7.2.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 31/36


Advies van het Comité van de Regio's over het „Groenboek over het beheer van de economische migratie: een EU-aanpak”

(2006/C 31/09)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Gezien het „Groenboek van de Commissie over het beheer van de economische migratie: een EU-aanpak” (COM(2004) 811 def.),

Gezien het besluit van de Europese Commissie om het Comité van de Regio's overeenkomstig art. 265, eerste alinea, van het EG-Verdrag hierover te raadplegen,

Gezien het besluit van zijn voorzitter van 22 februari om de commissie „Economisch en sociaal beleid” met het opstellen van een advies over dit onderwerp te belasten,

Gezien de conclusies van de Europese Raden van Tampere in 1999, Nice en Lissabon in 2000 en Sevilla in 2002,

Gezien zijn advies over het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake het recht op gezinshereniging (CdR 243/2002 fin) (1),

Gezien zijn advies over de mededeling van de Commissie betreffende een gemeenschappelijk beleid inzake illegale immigratie (COM(2001) 672 def.) en over een open coördinatiemethode voor het communautaire immigratiebeleid (COM(2001) 387 def.) van 16 mei 2002 (CdR 93/2002 fin) (2),

Gezien zijn adviezen over een communautair immigratiebeleid en over een gemeenschappelijke asielprocedure (CdR 90/2001 fin) (3), alsmede over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (CdR 214/2001 fin) (4),

Gezien zijn advies over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (CdR 213/2001 fin) (5),

Gezien zijn adviezen over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op arbeid in loondienst en economische activiteiten als zelfstandige (CdR 386/2001 rev.1) en het voorstel betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op studie, beroepsopleiding of vrijwilligerswerk (COM(2002) 548 def.) (CdR 2/2003 fin) (6),

Gezien de mededeling van de Commissie over de integratie van migratievraagstukken in de betrekkingen van de Europese Unie met ontwikkelingslanden (COM(2002) 703 def.),

Gezien zijn advies over het door de Europese Raad van Stockholm verlangd verslag: „Vergroting van de arbeidsparticipatie en bevordering van beroepsactiviteit op oudere leeftijd” (COM(2002) 9 def.) (CdR 94/2002 fin) (7),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van de georganiseerde civiele samenleving bij immigratie en maatschappelijke integratie (CES 365/2002 fin) (8),

Gezien artikel 13 van het EG-Verdrag en de daarbij aansluitende twee richtlijnen, nl. Richtlijn 2000/78/EG van de Raad betreffende gelijke behandeling in arbeid en beroep, en Richtlijn 2000/43/EG van de Raad betreffende gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming,

Gezien het verslag van de Raad van Europa van juli 2000 over „Diversiteit en samenhang: nieuwe uitdagingen voor de integratie van immigranten en minderheden”,

Gezien het document van de diensten van de Commissie met een grondige evaluatie van het effect van de mededeling over immigratie, integratie en werkgelegenheid (COM(2003) 336 def.) (SEC(2003) 694),

Gezien zijn advies over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over immigratie, integratie en werkgelegenheid (CdR 223/2003 fin) (9),

Gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid: balans van het programma van Tampere en richtsnoeren voor de toekomst” (COM(2004) 401 def.),

Gezien de VN-Conventie inzake de bescherming van de rechten van migrerende werknemers en hun gezinsleden,

Gezien het door zijn commissie „Economisch en sociaal beleid” op 3 mei 2005 goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 82/2005 rev.1) (rapporteur: de heer Ancisi, gemeenteraadslid van Ravenna (IT — EVP)),

Overwegende dat

1)

grootschalige economische immigratie op zich geen oplossing biedt voor de demografische problemen als gevolg van de vergrijzing en het dalende geboortecijfer, noch de enige mogelijke manier is om aan de behoeften van de Europese arbeidsmarkt te voldoen. Afgezien van de wenselijkheid om het binnenlandse reservoir aan arbeidskrachten te benutten en in bepaalde sectoren de immigratie van hooggekwalificeerde werknemers toe te laten, ziet het ernaar uit dat steeds grotere immigratiestromen noodzakelijk zullen worden om aan de behoeften van de Europese arbeidsmarkt te voldoen en het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen op peil te houden;

2)

legale migratie en de bestrijding van zwartwerk een van de centrale punten is van het Haagse programma, ofwel de nieuwe in 2004 goedgekeurde EU-agenda voor de verdere ontwikkeling van het immigratie- en asielbeleid. Hoewel het een zaak van de afzonderlijke lidstaten blijft te bepalen hoeveel immigranten zij willen toelaten, werd de Commissie verzocht vóór 2005 een beleidsplan voor legale immigratie voor te leggen;

3)

het Groenboek tot doel heeft een aan de wetgeving voorafgaande fase van overleg tussen EU-instellingen, lidstaten en maatschappelijk middenveld te lanceren m.b.t. de vraag welke vormen van communautaire regelgeving het geschiktst zijn om de toegang van arbeidsmigranten tot de EU te regelen en welke meerwaarde een communautaire aanpak kan opleveren;

4)

bij het nieuwe Grondwettelijke Verdrag de bevoegdheden van de EU verder worden uitgebreid (art. III-267) en bij het Verdrag is bepaald dat de Unie een gemeenschappelijk immigratiebeleid ontwikkelt dat gericht is op doeltreffend beheer van de migratiestromen, passende behandeling van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven en bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel, alsmede dat de Europese wetgeving voorziet in toegangs- en verblijfsvoorwaarden, en in normen voor de procedures voor de afgifte door de lidstaten van visa en verblijfstitels;

5)

bij het nieuwe Grondwettelijke Verdrag ook is bepaald dat bij Europese wet of kaderwet maatregelen kunnen worden vastgesteld „om het optreden van de lidstaten ter bevordering van de integratie … aan te moedigen en te ondersteunen”, met uitzondering van enigerlei harmonisering van de wettelijke regelingen van de lidstaten, waarbij moet worden benadrukt dat de bevoegdheid om de toegang van onderdanen van derde landen tot de arbeidsmarkt te regelen, bij de lidstaten ligt;

heeft tijdens zijn op 6 en 7 juli 2005 gehouden 60e zitting (vergadering van 7 juli) met algemene stemmen onderstaand advies goedgekeurd.

1.   Opmerkingen van het Comité van de Regio's

Het Comité van de Regio's formuleert onderstaande opmerkingen bij enkele belangrijke punten die in het Groenboek aan de orde worden gesteld.

Door de EU na te streven mate van harmonisatie

1.1

De ontwikkeling van een migratiebeleid heeft o.m. tot doel om op economisch gebied een korte- en middellangetermijnoplossing voor de demografische achteruitgang in Europa te bieden en voor alle burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te creëren; dit zijn ook prioritaire doelstellingen van het Comité.

1.2

Er is een duidelijk verband tussen de moeilijkheden die migrerende werknemers ondervinden om legale kanalen voor economische migratie te gebruiken, het gebrek aan coördinatie van het beleid van de lidstaten en de omvang van de illegale migratie.

1.3

De sterke verwevenheid van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid is een kenmerk van het Europees sociaal model, dat gebaseerd is op de kwaliteit van de arbeid, de modernisering van de economische structuren en een grote sociale samenhang.

1.4

Hoewel de bevolking in sommige Europese regio's afneemt en die regio's met een tekort aan arbeidskrachten te kampen hebben, neemt de bevolking in andere regio's toe, wat dan weer moeilijkheden met zich meebrengt op het vlak van beschikbare plaatselijke dienstverlening en huisvesting.

1.5

Met de communautaire wetgeving moet op den duur worden gestreefd naar de vaststelling van een algemeen wettelijk kader voor alle migranten in de EU, alhoewel vooralsnog alleen een sectorale aanpak mogelijk is, die gericht is op specifieke groepen arbeidsmigranten (seizoenarbeiders, werknemers met bijzondere kwalificaties, naar een andere vestiging van een bedrijf overgeplaatste werknemers en dienstverleners).

Daarom is het voorstel van de Commissie in haar Groenboek betreffende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk kader van minimumnormen voor de toelating van onderdanen van derde landen die in de EU in loondienst of als zelfstandige willen komen werken, een goede zaak.

Het is jammer dat het Commissievoorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op arbeid in loondienst en economische activiteiten als zelfstandige (10), dat door het Comité in zijn advies van 13 maart 2002 (CdR 386/2001) werd toegejuicht, niet door de Raad is goedgekeurd.

1.6

Er moeten ook, in onderling overleg tussen meerdere lidstaten, gemeenschappelijke versnelde procedures kunnen worden goedgekeurd ingeval er een tekort aan specifieke kwalificaties bestaat. Een lidstaat die dergelijke procedures hanteert, zou moeten worden verplicht om de andere lidstaten daarvan op de hoogte te stellen en om die maatregelen van tevoren met de andere lidstaten te coördineren.

Procedures voor het toelaten van arbeidsmigranten, verblijfs- en werkvergunningen

1.7

Het Comité wijst andermaal op het belang van een beleid inzake visa, verblijfs- en werkvergunningen waardoor de toegang voor arbeidsmigranten wordt vergemakkelijkt. Het pleit er daarom voor dat iedere lidstaat één procedure voor een gecombineerde titel invoert, waarbij verblijfs- en werkvergunning in één administratieve handeling worden afgehandeld. Zo kunnen de huidige gescheiden regelingen in de lidstaten worden vereenvoudigd en geharmoniseerd.

1.8

Het herbevestigt zijn principiële standpunt dat de mobiliteit van migranten die reeds lange tijd in een lidstaat verblijven en tot de arbeidsmarkt van die lidstaat zijn toegetreden, moet worden bevorderd (CdR 337/2004 rev. 1).

1.9

Aangezien Richtlijn 2003/109/EG van de Raad migranten die al lang in een lidstaat verblijven, reeds vanaf 2006 het recht op mobiliteit toekent, is het van belang dat ook wordt nagegaan of het mogelijk is om gemeenschappelijke minimumnormen goed te keuren die mobiliteit binnen de EU gemakkelijker maken voor werknemers die nog maar kort in een lidstaat verblijven, wetende dat sinds 2004 in de lidstaten het vrije verkeer van werknemers van kracht is. Zo zou een verblijfsvergunning voor werkzoekenden kunnen worden afgegeven, zodat zij vacatures kunnen opsporen. Verder zou in de landen van herkomst voor een basisopleiding kunnen worden gezorgd, die in sommige sectoren de doorslag kan geven. Ook is het wenselijk gemeenschappelijke minimumnormen aan te nemen voor de certificatie van beroepskwalificaties waarover de betrokkene reeds beschikt of die in het EU-gastland zijn verworven.

1.10

Het toelaten van een individuele werknemer moet in beginsel worden gekoppeld aan het bestaan van een specifieke arbeidsplaats.

In bepaalde specifieke sectoren van de arbeidsmarkt waar informatie over de vacatures in het land van oorsprong moeilijker worden verspreid, kan in de toekomstige EU-wetgeving betreffende de legale toelating van arbeidsmigranten worden voorzien in de mogelijkheid om een verblijfsvergunning voor het zoeken van werk af te geven, die slechts voor beperkte tijd geldig zou zijn en voor het beheer waarvan iedere lidstaat zelf verantwoordelijk zou zijn.

In het kader van de toekomstige wetgeving dient evenwel ook te worden nagegaan of de mogelijkheid moet worden geboden om van plaats of bedrijfssector te veranderen, en dient een maximaal toegelaten periode van werkloosheid van de arbeidsmigrant te worden vastgesteld, die overeenkomt met de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de werkzoekende; bij overschrijding van deze periode dient de betrokkene naar zijn land van herkomst terug te keren. Een dermate stringente voorwaarde kan er evenwel toe leiden dat veel immigranten een beroep blijven doen op mensensmokkelaars. Er moet dus een zekere flexibiliteit mogelijk zijn, zodat migranten enerzijds kunnen blijven hopen en hun toevlucht niet meer tot maffiabendes hoeven te nemen, en lidstaten anderzijds over de nodige speelruimte beschikken om onderdanen van derde landen op basis van voorspelbare arbeidsbehoeften toe te laten. In het kader van toekomstige wetgeving, waarbij een maximaal toegelaten periode van werkloosheid van de arbeidsmigrant zou worden vastgesteld en de betrokkene bij overschrijding van deze periode naar zijn land van herkomst zou dienen terug te keren, moet o.m. ook worden gekeken naar de mate van integratie van de betrokkene, bv. de aanwezigheid van familieleden, het naar school gaan van de kinderen, de duur van het verblijf en het aantal jaren arbeid vóór de werkloosheid.

1.11

Flexibelere toegangssystemen dan „individuele beoordeling”, bv. de „groene kaart”, om variabele en langdurige behoeften aan arbeidskrachten te kunnen opvangen, kunnen alleen door middel van communautaire wetgeving worden geregeld als er eerst een informatiesysteem komt voor het raadplegen en publiceren van het Europese arbeidsaanbod, en nadat minimale selectienormen op communautair niveau zijn vastgesteld voor de toelating van arbeidsmigranten.

1.12

De vraag of werk- en verblijfsvergunning aan elkaar moeten worden gekoppeld, moet niet op Europees niveau worden geregeld maar moet, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, een zaak van de afzonderlijke lidstaten blijven.

Rechten, begeleidende maatregelen en samenwerking met derde landen

1.13

Aan arbeidsmigranten die onderdanen van derde landen zijn, moeten via passende wetgeving burgerlijke en sociale grondrechten op communautair niveau worden gegarandeerd.

1.14

Zoals het Comité reeds eerder heeft beklemtoond, moet hersenvlucht uit derde landen worden tegengegaan en moeten derde landen worden bijgestaan om de migratie te beperken tot een niveau dat voor zowel het land van ontvangst als dat van oorsprong draaglijk en nuttig is (CdR 223/2003). Strategieën om in de landen van herkomst van de immigranten armoede tegen te gaan, leef- en werkomstandigheden te verbeteren, werkgelegenheid te creëren en de opleiding te ontwikkelen, dragen op lange termijn bij tot de normalisatie van de migratiestromen.

1.15

In het kader van samenwerkingsinitiatieven moeten maatregelen ter bevordering van onderwijs, beroepsopleiding en werving in de landen van oorsprong worden ondersteund. Er kan terecht worden gedacht aan bijzondere bilaterale of multilaterale overeenkomsten om voor buur- of nabijgelegen landen of voor landen die met grote migratiestromen worden geconfronteerd, toegangspreferenties vast te stellen.

Prioritaire rol van lokale en regionale overheden

1.16

Economische migratie heeft een duidelijke regionale en lokale dimensie, daar zij van invloed is op de plaatselijke arbeidsmarkt en de voorzieningen waarvoor de lokale en regionale overheid bevoegd is (sociale dienstverlening, onderwijs, huisvesting, enz.). Bij de toewijzing van communautaire middelen om de integratie van migranten in goede banen te leiden, moeten de lokale en regionale overheden dan zeker ook niet worden vergeten.

1.17

Lokale overheden spelen een essentiële rol in het verzekeren van veiligheid en sociale samenhang, die basisaspecten van een arbeidsmigratiebeleid zijn.

1.18

Voor de vaststelling van categorieën en aantallen arbeidsmigranten moeten procedures worden ingevoerd waarbij niet alleen met nationale behoeftes maar ook met de voorstellen van de lokale en regionale overheden rekening wordt gehouden.

1.19

Lokale en regionale overheden kunnen een cruciale rol spelen bij de sociale integratie, de culturele vorming en talenopleiding, de verwerving en certifiëring van beroepskwalificaties van arbeidsmigranten, alsmede in de deelname aan samenwerkingsinitiatieven met derde landen die op de opleiding van potentieële arbeidsmigranten zijn gericht.

2.   Aanbevelingen van het Comité van de Regio's

2.1

Gelet op de bepalingen van het nog te ratificeren Grondwettelijk Verdrag, onderstreept het Comité dat er een nauw verband bestaat tussen het migratie- en het werkgelegenheidsbeleid (art. 137, sub g, titel VIII van het EG-Verdrag) en is het dan ook van mening dat het verplicht zou moeten worden geraadpleegd over de wetgeving waartoe het Groenboek zal leiden.

2.2

Het dringt er bij alle EU-lidstaten op aan de VN-Conventie inzake de bescherming van de rechten van migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren.

2.3

Problemen die verband houden met immigratie en de arbeidsmarkt kunnen het best op Europees niveau worden aangepakt, maar er moet niettemin bijzondere aandacht worden geschonken aan de vaststelling van toegangs- en verblijfsvoorwaarden opdat deze enerzijds geen afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om zelf het toe te laten aantal migranten te bepalen en anderzijds geen negatieve gevolgen hebben voor dit recht in de andere lidstaten. Al te restrictieve voorwaarden zouden de lidstaten kunnen verhinderen het door hen gewenste aantal migranten tot hun grondgebied toe te laten, hetgeen ernstige gevolgen voor het concurrentievermogen van het betrokken land of de betrokken regio zou kunnen hebben. Wanneer er wetgeving betreffende toegangsvoorwaarden wordt opgesteld, moet nauwkeurig worden nagegaan of deze wel met de uiteenlopende situatie op nationaal, regionaal en lokaal niveau verenigbaar is.

2.4

Overwegende dat communautaire voorschriften voor een meerwaarde kunnen zorgen, en gelet op de grensoverschrijdende aspecten en de gevolgen van het beleid van de ene lidstaat voor de andere, zou het Comité graag zien dat deze meerwaarde wordt aangetoond vooraleer Europese wetgeving wordt goedgekeurd, en dat wordt aangegeven welke aspecten geen grensoverschrijdende gevolgen hebben en dus doeltreffender op nationaal niveau kunnen worden geregeld.

2.5

Daar in het Groenboek (prelegislatieve raadpleging) niet wordt vermeld welk wetgevingsinstrument zou moeten worden gekozen, stelt het Comité een richtlijn voor, omdat een richtlijn richtsnoeren voor het nationale beleid biedt en de autonomie van elk land respecteert om specifieke aspecten van de kwestie te regelen en met de eigen regionale en lokale situatie rekening te houden. Bovendien biedt een richtlijn richtsnoeren voor de voorwaarden die aan toegang en verblijf worden gesteld, zodat wordt voorkomen dat het beleid van de ene lidstaat negatief uitwerkt op het beleid van een andere lidstaat. Een instrument als een richtlijn kan de lidstaten dus voldoende flexibiliteit garanderen, ook om met de specifieke situatie op regionaal en lokaal niveau rekening te kunnen houden.

2.6

Voor de vaststelling van de sociale en burgerlijke rechten kan aan een verordening worden gedacht.

2.7

Het aan de wetgeving voorafgaande overleg moet breed zijn opgezet; regionale en lokale overheden moeten erbij worden betrokken, daar zij ook door de Commissie als belangrijke actoren van het immigratiebeleid worden beschouwd.

2.8

Aangezien de Commissie slechts in vage bewoordingen verwijst naar de noodzaak om ook met regionale en lokale aspecten rekening te houden (zie het Groenboek), zou het Comité graag zien dat de Commissie, mede met het oog op de toekomstige wetgeving, de rol van de regionale en lokale overheden duidelijker erkent bij de vaststelling van de arbeidsmarktsectoren die aan arbeidsmigranten behoefte hebben.

Het wijst andermaal op de noodzaak van een programma om goede praktijken betreffende de toepassing van het migratiebeleid uit te wisselen, en stelt voor om, met steun van de EU, regionale contactpunten op te zetten voor bedrijven die belangstelling hebben voor arbeidsimmigranten, teneinde aan het tekort aan arbeidskrachten het hoofd te bieden en de economische groei te bevorderen.

Het kan van nut zijn een specifieke evaluatie te maken van de regionale en lokale dimensie van het beleid inzake economische migratie, van de economische en sociale gevolgen van de acties die op lokale en regionale schaal worden voorgesteld en van de noodzakelijke financiële steun op dit vlak.

Het Comité zou zelf instrumenten voor een impactanalyse moeten ontwikkelen (studies, onderzoeken, hoorzittingen, conferenties, vragenlijsten). Op die manier kan de regelgeving en de coördinatie van het immigratie- en inburgeringsbeleid worden verbeterd.

2.9

Daar de Commissie ervoor pleit de door de toekomstige maatregelen veroorzaakte administratieve lasten voor de lidstaten en derde landen zo veel mogelijk te beperken, maar niet meteen aan het probleem van de kosten refereert — hoewel duidelijk is dat veel acties met kosten gepaard gaan — moet een evaluatie worden gemaakt van de administratieve en financiële obstakels die de toe te passen maatregelen voor de regionale en lokale overheden kunnen opwerpen. Aangezien dergelijke programma's veel kosten met zich meebrengen, moet de impact ervan worden geëvalueerd. Zij moeten zowel door de betrokken lidstaat als door de EU worden gefinancierd, maar het moet aan de lokale overheden worden overgelaten om de inhoud ervan te bepalen en ze ten uitvoer te leggen.

Brussel, 7 juli 2005

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 73 van 26 maart 2003, blz. 16.

(2)  PB C 278 van 14 november 2002, blz. 44.

(3)  PB C 19 van 22 januari 2002, blz. 20.

(4)  PB C 107 van 3 mei 2002, blz. 85.

(5)  PB C 19 van 22 januari 2002, blz. 18.

(6)  PB C 244 van 10 oktober 2003, blz. 5.

(7)  PB C 287 van 22 november 2002, blz. 1.

(8)  PB C 125 van 27 mei 2002, blz. 112.

(9)  PB C 109 van 30 april 2004, blz. 46.

(10)  COM (2001) 386 def.