17.11.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 286/12


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Informatie- en meetinstrumenten voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in een geglobaliseerde economie”

(2005/C 286/04)

Op 15 september 2004 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over: „Informatie- en meetinstrumenten voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in een geglobaliseerde economie” (initiatiefadvies).

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken en burgerschap”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 mei 2005 goedgekeurd; rapporteur was mevrouw PICHENOT.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 418e zitting van 8 en 9 juni 2005 (vergadering van 8 juni) het volgende advies uitgebracht, dat met 135 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 18 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Met de in juli 2002 uitgebrachte mededeling betreffende de sociale verantwoordelijkheid van ondernemingen heeft de Commissie het bedrijfsleven een plaats gegeven in zijn strategie voor duurzame ontwikkeling. Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) is inderdaad een micro-economische afleiding van het macro-economische concept van duurzame ontwikkeling. Volgens de Commissie is MVO „een concept waarbij bedrijven in het kader van hun bedrijfsactiviteiten en in hun relaties met andere partijen vrijwillig aandacht aan sociale kwesties en het milieu schenken”. Ter afsluiting van verschillende werkzaamheden zal de Commissie een nieuwe mededeling voorleggen betreffende een strategie ter bevordering en ontwikkeling van MVO in de Europese Unie.

1.2

Bij Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 (1) werd de vierde richtlijn van 1978 betreffende de jaarrekening en de zevende richtlijn van 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening gewijzigd door de volgende paragraaf erin op te nemen: „In de mate waarin zulks noodzakelijk is voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten of de positie van de vennootschap, omvat de analyse zowel financiële als, waar zulks passend wordt geacht, niet-financiële essentiële prestatie-indicatoren die betrekking hebben op het specifieke bedrijf van de vennootschap, met inbegrip van informatie betreffende milieu- en personeelsaangelegenheden.”

1.3

Goed ondernemingsbestuur, met inachtneming van de OESO-beginselen terzake, en sociaal verantwoorde investeringen worden van steeds groter belang in het bedrijfsleven. Sociaal verantwoord investeren betekent dat niet alleen financieel rendement bepalend is voor het beheer van de effectenportefeuille, maar dat ook rekening wordt gehouden met sociale en milieucriteria.

1.4

Het Europees Economisch en Sociaal Comité hecht veel belang aan MVO, dat een van de drijvende krachten in een wereldwijde strategie voor duurzame ontwikkeling moet worden. In de slotopmerking van zijn advies (2) bevestigt het Europees Economisch en Sociaal Comité dat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven voor hem een onderwerp is dat centraal staat en waarvan het de verdere ontwikkeling nauwlettend zal volgen en actief zal nastreven. In het advies wordt gesteld dat een sociaal verantwoorde aanpak gebaseerd moet zijn op een doeltreffende en dynamische toepassing van de bestaande normen (wetgeving en collectieve overeenkomsten) en gepaard moet gaan met vrijwillig aangegane verbintenissen die verder gaan dan die normen. Ook wordt overwogen een aan de specifieke context van de EU aangepast MVO uit te stippelen.

1.5

Thans wordt door alle lidstaten van de uitgebreide Unie over MVO gediscussieerd, ook al zijn er grote verschillen in wetgeving en praktijken. De inspanningen met het oog op bewustmaking van de nieuwe lidstaten moeten worden voortgezet. Een en ander verklaart waarom het Comité dit initiatiefadvies uitbrengt naar aanleiding van een nieuwe mededeling die aansluit bij het Groenboek en de werkzaamheden van het Multi-Stakeholder Forum over MVO.

1.6

Aan het Europees Multi-Stakeholder Forum over MVO hebben tussen oktober 2002 en juni 2004 een twintigtal organisaties deelgenomen; vertegenwoordigers van werkgevers, bedrijfsnetwerken, werknemers en representatieve maatschappelijke organisaties voor andere stakeholders werden aldus samengebracht in een eerste proeve van civiele en maatschappelijke dialoog (3). De methode, waarbij o.m. naar consensus werd gestreefd teneinde de transparantie en samenhang van de instrumenten te bevorderen, moest leiden tot een gemeenschappelijke diagnose van de factoren die MVO bevorderen of belemmeren en, indien mogelijk, tot gemeenschappelijke aanbevelingen om een en ander vooruit te helpen. Tijdens het forum werd een analyse gemaakt van zowel de belemmerende als stimulerende factoren voor MVO, werd duidelijk vastgesteld welke stimulansen voor de bewustmaking en opleiding van de actoren wenselijk zijn, en werd aanbevolen zich voor desbetreffende evaluaties te baseren op belangrijke internationale documenten die reeds door alle lidstaten zijn onderschreven.

1.7

In het ontwerp van grondwettelijk verdrag wordt in artikel I.3 gezegd dat de Europese Unie streeft naar duurzame ontwikkeling van Europa op basis van „een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang”. MVO is een van de instrumenten die het evenwicht moeten verzekeren tussen de drie pijlers van de Lissabonstrategie: economie en groei, werkgelegenheid en het Europees sociaal model, en milieu. Tevens is het een middel om de sociale samenhang te versterken en een stap vooruit te zetten op de weg naar een kennismaatschappij. Aldus zal ook de economische efficiëntie van de Unie en het concurrentievermogen (4) van haar ondernemingen worden versterkt.

1.8

De toename van het internationale handelsverkeer is een realiteit voor alle ondernemingen, ongeacht hun omvang, maar met name voor multinationals. Binnen eenzelfde concern is een stroom van producten, diensten en kapitaal tussen verschillende landen in beweging. Het gaat niet louter meer om internationale handel maar om een geglobaliseerde economie. Door hun grotere rol krijgen ondernemingen meer en meer een maatschappelijke verantwoordelijkheid die verder gaat dan de landsgrenzen.

1.9

Het volstaat dan ook niet meer om alleen op schaal van de Europese interne markt te denken. Voor vele ondernemingen is de wereldmarkt de enig geldende referentie geworden en op die schaal ontwikkelen zich verschillende praktijken die impliciet of expliciet van verschillende interpretaties van MVO getuigen. Elk van deze interpretaties — hoe universeel ze ook claimen te zijn — weerspiegelt de wijze waarop tegen ethische, sociale, maatschappelijke en milieuaspecten wordt aangekeken.

2.   Van experiment tot volle wasdom: een evolutie naar meer transparantie

2.1   Internationale conventies, normen en beginselen  (5)

2.1.1

Wereldwijd is men er zich thans van bewust dat economische activiteit ook ethische aspecten als mensenrechten, waardigheid op het werk en veiligstelling van de toekomst van de aarde behelst. Deze waarden krijgen een invulling op zowel internationaal als Europees niveau.

2.1.2

De internationale conventies, normen en beginselen bestaan uit de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende internationale ondernemingen, de IAO-Verklaring betreffende de grondrechten, de richtsnoeren van de OESO voor multinationale ondernemingen en de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de VN.

2.1.3

Aan deze basisteksten kunnen de leidende beginselen van de VN inzake consumentenbescherming en de veiligheids- en kwaliteitsnormen voor levensmiddelen van de Codex alimentarius worden toegevoegd. Op het gebied van milieu en goed bestuur kan ook nog worden verwezen naar de overeenkomsten die in de nieuwe maatregelen inzake SAP+ zijn overgenomen (6).

2.1.4

De internationale gemeenschap heeft er zich toe verbonden de millenniumdoelstellingen tegen 2015 te verwezenlijken. Het te Johannesburg goedgekeurde actieplan vermeldt MVO als een instrument voor billijkere en meer inclusieve mondialisering. Het vormt een dwingende uitnodiging voor de ondernemingen in al hun schakeringen, alsmede voor al hun financiers, om aan de duurzame ontwikkeling van onze planeet bij te dragen.

2.1.5

In het rapport „Een billijker globalisering met kansen voor iedereen” (7) wordt beklemtoond dat initiatieven op vrijwillige basis, om geloofwaardig te zijn, gepaard moeten gaan met een streven naar transparantie en met de wil om verantwoording af te leggen; daarbij moet ervan kunnen worden uitgegaan dat er doeltreffende systemen bestaan om de resultaten te evalueren, te controleren, en publiek te maken.

2.1.6

Het EESC moedigt alle lidstaten van de Unie aan de relevante IAO-verdragen te ratificeren en ze in nationale wetgeving om te zetten.

2.2   Het Europese normenstelsel  (8)

2.2.1

Aan dit geheel van internationale criteria heeft de Raad van Europa het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Europees Sociaal Handvest toegevoegd. De lidstaten van de Unie hebben eigen wet- en regelgeving opgesteld, die onder de naam „communautair acquis” bekend is. Het Europees Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg en het Europees Hof van Justitie te Luxemburg waken over de toepassing van deze regelgeving. Met het in 2000 te Nice uitgevaardigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt een verdere stap vooruit gezet door de scheiding tussen enerzijds burgerlijke en politieke, en anderzijds economische en sociale rechten ongedaan te maken. Het Multi-Stakeholder Forum heeft andermaal bevestigd dat dit hele normenstelsel de grondslag van MVO vormt.

2.2.2

Een onderneming maakt deel uit van de menselijke samenleving en niet alleen van het economische systeem. Zij heeft in de eerste plaats tot taak goederen voort te brengen of diensten te leveren en aldus werkgelegenheid te creëren en inkomsten te verdelen; ook moet zij belastingen betalen. Hierdoor is ze onderdeel van de samenleving. De economische prestaties van een onderneming worden al van oudsher gemeten met behulp van beheer- en boekhoudkundige instrumenten. Deze zijn voor verbetering vatbaar en worden dus op gezette tijden aangepast.

2.2.3

Volgens het Europees model van sociale markteconomie wordt een onderneming niet louter en alleen gezien als een kapitaalvennootschap of een verbintenisrechtelijke constructie maar, en wel in eerste instantie, als een gemeenschap waarin de sociale dialoog zou moeten worden gevoerd. Een kapitaalvennootschap bestaat slechts dankzij haar aandeelhouders; een onderneming is, ongeacht haar statuten, onderdeel van de samenleving en niet alleen van het economische systeem.

2.2.4

Een model dat rekening houdt met alle stakeholders biedt een reëel voordeel ten opzichte van een model dat louter gericht is op de bedrijfsresultaten voor de aandeelhouders (shareholders). Een onderneming gaat beter met haar verantwoordelijkheid om wanneer zij aandacht heeft voor de verwachtingen van haar stakeholders.

2.2.5

In het Groenboek „De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven” wordt bevestigd: „Sociaal verantwoordelijke bedrijven beslissen vrijwillig bij te dragen tot een betere samenleving en een schoner milieu.” In het EESC-advies over het Groenboek en in het advies „De sociale dimensie van de globaliseringhoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft” wordt gesteld: „Maatschappelijk verantwoord ondernemen betekent dat bedrijven zich volledig committeren aan de sociale regelgeving en streven naar een partnerschapsrelatie met alle relevante stakeholders.”

2.2.6

De Unie moet duidelijker maken wat ze onder een Europese onderneming verstaat. Dit zou de dialoog en de uitwisseling van standpunten tussen verschillende actoren over verschillende ervaringen betreffende meetinstrumenten voor MVO kunnen aanmoedigen, zodat MVO-praktijken innovatie kunnen blijven stimuleren en onder verschillende soorten bedrijven verspreid geraken.

2.3   MVO-instrumenten: maatstaven voor de toepassing van het normenstelsel  (9)

2.3.1

Voor een gedifferentieerde toepassing van het normenstelsel zijn concrete instrumenten ingesteld door overheids- en particuliere instanties (instrumenten die hun oorsprong hoofdzakelijk vinden in landen waar gewoonterecht geldt): maatstaven en methoden voor de toepassing van die maatstaven. Deze instrumenten getuigen van verschillende interpretaties van de normen, die afhangen van de sociaal-culturele context van de instanties die eraan ten oorsprong liggen. Dergelijke instanties zijn verenigingen van ondernemingen, publieke normalisatie-instellingen, audit-bureaus, rating agencies, universiteiten, burgerverenigingen en overheden. De instrumenten zijn talrijk en meestal gebaseerd op particuliere initiatieven; zij concurreren vaak met elkaar en zijn soms onderling onverenigbaar.

2.3.2

Sommige maatstaven zijn publiek bekendgemaakt en kunnen zowel internationaal (bv. de normen ISO 9000, ISO 14000, SA 8000, AA 1000, GRI), Europees (EMAS, SME Key, Eurosif, maatschappelijke balans (10) — als nationaal (wetten, decreten of verordeningen, aanbevelingen) aanvaard zijn.

2.3.3

Analisten bij beheerders van fondsen en rating agencies voor het beoordelen van het sociale en milieueffect richten zich naar de internationale regelgeving. Zij zetten de beginselen (waarden) van het normensysteem om in preciezere criteria. Vervolgens wordt aan de hand van relevante, nuttige, begrijpelijke en vergelijkbare indicatoren nagegaan of — op kwalitatief of kwantitatief gebied — aan de criteria wordt voldaan.

2.3.4

Deze analisten moeten ervoor zorgen dat de beoordeling van de niet-financiële risico's voor investeerders en consumenten geloofwaardig is, zodat MVO een differentiërende concurrentiefactor wordt op de markt. Hun eigen geloofwaardigheid moet worden gegarandeerd via zelfregulering. De instelling van de norm CSSR-QS 1.0 getuigt van een dergelijk streven.

2.3.5

Het door de secretaris-generaal van de VN gelanceerde Mondiale Pact is een van de vrijwillig ingestelde instrumenten dat door nagenoeg tweeduizend ondernemingen wereldwijd wordt onderschreven.

2.3.6

De GRI-richtsnoeren (Global Reporting Initiative) worden door heel wat multinationals frequent gehanteerd. De Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) is in 2005 met specifieke werkzaamheden m.b.t. richtsnoeren voor sociale verantwoordelijkheid (11) (ISO 26000) begonnen.

2.3.7

In het kader van de sectorale comités voor de sociale dialoog is in 2003 een consensus inzake MVO tussen de sociale partners bereikt (12): De volgende gemeenschappelijke initiatieven werden goedgekeurd: een MVO-gedragscode voor de horeca, een gemeenschappelijke verklaring inzake MVO in de handel en een gedragscode voor de suiker-, de textiel-, de leder-en de kledingindustrie, en recentelijk ook de banksector.

2.3.8

Daarbij komen nog de gedragscodes en bedrijfshandvesten, die soms unilateraal door de directie zijn afgekondigd, soms in overleg met de verschillende stakeholders zijn opgesteld of na onderhandelingen met personeelsvertegenwoordigers zijn overeengekomen. Sommige van deze overeenkomsten blijven evenwel onder de IAO-normen.

2.3.9

Andere instrumenten worden niet openbaar gemaakt. De precieze methodiek die een rating agency hanteert (de keuze van de indicatoren om de inachtneming van elk criterium na te gaan) vormt het instrumentarium voor de economische activiteit van dat agentschap dat met andere rating agencies op de markt moet concurreren.

2.3.10

De instrumenten kunnen door de ondernemingen zelf op vrijwillige basis worden gebruikt of staan ter beschikking van sociaal verantwoordelijke investeerders. Zij kunnen ook voor de eindconsument van nut zijn. Keurmerken die op ethische handel of milieuverantwoordelijkheid wijzen, kunnen de klant bij zijn individuele keuze helpen. Bewustmakingscampagnes (bv. ethiek op het etiket) zijn de collectieve bewustwording ten goede gekomen. Dit heeft de aanzet gegeven tot verantwoordelijke consumptie. Wat de huidige labelingsystemen betreft, kunnen soms problemen rijzen bij het opstellen van homogene en effectieve criteria voor het bieden van voldoende waarborgen en het geven van werkelijk betrouwbare informatie.

3.   MVO-maatregelen betrouwbaarder en transparanter maken

3.1   Algemene opmerkingen

3.1.1

MVO-monitoringinstrumenten moeten aan eisen inzake samenhang, nut en betrouwbaarheid voldoen. Met deze kenmerken en hun onderlinge verhouding moet rekening worden gehouden bij een aanpak die zowel de diversiteit eerbiedigt als universele waarden en algemeen geldende principes huldigt.

3.2   Samenhang van de instrumenten

3.2.1

De instrumenten moeten van de nodige samenhang met het geheel van internationale referenties getuigen.

3.2.2

Zij moeten ook overeenstemmen met het Europese normenstelsel en het communautaire acquis.

3.2.3

Ondernemingen moeten steeds de lokale wetgeving toepassen. De door MVO gecreëerde meerwaarde verschilt echter naar gelang van de sociaal-economische context (reeds lang geïndustrialiseerde landen, opkomende economieën, arme landen).

3.2.4

In de minst ontwikkelde landen kan het gebeuren dat een grote onderneming moet bijspringen omdat de overheid niet aan de behoeften van de werknemers en hun families op het gebied van gezondheid, huisvesting en onderwijs kan voldoen. In deze context kunnen MVO-instrumenten nuttig zijn om een duidelijk antwoord te krijgen op de vraag in hoeverre eigen initiatieven van ondernemingen doeltreffend en in het belang van alle betrokkenen zijn.

3.3   Nut van de instrumenten

3.3.1

Eenzelfde criterium kan aan de hand van verschillende indicatoren worden gemeten. Zo kan „non-discriminatie tussen de twee geslachten” worden gemeten aan de hand van het percentage vrouwen in de bestuursraad, op directieniveau, de verhouding tussen mannen- en vrouwenlonen, het aantal uren opleiding dat mannen en vrouwen genoten hebben, enz. Wat het criterium „scheppen van werkgelegenheid” betreft, levert de indicator, in geval van productieverplaatsing, maar een gedeeltelijk resultaat op indien de situatie van slechts één geografisch gebied wordt bekeken; een alomvattende indicator houdt rekening met zowel het banenverlies in het land van vertrek, als de nieuwe banen in het land van bestemming.

3.3.2

Er moet dus de nodige aandacht worden geschonken aan de relevante context van het te meten verschijnsel. Zo zal het gemiddelde werknemerssalaris in een onderneming geen relevante indicator van haar sociaal beleid zijn, als deze onderneming haar toeleveranciers tegelijk voorwaarden stelt waardoor deze hun eigen werknemers geen behoorlijk loon meer kunnen uitbetalen.

3.3.3

Daar MVO verder wil gaan dan de wettelijke normen, kunnen de verschillen tussen nationale wetgevingen zeer negatieve gevolgen hebben. Zo zal een middelmatig vervuilende onderneming in een goed blaadje staan in een land waar er geen wetgeving betreffende luchtverontreiniging bestaat en slecht aangeschreven staan in een land waar de regelgeving terzake zeer streng is. Het is daarom absoluut noodzakelijk dat de sociale en milieunormen van het communautaire acquis als minimumvereisten worden gehanteerd en steeds verbeterd blijven worden.

3.4   Betrouwbaarheid van de instrumenten

3.4.1

De indicator moet vergelijkingen in ruimte en tijd mogelijk maken.

eenzelfde fenomeen moet van jaar tot jaar kunnen worden vergeleken;

het moet ook op verschillende plaatsen kunnen worden gemeten; alle dubbelzinnigheden moeten daarbij worden weggenomen. Zo kan een investering in beroepsopleiding in het ene geval alleen betrekking hebben op het bedrag dat aan een opleidingsinstantie wordt betaald en in het andere geval ook slaan op het salaris dat de werknemer krijgt terwijl hij een opleiding volgt.

3.4.2

Het is niet altijd wenselijk alle gegevens samen te voegen. Het optellen van de emissies van broeikasgassen kan nuttig zijn omdat de gevolgen ervan wereldwijd merkbaar zijn. Dat geldt evenwel niet voor het waterverbruik, waarvan de impact moet worden gemeten op basis van de beschikbare lokale bronnen.

3.4.3

De indicator moet vergezeld gaan van een „kwaliteitsnota” waarbij met name wordt vermeldt door welke actoren en met welke methoden de gegevens zijn vastgesteld.

De instrumenten die een fysische grootheid meten (bv. meters van gasemissies) moeten op de juiste plaats opgesteld zijn en correct geijkt zijn. Bij kwalitatieve indicatoren (bv. beroepsopleiding) moet het concept precies omschreven en de evaluatiemethode expliciet vermeld zijn.

Er moet worden aangegeven wie de gegevens verzamelt, daar status en plaats van deze instantie van invloed kunnen zijn. Het is van belang dat de lokale verantwoordelijke instantie de gegevens door de betrokken partij of een derde vertrouwenspersoon laat bevestigen. Zo is het bv. goed dat technische gegevens worden bekrachtigd door een controle-instantie, sociale gegevens door personeelsvertegenwoordigers en milieugegevens door een gespecialiseerde NGO.

3.4.4

Deze inspanningen kunnen leiden tot o.a. labeling of certificering, een vorm van erkenning dus waar voor de onderneming een prijskaartje aan hangt. Hiervoor wordt een deskundige en onafhankelijke externe derde ingeschakeld. De betrokken beroepsgroeperingen hebben hierbij een belangrijke rol te spelen, wat zowel de aanpak als de resultaten betreft.

4.   Uitbreiding van het gebruik en verbetering van de kwaliteit van de instrumenten

4.1   Ontwikkeling van de voorlichtingspraktijk

4.1.1

Jaarlijkse verslaggeving is stilaan algemeen gebruikelijk in grote ondernemingen. Een en ander komt tegemoet aan de vraag naar transparantie omtrent de ondernemingsstrategie, m.i.v. MVO. De kwaliteit van de informatie loopt echter sterk uiteen. Hier moet dus verbetering in komen.

4.1.2

MKB en niet-beursgenoteerde bedrijven komen nauwelijks voor in studies over de kwaliteit van informatie, die zich op grote ondernemingen toespitsen. Ondernemingen die een EMAS- of ISO 14001-certificatie hebben verkregen, zijn er evenwel toe gebonden regelmatig een milieuverklaring voor te leggen. Tal van middelgrote en kleine bedrijven deinzen terug voor certifiëring wegens de kosten ervan; de controle gebeurt immers op één bepaald tijdstip maar moet regelmatig worden herhaald.

4.1.3

De informatie die aan het MKB wordt gevraagd, kan, gelet op de beperkte financiële en personele middelen, van meet af aan niet even compleet zijn als bij grote ondernemingen. Niettemin moet het MKB worden aangemoedigd zijn stakeholders te informeren over zijn — groot- of kleinschalige — van verantwoordelijkheid getuigende en op ontwikkeling gerichte praktijken.

4.1.4

Er bestaan ook netwerken van particuliere instanties en overheids- of semi-overheidsinstellingen, m.i.v. instellingen voor universitair onderzoek, die informatie verstrekken over MVO en zorgen voor de bevordering ervan op nationaal, Europees (met name CSR Europe en de Stichting van Dublin) of internationaal (o.a. WBCSD en de IAO-databank) niveau. Deze instanties moeten worden geholpen om de resultaten van hun werkzaamheden bekend te maken en tegelijkertijd moeten de gebruikers op transparante wijze geïnformeerd worden over de verscheidenheid aan actoren en methoden.

4.1.5

In sommige lidstaten worden in het onderwijs pedagogische vernieuwingen doorgevoerd om de bewustwording van de consument te bevorderen. Het zou een goede zaak zijn als het internationale normenstelsel deel zou uitmaken van de opvoeding van jonge Europeanen.

4.2   Differentiëring van instrumenten

4.2.1

Uniformiteit van principes moet samengaan met respect voor diversiteit.

4.2.1.1

Uniformiteit: indien dit van nut is, moeten indicatoren kunnen worden samengevoegd teneinde een totaalbeeld van het beleid van de betrokken onderneming te geven.

4.2.1.2

Diversiteit: de indicatoren moeten rekening houden met de sociaal-economische, juridische en culturele realiteit van de verschillende geografische gebieden en beroepssectoren, alsook met het type en de omvang van de onderneming..

4.2.2

Het is wenselijk dat de indicatoren zowel geografische als sectorale vergelijkingen (benchmarking) mogelijk maken: tussen verschillende eenheden van eenzelfde onderneming of eenzelfde concern, tussen eenheden van eenzelfde bedrijfssector en tussen eenheden in eenzelfde geografische gebied.

4.2.3

Ook moet in specifieke instrumenten kunnen worden voorzien: indicatoren kunnen niet helemaal gelijk zijn in de industrie en in de dienstensector. Uitgaande van dezelfde basisbegrippen moeten de concrete indicatoren specifiek worden aangepast aan diensten van algemeen belang, producenten van gewone goederen en diensten, activiteiten in de profit en in de non-profitsector, multinationale concerns en het MKB, naar gelang van de bedrijfssector.

4.2.4

In de grote industrie- en dienstensectoren moeten de sectorale normen en de dienovereenkomstige instrumenten, ter wille van de samenhang, worden overeengekomen tussen de sectorale werkgevers- en werknemersbonden op Europees niveau of op andere passende niveaus. Het stijgende aantal kaderovereenkomsten tussen internationale vakbonden en multinationale ondernemingen opent in dit verband perspectieven. Het zou een goede zaak zijn als deze criteria en indicatoren gezamenlijk door de partners van de sectorale sociale dialoog zouden worden vastgesteld; andere stakeholders kunnen eventueel ook een bijdrage leveren.

4.3   Bruikbaarheid van het instrumentarium

4.3.1

De MVO-instrumenten moeten door steeds meer actoren kunnen worden gebruikt. Niet-financiële risico's als het risico van een slechte reputatie, risico's m.b.t. samenhang (slecht sociaal klimaat in de onderneming), malversaties (corruptie, voorkennis, fraude, oneerlijke concurrentie, namaak) worden nu al van steeds groter belang. Investeerders en met name beheerders van spaarloonfondsen, ethische fondsen of maatschappelijk verantwoorde investeringen, houden rekening met deze niet-financiële risico's, die aldus marktcriteria worden.

4.3.2

In geval van exportsteun door banken en kredietverzekeringen door gespecialiseerde ondernemingen zou bij de rating, meer dan thans het geval is, rekening moeten worden gehouden met het beleid inzake duurzame ontwikkeling van het betrokken land en met de MVO-strategie van de ondernemingen die in dat land actief zijn.

4.3.3

Als MVO leidt tot een meetbare vermindering van de risico's voor een onderneming, is het niet meer dan logisch dat dit in de tarieven van het bank- en verzekeringswezen wordt verwerkt.

4.3.4

Bij openbare aanbestedingen wordt meestal op basis van de eenvoudige regel van het gunstigste aanbod geselecteerd. Het zou een goede zaak zijn als kwalitatieve maatstaven m.b.t. MVO in de gunningcriteria voor aanbestedingen zouden worden opgenomen; de Unie zal dergelijke criteria overigens ook hanteren m.b.t. SAP+ (het stelsel van algemene preferenties).

4.3.5

De Unie verwijst in haar bilaterale akkoorden, bv. in de associatieovereenkomst EU-Chili, naar de OESO-richtsnoeren en is vast van plan de eerbiediging van de basisbeginselen te bevorderen in haar handelsrelaties met opkomende economieën in o.a. Brazilië, India en China. Zij moet de kwestie van overeenstemming over MVO regelmatig op de agenda van de trans-Atlantische dialoog plaatsen en deze aanpak ook in de dialoog EU-Canada bepleiten.

4.3.6

De instrumenten zullen vaker worden gebruikt als de OESO-mechanismen en met name de kwaliteit van de nationale contactpunten in alle OESO-lidstaten worden versterkt. De Europese Unie moet andere landen die geen lid zijn van de OESO, aanmoedigen om de richtsnoeren van deze organisatie te onderschrijven. De medewerking van de overheid in alle OESO-lidstaten is van bijzonder belang voor de doeltreffendheid van het follow-upsysteem.

4.4   Een nieuwe generatie instrumenten

4.4.1

De GRI-richtlijnen (Global Reporting Initiative) zijn een erkende particuliere standaard voor verslaglegging die voor verbetering vatbaar is. In het kader van de herziening ervan in 2005/2006 moeten de Europese actoren resoluut aan de werkzaamheden van deze instantie meewerken, teneinde de methodes en criteria beter te laten aansluiten bij de Europese context.

4.4.2

De Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) heeft in juni 2004 besloten werk te maken van richtsnoeren voor sociale verantwoordelijkheid (guidance on social responsibility). Deze richtsnoeren (ISO 26000) zullen, in tegenstelling tot de normen ISO 9000 (kwaliteitsbeheer) en ISO 14000 (milieubeheer), geen algemene managementstandaard vormen en ook niet leiden tot certificatie. Het voorzitterschap en het secretariaat van de werkgroep worden gezamenlijk door een land met een opkomende economie, Brazilië, en een reeds eerder geïndustrialiseerd land, Zweden, waargenomen. Naar verwachting zullen de in maart 2005 aangevatte werkzaamheden drie jaar duren en zal de ISO-richtlijn begin 2008 worden gepubliceerd. Het EESC hecht bijzonder belang aan dit initiatief.

4.4.3

Het Comité pleit voor de instelling van een informatieportaal over MVO-praktijken van grote ondernemingen, op basis van gegevens die door die ondernemingen zelf zijn verstrekt. De gegevens worden dus door de ondernemingen zelf meegedeeld en worden, in de huidige stand van zaken, niet gestaafd door andere stakeholders. Het zou een goede zaak zijn als een institutionele waarnemer ervoor zou kunnen zorgen dat de verklaringen van de onderneming naast de meningen van de stakeholders worden gelegd. Een instantie als de Stichting van Dublin zou met een dergelijke kwalitatieve analyse kunnen worden belast. Het Comité stelt voor deze kwestie aan te kaarten in het kader van het werkprogramma van het Europees waarnemingscentrum voor het veranderingsproces.

5.   Van impulsief MVO naar vrijwillige deelname samen met de stakeholders

5.1   Transparante actie

5.1.1

De verbintenissen die de onderneming vrijwillig aangaat, moeten duidelijk worden bekendgemaakt en er moet steeds kunnen worden nagegaan of de onderneming zich daar ook effectief aan houdt. Zo moet een onderneming, die van plan is werkgelegenheid te bieden aan mensen met een handicap, bekendmaken hoeveel gehandicapten zij heeft aangeworven en hoe de betrokken arbeidsplaatsen aan hun handicap werden aangepast. Aan de hand van concrete en zo volledig mogelijke informatie kan beter worden nagegaan in hoeverre de betrokken onderneming haar verbintenissen nakomt. Daar verantwoordelijkheid wordt gemeten aan daden en niet aan woorden, moet de onderneming transparant te werk gaan.

5.2   Verschil tussen communicatie en verslaggeving

5.2.1   Verslaggeving

5.2.1.1

Het afleggen van verantwoording betekent dat in een publiek toegankelijk document verslag wordt uitgebracht over de wijze waarop de onderneming omgaat met de economische, sociale en milieugevolgen van haar activiteiten. Daarbij erkent de onderneming dat de stakeholders het legitieme recht hebben hierover vragen te stellen.

5.2.1.2

Sinds het bestaan van kapitaalvennootschappen legt de bestuursraad verantwoording af aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Ook moet reeds geruime tijd informatie worden verstrekt aan de overheid, in ieder geval met het oog op fiscale en sociale heffingen. Sinds een aantal decennia wordt in tal van Europese landen ook aan de werknemers gedeeltelijke informatie verstrekt. Nieuw is dus dat de informatie voortaan vollediger is en aan het hele maatschappelijke middenveld is gericht.

5.2.1.3

Een dergelijke algemene verslaggeving geeft een antwoord op impliciete of expliciete vragen van stakeholders. Het is een instrument voor dialoog en kan ook interactieve raadplegings- of overlegsystemen omvatten. Uitgaande van een gedetailleerde analyse van de indicatoren, laat het jaarverslag de algemene prestaties van de onderneming zien, m.a.w. haar vermogen om de vereisten op het gebied van economische rendabiliteit, sociale doeltreffendheid en milieubescherming met elkaar te verzoenen. In het jaarverslag worden de doelstellingen, termijnen en uitvoeringsmaatregelen aangegeven. Dit is over de gehele linie een stap voorwaarts.

5.2.2   Communicatie

5.2.2.1

Communicatie, zoals ze thans bestaat ten aanzien van het brede publiek, is een heel andere zaak; het gaat daarbij om verspreiding van informatie die erop gericht is de onderneming in een goed daglicht te plaatsen, of bij het publiek een positief imago ervan te creëren.

5.2.2.2

Met dat doel richten de communicatieverantwoordelijken van de onderneming de schijnwerper op de goede praktijken waarvan de onderneming via haar verbintenissen en resultaten blijk geeft. Communicatie kan gericht zijn op vergelijking met andere ondernemingen, teneinde de eigen troeven in het licht te stellen en te wijzen op de kwaliteitslabels die werden verkregen. Communicatie kan verslaggeving niet vervangen.

5.3   Kwaliteit van de informatie

5.3.1

Vaak worden onregelmatigheden in de informatieverstrekking vastgesteld, wat zowel financiële (vervalsing van rekeningen) als niet-financiële informatie (bedrieglijke reclame) betreft. Dergelijke praktijken zijn strafbaar voor de wet.

5.3.2

Het verstrekken van informatie van goede kwaliteit vergt een adequate organisatie, waarbij ook de bestuursraad betrokken moet worden. Als mogelijke taken kunnen in dit verband worden vermeld: het onderhouden van contacten met de stakeholders, het verspreiden van interne richtsnoeren via een netwerk van correspondenten, het verzamelen en verspreiden van „best practices”, verslaglegging en het vaststellen van een procedure voor de interne gegevensverzameling; in deze procedure moet plaats zijn voor overleg met de stakeholders over de gegevensverzameling, dialoog met de werknemersvertegenwoordigers, coherentietests, en validering door de bevoegde groep.

5.3.3

De stakeholders zijn immers niet dezelfde voor elke productiesector, elk land of elke regio. Er moet een zo volledig mogelijke lijst van stakeholders worden opgesteld. De onderneming zal bij de media en het maatschappelijk middenveld des te meer aan geloofwaardigheid winnen als zij deze stakeholders bij de uitstippeling van haar MVO-strategie inschakelt.

5.3.4

De betrokken stakeholders en/of derde vertrouwenspersonen zijn, als de context er zich toe leent, bij het proces van gegevensverzameling en verslaglegging betrokken. Wanneer dergelijke instanties niet voorhanden zijn, moet in de gedragscode ten minste in een toezichtcomité zijn voorzien. Wanneer er geen vakbonden zijn, moeten de comités voor hygiëne en veiligheid op het werk, en de lokale verenigingen voor de verdediging van de mensenrechten in het kader van dit toezicht als aanvaardbare gesprekspartners worden erkend. Als het om voedselveiligheid gaat — om een ander voorbeeld te geven — kunnen onderzoeksinstellingen en consumentenverenigingen worden ingeschakeld. Verdelers van goederen en leveranciers van diensten moeten vertegenwoordigers van consumenten en gebruikers bij de uitstippeling van hun strategie voor duurzame ontwikkeling betrekken.

5.4   Dialoog met de stakeholders

5.4.1

Sociaal engagement en een goed georganiseerde dialoog met de stakeholders gaan hand in hand. Engagement is slechts een middel om het doel te bereiken: op economisch, sociaal en milieugebied waarde creëren en prestaties leveren. De onderneming wil dus „handelen” en „laten weten”.

5.4.2

Een en ander betekent dat de onderneming zich er vrijwillig toe verbindt met de verwachtingen en belangen van de stakeholders rekening te houden en voor een grotere transparantie te zorgen. Ook wanneer de onderneming de dialoog met de stakeholders aanvaardt, behoudt ze het laatste woord over de verbintenissen die ze aangaat. Gelet op de vele verschillende verwachtingen en belangen kan de onderneming prioriteiten stellen op basis van objectieve normen en haar eigen strategie.

5.4.3

Alle stakeholders mogen hun verwachtingen kenbaar maken maar hebben niet dezelfde legitimiteit. Zo kan worden aangenomen dat interne stakeholders over meer legitimiteit beschikken dan andere, die verder verwijderd zijn. Ook kunnen niet alle legitieme verwachtingen door de onderneming in aanmerking worden genomen, gelet op de beperkte middelen. Er moet dus een keuze worden gemaakt. Dit kan gebeuren via onderhandelingen en overleg, maar de eindbeslissing blijft bij de onderneming liggen.

5.4.4

Deze dialoog is vooral belangrijk voor stakeholders die deel uitmaken van de keten van verantwoordelijkheid. Een opdrachtgever moet zijn leveranciers en toeleveranciers helpen hun sociaal verantwoorde praktijken te verbeteren. Hij mag zijn partners geen paradoxale eisen stellen — hetgeen het geval zou zijn als hij hen hoge sociale normen zou stellen en tegen te lage prijzen zou aankopen. Opdrachtgevers moeten daarentegen hun toeleveranciers in dit vooruitgangsproces ondersteunen.

5.4.5

Ondernemingen kunnen op vrijwillige basis een sociale dialoog over de plaats van MVO in de ondernemingsstrategie organiseren. Het betrekken van werknemersvertegenwoordigers verloopt in drie stappen: uitstippelen van de specifieke bedrijfsstrategie met inachtneming van de beginselen van duurzame ontwikkeling, toepassen van de nodige maatregelen om deze strategie ten uitvoer te leggen, en onafhankelijk controleren van de doeltreffendheid van de maatregelen op alle bedrijfsniveaus.

5.4.6

Een mijlpaal op Europees niveau zijn MVO-verbintenissen die vrijwillig of na onderhandelingen worden aangegaan door alle multinationals die over een Europese ondernemingsraad beschikken. Bovendien kunnen ook de nieuwe lidstaten bij dit proces worden betrokken. De Europese ondernemingsraden zouden een rol moeten spelen bij de integratie van MVO in het bedrijfsbeleid. Zij zijn de plek bij uitstek waar de interne stakeholders elkaar kunnen treffen. Een samenhangend MVO-beleid moet echter ook rekening houden met de externe stakeholders, met name met het geheel van de loontrekkenden (uitzendkrachten, loontrekkenden van toeleveranciers, ambachtslui of andere zelfstandigen die voor de onderneming werken) en zo veel mogelijk ook met de gehele productieketen (leveranciers en toeleveranciers).

Brussel, 8 juni 2005

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Zie het EESC-advies over het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de richtlijnen betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen en verzekeringsondernemingen (rapporteur: de heer Ravoet) van 22 en 23 januari 2003 (PB C 85 van 8 april 2003) en de Aanbeveling van 30 mei 2001 (2001/453/EG) betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen.

(2)  EESC-advies over sociale verantwoordelijkheid van bedrijven (rapporteur: mevrouw HORNUNG-DRAUS) – PB C 125 van 27 mei 2002.

(3)  Opgemerkt zij dat „social” in het Frans en het Engels niet altijd dezelfde betekenis heeft. Franstaligen maken daarom graag onderscheid tussen „social” en „sociétal” teneinde goed het verschil te doen uitkomen tussen verantwoordelijkheid t.o.v. interne partners („social” in de context van industriële relaties) en externe partners („sociétal” in de context van de lokale gemeenschap waar de onderneming gevestigd is, het werkgelegenheidsgebied en de leefomstandigheden).

(4)  Het verband tussen concurrentievermogen en MVO – een belangrijk en complex discussiepunt – wordt niet behandeld in dit advies.

(5)  Voor een vollediger lijst, zie de conclusies van het Multi-Stakeholder Forum

(6)  Verdragen betreffende beginselen op het gebied van milieu en goed bestuur:

Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken;

Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan;

Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen;

Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde dier- en plantensoorten;

Verdrag inzake biologische diversiteit;

Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid;

Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering;

Enkelvoudig VN-Verdrag inzake verdovende middelen (1961);

VN-Verdrag inzake psychotrope stoffen (1971);

Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (1988);

Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van corruptie.

EESC-advies 132/2005 van 9 februari 2005 over het „Stelsel van algemene tariefpreferenties” (rapporteur: de heer Pezzini).

(7)  Rapport van de World Commission on the Social Dimension of Globalization - A Fair Globalization: Creating Opportunities for All (Sociale dimensie van de globalisering – Een billijke globalisering met kansen voor iedereen), februari 2004;

EESC-advies 252/2005 van 9 maart 2005 over „De sociale dimensie van de globalisering – hoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft” – rapporteurs: Etty en Hornung-Draus (COM(2004) 383 def.).

(8)  Voor een vollediger lijst, zie de conclusies van het Multi-Stakeholder Forum .

(9)  Zie het „ABC of CSR Instruments (ABC van MVO-instrumenten)” van DG „Werkgelegenheid en sociale zaken”

(10)  De door de sociale economie geïntroduceerde maatschappelijke balans is een algemeen diagnose-instrument dat gebaseerd is op het beginsel van evaluatie door belanghebbende partijen binnen en buiten de onderneming.

(11)  „Guidance on social responsibility” .

(12)  Informatief rapport „Co- en zelfregulering in de interne markt: huidige stand van zaken” (rapporteur: de heer Vever).