteit betreft – zie de overwegingen 206 en volgende hierboven).

Tabel 13 | 2000 | 2001 | 2002 | Ond.tijdv. |

Productiviteit (ton/werknemer) Index | 195 100 | 195 100 | 190 97 | 192 98 |

4.12 Groei

(217) Het marktaandeel van de klagende EG-producenten tezamen daalde met 2 procentpunten, wat betekent dat de ontwikkeling van het marktaandeel niet overeenstemde met de daling van het verbruik (het verbruik daalde met 1%).

4.13 Omvang van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(218) De gevolgen van de hoogte van de dumpingmarge voor de klagende EG-producenten kunnen, gezien de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea en de prijzen van de producten uit die landen niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(219) Bovendien konden de klagende EG-producenten zich niet van eerdere dumping herstellen door de aanzienlijke toename van de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië, tezamen met de onbevredigende ontwikkeling van invoer uit de Republiek Korea, in termen van prijzen.

5. Conclusie

(220) De omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea is aanzienlijk gestegen, zowel absoluut als in termen van marktaandeel. In de beoordelingsperiode nam het marktaandeel van het betrokken product uit die landen met 2 procentpunten toe. Bovendien daalde de gewogen gemiddelde prijs van het betrokken product uit die landen in die periode met 18%. Deze daling leidde tot een significante prijsonderbieding.

(221) De meeste indicatoren waaraan de schade voor de klagende EG-producenten kon worden afgemeten, gaven in de beoordelingsperiode een negatieve ontwikkeling te zien, hetgeen wijst op aanmerkelijke schade. Hoewel het totale verbruik van polyester stapelvezels in de EG stagneerde, daalde de omvang van de verkoop door de klagende EG-producenten met 6% hetgeen overeenstemde met een verlies aan marktaandeel van 2 procentpunten; de productie daalde, de productiecapaciteit stagneerde terwijl de bezettingsgraad met 6% daalde; de gemiddelde verkoopprijs per eenheid daalde met 8%. De winst over de netto-omzet liep terug, namelijk met 7,6 procentpunten in de beoordelingsperiode. Andere met de winstgevendheid verband houdende indicatoren zoals de kasstroom en het rendement van het nettovermogen gaven voor de beoordelingsperiode eveneens een negatieve ontwikkeling te zien, terwijl werkgelegenheid en productiviteit respectievelijk met 7% en 2% daalden. De positieve ontwikkelingen op het gebied van investeringen en lonen wijzigen het negatieve beeld niet, daar de investeringen laag waren voor een dergelijke kapitaalintensieve bedrijfstak en de stijging van de lonen nauwelijk de inflatie in de beoordelingsperiode compenseerde.

(222) Uit het bovenstaande volgt dat de klagende EG-producenten zich in een moeilijke economische en financiële situatie bevinden en dat zij aanmerkelijke schade hebben geleden in de zin van artikel 3 van de basisverordening.

F. OORZAKELIJK VERBAND

1. Inleiding

(223) Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening werd onderzocht of de aanmerkelijke schade die de klagende EG-producenten hebben geleden veroorzaakt was door invoer met dumping. Bovendien werden ook andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de klagende EG-producenten schade hadden kunnen lijden onderzocht overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening om te voorkomen dat schade die door die factoren was veroorzaakt ten onrechte aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

2. Gevolgen van de invoer met dumping

(224) De invoer uit de de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea steeg in de beoordelingsperiode met 12% in hoeveelheden en met 2 procentpunten in marktaandeel. De prijzen van het betrokken product uit die landen daalden met 18% en onderboden de prijzen van de klagende EG-producenten met respectievelijk 16%, 16,8% en 24%.

(225) De toename van de invoer uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea, de stijging van het marktaandeel van het product uit die landen en de verkoop tegen veel lagere prijzen dan die van de klagende EG-producenten deden zich op hetzelfde ogenblik voor als de verslechtering van de situatie van de klagende EG-producenten.

(226) De omvang van de verkoop en het marktaandeel van de klagende EG-producenten daalden: de omvang van de verkoop met 6% en het marktaandeel met 2 procentpunten. Het marktaandeel dat de klagende EG-producenten verloren werd volledig ingenomen door de Chinese, Saoedi-Arabische en Koreaanse exporteurs.

(227) De daling van de prijzen van de klagende EG-producenten liep parallel met de constante daling van de prijzen van het betrokken product uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea. De prijzen van de klagende EG-producenten begonnen te dalen na 2001, toen de gemiddelde prijzen van het betrokken product uit die landen daalden (zie de overwegingen 199 en 209 alsmede tabel 3 en tabel 9). Daaruit bleek duidelijk dat de druk op de prijzen veroorzaakt werd door de invoer met dumping.

(228) De winstgevendheid van de klagende EG-producenten ging vanaf het begin van de beoordelingsperiode sterk achteruit en was in 2002 en het onderzoektijdvak negatief. De verliezen die de klagende EG-producenten vanaf 2002 boekten vielen samen met de stijgende invoer uit de betrokken landen tegen bijzonder lage prijzen. Een van de klagende EG-producenten toonde aan dat zijn winst over de netto-omzet op zogenaamde basisproducten, d.w.z. producten die het meest te lijden hebben onder de concurrentie uit de betrokken landen, sterker achteruitging dan de winst op alle door hem vervaardigde soorten polyester stapelvezels.

(229) De steeds sterkere stijging van de invoer met dumping uit de betrokken landen viel ook samen met de negatieve ontwikkeling van andere schade-indicatoren, zoals werkgelegenheid, productiecapaciteit en bezettingsgraad.

(230) Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de invoer met dumping uit de betrokken landen een doorslaggevende rol heeft gespeeld in de verslechtering van de situatie van de klagende EG-producenten.

3. Gevolgen van andere factoren

3.1 Ontwikkeling van het verbruik

(231) Zoals vermeld in overweging 183, is het verbruik in de EG van 2000 tot in onderzoektijdvak stabiel gebleven. Het verbruik kan dus geen oorzaak van de schade zijn geweest.

3.2 Gebrek aan investeringen door de klagende EG-producenten

(232) De verwerkende bedrijven voerden herhaaldelijk aan dat de klagende EG-producenten niet hebben geïnvesteerd in moderne productieprocessen en hierdoor (tenminste ten dele) zelf verantwoordelijk waren voor de geleden schade. Zoals in overweging 207 vermeld, was het niveau en de aard van de investeringen voor een kapitaalintensieve bedrijfstak laag (hoofdzakelijk vervanging en onderhoud).

(233) Gezien evenwel de in de overwegingen 188 en volgende beschreven omstandigheden, bevonden de klagende EG-producenten zich niet in een situatie waarin zij veel nieuwe investeringen konden doen. Zoals uit bovenstaande analyse is gebleken, konden geen andere factoren dan dumping worden vastgesteld die significante negatieve gevolgen voor de klagende EG-producenten hebben gehad. Derhalve kunnen de onvoldoende investeringen niet worden gezien als de oorzaak van de schade, maar veeleer als een ander gevolg van dumping.

3.3 Invoer uit andere derde landen

(234) In het onderzoektijdvak werd het betrokken product ook ingevoerd uit de Verenigde Staten, Turkije, Japan, Tsjechië, Polen, Nigeria en Zuid-Afrika. In het kader van het onderzoek naar schade door invoer uit andere landen, werd ook rekening gehouden met de invoer uit Taiwan. Zoals vermeld in overweging 145, was de dumping bij invoer uit Taiwan in het onderzoektijdvak te verwaarlozen.

(235) De invoer uit andere derde landen gaf een lichte stijging te zien, namelijk van 133.798 ton in 2000 tot 137.123 ton in het onderzoektijdvak. Deze geringe stijging en het stabiele verbruik leidde voor andere dan de bij deze procedure betrokken landen tot een stagnerend marktaandeel (19% in 2000 en het onderzoektijdvak).

(236) Bovendien waren de gewogen gemiddelde prijzen van het betrokken product uit andere belangrijke exportlanden volgens Eurostat en de ter plaatse gecontroleerde gegevens in het onderzoektijdvak vergelijkbaar met de gewogen gemiddelde prijzen van de klagende EG-producenten (1,25 €/kg.). Derhalve wordt geconcludeerd dat de klagende EG-producenten door deze invoet geen schade kunnen hebben geleden.

(237) Sommige producenten/exporteurs voerden aan dat het betrokken product uit Turkije met dumping in de EG werd ingevoerd en dat dit mede de oorzaak was van de schade die de klagende EG-producenten hebben geleden.

(238) Het grootste deel van het betrokken product uit Turkije wordt gedistribueerd door een van de klagende EG-producenten die banden heeft met de Turkse producent/exporteur. Er kon evenwel worden aangetoond dat de klagende EG-producent het betrokken product op normale voorwaarden bij de Turkse onderneming aankocht en dat deze producten bedoeld waren om het assortiment van de betrokken EG-producent aan te vullen in perioden van een grotere vraag op de markt. Bovendien was deze invoer niet het gevolg van opgegeven of uitgestelde investeringsplannen die tot een verlaging van de productiecapaciteit van EG-producenten zouden hebben geleid. Voorts werd bij de controle vastgesteld dat de EG-producent het product uit Turkije tegen dezelfde prijzen verkocht als de producten die hij zelf vervaardigde en dat de gemiddelde prijzen van de andere klagende EG-producenten niet werden onderboden.

3.4 Niet-klagende EG-producenten

(239) De niet-klagende EG-producenten van het betrokken product hadden in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 31,5%. In de beoordelingsperiode is hun verkoop met 7% en hun marktaandeel met 2 procentpunten gedaald.

(240) De beschikbare gegevens wezen erop dat de gemiddelde prijzen van de niet-klagende EG-producenten vergelijkbaar waren met die van de klagende EG-producenten. Het lijkt erop dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevinden, d.w.z. dat zij schade hebben ondervonden als gevolg van dumping. Het is daarom niet aannemelijk dat de niet-klagende EG-producenten de oorzaak waren van de aanmerkelijke schade die de klagende EG-producenten hebben geleden.

3.5 Stijging van de grondstoffenprijzen

(241) De kosten van de grondstoffen maken een groot deel uit van de totale productiekosten van polyester stapelvezels (ongeveer 60%). De prijzen van dit product zijn dus sterk afhankelijk van de kosten van de grondstoffen.

(242) Polyester stapelvezels worden vervaardigd van aardoliederivaten (hoofdzakelijk monoethyleenglycol – MEG – en gezuiverd tereftalaatzuur – PTA). In mindere – maar toenemde – mate vervaardigen de klagende EG-producenten zogenaamde geregenereerde polyester stapelvezels uit gerecycleerde materialen (polyethyleentereftalaat(PET)-flessen en ander afval). Polyester stapelvezels kunnen tenslotte ook worden vervaardigd uit een combinatie van beide soorten grondstoffen, namelijk aardoliederivaten en gerecycleerd PET-afval.

(243) De prijzen van MEG en PTA – aardoliederivaten – volgen de aardolieprijzen. Bij de controlebezoeken werd vastgesteld dat de prijzen van gerecycleerde materialen meestal mee evolueren met de prijzen van MEG en PTA.

(244) Op grond van het bovenstaande voerden sommige producenten/exporteurs aan dat de schade die de klagende EG-producenten zouden hebben geleden te wijten was aan de schommelingen van de grondstofprijzen, met name de wereldwijde stijging van de aardolieprijs.

(245) Aan de hand van door grondstofproducenten verstrekte gegevens werd vastgesteld dat de prijzen van MEG en PTA van 2002 tot het einde van het onderzoektijdvak met respectievelijk 14% en 13% zijn gestegen. Deze prijsstijging kwam evenwel niet tot uiting in een prijsstijging van het product dat door de klagende EG-producenten werd verkocht (zie overweging 209), ondanks het feit dat vezels prijsgevoelige producten zijn. Integendeel, de prijzen van de EG-producenten daalden in die periode iets. Hoewel de producenten van polyester stapelvezels in derde landen logischerwijze met soortgelijke prijsstijgingen van aardoliederivaten zoals MEG en PTA te kampen moesten hebben, daalden de prijzen van polyester stapelvezels uit de betrokken landen in die periode sterk. De EG-producenten konden de gestegen grondstofprijzen niet doorberekenen aan hun afnemers vanwege de concurrentie met de gedumpte producten.

(246) Bovendien zal een stijging van de grondstofprijzen zowel gevolgen zal hebben voor de EG-producenten als voor door de producenten in de betrokken landen, daar aardolie een basisproduct is waarvan de prijs over de gehele wereld ongeveer gelijk is. De bovenstaande bewering werd derhalve afgewezen.

3.6 Wisselkoersschommelingen

(247) Voorts werden de wisselkoersschommelingen tussen de euro en de Amerikaanse dollar onderzocht. De prijzen van het betrokken product uit de betrokken landen worden meestal in Amerikaanse dollar uitgedrukt. De euro is vanaf midden 2002 en met name in het onderzoektijdvak in waarde gestegen ten opzichte van de Amerikaanse dollar, waardoor uitvoer naar de Euroregio in die periode gunstiger werd. In dat verband voerden sommige belanghebbenden aan dat in een “dollareconomie” de waardevermindering van deze munt ten opzichte van de euro "onvermijdelijk” invoer in de EG in de hand moet hebben gewerkt.

(248) Dit betekent dat ook andere landen dan die van waaruit met dumping werd ingevoerd van de waardestijging van de euro hebben geprofiteerd. De invoer van polyester stapelvezels uit andere dan de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea stagneerde evenwel in de beoordelingsperiode (en daalde zelfs enigszins vanaf 2002 tot in het onderzoektijdvak), terwijl de invoer met dumping uit genoemde landen in die periode met 12% toenam. Hoewel op het eerste gezicht niet kan worden uitgesloten dat de waardestijging van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar de invoer van polyester stapelvezels uit genoemde in de hand kan hebben gewerkt, wijst het feit dat de koersschommelingen geen gevolgen hadden voor de invoer uit andere landen erop dat deze schommelingen niet beschouwd kunnen worden als een oorzaak van de sterke stijging van de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea.

(249) Bovendien kan een waardestijging van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar als een oorzaak van schade voor de klagende EG-producenten slechts gelden voor de periode waarin deze waardestijging plaatsvond, d.w.z. van midden 2002 tot het einde van het onderzoektijdvak en met name in het onderzoektijdvak toen de verschillen tussen de beide munteenheden het grootst waren.

(250) Derhalve werd geconcludeerd dat hoewel de waardestijging van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar gunstig was voor de uitvoer naar de EG, deze waardestijging geen verklaring biedt voor de aanzienlijke toename van de invoer van polyester stapelvezels uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea in vergelijking met andere landen.

4. Conclusie

(251) Het samenvallen in de tijd van enerzijds de stijging van de invoer met dumping, de toename van het daarmee overeenstemmende marktaandeel en de prijsonderbieding en anderzijds de verslechtering van de situatie van de klagende EG-producenten hebben tot de conclusie geleid dat dumping een oorzaak was van de aanmerkelijke schade die de klagende EG-producenten hebben geleden. Er werd met name een parallelle ontwikkeling in de tijd vastgesteld tussen de prijsdaling van bedoelde ingevoerde producten en de gedrukte prijzen van de klagende EG-producenten. Dit leidde tot een dalende winstgevendheid en voor het jaar 2002 en het onderzoektijdvak, toen de invoer uit de betrokken landen het sterkst steeg en de prijzen het sterkst daalden, tot negatieve resultaten.

(252) Na onderzoek van factoren zoals de ontwikkeling van het verbruik, de invoer uit andere dan de bij deze procedure betrokken landen, het marktgedrag van de niet-klagende EG-producenten en het lage niveau van investeringen van de klagende EG-producenten werd geconcludeerd dat de klagende EG-producenten door deze factoren geen aanmerkelijke schade kunnen hebben geleden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat andere factoren, zoals de stijging van de grondstofprijzen en wisselkoersschommelingen kunnen hebben bijgedragen tot de schade die de klagende EG-producenten hebben geleden, zijn de gevolgen van deze factoren niet van die aard dat zij de conclusie kunnen wijzigen dat er een onmiskenbaar en sterk oorzakelijk verband is tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de aanmerkelijke schade die de klagende EG-producenten hebben geleden.

G. BELANG VAN DE EG

1. Inleiding

(253) Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening werd onderzocht of antidumpingmaatregelen strijdig zouden zijn met het algemene belang van de EG. Hiertoe werden de verschillende betrokken belangen in de EG onderzocht, namelijk die van de klagende EG-producenten, van importeurs, handelaren en verwerkende bedrijven.

(254) Om de waarschijnlijk gevolgen van antidumpingmaatregelen te beoordelen, heeft de Commissie alle haar bekende belanghebbenden om informatie verzocht. De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de klagende EG-producenten, 10 andere EG-producenten, 23 verwerkende bedrijven en drie toeleveranciers. De zes klagende EG-producenten, twee niet-klagende EG-producenten, 5 importeurs die banden hebben met exporteurs, 15 verwerkende bedrijven en twee toeleveranciers hebben de vragenlijst beantwoord[9].

(255) 31 onafhankelijke importeurs waren bij de inleiding van de procedure bekend. Gezien het grote aantal onafhankelijke importeurs, heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening, het onderzoek aan de hand van een steekproef verricht. De steekproef werd samengesteld uitgaande van de grootste representatieve omvang van de invoer die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijze kon worden onderzocht.

(256) Oorspronkelijk werden vijf ondernemingen voor de steekproef geselecteerd op basis van de omvang van de invoer door deze ondernemingen uit de betrokken landen. Een van de vijf geselecteerde ondernemingen werd vervolgens als een niet-medewerkende onderneming beschouwd omdat ze de vragenlijst niet volledig had ingevuld en van de steekproef uitgesloten. De vier overige in de steekproef opgenomen ondernemingen waren goed voor 14,6% van de totale betrokken invoer. De uiteindelijke steekproef bestond uit de volgende ondernemingen:

- S.I.M.P., SpA, Italië

- Highams Group Ltd., Verenigd Koninkrijk

- Tob Herman Industries, N.V., België

- Marubeni Europe plc, Hamburg Branch, Duitsland

(257) Op deze basis werd onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake dumping, de situatie van de klagende EG-producenten en het oorzakelijk verband, dwingende redenen waren om in dit geval, in het belang van de EG, geen maatregelen te nemen.

2. Klagende EG-producenten

(258) De klagende EG-producenten hebben aanmerkelijke schade geleden zoals werd uiteengezet in de overwegingen 202 en volgende.

(259) Indien antidumpingmaatregelen worden genomen, zouden de klagende EG-producenten in staat moeten zijn een winstgevendheid te bereiken die zij in afwezigheid van dumping hadden kunnen bereiken en van de ontwikkelingen op de EG-markt te profiteren. Deze producenten zouden dan niet meer in hun voortbestaan worden bedreigd.

(260) Hoewel de klagende EG-producenten erin geslaagd zijn belangrijke nichemarkten te ontwikkelen voor speciale soort polyester stapelvezels of vezels met een hogere toegevoegde waarde, blijft de productie van de gewone soorten de kernactiviteit van deze producenten, zowel voor geweven als niet-geweven toepassingen. Ook op deze nichemarkten zijn steeds meer producenten uit de betrokken landen aanwezig en hebben de klagende EG-producenten met oneerlijke concurrentie te maken.

(261) Speciale vezels genereren hoge winsten, maar worden slechts in geringe hoeveelheden verkocht. Om de bezettingsgraad te verhogen en de vaste productiekosten te kunnen dekken, moeten de klagende EG-producenten grote hoeveelheden standaardvezels verkopen. Daarom zullen antidumpingmaatregelen ervoor zorgen dat de productie van standaardvezels kan worden voortgezet en dat de productie van vezels met een hogerer toegevoegde waarde mogelijk zal blijven omdat die sterk van de productie van standaardvezels afhankelijk is. De belangrijkste leveranciers van speciale soorten polyester stapelvezels op wereldvlak zijn de klagende EG-producenten zelf; vezels met een dergelijke hoge toegevoegde waarde kunnen niet worden geleverd door de bij deze procedure betrokken landen. Derhalve wordt geoordeeld dat de instelling van maatregelen in het belang van de klagende EG-producenten is.

3. Gevolgen voor de verwerkende bedrijven en importeurs

(262) Zoals in de overwegingen 254 en 256 vermeld, hebben 15 verwerkende bedrijven, vier in de steekproef opgenomen onafhankelijke importeurs en vijf importeurs die banden hebben met de exporteurs de vragenlijst van de Commissie beantwoord. Bovendien hebben drie organisaties van verwerkende bedrijven de Commissie informatie verstrekt en haar verzocht deze procedure zonder de instelling van maatregelen te beëindigen.

(263) De bedrijven die het betrokken product verwerken maken deel uit van de textielsector. Het product wordt afgenomen door spinnerijen (die filamenten vervaardigen voor de productie van textiel, al dan niet gemengd met andere vezels zoals vezels van katoen of wol), de sector van de nonwovens (die matten en vliezen vervaardigt uit vezels die niet tot garens zijn verwerkt en die worden gebonden door wrijving en/of cohesie en/of adhesie, met uitzondering van papier) en bedrijven die vulmateriaal vervaardigen (materiaal voor de vulling of wattering van bepaalde textielproducten zoals kussens en autozetels). De meeste verwerkende bedrijven die in het kader van deze procedure medewerking verlenen zijn nonwoven-producenten. Deze bedrijven zijn alle lid van een van de drie organisaties van verwerkende bedrijven die medewerking verlenen aan deze procedure en die de nonwovensector op Europees niveau vertegenwoordigen[10]. Volgens de antwoorden op de vragenlijst waren de medewerkende verwerkende bedrijven in het onderzoektijdvak goed voor ongeveer 5% van het verbruik van polyester stapelvezels in de EG en voor ongeveer 13% van de invoer uit de betrokken landen. De verwerkende bedrijven en de importeurs voerden een aantal argumenten aan tegen de instelling van antidumpingrechten.

(264) De verwerkende bedrijven voerden aan dat de EG-markt voor polyester stapelvezels hoofdzakelijk afhankelijk is van buitenlandse leveranciers (de EG-producenten kunnen ten hoogste aan ongeveer 60% van de vraag voldoen). In termen van capaciteit en marktaandeel in de EG zijn twee van de onderzochte landen, namelijk Taiwan en de Republiek Korea, wereldwijd de belangrijkste leveranciers. Antidumpingrechten zullen dus onvermijdelijk gevolgen hebben voor fundamentele belangen van de EG.

(265) Voorts voerden de verwerkende bedrijven aan dat zij op een uiterst prijsgevoelige markt actief zijn en dat zelfs een kleine stijging van de kosten niet aan de eindgebruiker kan worden doorberekend, daar de concurrentie op de markt voor eindproducten (zoals kussens, textiel), met name uit Zuid-Oost-Aziatische landen en China, zeer sterk is. Deze landen verkopen nu reeds tegen zeer lage prijzen en talrijke EG-textielproducenten worden ertoe gedwongen hun productie voor ten minste een deel naar het buitenland te verplaatsen.

(266) Bovendien voerden een aantal verwerkende bedrijven aan dat bepaalde productsoorten (de zogenaamde holle geconjugeerde vezels) niet in de EG worden vervaardigd en in de nabije toekomst niet door EG-producenten vervaardigd zullen worden omdat de nodige technische uitrusting ontbreekt. Deze soorten moeten dus worden ingevoerd (holle geconjugeerde vezels worden hoofdzakelijk in de Republiek Korea vervaardigd).

(267) De bedrijven die polyester stapelvezels verwerken zijn tenslotte, in tegenstelling tot de bedrijven die polyester stapelvezels vervaardigen, arbeidsintensief. Sommige belanghebbenden wezen erop dat het aantal werknemers in de verwerkende bedrijven veel hoger is dan in de kapitaalintensieve bedrijven die het betrokken product vervaardigen. Zo geeft de nonwovensector van de EG rechtstreeks werk aan 16.000 personen, terwijl de polyesterstapelvezelproducerende bedrijven slechts 1.180 werknemers tellen. De bedrijven in de nonwovensector vermeldden dat polyester stapelvezels gemiddeld 40% uitmaken van de kosten van de door hen vervaardigde producten. Zij voerden aan dat antidumpingrechten tot een verlies van arbeidsplaatsen konden leiden of tot verplaatsing van de productie buiten de EG.

(268) In verband met de beweerde afhankelijkheid van de EG-markt van buitenlandse leveranciers wordt opgemerkt dat antidumpingrechten op polyester stapelvezels uit de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië gemiddeld 27% zouden bedragen, maar dat deze landen in het onderzoektijdvak slechts een marktaandeel van 7% hadden. Anderzijds wordt voorgesteld de antidumpingmaatregelen ten aanzien van Taiwan te laten vervallen en de antidumpingrechten ten aanzien van de Republiek Korea te verlagen. De Commissie legt er de nadruk op dat Taiwan en de Republiek Korea in het onderzoektijdvak, terwijl antidumpingmaatregelen van toepassing waren (zie overweging 3) een marktaandeel hadden van 19%. Volgens een gerenommerd consultancybureau voor de vezelmarkt zouden belangrijke producenten van polyester stapelvezels gevestigd zijn in landen waarvoor geen antidumpingrechten gelden (hoofdzakelijk de VS, Mexico, Turkije en Zuid-Afrika) en die in het onderzoektijdvak een overcapaciteit hadden van ongeveer 50% van het EG-verbruik. Bovendien was het aandeel van deze landen op de EG-markt reeds aanzienlijk, namelijk 5,3% in het onderzoektijdvak.

(269) Ondanks de voorgestelde maatregelen ten aanzien van de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië zullen de verwerkende EG-bedrijven, gezien de beëindiging van de maatregelen ten aanzien van Taiwan en de verlaging van de maatregelen ten aanzien van de Republiek Korea, nog steeds een beroep kunnen doen op belangrijke exporteurs van het betrokken product zoals de Republiek Korea of op belangrijke leveranciers in landen waarop geen antidumpingrechten van toepassing zijn, zoals Taiwan.

(270) Wat de opmerking betreft dat de verwerkende bedrijven de kosten van antidumpingrechten niet zouden kunnen doorberekenen aan hun afnemers, wijst de Commissie erop dat met name voor de medewerkende verwerkende bedrijven (bijna uitsluitend nonwovenproducenten) die het betrokken product invoeren uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië, de Republiek Korea en Taiwan de stijging van de productiekosten tengevolge van de in te voeren maatregelen ongeveer 0,4% zal bedragen, rekening houdend met het volgende: i) het gemiddelde antidumpingrecht voor de Volksrepubliek China en Saoedi-Arabië 34,6% bedraagt, terwijl deze landen in het onderzoektijdvak een marktaandeel hadden van 7,8%, ii) het gemiddelde antidumpingrecht voor de Republiek Korea 2 procentpunten lager zal zijn dan het gemiddelde antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 2852/2000 voor de Republiek Korea was ingesteld en dat de maatregelen ten aanzien van Taiwan beëindigd zullen worden, iii) de Republiek Korea en Taiwan in het onderzoektijdvak samen goed waren voor 19,3% van de EG-markt, iv) het aandeel van polyester stapelvezels in de productiekosten van de eindproducten van de medewerkende verwerkende bedrijven (nonwovensector) gemiddeld 40% bedroeg.

(271) Indien de verwerkende bedrijven, zoals zij beweren, deze stijging van hun produciekosten niet kunnen doorberekenen aan hun afnemers zijn de gevolgen voor hun financiële situatie niet belangrijk. Gezien de geringe gevolgen voor de financiële situatie van de verwerkende bedrijven, zullen er naar verwachting ook geen nadelige gevolgen zijn voor de werkgelegenheid in deze sector.

(272) Ook werd vastgesteld dat, ondanks de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen ten aanzien van ongeveer 50% van de invoer van het betrokken product uit alle derde landen, het verbruik in de nonwovensector in de beoordelingsperiode is gestegen. Volgens de informatie van de organisatie van Europese nonwovenproducenten steeg de productie in deze sector met ongeveer 17% in de periode van 2000 tot 2002.

(273) Vastgesteld werd dat holle geconjugeerde vezels ook vervaardigd kunnen worden door de klagende EG-producenten daar deze over de nodige know how en machines beschikken. Zoals reeds vermeld, wordt dit product momenteel niet door de klagende EG-producenten vervaardigd tengevolge van de sterke prijsdruk als gevolg van dumping. In ieder geval worden de antidumpingrechten voor de Republiek Korea, de belangrijkste leverancier van holle geconjugeerde vezels, gemiddeld verlaagd.

(274) Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het niveau van de voorgestelde maatregelen en de beëindiging van de procedure ten aanzien van Taiwan, is de conclusie dat de voorgestelde maatregelen geen verslechtering inhouden van de situatie van de verwerkende bedrijven en importeurs van het betrokken product.

4. Gevolgen voor de grondstoffenleveranciers

(275) Twee grondstoffenleveranciers hebben de vragenlijst beantwoord. Het zijn petrochemische bedrijven die PTA en MEG leveren aan de producenten van polyester stapelvezels. Beide bedrijven waren uitdrukkelijk voorstander van antidumpingmaatregelen. Vanuit het oogpunt van het belang van de EG moet echter worden bedacht dat de verkoop van deze leveranciers aan de producenten van polyester stapelvezels slechts een minimaal deel van hun omzet uitmaakt en dat het al dan niet instellen van antidumpingmaatregelen weinig of niets aan hun financiële en commerciële situatie zal veranderen.

5. Milieuoverwegingen

(276) Zoals eerder vermeld kunnen polyester stapelvezels vervaardigd worden uit aardoliederivaten (MEG en PTA); ze kunnen ook worden vervaardigd van PET-flessen of ander afval, of zij kunnen uit een combinatie van beide worden vervaardigd, namelijk uit aardoliederivaten en gerecycleerde materialen. De klagende EG-producenten bleken in het onderzoektijdvak ongeveer 60% aardoliederivaten en ongeveer 40% gerecycleerde grondstoffen te hebben gebruikt bij de productie van polyester stapelvezels. De klagende EG-producenten zijn voornemens het gebruik van gerecycleerde grondstoffen geleidelijk te verhogen. Twee klagende EG-producenten hebben productielijnen voor gerecycleerde producten geïnstalleerd. Een andere onderneming is voornemens een dergelijke productielijn in 2004 en 2005 op te starten.

(277) Volgens artikel 6 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap moeten eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de EG, als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling. In dit verband beschouwt de EG afvalpreventie en -beheer als een van haar topprioriteiten.

(278) De EG heeft met name wetgeving uitgevaardigd in verband met verpakking en verpakkingsafval[11]. Een van de principes die aan deze wetgeving ten grondslag liggen is dat verpakking gerecycleerd en hergebruikt moet worden: indien verpakkingsafval niet kan worden vermeden, dient zo veel mogelijk materiaal te worden teruggewonnen, bij voorkeur door recycling. In dat verband heeft de EG onlangs vastgesteld dat uiterlijk 31 december 2008 ten minste 22,5% van alle plastic in verpakkingsafval moet worden teruggewonnen[12].

(279) De klagende EG-producenten bleken in het onderzoektijdvak goed te zijn voor 70% van het gebruik van de gerecycleerde PET-flessen en zijn dus verreweg de belangrijkste eindgebruiker van dit verpakkingsafval[13]. Voor het recycleren van PET-verpakkingsafval is de EG dus hoofdzakelijk aangewezen op de producenten van polyester stapelvezels die de belangrijkste afnemers zijn.

(280) De Commissie oordeelt dat antidumpingrechten ertoe zullen bijdragen dat een bedrijfstak kan voortbestaan die als belangrijkste afnemer een hoofdrol speelt bij het terugwinnen van PET-verpakkingsafval.

(281) Deze conclusie wordt niet gewijzigd door het feit dat de recyclingbedrijven in de EG ook PET naar de Volksrepubliek China uitvoeren, zoals enkele belanghebbenden hebben opgemerkt. Het grootste deel van PET-verpakkingsafval wordt door de producenten van polyester stapelvezels in de EG gebruikt.

6. Conclusie

(282) Rekening houdend met alle bovenstaande factoren wordt voorlopig geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om geen antidumpingmaatregelen in te stellen.

H. BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE MET BETREKKING TOT TAIWAN

(283) Gezien de bevindingen in de overwegingen 143 en volgende behoeven de antidumpingmaatregelen ten aanzien van Taiwan niet te worden gehandhaafd. Overeenkomstig de artikelen 11 en 9 van de basisverordening dient het onderzoek te worden beëindigd indien blijkt dat beschermingsmaatregelen niet nodig zijn en het Raadgevend Comité geen bezwaar tegen de beëindiging heeft.

(284) Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de beschermingsmaatregelen ten aanzien van Taiwan niet behoeven te worden voortgezet en dat de procedure moet worden beëindigd.

I. ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1. Schademarge

(285) Antidumpingrechten moeten hoog genoeg zijn om te voorkomen dat de klagende EG-producenten verder schade lijden als gevolg van dumping, maar mogen de dumpingmarge niet overschrijden. Bij de berekening van het recht dat hoog genoeg is om verdere schade door dumping te voorkomen, werd ervan uitgegaan dat de EG-producenten door de maatregelen in staat moeten zijn hun kosten te dekken en een winst voor belasting te maken die redelijkerwijze, in normale concurrentie-omstandigheden, kan worden gemaakt, dat wil zeggen in afwezigheid van dumping. Volgens de klacht zouden de EG-producenten in afwezigheid van dumping een winst voor belasting van 5% moeten kunnen maken. Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel werd deze winstmarge passend geacht.

(286) De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld aan de hand van een vergelijking, in hetzelfde handelsstadium, van de gewogen gemiddelde invoerprijs, vastgesteld bij de berekening van de prijsonderbiedingsmarge, met de niet-schadelijke prijs bij verkoop op de EG-markt.

(287) De niet-schadelijke prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de klagende EG-producenten zodanig te corrigeren dat deze een winstmarge van 5% inhield. Het verschil dat uit de vergelijking voortvloeide werd vervolgens uitgedrukt in procenten van de totale cif-waarde bij invoer.

2. Definitieve maatregelen

(288) Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening een antidumpingrecht moet worden ingesteld op het betrokken product uit de Volksrepubliek China, Saoedi-Arabië en de Republiek Korea en dat dit recht niet hoger mag zijn dan de dumpingmarge en lager dient te zijn dan deze marge indien dit lagere recht toereikend is om de schade weg te nemen die de klagende EG-producenten hebben geleden.

(289) Op deze basis bedragen de antidumpingrechten:

Land | Onderneming | AD- RECHT (%) |

Volksrepubliek China | Cixi Jiangnan Chemical Fiber Co.Ltd. Sanbei Town Industry Area, Cixi City, Zhejiang Province | 26,3 |

Far Eastern Industries (Shanghai) Ltd. 31-33F, Baoan Tower, N°800, Dongfang Road, Pudong New District, 200122, Shanghai | 4,9 |

Hangzhou An Shun Pettechs Fibre Industry Co. Ltd. N°.37, East Avenue, Fu-Yang Town, Hangzhou, Zhejiang Province | 18,6 |

Deqing An Shun Pettechs Fibre Industry Co.Ltd. N°.9, Cangqian Road, Chengguan Town Deqing County | 22,4 |

Kunshan An Shun Pettechs Fibre Industry Co.Ltd N°.78, Huting Road, Bacheng Town, Kunshan, Jiangsu Province | 18,6 |

Jiangyin Changlong Chemical Fiber Co.Ltd Houxiang Industrial Zone, Changjing, Jiangsu 214411 | 24,6 |

Xiake Color Spinning Co.Ltd N°.39, East Street, Mazhen, Jiangyin, Jiangsu 214406 | 80,2 |

Alle andere ondernemingen | 80,2 |

Saoedi-Arabië | National Polyester Fibers Factory P.O. Box 42185, Riyadh 11541 | 20,9 |

Saudi Basic Industries Corporation (Sabic) P.O. Box 5101, Riyadh 11422 | 20,9 |

Arabian Industrial Fibres Company (Ibn Rushd) P.O.Box 30701, Yanbu Al-Sinaiyah 21447 | 20,9 |

Alle andere ondernemingen | 20,9 |

Republiek Korea | Huvis Corporation 151-7, Samsung-dong, Gangnam-gu, Seoul | 5,7 |

Saehan Industries Inc 254-8, Kongduk-dong, Mapo-ku, Seoul | 10,6 |

Sung Lim Co., Ltd. RM 911, Dae-Young Bldg, 44-1, Youido-Dong, Youngdungpo-ku, Seoul | 0 |

Dongwoo Industry Co. Ltd. 729, Geochon-Ri, Bongwha-up, Bongwha-Kun, Kyoungsangbuk-do | 6.0 |

East Young Co. Ltd. Bongwan #202, Gumi Techno Business Center, 267 Gongdan-Dong, Gumi-si, Kyungbuk, Korea | 6,0 |

Estal Industrial Co. 845 Hokye-dong, Yangsan-City, Kyungnam | 6,0 |

Geum Poong Corporation 62-2, Gachun-Ri, Samnam-Myon, Ulju-Ku, Ulsan-shi | 6,0 |

Keon Baek Co. Ltd. 1188-3, Shinsang-Ri, Jinryang-Eup, Kyungsan-si, Kyungbuk-do | 6,0 |

Samheung Co. Ltd. 557-12, Dongkyu-Ri, Pochon-Eub Pochon-Kun, Kyungki-do | 6,0 |

Alle andere ondernemingen | 10,6 |

(290) De in deze verordening genoemde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen in het kader van deze procedure. Zij weerspiegelen de situatie die tijdens het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het recht dat voor “alle andere ondernemingen" in dat land geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op producten uit het betrokken land die door de genoemde ondernemingen (rechtspersonen) zijn geproduceerd. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor "alle andere ondernemingen" geldt.

(291) Aanvragen in verband met de toepassing van een specifiek voor een bepaalde onderneming geldend antidumpingrecht (bijv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie[14] te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houden met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen,

3. Verbintenissen

(292) Een medewerkende producent/exporteur in Saoedi-Arabië heeft een prijsverbintenis aangeboden overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening. De door hem aanvankelijk aangeboden minimumprijzen namen de schadelijke gevolgen van dumping echter niet weg. Hetzelfde gold voor een herziene prijsverbintenis die deze producent/exporteur heeft aangeboden. Voorts is de verkoopstructuur van deze onderneming dusdanig dat het niet mogelijk is een doeltreffend toezicht uit te oefenen op de naleving van de verbintenis. Het aanbod moest dan ook worden afgewezen.

(293) Twee Chinese producenten/exporteurs hebben een verbintenis aangeboden die door een organisatie van verwerkende bedrijven werd ondersteund. Dit aanbod kon niet worden aanvaard omdat een bepaalde hoeveelheid van het betrokken product van de definitieve maatregelen zou zijn uitgesloten, waardoor de door de EG-producenten geleden schade niet zou worden weggenomen. Vervolgens hebben deze exporteurs een minimumprijs aangeboden die op hun gehele uitvoer naar de EG van toepassing zou zijn, maar deze prijs was niet hoog genoeg om de schadelijke gevolgen van dumping weg te nemen. De aangeboden verbintenissen moesten dus worden afgewezen. Voorts kon niet worden aanvaard dat verschillende minimumprijzen van toepassing zouden zijn op verschillende productsoorten die bij invoer niet gemakkelijk van elkaar zijn te onderscheiden. Hierdoor zou de verbintenis gemakkelijk kunnen worden ontdoken. Bij het onderzoek was voorts gebleken dat de boekhouding van de betrokken exporteurs niet aan de internationale normen voldeed, waardoor het bijzonder moeilijk zou worden de naleving van de verbintenis te controleren.

(294) Een andere Chinese producent/exporteur die niet als een marktgericht bedrijf werd beschouwd en die evenmin een individuele behandeling heeft verkregen, bood de verbintenis aan zijn prijzen bij uitvoer naar de EG te verhogen. Afgezien van het feit dat de verhoogde prijs niet hoog genoeg was om de gevolgen van schadelijke dumping weg te nemen, is het de vaste praktijk van de Commissie geen verbintenissen te aanvaarden van ondernemingen die niet als een marktgericht bedrijf worden beschouwd en die geen individuele behandeling hebben verkregen omdat in dat geval geen individuele dumpingmarge kan worden vastgesteld. Daarom moest het aanbod van deze producent/exporteur worden afgewezen.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Arti kel 1

1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op synthetische stapelvezels van polyesters, niet gekaard, niet gekamd, noch anderszins bewerkt met het oog op het spinnen, ingedeeld onder GN-code 5503 20 00, uit de Volksrepubliek China en Saoedi Arabië.

2. Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, vrij grens EG, vóór inklaring, is als volgt:

Land | Producent | Recht (%) | Aanvul-lende Taric code |

Volksrepu-bliek China | Cixi Jiangnan Chemical Fiber Co.Ltd. Sanbei Town Industry Area, Cixi City, Zhejiang Province | 26,3 | A590 |

Far Eastern Industries (Shanghai) Ltd. 31-33F, Baoan Tower, N°800, Dongfang Road, Pudong New District, 200122, Shanghai | 4.9 | A591 |

Hangzhou An Shun Pettechs Fibre Industry Co. Ltd. N°.37, East Avenue, Fu-Yang Town, Hangzhou, Zhejiang Province Deqing An Shun Pettechs Fibre Industry Co.Ltd. N°.9, Cangqian Road, Chengguan Town Deqing County Kunshan An Shun Pettechs Fibre Industry Co.Ltd N°.78, Huting Road, Bacheng Town, Kunshan, Jiangsu Province | 18,6 | A592 |

Jiangyin Changlong Chemical Fiber Co.Ltd Houxiang Industrial Zone, Changjing, Jiangsu 214411 | 24,6 | A595 |

Alle andere ondernemingen | 80,2 | A999 |

Saoedi-Arabië | National Polyester Fibers Factory P.O. Box 42185, Riyadh 11541 | 20,9 | A597 |

Saudi Basic Industries Corporation (Sabic) P.O. Box 5101, Riyadh 11422 Arabian Industrial Fibres Company (Ibn Rushd) P.O.Box 30701, Yanbu Al-Sinaiyah 21447 | 20,9 | A598 |

Alle andere ondernemingen | 20,9 | A999 |

3. Tenzij anders vermeld, zijn de voorschriften inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Het deel van de tabel in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2852/2000 van de Raad betreffende de definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op synthetische stapelvezels van polyesters, niet gekaard, niet gekamd, noch anderszins bewerkt met het oog op spinnen, ingedeeld onder GN-code 5503 20 00, uit de Republiek Korea, wordt vervangen door:

Republiek Korea | Onderneming | Recht (%) | Aanvul-lende Taric code |

Huvis Corporation 151-7, Samsung-dong, Gangnam-gu, Seoul | 5,7 | A151 |

Saehan Industries Inc 254-8, Kongduk-dong, Mapo-ku, Seoul | 10,6 | A599 |

Sung Lim Co., Ltd. RM 911, Dae-Young Bldg, 44-1; Youido-Dong, Youngdungpo-ku; Seoul | 0 | A154 |

Dongwoo Industry Co. Ltd. 729, Geochon-Ri, Bongwha-up, Bongwha-Kun, Kyoungsangbuk-do | 6,0 | A608 |

East Young Co. Ltd. Bongwan #202, Gumi Techno Business Center, 267 Gongdan-Dong, Gumi-si, Kyungbuk | 6,0 | A609 |

Estal Industrial Co. 845 Hokye-dong, Yangsan-City, Kyungnam | 6,0 | A610 |

Geum Poong Corporation 62-2, Gachun-Ri, Samnam-Myon, Ulju-Ku, Ulsan-shi | 6,0 | A611 |

Keon Baek Co. Ltd. 1188-3, Shinsang-Ri, Jinryang-Eup, Kyungsan-si, Kyungbuk-do | 6,0 | A612 |

Samheung Co. Ltd. 557-12, Dongkyu-Ri, Pochon-Eub Pochon-Kun, Kyungki-do | 6,0 | A613 |

Alle andere ondernemingen | 10,6 | A999 |

Artikel 3

De antidumpingprocedure met betrekking tot synthetische stapelvezels van polyester uit Taiwan wordt beëindigd.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De Voorzitter

[1] PB L 56, 6.3.1996, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

[2] PB C […] van […], blz. […]

[3] PB L 204 van 4.8.1999, blz. 3.

[4] PB L 332 van 28.12.2000, blz. 17.

[5] PB C 309 van 19.12.2003, blz. 6.

[6] PB C 309 van 19.12.2003, blz. 2.

[7] PB L 175 van 14.7.2000, blz. 10.

[8] PB L 274 van 11.10.2002, blz. 1.

[9] Een van de medewerkende, niet-klagende EG-producenten heeft medegedeeld dat zijn totale productie slechts aan ondernemingen wordt verkocht waarmee hij banden heeft en niet op de open markt.

[10] Volgens ramingen bedraagt het verbruik van polyester stapelvezels door de nonwovensector in de Gemeenschap ongeveer 25% van het totale verbruik van dit product in het onderzoektijdvak.

[11] Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, gewijzigd bij Richtlijne 2004/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2002.

[12] Zie artikel 6, lid 1, van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, gewijzigd bij Richtlijn 2004/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004.

[13] Uit gebruikte PET-flessen worden ook nieuwe flessen vervaardigd, polyesterplaten en omsnoeringsbanden (deze toepassingsmogelijkheden zijn goed voor respectievelijk 11%, 7,5% en 7,6% van de ingezamelde PET-flessen).

[14] Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, J 79, 05/16, Wetstraat 200, B-1049 Brussel / België