17.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 65/22


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013)”

(COM(2005) 121 final — 2005/0050 (COD))

(2006/C 65/03)

Op 25 april 2005 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 156 en 157, lid 3, alsmede artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag te raadplegen over het bovengenoemde voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die was belast met de voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies op 20 oktober 2005 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Welschke, corapporteur was mevrouw Fusco.

Tijdens zijn 422e zitting op 14 en 15 december 2005 (vergadering van 14 december) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht, dat met 125 stemmen voor en 2 stemmen tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Uit veel indicatoren voor groei, werkgelegenheid en innovatie komt naar voren dat het concurrentievermogen van de Europese Unie t.o.v. de rest van de wereld er de laatste jaren op achteruit is gegaan en dat dit proces zich doorzet. De grootste opdracht voor de EU op economisch en sociaal gebied wordt de bestrijding van de werkloosheid, het scheppen van nieuwe banen en het duurzaam stimuleren van de hiertoe vereiste economische groei.

1.2

Ondernemingen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. In Europa behoort 98 % van de ondernemingen tot het MKB. Deze ondernemingen staan in voor 55 % van de werkgelegenheid in de particuliere sector. De mogelijkheden van het MKB voor innovatie van productieprocessen, producten en diensten zijn aanzienlijk.

1.3

Veel bedrijven grijpen de voordelen van de interne markt in de EU aan. Ze kunnen evenwel de mogelijkheden hiervan vaak niet volledig benutten vanwege nog aanwezige beperkingen, begrensde persoonlijke en financiële capaciteiten en ontbrekende informatie. De consequente uitvoering van de Lissabon-strategie, de voltooiing van de interne markt en verdere openstelling van de markt, een betere wetgeving en steunprogramma's die Europese meerwaarde opleveren, kunnen in dit verband soelaas bieden.

1.4

Ook modern opgezette administraties en efficiënt werkende overheidsdiensten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de bevordering van het concurrentievermogen en de innovatie in Europa. Grensoverschrijdende partnerschappen tussen overheidsdiensten op alle niveaus kunnen de, steeds meer vereiste, administratieve samenwerking verbeteren, de uitwisseling van gegevens vlotter doen verlopen en goede praktijkvoorbeelden voor iedereen bruikbaar maken.

2.   Samenvatting van het Commissievoorstel

2.1

Het „kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie” (hierna: kaderprogramma) moet er in de periode 2007-2013 toe bijdragen om de bijgestelde Lissabon-strategie en de communautaire strategie voor duurzame ontwikkeling gestalte te geven.

2.2

Het kaderprogramma bundelt de uitvoering van een aantal bestaande communautaire steunprogramma's op verschillende beleidsgebieden in één raamwerk met een coherente rechtsgrondslag. De Commissie stelt een financieel kader voor van 4 212,6 miljoen euro.

2.3

Het kaderprogramma is bestemd voor alle EU-lidstaten, de kandidaat-lidstaten, de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), alsook de landen van de westelijke Balkan. Andere derde landen komen in aanmerking indien zulks in bilaterale overeenkomsten is voorzien.

2.4

Het is de bedoeling van het kaderprogramma om het concurrentievermogen van de ondernemingen, met name van het MKB, te bevorderen, innovatie te stimuleren en commercieel interessant te maken, de ontwikkeling van de informatiemaatschappij te versnellen, alsmede energie-efficiëntie en het gebruik van nieuwe en hernieuwbare energiebronnen aan te moedigen.

2.5

Op grond van art. 156 van het EG-Verdrag, art. 157, lid 3, van het EG-Verdrag, alsmede art. 175, lid 1, van het EG-Verdrag moet er een algehele en coherente rechtsgrondslag voor specifieke steunprogramma's van de Gemeenschap en voor de relevante onderdelen van andere Gemeenschapsacties komen voor gebieden die voor de bevordering van de productiviteit, de innovatie en de duurzame groei in Europa fundamenteel zijn. Tegelijkertijd dienen ook aanvullende milieu-aspecten aan bod te komen. Het kaderprogramma omvat drie specifieke subprogramma's.

2.6

Het „Programma voor ondernemerschap en innovatie” moet het kader zijn voor maatregelen ten gunste van ondernemerschap, innovatie en concurrentievermogen. Het is bedoeld voor ondernemingen in alle bedrijfstakken, ongeacht of ze technologisch hoogontwikkeld of traditioneel zijn. De financiering van het MKB in de start- en groeifase moet verbeterd worden. Verdere zwaartepunten zijn samenwerking tussen ondernemingen, bevordering van innovatie alsmede van milieutechnologieën. Voor deze activiteiten is 2 631 miljoen euro uitgetrokken.

2.7

Het „Programma ter ondersteuning van het ICT-beleid” is gericht op de bevordering van de toepassing van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) door het bedrijfsleven en de overheid. De voorgestelde acties vormen de neerslag van het nieuwe EU-initiatief „i2010”, dat in de komende jaren het kader vormt voor de verwezenlijking van een uniforme Europese informatieruimte en een solidere interne markt voor informatieproducten en dienstverlening. Voor dit programma is 801,6 miljoen euro uitgetrokken.

2.8

Het „Programma Intelligente energie — Europa” is toegespitst op de ondersteuning van de duurzame ontwikkeling op energiegebied, de verbetering van de voorzieningszekerheid en de energie-efficiëntie, vermindering van de afhankelijkheid van energie-importen en verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie (tot 12 %) in het bruto binnenlands verbruik. De nadruk ligt op projecten ter bevordering en verspreiding van duurzame energietechnologieën, verbeterde administratieve structuren, een dichter netwerk en de algemene bewustmaking m.b.t. duurzaam energieverbruik. Het door de Commissie opgerichte „Uitvoerend agentschap voor intelligente energie” dient voort te bestaan. Voor dit programma is 780 miljoen euro beschikbaar.

2.9

De uitvoering van het kaderprogramma vindt plaats aan de hand van jaarlijkse werkprogramma's die de Commissie wil uitvoeren. Beheerscomités dienen in te staan voor de begeleiding van de acties op lidstaatniveau en moeten de coherentie van nationale activiteiten waarborgen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het voorstel voor een kaderprogramma omvat velerlei zaken en heeft betrekking op tal van beleidsgebieden en programma's. De opmerkingen beperken zich tot aspecten waaraan het Comité bijzonder belang hecht of waarvoor het andere invalshoeken onder de aandacht wil brengen.

3.2

Het Comité verwelkomt het kaderprogramma als een belangrijke stap voorwaarts voor het scheppen van synergie voor de bevordering van het concurrentie- en innovatievermogen van ondernemingen en van duurzame ontwikkeling. De voorgestelde maatregelen en instrumenten kunnen in hoge mate ertoe bijdragen de sociale cohesie te consolideren, de duurzame ontwikkeling van de economie te bevorderen en de doelstellingen voor groei en werkgelegenheid van de Lissabon-strategie te verwezenlijken. Het is daarom vanzelfsprekend dat de Commissie in haar actieplan om op EU-niveau de Lissabon-strategie nieuw leven in te blazen (COM(2005) 330) de nadruk legt op het kaderprogramma als belangrijk element van het communautair beleid.

3.3

In het „verslag Kok” uit 2004 wordt op de essentiële voorwaarden gewezen voor het concurrentievermogen van de Europese economie. Daar is terecht aanbevolen om de kennismaatschappij verder te ontwikkelen, de interne markt te voltooien, het economische klimaat te verbeteren, de arbeidsmarkt –ook door strategieën als „levenslang leren” en „actief ouder worden”- te moderniseren en de milieuduurzaamheid te bevorderen. Het Comité meent dat het vooral de taak van de lidstaten is om alles in het werk te stellen om het concurrentievermogen van de ondernemingen aan de hand van passende kadervoorwaarden te verbeteren. Het beschouwt de steunprogramma's van de EU als een belangrijke en doeltreffende aanvulling hierop. Naast het onderhavige kaderprogramma, dienen het kaderprogramma voor onderzoek, de strategie „levenslang leren” en de structuurfondsen als hoogst relevant te worden vermeld.

3.4

Ondernemingen verbeteren hun innovatievermogen niet alleen doordat zij de technologische vooruitgang ten nutte maken. Van belang voor innovatie zijn evenzeer een vaste verankering van het ondernemerschap in de maatschappij en cultuur van het land, brede managementkennis, verantwoordelijke bedrijfsvoering en grensoverschrijdende activiteiten. Voor de doelstellingen van het kaderprogramma zou het onjuist zijn om het begrip innovatie te eng op te vatten en zodoende kansen op meer groei, werkgelegenheid en sociale cohesie te missen. Ondernemingen staan in het middelpunt van de innovatie, waarvoor een adequate inbreng van de sociale partners meer dan welkom is.

3.5

Innovatie begint in de hoofden van mensen. Een hoog onderwijs- en opleidingsniveau is een voorwaarde voor een duurzame stijging van het innovatievermogen in de EU. Werkgevers, werknemers, regeringen, universiteiten en scholen, en overige relevante instellingen zijn allemaal verplicht om het innovatievermogen van de maatschappij verder te stimuleren. Met grensoverschrijdende projecten kunnen de nationale inspanningen voor de bevordering van de kennismaatschappij worden aangevuld. Het Comité is verheugd dat de EU onderwijs en opleiding onder andere in het kader van de communautaire programma's „Socrates” (algemene opleidingen), „Tempus” (universiteiten), alsook „Leonardo da Vinci” (beroepsopleidingen) gericht stimuleert. Ook het geïntegreerde actieprogramma voor onderwijs, opleiding en levenslang leren voor de periode 2007-2013 kan in hoge mate bijdragen tot een versterking van het innovatievermogen in ondernemingen en tot het welslagen van het kaderprogramma.

3.6

Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie om het innovatie- en concurrentievermogen van ondernemingen te versterken met behulp van betere wetgeving en een stelselmatige controle van de bestaande wet- en regelgeving op verplichtingen die naar verhouding te belastend zijn. Essentieel is een doeltreffende effectbeoordeling van voorstellen voor nieuwe regelgeving. Voor deze beoordeling dient de Commissie intensief samen te werken met de Raad Concurrentievermogen en het Europees Parlement.

3.7

Het Comité is het met de Commissie eens dat horizontale en coördinerende acties van de EU een grote meerwaarde kunnen opleveren. Het zal essentieel zijn om ondernemingen informatie te verstrekken die zoveel mogelijk van de praktijk uitgaat en om een vlotte toegang tot de acties en instrumenten van het kaderprogramma mogelijk te maken.

3.8

Het Comité schaart zich achter het streven van de Commissie om met het kaderprogramma niet alleen technologisch zeer geavanceerde, maar ook traditionele bedrijfstakken te ondersteunen. Juist zij kunnen een nog sterkere bijdrage leveren aan het scheppen van werkgelegenheid en het versterken van de sociale cohesie, mits zij hun concurrentie- en innovatievermogen kunnen versterken. Ook op het gebied van dienstverlening en logistiek zijn er nog aanzienlijke mogelijkheden voor innovatie.

3.9

Het Comité doet een beroep op de Commissie om de definitie van de doelgroepen van het kaderprogramma niet te eng op te vatten, met het oog op een maximale, in de regio's en sectoren zo breed mogelijke meerwaarde. Ook coöperaties, gelieerde ondernemingen en onderlinge maatschappijen, alsook innovatieve starters en zeer kleine ondernemingen kunnen het concurrentie- en innovatievermogen in de EU opkrikken. Via coöperaties kunnen bijvoorbeeld schaalvoordelen gerealiseerd worden die positieve gevolgen hebben voor de markttoegang (inclusief de deelname aan grote overheidsopdrachten), voor de positie op de markt, voor de ontwikkeling van de mogelijkheden voor leidinggevend personeel, voor nascholing en de onderzoekscapaciteit. Criterium voor de toegang tot de projecten van het kaderprogramma zou de mate moeten zijn waarin de doelgroepen solide concepten ontwikkelen die het concurrentievermogen en de innovatie verbeteren en die subsidie rechtvaardigen. Voor de verspreiding van het kaderprogramma spelen stichtingen, verenigingen, kamers van koophandel en industrie een belangrijke rol.

3.10

Gezien de begrotingseisen in de lidstaten en in Europees verband zijn er beperkingen gesteld aan de financiële omvang van het kaderprogramma. Het Comité verwacht dat in het kader van de onderhandelingen over de financiële vooruitzichten genoeg middelen voor het programma ter beschikking zullen worden gesteld. Tegelijkertijd moet een doelgerichte, zo efficiënt mogelijke, resultaatgerichte besteding der middelen voor de doelgroepen gegarandeerd zijn. De Commissie moet nagaan in hoeverre de thans voor het beheer van het programma uitgetrokken middelen aan projecten besteed kunnen worden.

3.11

Het Comité juicht het toe dat de Commissie haar ervaringen met de reeds lopende programma's wil toepassen, eventuele zwakke punten wil corrigeren en bij de uitvoering van het kaderprogramma gebruik wil maken van goede praktijkvoorbeelden. Voor het welslagen van het kaderprogramma is het zaak dat er een voor alle betrokkenen begrijpelijke benchmarking en monitoring komt en dat inzichten die bijdragen aan de optimalisering van het kaderprogramma in de jaarlijkse werkplanning in een vroeg stadium de nodige aandacht krijgen. De Commissie en de met de uitvoering van het programma belaste diensten moeten kritisch nagaan of bij de tussentijdse evaluatie blijkt dat er aanpassingen nodig zijn. Daarbij moet gekeken worden naar de ervaringen van ondernemingen en de andere doelgroepen. In ieder geval mag de planningszekerheid van alle projectdeelnemers op geen enkel moment in gevaar komen.

3.12

Het Comité hecht er zeer aan dat de lidstaten aandacht schenken aan het begrip „complementariteit”. Ze worden met klem verzocht hun geplande nationale steun te handhaven, ongeacht de Europese subsidies. Het Comité is van mening dat de lidstaten verplicht zijn om, zoals overeengekomen, 3 % van het BBP aan onderzoek en ontwikkeling te besteden. De uitvoering van het kaderprogramma mag er in ieder geval niet toe leiden dat de lidstaten hun inspanningen verminderen.

3.13

Terecht wijst de Commissie erop dat de instrumenten en acties van het kaderprogramma nauw verbonden moeten zijn met andere programma's en initiatieven van de EU. Er bestaan zeer relevante raakvlakken met het 7e kaderprogramma, de strategie „levenslang leren”, alsook met de programma's van het structuurbeleid. De Commissie moet erop toezien dat de doelstellingen van alle betrokken DG's op elkaar afgestemd zijn. De activiteiten en besluiten van alle relevante organen dienen transparant te zijn. Horizontale synergie, alsmede verticale synergie tussen de EU en de lidstaten, en tussen economie, wetenschap en bestuur komen pas tot hun volle recht als de inhoudelijke en organisatorische accenten van deze programma's op elkaar afgestemd zijn.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Bij uitvoering van het kaderprogramma moeten de doelgroepen gemakkelijk toegang hebben tot de voorgenomen programma's. In het verleden was dit niet altijd het geval. De middelen moeten efficiënt, praktijkgericht en met zo min mogelijk bureaucratische rompslomp besteed worden (o.a. gelet op rapportage en documentatie).

4.2

De Commissie dient het kaderprogramma op coherente basis, efficiënt en gebruiksvriendelijk te beheren. Alle actoren die bij de uitvoering van het kaderprogramma betrokken zijn, zijn afhankelijk van planningsbewaking en transparantie. Een extern agentschap voor het administratieve beheer van de programma's is slechts zinvol als daardoor de beheersprocedures aanmerkelijk vereenvoudigd en de kosten teruggebracht kunnen worden.

4.3

De „Waarnemingspost voor het MKB” van de Commissie zou de uitvoering van het kaderprogramma nog intensiever kunnen begeleiden. Zo kan de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen de lidstaten, tussen de ondernemingen en tussen economie, wetenschap en bestuur verder verbeterd worden. De rapporten van de waarnemingspost moeten beoordeeld worden op hun praktische waarde en afstemming op de doelgroepen. Het zou zinvol zijn om het takenpakket van de waarnemingspost zo te omschrijven dat de bijdragen van alle doelgroepen (in de zin van par. 3.9) duidelijk naar voren komen.

4.4   „Programma voor ondernemerschap en innovatie”

4.4.1

De toegang tot kapitaal blijft voor het MKB, alsmede voor zeer kleine innovatieve ondernemingen, heel beperkt, hoewel dit probleem al jarenlang bekend is. Hier moet onverwijld actie worden ondernomen. De in dit programma geplande financieringsinstrumenten zijn voor het succes van het Europese ondernemingenbeleid cruciaal. Het Comité neemt aan dat zij een aanzienlijke mobiliserende en hefboomfunctie kunnen vervullen.

4.4.2

Het Comité bepleit de middelen toe te wijzen aan passende financiële tussenpersonen om de financieringskosten (inclusief personeels- en administratiekosten) en –risico's terug te dringen. De Faciliteit voor snelgroeiende, innovatieve MKB-bedrijven (FSIM), de MKB-garantiefaciliteit en het Capaciteitsopbouwprogramma moeten ertoe bijdragen, de toegang voor ondernemingen tot leningen en risicokapitaal te vergemakkelijken. De toewijzing van kredieten aan innovatieve middelgrote, kleine en zeer kleine ondernemingen, met name in de start- en groeifase, zal hun mogelijkheden tot groei en tot het scheppen van werkgelegenheid ten goede komen. Voor waardevolle projecten zouden ook kleine en zeer kleine kredieten beschikbaar moeten zijn.

4.4.3

Het Comité beveelt aan om de opzet en uitbreiding van grensoverschrijdende activiteiten te beschouwen als integraal onderdeel van het Europese beleid, en ook als belangrijke strategie van het MKB om het concurrentievermogen en de innovatie te bevorderen. Alle in het programma geplande acties en instrumenten dienen op dit doel gericht te zijn. De Commissie moet de ondernemingen aan de hand van partnerschapsbeurzen, praktijkgerichte informatie en andere passende maatregelen actief op deze weg begeleiden.

4.4.4

De complexiteit van de Europese steunregelingen en van het rechtskader nopen tot doelgerichte informatie en advisering aan ondernemingen en andere doelgroepen. De beste manier hiervoor is een net van informatiedragers, dat in heel Europa aanwezig is en doeltreffend samenwerkt. Zo kunnen burgers en ondernemingen nog beter gewezen worden op de meerwaarde van Europese programma's en projecten (dit is ook in de zin van de nieuwe communicatiestrategie van de EU).

4.4.5

Het Comité hecht eraan dat de aanbesteding voor „Netwerkpartners voor dienstverlening ter ondersteuning van ondernemingen en innovatie” volgens transparante regels plaatsvindt en dat deelname openstaat voor alle regionale en sectorale organisaties die op grond van hun structuur en capaciteiten kunnen voldoen aan de eisen van de ondernemingen. De Commissie zou er goed aan doen om per centrum de kwalificaties te beoordelen van de bestaande Business & Innovation Centres (BIC), de Euro Info Centres (EIC) en de Innovation Relay Centres (IRC) .

4.5   „Programma ter ondersteuning van het ICT-beleid”

4.5.1

Het Comité is verheugd over de wijze waarop het programma ter ondersteuning van het ICT-beleid is opgezet. Deze sector is één van de aanjagers van de vereiste toename van de productiviteit in alle bedrijfstakken. Van de voorgestelde maatregelen wordt een aanzienlijke Europese meerwaarde verwacht.

4.5.2

De bevordering van de Europese informatiemaatschappij zal er onder andere toe leiden dat de duurzame ontwikkeling van de economie wordt ondersteund, dat de maatschappelijke en sociale integratie in Europa wordt versterkt en dat de levenskwaliteit van de burgers wordt verbeterd. Bij uitvoering van dit programma moet er dus vooral op gelet worden dat alle ondernemingen toegang hebben, ook die uit traditionele bedrijfstakken.

4.5.3

Doelgerichte projecten, gebundelde acties, de opbouw en uitbreiding van grensoverschrijdende netwerken en clusters kunnen de technologieoverdracht en de invoering van innovatieve en marktconforme ICT-oplossingen stimuleren. Het Comité is verheugd dat gemeenschappelijke technische specificaties en actieplannen moeten worden uitgewerkt om de gunning van overheidsopdrachten in deze sector vlotter te doen verlopen.

4.5.4

Het programma ter ondersteuning van het ICT-beleid dient qua structuur zoveel mogelijk te worden afgestemd op het initiatief „i2010-Een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid” (COM(2005) 229). Over „i2010” is bij het Comité een advies in voorbereiding.

4.6   „Programma Intelligente energie — Europa”

4.6.1

Het Comité staat achter de oriëntatie van het voorgenomen programma. Energie-efficiëntie, de bevordering van hernieuwbare energie en de diversificatie van de energievoorziening zijn essentieel voor een duurzame economische ontwikkeling en de milieubescherming in Europa. Het programma moet ertoe bijdragen het complete potentieel voor innovatie in de energiesector aan te boren, dat ook gezocht moet worden in de systeemtechniek en de omzetting van energie.

4.6.2

Marktconforme technologieën en concurrerende producten zullen doorslaggevend zijn voor het al dan niet verwezenlijken van de programmadoelstellingen. Het Comité staat daarom achter de bevordering van projecten die de omzetting van innovaties in voor de markt geschikte producten vergemakkelijken. Desbetreffende activiteiten kunnen evenwel slechts in een vroeg stadium van het innovatieproces zinvol zijn. In principe kunnen de beste technologieën en concurrerende producten en diensten uitsluitend via mededinging ontwikkeld worden.

4.6.3

Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie om zich in te zetten voor een zuinig grondstoffengebruik en hierover informatie te verspreiden. Deze activiteiten moeten niet beperkt blijven tot professionele kringen, maar ook op het brede publiek gericht zijn. De lopende campagne „Duurzame energie voor Europa” levert hieraan een belangrijke bijdrage. Deze moet goede methoden verbreiden en de burgers meer wijzen op energie-efficiëntie en milieubescherming. Het Comité neemt aan dat deze campagne en het „Programma Intelligente energie — Europa” elkaar zinvol aanvullen.

5.   Afsluitende aanbevelingen

5.1

Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om de doelstellingen en de structuur van het kaderprogramma overzichtelijker te maken. Als voorbeeld dienen de lijst met voorgenomen uitvoeringsmaatregelen in art. 6 van het kaderprogramma. De afzonderlijke programma's en instrumenten zouden net zo systematisch gepresenteerd kunnen worden. Zo zou het kaderprogramma ook beter onder de aandacht van de doelgroepen kunnen worden gebracht. De organisaties uit het maatschappelijk middenveld dienen hierbij betrokken te worden.

5.2

Het Comité neemt aan dat de bundeling van tal van programma's en losstaande maatregelen een meerwaarde oplevert. Voorwaarde hiervoor is dat een optimale coördinatie, coherentie van afzonderlijke initiatieven en afstemming op andere relevante programma's van de EU gegarandeerd zijn. Dit is een taak van de Commissie en van de beheerscomités.

5.3

Het Comité stelt met genoegen vast dat het kaderprogramma op de centrale economische, sociale, milieu- en energiebeleidsdoelstellingen van de EU is toegespitst. Bij de uitvoering zal het erop aankomen om de jaarlijkse werkprogramma's praktijkgericht en met duidelijke relevantie voor de doelgroepen, vooral voor innovatieve ondernemingen, vorm te geven. Dit is slechts mogelijk indien de doelgroepen reeds bij de planning een passende inbreng hebben.

5.4

Met het oog op een betere uitvoering en beleidscontinuïteit verzoekt het Comité de Commissie om duidelijk te maken wat het verband is tussen het kaderprogramma en andere verwante, bestaande en toekomstige initiatieven. Dit geldt met name voor het Europees Handvest voor het Kleinbedrijf (2000), het Actieplan voor ondernemerschap in Europa (2003) en de binnenkort verschijnende Mededeling over het MKB-beleid. Dit zou zeer nuttig zijn voor vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en beleidsmakers op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

5.5

Het Comité zal de uitvoering van het kaderprogramma nauwlettend volgen. Het behoudt zich voor op grond van opgedane ervaringen of naar aanleiding van de tussentijdse balans nieuwe aanbevelingen te formuleren.

Brussel, 14 december 2005

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND