52005DC0150

Mededeling van de Commissie aan de Raad - Invoering van een OESO-EDRC-onderzoek van economisch EG-beleid naast de bestaande eurozone-enquête /* COM/2005/0150 def. */


Brussel, 21.04.2005

COM(2005) 150 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD

Invoering van een OESO-EDRC-onderzoek van economisch EG-beleid naast de bestaande eurozone-enquête

Thema

In deze mededeling reikt de Commissie elementen aan voor het antwoord op het verzoek van de ambassadeurs van Australië, Canada, Japan, Korea, Mexico, en de Verenigde Staten (APEC) bij de OESO om in OESO-EDRC-onderzoeken van de eurozone ook aandacht te besteden aan EG-beleid dat van invloed is op de economische prestaties van de EU. De Commissie stelt voor om het APEC-verzoek positief te beantwoorden, in die zin dat de EG ermee kan instemmen dat er naast de eurozone-enquête een afzonderlijke “EU25-toets”[1] wordt ingevoerd, mits hierbij rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de EG en dit onze systemische belangen dient.

De EG en de OESO-EDRC-toets

De onderzoeken van de Commissie voor economisch en ontwikkelingsonderzoek (Economic Development and Review Committee of EDRC) van de OESO naar de economieën van de OESO-lidstaten zijn de hoekstenen van het OESO-systeem van “peer review” en economisch toezicht.

De hoofddoelstellingen van de EDRC-toetsen bestaan erin 1) na te gaan hoe overheden de economische prestaties kunnen verbeteren en 2) de deelnemende landen ertoe aan te zetten een krachtiger beleid te voeren teneinde hun economieën efficiënter te laten functioneren en de groei te bevorderen. De toetsen resulteren in formele aanbevelingen, die weliswaar niet bindend zijn voor de leden, maar toch nuttige beleidsrichtsnoeren vormen, waarvan de uitvoering in vervolgtoetsen aan de orde kan worden gesteld. Iedere OESO-lidstaat wordt periodiek om de 12 tot 18 maanden (om de 12 maanden voor de eurozone) aan een toets onderworpen.

Op dit ogenblik bestaat er geen echte EDRC-toets van het EG-beleid. Sinds 2001 stelt de EDRC jaarlijks een apart onderzoek in naar de eurozone vanwege de bijzondere kenmerken van de economie van de eurozone. Dit onderzoek is met name gericht op het monetair en wisselkoersbeleid, waarbij ander macro-economisch en structureel beleid slechts wordt behandeld voorzover het een invloed heeft op de economische ontwikkelingen in de eurozone als geheel (bv. het mededingings- en het milieubeleid in 2003). Alle EG-lidstaten die ook lid zijn van de OESO, worden thans in aparte EDRC-toetsen doorgelicht, waarbij EG-breed beleid vaak aan de orde wordt gesteld (gezien de impact ervan op een bepaalde lidstaat), zij het op een gefragmenteerde en repetitieve wijze. Een officiële EG-vertegenwoordiger heeft bij deze toetsen slechts zelden de mogelijkheid om dergelijk beleid zodanig toe te lichten dat het EG-brede karakter tot uiting komt. Er wordt verwezen naar bijlage 1 voor een nadere beschrijving van het EDRC-proces, waaronder dat met betrekking tot de eurozone.

Dit is geen bevredigende situatie noch vanuit een intern EG-perspectief noch vanuit het perspectief van andere OESO-lidstaten.

Het “APEC-verzoek”

In hun brief van 2 oktober 2003 aan de permanente vertegenwoordiger van de Europese Commissie bij de OESO hebben de APEC-ambassadeurs bij de OESO erop aangedrongen (zie bijlage 2) dat EDRC-onderzoeken van de eurozone in de toekomst “ worden uitgebreid tot alle EG-beleid en EU-breed beleid in het algemeen” . Dit verzoek moet het in de eerste plaats mogelijk maken dat de EG als één geheel kan worden getoetst, zodat zij als andere OESO-leden wordt behandeld, waarvan het economisch beleid over de hele linie kan worden onderzocht. Deze brief is in Parijs besproken door de Commissie en de lidstaten, waarvan een meerderheid zich voor een positieve reactie uitsprak, en in Brussel door het EFC. De Europese Commissie is van oordeel dat de EG dit verzoek positief moet beantwoorden en dat zij moet instemmen met een “EU25-toets”, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan.

De Europese Commissie stelt met name voor dat de EG ermee instemt 1) dat er een afzonderlijke en specifieke EU25-toets op het structureel en sectoraal beleid van de EG dat een invloed heeft op de economie van de EU25, wordt ingevoerd, en 2) dat de bestaande eurozone-enquête ook in de toekomst wordt verricht, maar tot macro-economische beleidskwesties wordt beperkt. De twee onderzoeken moeten afzonderlijk worden verricht omdat 1) de eurozone-enquête betrekking heeft op 12 lidstaten (die alle lid zijn van de OESO), terwijl de EU25-toets betrekking zou hebben op alle lidstaten (waarvan niet alle lid zijn van de OESO) en 2) er andere voorwaarden zouden gelden inzake vertegenwoordiging. Voor de APEC-landen zou dit weinig of geen verschil mogen maken, omdat de door deze landen gevraagde alomvattende toets hoe dan ook zou worden verricht.

De Europese Commissie is ook van oordeel dat een alomvattende EDRC-toets nauwgezet en doelmatig moet worden opgezet, rekening houdend met het bijzondere juridische, institutionele en politieke karakter van de EG en het betrokken beleid.

Voordelen van een EU25-toets

Een EU25-toets zou een aantal voordelen bieden, omdat hij:

- het beeld en de zichtbaarheid van de EG als economische entiteit zou versterken, de bevoegdheden van de EG meer en nauwkeuriger zou weerspiegelen, en ertoe zou leiden dat de vertegenwoordiging van de EG in de EDRC een welomschreven en erkende rol zou krijgen;

- de openheid en de transparantie van de EG zou benadrukken, mede door aanvaarding van opbouwende en gerechtvaardigde kritiek;

- in één enkel kader EG-breed beleid aan de orde zou stellen, dat anders op een zeer repetitieve en gefragmenteerde wijze aan bod komt in de EDRC-toetsen van de afzonderlijke lidstaten;

- misverstanden bij andere OESO-leden en/of het OESO-secretariaat met betrekking tot EG-beleid (of aspecten daarvan) zou kunnen rechtzetten;

- de EG de mogelijkheid zou bieden gewettigde kritiek te uiten over het beleid van andere OESO-leden die aan een EDRC-toets worden onderworpen, zonder dat zij het risico loopt ervan te worden beschuldigd dat zij niet op soortgelijke wijze wordt doorgelicht;

- een praktisch voorbeeld zou vormen van de nadruk die de huidige Commissie legt op het in kaart brengen van de instrumenten en beleidsvormen om onze economische prestaties en ons concurrentievermogen te versterken.

Procedurele instrumenten voor een EU25-toets

Bij de invoering van een EU25-toets moet rekening worden gehouden met het unieke karakter van de EG als supranationale organisatie en met name de verdeling van de bevoegdheden tussen de EG en de lidstaten, de regels inzake de externe vertegenwoordiging van de EG en de status van de EG in de OESO .

Sommige beleidsvormen die door de EDRC worden getoetst, vallen onder de exclusieve bevoegdheid (bv. handel, landbouw, visserij), andere daarentegen onder de gedeelde bevoegdheid (bv. milieu). In dit verband wordt eraan herinnerd dat de EG geen lid is van de OESO, maar de status van “volwaardig deelnemer” aan de OESO heeft. De Commissie is volwaardig deelnemer aan de hoofdinstellingen en afhankelijke lichamen van de OESO als de vertegenwoordiger van de EG (punt 2 van het aanvullend protocol bij het OESO-verdrag). Alleen in het kader van de eurozone-enquête van de EDRC wordt de eurozone vertegenwoordigd door een gezamenlijke delegatie van de Commissie, het voorzitterschap en de ECB. Gelet op de aanzienlijke coördinatie die zowel de eurozone-enquête als de EU25-toets op verschillende niveaus zou vereisen, zouden beide onderzoeken afwisselend, dat wil zeggen elk om de twee jaar[2], moeten worden verricht.

Er dient ook rekening te worden gehouden met de juridische complicaties en politieke implicaties ten gevolge van het feit dat zes EG-lidstaten geen lid zijn van de OESO. Een EDRC-EU25-toets zou betrekking hebben op EG-breed beleid in alle 25 lidstaten. Op dit ogenblik zijn zes van de (nieuwe) EG-lidstaten evenwel geen lid van de OESO[3]. Dit betekent dat de EDRC beleid zou toetsen dat werd vastgesteld voor en van toepassing is op alle 25 lidstaten, terwijl een beduidend aantal daarvan niet vertegenwoordigd is. De Commissie is van oordeel dat deze zes lidstaten een ad-hocwaarnemerstatus in de EDRC moeten krijgen.

Ten slotte moet de reikwijdte van de EU25-toets, ofschoon het doel er nu precies in bestaat een alomvattende toets in te voeren, beheersbaar en redelijk blijven. Het is begrijpelijk dat het onderzoeksveld van EDRC-toetsen wordt verruimd, gelet op de steeds complexere onderlinge verhoudingen tussen uiteenlopend economisch en daarmee samenhangend beleid in alle OESO-landen. Er zal evenwel op moeten worden gelet dat een EU25-toets uitsluitend betrekking heeft op EG-breed beleid dat van rechtstreeks belang is voor de doelstellingen van de EDRC. Verder zou de invoering van een EU25-toets ertoe moeten leiden dat de onderzoeken betreffende de afzonderlijke lidstaten geen directe toets meer bevatten van de vorm en de inhoud van EG-breed beleid, en er zou geen overlap mogen zijn met de eurozone-enquête (dat wil zeggen dat er in de EU25-toets geen EMU-kwesties worden behandeld). Evenmin zou er beleid mogen worden behandeld dat al een soortgelijke toets ondergaat in andere OESO-organen of de EDRC zelf.

De doelstellingen van en voorwaarden voor een EU25-toets zullen nader moeten worden uitgewerkt met het OESO-secretariaat en de andere OESO-leden.

Gelet op het bovenstaande:

- zou de Commissie over de doelstellingen van en voorwaarden voor een EU25-toets onderhandelen met het OESO-secretariaat en de andere OESO-leden (waarbij zij voor een passende coördinatie met de lidstaten zorgt);

- zou de Commissie, wat de vertegenwoordiging van de EG bij EDRC-toetsen betreft, overeenkomstig de regels inzake de externe vertegenwoordiging van de EG, moeten optreden als de vertegenwoordiger van de EG bij de EU25-toets, waarbij zij voor een passende coördinatie met de lidstaten zorgt;

- zal bij de EDRC-toets dezelfde procedure worden gevolgd als bij de eurozone-enquête. Het onderzoek naar de EU25 zou – net zoals bij andere door de EDRC onderzochte landen – gebaseerd zijn op een schriftelijke enquête / een rapport opgesteld door het OESO-secretariaat. Tijdens het onderzoek zou de Commissie een korte openingsverklaring afleggen en (in nauwe coördinatie met de lidstaten) aangeven over welke punten in de ontwerpenquête van het OESO-secretariaat er eventueel geen overeenstemming bestaat. Alle OESO-leden zouden vervolgens mondeling vragen kunnen stellen. Na het onderzoek zou de voorzitter voor de voornaamste behandelde beleidskwesties de belangrijkste conclusies trekken en deze conclusies, die bij consensus door de EDRC worden aangenomen, zouden worden gebruikt als leidraad om de enquête en de formele aanbevelingen die zij bevat (eventueel) te herschrijven;

- zouden de andere OESO-lidstaten, aangezien deze toets betrekking zal hebben op EG-breed beleid, moeten aanvaarden dat de EG een zodanige status krijgt dat zij op dezelfde wijze wordt behandeld als andere landen die aan een EDRC-toets worden onderworpen. Dit kan op verschillende manieren. De Commissie zou een ad-hocstemrecht kunnen krijgen dat zij namens de EG in de EDRC kan uitoefenen. De Commissie zou ook als volwaardig lid in de EDRC kunnen worden opgenomen (wat bij wijze van uitzondering al het geval is in de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO) waardoor de EG stemrecht krijgt. Of er kan voor worden gezorgd dat de EG-lidstaat die het voorzitterschap van de Raad uitoefent, na coördinatie met de Commissie, het recht krijgt om namens de EG in de EDRC een stem uit te brengen. De Commissie zal de verschillende mogelijkheden met het OESO-secretariaat, de andere OESO-lidstaten en de EG-lidstaten bekijken.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat een EU25-toets de EG onmiskenbare voordelen zou opleveren, die duidelijk opwegen tegen mogelijke nadelen zoals de hogere werkdruk voor sommige Commissiediensten en de behoefte aan coördinatie. De Commissie stelt daarom voor dat de EG ermee instemt dat:

- er een afzonderlijke en specifieke EU25-toets wordt ingevoerd van het structureel en sectoraal beleid van de EG dat van invloed is op de economie van de EU25,

- de bestaande eurozone-enquête ook in de toekomst wordt verricht en tot EMU- en macro-economische beleidskwesties wordt beperkt. Er zou geen overlap tussen beide onderzoeken zijn.

Deze instemming zou evenwel afhankelijk worden gemaakt van een aantal noodzakelijke garanties , waaronder passende onderhandelingen over de doelstellingen van en voorwaarden voor een EU25-toets en passende aandacht voor het eigen karakter van de EG alsook voor de gelijke behandeling die moet worden gewaarborgd voor de lidstaten die momenteel geen lid zijn van de OESO. Dit zou met name betekenen dat:

- de 6 EG-lidstaten die momenteel geen lid zijn van de OESO, waarnemerstatus in de OESO krijgen;

- bij invoering van een EU25-toets de directe toets wordt afgeschaft in de onderzoeken betreffende de afzonderlijke lidstaten op vorm en inhoud van EG-breed beleid;

- de EU25-toets en de eurozone-enquête, gelet op de aanzienlijke coördinatie die beide onderzoeken op verschillende niveaus zouden vereisen, afwisselend, dat wil zeggen elk om de twee jaar, zouden worden verricht;

- de Commissie een duidelijke machtiging wordt verleend om over de doelstellingen van en voorwaarden voor een EU25-toets te onderhandelen met het OESO-secretariaat en de andere OESO-leden (waarbij zij voor coördinatie met de lidstaten zorgt);

- de Commissie, in overeenstemming met de regels inzake externe vertegenwoordiging van de EG, optreedt als de vertegenwoordiger van de EG bij de EU25-toets, in nauwe coördinatie met de lidstaten;

- bij de EU25-toets dezelfde procedure zal worden gevolgd als bij de eurozone-enquête en dat er algemene consensus in de EDRC is vereist;

- de EG een zodanige status krijgt dat zij op dezelfde wijze kan worden behandeld als de andere onderzochte landen, die een vetorecht hebben in de EDRC.

Als de Raad met het bovenstaande kan instemmen, zal de permanente vertegenwoordiging van de Europese Commissie bij de OESO, aan wie de brief van de APEC was gericht, de APEC-ambassadeurs een positief antwoord doen toekomen dat bovenstaande eisen en voorwaarden bevat.

Op basis hiervan zullen de voorwaarden voor een EU25-toets, waaronder de reikwijdte, de frequentie, de rechten van EG-lidstaten die geen lid zijn van de OESO, en andere aspecten, nader worden uitgewerkt met het OESO-secretariaat, de voorzitter van de EDRC en de andere OESO-leden.

Bijlagen : 2

1) Achtergrondinformatie over de EDRC-toetsen van de OESO

2) Brief van de APEC

BIJLAGE 1

Achtergrondinformatie over de EDRC-toetsen van de OESO

1. Aard van de EDRC-toets

De Commissie economisch en ontwikkelingsonderzoek van de OESO (EDRC) verricht peer reviews van het economische beleid van de OESO-leden en vormt daarmee de hoeksteen van het toezicht van de OESO op de economische situatie van landen. De EDRC komt gemiddeld twintig keer per jaar bijeen om het economische beleid van OESO-leden aan een integraal onderzoek te onderwerpen op basis van een door het OESO-secretariaat opgesteld landenrapport. Teneinde de leden de mogelijkheid te geven nauwe en stabiele betrekkingen te ontwikkelen, bestaat de commissie uit permanente vertegenwoordigers (de economische adviseurs van de permanente vertegenwoordigingen bij de OESO). De Commissie (DG ECFIN) zendt vertegenwoordigers op een ad-hocbasis, die de permanente vertegenwoordiger van de Commissie bij de EDRC vergezellen naar aanleiding van landenonderzoeken.

Het peer-reviewproces in de EDRC is uniek. Ofschoon de landenrapporten van de EDRC door het OESO-secretariaat worden opgesteld (hoofdzakelijk door de afdeling Economische Zaken), worden zij door alle 30 lidstaten, waaronder het onderzochte land, en de Commissie ondertekend. Zij vormen daarmee het resultaat van een consensus tussen de OESO-lidstaten en de Commissie en ze worden gepubliceerd onder de verantwoordelijkheid van de EDRC en niet van het OESO-secretariaat, wat bij de meeste andere OESO-landenrapporten doorgaans wel het geval is. De EDRC-procedures houden in dat het onderzochte land met de inhoud van het rapport instemt en aldus moreel verplicht wordt om maatregelen aan te nemen om de in het rapport genoemde kwesties aan te pakken. Momenteel zijn 19 van de 25[4] EG-lidstaten lid van de EDRC en zij worden regelmatig aan een EDRC-onderzoek onderworpen.

Sinds 2001 verricht de EDRC ook jaarlijks een op zich staande toets met betrekking tot de eurozone. Het Economisch en Financieel Comité (EFC) heeft met een dergelijk onderzoek ingestemd; de reikwijdte ervan werd verduidelijkt in een briefwisseling tussen de voorzitter van het EFC en het hoofd van de afdeling Economische Zaken van de OESO in 2000. De redenen om een dergelijk specifiek onderzoek te verrichten, waren de bijzondere kenmerken van de economie van de eurozone met haar uniform monetair en wisselkoersbeleid en het coördinatieniveau van het fiscale beleid, alsook de mogelijkheden die in een dergelijk onderzoek besloten liggen om waardevolle inzichten te verschaffen in het functioneren van de EMU. De OESO en de EG-lidstaten kwamen overeen dat, gelet op het karakter van de eurozone, deze onderzoeken “met name op het monetair en wisselkoersbeleid” zouden moeten worden gericht, waarbij “ ander macro-economisch en structureel beleid aan de orde wordt gesteld voorzover dit een invloed heeft op de ontwikkelingen in de eurozone als geheel” . Met deze reikwijdte kunnen aspecten van structureel beleid worden getoetst die van bijzonder belang zijn voor de economische prestaties van de EMU, zoals product- en factormarkten of de efficiency van socialezekerheidssystemen. Voorts is er telkens een diepgravend hoofdstuk over een bepaald economisch thema, waarin dit aan een grondige analyse kan worden onderworpen. De Commissie, de ECB en het voorzitterschap van de eurozone zijn de instanties die de eurozone bij deze OESO-onderzoeken moeten vertegenwoordigen; om dat op effectieve en uniforme wijze te doen, is een hoge mate van coördinatie vereist.

2. De ervaringen met de eurozone-enquête

De eurozone-enquête wordt in 2004 voor de vierde keer verricht. Deze enquête bestaat uit algemene hoofdstukken waarin monetair, budgettair en structureel beleid wordt onderzocht, en een zogenaamd “structureel” hoofdstuk waarin één specifieke communautaire beleidsvorm onder de loep wordt genomen. Verleden jaar was dit het mededingingsbeleid.

Gedurende de enquête zorgt DG ECFIN voor nauwe coördinatie met andere betrokken Commissiediensten. Om de ontwerptekst van de enquête op te stellen, brengt het OESO-secretariaat eerst een aantal dienstbezoeken aan de Commissie. DG ECFIN overlegt met andere diensten over de antwoorden op de OESO-vragenlijst en nodigt hen uit om aan de vergaderingen deel te nemen. Zo worden de DG’s EMPL, MARKT, AGRI en TAXUD vaak van in het prille begin bij het proces betrokken. Afhankelijk van het specifieke thema van het jaar worden ook andere relevante Commissiediensten erbij betrokken.

Nadat het OESO-secretariaat de ontwerptekst van de enquête heeft opgesteld, stelt DG ECFIN zich opnieuw in verbinding met de andere Commissiediensten en vraagt om hun reactie en eventuele redactionele wijzigingen in de ontwerptekst. De standpunten van deze diensten worden ook opgenomen in het door DG ECFIN opgestelde ontwerp van inleidende verklaring van de vertegenwoordiging van de eurozone. In deze fase coördineert DG ECFIN ook de redactionele wijzigingen van de lidstaten (via het EFC) voor de ontwerpteksten van de enquête en de inleidende verklaring.

De Commissiediensten die een belang hebben bij het specifieke thema, worden voor de EDRC-vergadering in Parijs en de daaropvolgende redactiebijeenkomst uitgenodigd. Na deze vergaderingen vervolgt DG ECFIN de coördinatie van de enquête met andere Commissiediensten, het voorzitterschap van de eurogroep en de ECB totdat de tekst definitief is en door het EDRC wordt goedgekeurd.

Uit de tot dusver opgedane ervaring blijkt dat de coördinatie van de verschillende standpunten een zeer zware taak kan zijn. In 2003 begon de enquête in januari met de voorbereiding van de dienstbezoeken van het OESO-secretariaat aan de Commissie, en zij werd pas voltooid eind juli, hoofdzakelijk vanwege de moeilijkheden om overeenkomst te bereiken over de definitieve tekst van het specifieke hoofdstuk over het mededingingsbeleid.

In het algemeen zijn de coördinatiekosten bij de huidige opzet van de OESO-eurozone-enquête al redelijk hoog. Als de reikwijdte ervan wordt uitgebreid tot het volledige communautaire beleid, zullen de lasten van de coördinatie alleen maar toenemen – in welke mate hangt af van de in dat geval gekozen aanpak. Hoe gedetailleerder en omvangrijker de OESO-analyse, des te zwaarder wordt uiteraard de coördinatie en des te groter het risico dat het langer duurt om de enquête te voltooien.

3. Beleid dat aan een EDRC-toets kan worden onderworpen

Het beleid dat een invloed heeft op de economische prestaties, kan in vier hoofdcategorieën worden ingedeeld: (1) macro-economisch beleid, (2) gemeenschappelijk beleid, zoals gemeenschappelijk handels- of gemeenschappelijk landbouwbeleid, (3) structuurbeleid ter versterking van de marktwerking, en (4) structuurbeleid met een breder doel, dat evenwel een aanzienlijk economisch effect kan hebben (milieu enz.). Binnen de EU is er sprake van enige economische coördinatie van het onder (1) en (3) genoemde beleid en in veel mindere mate van dat onder (4). Bij het gemeenschappelijk beleid is er helemaal geen sprake van dergelijke coördinatie.

a. Macro-economisch beleid

Macro-economische beleidskwesties (monetaire en fiscale aangelegenheden, wisselkoerskwesties) worden al geanalyseerd in het kader van de eurozone, die een goed geolied coördinatiemechanisme heeft: dit beleid wordt immers op regelmatige basis intern (in de werkgroep “eurogroep” van het Economisch en Financieel Comité en in de eurogroep zelf) besproken en geëvalueerd.

b. Gemeenschappelijk beleid

Beleid dat onder de exclusieve bevoegdheid valt, zoals gemeenschappelijk handels-, landbouw-, visserij- en mededingingsbeleid, wordt al ten dele behandeld in nationale EDRC-toetsen van afzonderlijke lidstaten, zoals dat gebeurt bij andere OESO-leden zoals de VS. De OESO-leden hebben de potentiële impact van dergelijk beleid op de economische prestaties van hun economie publiekelijk niet ter discussie gesteld, evenmin als het feit dat dergelijk beleid door de EDRC werd getoetst. De laatste EDRC-toets van de VS omvatte bijvoorbeeld een deel over handel.

Bovendien wordt gemeenschappelijk beleid vaak besproken en geanalyseerd in andere OESO-platforms, bv. wat de handel betreft in het kader van het initiatief voor de hervorming van de regelgeving, wat de landbouw betreft in de Landbouwcommissie, en wat het mededingingsbeleid betreft in de Mededingingscommissie en via peer reviews.

c. Structuurbeleid ter versterking van de marktwerking

Structureel hervormingsbeleid, met name het beleid dat onder de globale richtsnoeren van het economisch beleid valt zoals arbeids-, product- en kapitaalmarkthervormingen, en het verband tussen dit beleid en macro-economische prestaties zijn thema’s die al op redelijk algemene wijze aan bod zijn gekomen in het kader van eerdere EDRC-toetsen van de eurozone. Waar dit beleid rechtstreeks is gericht op de verbetering van de marktwerking, kan uiteraard worden gesteld dat het belangrijke gevolgen kan hebben voor de macro-economische prestaties in het algemeen. In die zin kan een brede discussie van dit beleid gerechtvaardigd zijn. De problemen ontstaan echter als de discussie van bepaalde beleidsvormen veel verder en dieper gaat dan wat gerechtvaardigd is door de impact die zij op macro-economische prestaties hebben, zoals een aantal keer is gebeurd bij de EDRC-toetsen van de eurozone. Deze ontwikkeling moet worden afgeremd.

d. Ander structuurbeleid met een breder doel

Door het open karakter van de OESO kan moeilijk van tevoren worden gegarandeerd dat een EDRC-toets op het EU-beleid beperkt blijft tot een vooraf overeengekomen pakket van structurele beleidsvormen. Als de reikwijdte van EDRC-toetsen meer algemeen zou worden verruimd tot EU-breed beleid, kan dit met andere woorden tot gevolg hebben dat beleid wordt geëvalueerd op terreinen waarop de bevoegdheid wordt gedeeld, of op terreinen die niet aan de orde worden gesteld in EDRC-toetsen van OESO-leden[5].

Wanneer over de reikwijdte en de voorwaarden van de EU-brede toets wordt besloten, zou ervoor moeten worden gezorgd dat het structuurbeleid met een breder doel dat zal worden getoetst, in de mate van het mogelijke van tevoren in kaart wordt gebracht.

BIJLAGE 2

Brief van de APEC-ambassadeurs

2 oktober 2003

Zijne excellentie

J. Maddison

Ambassadeur

Permanente vertegenwoordiging van de Europese Commissie bij de OESO

Hooggeachte heer Maddison,

EDRC-BEHANDELING VAN EG-BELEID

Wij richten deze brief aan uwe Excellentie als vertegenwoordiger van de Europese Commissie bij de OESO met het verzoek namens ons een kwestie aan de orde te stellen bij de bevoegde autoriteiten in de Europese Gemeenschap.

Na het Canadese voorstel van 1998 heeft de Commissie economisch en ontwikkelingsonderzoek (EDRC) drie formele onderzoeken van de eurozone verricht. De peer-reviewprocessen van de OESO hebben zo een constructieve rol kunnen spelen bij de ondersteuning van lopende economische beleidshervormingen in de eurozone. Het was bij deze onderzoeken evenwel niet mogelijk een aantal beleidsvormen die van belang zijn voor de economische prestaties van Europa, op passende wijze aan de orde te stellen. In de landenrapporten over afzonderlijke Europese landen worden deze beleidsvormen evenmin effectief aan de orde gesteld. Het betreft hier zowel een aantal vormen van gemeenschappelijk beleid, die op EG-niveau ten uitvoer worden gelegd, als een reeks richtlijnen, die op EG-niveau worden vastgesteld maar op nationaal niveau ten uitvoer worden gelegd.

Deze situatie houdt in dat er geen gelijke behandeling is bij EDRC-onderzoeken van EU-landen en bij EDCR-onderzoeken van niet-EU-landen, waarvan het economische beleid over de hele linie kan worden doorgelicht. Deze situatie ondergraaft het nut van de EDRC-toetsen en schaadt naar onze mening de reputatie van de OESO.

Wij zijn van oordeel dat deze situatie voor het onderzoek van 2004 moet worden rechtgezet. Wij verzoeken u deze kwestie aan de orde te stellen bij de bevoegde autoriteiten, teneinde te garanderen dat economische onderzoeken van de eurozone die de OESO in de toekomst verricht, worden uitgebreid tot alle EG-beleid en EU-breed beleid in het algemeen. Dit zou garanderen dat alle economische beleid in Europa op passende wijze wordt onderzocht, en dat deze toetsen op hetzelfde niveau worden gebracht als de onderzoeken van niet-EU-landen.

Afzonderlijke vormen van EG-beleid kunnen weliswaar door de afzonderlijke commissies worden onderzocht (zoals de Handelscommissie, de Landbouwcommissie, de Mededingingscommissie), maar dat geldt voor alle landen. Alleen de EDRC biedt daarentegen de mogelijkheid dat alle kwesties in een toets worden samengevat in het kader van een peer-reviewproces waarbij de interactie tussen verschillende beleidsterreinen wordt geanalyseerd, en om een algemene beoordeling van de economische prestaties en het economische beleid te verrichten.

Inzicht in de wijze waarop alle beleidsvormen in elkaar grijpen, is noodzakelijk om een zinvolle beoordeling te kunnen verrichten en samenhangende beleidsaanbevelingen te kunnen doen. Dit geldt des te meer voor de interactie tussen structurele gegevenheden en macro-economische beleidsinstrumenten.

Wij erkennen dat aan een dergelijke alomvattende behandeling van economisch beleid van de EU institutionele haken en ogen zitten. Naar onze mening mogen institutionele kwesties ons evenwel niet afhouden van de doelstellingen van gelijkheid, kennisdeling en constructieve peer review, die de spil vormen van de werkzaamheden in de OESO.

Wij zien een spoedig antwoord op deze steeds belangrijker kwestie tegemoet.

Hoogachtend,

Ian Forsyth Ambassadeur bij de OESO Australië | Jocelyne Bourgon Ambassadeur bij de OESO Canada |

Seiichiro Noboru Ambassadeur bij de OESO Japan | Kyung-tae Lee Ambassadeur bij de OESO Korea |

Carlos Flores Alcocer Ambassadeur bij de OESO Mexico | Adrian Macey Ambassadeur bij de OESO Nieuw-Zeeland |

Robert Smolik Zaakgelastigde van de vertegenwoordiging van de Verenigde Staten bij de OESO |

c.c. alle ambassadeurs bij de OESO Donald Johnston, secretaris-generaal van de OESO Jean-Philippe Cotis, hoofd afdeling Economische Zaken van de OESO Niels Thygesen, EDRC-voorzitter, OESO

[1] Ofschoon deze toets uitsluitend betrekking zou hebben op EG-beleid, wordt het om politieke redenen passend geacht de term “EU-toets” te gebruiken, aangezien er steeds vaker op die manier naar de EG/EU wordt verwezen buiten de EG/EU.

[2] Gelet op het verschil in omvang tussen de eurozone en de EU25 en de verschillende inhoudelijke klemtonen tussen de onderzoeken, zouden twee afzonderlijke en specifieke onderzoeken voor alle partijen de beste oplossing zijn. Voor de APEC-landen zou dit weinig of geen verschil mogen maken, omdat de door deze landen gevraagde alomvattende toets hoe dan ook zou worden verricht.

[3] Cyprus, Estland, Malta, Letland, Litouwen en Slovenië.

[4] De volgende EG-lidstaten zijn momenteel geen lid van de OESO: Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Malta en Slovenië.

[5] Bij een aantal onderzoeken bijvoorbeeld, zoals die naar het National Treatment Instrument (buitenlandse ondernemingen worden op gelijke voet met binnenlandse ondernemingen behandeld) dat is opgenomen in de International Investment Declaration (de investeringsverklaring) (niet juridisch bindend), of die in het kader van de OESO-codes voor kapitaalverkeer en verborgen transacties (juridisch bindend), wordt het beleid van EG-lidstaten op nationaal en Europees niveau onderzocht, omdat het EU-beleid de grondslag van het nationale beleid vormt.