|
15.3.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 63/26 |
GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 13/2005
vastgesteld door de Raad op 9 december 2004
met het oog op de aanneming van Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft
(2005/C 63 E/03)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Met het milieubeleid van de Gemeenschap, zoals het in de actieprogramma's voor het milieu en met name in het bij Besluit 1600/2002/EG (4) aangenomen zesde Europese milieuactieprogramma is geformuleerd op basis van artikel 174 van het Verdrag, wordt gestreefd naar een luchtkwaliteitsniveau waarbij er geen sprake is van onaanvaardbare effecten op en risico's voor de gezondheid van de mens en het milieu. |
|
(2) |
In Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (5) wordt het maximaal toegestane zwavelgehalte van in de Gemeenschap gebruikte zware stookolie, gasolie en gasolie voor de zeescheepvaart vastgesteld. |
|
(3) |
Krachtens Richtlijn 1999/32/EG dient de Commissie na te gaan welke maatregelen genomen kunnen worden voor het verminderen van de bijdrage van de verbranding van andere scheepsbrandstoffen dan gasolie voor de zeescheepvaart tot de verzuring en zo nodig een voorstel in te dienen. |
|
(4) |
De emissie door de scheepvaart ten gevolge van de verbranding van scheepsbrandstoffen met een hoog zwavelgehalte draagt bij tot de luchtverontreiniging in de vorm van zwaveldioxide en zwevende deeltjes. Dat brengt schade toe aan het milieu door verzuring, alsmede aan de gezondheid van de mens, onroerende goederen en cultureel erfgoed, in het bijzonder in kust- en havengebieden. |
|
(5) |
De maatregelen in deze richtlijn voor het terugdringen van emissies van de scheepvaart in internationale wateren vormen een aanvulling op de nationale maatregelen waarmee de lidstaten aan de in Richtlijn 2001/81/EG (6) bepaalde drempelwaarden voor de emissie van vervuilende stoffen in de atmosfeer trachten te voldoen. |
|
(6) |
Verlaging van het zwavelgehalte van brandstoffen heeft bepaalde voordelen voor schepen vanwege de exploitatievoordelen en lagere onderhoudskosten en is gunstig voor een doelmatig gebruik van bepaalde emissiereductietechnologieën zoals selectieve katalytische reductie. |
|
(7) |
Krachtens het Verdrag moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's van de Gemeenschap, te weten de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. |
|
(8) |
In 1997 is tijdens een diplomatieke conferentie een protocol aangenomen tot wijziging van het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van de verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd bij het protocol van 1978 (hierna „het Marpol” te noemen). Door dat protocol wordt aan het Marpol een bijlage VI toegevoegd met voorschriften inzake de preventie van luchtverontreiniging door schepen. Het protocol van 1997 en dus ook bijlage VI bij het Marpol treden op 19 mei 2005 in werking. |
|
(9) |
Bijlage VI bij het Marpol regelt de aanwijzing van bepaalde gebieden als gebieden waar de emissie van zwaveloxiden wordt beheerst (hierna „gebieden met SOx-emissiebeheersing” te noemen). De Oostzee is reeds aangewezen als een dergelijk gebied. Besprekingen binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) hebben geleid tot een beginselakkoord omtrent het aanwijzen van de Noordzee, inclusief het Kanaal, als gebied met SOx-emissiebeheersing na de inwerkingtreding van bijlage VI. |
|
(10) |
Om de doelstellingen van deze richtlijn te bereiken, moet worden toegezien op de naleving van de verplichtingen inzake het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen. Effectieve bemonstering en afschrikkende sancties in de hele Gemeenschap zijn nodig om een geloofwaardige uitvoering van deze richtlijn te verzekeren. De lidstaten moeten handhavend optreden ten aanzien van schepen die onder hun vlag varen, en schepen zolang deze zich in hun havens bevinden. Ook dienen de lidstaten nauw samen te werken om overeenkomstig het internationale zeerecht handhavend op te treden ten aanzien van andere schepen. |
|
(11) |
Teneinde de scheepvaartsector genoeg tijd te geven voor de technische aanpassing met het oog op de maximale waarde van 0,1 gewichtsprocent voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die worden gebruikt door binnenschepen en schepen die in communautaire havens liggen, moet de datum van toepassing voor deze eis 1 januari 2010 zijn. Aangezien die datum technische problemen kan opleveren voor Griekenland is voor een aantal specifieke schepen die binnen Grieks grondgebied varen, een tijdelijke ontheffing op zijn plaats. |
|
(12) |
Het is van essentieel belang dat de standpunten van de lidstaten in de IMO-besprekingen meer gewicht krijgen, met name om bij de herziening van bijlage VI van het Marpol te pleiten voor ambitieuzere maatregelen in verband met lagere drempelwaarden inzake het zwavelgehalte van door schepen gebruikte zware stookolie en voor het gebruik van gelijkwaardige maatregelen voor het terugdringen van de uitstoot. |
|
(13) |
De algemene vergadering van de IMO heeft in resolutie A.926(22) de regeringen, met name de regeringen in regio's waar gebieden met SOx-emissiebeheersing zijn aangewezen, opgeroepen ervoor te zorgen dat er laagzwavelige zware stookolie verkrijgbaar is in de gebieden die onder hun rechtsmacht vallen. |
|
(14) |
De IMO heeft richtsnoeren vastgesteld voor de bemonstering van stookolie aan de hand waarvan zal worden bepaald of deze in overeenstemming zijn met bijlage VI van het Marpol, en zal binnenkort richtsnoeren ontwikkelen voor systemen voor de reiniging van uitlaatgassen en andere technologische methoden om de SOx-emissie in gebieden met SOx-emissiebeheersing te beperken. |
|
(15) |
Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (7) omvat een nieuwe formulering van Richtlijn 88/609/EEG. Richtlijn 1999/32/EG dient dienovereenkomstig te worden herzien, zoals bepaald in artikel 3, lid 4, ervan. |
|
(16) |
Het bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 (8) ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen moet de Commissie in verband met de goedkeuring van emissiereductietechnologieën bijstaan. |
|
(17) |
Emissiereductietechnologieën die geen nadelige effecten hebben voor ecosystemen en met gebruikmaking van adequate goedkeurings- en controlemechanismen zijn ontwikkeld, kunnen een even grote of zelfs een grotere emissiereductie opleveren dan het gebruik van brandstof met een laag zwavelgehalte. Het is van essentieel belang dat er gunstige omstandigheden zijn om nieuwe emissiereductietechnologieën te promoten. |
|
(18) |
Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid zal de Commissie en de lidstaten, zo nodig, bijstaan bij de bewaking van de toepassing van deze richtlijn. |
|
(19) |
De voor de uitvoering van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen moeten worden aangenomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9). |
|
(20) |
Richtlijn 1999/32/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN AANGENOMEN:
Artikel 1
Richtlijn 1999/32/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 1 wordt lid 2 vervangen door: „2. De emissies van zwaveldioxide bij de verbranding van bepaalde uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen worden verminderd door grenswaarden vast te stellen voor het zwavelgehalte van die brandstoffen als voorwaarde voor het gebruik ervan op het grondgebied, de territoriale zeewateren, de exclusieve economische zones en de zones met verontreinigingsbeheersing van de lidstaten. De bij deze richtlijn vastgestelde beperking van het zwavelgehalte van bepaalde uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen is evenwel niet van toepassing op:
|
|
2) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Artikel 3 wordt vervangen door: „Artikel 3 Maximumzwavelgehalte van zware stookolie 1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat met ingang van 1 januari 2003 op hun grondgebied geen zware stookolie wordt gebruikt met een zwavelgehalte van meer dan 1 massaprocent.
3. De bepalingen van lid 2 worden bezien en, zo nodig, herzien in het kader van toekomstige herzieningen van Richtlijn 2001/80/EG. |
|
4) |
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Na artikel 4 worden de volgende artikelen ingevoegd: „Artikel 4 bis Maximumzwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die in beheersgebieden voor SOx-emissie en door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de Gemeenschap worden gebruikt 1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat scheepsbrandstoffen niet worden gebruikt in hun territoriale zeewateren, exclusieve economische zones en zones met verontreinigingsbeheersing die binnen beheersgebieden voor SOx-emissie vallen, indien het zwavelgehalte van die brandstoffen meer is dan 1,5 massaprocent. Dit geldt voor alle schepen van alle vlaggen, met inbegrip van schepen die hun reis buiten de Gemeenschap zijn begonnen, 2. De toepassingsdata voor lid 1 zijn:
3. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van lid 1, ten minste ten aanzien van:
De lidstaten kunnen ook aanvullende handhavingsmaatregelen nemen ten aanzien van andere schepen overeenkomstig het internationale zeerecht. 4. Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat scheepsbrandstoffen in hun territoriale zeewateren, exclusieve economische zones en zones met verontreinigingsbeheersing niet worden gebruikt door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de Gemeenschap indien het zwavelgehalte van deze brandstoffen meer is dan 1,5 massaprocent. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van dit voorschrift, ten minste ten aanzien van schepen die onder hun vlag varen, en schepen van alle vlaggen zolang deze zich in hun havens bevinden. 5. Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum, stellen de lidstaten als voorwaarde voor schepen om een haven in de Gemeenschap binnen te lopen, dat het scheepslogboek correct is bijgehouden en dat ook de overschakelingen op andere brandstof daarin worden vermeld. 6. Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum, zorgen lidstaten ervoor dat van elke scheepsbrandstof die op hun grondgebied wordt verkocht, de leverancier op de brandstofleveringsnota het zwavelgehalte vermeldt en een verzegeld monster bijlevert. 7. Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum, zorgen de lidstaten ervoor dat op hun grondgebied geen dieselolie voor de scheepvaart in de handel wordt gebracht met een zwavelgehalte van meer dan 1,5 massaprocent. 8. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de toepassingsdata vermeld in lid 2, onder b), en maakt die data bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Artikel 4 ter Maximumzwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die door binnenschepen en schepen op hun ligplaats in havens van de Gemeenschap worden gebruikt 1. Met ingang van 1 januari 2010 nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende schepen geen scheepsbrandstoffen gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 0,1 massaprocent:
De lidstaten eisen dat alle tijdstippen waarop op een andere brandstof wordt omgeschakeld, in het scheepslogboek genoteerd worden. 2. Lid 1 is niet van toepassing:
3. Met ingang van 1 januari 2010 zorgen de lidstaten ervoor dat op hun grondgebied geen gasolie voor de zeescheepvaart in de handel wordt gebracht waarvan het zwavelgehalte meer is dan 0,1 massaprocent. Artikel 4 quater Proefnemingen met en gebruik van nieuwe emissiereductietechnologieën 1. De lidstaten kunnen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten, hun goedkeuring hechten aan proefnemingen met scheepsemissiereductietechnologieën op schepen die onder hun vlag varen, of in zeegebieden die onder hun jurisdictie vallen. Tijdens deze proefnemingen is het gebruik van scheepsbrandstoffen die voldoen aan de eisen van de artikelen 4 bis en 4 ter, niet verplicht, op voorwaarde dat:
2. Emissiereductietechnologieën voor schepen die onder de vlag van een lidstaat varen, worden goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) (15), met inachtneming van
3. Overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 2, worden er criteria opgesteld voor het gebruik van emissiereductietechnologieën door schepen van alle vlaggen in omsloten havens, havenbekkens en riviermondingen in de Gemeenschap. De Commissie deelt deze criteria mee aan de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). 4. Bij wijze van alternatief voor het gebruik van laagzwavelige scheepsbrandstoffen die voldoen aan de eisen van de artikelen 4 bis en 4 ter, mogen de lidstaten schepen toestaan een goedgekeurde emissiereductietechnologie te gebruiken, op voorwaarde dat deze schepen
|
|
6) |
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
7) |
Artikel 7 wordt vervangen door: „Artikel 7 Rapportage en herziening 1. Op basis van de resultaten van de overeenkomstig artikel 6 verrichte monsterneming, analyse en inspectie dienen de lidstaten uiterlijk op 30 juni van elk jaar bij de Commissie een kort verslag in over het zwavelgehalte van de binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende vloeibare brandstoffen die gedurende het voorgaande kalenderjaar op hun grondgebied zijn gebruikt. Dit verslag vermeldt het totale aantal geteste monsters naar brandstoftype, alsmede de gebruikte hoeveelheden van de desbetreffende brandstoffen en het berekende gemiddelde zwavelgehalte. De lidstaten brengen ook verslag uit over het aantal uitgevoerde inspecties aan boord van schepen,en registreren het gemiddelde zwavelgehalte van de op hun grondgebied gebruikte scheepsbrandstoffen die op … (16) niet onder deze richtlijn vallen. 2. Op basis van onder meer
dient de Commissie uiterlijk in 2008 een rapport in bij het Europees Parlement en de Raad. De Commissie kan dat rapport aanvullen met voorstellen tot wijziging van deze richtlijn, met name wat betreft een voor elke brandstofcategorie vastgestelde tweede fase van zwavelgrenswaarden en, rekening houdend met de werkzaamheden in het kader van de IMO, de zeegebieden waar laagzwavelige scheepsbrandstoffen dienen te worden gebruikt. 3. Vóór 31 december 2005 brengt de Commissie verslag uit over het mogelijke gebruik van economische instrumenten, met inbegrip van mechanismen zoals gedifferentieerde bijdragen en kilometerheffingen, verhandelbare emissierechten en compensaties. 4. Wijzigingen die nodig zijn om in artikel 2, punten 1, 2, 3, 3a, 3b en 4, of in artikel 6, lid 2, technische aanpassingen aan te brengen in het licht van de vooruitgang van wetenschap en techniek, worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde procedure. Deze aanpassingen mogen niet leiden tot directe wijzigingen van de werkingssfeer van deze richtlijn of de grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen van deze richtlijn.”. |
|
8) |
Artikel 9 wordt vervangen door: „Artikel 9 Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (17) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden. 3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast. |
|
9) |
De tekst in de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd. |
Artikel 2
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór … (18) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te …
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
Voor de Raad
De voorzitter
(1) PB C 45 E van 25.2.2003, blz. 277.
(2) PB C 208 van 3.9.2003, blz. 27
(3) Advies van het Europees Parlement van 4 juni 2003 (PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 311), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 9 december 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ….
(4) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(5) PB L 121 van 11.5.1999, blz. 13. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(6) PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.
(7) PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.
(8) PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 415/2004 van de Commissie (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 10).
(9) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(10) PB L 301 van 28.10.1982, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.”.
(11) PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.”.
(12) Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
(13) 19 mei 2006 of, indien later, twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(14) Twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
(15) PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 415/2004 van de Commissie (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 10).”.
(16) Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
(17) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.
(18) Twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
BIJLAGE
„BIJLAGE
GRIEKSE SCHEPEN
|
Naam van het schip |
Jaar van oplevering |
IMO-nummer |
|
Ariadne Palace |
2002 |
9221310 |
|
Ikarus Palace |
1997 |
9144811 |
|
Knossos Palace |
2001 |
9204063 |
|
Olympia Palace |
2001 |
9220330 |
|
Pasiphae Palace |
1997 |
9161948 |
|
Festos Palace |
2001 |
9204568 |
|
Europa Palace |
2002 |
9220342 |
|
Blue Star I |
2000 |
9197105 |
|
Blue Star II |
2000 |
9207584 |
|
Blue Star Ithaki |
1999 |
9203916 |
|
Blue Star Naxos |
2002 |
9241786 |
|
Blue Star Paros |
2002 |
9241774 |
|
Hellenic Spirit |
2001 |
9216030 |
|
Olympic Champion |
2000 |
9216028 |
|
Lefka Ori |
1991 |
9035876 |
|
Sophoklis Venizelos |
1990 |
8916607” |
MOTIVERING VAN DE RAAD
I. INLEIDING
|
1. |
De Commissie heeft op 28 november 2002 bij de Raad een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft. |
|
2. |
Het Europees Parlement heeft in eerste lezing advies uitgebracht tijdens zijn vergaderperiode van 2 tot en met 5 juni 2003. |
|
3. |
Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 mei 2003 advies uitgebracht. |
|
4. |
Het Comité van de Regio's heeft op 20 januari 2003 meegedeeld geen advies te zullen uitbrengen. |
|
5. |
De Commissie heeft op 1 augustus 2003 een gewijzigd voorstel aangenomen. |
|
6. |
De Raad heeft op 9 december 2004 zijn gemeenschappelijk standpunt aangenomen overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het Verdrag. |
II. DOEL
Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd de werkingssfeer van Richtlijn 1999/32/EG uit te breiden tot alle soorten uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen die aan boord van schepen worden gebruikt, en het zwavelgehalte van deze scheepsbrandstoffen voor gebruik door schepen in bepaalde delen van de Europese Unie te beperken.
Het doel is de emissie van zwaveldioxide en zwevende deeltjes door schepen te beperken, overeenkomstig de parallelle strategie van de Europese Unie ter beperking van atmosferische emissies door zeeschepen. Met het voorstel wordt beoogd de beheersgebieden voor zwaveldioxide-emissie in te voeren die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) reeds in haar Verdrag betreffende luchtverontreiniging, bijlage VI van het Marpol, heeft aangewezen. Bij dit voorstel worden de bepalingen van Richtlijn 1999/32/EG met betrekking tot het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen gewijzigd als volgt:
|
— |
invoering van een grenswaarde van 1,5 % voor het zwavelgehalte van de scheepsbrandstoffen die door alle zeeschepen op de Oostzee, de Noordzee en het Kanaal worden gebruikt; deze waarde is in overeenstemming met bijlageVI van het Marpol, en dient om het effect van de emissie door schepen op de verzuring in Noord-Europa te beperken; |
|
— |
invoering van een grenswaarde van 1,5 % voor het zwavelgehalte van de scheepsbrandstoffen die door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de Gemeenschap worden gebruikt, teneinde de luchtkwaliteit, met name in de omgeving van havens en kusten, te verbeteren en voldoende vraag te creëren om de beschikbaarheid van brandstof met een zwavelgehalte van niet meer dan 1,5 % in de hele Europese Unie te waarborgen; |
|
— |
wijziging van de bestaande bepalingen inzake gasolie voor de zeescheepvaart door te eisen dat schepen op hun ligplaats en binnenschepen brandstof gebruiken met een zwavelgehalte van 0,1 % of minder vanaf 1 januari 2010, teneinde de lokale emissie van SO2 en zwevende deeltjes te verminderen en de lokale luchtkwaliteit te verbeteren. Voor 16 specifieke schepen in Griekenland geldt tot 1 januari 2012 een afwijking; |
|
— |
om te waarborgen dat brandstoffen verkrijgbaar zijn die aan de eisen voldoen, een verbod op de verkoop van gasolie voor de zeescheepvaart (klassen DMA en DMX) met een zwavelgehalte van meer dan 0,1 % voor 2010 om de huidige grenswaarde van 0,2 % voor dieselolie voor de zeescheepvaart van de klassen DMB en DMC op te heffen, gevolgd door een verbod op de verkoop van dergelijke brandstoffen met een zwavelgehalte van meer dan 1,5 %. |
III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT
1. Algemeen
Het Europees Parlement heeft 36 amendementen op het Commissievoorstel aangenomen.
Volgens de Raad vormt het gemeenschappelijk standpunt een evenwichtig compromis, omdat:
|
— |
de reeks datums van inwerkingtreding van de bepalingen van de richtlijn coherent is, rekening houdend met de nu zeer nabije inwerkingtreding van bijlage VI van het Marpol (in mei 2005); |
|
— |
er niet is voorzien in afwijkingen die tegen de inwerkingtreding van bijlage VI van het Marpol en de vaststelling van beheersgebieden voor zwaveldioxide-emissie indruisen; |
|
— |
op een redelijke manier rekening wordt gehouden met de technische en praktische problemen welke gepaard gaan met de nieuwe eisen voor schepen op hun ligplaats, met inbegrip van de specifieke tijdelijke afwijking waarom Griekenland voor bepaalde ro-ro-veerboten heeft verzocht. |
Bijlage VI van het Marpol treedt één jaar nadat zij is bekrachtigd door ten minste 15 vlaggenstaten die ten minste 50 % van de brutotonnage van de mondiale koopvaardijvloot vertegenwoordigen, internationaal in werking. Op 15 oktober 2004 was de bijlage bekrachtigd door 17 landen - Zweden, Noorwegen, Singapore, de Bahama's, de Marshalleilanden, Liberia, Denemarken, Duitsland, Vanuatu, Panama, Griekenland, Bangladesh, Spanje, Barbados, Samoa, Azerbeidzjan en het Verenigd Koninkrijk - die meer dan 50 % van de mondiale tonnage vertegenwoordigen. Samoa, de vijftiende staat, heeft bijlage VI van het Marpol bekrachtigd op 19 mei 2004, waardoor de weg is geëffend voor de inwerkingtreding van bijlage VI op 19 mei 2005 en van voorschrift 14 (beheersgebieden voor zwavedioxide-emissie in de Oostzee) op 19 mei 2006. Zes lidstaten van de Europese Unie (Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) hebben het Marpol reeds bekrachtigd en vier lidstaten (Nederland, Finland, Cyprus en Polen) bevinden zich in het laatste stadium van de bekrachtiging, die nog dit jaar wordt verwacht.
Het gemeenschappelijk standpunt is in overeenstemming met de standpunten die de Commissie en het Europees Parlement hebben ingenomen met betrekking tot de doelstelling om de werkingssfeer van Richtlijn 1999/32/EG uit te breiden tot alle uit aardolie verkregen brandstoffen aan boord van schepen die in de wateren van de lidstaten opereren.
De Raad:
|
a) |
heeft in het gemeenschappelijk standpunt 21 amendementen in hun geheel, gedeeltelijk of in beginsel opgenomen als volgt:
|
|
b) |
heeft 15 amendementen (2, 4, 13, 14, 15, 16, 17, 21, 22, 28, 41, 42, 24, 25, 26 en 37) niet overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt:
|
|
c) |
De Raad voegde artikel 4 bis, leden 3 en 4, toe om punten met betrekking tot de handhaving van de verschillende bepalingen van de richtlijn te verduidelijken. |
IV. CONCLUSIE
Hoewel de Raad niet alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen kan aanvaarden, is hij van oordeel dat het gemeenschappelijk standpunt in ruime mate tegemoet komt aan de wensen van het Parlement en dat het overeenstemt met het gewijzigde Commissievoorstel, aangezien het de emissie van zwaveldioxide in de Europese Unie aanzienlijk beperkt, waarbij de beperkingen zoveel mogelijk voordeel moeten opleveren in en rond dichtbevolkte havens en kustgebieden en in zuurgevoelige ecosystemen.
Aldus worden de lidstaten van de Europese Unie gestimuleerd om zich op internationaal vlak meer in te zetten voor de verbetering van de milieunormen voor schepen, met name door de bekrachtiging en versterking van bijlage VI van het Marpol.