Mededeling van de Commissie - Verslag betreffende aantoonbare vorderingen bij de uitvoering van het protocol van Kyoto (vereist overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Beschikking nr. 280/2004/EG betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto) {SEC(2005) 1564} /* COM/2005/0615 def. */
[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN | Brussel, 01.12.2005 COM(2005) 615 definitief MEDEDELING VAN DE COMMISSIE VERSLAG BETREFFENDE AANTOONBARE VORDERINGEN BIJ DE UITVOERING VAN HET PROTOCOL VAN KYOTO (vereist overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Beschikking nr. 280/2004/EG betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto) {SEC(2005) 1564} Inhoud 1. Achtergrond 3 2. De EU op weg naar Kyoto 3 3. Conclusie 7 4. Referenties 9 1. ACHTERGROND Het verslag over de aantoonbare vorderingen bij de uitvoering van het Kyoto-protocol is vereist krachtens artikel 5, lid 3, van Beschikking nr. 280/2004/EG betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto [[?]]. Op basis van de door de lidstaten vóór 15 juni 2005 ingediende recente informatie worden in dit verslag de vorderingen geschetst die door de Gemeenschap zijn gemaakt bij de uitvoering van het protocol. Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is de grondslag van de wereldwijde inspanning om de opwarming van de planeet tegen te gaan. Het heeft tot doel "gevaarlijke" antropogene verstoring van het klimaatsysteem te voorkomen. Het Kyoto-protocol is een internationale overeenkomst die voortbouwt op het UNFCCC. In het protocol zijn juridisch bindende doelstellingen vastgelegd voor de geïndustrialiseerde landen met het oog op de vermindering, tegen 2008-2012, van hun emissies van broeikasgassen ten opzichte van een referentiejaar. In de praktijk wordt het jaar 2010 doorgaans beschouwd als het middelpunt van de relevante periode. Het Kyoto-protocol verleent de landen flexibiliteit bij het nastreven van hun doelstellingen. Zij mogen hun emissies compenseren door het aanleggen van "putten" ("sinks"), meer bepaald bossen, die kooldioxide verwijderen uit de atmosfeer. Via 'Joint Implementation' (JI) en het 'Clean Development Mechanism' (CDM), de zogenaamde flexibele mechanismen, mogen landen ook betalen voor projecten in het buitenland die resulteren in een vermindering van de broeikasgasemissies. In het kader van het Kyoto-protocol heeft de EU zich ertoe verbonden haar broeikasgasemissies met 8% terug te dringen gedurende de eerste verbintenisperiode van 2008 tot 2012. Deze doelstelling is gedeeld tussen de 15 landen die lid waren van de EU op het tijdstip van ratificatie van het protocol door de Unie op 31 mei 2001 in het kader van een juridisch bindende lastendelingsovereenkomst [[?]]. Overeenkomstig artikel 4 van het Kyoto-protocol, dat het landen toestaat een overeenkomst te sluiten waarin een gemeenschappelijke doelstelling wordt vastgelegd die de som uitmaakt van de afzonderlijke doelstellingen van de deelnemende landen, wordt in deze overeenkomst een individuele doelstelling neergelegd voor elk van de 15 EU-lidstaten. Van de tien lidstaten die op 1 mei 2004 tot de EU toetraden, hebben er acht individuele emissiereductiedoelstellingen vastgesteld in het kader van het Kyoto-protocol, meer bepaald een emissiereductie van 6 of 8%, die zij moeten bereiken los van de gemeenschappelijke EU15-doelstelling (-8%). Cyprus en Malta zijn geen partij bij bijlage I van het UNFCCC en hebben dus geen doelstellingen in het kader van het Kyoto-protocol. 2. DE EU OP WEG NAAR KYOTO Hoewel zij slechts verantwoordelijk is voor 14% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen doet de EU met haar 25 lidstaten grote inspanningen om het probleem van de klimaatverandering aan te pakken. Een stevig binnenlands beleid ondersteunt de EU-verbintenis om een voortrekkersrol te spelen, bijvoorbeeld via een veelomvattend pakket van beleids- en wetgevingsmaatregelen op EU-niveau dat is uitgewerkt in het kader van het Europees Programma inzake klimaatverandering (European Climate Change Programme - ECCP) [[?]]. Elke lidstaat heeft ook een reeks eigen binnenlandse maatregelen uitgewerkt, waarvan de uitvoering wordt besproken in de afzonderlijke verslagen van de lidstaten. Het ECCP heeft betrekking op een groot aantal economische sectoren en omvat beleid dat relevant is voor de huishoudens, industrie, handel en vervoerssector. De belangrijkste maatregelen zijn: - de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten [[?]] ter beperking van de totale kooldioxide-uitstoot van bijna 12 000 installaties in de 25 lidstaten van de EU (EU25); - de richtlijn inzake projectgebonden mechanismen [[?]] die een wijziging inhoudt van de richtlijn betreffende handel in emissierechten, teneinde het voor bedrijven mogelijk te maken om met het oog op het nakomen van hun EU-verplichtingen emissiekredieten te gebruiken die via de Kyoto-mechanismen zijn verkregen (gecertificeerde emissiereducties en emissiereductie-eenheden); - het programma[?] "Intelligente energie voor Europa" [[?]] dat duurzame ontwikkeling bevordert op energiegebied, meer bepaald door de bevordering van energie-efficiëntie, het opwekken van energie uit duurzame bronnen, de vermindering van de kooldioxide-emissies door de vervoerssector en de bevordering van duurzame energiebronnen in de ontwikkelingslanden; - de richtlijn elektriciteit uit hernieuwbare bronnen [[?]], waarin de indicatieve doelstelling is opgenomen om het aandeel van elektriciteit uit duurzame bronnen binnen de EU25 tegen 2010 op te trekken tot 21% (tot 14% in 1997), met specifieke indicatieve doelstellingen voor elke lidstaat; - de richtlijn biobrandstoffen [[?]], waarin de indicatieve doelstelling is vastgelegd om het aandeel van de biobrandstoffen in het geheel van het verbruik door de transportsector op te trekken tot 5,75%; - de richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen [[?]], die voorschrijft dat de lidstaten energieprestatienormen vastleggen en waarbij binnen de EU een systeem van energieprestatiecertificaten voor gebouwen wordt ingevoerd samen met de eis dat in gebouwen vanaf een bepaalde grootte wordt overwogen om duurzame verwarmingssystemen te installeren; - de richtlijn warmtekrachtkoppeling [[?]] die tot doel heeft stimulansen te leveren voor de ontwikkeling van warmtekrachtkoppeling (gecombineerde productie van elektriciteit en warmte); - een convenant met de automobielsector [[?]] om de CO2-efficiëntie van nieuwe auto's tegen 2008/2009 met 25% te verbeteren ten opzichte van 1995; - de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen [[?]], waardoor de hoeveelheid te storten afvalstoffen en de daarmee samenhangende methaanproductie wordt verminderd. Voorts ondersteunt de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad [[?]] een aantal van bovengenoemde richtlijnen door een bevordering van efficiënter energiegebruik en van belastingsmaatregelen die gericht zijn op het terugdringen van CO2-emissies. Wat onderzoek en ontwikkeling betreft, wordt via het zesde OTO-kaderprogramma van de EU (2002-2006) [[?]] meer dan 3 miljard euro steun verleend voor de ontwikkeling en demonstratie van nieuwe technologieën die verband houden met energie, vervoer en milieu. Andere belangrijke maatregelen zijn onder meer de richtlijn betreffende energieverbruikende producten [[?]] die tot doel heeft minimumprestatienormen in te voeren voor talrijke energieverbruikende producten, alsook de richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten [[?]]. Deze laatste richtlijn zal bijdragen tot het slechten van hindernissen voor een grotere energie-efficiëntie, het bevorderen van energiediensten en het bevorderen van energie-efficiëntieprogramma's. Tenslotte moet worden vermeld dat ook nog wordt gewerkt aan een verordening inzake gefluoreerde broeikasgassen en een richtlijn betreffende gefluoreerde gassen in klimaatregelingsystemen in de automobielsector [[?]]. Het klimaatbeleid van de EU eindigt niet in 2012. Veel van de reeds ingevoerde EU-beleidslijnen zullen een grote impact hebben in de periode na de eerste Kyoto-verbintenisperiode. De EU-regeling voor handel in broeikasgassen loopt automatisch verder na 2012. De tweede fase van het Europese klimaatveranderingsprogramma is gelanceerd in oktober 2005 en omvat maatregelen met betrekking tot het invangen en opslaan van kooldioxide, de emissies van wegvoertuigen en de luchtvaart, alsmede strategieën ter aanpassing aan de effecten van klimaatverandering. Ook zal worden nagedacht over de rol van de EU in het proces ter vermindering van de kwetsbaarheid en ter bevordering van de aanpassing. Voorts worden nieuwe initiatieven op het gebied van energie-efficiëntie en duurzame energiebronnen gepland. Ook het zevende OTO-kaderprogramma [[?]] kijkt, samen met de gevestigde en nieuwe technologieplatforms, verder dan deze tijdshorizon en zal middelen opleveren voor een langetermijntrend naar een CO2-loze economie (efficiënte hernieuwbare energiebronnen, waterstof en brandstofcellen, emissieloze elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstoffen, enz.) De Europese Commissie heeft ook een mededeling aangenomen waarin de voornaamste elementen worden geschetst van een strategie voor verdere actie na 2012 [[?]]. Daarin wordt aangegeven dat de EU bereid is een open dialoog te voeren met derde landen over de verdere ontwikkeling van een internationaal kader voor de periode na 2012 en wordt tegelijk een aantal centrale elementen omschreven van een succesvol klimaatbeleid op wereldschaal: de noodzaak van bredere deelname van landen en sectoren, de ontwikkeling van broeikasgasluwe technologieën, een verder en nog intensiever gebruik van marktgerichte instrumenten en de noodzaak van aanpassing aan de onvermijdelijke effecten van de opwarming van de aarde. Dergelijke beleidslijnen zullen tot de industrie, de regeringen van de lidstaten en de bredere internationale gemeenschap de sterke langetermijnboodschap richten dat de EU vastbesloten is het probleem van de klimaatverandering aan te pakken en dat zij van al haar instellingen, bedrijven en burgers verwacht dat zij daarbij hun verantwoordelijkheid opnemen. De Europese Commissie is vastbesloten om deze maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering ten uitvoer te leggen, en zal tegelijkertijd waken over de effecten op de economische ontwikkeling en het welzijn van de burger. In haar mededeling van februari 2005 heeft de Commissie zich meer bepaald ertoe verbonden "de geboekte vooruitgang te evalueren en te onderzoeken welke nieuwe acties kunnen worden ondernomen om in synergie met de Strategie van Lissabon systematisch alle kosteneffectieve mogelijkheden tot emissiereductie te benutten". De EU werkt ook op internationaal niveau om landen buiten de Unie te helpen hun broeikasgasemissies terug te dringen. Zij werkt momenteel samen met 140 landen in zes regio's van de wereld om de invoering van hernieuwbare energiebronnen te bevorderen en energie-efficiëntie te stimuleren, met als einddoel een betere levenskwaliteit en duurzame ontwikkeling. De EU verleent financiële steun aan programma's op het gebied van onder meer: het gebruik van zonne-energie voor de winning van zuiver drinkwater in de Sahel, de bevordering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in China, bosbouwprojecten om 'clean development mechanism'-inkomsten te genereren in Zuid-Amerika en de versterking van de institutionele capaciteit inzake klimaatverandering in India. Ondanks een drastische vermindering van het aantal verontreinigende stoffen in de transportsector, is deze sector momenteel verantwoordelijk voor 20% van de EU25-uitstoot. Meer bepaald moet worden opgemerkt dat de broeikasgasemissies van deze sector nog steeds toenemen. Het beleid om transportgerelateerde emissies terug te dringen omvat de vrijwillige overeenkomst om de gemiddelde emissies van nieuwe wagens te beperken [11] en een richtlijn om het gebruik van biobrandstoffen aan te moedigen [8]. De EU is erin geslaagd aanzienlijke vooruitgang te boeken bij het beperken van de emissies van een voertuig per gereden kilometer. De toename van het aantal voertuigen en van het per voertuig gereden kilometers heeft deze vermindering van de specifieke uitstoot echter teniet gedaan zodat de emissies van het wegverkeer, zij het in een trager tempo dan in het verleden, zijn blijven toenemen. Het EU-beleid en andere acties door de lidstaten, in combinatie met de herstructurering van de Europese industrie, met name in Midden- en Oost-Europa, hebben geresulteerd in een vermindering van de jaarlijkse kooldioxide-uitstoot met ongeveer 350 miljoen ton (5,5%) in het geheel van de EU25 vanaf 2003. Voor de EU15 wordt verwacht dat de bestaande maatregelen voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen zonder LULUCF (land use, land-use change, forestry) in 2010 zullen resulteren in een vermindering van de emissies met 1,6% ten opzichte van het referentiejaar. Besparingen ten gevolge van aanvullend binnenlands beleid en extra geplande maatregelen door de EU15 zullen naar verwachting leiden tot emissiereducties met 6,8%. Daarbovenop voorzien de lidstaten dat zij reducties van meer dan 100 Mt CO2-equiv. per jaar zullen behalen door het gebruik van de Kyoto-mechanismen. De integratie van de Kyoto-mechanismen zal de verwachte emissieniveaus in 2010 verminderen met 9,3% ten opzichte van de referentieniveaus. In de EU25 blijkt uit een samenvoeging van de prognoses van de lidstaten dat ten gevolge van de reeds ten uitvoer gelegde maatregelen de totale uitstoot van broeikasgassen (zonder LULUCF) in 2010 5% lager zal liggen dan in het referentiejaar. Naar verwachting zal de invoering van extra maatregelen de EU25-uitstoot van broeikasgassen tegen 2010 doen verminderen met 9,3% ten opzichte van de 1990-niveaus; die vermindering loopt op tot 11,3% als ook de Kyoto-mechanismen worden gebruikt. Grafiek 1: Huidige en verwachte emissies (zonder LULUCF) voor EU15 en EU25. [?] [pic] 3. CONCLUSIE Rekening houdend met het feit dat het Kyoto-protocol nog maar recentelijk (op 16.2.2005) van kracht is geworden, heeft de EU aanmerkelijke vooruitgang geboekt bij het nakomen van haar verbintenissen. Verdere voortgang hangt af van de snelheid en grondigheid van de tenuitvoerlegging door de lidstaten van de communautaire wetgeving en het binnenlandse beleid. De totale prognoses voor de EU15 wijzen erop dat de Kyoto-doelstelling van -8% kan worden behaald als de desbetreffende lidstaten aanvullende binnenlandse maatregelen ten uitvoer leggen en, zoals gepland, flexibele mechanismen gebruiken. Het bereiken van de Kyoto-doelstelling is niet het einde van het verhaal voor de EU. De EU pleit voor een grotere vermindering van de uitstoot van broeikasgassen teneinde een halt toe te roepen aan de wereldwijde opwarming van het klimaat. De EU is ten volle bereid een billijk deel te leveren van de inspanningen die vereist zijn om de impact van de mens op het klimaatsysteem terug te dringen en, zoals hierboven geschetst, is zij nu al gestart met de tenuitvoerlegging van concrete maatregelen. 4. REFERENTIES [1] Een programma is een EU-instrument waarmee financiële steun wordt gegeven aan projecten die bijdragen tot het behalen van de algemene doelstellingen van het programma. De criteria om in aanmerking te komen voor dergelijke steun hangen af van het programma, maar zijn doorgaans vrij ruim. [2] De index op de y-as verwijst naar het referentiejaar. Voor de meeste lidstaten is dit 1990 voor CO2, methaan (CH4) en stikstofoxide (N2O), maar 1995 voor gefluoreerde gassen, met de volgende uitzonderingen: het referentiejaar voor CO2,CH4 en N2O voor Hongarije is het gemiddelde van 1985-1987, voor Slovenië 1986 en voor Polen 1988; het referentiejaar voor gefluoreerde gassen is 1990 voor Frankrijk en Finland. Dit houdt in dat voor de EU15 en EU25 de waarde voor 1990 niet exact 100 is. 'Business as usual' verwijst naar de verwachte emissies zonder beleid en zonder maatregelen met betrekking tot klimaatverandering. [i] Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto (PB L 49 van 19.2.2004)http://www.europa.eu.int/eur-lex/pri/nl/oj/dat/2004/l_049/l_04920040219nl00010008.pdf [ii] Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (PB L 130 van 15.5.2002)http://europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/l28060.htm [iii] COM(2001) 580 def. van 23.10.2001 - Mededeling van de Commissie inzake de tenuitvoerlegging van de eerste fase van het Europees Programma inzake klimaatverandering http://europa.eu.int/eur-lex/nl/com/pdf/2001/com2001_0580nl01.pdf [iv] Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L van 25.10.2003) http://europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/l28012.htm [v] Richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto (PB L 338 van 13.11.2004) http://europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/l28012.htm [vi] Beschikking nr. 1230/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: "Intelligente energie-Europa" (2003-2006) (PB L 176 van 15.7.2003) http://europa.eu.int/eur-lex/pri/nl/oj/dat/2003/l_176/l_17620030715nl00290036.pdf [vii] Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt ( PB L 283 van 27.10.2001) http://europa.eu.int/eur-lex/pri/nl/oj/dat/2001/l_283/l_28320011027nl00330040.pdf [viii] Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PB L 123 van 17.5.2003) http://europa.eu.int/scadplus/leg/en/lvb/l21046.htm [ix] Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 001 van 4.1.2003) http://europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/l27042.htm [x] Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG ( PB L 52 van 21.2.2004) http://europa.eu.int/scadplus/leg/en/lvb/l27021.htm [xi] http://europa.eu.int/comm/environment/co2/co2_home.htm [xii] Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999) http://europa.eu.int/eur-lex/pri/nl/oj/dat/1999/l_182/l_18219990716nl00010019.pdf [xiii] Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003) http://europa.eu.int/scadplus/leg/en/lvb/l27019.htm [xiv] Besluit nr. 1513/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002-2006) (PB L 232 van 29.8.2002) http://europa.eu.int/scadplus/leg/nl/lvb/i23012.htm [xv] Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de Richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 22.7.2005)http://europa.eu.int/comm/enterprise/eco_design/dir2005-32.htm [xvi] COM(2003) 739 def. van 10.12.2003 - Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten http://europa.eu.int/eur-lex/nl/com/pdf/2003/com2003_0739nl01.pdf [xvii] COM(2003) 492 def. 11.8.2003 - Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen http://europa.eu.int/eur-lex/lex/LexUriServ/site/nl/com/2003/com2003_0492nl01.pdf, [xviii] COM(2005) 119 def. van 6.4.2005 - Voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007 tot 2013) http://europa.eu.int/eur-lex/lex/LexUriServ/site/nl/com/2005/com2005_0119nl01.pdf [xix] COM(2005) 35 def. van 9.2.2005 - Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Naar de zege in de strijd tegen de wereldwijde klimaatverandering http://europa.eu.int/comm/environment/climat/pdf/comm_en_050209.pdf EU25 emissies EU25 bestaande maatregelen