15.3.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 63/26


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 13/2005

vastgesteld door de Raad op 9 december 2004

met het oog op de aanneming van Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft

(2005/C 63 E/03)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het milieubeleid van de Gemeenschap, zoals het in de actieprogramma's voor het milieu en met name in het bij Besluit 1600/2002/EG (4) aangenomen zesde Europese milieuactieprogramma is geformuleerd op basis van artikel 174 van het Verdrag, wordt gestreefd naar een luchtkwaliteitsniveau waarbij er geen sprake is van onaanvaardbare effecten op en risico's voor de gezondheid van de mens en het milieu.

(2)

In Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (5) wordt het maximaal toegestane zwavelgehalte van in de Gemeenschap gebruikte zware stookolie, gasolie en gasolie voor de zeescheepvaart vastgesteld.

(3)

Krachtens Richtlijn 1999/32/EG dient de Commissie na te gaan welke maatregelen genomen kunnen worden voor het verminderen van de bijdrage van de verbranding van andere scheepsbrandstoffen dan gasolie voor de zeescheepvaart tot de verzuring en zo nodig een voorstel in te dienen.

(4)

De emissie door de scheepvaart ten gevolge van de verbranding van scheepsbrandstoffen met een hoog zwavelgehalte draagt bij tot de luchtverontreiniging in de vorm van zwaveldioxide en zwevende deeltjes. Dat brengt schade toe aan het milieu door verzuring, alsmede aan de gezondheid van de mens, onroerende goederen en cultureel erfgoed, in het bijzonder in kust- en havengebieden.

(5)

De maatregelen in deze richtlijn voor het terugdringen van emissies van de scheepvaart in internationale wateren vormen een aanvulling op de nationale maatregelen waarmee de lidstaten aan de in Richtlijn 2001/81/EG (6) bepaalde drempelwaarden voor de emissie van vervuilende stoffen in de atmosfeer trachten te voldoen.

(6)

Verlaging van het zwavelgehalte van brandstoffen heeft bepaalde voordelen voor schepen vanwege de exploitatievoordelen en lagere onderhoudskosten en is gunstig voor een doelmatig gebruik van bepaalde emissiereductietechnologieën zoals selectieve katalytische reductie.

(7)

Krachtens het Verdrag moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's van de Gemeenschap, te weten de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

(8)

In 1997 is tijdens een diplomatieke conferentie een protocol aangenomen tot wijziging van het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van de verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd bij het protocol van 1978 (hierna „het Marpol” te noemen). Door dat protocol wordt aan het Marpol een bijlage VI toegevoegd met voorschriften inzake de preventie van luchtverontreiniging door schepen. Het protocol van 1997 en dus ook bijlage VI bij het Marpol treden op 19 mei 2005 in werking.

(9)

Bijlage VI bij het Marpol regelt de aanwijzing van bepaalde gebieden als gebieden waar de emissie van zwaveloxiden wordt beheerst (hierna „gebieden met SOx-emissiebeheersing” te noemen). De Oostzee is reeds aangewezen als een dergelijk gebied. Besprekingen binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) hebben geleid tot een beginselakkoord omtrent het aanwijzen van de Noordzee, inclusief het Kanaal, als gebied met SOx-emissiebeheersing na de inwerkingtreding van bijlage VI.

(10)

Om de doelstellingen van deze richtlijn te bereiken, moet worden toegezien op de naleving van de verplichtingen inzake het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen. Effectieve bemonstering en afschrikkende sancties in de hele Gemeenschap zijn nodig om een geloofwaardige uitvoering van deze richtlijn te verzekeren. De lidstaten moeten handhavend optreden ten aanzien van schepen die onder hun vlag varen, en schepen zolang deze zich in hun havens bevinden. Ook dienen de lidstaten nauw samen te werken om overeenkomstig het internationale zeerecht handhavend op te treden ten aanzien van andere schepen.

(11)

Teneinde de scheepvaartsector genoeg tijd te geven voor de technische aanpassing met het oog op de maximale waarde van 0,1 gewichtsprocent voor het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die worden gebruikt door binnenschepen en schepen die in communautaire havens liggen, moet de datum van toepassing voor deze eis 1 januari 2010 zijn. Aangezien die datum technische problemen kan opleveren voor Griekenland is voor een aantal specifieke schepen die binnen Grieks grondgebied varen, een tijdelijke ontheffing op zijn plaats.

(12)

Het is van essentieel belang dat de standpunten van de lidstaten in de IMO-besprekingen meer gewicht krijgen, met name om bij de herziening van bijlage VI van het Marpol te pleiten voor ambitieuzere maatregelen in verband met lagere drempelwaarden inzake het zwavelgehalte van door schepen gebruikte zware stookolie en voor het gebruik van gelijkwaardige maatregelen voor het terugdringen van de uitstoot.

(13)

De algemene vergadering van de IMO heeft in resolutie A.926(22) de regeringen, met name de regeringen in regio's waar gebieden met SOx-emissiebeheersing zijn aangewezen, opgeroepen ervoor te zorgen dat er laagzwavelige zware stookolie verkrijgbaar is in de gebieden die onder hun rechtsmacht vallen.

(14)

De IMO heeft richtsnoeren vastgesteld voor de bemonstering van stookolie aan de hand waarvan zal worden bepaald of deze in overeenstemming zijn met bijlage VI van het Marpol, en zal binnenkort richtsnoeren ontwikkelen voor systemen voor de reiniging van uitlaatgassen en andere technologische methoden om de SOx-emissie in gebieden met SOx-emissiebeheersing te beperken.

(15)

Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (7) omvat een nieuwe formulering van Richtlijn 88/609/EEG. Richtlijn 1999/32/EG dient dienovereenkomstig te worden herzien, zoals bepaald in artikel 3, lid 4, ervan.

(16)

Het bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 (8) ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen moet de Commissie in verband met de goedkeuring van emissiereductietechnologieën bijstaan.

(17)

Emissiereductietechnologieën die geen nadelige effecten hebben voor ecosystemen en met gebruikmaking van adequate goedkeurings- en controlemechanismen zijn ontwikkeld, kunnen een even grote of zelfs een grotere emissiereductie opleveren dan het gebruik van brandstof met een laag zwavelgehalte. Het is van essentieel belang dat er gunstige omstandigheden zijn om nieuwe emissiereductietechnologieën te promoten.

(18)

Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid zal de Commissie en de lidstaten, zo nodig, bijstaan bij de bewaking van de toepassing van deze richtlijn.

(19)

De voor de uitvoering van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen moeten worden aangenomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9).

(20)

Richtlijn 1999/32/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN AANGENOMEN:

Artikel 1

Richtlijn 1999/32/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   De emissies van zwaveldioxide bij de verbranding van bepaalde uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen worden verminderd door grenswaarden vast te stellen voor het zwavelgehalte van die brandstoffen als voorwaarde voor het gebruik ervan op het grondgebied, de territoriale zeewateren, de exclusieve economische zones en de zones met verontreinigingsbeheersing van de lidstaten.

De bij deze richtlijn vastgestelde beperking van het zwavelgehalte van bepaalde uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen is evenwel niet van toepassing op:

a)

brandstoffen die bestemd zijn voor onderzoek en testen;

b)

brandstoffen die vóór hun definitieve verbranding nog een processtap ondergaan;

c)

brandstoffen die in de raffinage-industrie worden verwerkt;

d)

brandstoffen die in de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap gebruikt en in de handel gebracht worden, op voorwaarde dat de betrokken lidstaten kunnen waarborgen dat in die regio's:

aan de luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan;

geen zware stookolie met een zwavelgehalte van meer dan 3 massaprocent wordt gebruikt;

e)

brandstoffen die worden gebruikt door oorlogsschepen en andere vaartuigen die in militair verband worden gebruikt. Iedere lidstaat tracht, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen niet aantasten, evenwel te waarborgen dat dergelijke schepen, voorzover redelijk en uitvoerbaar, handelen in overeenstemming met deze richtlijn;

f)

het gebruik van brandstoffen in een schip specifiek om de veiligheid van een schip zeker te stellen of om mensenlevens op zee te redden;

g)

het gebruik van brandstoffen, dat noodzakelijk is geworden ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits na het ontstaan van de schade alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om te hoge emissies te voorkomen of tot een minimum te beperken en mits er zo spoedig mogelijk maatregelen worden genomen om de schade te herstellen. Dit is niet van toepassing wanneer de eigenaar of kapitein handelde met de bedoeling om schade te veroorzaken, of roekeloos handelde;

h)

brandstoffen die worden gebruikt aan boord van schepen die gebruikmaken van emissiereductietechnologieën overeenkomstig artikel 4 quater.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

In punt 1 wordt het eerste streepje vervangen door:

„—

een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitzondering van scheepsbrandstof, van de GN-codes 2710 19 51 tot en met 2710 19 69, of”.

b)

In punt 2 worden het eerste en het tweede streepje vervangen door:

„gasolie:

een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitsluiting van scheepsbrandstof, van GN-code 2710 19 25, 2710 19 29, 2710 19 45 of 2710 19 49, of

een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitzondering van scheepsbrandstof, waarvan minder dan 65 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 250 °C overdestilleert en waarvan ten minste 85 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 350 °C overdestilleert, gemeten met de ASTM-methode D86;”.

c)

Punt 3 wordt vervangen door:

„3.

scheepsbrandstof: een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die bestemd is voor gebruik, of gebruikt wordt, aan boord van een schip, met inbegrip van de in ISO 8217 gedefinieerde brandstoffen”.

d)

De volgende punten worden ingevoegd:

„3a.

dieselolie voor de scheepvaart: een scheepsbrandstof waarvan de viscositeit of de dichtheid valt binnen de viscositeits- of dichtheidsgrenzen die zijn bepaald voor de klassen DMB en DMC in tabel I van ISO 8217;

3b.

gasolie voor de scheepvaart: een scheepsbrandstof waarvan de viscositeit of de dichtheid valt binnen de viscositeits- of dichtheidsgrenzen die zijn bepaald voor de klassen DMX en DMA in tabel I van ISO 8217;

3c.

Marpol: Internationaal Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging door schepen van 1973, zoals gewijzigd bij het protocol van 1978;

3d.

bijlage VI van het Marpol: de bijlage, getiteld „Voorschriften voor de preventie van luchtverontreiniging door schepen”, die krachtens het protocol van 1997 aan het Marpol is toegevoegd;

3e.

beheersgebieden voor SOx-emissie: zeegebieden die door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) krachtens bijlage VI van het Marpol als zodanig worden omschreven;

3f.

passagiersschip: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert, waarbij een passagier iedere persoon aan boord is met uitzondering van:

i)

de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip, en

ii)

kinderen beneden de leeftijd van één jaar;

3g.

geregelde dienst: een reeks tochten van passagiersschepen ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens die plaatsvinden:

i)

volgens een gepubliceerde dienstregeling, of

ii)

met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare regelmatige reeks vormen;

3h.

oorlogsschip: een schip dat behoort tot de strijdkrachten van een staat, de uiterlijke onderscheidingstekenen draagt van zulke schepen van die nationaliteit, onder het bevel staat van een commandant in staatsdienst wiens naam op de desbetreffende dienstlijst of het equivalent daarvan staat, en waarvan de bemanning aan de regels van de krijgstucht is onderworpen;

3i.

schip op zijn ligplaats: een schip dat veilig afgemeerd of voor anker ligt in een haven in de Gemeenschap, tijdens het laden, lossen of het fungeren als hotel voor de bemanning (hotelling), met inbegrip van de tijd waarin het schip niet is betrokken bij goederenafhandeling;

3j.

binnenschip: een schip dat specifiek bestemd is voor gebruik op de binnenwateren zoals omschreven in Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (10), met inbegrip van alle schepen die voorzien zijn van:

een communautair certificaat voor binnenschepen, zoals omschreven in Richtlijn 82/714/EEG;

een certificaat dat werd afgegeven op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte;

3k.

in de handel brengen: het in een gebied onder de jurisdictie van de lidstaten leveren of ter beschikking stellen aan derden, al dan niet tegen betaling, van scheepsbrandstoffen voor verbranding aan boord. De levering of terbeschikkingstelling van scheepsbrandstoffen voor uitvoer in ladingtanks van schepen valt hier niet onder;

3l.

perifere gebieden: de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, genoemd in artikel 299 van het Verdrag;

3m.

emissiereductietechnologie: een systeem voor de reiniging van uitlaatgassen of iedere andere technologische methode die controleerbaar en handhaafbaar is;

e)

Punt 6 wordt geschrapt.

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Maximumzwavelgehalte van zware stookolie

1.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat met ingang van 1 januari 2003 op hun grondgebied geen zware stookolie wordt gebruikt met een zwavelgehalte van meer dan 1 massaprocent.

2.

i)

Behoudens passende emissiecontroles door de bevoegde instanties is lid 1 niet van toepassing op zware stookolie die wordt gebruikt:

a)

in stookinstallaties die onder Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (11) vallen en overeenkomstig de definitie van artikel 2, punt 9, van die richtlijn als nieuwe installaties worden beschouwd en voldoen aan de grenswaarden voor de zwaveldioxide-emissies door dergelijke installaties, zoals bepaald in bijlage VI van die richtlijn en toegepast overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn;

b)

in stookinstallaties die onder Richtlijn 2001/80/EG vallen en overeenkomstig de definitie van artikel 2, punt 10, van die richtlijn als bestaande installaties worden beschouwd, indien de zwaveldioxide-emissies van deze stookinstallaties ten hoogste 1 700 mg/Nm3 bedragen bij een rookgaszuurstofgehalte van 3 volumeprocent op droge basis, en indien de zwaveldioxide-emissies van deze stookinstallaties, met inachtneming van artikel 4, lid 3, onder a), van Richtlijn 2001/80/EG, met ingang van 1 januari 2008 niet hoger zijn dan de emissies bij inachtneming van de emissiegrenswaarden voor nieuwe installaties in deel A van bijlage IV van die richtlijn en, in voorkomend geval, bij de toepassing van de artikelen 5, 7 en 8 van die richtlijn;

c)

in andere stookinstallaties die niet onder a) of b) vallen, indien de zwaveldioxide-emissies van deze stookinstallaties ten hoogste 1 700 mg/Nm3 bedragen bij een rookgaszuurstofgehalte van 3 volumeprocent op droge basis;

d)

voor verbranding in raffinaderijen, indien het maandgemiddelde van de zwaveldioxide-emissie, van alle installaties in de raffinaderij, ongeacht de gebruikte brandstofsoort of brandstofcombinatie, beneden een door iedere lidstaat vast te stellen grens van ten hoogste 1 700 mg/Nm3 ligt. Dit geldt niet voor stookinstallaties die onder a) vallen en, met ingang van 1 januari 2008, voor stookinstallaties die onder b) vallen.

ii)

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat stookinstallaties die zware stookolie met een hoger dan het in lid 1 genoemde zwavelgehalte gebruiken, niet worden geëxploiteerd zonder een door een bevoegde instantie afgegeven vergunning waarin de emissiegrenswaarden zijn aangegeven.

3.   De bepalingen van lid 2 worden bezien en, zo nodig, herzien in het kader van toekomstige herzieningen van Richtlijn 2001/80/EG.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Met ingang van 1 januari 2010:

i)

worden in lid 1 de woorden „met inbegrip van gasolie voor de zeescheepvaart” geschrapt,

ii)

wordt lid 2 geschrapt.

b)

Met ingang van … (12) worden de leden 3 en 4 geschrapt.

5)

Na artikel 4 worden de volgende artikelen ingevoegd:

„Artikel 4 bis

Maximumzwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die in beheersgebieden voor SOx-emissie en door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de Gemeenschap worden gebruikt

1.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat scheepsbrandstoffen niet worden gebruikt in hun territoriale zeewateren, exclusieve economische zones en zones met verontreinigingsbeheersing die binnen beheersgebieden voor SOx-emissie vallen, indien het zwavelgehalte van die brandstoffen meer is dan 1,5 massaprocent. Dit geldt voor alle schepen van alle vlaggen, met inbegrip van schepen die hun reis buiten de Gemeenschap zijn begonnen,

2.   De toepassingsdata voor lid 1 zijn:

a)

voor het Baltische-Zeegebied bedoeld in voorschrift 14, lid 3, onder a), van bijlage VI van het Marpol, … (13);

b)

voor de Noordzee en elk ander zeegebied, inclusief havens, die door de IMO vervolgens overeenkomstig voorschrift 14, lid 3, onder b), van bijlage VI van het Marpol als beheersgebied voor SOx-emissie worden aangewezen,

twaalf maanden na de inwerkingtreding van die aanwijzing, of

 (14),

naar gelang van welke datum later valt.

3.   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van lid 1, ten minste ten aanzien van:

schepen die onder hun vlag varen en,

in het geval van lidstaten die grenzen aan beheersgebieden voor SOx-emissie, schepen van alle vlaggen zolang deze zich in hun havens bevinden.

De lidstaten kunnen ook aanvullende handhavingsmaatregelen nemen ten aanzien van andere schepen overeenkomstig het internationale zeerecht.

4.   Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat scheepsbrandstoffen in hun territoriale zeewateren, exclusieve economische zones en zones met verontreinigingsbeheersing niet worden gebruikt door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de Gemeenschap indien het zwavelgehalte van deze brandstoffen meer is dan 1,5 massaprocent. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van dit voorschrift, ten minste ten aanzien van schepen die onder hun vlag varen, en schepen van alle vlaggen zolang deze zich in hun havens bevinden.

5.   Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum, stellen de lidstaten als voorwaarde voor schepen om een haven in de Gemeenschap binnen te lopen, dat het scheepslogboek correct is bijgehouden en dat ook de overschakelingen op andere brandstof daarin worden vermeld.

6.   Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum, zorgen lidstaten ervoor dat van elke scheepsbrandstof die op hun grondgebied wordt verkocht, de leverancier op de brandstofleveringsnota het zwavelgehalte vermeldt en een verzegeld monster bijlevert.

7.   Met ingang van de in lid 2, onder a), bedoelde datum, zorgen de lidstaten ervoor dat op hun grondgebied geen dieselolie voor de scheepvaart in de handel wordt gebracht met een zwavelgehalte van meer dan 1,5 massaprocent.

8.   De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de toepassingsdata vermeld in lid 2, onder b), en maakt die data bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4 ter

Maximumzwavelgehalte van scheepsbrandstoffen die door binnenschepen en schepen op hun ligplaats in havens van de Gemeenschap worden gebruikt

1.   Met ingang van 1 januari 2010 nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende schepen geen scheepsbrandstoffen gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 0,1 massaprocent:

a)

binnenschepen en

b)

schepen op hun ligplaats in havens in de Gemeenschap, waarbij de bemanning voldoende tijd wordt gegeven om zo spoedig mogelijk na de aankomst op de ligplaats en zo laat mogelijk vóór het vertrek indien nodig om te schakelen van of op andere brandstoffen.

De lidstaten eisen dat alle tijdstippen waarop op een andere brandstof wordt omgeschakeld, in het scheepslogboek genoteerd worden.

2.   Lid 1 is niet van toepassing:

a)

wanneer schepen volgens gepubliceerde dienstregelingen minder dan twee uur op hun ligplaats zullen liggen;

b)

op binnenschepen met een certificaat waaruit blijkt dat zij voldoen aan de voorschriften van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, sindsdien gewijzigd, wanneer deze schepen op zee zijn;

c)

tot 1 januari 2012 voor in de bijlage opgenomen schepen die uitsluitend op Grieks grondgebied opereren.

3.   Met ingang van 1 januari 2010 zorgen de lidstaten ervoor dat op hun grondgebied geen gasolie voor de zeescheepvaart in de handel wordt gebracht waarvan het zwavelgehalte meer is dan 0,1 massaprocent.

Artikel 4 quater

Proefnemingen met en gebruik van nieuwe emissiereductietechnologieën

1.   De lidstaten kunnen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten, hun goedkeuring hechten aan proefnemingen met scheepsemissiereductietechnologieën op schepen die onder hun vlag varen, of in zeegebieden die onder hun jurisdictie vallen. Tijdens deze proefnemingen is het gebruik van scheepsbrandstoffen die voldoen aan de eisen van de artikelen 4 bis en 4 ter, niet verplicht, op voorwaarde dat:

de Commissie en elke betrokken havenstaat ten minste zes maanden vóór het begin van de proefnemingen hiervan schriftelijk in kennis is gesteld;

de looptijd van de vergunningen voor de proefnemingen niet meer dan 18 maanden bedraagt;

alle betrokken schepen uitgerust zijn met fraudebestendige apparatuur voor de continue bewaking van de schoorsteenpijpemissies en deze gedurende de hele proefperiode gebruiken;

alle betrokken schepen een emissieverlaging realiseren die ten minste gelijkwaardig is met die welke zou zijn bereikt met de in deze richtlijn vermelde grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen;

er adequate afvalbeheersystemen voorhanden zijn voor de afvalstoffen die in de loop van de hele proefperiode door de emissiereductietechnologie worden veroorzaakt;

de effecten op het mariene milieu, en met name de ecosystemen van omsloten havens, havenbekkens en riviermondingen, gedurende de hele proefperiode worden geanalyseerd en

de volledige resultaten aan de Commissie worden overgelegd en binnen zes maanden na het einde van de proefnemingen algemeen bekend worden gemaakt.

2.   Emissiereductietechnologieën voor schepen die onder de vlag van een lidstaat varen, worden goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) (15), met inachtneming van

de richtsnoeren die de IMO zal opstellen;

de resultaten van de in lid 1 bedoelde proefnemingen;

de gevolgen voor het milieu, inclusief realiseerbare emissiebeperkingen, en gevolgen voor het ecosysteem in omsloten havens, havenbekkens en riviermondingen;

de uitvoerbaarheid van de monitoring en de verificatie.

3.   Overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 2, worden er criteria opgesteld voor het gebruik van emissiereductietechnologieën door schepen van alle vlaggen in omsloten havens, havenbekkens en riviermondingen in de Gemeenschap. De Commissie deelt deze criteria mee aan de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).

4.   Bij wijze van alternatief voor het gebruik van laagzwavelige scheepsbrandstoffen die voldoen aan de eisen van de artikelen 4 bis en 4 ter, mogen de lidstaten schepen toestaan een goedgekeurde emissiereductietechnologie te gebruiken, op voorwaarde dat deze schepen

een emissieverlaging realiseren die ten minste gelijkwaardig is met die welke zou zijn bereikt met de in deze richtlijn vermelde grenswaarden voor het zwavelgehalte in brandstoffen, en

op basis van criteria die de autoriteiten van de havenstaten aan de IMO hebben meegedeeld, op overtuigende wijze aantonen dat in omsloten havens, havenbekkens en riviermondingen geloosde afvalstromen geen gevolgen hebben voor ecosystemen.

6)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

Het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te controleren dat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen voldoet aan de toepasselijke bepalingen van de artikelen 4 bis en 4 ter.

Elk van de volgende wijzen van monsterneming, analyse en inspectie wordt gebruikt, naar gelang van de omstandigheden:

monsterneming van scheepsbrandstof voor verbranding aan boord, op het moment van levering aan schepen, volgens de richtsnoeren van de IMO, en analyse van het zwavelgehalte;

monsterneming en analyse van het zwavelgehalte van scheepsbrandstof voor verbranding aan boord in tanks, voorzover uitvoerbaar, en in verzegelde brandstofmonsters aan boord van schepen;

inspectie van het scheepslogboek en de brandstofleveringsnota.

De monsterneming begint op de datum waarop de desbetreffende grenswaarde voor het maximumzwavelgehalte van de brandstof van kracht wordt. Zij wordt met een voldoende hoge frequentie in voldoende hoeveelheden uitgevoerd, en wel zodanig dat de monsters representatief zijn voor de onderzochte brandstof en voor de brandstof die door schepen in de betrokken zeegebieden, havens en binnenwateren wordt gebruikt.

De lidstaten nemen, indien nodig, ook de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om het zwavelgehalte van de scheepsbrandstoffen, andere dan die waarop de artikelen 4 bis en 4 ter van toepassing zijn, te controleren.”.

b)

In lid 2 wordt punt a) vervangen door:

„a)

de methoden ISO 8754(1992) en PrEN ISO 14596 voor zware stookolie en scheepsbrandstoffen;”.

7)

Artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

Rapportage en herziening

1.   Op basis van de resultaten van de overeenkomstig artikel 6 verrichte monsterneming, analyse en inspectie dienen de lidstaten uiterlijk op 30 juni van elk jaar bij de Commissie een kort verslag in over het zwavelgehalte van de binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende vloeibare brandstoffen die gedurende het voorgaande kalenderjaar op hun grondgebied zijn gebruikt. Dit verslag vermeldt het totale aantal geteste monsters naar brandstoftype, alsmede de gebruikte hoeveelheden van de desbetreffende brandstoffen en het berekende gemiddelde zwavelgehalte. De lidstaten brengen ook verslag uit over het aantal uitgevoerde inspecties aan boord van schepen,en registreren het gemiddelde zwavelgehalte van de op hun grondgebied gebruikte scheepsbrandstoffen die op … (16) niet onder deze richtlijn vallen.

2.   Op basis van onder meer

a)

het overeenkomstig lid 1 jaarlijks in te dienen verslag;

b)

de waargenomen ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit, verzuring, brandstofkosten en modal shift en

c)

de vorderingen die ten gevolge van de initiatieven van de Gemeenschap terzake via IMO-regelingen worden geboekt bij de reductie van de uitstoot van zwaveloxiden door schepen;

d)

een nieuwe kosten-batenanalyse, met inbegrip van de directe en indirecte milieuvoordelen van de in artikel 4 bis, lid 4, genoemde maatregelen,

dient de Commissie uiterlijk in 2008 een rapport in bij het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie kan dat rapport aanvullen met voorstellen tot wijziging van deze richtlijn, met name wat betreft een voor elke brandstofcategorie vastgestelde tweede fase van zwavelgrenswaarden en, rekening houdend met de werkzaamheden in het kader van de IMO, de zeegebieden waar laagzwavelige scheepsbrandstoffen dienen te worden gebruikt.

3.   Vóór 31 december 2005 brengt de Commissie verslag uit over het mogelijke gebruik van economische instrumenten, met inbegrip van mechanismen zoals gedifferentieerde bijdragen en kilometerheffingen, verhandelbare emissierechten en compensaties.

4.   Wijzigingen die nodig zijn om in artikel 2, punten 1, 2, 3, 3a, 3b en 4, of in artikel 6, lid 2, technische aanpassingen aan te brengen in het licht van de vooruitgang van wetenschap en techniek, worden vastgesteld volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde procedure. Deze aanpassingen mogen niet leiden tot directe wijzigingen van de werkingssfeer van deze richtlijn of de grenswaarden voor het zwavelgehalte van brandstoffen van deze richtlijn.”.

8)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad (17) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

9)

De tekst in de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd.

Artikel 2

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór … (18) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 45 E van 25.2.2003, blz. 277.

(2)  PB C 208 van 3.9.2003, blz. 27

(3)  Advies van het Europees Parlement van 4 juni 2003 (PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 311), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 9 december 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ….

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 121 van 11.5.1999, blz. 13. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(6)  PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(7)  PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(8)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 415/2004 van de Commissie (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 10).

(9)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(10)  PB L 301 van 28.10.1982, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.”.

(11)  PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.”.

(12)  Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

(13)  19 mei 2006 of, indien later, twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(14)  Twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(15)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 415/2004 van de Commissie (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 10).”.

(16)  Datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

(17)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.

(18)  Twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.


BIJLAGE

BIJLAGE

GRIEKSE SCHEPEN

Naam van het schip

Jaar van oplevering

IMO-nummer

Ariadne Palace

2002

9221310

Ikarus Palace

1997

9144811

Knossos Palace

2001

9204063

Olympia Palace

2001

9220330

Pasiphae Palace

1997

9161948

Festos Palace

2001

9204568

Europa Palace

2002

9220342

Blue Star I

2000

9197105

Blue Star II

2000

9207584

Blue Star Ithaki

1999

9203916

Blue Star Naxos

2002

9241786

Blue Star Paros

2002

9241774

Hellenic Spirit

2001

9216030

Olympic Champion

2000

9216028

Lefka Ori

1991

9035876

Sophoklis Venizelos

1990

8916607”


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 28 november 2002 bij de Raad een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft.

2.

Het Europees Parlement heeft in eerste lezing advies uitgebracht tijdens zijn vergaderperiode van 2 tot en met 5 juni 2003.

3.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 mei 2003 advies uitgebracht.

4.

Het Comité van de Regio's heeft op 20 januari 2003 meegedeeld geen advies te zullen uitbrengen.

5.

De Commissie heeft op 1 augustus 2003 een gewijzigd voorstel aangenomen.

6.

De Raad heeft op 9 december 2004 zijn gemeenschappelijk standpunt aangenomen overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het Verdrag.

II.   DOEL

Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd de werkingssfeer van Richtlijn 1999/32/EG uit te breiden tot alle soorten uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen die aan boord van schepen worden gebruikt, en het zwavelgehalte van deze scheepsbrandstoffen voor gebruik door schepen in bepaalde delen van de Europese Unie te beperken.

Het doel is de emissie van zwaveldioxide en zwevende deeltjes door schepen te beperken, overeenkomstig de parallelle strategie van de Europese Unie ter beperking van atmosferische emissies door zeeschepen. Met het voorstel wordt beoogd de beheersgebieden voor zwaveldioxide-emissie in te voeren die de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) reeds in haar Verdrag betreffende luchtverontreiniging, bijlage VI van het Marpol, heeft aangewezen. Bij dit voorstel worden de bepalingen van Richtlijn 1999/32/EG met betrekking tot het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen gewijzigd als volgt:

invoering van een grenswaarde van 1,5 % voor het zwavelgehalte van de scheepsbrandstoffen die door alle zeeschepen op de Oostzee, de Noordzee en het Kanaal worden gebruikt; deze waarde is in overeenstemming met bijlageVI van het Marpol, en dient om het effect van de emissie door schepen op de verzuring in Noord-Europa te beperken;

invoering van een grenswaarde van 1,5 % voor het zwavelgehalte van de scheepsbrandstoffen die door passagiersschepen op geregelde diensten naar of vanuit havens in de Gemeenschap worden gebruikt, teneinde de luchtkwaliteit, met name in de omgeving van havens en kusten, te verbeteren en voldoende vraag te creëren om de beschikbaarheid van brandstof met een zwavelgehalte van niet meer dan 1,5 % in de hele Europese Unie te waarborgen;

wijziging van de bestaande bepalingen inzake gasolie voor de zeescheepvaart door te eisen dat schepen op hun ligplaats en binnenschepen brandstof gebruiken met een zwavelgehalte van 0,1 % of minder vanaf 1 januari 2010, teneinde de lokale emissie van SO2 en zwevende deeltjes te verminderen en de lokale luchtkwaliteit te verbeteren. Voor 16 specifieke schepen in Griekenland geldt tot 1 januari 2012 een afwijking;

om te waarborgen dat brandstoffen verkrijgbaar zijn die aan de eisen voldoen, een verbod op de verkoop van gasolie voor de zeescheepvaart (klassen DMA en DMX) met een zwavelgehalte van meer dan 0,1 % voor 2010 om de huidige grenswaarde van 0,2 % voor dieselolie voor de zeescheepvaart van de klassen DMB en DMC op te heffen, gevolgd door een verbod op de verkoop van dergelijke brandstoffen met een zwavelgehalte van meer dan 1,5 %.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   Algemeen

Het Europees Parlement heeft 36 amendementen op het Commissievoorstel aangenomen.

Volgens de Raad vormt het gemeenschappelijk standpunt een evenwichtig compromis, omdat:

de reeks datums van inwerkingtreding van de bepalingen van de richtlijn coherent is, rekening houdend met de nu zeer nabije inwerkingtreding van bijlage VI van het Marpol (in mei 2005);

er niet is voorzien in afwijkingen die tegen de inwerkingtreding van bijlage VI van het Marpol en de vaststelling van beheersgebieden voor zwaveldioxide-emissie indruisen;

op een redelijke manier rekening wordt gehouden met de technische en praktische problemen welke gepaard gaan met de nieuwe eisen voor schepen op hun ligplaats, met inbegrip van de specifieke tijdelijke afwijking waarom Griekenland voor bepaalde ro-ro-veerboten heeft verzocht.

Bijlage VI van het Marpol treedt één jaar nadat zij is bekrachtigd door ten minste 15 vlaggenstaten die ten minste 50 % van de brutotonnage van de mondiale koopvaardijvloot vertegenwoordigen, internationaal in werking. Op 15 oktober 2004 was de bijlage bekrachtigd door 17 landen - Zweden, Noorwegen, Singapore, de Bahama's, de Marshalleilanden, Liberia, Denemarken, Duitsland, Vanuatu, Panama, Griekenland, Bangladesh, Spanje, Barbados, Samoa, Azerbeidzjan en het Verenigd Koninkrijk - die meer dan 50 % van de mondiale tonnage vertegenwoordigen. Samoa, de vijftiende staat, heeft bijlage VI van het Marpol bekrachtigd op 19 mei 2004, waardoor de weg is geëffend voor de inwerkingtreding van bijlage VI op 19 mei 2005 en van voorschrift 14 (beheersgebieden voor zwavedioxide-emissie in de Oostzee) op 19 mei 2006. Zes lidstaten van de Europese Unie (Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) hebben het Marpol reeds bekrachtigd en vier lidstaten (Nederland, Finland, Cyprus en Polen) bevinden zich in het laatste stadium van de bekrachtiging, die nog dit jaar wordt verwacht.

Het gemeenschappelijk standpunt is in overeenstemming met de standpunten die de Commissie en het Europees Parlement hebben ingenomen met betrekking tot de doelstelling om de werkingssfeer van Richtlijn 1999/32/EG uit te breiden tot alle uit aardolie verkregen brandstoffen aan boord van schepen die in de wateren van de lidstaten opereren.

De Raad:

a)

heeft in het gemeenschappelijk standpunt 21 amendementen in hun geheel, gedeeltelijk of in beginsel opgenomen als volgt:

Amendement nr. 1:

de geest van dit amendement is verwerkt in overweging 4.

Amendement nr. 3:

de geest van dit amendement is verwerkt in overweging 5.

Amendement nr. 4:

de geest van dit amendement is overgenomen in overweging 4.

Amendement nr. 5:

de geest van dit amendement is verwerkt in overweging 6.

Amendement nr. 6:

de geest van dit amendement is weergegeven in de overwegingen 6 en 17.

Amendement nr. 7:

volledig overgenomen in overweging 7.

Amendement nr. 8:

de geest van dit amendement is overgenomen in overweging 10.

Amendement nr. 40:

overeenkomstig de algemene richtsnoeren voor de redactie van de communautaire wetgeving hebben de overwegingen tot doel de essentiële bepalingen van het regelgevende gedeelte beknopt te motiveren en bevatten zij geen regelgevende bepalingen noch politieke wensen; de geest van dit amendement is evenwel weergegeven in overweging 12.

Amendement nr. 18:

het doel van dit amendement is verwerkt in artikel 1, lid 1, onder d).

Amendement nr. 30:

in overweging 19 wordt verwezen naar de geest van dit amendement.

Amendement nr. 38:

de definitie in artikel 2, lid 3, onder j), volgt de geest van dit amendement

Amendement nr. 39:

de definitie in artikel 2, lid 3, onder k), geeft het doel van dit amendement op meer gedetailleerde en specifieke wijze weer.

Amendement nr. 10:

dit amendement is overgenomen in artikel 4, met de daaruit voortvloeiende wijzigingen in het tijdschema.

Amendement nr. 23:

dit wordt behandeld in het nieuwe artikel 4 ter, waarbij de uitvoering voor alle types van schepen wordt uitgesteld tot 2010.

Amendement nr. 43:

dit wordt uitvoerig behandeld in het nieuwe artikel 4 quater.

Amendement nr. 27:

dit is weergegeven in de nieuwe tekst van artikel 6, dat nu duidelijker is geformuleerd om technische moeilijkheden bij de toepassing te voorkomen.

Amendement nr. 29:

de geest van dit amendement is gevolgd in overweging 10 en wordt ook behandeld in artikel 11 van Richtlijn 1999/32/EG.

Amendement nr. 31:

dit probleem is opgelost door het gebruik van de uitdrukking „vloeibare brandstoffen”.

Amendement nr. 32:

de geest van dit amendement is weergegeven in de overwegingen 4 en 6 en in artikel 7, lid 2.

Amendement nr. 33:

aanvaard.

Amendement nr. 44:

de geest van dit amendement is weergegeven in artikel 7;

b)

heeft 15 amendementen (2, 4, 13, 14, 15, 16, 17, 21, 22, 28, 41, 42, 24, 25, 26 en 37) niet overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt:

Amendement nr. 2:

dit amendement kon niet worden overgenomen, omdat het niet relevant geacht werd.

Amendement nr. 14:

dit amendement kon niet worden overgenomen, omdat het lid waarnaar het verwijst, geschrapt is.

Amendementen nrs. 15, 16, 17:

deze amendementen konden niet worden overgenomen. De geest ervan wordt evenwel weergegeven in artikel 4 bis, lid 2, dat tot doel heeft de inwerkingtreding te vervroegen tot mei 2006, om in overeenstemming te zijn met bijlage VI van het Marpol.

Amendementen nrs. 21 en 22:

konden niet worden overgenomen.

Amendement nr. 28:

kon niet worden overgenomen.

Amendementen nrs. 41 en 42:

konden niet worden aanvaard, omdat de Raad het te vroeg acht om vooruit te lopen op toekomstige wetgeving (een tweede fase) die afhangt van de beoordeling van de toepassing van de huidige wijzigingen. Niettemin wordt in het nieuwe artikel 7, lid 2, erkend dat er in de toekomst verdere verbeteringen nodig zijn.

Amendement nr. 24:

kon niet worden overgenomen.

Amendement nr. 25:

kon niet worden overgenomen, omdat het als disproportioneel werd beschouwd.

Amendement nr. 26:

kon niet worden aanvaard, omdat amendement nr. 42 verworpen is (nieuw artikel 4 bis bis).

Amendement nr. 37:

kon niet worden overgenomen, omdat er volgens de Raad twaalf maanden nodig zijn voor de omzetting.

c)

De Raad voegde artikel 4 bis, leden 3 en 4, toe om punten met betrekking tot de handhaving van de verschillende bepalingen van de richtlijn te verduidelijken.

IV.   CONCLUSIE

Hoewel de Raad niet alle door het Europees Parlement aangenomen amendementen kan aanvaarden, is hij van oordeel dat het gemeenschappelijk standpunt in ruime mate tegemoet komt aan de wensen van het Parlement en dat het overeenstemt met het gewijzigde Commissievoorstel, aangezien het de emissie van zwaveldioxide in de Europese Unie aanzienlijk beperkt, waarbij de beperkingen zoveel mogelijk voordeel moeten opleveren in en rond dichtbevolkte havens en kustgebieden en in zuurgevoelige ecosystemen.

Aldus worden de lidstaten van de Europese Unie gestimuleerd om zich op internationaal vlak meer in te zetten voor de verbetering van de milieunormen voor schepen, met name door de bekrachtiging en versterking van bijlage VI van het Marpol.