Voorstel voor RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen /* COM/2004/0486 def. */
NL || COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.7.2004 COM(2004) 486 definitief 2004/0155 (COD)
2004/0159 (COD)
Deel I Voorstel voor RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot
en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn
93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen
en kredietinstellingen (ingediend door de Commissie)
{SEC(2004) 921} TOELICHTING 1. ALGEMENE OPMERKINGEN Eén enkele financiële EU-markt is van het
grootste belang om het concurrentievermogen van de Europese economie te
bevorderen en de kosten van kapitaal voor het bedrijfsleven te verlagen. In het
Actieplan voor financiële diensten is in het verlengde van de vooruitgang die
in het Bazelse Comité voor het bankentoezicht[1]
op G-10-niveau is geboekt, voor 2004 een richtlijn met nieuwe kapitaaltoereikendheidsvoorschriften
voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aangekondigd. Naar aanleiding van het Bazelse Akkoord (Bazel
I), dat in 1988 is gesloten tussen de leden van het Bazelse Comité voor het
bankentoezicht, zijn in meer dan honderd landen minimumkapitaalvereisten
vastgesteld[2].
Min of meer gelijktijdig stelde de EU een aantal fundamentele richtlijnen vast
(Richtlijn 89/299/EEG van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen,
Richtlijn 89/647/EEG van 18 december 1989 betreffende en
solvabiliteitstratio, geconsolideerd in Richtlijn 2000/12/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en
de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen). Deze richtlijnen hadden betrekking op de risico´s
die kredietinstellingen op hun kredietverlening lopen. Sinds de vaststelling
van Richtlijn 93/6/EEG van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid
van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen gelden de voorschriften
voor het krediet- en het marktrisico ook voor beleggingsondernemingen. 1) Redenen waarom Europese voorschriften
moeten worden verbeterd De bestaande voorschriften hebben weliswaar
een belangrijke bijdrage geleverd aan de vorming van de interne markt en aan
hoogwaardige prudentiële normen, maar er zijn een aantal belangrijke
tekortkomingen vastgesteld. 1. Grove ramingen van kredietrisico´s leiden tot een uiterst grove meting van risico´s en zetten daarmee het
vertrouwen in dergelijke ramingen op het spel. 2. Speelruimte voor kapitaalarbitrage: door marktinnovaties beschikken de financiële instellingen nu over de
mogelijkheid effectief arbitragevoordeel te behalen uit het verschil tussen de
eigen kapitaalallocatie voor risico’s en de minimum kapitaalvereisten. 3. Te beperkte inaanmerkingneming van een
doeltreffende risicolimitering:
risicolimiteringstechnieken worden in de huidige richtlijnen te weinig in
aanmerking genomen. 4. Onvolledige risicodekking: de huidige richtlijnen bevatten onder meer geen kapitaalvereisten voor
het operationele risico. 5. De toezichthouders hoeven geen evaluatie
te verrichten van het feitelijke risicoprofiel van
kredietinstellingen om zich ervan te overtuigen dat het eigen vermogen dat
wordt aangehouden in overeenstemming is met dit risicoprofiel. 6. De toezichthouders hoeven niet onderling
samen te werken: op een markt waar steeds vaker
grensoverschrijdend wordt geopereerd, moeten de autoriteiten ter beperking van
de regelgeving doeltreffend met elkaar samenwerken bij de uitoefening van het
toezicht op internationale groepen. 7. Onvoldoende informatie voor
marktdeelnemers: de huidige richtlijnen werken de
marktdiscipline niet in de hand als het gaat om de verschaffing van informatie
aan marktdeelnemers die zo betrouwbaar is dat zij een goed gefundeerde inschatting
kunnen maken. 8. Regelgevingskader te weinig flexibel: het huidige EU-stelsel is niet flexibel genoeg om gelijke tred te
houden met de snelle ontwikkelingen op de financiële markten en op het gebied
van het risicobeheer en met de verbeteringen in de hulpmiddelen voor
regelgeving en toezicht. Wat zou er gebeuren als alles bij het oude
blijft? Nagenoeg iedereen is het erover eens dat de
huidige situatie onhoudbaar is. Als alles bij het oude blijft, blijven de
kapitaalvereisten niet in overeenstemming met de risico´s, hetgeen negatieve
gevolgen heeft voor de effectiviteit van de prudentiële voorschriften en tot
grotere risico´s voor de consument en de financiële stabiliteit leidt. Ook
blijven dan de risico´s van een aantal financiële instellingen niet volledig
gedekt. Verder worden dan de nieuwste en meest doeltreffende
risicobeheerstechnieken niet actief gestimuleerd of in aanmerking genomen en
blijven groepen voor financiële dienstverlening die in meer dan een lidstaat
actief zijn, als gevolg van de verschillende regelgevings- en toezichtssystemen
geconfronteerd worden met een onevenredig zware administratieve belasting. Ten
slotte kan, aangezien het huidige EU-regelgevingskader moeilijk snel kan worden
geactualiseerd, de EU dan niet voldoende profiteren van toekomstige
ontwikkelingen. Omdat is voorgesteld het nieuwe Bazelse akkoord wereldwijd in
te voeren, zou de financiële-dienstverleningssector in de EU ten opzichte van
de concurrenten overzee aanzienlijk in het nadeel zijn. 2) Concept van de richtlijn De
Commissie wijst er in haar Actieplan voor financiële diensten uit 1998 op dat
de EU behoefte heeft aan accurate, internationaal consistente en bijgewerkte
prudentiële normen. Ook zouden deze in verhouding moeten staan tot het beoogde
doel en omstandigheden in aanmerking moeten nemen die het risico verkleinen,
met name bij kredietverlening aan de consument en het MKB. De voorschriften
zouden moeten gelden voor kredietinstellingen én beleggingsondernemingen (er
moet immers sprake zijn van een gelijk speelveld), maar moeten ook in
verhouding staan tot het beoogde doel en volledig rekening houden met de
"biodiversiteit" van de financiële instellingen in de EU. 2. Raadpleging en
effectbeoordeling a)
Raadpleging van belanghebbenden en betrokken partijen Sinds november 1999 heeft de Commissie de
belanghebbenden en betrokken partijen een aantal malen geraadpleegd. Daartoe
zijn drie omvangrijke raadplegingsdocumenten gepubliceerd (op 22 november 1999,
5 februari 2001 en 1 juli 2003). Op 18 november 2002 is een uitgebreide,
gestructureerde dialoog met de belanghebbenden gevoerd. Ook zijn
raadplegingsdocumenten over een aantal technische kwesties gepubliceerd, en wel
over onroerend-goedkredieten en gedekte obligaties (7 april 2003), verwachte en
niet-verwachte verliezen (26 november 2003) en collectieve
beleggingsondernemingen (3 februari 2004). Over het algemeen hebben de deelnemers zich
uiterst positief uitgelaten over de voornaamste doelstellingen van het project,
met name over het feit dat de risicogevoeligheid wordt verbeterd en daarmee de
financiële stabiliteit wordt vergroot. Daar de risicometings- en
risicobeheerstechnieken in de financiële-dienstverleningssector sterk zijn
verbeterd en rekening moet worden gehouden met de steeds complexere regelgevings-
en toezichtpraktijk, moeten de voorschriften nu dringend worden bijgewerkt. Er
bestaat grote steun voor het uitgangspunt van de Commissie dat het EU-kader in
overeenstemming moet worden gebracht met de nieuwe internationale
voorschriften, maar dat daarbij wel waar nodig rekening moet worden gehouden
met de specifieke kenmerken van de sector in de EU. Minder complexe instellingen De intentie om in
Europa de nieuwe voorschriften op alle kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen toe te passen ongeacht de rechtsvorm en complexiteit
van de instelling, hetgeen ook van belang is om te voorkomen dat er
"tweederangs" instellingen ontstaan (niet onwaarschijnlijk als
bepaalde instellingen worden uitgesloten) geniet in brede kringen steun.
Daaruit blijkt dat het voorgestelde nieuwe kader geschikt wordt geacht om in
breed verband te worden toegepast. Flexibiliteit van de
nieuwe richtlijn Er bestaat een
aanhoudende brede steun voor de voorgestelde aanpak om een nieuw kader te
creëren waarmee kan worden ingespeeld op markt- en toezichtsinnovaties en de
doeltreffendheid en concurrentiekracht van de financiële-dienstverleningssector
op een zo hoog mogelijk niveau kan worden gehouden. De belanghebbenden steunen
de aanpak waarbij de vaste beginselen en doelstellingen in de artikelen worden
vermeld en als basis dienen voor de meer gedetailleerde en technische
voorschriften in de bijlagen. De procedure die nodig is om de bijlagen te
wijzigen, moet ervoor zorgen dat de betrokken partijen uitgebreid en vlot
kunnen worden geraadpleegd. Beleggingsondernemingen Op dit gebied zijn
belangrijke wijzigingen doorgevoerd om de zorgen weg te nemen van een aantal
ondernemingen uit de beleggingssector die vrezen te moeten voldoen aan
kapitaalvereisten die volgens hen meer geschikt zijn voor kredietinstellingen. Complexiteit Een aantal
respondenten hebben verzocht om minder en eenvoudigere voorschriften. Daarop is
de Commissie gekomen met een duidelijker geformuleerde en
gebruikersvriendelijkere versie, die aantrekkelijk is voor de instellingen die
eenvoudige regels willen of geleidelijk willen overstappen op complexere
kapitaalvoorschriften. Het nieuwe kader bevat een reeks mogelijkheden en
methoden van uiteenlopende complexiteit. Sinds 1999 hebben er ook diverse raadplegingen
over gedetailleerde kwesties plaatsgevonden. In het voorstel is rekening
gehouden met de zeer uitvoerige en nuttige opmerkingen van de betrokken
partijen, met name uit het bankwezen en de beleggingssector. b) Effectbeoordeling Er is een uitvoerige effectbeoordeling uitgevoerd
om na te gaan of op EU-niveau maatregelen moeten worden genomen, en zo ja,
welke maatregelen. Het
Bazelse Comité heeft onder kredietinstellingen uit veertig verschillende landen
een onderzoek verricht naar de kwantitatieve gevolgen van de nieuwe Bazelse
voorstellen voor de minimumkapitaalvereisten van banken. De Commissie heeft dit
onderzoek uitgebreid tot EU-landen die niet in Bazel zijn vertegenwoordigd. De
voornaamste conclusie luidde dat de kapitaalvereisten voor
EU-kredietinstellingen door de nieuwe regels over het geheel genomen met
ongeveer 5% zullen afnemen ten opzichte van het huidige niveau. Verder
beantwoorden de resultaten voor de verschillende benaderingen aan de
doelstellingen, met name de doelstelling om kapitaalneutraliteit te combineren
met prikkels die de kredietinstellingen ertoe moeten aanzetten over te stappen
op complexere benaderingen. Ten slotte zullen de kapitaalvereisten voor de
kleinere binnenlandse kredietinstellingen die voor de eenvoudige benadering
kiezen, iets lager uitvallen en zullen deze voor de grotere, internationaal
opererende kredietinstellingen nauwelijks veranderen; daarentegen zullen de
kapitaalvereisten voor kleinere, maar gespecialiseerde en complexe
kredietinstellingen die voor de geavanceerde benadering kiezen, in vergelijking
met de huidige situatie veel lager uitvallen. Belangrijk is dat de vermindering
van de kapitaalvereisten vooral te danken is aan de portefeuille particulieren
en kleine partijen, die vooral bestaat uit leningen aan het MKB van minder dan
1 miljoen EUR en uit hypothecaire leningen voor woningen. Vooral door het
nieuwe kapitaalvereiste voor het operationele risico wordt deze vermindering
van de kapitaalvereisten voor kredietinstellingen evenwel tenietgedaan. Voorts heeft de Commissie op verzoek van de
Europese Raad van Barcelona opdracht gegeven tot het verrichten van een
onderzoek naar de gevolgen van de voorgestelde nieuwe kapitaalvereisten voor
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de EU[3]. In het eindverslag,
dat is opgesteld door PricewaterhouseCoopers, worden de gevolgen positief
beoordeeld (slechts op twee terreinen – beleggingsondernemingen en durfkapitaal
– wordt kritiek geuit, waarmee in de Commissievoorstellen rekening is gehouden)[4]. De hoofdconclusie
luidt dat de nieuwe solvabiliteitsregeling gunstig zou moeten uitpakken voor de
EU en voor de prudentiële regulering in de EU. De kapitaalvereisten van de
EU-kredietinstellingen zouden met ± 5% (90 miljard EUR) afnemen en de winst zou
een stijging op jaarbasis met ± 10-12 miljard EUR te zien geven. Aan de nieuwe
solvabiliteitsregeling zijn geen nadelen verbonden voor kleinere
kredietinstellingen en niets wijst erop dat zij fusies of concentraties in de
hand zal werken. De beslissing om alle kredietinstellingen onder de richtlijn
te doen vallen, zal niet leiden tot een concurrentienadeel voor de
EU-instellingen. De VS-beslissing om op een twintigtal grote
kredietinstellingen alleen geavanceerde benaderingen toe te passen, is evenmin
een belangrijke concurrentiefactor. De uitvoeringskosten voor de
EU-kredietinstellingen zijn niet uitsluitend toe te schrijven aan Bazel II en
vele van deze investeringen (misschien wel 80%) zouden toch zijn verricht, zij
het over een langere periode. Belangrijk is ook dat er in de meeste EU-lidstaten
geen sprake is van een negatief effect op de beschikbaarheid van en de kosten
voor de financiering van het MKB (het “procyclische” effect is beperkter – en
minder schadelijk – dan het effect dat van de huidige voorschriften uitgaat).
De bezorgdheid van het MKB vloeit voort uit het feit dat de informatie over
Bazel II onvoldoende wordt begrepen. De macro-economische gevolgen van Bazel II
voor de EU-economie zijn beperkt: er kan zich een positieve aanbodschok
voordoen waardoor de kapitaalkosten voor bedrijven worden verminderd en het BBP
in de EU met 0,07% stijgt. Algemeen genomen zal de nieuwe
solvabiliteitsregeling resulteren in een geringere kwetsbaarheid van het
bankstelsel doordat een groter risicobewustzijn, een beter risicobeheer en een
efficiëntere kapitaalallocatie op lange termijn gunstige gevolgen zullen hebben
voor de EU-economie. 3. Rechtsgrond De voorstellen zijn gebaseerd op artikel 47,
lid 2, van het Verdrag. Deze bepaling vormt de rechtsgrond voor de vaststelling
van communautaire maatregelen met het oog op de totstandbrenging van een
interne markt voor financiële diensten. Er is gekozen voor een richtlijn omdat
dit het meest geschikte instrument is om de gestelde doelen te bereiken en
omdat het gaat om wijzigingen in bestaande richtlijnen die op dezelfde
technische aangelegenheden betrekking hebben. De bepalingen van de richtlijn
gaan niet verder dan hetgeen nodig is om de nagestreefde doelstellingen te
bereiken. 4. Artikelsgewijze toelichting In de voorstellen is de techniek van herschikking
toegepast (Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001, PB C 77 van
28.3.2002, blz. 1), die de mogelijkheid biedt materiële wijzigingen in
bestaande wetgeving aan te brengen zonder dat een afzonderlijke
wijzigingsrichtlijn behoeft te worden vastgesteld. Deze techniek resulteert in
een vermindering van de complexiteit van de EU-wetgeving en maakt deze
toegankelijker en begrijpelijker. In tal van bepalingen worden ook
niet-materiële wijzigingen aangebracht om de opzet, redactie en leesbaarheid
van de richtlijnen te verbeteren. A. Richtlijn
2000/12/EG Artikel 4: definities Artikel 4 bevat een aantal nieuwe definities
van essentiële concepten waarmee wordt beoogd de betekenis van deze concepten
te verduidelijken en tot een beter begrip ervan bij te dragen. Artikel 22 De bestaande formulering is aangepast met de
bedoeling meer duidelijkheid te scheppen over en nadere invulling te geven aan
de voor kredietinstellingen geldende verplichting om in doeltreffende interne
risicobeheersystemen te voorzien. Gezien de diversiteit van de bestreken
kredietinstellingen zal op evenredige basis aan deze vereisten moeten worden
voldaan. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage V. Artikelen 56 t/m 67 In deze artikelen is een beperkt aantal
wijzigingen aangebracht. Hoewel het niet de bedoeling is de definitie van
“eigen vermogen” te herzien, is het als gevolg van de gewijzigde benadering die
door het Bazelse Comité ten aanzien van verwachte verliezen wordt gevolgd
(besluit van Madrid) noodzakelijk gebleken enige beperkte aanpassingen aan te
brengen. Artikelen 68 t/m 75 Kredietinstellingen moeten doorlopend
voldoende eigen vermogen aanhouden en bekendmaken over hoeveel eigen vermogen
zij minimaal beschikken. In de artikelen wordt bepaald hoe aan de vereisten
moet worden voldaan indien de kredietinstelling deel uitmaakt van een groep (de
thans aan de nationale autoriteiten geboden mogelijkheid om van sommige
vereisten ontheffing te verlenen, is gehandhaafd maar nauwkeuriger omschreven).
In het licht van de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1606/2002 betreffende
de internationale standaarden voor jaarrekeningen is duidelijker aangegeven op
welke wijze de vereisten moeten worden berekend. Artikelen 76 t/m 101 Deze bepalingen vervangen de bestaande voorschriften
betreffende de solvabiliteitsratio voor het kredietrisico en voorzien in twee
methoden voor de berekening van risicogewogen posten. De standaardbenadering (artikelen 78 tot en
met 83) is gebaseerd op de bestaande regeling, waarbij de risicogewichten
worden berekend door de onderbrenging van de activa en posten buiten de
balanstelling in een beperkt aantal risicocategorieën. De risicogevoeligheid is
verhoogd als gevolg van het grotere aantal vorderingen- en risicocategorieën
(artikel 79). Er gelden lagere risicogewichten voor andere vorderingen op
particulieren en op kleine partijen dan hypotheken (75%) en voor hypotheken op
niet-zakelijk onroerend goed (35%). Voor activa waarvoor sprake is van een
betalingsachterstand van 90 dagen is een risicogewicht van 150% ingevoerd (100%
voor hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed). Het is toegestaan om van
beschikbare ratings van ratingbureaus (“externe ratings”) gebruik te maken om
risicogewichten toe te kennen (artikelen 81, 82 en 83). De desbetreffende
technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VI. Bij de interne-ratingbenadering (IRB)
(artikelen 84 tot en met 89) is het kredietinstellingen toegestaan eigen
ramingen te hanteren van de risicoparameters die samenhangen met hun
verschillende kredietrisicoposities. Deze parameters vormen de inputs in een
voorgeschreven berekening die is bedoeld om soliditeit met een betrouwbaarheid
van 99,9% te verkrijgen. In het kader van de elementaire benadering (Foundation
Approach) is het kredietinstellingen toegestaan van eigen ramingen van de kans
op wanbetaling gebruik te maken, terwijl voor de overige risicocomponenten
wettelijk voorgeschreven waarden moeten worden gehanteerd. In het kader van de
geavanceerde benadering (Advanced Approach) mogen kredietinstellingen ook voor
verlies bij wanbetaling en het uitstaande bedrag bij wanbetaling eigen ramingen
hanteren. Bij de raming van de waarden van de risicoparameters mogen
kredietinstellingen gebruik maken van gegevens uit datapools. Dit biedt
kleinere kredietinstellingen de gelegenheid een risicogevoeliger benadering te
volgen bij de berekening van de kapitaalvereisten. De voorgestelde regels voor een stapsgewijze
invoering van de IRB (artikel 85) bieden kredietinstellingen voldoende
flexibiliteit om voor de verschillende divisies en vorderingencategorieën
binnen een redelijk tijdsbestek naar de elementaire of geavanceerde IRB over te
stappen. Bij vorderingencategorieën en divisies van geringere betekenis is een
“gedeeltelijke” toepassing toegestaan (de kapitaalvereisten mogen volgens de
standaardbenadering worden berekend, ook al volgt de kredietinstelling voor
andere vorderingencategorieën de IRB). In de voorgestelde EU-regeling wordt
erkend dat het vereiste om voor bepaalde tegenpartijen een ratingsysteem te
ontwikkelen, voor kleine kredietinstellingen een zeer zware last kan betekenen.
Daarom wordt voor deze vorderingencategorieën een permanente gedeeltelijke
toepassing voorgesteld, zelfs in gevallen waarin de vorderingen van de
kredietinstellingen op dergelijke tegenpartijen wel van betekenis zijn (artikel
89). De relevante technische bepalingen voor de IRB
zijn opgenomen in bijlage VI. Artikelen 90 t/m 93 De artikelen behandelen gemeenschappelijke
aspecten van de limiteringstechnieken en voorzien in een consequente
behandeling van gebruikelijke onderliggende risico’s of economische effecten.
Zo wordt onder meer een groter scala aan verschaffers van zekerheden en
garanties/kredietderivaten erkend dan thans het geval is. De elementaire IRB
resulteert in een vanuit prudentieel oogpunt adequate inaanmerkingneming van
financiële kortlopende vorderingen en materiële zekerheden. Kredietinstellingen
kunnen kiezen tussen alternatieve benaderingen van een verschillende mate van
complexiteit (de eenvoudige benadering die makkelijk is toe te passen en berust
op de substitutie van risicogewichten, dan wel de uitgebreide benadering
waarbij op de waarde van de ontvangen zekerheid volatiliteitsaanpassingen
worden toegepast). Voor de berekening van de volatiliteitsaanpassingen zijn benaderingen
van complexe en van minder complexe aard mogelijk (een eenvoudige
toezichtbenadering waarbij de omvang van de referentiewaardeaanpassingen in een
tabel wordt weergegeven, dan wel een risicogevoeliger benadering waarbij van
eigen ramingen wordt uitgegaan). De desbetreffende technische bepalingen zijn
opgenomen in bijlage VIII. Artikelen 94 t/m 101 In deze artikelen wordt voor het eerst een
geharmoniseerd samenstel van voorschriften vastgelegd voor
securitisatieactiviteiten en beleggingen. Dit resulteert in een aanmerkelijk
betere solvabiliteitsregeling doordat kredietinstellingen kunnen profiteren van
de voordelen op onder meer het gebied van de financiering en het balansbeheer
die dergelijke transacties te bieden hebben. Dit zal er ook toe leiden dat
securitisatie minder als een instrument voor kapitaalarbitrage zal worden
beschouwd. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage
IX. Artikelen 102 t/m 105 Deze
artikelen bevatten voorschriften voor het aanpakken van het operationele risico
waaraan kredietinstellingen zijn blootgesteld. Er zijn drie verschillende
benaderingen mogelijk. De eerste (artikel 103) is de basisindicatorbenadering
(Basic Indicator Approach – BIA), een eenvoudige benadering die gebaseerd is op
één enkele indicator voor de inkomsten. Deze benadering resulteert in een
kapitaalbuffer voor het operationele risico, zonder dat de kredietinstellingen
ertoe worden genoopt geavanceerde en dure systemen voor het verzamelen van
informatie over het door hen gelopen operationele risico op te zetten. De
tweede (artikel 104) is de standaardbenadering (STA), een nauwkeuriger
benadering die gebaseerd is op de divisies en risicogevoeliger is omdat het
kapitaalvereiste voor het operationele risico is uitgesplitst om rekening te
houden met de relatieve risico’s die aan de afzonderlijke divisies verbonden
zijn. Deze benadering zal vermoedelijk aantrekkelijk zijn voor een groot aantal
kleinere en minder complexe kredietinstellingen. Als derde mogelijkheid
(artikel 105) zijn er de geavanceerde meetbenaderingen (Advanced Measurement
Approaches – AMA’s), die eigen metingen van het operationele risico opleveren
en onderworpen zijn aan strengere normen voor het risicobeheer. Verwacht wordt
dat AMA’s geleidelijk ingang zullen vinden in vooral grote, internationaal
actieve kredietinstellingen en kleinere gespecialiseerde kredietinstellingen
die geavanceerde risicobewakingssystemen voor hun hoofdactiviteiten hebben
ontwikkeld. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage
X. Artikelen 106 t/m 119 Door middel van een beperkt aantal wijzigingen
wordt ervoor gezorgd dat de voorschriften voor grote posities aansluiten bij de
kapitaalvereisten, waarin met name in ruimere mate rekening wordt gehouden met
de technieken voor de limitering van het kredietrisico. Artikelen 123 en 124 Deze artikelen geven uitdrukking aan de tweede
pijler van het kapitaalakkoord van het Bazelse Comité. Artikel 123 schrijft
voor dat kredietinstellingen over interne procedures moeten beschikken voor de
meting en het beheer van hun risico’s en voor de vaststelling van het “interne”
kapitaal dat zijzelf toereikend achten om deze risico’s te dekken. Van de
bevoegde autoriteiten wordt verlangd (artikel 124) dat zij verifiëren of de
kredietinstellingen zich aan de diverse wettelijke verplichtingen voor de
organisatie en de risicobeheersing houden en dat zij de door de
kredietinstellingen aangegane risico’s evalueren. De toezichthouders dienen van
deze toetsing gebruik te maken om na te gaan of er zwakke punten bestaan in de
controlemaatregelen en het aangehouden kapitaal. De desbetreffende technische
bepalingen zijn opgenomen in bijlage XIII. Artikelen 125 t/m 143 In de EU is er sprake van een intensivering
van de grensoverschrijdende activiteiten en van een tendens in de richting van
de centralisering van het risicobeheer binnen grensoverschrijdende groepen. Dit
alles vereist een betere coördinatie en samenwerking tussen de nationale
toezichthoudende autoriteiten in de EU. De bestaande en gevestigde rol van de toezichthouder
op geconsolideerde basis is dan ook verder uitgewerkt. Artikel 136 verleent
toezichthouders een minimale geharmoniseerde reeks van bevoegdheden zodat zij
van de kredietinstellingen kunnen eisen dat deze eventuele onvolkomenheden in
de naleving van de richtlijnvoorschriften verhelpen. Artikel 144 Er is een minimum aan openbaarmakingsregels
vastgesteld waaraan de nationale autoriteiten zich dienen te houden om een
sterkere convergentie van de tenuitvoerlegging te bewerkstelligen en te zorgen
voor transparantie. Artikelen 145 t/m 149 Deze bepalingen geven uitdrukking aan de derde
pijler van het nieuwe kapitaalakkoord van het Bazelse Comité. De verstrekking
van informatie door kredietinstellingen aan marktdeelnemers draagt bij tot een
grotere financiële soliditeit en stabiliteit, zorgt voor gelijke
concurrentievoorwaarden en respecteert de gevoeligheid van bepaalde informatie.
Artikel 147 schrijft voor dat de meeste kredietinstellingen minimaal eenmaal
per jaar informatie moeten bekendmaken – op grond van specifieke criteria kan
worden besloten dat het nodig is vaker informatie bekend te maken. De
desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage XII. Artikel 150 Deze richtlijn moet gelijke tred kunnen houden
met de marktontwikkelingen. Er wordt voor de daartoe vereiste flexibiliteit
gezorgd door een onderscheid te maken tussen kernbepalingen en technische
regels (vooral vervat in de bijlagen bij de richtlijn) die mogelijkerwijs op
korte à middellange termijn aanpassing behoeven. Artikel 150 voegt een aantal
nieuwe technische terreinen toe aan die welke in Richtlijn 2000/12/EG
(aangenomen in 1989) waren opgenomen en bepaalt dat de nieuwe technische
bijlagen volgens dezelfde snelle procedure moeten kunnen worden gewijzigd. B. Richtlijn
93/6/EEG inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en
kredietinstellingen Artikel 2: toepassingsgebied Artikel 2 specificeert hoe de vereisten op
afzonderlijke beleggingsondernemingen, groepen van beleggingsondernemingen en
gemengde groepen moeten worden toegepast. Artikel 3: definities Dit artikel bevat een aantal nieuwe en
gewijzigde definities van essentiële concepten met de bedoeling de betekenis
van deze concepten te verduidelijken en tot een beter begrip ervan bij te
dragen. Artikel 11: behandeling van kapitaal in de
handelsportefeuille Het begrip “handelsportefeuille” is beter
gedefinieerd om meer zekerheid te bieden ten aanzien van de toepasselijke
kapitaalvereisten en mogelijke arbitrage tussen de niet-handelsportefeuille en
de handelsportefeuille tegen te gaan. De desbetreffende technische bepalingen
zijn opgenomen in bijlage VII. Artikelen 18 en 20 In artikel 18 zijn de minimumkapitaalvereisten
voor het marktrisico vastgelegd waaraan kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen zich dienen te houden. Nieuw zijn de behandeling van
posities in instellingen voor collectieve belegging en kredietderivaten en een
aantal andere wijzigingen om tot een grotere risicogevoeligheid te komen. De
desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met
VII. Artikel 20 breidt de in Richtlijn 2000/12/EG vervatte voorschriften
betreffende de kapitaalvereisten voor het kredietrisico en het operationele
risico uit tot beleggingsondernemingen, zoals thans ook het geval is. Nieuwe,
met het kredietrisico verband houdende aspecten zijn onder meer de bepaling
betreffende de behandeling van kredietderivaten en een gewijzigde maatstaf voor
het risico verbonden aan repo’s en financieringstransacties met betrekking tot
effecten/grondstoffen. Wat het operationele risico betreft, zijn er ingrijpende
wijzigingen aangebracht om rekening te houden met de specifieke kenmerken van
de sector van de beleggingsondernemingen, waarbij de mogelijkheid wordt geboden
het op de uitgaven gebaseerde vereiste te blijven toepassen voor
beleggingsondernemingen die behoren tot de categorieën met een laag,
middelgroot en middelgroot/groot risico. Artikel 28: grote risico’s De huidige werkwijze wordt voortgezet:
kredietinstellingen en beleggingsondernemingen blijven onderworpen aan dezelfde
voorschriften, die evenwel gewijzigd zijn wat de grote risico’s voor
transacties met betrekking tot de handelsportefeuille betreft. Een nieuw aspect
is de gewijzigde maatstaf voor het risico verbonden aan repo’s en financieringstransacties
met betrekking tot effecten/grondstoffen. De desbetreffende technische
bepalingen zijn opgenomen in bijlage VI. Artikel 33: waardering van posities voor
verslagleggingsdoeleinden In het kader van de voorschriften die voorzien
in de dagelijkse bepaling van de waarde van de posities in de
handelsportefeuille, zijn strengere eisen gesteld aan de waardering van deze
posities om de prudentiële soliditeit te bevorderen. De desbetreffende
technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VII. Artikel 22: geconsolideerde vereisten De thans aan de bevoegde autoriteiten geboden
mogelijkheid om ontheffing te verlenen van de toepassing van geconsolideerde
vereisten op groepen van beleggingsondernemingen wordt gehandhaafd, maar er
worden voorwaarden gesteld die deugdelijker zijn vanuit prudentieel oogpunt. Artikel 34: risicobeheer en beoordeling van
de kapitaaltoereikendheid Artikel 34 breidt de voor kredietinstellingen
geldende verplichting om in doeltreffende interne risicobeheersystemen te
voorzien (artikel 17 van Richtlijn 2000/12/EG) uit tot beleggingsondernemingen.
Gezien de diversiteit van de bestreken instellingen zal op evenredige basis aan
deze vereisten moeten worden voldaan. Ook het vereiste van artikel 123 van
Richtlijn 2000/12/EG wordt op beleggingsondernemingen toegepast: zij moeten
over interne procedures beschikken voor de meting en het beheer van de risico’s
waaraan zij zijn blootgesteld en voor de vaststelling van het kapitaalbedrag
(“intern” kapitaal) dat zij toereikend achten om deze risico’s te dekken. De in
het artikel gestelde eisen komen bij de reeds in Richtlijn 2004/39/EG vervatte
vereisten waaraan het risicobeheer van beleggingsondernemingen moet voldoen. Artikel 37: toezicht Dit artikel past de voorschriften van
Richtlijn 2000/12/EG mutatis mutandis toe op beleggingsondernemingen. Artikel 42 Evenals Richtlijn 2000/12/EG moet Richtlijn
93/6/EEG gelijke tred kunnen houden met de marktontwikkelingen. Er wordt voor
de daartoe vereiste flexibiliteit gezorgd door een onderscheid te maken tussen
kernbepalingen en technische regels (vooral vervat in de bijlagen bij de
richtlijn) die op korte à middellange termijn aanpassing behoeven. De
technische bijlagen moeten volgens een snelle procedure kunnen worden
gewijzigd. Om met de in de komende jaren verwachte verdere belangrijke
ontwikkelingen op toezichtgebied rekening te kunnen houden, is een
herzieningsclausule voor de behandeling van het tegenpartijrisico opgenomen. ê 2000/12/EG 2004/0155 (COD)
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende de toegang tot en de uitoefening
van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) ò nieuw (Voor de EER relevante tekst) ê 2000/12/EG
(aangepast) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Economisch en
Sociaal Comité[5], Volgens de procedure van artikel 251 van het
Verdrag[6], Overwegende hetgeen volgt: ê 2000/12/EG
overweging 1 (aangepast) (1)
Richtlijn 73/183/EEG van de
Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de
vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in
loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen[7],
Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot
en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[8], Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april
1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen[9], Tweede Richtlijn 89/646/EEG van de Raad van 15
december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden
van kredietinstellingen[10], Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18
december 1989 betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen[11], Richtlijn 92/30/EEG van de Raad van 6 april
1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis[12] alsmede Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21
december 1992 betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's
van kredietinstellingen[13] zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Zij
dienen derhalve zowel om redenen van rationele ordening van de tekst als om
redenen van duidelijkheid te worden gecodificeerd door samenbrenging ervan in
één tekst. Ö Richtlijn
2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende
de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[14] is diverse malen
ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille
van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden
overgegaan. Õ ê 2000/12/EG
overweging 2 (aangepast) Krachtens het Verdrag is
elke discriminerende behandeling terzake van vestiging en het verrichten van
diensten op grond van nationaliteit of van het feit dat de onderneming niet is
gevestigd in de lidstaat waar de dienstverlening plaatsvindt, verboden. ê 2000/12/EG
overweging 3 (2)
Teneinde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden
van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk de
hinderlijkste verschillen tussen de wetgevingen der lidstaten inzake de
regeling waaraan deze instellingen zijn onderworpen, op te heffen. ê 2000/12/EG
overweging 4 (aangepast) (3)
De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot
de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging
als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de
totstandbrenging van de interne markt waartoe bij de
Europese Akte werd besloten en die in het programma van het Witboek van de
Commissie is opgenomen. ê 2000/12/EG
overweging 5 (aangepast) (4)
De coördinatiewerkzaamheden inzake
kredietinstellingen, zowel voor de bescherming van de spaargelden als ter
bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor de
kredietinstellingen, moeten van toepassing zijn op alle kredietinstellingen.
Hierbij dient echter, zo nodig, rekening te worden
gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale
wetgevingen vastgestelde specifieke taken. ê 2000/12/EG
overweging 6 (5)
Het toepassingsgebied van de
coördinatiewerkzaamheden moet derhalve zo ruim mogelijk zijn en moet alle
instellingen bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst
nemen, in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals de permanente
uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken, en voor eigen rekening
kredieten verlenen. Uitzonderingen moeten echter worden gemaakt voor bepaalde
kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing kan zijn. Deze
richtlijn laat de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet wanneer
hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op
grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten
of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren. ê 2000/12/EG
overweging 7 (aangepast) (6)
Met de richtlijn wordt beoogd Ö Het is
aangewezen Õ een wezenlijke,
noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot
een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van
bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele
Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het toezicht wordt
uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. De eis dat een programma van
werkzaamheden wordt ingediend mag in dit opzicht slechts worden beschouwd als
een factor die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te besluiten op grond
van een nauwkeuriger informatie binnen het kader van objectieve criteria. Een
zekere versoepeling van de regels is niettemin mogelijk met betrekking tot de
vereisten die worden gesteld aangaande de rechtsvormen van de kredietinstellingen
en Ö met betrekking
tot Õ de bescherming van
de benamingen. ò nieuw (7)
Aangezien de doelstelling
van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kan worden
verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen
optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap
overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde
subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in ditzelfde
artikel genoemde evenredigheidsbeginsel beperkt deze richtlijn zich tot het
minimum dat vereist is, en gaat zij niet verder dan wat daartoe nodig is. ê 2000/12/EG
overweging 8 (8)
Voor de kredietinstellingen moeten gelijkwaardige
financiële eisen gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en
eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen
kredietinstellingen. In afwachting van een betere coördinatie dienen geëigende,
de structuur betreffende verhoudingsgetallen te worden ontwikkeld waardoor het
mogelijk wordt om in het kader van de samenwerking tussen nationale
autoriteiten volgens standaardmethoden de positie van vergelijkbare categorieën
kredietinstellingen in het oog te houden. Deze procedure kan de geleidelijke
onderlinge aanpassing van door de lidstaten vastgestelde en toegepaste
coëfficiënten vergemakkelijken. Het is evenwel noodzakelijk een onderscheid te
maken tussen de coëfficiënten welke ten doel hebben een degelijk beheer van de
kredietinstellingen te waarborgen en die welke oogmerken van economische en
monetaire politiek dienen. ê 2000/12/EG
overweging 9 (aangepast) (9)
De beginselen van wederzijdse erkenning en van
toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten
van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde
gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de lokalisatie Ö van de
werkzaamheden Õ of de werkelijk
uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de
kredietinstelling het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te
onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het
grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen.
Aan een kredietinstelling die een rechtspersoon is, moet vergunning worden
verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Een
kredietinstelling die geen rechtspersoon is, moet een hoofdbestuur hebben in de
lidstaat waar haar vergunning is verleend. De lidstaten moeten tevens eisen dat
het hoofdbestuur van een kredietinstelling zich steeds in haar lidstaat van
herkomst bevindt en daar feitelijk ook werkzaam is. ê 2000/12/EG
overweging 10 (aangepast) (10)
De bevoegde autoriteiten zouden geen vergunning aan
een kredietinstelling mogen verlenen of handhaven, wanneer de nauwe banden die
tussen deze instelling en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van
dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van
hun toezichthoudende taken. Kredietinstellingen waaraan reeds vergunning is
verleend, moeten de bevoegde autoriteiten in dat opzicht eveneens voldoening
schenken. De in deze richtlijn gegeven definitie van «nauwe banden» berust
op minimumcriteria en belet de lidstaten niet ook bepalingen vast te stellen
voor andere situaties dan die welke door genoemde definitie worden bestreken. Dat de verwerving van een aanzienlijk percentage van het
kapitaal van een vennootschap louter op zich vormt geen deelneming die in de
zin van «nauwe banden» in aanmerking moet worden genomen, indien deze
verwerving slechts als een tijdelijke belegging is bedoeld, die het niet
mogelijk maakt invloed uit te oefenen op de structuur en het financiële beleid
van de instelling. ê 2000/12/EG
overweging 11 (11)
Met "juiste uitoefening van de
toezichthoudende taken door de autoriteiten", wordt ook gedoeld op het
toezicht op geconsolideerde basis, dat op een kredietinstelling dient te worden
uitgeoefend wanneer de communautaire rechtsregels een dergelijk toezicht
voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een
vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn
voor het toezicht op geconsolideerde basis op deze kredietinstelling. ê 2000/12/EG
overweging 12 (aangepast) De lidstaat van herkomst
kan voorts wat de kredietinstellingen betreft waaraan door zijn eigen bevoegde
autoriteiten vergunning is verleend, strengere regels dan die van artikel 5,
lid 1, eerste alinea, en lid 2, en de artikelen 7, 16, 30, en 51 stellen. ê 2000/12/EG
overweging 13 (aangepast) De afschaffing van de
vergunning die voor bijkantoren van kredietinstellingen uit de Gemeenschap is
vereist, brengt noodzakelijkerwijs afschaffing van het dotatiekapitaal mee. ê 2000/12/EG
overweging 14 (aangepast) (12)
De gevolgde benadering houdt
in dat, op grond van wederzijdse erkenning, Ö Het moet Õ kredietinstellingen
waaraan in een lidstaat van herkomst vergunning is verleend, Ö worden
toegestaan Õ alle werkzaamheden
die in de in bijlage I opgenomen lijst zijn vermeld, of een deel daarvan, door
vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten overal in de
Gemeenschap mogen uitoefenen Ö uit te
oefenen Õ . Voor de uitoefening van werkzaamheden die niet in voornoemde
lijst voorkomen, blijft de vrijheid van vestiging en van het verrichten van
diensten gelden overeenkomstig de algemene Verdragsbepalingen. ê 2000/12/EG
overweging 15 (aangepast) (13)
Het is evenwel
dienstig de wederzijdse erkenning ook te laten gelden voor de werkzaamheden die
in voornoemde lijst zijn opgenomen wanneer zij worden verricht door een
financiële instelling die dochteronderneming is van een kredietinstelling, mits
deze dochteronderneming is opgenomen onder het toezicht op geconsolideerde
basis waaraan haar moederonderneming is onderworpen, en aan strenge voorwaarden
voldoet. ê 2000/12/EG
overweging 16 (aangepast) (14)
De lidstaat van ontvangst kan
Ö moet Õ voor de uitoefening
van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten Ö kunnen Õ eisen dat de
specifieke voorschriften van zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
worden nageleefd door instellingen die geen vergunning als kredietinstelling
hebben ontvangen in de lidstaat van herkomst, dan wel ten aanzien van
werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, voorzover deze
voorschriften verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en worden ingegeven
door het algemeen belang, en deze instellingen, respectievelijk werkzaamheden
niet op grond van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat
van herkomst aan gelijkwaardige regels onderworpen zijn. ê 2000/12/EG
overweging 17 (15)
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er geen
enkele belemmering is voor de uitoefening, op dezelfde wijze als in de lidstaat
van herkomst, van de werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen,
voorzover zij niet in strijd zijn met de vigerende wettelijke bepalingen van
algemeen belang van de lidstaat van ontvangst. ê 2000/12/EG
overweging 18 (aangepast) Tussen het doel van de
onderhavige richtlijn en de door middel van andere communautaire besluiten tot
stand gebrachte liberalisatie van het kapitaalverkeer bestaat een noodzakelijk
verband. De maatregelen tot liberalisatie van de bankdiensten moeten in ieder
geval in harmonie zijn met de maatregelen tot liberalisatie van het
kapitaalverkeer. ê 2000/12/EG
overweging 19 (aangepast) (16)
De regeling voor bijkantoren van
kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zou in alle
lidstaten analoog moeten zijn. Er moet worden bepaald dat deze regeling niet
gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van instellingen uit een lidstaat. Er dient te worden bepaald dat dDe
Gemeenschap Ö moet Õ met derde landen
overeenkomsten kan Ö kunnen Õ sluiten die, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid,
voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren
op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt. De bijkantoren met
hoofdkantoor buiten de Gemeenschap komen Ö mogen Õ niet in aanmerking Ö komen Õ voor het vrij
verrichten van diensten uit hoofde van artikel 49, tweede alinea, van het
Verdrag, noch voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waarin
zij gevestigd zijn. Vergunningaanvragen voor een
dochteronderneming of verzoeken voor het verwerven van deelnemingen afkomstig
van een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, zijn
echter onderworpen aan een procedure die erop gericht is te waarborgen dat
kredietinstellingen uit de Gemeenschap in de betrokken derde landen een op
wederkerigheid berustende behandeling verkrijgen. ê 2000/12/EG
overweging 20 (aangepast) Door de bevoegde nationale
autoriteiten verleende vergunningen van kredietinstellingen hebben
overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn een communautaire en niet meer
een uitsluitend nationale reikwijdte en de bestaande wederkerigheidsclausules
zijn daarom niet meer geldig. Derhalve is een soepele procedure nodig aan de
hand waarvan de wederkerigheid op een communautaire grondslag kan worden
beoordeeld. Deze procedure heeft niet ten doel de financiële markten van de
Gemeenschap te sluiten, maar - aangezien de Gemeenschap voornemens is haar
financiële markten voor de rest van de wereld open te houden - de liberalisatie
van de globale financiële markten in andere derde landen te verbeteren. Deze
richtlijn voorziet daartoe in procedures voor onderhandelingen met derde landen
of, in laatste instantie, in de mogelijkheid maatregelen te nemen die bestaan
in het opschorten van nieuwe vergunningaanvragen of in het beperken van het
aantal nieuwe vergunningen. ê 2000/12/EG
overweging 21 (17)
Tussen de Gemeenschap en derde landen dienen
overeenkomsten op basis van wederkerigheid te worden gesloten om de concrete
toepassing van geconsolideerd toezicht op een zo breed mogelijke geografische
basis mogelijk te maken. ê 2000/12/EG
overweging 22 (aangepast) (18)
De verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de
financiële soliditeit en met name de solvabiliteit van een kredietinstelling berust Ö dient Õ voortaan Ö te
berusten Õ bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst
van de instelling. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö dienen Õ behouden hun verantwoordelijkheden Ö verantwoordelijk
te zijn Õ voor het toezicht op
de liquiditeit Ö van de
bijkantoren Õ en voor het monetair
beleid. Met betrekking tot het toezicht op het marktrisico moet er een nauwere
samenwerking zijn tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst
en die van de lidstaat van ontvangst. ê 2000/12/EG
overweging 23 en 24 (aangepast) ð nieuw (19)
De harmonische werking van de interne bankmarkt,
vereist naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de
bevoegde autoriteiten van de lidstaten ð en een veel grotere convergentie van
hun regelgevings- en toezichtpraktijken ï. ÖMet name Õ Derhalve blijft met betrekking tot ð moeten ï de individuele behandeling van problemen betreffende een bepaalde
kredietinstelling, ð en de onderlinge uitwisseling van
informatie ï Dderhalve ð geschieden in het Comité van Europese
bankentoezichthouders ïde contactgroep datie is opgericht door de autoriteiten die toezicht houden op de banken, het
geschikte kader.ð bij Besluit 2004/5/EG van de Commissie[15] ï.
Deze groep is een passend forum voor de in artikel 28 bedoelde uitwisseling van
gegevens. Deze procedure voor de uitwisseling van
gegevens Ö mag Õ in geen geval in de
plaats Ö treden Õvan de bij artikel 28 ingestelde bilaterale samenwerking. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst kan,
oOnverminderd
haar eigen toezichtsbevoegdheden, Ö moet de
bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst Õ op eigen initiatief
of op initiatief van de Ö bevoegde
autoriteiten van de Õ lidstaat van herkomst,
in dringende gevallen blijven Ö kunnen Õ nagaan of de
werkzaamheden van een instelling op haar grondgebied in overeenstemming zijn
met de wet, en met de beginselen van een goede administratieve en
boekhoudkundige organisatie en van een adequate interne controlemaatregelen. ê 2000/12/EG
overweging 25 (20)
Het is dienstig de mogelijkheid toe te staan van
uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of
organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de stabiliteit van het
financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven
informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt
blijven. ê 2000/12/EG
overwegingen 26 en 27 (aangepast) (21)
Bepaalde praktijken zoals fraude en
voorkennisdelicten, ook al hebben zij betrekking op andere dan
kredietinstellingen, tasten toch de stabiliteit van het financiële stelsel
alsmede de integriteit ervan aan. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden
de genoemde uitwisseling van informatie Ö in dergelijke
gevallen Õ is toegestaan. ê 2000/12/EG
overweging 28 (22)
Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de
uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven,
mogen deze autoriteiten in voorkomend geval aan hun instemming strikte
voorwaarden verbinden. ê2000/12/EG overweging
29 (23)
Ook uitwisseling van informatie dient te worden
toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds de centrale
banken en andere instellingen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van
monetaire autoriteit, en in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die
belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen. ê 2000/12/EG
overweging 30 (aangepast) (24)
Ter versterking van het bedrijfseconomische
toezicht op kredietinstellingen en ter bescherming van de cliënten van
kredietinstellingen, dient te worden voorgeschreven
dat Ö moeten Õ een met de wettelijke controle van de jaarrekeningen
belaste persoonen de
bevoegde autoriteiten snel in kennis moet stellen
wanneer hzij in de in de
onderhavige richtlijn bedoelde gevallen, in de uitvoering van zijhun
taken kennis krijgten van bepaalde feiten die van dien aard zijn
dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige
organisatie van een kredietinstelling ernstig kunnen aantasten. Gelet op het beoogde doel is het wenselijk dat Ö Om dezelfde
reden moeten Õ de lidstaten Ö ook Õ bepalen dat deze
verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de
wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in
de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een kredietinstelling
nauwe banden heeft. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening
belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde
autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten en besluiten met betrekking
tot een kredietinstelling, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een
niet-kredietinstelling constateren, houdt Ö mag Õ op zich geen
wijziging Ö inhouden Õ van de aard van hun
taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taak bij
die onderneming dienen te kwijten. ê 2000/12/EG
overwegingen 31 tot en met 35 (aangepast) Gemeenschappelijke
basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen
vormen een centraal element in de opbouw van een interne markt in de banksector
omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit in de activiteit
van de kredietinstellingen te waarborgen en het spaarwezen te beschermen. Deze
harmonisatie draagt bij tot de versterking van het toezicht dat op
kredietinstellingen wordt uitgeoefend en zal de coördinatie van andere aspecten
van het bankwezen in de hand werken. Deze voorschriften
dienen van toepassing te zijn op alle in de Gemeenschap toegelaten
kredietinstellingen. Het eigen vermogen van
een kredietinstelling kan dienen tot dekking van verliezen waartegenover geen
te verwachten winst van voldoende omvang staat. Het eigen vermogen wordt tevens
door de bevoegde autoriteiten als een belangrijke maatstaf aangelegd,
inzonderheid voor de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen
en voor andere toezichtsdoeleinden. Aangezien
kredietinstellingen op een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar
concurreren, moeten de definities en voorschriften op het gebied van het eigen
vermogen bijgevolg gelijkwaardig zijn. Te dien einde mogen de criteria ter
bepaling van de samenstelling van het eigen vermogen niet alleen een zaak
blijven van de lidstaten. Met de vaststelling van gemeenschappelijke
basisvoorschriften zal het belang van de Gemeenschap het best worden gediend,
doordat verstoring van de mededingingsvoorwaarden wordt voorkomen en het
bankwezen in de Gemeenschap wordt versterkt. De in deze richtlijn
vervatte definitie van eigen vermogen behelst een maximum aan bestanddelen en
limietbedragen, waarbij het aan iedere lidstaat wordt overgelaten alle of
slechts enkele van deze bestanddelen te hanteren of lagere maxima vast te
stellen dan de limietbedragen. ê 2000/12/EG
overweging 36 (aangepast) (25)
Deze richtlijn geeft aan
welke criteria Ö Ingevolge deze
richtlijn moeten criteria worden vastgesteld waaraan Õ bepaalde
bestanddelen van het eigen vermogen moeten voldoen., wDaarbij Ö behouden Õ de lidstaten de
vrijheid behouden stringentere voorwaarden toe te
passen. ê 2000/12/EG
overweging 37 (aangepast) De gemeenschappelijke
bankvoorschriften worden in een eerste fase vrij ruim afgebakend teneinde de
veelheid van bestanddelen te kunnen bestrijken die in de verschillende
lidstaten tot het eigen vermogen worden gerekend. ê 2000/12/EG
overweging 38 (26)
In deze richtlijn wordt volgens de kwaliteit van de
bestanddelen van het eigen vermogen een onderscheid gemaakt tussen bestanddelen
die het basisvermogen en bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen. ê 2000/12/EG
overweging 39 (aangepast) (27)
De bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen moeten Ö mogen Õ, vanwege het feit
dat zij niet dezelfde kwaliteit hebben als die welke het basisvermogen vormen,
niet ten belope van meer dan 100 % van het basisvermogen tot het eigen vermogen
worden gerekend. De meetelling van bepaalde bestanddelen van het aanvullend
vermogen moet bovendien beperkt worden tot 50 % van het basisvermogen. ê 2000/12/EG
overweging 39 (28)
Openbare kredietinstellingen mogen, teneinde
verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen, bij de berekening van
hun eigen vermogen niet de garanties meetellen die hun door de lidstaten of
door lagere overheden zijn verstrekt. ê 2000/12/EG
overweging 40 (29)
Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is
de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep van
kredietinstellingen te bepalen, dient deze berekening te geschieden
overeenkomstig deze richtlijn. ê 2000/12/EG
overweging 41 (aangepast) ð nieuw (30)
Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen
vermogen en van de solvabiliteitsratio ð toereikendheid ervan voor het risico
waaraan een kredietinstelling is blootgesteld ï en ten aanzien van de bij de risicobepaling te gebruiken
boekhoudkundige techniek dient rekening te worden gehouden met de bepalingen
van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de
jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële
instellingen[16]
waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van Zevende Richtlijn 83/349/EEG
van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 44, lid 2, onder g),
van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening Ö [17] Õ zijn vervat, ð of met Verordening (EG) nr. 1606/2002
van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van
internationale standaarden voor jaarrekeningen[18], mocht deze van toepassing
zijn op de boekhouding van kredietinstellingen in het kader van de nationale
wetgeving ï. ê 2000/12/EG
overweging 42 tot en met 47 (aangepast) De bepalingen met
betrekking tot het eigen vermogen sluiten aan bij het internationale streven om
op ruimere schaal te komen tot een onderlinge aanpassing van de in de
voornaamste landen inzake gelijkwaardigheid van het eigen vermogen geldende
regels. De kredietinstellingen
zullen in een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar in
concurrentie moeten treden en het aannemen van gemeenschappelijke
solvabiliteitsnormen in de vorm van een minimumratio zal concurrentievervalsing
voorkomen en zal het bankwezen van de Gemeenschap versterken. De Commissie zal
een rapport opstellen en zal de bepalingen met betrekking tot het eigen
vermogen periodiek onderzoeken teneinde deze te versterken en aldus tot een
grotere convergentie te komen in de gemeenschappelijke definitie van het eigen
vermogen. Door deze
convergentie kan de gelijkwaardigheid van het eigen vermogen van de
kredietinstellingen van de Gemeenschap worden verbeterd. De bepalingen betreffende
de solvabiliteitsratio zijn het resultaat van de werkzaamheden van het
Raadgevend Comité voor het Bankwezen, op hetwelk de verantwoordelijkheid rust
aan de Commissie voorstellen te doen met het oog op de coördinatie van de in de
lidstaten geldende coëfficiënten. De vaststelling
van een passende solvabiliteitsratio speelt een centrale rol bij het toezicht
op kredietinstellingen. Een ratio waarbij
activa en posten buiten de balanstelling naar kredietrisicograad worden
gewogen, is een bijzonder nuttige solvabiliteitsmaatstaf. ò nieuw (31)
De
minimumkapitaalvereisten spelen een centrale rol bij het toezicht op
kredietinstellingen en bij de wederzijdse erkenning van toezichthoudende
technieken. De bepalingen met betrekking tot de minimumkapitaalvereisten moeten
derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot
harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen. (32)
Teneinde verstoring van
de mededingingsvoorwaarden te voorkomen en het bankwezen in de interne markt te
versterken, is het aangewezen gemeenschappelijke minimumkapitaalvereisten vast
te stellen. (33)
Omwille van een
toereikende solvabiliteit moeten minimumkapitaalvereisten worden vastgesteld
waarbij actiefposten en posten buiten de balanstelling naar risicograad worden
gewogen. ê 2000/12/EG
overwegingen 48 tot en met 51 (aangepast) De totstandbrenging van
gemeenschappelijke normen voor het eigen vermogen in verhouding tot activa en
posten buiten de balanstelling waarvoor een kredietrisico bestaat, vormt
derhalve een wezenlijk onderdeel van de harmonisatie die nodig is om te komen
tot wederzijdse erkenning van de toezichtmethoden en bijgevolg tot voltooiing
van de interne markt voor het bankwezen. De bepalingen met
betrekking tot de solvabiliteitsratio moeten derhalve worden gezien in
samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de
basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen. De
kredietinstellingen zullen in een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks
met elkaar in concurrentie moeten treden en het aannemen van gemeenschappelijke
solvabiliteitsnormen in de vorm van een minimumratio zal concurrentievervalsing
voorkomen en zal het bankwezen van de Gemeenschap versterken. De onderhavige
richtlijn voorziet in verschillende wegingsfactoren voor de door de
onderscheiden financiële instellingen verstrekte garanties. De Commissie
verbindt zich er derhalve toe te onderzoeken of de onderhavige richtlijn in
haar geheel aanzienlijke mededingingsdistorsies tussen kredietinstellingen en
verzekeringsondernemingen meebrengt en in het licht van dat onderzoek na te
gaan of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn. ò nieuw (34)
Het is van essentieel
belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de
kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit
verschillende berekeningsmethoden voor de minimumkapitaalvereisten ten aanzien
van het kredietrisico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van
verfijning variëren. Dankzij het gebruik van externe ratings en van door de
kredietinstellingen zelf opgestelde ramingen van individuele
kredietrisicoparameters verbeteren de risicogevoeligheid en de soliditeit van
de kredietrisicovoorschriften in aanzienlijke mate. Kredietinstellingen moeten
voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere
methoden. (35)
De
minimumkapitaalvereisten moeten evenredig zijn aan de gelopen risico´s. Met
name moet daarin het risicoverlagende effect van een groot aantal relatief
beperkte vorderingen tot uiting komen. (36)
Met technieken om het
kredietrisico te limiteren, moet meer rekening worden gehouden. Daarbij moet
het regelgevingskader ervoor zorgen dat de solventie niet wordt ondermijnd
doordat een techniek ten onrechte wordt geaccepteerd. (37)
Om ervoor te zorgen dat
de risico´s en risicobeperkingen als gevolg van securitisatieactiviteiten en
investeringen van kredietinstellingen tot uiting komen in hun
minimumkapitaalvereisten, zijn er regels nodig die een risicogevoelige en
vanuit prudentieel oogpunt deugdelijke behandeling van dergelijke activiteiten
en investeringen garanderen. ê 2000/12/EG
overweging 52 (aangepast) In bijlage III is
bepaald op welke wijze posten buiten de balanstelling bij de berekening van het
vereiste eigen vermogen voor kredietinstellingen moeten worden behandeld. De
lidstaten zijn teneinde een soepel functioneren van de interne markt en
inzonderheid gelijke mededingingsvoorwaarden te garanderen, verplicht ernaar te
streven dat hun bevoegde autoriteiten overeenkomsten inzake contractuele
verrekening uniform beoordelen. Bijlage III is in overeenstemming met de
werkzaamheden van een internationaal forum van banktoezichthouders op het
gebied van de erkenning van bilaterale verrekening door toezichthouders, meer
bepaald de mogelijkheid om het vereiste eigen vermogen voor bepaalde
transacties op basis van een netto- en niet van een brutobedrag te berekenen,
op voorwaarde dat er rechtens bindende overeenkomsten bestaan krachtens welke
het kredietrisico tot het nettobedrag wordt beperkt. De regels die in breder
internationaal verband zijn vastgesteld voor internationaal werkzame
kredietinstellingen en groepen kredietinstellingen in vele landen, die met
communautaire kredietinstellingen concurreren, zullen leiden tot een meer
verfijnde prudentiële behandeling van afgeleide «over the counter»
(OTC)-instrumenten. Deze verfijning resulteert in een adequater verplichte
dekking met eigen vermogen, waarbij het risicoverlagende effect van door de
toezichthouders aanvaarde contractuele verrekening voor het potentiële
toekomstige kredietrisico in aanmerking wordt genomen. Clearing van afgeleide
OTC-instrumenten door als centrale tegenpartij optredende clearinginstellingen
speelt in bepaalde lidstaten een belangrijke rol. Het is aangewezen de baten
van die clearing, in de vorm van demping van het kredietrisico en het daarmee
verband houdende systeemrisico, bij de prudentiële behandeling van
kredietrisico te erkennen. De huidige en potentiële toekomstige risico's die
uit geclearde afgeleide OTC-contracten voortvloeien, moeten volledig met
onderpand worden gedekt, en het gevaar dat de risicoposities van de
clearinginstelling boven de marktwaarde van het gestelde onderpand uitstijgen,
moet worden geëlimineerd teneinde aan geclearde afgeleide OTC-instrumenten
gedurende een overgangsperiode dezelfde prudentiële behandeling te kunnen
toekennen als aan ter beurze verhandelde afgeleide instrumenten. De bevoegde
autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn dat de vereiste begin- en
variatiemarges, alsmede de kwaliteit en de mate van bescherming van het
gestelde onderpand, toereikend zijn. Voor kredietinstellingen die hun
statutaire zetel in de lidstaten hebben, schept bijlage III een soortgelijke
mogelijkheid tot erkenning van bilaterale verrekening door de bevoegde
autoriteiten, waardoor zij onder dezelfde voorwaarden kunnen concurreren. De
desbetreffende regels zijn evenwichtig en geschikt om de toepassing van
maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen nog
krachtiger te maken. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten dienen zich ervan
te vergewissen dat de berekening van de opslagen («add-ons») niet op de in de
boeken vermelde, maar op de effectieve theoretische bedragen gebaseerd is. ò nieuw (38)
Kredietinstellingen staan
bloot aan een groot operationeel risico, dat met eigen vermogen moet worden
opgevangen. Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de
diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij
kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de vereisten ten
aanzien van het operationeel risico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de
mate van verfijning variëren. Kredietinstellingen moeten voldoende worden
geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Omdat de
technieken voor de meting en het beheer van het operationele risico nog niet
helemaal zijn uitgerijpt, moeten deze regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig
worden bijgewerkt; dit geldt ook voor de vereisten ten aanzien van de
verschillende bedrijfsactiviteiten en de inaanmerkingneming van
risicolimiteringstechnieken. (39)
Om de solvabiliteit van
kredietinstellingen binnen een groep te waarborgen, is het van essentieel
belang dat bij de minimumkapitaalvereisten wordt uitgegaan van de
geconsolideerde financiële positie van de groep. Om te waarborgen dat het eigen
vermogen op de juiste wijze binnen de groep wordt verdeeld en waar nodig kan
worden ingezet voor de bescherming van spaargelden, dienen de minimumkapitaalvereisten
te gelden voor de afzonderlijke kredietinstellingen binnen een groep, tenzij
dit doel op een andere, effectieve wijze kan worden gerealiseerd. ê 2000/12/EG
overweging 53 (aangepast) De bij de onderhavige
richtlijn vastgestelde minimumratio versterkt het eigen vermogen van de
kredietinstellingen in de Gemeenschap. Voor 8% is gekozen op grond van een
statistische enquête naar de begin 1988 geldende vermogenseisen. ê 2000/12/EG
overweging 54 (aangepast) (40)
De fundamentele regels voor de bewaking van grote risico's Ö posities Õ van
kredietinstellingen dienen te worden geharmoniseerd. De lidstaten dienen over
de mogelijkheid te beschikken om stringentere regels vast te stellen dan in
deze richtlijn zijn voorgeschreven. ê 2000/12/EG
overweging 55 (aangepast) (41)
De bewaking van de Ö posten Õ risico's van kredietinstellingen vormen
Ö dient Õ een integrerend deel
van het bedrijfseconomisch toezicht op deze instellingen Ö te vormen Õ. Een overmatige
concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan Ö derhalve Õ tot een
onaanvaardbaar verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht
nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling. ê 2000/12/EG
overweging 56 (aangepast) (42)
Aangezien op een interne
markt in de banksector de kredietinstellingen Ö op de interne
markt Õ rechtstreeks met
elkaar concurreren, moeten de eisen inzake de bewaking in de gehele Gemeenschap
gelijkwaardig zijn. Daartoe moeten de criteria voor het
bepalen van de concentratie van risico's het voorwerp vormen op communautair
niveau van dwingende rechtsregels en de vaststelling van die criteria mag niet
volledig aan de lidstaten worden overgelaten. De vaststelling van
gemeenschappelijke regels dient derhalve het best de belangen van de
Gemeenschap omdat aldus verschillen in concurrentievoorwaarden worden voorkomen
en het bankwezen van de Gemeenschap wordt versterkt. ê 2000/12/EG
overweging 57 (aangepast) ð nieuw (43)
De bepalingen
betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen bevatten een
nomenclatuur van de door kredietinstellingen gelopen kredietrisico's. Derhalve
dient van deze nomenclatuur gebruik te worden gemaakt ten behoeve van de
definitie van de risico's voor de beperking van grote risico's. ð Het is weliswaar aangewezen om in het
kader van de beperking van grote posities de definitie van "positie"
te baseren op die welke wordt gebruikt in het kader van de
minimumkapitaalvereisten voor het kredietrisico, maar ï Eer dient echter
niet uit principe Ö niet Õ te worden verwezen
naar de wegingsfactoren of naar de risicograden welke bij deze bepalingen zijn
vastgesteld. Deze wegingsfactoren en risicograden zijn immers opgezet met het
oog op de vaststelling van een algemeen solvabiliteitsvereiste ter dekking van
het kredietrisico van kredietinstellingen. In het raam
van een regelgeving inzake grote risico's bestaat het oogmerk erin Ö Om Õ het maximumverlies
te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden
cliënten mag lijden,. Derhalve is een behoedzame benadering aangewezen waarbij als
algemene regel de risico's tegen hun nominale waarde moeten worden opgenomen
Ö moeten regels
voor de bepaling van grote posities worden vastgesteld waarbij de posities
tegen hun nominale waarde worden opgenomen Õ, zonder toepassing
van wegingsfactoren of risicograden. ò nieuw (44)
Het is weliswaar
wenselijk om, in afwachting van een verdere aanpassing van de bepalingen inzake
grote posities, de effecten van kredietrisicolimitering op vergelijkbare wijze
in aanmerking te nemen als in het kader van de minimumkapitaalvereisten en zo
de berekeningsvereisten te beperken, maar daarbij moet worden bedacht dat de
voorschriften voor kredietrisicolimitering bedoeld zijn voor een algemeen
gespreid kredietrisico dat voortvloeit uit vorderingen op een groot aantal
tegenpartijen. Derhalve zouden in het kader van de beperking van grote posities
met de bedoeling het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op
een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden, de effecten van
dergelijke technieken alleen in aanmerking mogen worden genomen als ze
onderworpen zijn aan prudentiële voorzorgsmaatregelen. ê 2000/12/EG
overweging 58 (aangepast) (45)
Wanneer een kredietinstelling risico's aangaat Ö posities
inneemt ten opzichte van Õ met betrekking tot haar eigen moederonderneming of
andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, is bijzondere
voorzichtigheid geboden. Het beheer van de door de kredietinstellingen aangegane risico's Ö ingenomen
posities Õ moet volledig
zelfstandig worden gevoerd, met inachtneming van de beginselen van een gezonde
bedrijfsvoering in het bankbedrijf, en los van elke Ö andere Õ overwegingdie vreemd is aan deze beginselen. De bepalingen van de onderhavige richtlijn bepalen dat iIngeval
de invloed die wordt uitgeoefend door de personen die rechtstreeks of
onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling hebben,
een gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de instelling kan belemmeren, Ö dienen Õ de bevoegde
autoriteiten de passende maatregelen Ö te Õ treffen om aan deze
toestand een einde te maken. Op het gebied van grote risico's
Ö posities Õ dient tevens in
specifieke Ö , eventueel
strengere Õ voorschriften te
worden voorzien ten aanzien van de door een kredietinstelling aangegane risico's met betrekking tot Ö ingenomen
posities ten opzichte van Õ ondernemingen van de
eigen groep, in concreto, strikter beperkende
voorschriften voor deze risico's dan voor andere risico's. Deze striktere beperking Ö Dergelijke
normen Õ behoeftven
echter niet te worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële
holding of een kredietinstelling is, en de andere dochterondernemingen
kredietinstellingen, financiële instellingen, of ondernemingen die
nevenactiviteiten van het bankbedrijf verrichten,
mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de
kredietinstelling vallen. Het toezicht op geconsolideerde
basis op het aldus gevormde geheel maakt in dit geval immers een voldoende
doeltreffend toezicht mogelijk, zonder dat noodzakelijk stringentere
voorschriften ter beperking van de risico's moeten worden vastgesteld. Tevens
zullen op deze wijze de bankgroepen worden aangemoedigd hun structuur zodanig
te organiseren dat de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis
mogelijk wordt gemaakt, hetgeen wenselijk is, omdat aldus een vollediger
toezicht kan worden ingevoerd. ò nieuw (46)
Kredietinstellingen
moeten ervoor zorgen dat ze een eigen vermogen hebben dat wat hoeveelheid,
kwaliteit en verdeling betreft is afgestemd op de risico´s waaraan ze
blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten ze beschikken over
strategieën en procedures om de toereikendheid van hun eigen vermogen te
beoordelen en dit vermogen op peil te houden. (47)
De bevoegde autoriteiten
moeten zich ervan overtuigen dat de organisatie en het eigen vermogen van
kredietinstellingen zijn afgestemd op de risico´s waaraan deze blootgesteld
zijn of kunnen worden. (48)
Met het oog op een
effectieve werking van de interne markt voor het bankwezen moet het Comité van
Europese bankentoezichthouders er mede zorgen dat de onderhavige richtlijn in
de gehele Gemeenschap consistent wordt toegepast en dat op dit niveau de
toezichtpraktijken naar elkaar toegroeien. (49)
Om diezelfde reden en ook
om ervoor te zorgen dat de communautaire kredietinstellingen die in meer dan
een lidstaat actief zijn, niet onevenredig zwaar worden belast doordat de
autoriteiten die belast zijn met de verlening van vergunningen en met de
uitoefening van toezicht, hun taken op nationaal niveau blijven uitvoeren, is
het van essentieel belang dat de samenwerking tussen deze autoriteiten sterk
wordt geïntensiveerd. In dit verband moet de rol van de consoliderende
toezichthouder worden versterkt. Het Comité van Europese bankentoezichthouders
moet ervoor zorgen dat een dergelijke samenwerking duidelijker gestalte krijgt. ê 2000/12/EG
overweging 65 (aangepast) (50)
Het toezicht op de kredietinstellingen op
geconsolideerde basis moet Ö heeft Õ met name ten doel hebben de belangen van de inleggers van die instellingen Ö kredietinstellingen Õ te beschermen en de
stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen. ê 2000/12/EG
overweging 59 (51)
Het toezicht op geconsolideerde basis moet, om
doeltreffend te zijn, kunnen worden toegepast op alle bankgroepen, met inbegrip
van die waarvan de moederonderneming geen kredietinstelling is. De bevoegde
autoriteiten moeten de nodige juridische instrumenten krijgen om een dergelijk
toezicht te kunnen uitoefenen. ê 2000/12/EG
overweging 60 (aangepast) (52)
Voor groepen met gespreide activiteiten waarvan de
moederonderneming de zeggenschap heeft over ten minste één dochteronderneming
die een kredietinstelling is, moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn de
financiële situatie van de kredietinstelling in het groepsverband te
beoordelen. De lidstaten mogen, tot een latere
coördinatie, de nodige consolidatiemethoden voorschrijven met het oog op
verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn. De
bevoegde autoriteiten moeten ten minste beschikken over middelen om van alle
ondernemingen van de groep de gegevens te verkrijgen die nodig zijn om hun taak
te kunnen uitoefenen. Voor groepen van ondernemingen die uiteenlopende
financiële activiteiten uitoefenen, moet tussen de voor het toezicht op de
verschillende financiële sectoren verantwoordelijke autoriteiten een vorm van
samenwerking worden ingesteld. De lidstaten mogen Ö moeten Õ, tot een latere
coördinatie, de nodige consolidatiemethoden Ö kunnen Õ voorschrijven met
het oog op verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn. ê 2000/12/EG
overweging 61 (aangepast) (53)
De lidstaten kunnen tevens
Ö moeten Õ een bankvergunning Ö kunnen Õ weigeren of
intrekken in het geval van bepaalde groepsstructuren die zij voor het
uitoefenen van bankactiviteiten ongeschikt achten, met name omdat op deze
activiteiten onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. De bevoegde
autoriteiten beschikken Ö moeten Õ ten dezen over de in artikel 7, lid 1, eerste alinea, en lid 2, in artikel 14,
lid 1, onder c), en in artikel 16 vermelde Ö nodige Õ bevoegdheden Ö beschikken Õ om een gezonde en
prudente bedrijfsvoering van de kredietinstellingen te waarborgen. ê 2000/12/EG
overwegingen 62 tot en met 64 (aangepast) De lidstaten kunnen ook,
met gebruikmaking van daartoe geëigende technieken, voorzien in het toezicht op
groepen met een structuur die niet onder deze richtlijn valt. Indien dergelijke
structuren algemener ingang zouden vinden, zal deze richtlijn moeten worden
aangevuld teneinde ook die structuren te bestrijken. Het toezicht op
geconsolideerde basis dient alle activiteiten te omvatten die in bijlage I
omschreven zijn. Derhalve moeten alle ondernemingen die in hoofdzaak deze
activiteiten uitoefenen onder toezicht op geconsolideerde basis vallen.
Derhalve omvat de definitie van «kredietinstelling» ook deze activiteiten. Bij Richtlijn 86/635/EEG
in samenhang met Richtlijn 83/349/EEG zijn de consolidatieregels vastgelegd ten
aanzien van door kredietinstellingen gepubliceerde geconsolideerde
jaarrekeningen. Het is thans mogelijk nader aan te geven welke methoden dienen
te worden gehanteerd in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht dat op
een geconsolideerde basis wordt uitgeoefend. ò nieuw (54)
Om de effectiviteit van
de interne markt voor het bankwezen te vergroten en de burgers van de
Gemeenschap voldoende transparantie te bieden, is het noodzakelijk dat de
bevoegde autoriteiten publiekelijk bekendmaken hoe zij deze richtlijn ten
uitvoer hebben gelegd. Dit dient zodanig te geschieden dat een zinvolle
vergelijking mogelijk wordt. (55)
Om de marktdiscipline te
versterken en kredietinstellingen aan te moedigen hun marktstrategie en de
organisatie van hun risicobeheersing en interne beheer te verbeteren, is het
tevens aangewezen dat in een adequate informatieverstrekking door de
kredietinstellingen wordt voorzien. ê 2000/12/EG
overweging 66 (aangepast) (56)
Het onderzoek van de problemen die zich voordoen op
de gebieden die door de onderhavige richtlijn en door andere, eveneens de
werkzaamheden van kredietinstellingen betreffende richtlijnen worden bestreken,
in het bijzonder met het oog op een nadere coördinatie, vereist de samenwerking
van de bevoegde autoriteiten en van de Commissie in een
raadgevend comité. De instelling van dit
Raadgevend Comité voor het bankwezen van de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten laat andere vormen van samenwerking tussen toezichthoudende
autoriteiten op het gebied van de toegang tot en de controle op
kredietinstellingen onverlet, met name de samenwerking die tot stand is
gebracht in de door de autoriteiten voor controle op de banken opgericht contactgroep. ê 2000/12/EG
overweging 67 (aangepast) (57)
Van tijd tot tijd kunnen
technische wijzigingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn
noodzakelijk zijn om op nieuwe ontwikkelingen in de banksector te kunnen
reageren. De Commissie zal de nodige wijzigingen aanbrengen, na raadpleging van
het Raadgevend Comité voor het bankwezen, binnen de grenzen van de door het
Verdrag aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te
worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni
1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de
Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden Ö [19] Õ . ò nieuw (58)
Om marktverstoring te
voorkomen en ervoor te zorgen dat het totale eigen vermogen op peil blijft,
moeten specifieke overgangsregelingen worden getroffen. (59)
Gezien de
risicogevoeligheid van de voorschriften voor de minimumkapitaalvereisten moet
regelmatig worden nagegaan of deze van grote invloed zijn op de conjuncturele
cyclus. De Commissie dient, rekening houdende met het standpunt van de Europese
Centrale Bank, over deze aspecten verslag uit te brengen aan het Europees
Parlement en de Raad. ê 2000/12/EG
overweging 68 (aangepast) Op grond van artikel 36,
lid 1, van de onderhavige richtlijn mogen kredietinstellingen met de rechtsvorm
van een coöperatieve vereniging of die georganiseerd zijn als fonds de
hoofdelijke verplichtingen van kredietnemers behandelen als bestanddelen van
het eigen vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2, punt 7. De Deense regering
hecht er sterk aan dat de enkele Deense instellingen voor hypothecair krediet
die de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen hebben of georganiseerd zijn
als fonds, in naamloze vennootschappen worden omgezet. Teneinde de omzetting te
vergemakkelijken of mogelijk te maken, is een tijdelijke ontheffing vereist
waarbij het deze instellingen wordt toegestaan een gedeelte van hun hoofdelijke
verplichtingen tot het eigen vermogen te rekenen. Deze tijdelijke ontheffing
zal de mededinging tussen kredietinstellingen niet nadelig beïnvloeden. ê 2000/12/EG
overwegingen 69 tot en met 71 Toepassing van de wegingsfactor 20% op het bezit aan hypothecaire
obligaties van een kredietinstelling kan moeilijkheden veroorzaken op een
nationale financiële markt waar dergelijke financiële instrumenten een
overheersende rol spelen. In dit geval worden voorlopige maatregelen genomen om
een risicowegingsfactor van 10% toe te passen. De effectiseringsmarkt neemt een
hoge vlucht. Het is derhalve wenselijk dat de Commissie met de lidstaten de
prudentiële behandeling van door activa gedekte waardepapieren bestudeert en
uiterlijk op 22 juni 1999 voorstellen indient die strekken tot aanpassing van
de bestaande wetgeving, zodat een geschikte prudentiële behandeling kan worden
vastgesteld voor door activa gedekte waardepapieren. De bevoegde autoriteiten
mogen tot en met 31 december 2006 een wegingsfactor van 50% toepassen op activa
die gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen en panden voor diverse
handelsdoeleinden. De onroerende goederen waarop de hypotheek rust, moeten aan
strikte waarderingscriteria en aan geregelde taxatie worden onderworpen, teneinde
rekening te houden met de ontwikkelingen op de commerciële vastgoedmarkt. Deze
goederen moeten worden gebruikt of verhuurd door de eigenaar. Leningen voor
vastgoedprojecten zijn van deze wegingsfactor van 50% uitgesloten. De lidstaten dienen, met het oog op een harmonieuze toepassing van de
bepalingen ten aanzien van grote risico's, de mogelijkheid te hebben een
toepassing in twee fasen van de nieuwe grenswaarden toe te staan. Voor de
kleinste kredietinstellingen kan immers een langere overgangsperiode
gerechtvaardigd zijn in die zin dat een snellere toepassing van de norm van 25
% hun kredietverleningsactiviteit te plotseling zou kunnen verminderen. Voorts wordt verder gewerkt aan de harmonisatie van de voorwaarden voor
de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen. ê 2000/12/EG
overweging 72 (aangepast) (60)
Eveneens moet Ö zal Õ de harmonisatie van
de nodige instrumenten voor het toezicht op liquiditeitsrisico's ter hand
worden genomen. ê 2000/12/EG
overweging 73 (aangepast) Deze richtlijn mag geen
afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage V, deel
B, vermelde termijnen voor omzetting van de richtlijnen in nationaal recht
betreft, ò nieuw (61)
Deze richtlijn is
opgesteld met inachtneming van de grondrechten en van de beginselen die met
name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als algemene
beginselen van het Gemeenschapsrecht zijn erkend. (62)
De verplichting tot
omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de
bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd.
De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit
de vorige richtlijnen. (63)
Deze richtlijn dient de verplichtingen
van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XIII, deel B, genoemde
termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen
onverlet te laten, ê 2000/12/EG HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: ò nieuw INHOUDSOPGAVE TITEL I || ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES TITEL II || VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN TITEL III || BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN Afdeling 1 || Kredietinstellingen Afdeling 2 || Financiële instellingen Afdeling 3 || Uitoefening van het recht tot vestiging Afdeling 4 || Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten Afdeling 5 || Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst TITEL IV || BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN Afdeling 1 || Kennisgeving van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen Afdeling 2 || Samenwerking inzake controle op geconsolideerde basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen TITEL V || BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT EN OPENBAARMAKING Hoofdstuk 1 || Grondregels voor bedrijfseconomisch toezicht Afdeling 1 || Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst Afdeling 2 || Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim Afdeling 3 || Verplichtingen van de personen belast met de controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening Afdeling 4 || Sanctiebevoegdheid en beroepsrecht Hoofdstuk 2 || Technische instrumenten voor bedrijfseconomisch toezicht Afdeling 1 || Eigen vermogen Afdeling 2 || Risicovoorziening Onderafdeling 1 || Toepassingsniveau Onderafdeling 2 || Berekening van de vereisten Onderafdeling 3 || Minimumniveau eigen vermogen Afdeling 3 || Minimumkapitaalvereisten voor kredietrisico Onderafdeling 1 || Standaardbenadering Onderafdeling 2 || Interne-ratingbenadering Onderafdeling 3 || Kredietrisicolimitering Onderafdeling 4 || Securitisatie Afdeling 4 || Minimumkapitaalvereisten voor het operationeel risico Afdeling 5 || Grote posities Afdeling 6 || Gekwalificeerde deelnemingen buiten het financiële gebied Hoofdstuk 3 || Beoordelingsproces van kredietinstellingen Hoofdstuk 4 || Toezicht van en verstrekking van informatie door de bevoegde autoriteiten Afdeling 1 || Toezicht Afdeling 2 || Verstrekking van informatie door de bevoegde autoriteiten Hoofdstuk 5 || Verstrekking van informatie door de kredietinstellingen TITEL VI || BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING TITEL VII || OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Hoofdstuk 1 || Overgangsbepalingen Hoofdstuk 2 || Slotbepalingen BIJLAGE I || Lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen BIJLAGE II || Indeling van posten buiten de balanstelling BIJLAGE III || Behandeling van afgeleide instrumenten BIJLAGE IV || Categorieën derivaten BIJLAGE V || Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s BIJLAGE VI || Standaardbenadering BIJLAGE VI, deel 1 || Risicogewichten BIJLAGE VI, deel 2 || Erkenning van EKBI’s en koppeling van hun kredietbeoordelingen aan risicogewichten (“mapping”) BIJLAGE VI, deel 3 || Gebruik van kredietbeoordelingen van EKBI’s voor de bepaling van risicogewichten BIJLAGE VII || Interne-ratingbenadering BIJLAGE VII, deel I || Risicogewogen posten en verwachte verliesposten BIJLAGE VII, deel 2 || PD, LGD en looptijd BIJLAGE VII, deel 3 || Waarde van de posten BIJLAGE VII, deel 4 || Minimumvereisten voor de interne-ratingbenadering BIJLAGE VIII || Kredietrisicolimitering BIJLAGE VIII, deel I || Toelaatbaarheid BIJLAGE VIII, deel 2 || Minimumvereisten BIJLAGE VIII, deel 3 || Berekening van het effect van kredietrisicolimitering BIJLAGE VIII, deel 4 || Looptijdverschil BIJLAGE VIII, deel 5 || Combinaties van kredietrisicolimitering in de standaardbenadering BIJLAGE VIII, deel 6 || Basket technieken inzake kredietrisicolimitering BIJLAGE IX || Securitisatie BIJLAGE IX, deel I || Definities met het oog op de toepassing van bijlage IX BIJLAGE IX, deel 2 || Minimumvereisten voor de erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico en de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen BIJLAGE IX, deel 3 || Externe kredietbeoordelingen BIJLAGE IX, deel 4 || Berekening BIJLAGE X || Operationeel risico BIJLAGE X, deel I || Basisindicatorbenadering BIJLAGE X, deel 2 || Standaardbenadering BIJLAGE X, deel 3 || Geavanceerde meetbenaderingen BIJLAGE X, deel 4 || Gecombineerde toepassing van verschillende methodologieën BIJLAGE X, deel 5 || Indeling van verliesgebeurtenissen BIJLAGE XI || Technische criteria inzake de evaluatie door de bevoegde autoriteiten BIJLAGE XII || Technische criteria inzake openbaarmaking BIJLAGE XII, deel I || Algemene criteria BIJLAGE XII, deel I || Algemene vereisten BIJLAGE XII, deel 3 || Te vervullen vereiste voor het gebruik van bijzondere instrumenten of methodologieën BIJLAGE XIII, deel A || Ingetrokken richtlijnen met de achtereenvolgende wijzigingen op die richtlijnen (bedoeld in artikel 158) BIJLAGE XIII, deel B || Tijdslimieten voor omzetting in nationaal recht (bedoeld in artikel 159) BIJLAGE XIV || Concordantietabel ê 2000/12/EG
(aangepast) TITEL I Ö ONDERWERP,
TOEPASSINGSGEBIED EN Õ DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED ê 2000/12/EG
artikel 2, leden 1 en 2 (aangepast) Artikel 1 1. Bij deze richtlijn heeft betrekking op Ö worden
voorschriften vastgesteld voor Õ de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen Ö en voor het
bedrijfseconomisch toezicht daarop Õ. Zij is van toepassing op alle kredietinstellingen. 2. De
artikelen 25 en 52 tot en met 56 Ö Artikel 39 en
titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ zijn ook van toepassing op financiële en op gemengde holdings
die hun zetel in de Gemeenschap hebben. 3. Met uitzondering van de
centrale banken van de lidstaten worden de instellingen die bij lid 3 Ö artikel 5 Õ permanent zijn
uitgesloten, voor de toepassing van de artikelen 25 en 52
tot en met 56 Ö artikel 39 en
titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ als financiële
instellingen behandeld. ê 2000/12/EG
artikel 2, lid 3 Artikel 2 Deze richtlijn heeft geen betrekking op de
werkzaamheden van: –
de centrale banken der lidstaten; –
de postcheque- en girodiensten; –
in België, het "Herdiscontering- en
Waarborginstituut/Institut de Réescompte et de Garantie"; –
in Denemarken, het "Dansk
Eksportfinansieringsfond" en het "Danmarks Skibskreditfond" en
het "Dansk Landbrugs Realkreditfond"; –
in Duitsland, de "Kreditanstalt für
Wiederaufbau", instellingen die op grond van de
"Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz" erkend zijn als organen ter
uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend
banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet
erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut; –
in Griekenland, de
"Ελληνική
Τράπεζα
Βιομηχανικής
Αναπτύξεως,", (Elliniki
Trapeza Viomichanikis Anaptyxeos), de
"Ταμείο
Παρακαταθηκών
και Δανείων" (Tamio Parakatathikon
kai Danion), en de
"Ταχυδρομικό
Ταμιευτήριο"
(Tachidromiko Tamieftirio); –
in Spanje, het "Instituto de Crédito
Oficial"; –
in Frankrijk, de "Caisse des dépôts et
consignations"; –
in Ierland, de "credit unions" en de
"friendly societies"; –
in Italië, de "Cassa Depositi e
Prestiti"; –
in Nederland, de "Nederlandse Investeringsbank
voor Ontwikkelingslanden NV", de "NV Noordelijke
Ontwikkelingsmaatschappij", de "NV Industriebank Limburgs Instituut
voor Ontwikkeling en Financiering" en de "Overijsselse
Ontwikkelingsmaatschappij NV"; –
in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als
bouwvereniging van algemeen nut en de "Österreichische Kontrollbank
AG"; –
in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande
"Caixas Económicas" met uitzondering van die gedeelten die naamloze
vennootschap zijn en de "Caixa Económica Montepio Geral"; –
in Finland, "Teollisen yhteistyön rahasto
Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab" en "Kera Oy/Kera Ab"; –
in Zweden, de "Svenska
Skeppshypotekskassan"; –
in het Verenigd Koninkrijk, de "National
Savings Bank", de "Commonwealth Development Finance Company
Ltd", de "Agricultural Mortgage Corporation Ltd", de
"Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd", de "Crown
Agents for overseas governments and administrations", de "credit
unions" en de "municipal banks". ê Akte van
toetreding van 2003 –
in Letland, de "kra¯jaizdevu sabiedrı¯bas",
ondernemingen die op grond van de "kra¯jaizdevu sabiedrı¯bu
likums" erkend zijn als coöperatieve ondernemingen die alleen aan hun
leden financiële diensten verlenen; –
in Litouwen, de "kredito unijos", behalve
de "Centrine˙ kredito unija"; –
in Hongarije, de "Magyar Fejlesztési Bank
Rt." en de "Magyar Export-Import Bank Rt."; –
in Polen, de "Spółdzielcze Kasy
Oszcze˛dnos´ciowo – Kreditowe" en de "Bank Gospodarstwa
Krajowego". ê Richtlijn
2004/xx/EG artikel 3, punt 1 (aangepast) 4. De Commissie
besluit over elke eventuele wijziging van de in lid 3 vermelde lijst volgens de
procedure van artikel 60, lid 2." ê 2000/12/EG
artikel 2, leden 5 en 6 (aangepast) Artikel 3 1. Ö Een of
meer Õ De op 15 december 1997 in eenzelfde lidstaat bestaande
kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in
diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen
toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 6,
lid 1, en in de artikelen 8 en 59 Ö 7 en in artikel
11, lid 1 Õ worden vrijgesteld,
mits uiterlijk op 15 december 1979 de nationale wetgeving erin heeft voorzien
dat: (a) de verplichtingen van het centrale orgaan en die van de
aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn, of dat de
verplichtingen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale
orgaan worden gewaarborgd; (b) de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en
van alle aangesloten instellingen op basis van geconsolideerde rekeningen
globaal worden bewaakt; (c) de leiding van het centrale orgaan bevoegd is instructies te
geven aan de leiding van de aangesloten instellingen. Bij een centraal orgaan als bedoeld in de
eerste alinea na 15 december 1977 Ö blijvend Õ aangesloten
kredietinstellingen met een plaatselijk werkterrein kunnen onder de in de
eerste alinea gestelde voorwaarden vallen als zij een normale uitbreiding
vormen van het net dat onder dit centrale orgaan ressorteert. ê Richtlijn
2004/xx/EG, artikel 3, punt 2 (aangepast) Voorzover het gaat om andere
kredietinstellingen dan die welke worden opgericht in nieuw ingepolderde
gebieden, respectievelijk zijn voortgekomen uit fusie of afsplitsing van
bestaande, onder het centrale orgaan ressorterende instellingen, kan de
Commissie volgens de procedure van artikel 60, lid 2,
Ö 150 Õ aanvullende regels
vaststellen voor de toepassing van het bepaalde in de tweede alinea, zulks met
inbegrip van de opheffing van de in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen,
wanneer zij oordeelt dat aansluiting van nieuwe instellingen volgens de in de
tweede alinea vermelde regeling de concurrentie negatief kan beïnvloeden. ê 2000/12/EG
artikel 2, leden 5 en 6 (aangepast) 2. Kredietinstellingen als gedefinieerd Ö bedoeld Õ in lid 5 Ö 1 Õ , eerste alinea, die in eenzelfde lidstaat zijn aangesloten bij een in die
lidstaat gevestigd centraal orgaan kunnen eveneens
van toepassing van artikel 5 en van de artikelen 40 Ö 9 en 10 Õ tot en met 51 en 65Ö en van titel V,
hoofdstuk 2, afdelingen 2, 3, 4, 5 en 6, en hoofdstuk 3 Õ worden vrijgesteld,
mits, onverminderd de toepassing van deze richtlijn op het centraal orgaan, het
geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt
gevormd, op geconsolideerde basis aan genoemde voorschriften is onderworpen. In geval van vrijstelling zijn op het geheel
dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, de
artikelen 13, 18 en 19, artikel 20, leden 1 tot en met 6,
Ö 16, 23, 24, 25,
26, leden 1 tot en met 3 Õ en de artikelen 21 en 22 Ö 28 en 29 tot en
met 37 Õ van toepassing. ê 2000/12/EG
artikel 1 Artikel 4 Definities In deze richtlijn wordt verstaan onder: ê 2000/28/EG
artikel 1, leden 1 tot en met 5 (aangepast) (1)
"kredietinstelling": a) een onderneming waarvan de werkzaamheden
bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere
terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening, of; b) een instelling voor elektronisch geld in
de zin van Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad[20];van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de
uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van
instellingen voor elektronisch geld Voor
de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis worden als
kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste
alinea, en iedere particuliere of openbare onderneming die aan de definitie van
de eerste alinea beantwoordt en waaraan in een derde land vergunning is
verleend. Voor
de toepassing van het toezicht op en de controle van grote risico's worden als
kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste
alinea, met inbegrip van de bijkantoren in derde landen van een dergelijke
kredietinstelling alsmede iedere particuliere of openbare onderneming, met
inbegrip van haar bijkantoren, die aan de definitie van de eerst alinea
beantwoordt, en waaraan in een derde land vergunning is verleend; (2)
"vergunning": een door de overheid
afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de
werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen; (3)
"bijkantoor": een bedrijfszetel welke een
deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke
rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan
de werkzaamheden van een kredietinstelling; verscheidene
bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor
in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor; (4)
"bevoegde autoriteiten": de nationale
autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
bevoegd zijn om op kredietinstellingen toezicht uit te oefenen; (5)
"financiële instelling": een onderneming die
geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het
verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de onder de
punten 2 tot en met 12 van de lijst in bijlage I opgenomen werkzaamheden; ò nieuw (6)
"instellingen",
voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 van titel V, hoofdstuk 2:
instellingen in de zin van [artikel 2, lid 3, van Richtlijn 93/6/EEG van de
Raad[21]; ê 2000/12/EG
artikel 1, leden 6 tot en met 8 (aangepast) (7)
"lidstaat van herkomst": de lidstaat
waarin aan een kredietinstelling de vergunning werd verleend, overeenkomstig de
artikelen 4 tot en met 11 Ö 6 tot en met 9
en 11 tot en met 14 Õ; (8)
"lidstaat van ontvangst": de lidstaat
waarin een kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht; (9)
"zeggenschap": het verband dat bestaat
tussen een moederonderneming en een dochteronderneming zoals bepaald in artikel
1 van Richtlijn 83/349/EEG of een verband van dezelfde aard tussen een
natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 1, onder a) (aangepast) (10)
"deelneming voor de uitoefening van het
toezicht op geconsolideerde basis en voor de toepassing van artikel 34 Ö 57 Õ , lid 2, punten 15 en 16 Ö onder o) en
p) , van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 4Õ: een deelneming in
de zin van artikel 17, eerste zin, van Richtlijn 78/660/EEG Ö [22] Õ of de rechtstreekse
of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het
kapitaal van een onderneming; ê 2000/12/EG
artikel 1, leden 10 tot en met 13 (aangepast) (11)
"gekwalificeerde deelneming": het in een
onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van
het kapitaal of van de stemrechten, dan wel een deelneming die de mogelijkheid
inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de Ö deze Õ onderneming waarin wordt deelgenomen; Ö ; Õ aanvangskapitaal: het
kapitaal in de zin van artikel 34, lid 2, punten 1 en 2; (12)
"moederonderneming": (a) een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van
Richtlijn 83/349/EEG;. b) Vvoor de toepassing van het
toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's Ö de artikelen 71
tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 5 en 6 Õ worden als moederonderneming beschouwd: een
moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG,
alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten
feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent; (13)
"dochteronderneming": a) een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van
Richtlijn 83/349/EEG;. b) Vvoor de
toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en
de controle van grote risico's Ö de artikelen 71
tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 5 en 6 Õ worden als moederonderneming beschouwd: een
dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG,
alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten
feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent.; Elke dochteronderneming van een dochteronderneming
wordt ook beschouwd als een dochter van de moederonderneming die aan het hoofd
van deze ondernemingen staat; ò nieuw (14)
"moederkredietinstelling
in een lidstaat": een kredietinstelling die een kredietinstelling of een
financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft
in zo´n instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere
kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van
een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding en waarin een andere
kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, geen
deelneming heeft; (15)
"financiële
moederholding in een lidstaat": een financiële holding die zelf geen
dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat
vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële
holding; (16)
"EU-moederkredietinstelling":
een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van
een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is
verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding en
waarin een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning
is verleend, geen deelneming heeft; (17)
"financiële
EU-moederholding": een financiële holding in een lidstaat die geen
dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een van lidstaten
vergunning is verleend; ê 2000/12/EG
artikel 1, leden 14 tot en met 18 (aangepast) «zone A» de
lidstaten en alle overige landen die volwaardig lid van de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn en de landen die
bijzondere leningsarrangementen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF)
hebben gesloten in samenhang met de algemene leningsarrangementen (GAB) van het
IMF. Elk land dat zijn buitenlandse overheidsschuld herschikt, wordt echter
voor een periode van vijf jaar van zone A uitgesloten; «zone B» alle
andere landen dan die van zone A; «kredietinstellingen
van zone A» alle kredietinstellingen die in de lidstaten overeenkomstig
artikel 4 een vergunning hebben verkregen, inclusief hun bijkantoren in derde
landen, en alle onder de definitie van punt 1, eerste alinea, vallende
particuliere en openbare ondernemingen waaraan een vergunning is verleend in
andere landen van zone A, inclusief hun bijkantoren; «kredietinstellingen
van zone B» alle particuliere en openbare ondernemingen die een
vergunning hebben verkregen buiten zone A en die voldoen aan de definitie van
punt 1, eerste alinea, inclusief hun bijkantoren in de Gemeenschap; alle andere
kredietnemers dan kredietinstellingen zoals deze zijn gedefinieerd in de punten
16 en 17, centrale banken, centrale, regionale en lokale overheden, de Europese
Gemeenschappen, de Europese Investeringsbank en multilaterale
ontwikkelingsbanken zoals gedefinieerd in punt 19; ê 2004/69/EG
artikel 1 (aangepast) «multilaterale
ontwikkelingsbanken»: de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling
(Wereldbank), de Internationale Financieringsmaatschappij, de Inter-Amerikaanse
Ontwikkelingsbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse
Ontwikkelingsbank, het Vestigingsfonds van de Raad van Europa, de «Nordic
Investment Bank», de Caraïbische Ontwikkelingsbank, de Europese Bank voor
Herstel en Ontwikkeling, het Europees Investeringsfonds en de Inter-Amerikaanse
Investeringsmaatschappij; ê 2000/12/EG
artikel 1, lid 20 (aangepast) «posten buiten de
balanstelling met een «volledig risico», «middelgroot risico»,
«middelgroot/laag risico» en «laag risico»»: de posten omschreven in artikel
43, lid 2, en genoemd in bijlage II; ò nieuw (18)
"publiekrechtelijke
lichamen": administratieve organen zonder winstoogmerk die verantwoording
moeten afleggen aan de centrale, regionale of lagere overheid of aan overheden
die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten dezelfde
verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lagere overheden; ê 2002/87/EG artikel
29, lid 1, onder b) (aangepast) (19)
"financiële holding": een financiële
instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk
kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke
dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen
gemengde financiële holding is in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het
Europees Parlement en de Raad[23]van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op
kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in
een financieel conglomeraat; (20)
"gemengde holding": een moederonderneming
die geen financiële holding, kredietinstelling of gemengde financiële holding
in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen
ten minste één kredietinstelling telt; ê 2000/12/EG
artikel 1, lid 23 (aangepast) (21)
"onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht": een onderneming
waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit en het beheer van onroerend
goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke
activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer
kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft; ò nieuw (22)
"operationeel
risico": het risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of
falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe
gebeurtenissen. Juridische risico´s worden er ook toe gerekend; ê 2000/12/EG
artikel 1, lid 24 (aangepast) "risico's",
voor de toepassing van de artikelen 48, 49 en 50: de activa en posten buiten de
balanstelling, als bedoeld in artikel 43 en in de bijlagen II en IV, zonder
toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde wegingsfactoren of
risicograden; de risico's met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten
worden berekend volgens een van de in bijlage III beschreven methoden, zonder
toepassing van de wegingsfactoren die gelden voor het risico op de tegenpartij;
van de definitie van de risico's kunnen met goedkeuring van de bevoegde
autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen die voor 100% door eigen
vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het eigen vermogen geen
rekening wordt gehouden bij de berekening van de solvabiliteitsratio en van de
andere ratio's voor toezichtsdoeleinden die bij de onderhavige richtlijn en bij
andere communautaire besluiten worden vastgesteld; onder risico's vallen niet: –
in het geval van
valutatransacties, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen
in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden, of –
in het geval van transacties
betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico's die zich tijdens de
normale afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling
heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering
eerder plaatsvindt; ò nieuw (23)
"centrale
banken": daartoe wordt, tenzij anders aangegeven ook de Europese Centrale
Bank gerekend; (24)
"verwateringsrisico":
het risico dat een kortlopende vordering afneemt door geldelijke of
niet-geldelijke kredieten aan de debiteur; (25)
"kans op
wanbetaling": de kans dat een tegenpartij over een periode van een jaar in
gebreke blijft; (26)
"verlies":
economisch verlies, met inbegrip van de gevolgen van aanzienlijke kortingen, en
omvangrijke directe en indirecte incassokosten; (27)
"verlies bij
wanbetaling": de verhouding tussen het verlies op een vordering als gevolg
van wanbetaling door een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling; (28)
"omrekeningsfactor":
de verhouding tussen het momenteel onbenutte bedrag van een kredietlijn dat
extra opgenomen wordt en open staat bij wanbetaling, en het momenteel onbenutte
bedrag van de kredietlijn; (29)
"verwacht
verlies": de verhouding tussen het verlies op een vordering dat bij een
eventuele wanbetaling van een tegenpartij of bij verwatering over een periode
van een jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag bij wanbetaling; (30)
"kredietrisicolimitering":
een door een kredietinstelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico
dat verbonden is aan een vordering of aan vorderingen die de kredietinstelling
blijft houden; (31)
"volgestorte
kredietprotectie": een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het
kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling,
wordt beperkt dankzij het recht van de kredietinstelling om bij wanbetaling van
de tegenpartij of bij andere specifieke, kredietgebeurtenissen ("credit
events") in verband met de tegenpartij bepaalde activa of posten te
liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te verwerven of te behouden dan
wel de post te verlagen tot of deze te vervangen door het verschil tussen de
post zelf en een vordering op de kredietinstelling; (32)
"niet-volgestorte
kredietprotectie": een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het
kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling wordt
beperkt dankzij de garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te
keren bij wanbetaling van de leningnemer of bij andere specifieke gebeurtenissen;
(33)
"repo": een
transactie in het kader van een contract dat valt onder de definitie van
"retrocessieovereenkomst" of "omgekeerde
retrocessieovereenkomst" in [artikel 3, onder m), van Richtlijn 93/6/EEG]; (34)
"transactie inzake
opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen": alle
transacties die vallen onder de definitie van "opgenomen
effecten/goederen" of "verstrekte effecten/goederen" in [artikel
3, onder n), van Richtlijn 93/6/EEG]; (35)
"met contanten
vergelijkbaar instrument": een certificaat van deposito of soortgelijk
papier dat door een leningverstrekkende kredietinstelling wordt uitgegeven; (36)
"securitisatie":
transactie of regeling waarbij het kredietrisico van een vordering of pool van
vorderingen wordt onderverdeeld. De kenmerken ervan zijn: a) de in het kader
van de transactie of regeling verrichte betalingen hangen af van de performance
van de vordering of pool van vorderingen; b) de rangorde van
de tranches is bepalend voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd
van de transactie of regeling; (37)
"traditionele
securitisatie": securitisatie waarbij de gesecuritiseerde vorderingen in
economische zin worden overgedragen aan een special purpose entity voor
securitisatiedoeleinden die effecten uitgeeft. Daartoe wordt het eigendom van
de gesecuritiseerde vorderingen door de initiërende kredietinstelling of via
subdeelneming overgedragen. De uitgegeven effecten vormen voor de initiërende
kredietinstelling geen betalingsverplichting; (38)
"synthetische
securitisatie": securitisatie waarbij de onderverdeling in tranches
geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties. De pool van
vorderingen verdwijnt niet uit de balans van de initiërende kredietinstelling; (39)
"tranche": een
contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een vordering of van
een aantal vorderingen, waarbij een positie in dit segment een groter of
kleiner verliesrisico meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in elk
ander segment, als tenminste geen rekening wordt gehouden met de
kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de posities in
dit segment of in andere segmenten wordt geboden; (40)
"securitisatiepositie":
een vordering in het kader van een securitisatie; (41)
"initiator": a) een onderneming
die zelf of via verwante ondernemingen direct of indirect betrokken is geweest
bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of de potentiële
verplichtingen van de debiteur of potentiële debiteur zijn ontstaan die tot
securitisatie van vorderingen hebben geleid; b) een onderneming
die de vorderingen van een derde koopt, in haar balans opneemt en daarna
securitiseert; (42)
"sponsor": een
niet-initiërende kredietinstelling die een door activa gedekt
commercieel-papierprogramma of een andere securitisatieregeling waarbij
vorderingen van derden worden gekocht, uitgeeft en beheert; (43)
"kredietverbetering":
een contractuele regeling waarbij de kredietkwaliteit van een
securitisatiepositie verbetert ten opzichte van een situatie waarin van een
dergelijke regeling geen sprake zou zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen
gerekend die worden gerealiseerd door meer achtergestelde tranches in de
securitisatie en door andere soorten kredietprotectie; (44)
special purpose entity
voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity - SSPE):
een vennootschap, trust of een ander soort onderneming die geen
kredietinstelling is, die is opgericht voor een of meer securitisaties, waarvan
de activiteiten beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de realisatie
van dit doel, waarvan de constructie bedoeld is om de SSPE-verplichtingen te
scheiden van die van de initiërende kredietinstelling, en waarvan de
economische eigenaars hun deelneming mogen belenen of verkopen zonder dat daar
voorwaarden aan verbonden zijn; ê 2000/12/EG
artikel 1, leden 25 tot en met 27 (aangepast) (45)
"groep van verbonden cliënten": a) betzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens
bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat
een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere
persoon of personen; b) hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen
zeggenschapsrelatie als bedoeld in het eerste streepje bestaat, maar die uit
een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig
onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou
ondervinden, de andere of alle anderen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden
zouden komen; (46)
"nauwe banden": een situatie waarbij twee
of meer natuurlijke of rechtspersonen Ö op een van de
volgende wijzen Õ zijn verbonden door: a) een deelneming, dat
wil zeggen Ö in de vorm van
het eigendom, Õ het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband
Ö , Õ houden van ten minste 20% van de stemrechten of het
kapitaal van een onderneming Ö ; Õ , of b) een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een
moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in
artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde
aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke
dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming
van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.
Ö ; Õ c) Als een nauwe band
tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een
situatie waarin deze personen Ö het feit dat
beide of allen Õ via een
zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde
Ö een en
dezelfde, derde Õ persoon; (47)
"erkende beurzen": beurzen die door de
bevoegde autoriteiten Ö als
zodanig Õ zijn erkend en die Ö aan de volgende
voorwaarden voldoen Õ: a) regelmatig werken
Ö ze werken
regelmatig Õ; b) Ö ze zijn Õ onderworpen zijn aan door de bevoegde autoriteiten van het land van
herkomst van de beurs opgestelde of goedgekeurde bepalingen waarin de
voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de beurs zijn vastgelegd,
alsmede de voorwaarden waaraan contracten moeten voldoen om daadwerkelijk op de
beurs verhandeld te kunnen worden; c) Ö ze Õ beschikken over een
clearingregeling die met betrekking tot Ö waarbij Õ de in bijlage IV
vermelde contracten voorschrijft dat zij onderworpen
zijn aan dagelijkse margeverplichtingen die naar het oordeel van de bevoegde
autoriteiten een adequate bescherming bieden. ê 2000/12/EG
artikel 3 (aangepast) Artikel 5 Verbod op de uit
ontvangst van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden van het publiek
bestaande werkzaamheden van ondernemingen die geen kredietinstelling zijn De lidstaten verbieden personen of
ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek
deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst te nemen. Dit verbod geldt niet voor het in ontvangst nemen van
deposito's of van andere terugbetaalbare gelden door een lidstaat, door de
regionale of lokale Ö lagere Õ overheden van een
lidstaat of door internationale openbare instellingen waarvan een of meer
lidstaten lid zijn en voor de uitdrukkelijk in de nationale of communautaire
wetgeving bedoelde gevallen, mits deze werkzaamheden onderworpen zijn aan
reglementering en controle ter bescherming van inleggers en beleggers die op
deze gevallen van toepassing zijn. ê 2000/12/EG TITEL II VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE
UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN ê 2000/12/EG
artikel 4 (aangepast) è1 Richtlijn
2004/xx/EG artikel 3 Artikel 6 Vergunning De lidstaten schrijven voor dat de onder deze
richtlijn vallende kredietinstellingen een vergunning moeten hebben verkregen
alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. Zij stellen daarvoor de voorwaarden
vast, onverminderd de artikelen 5 tot en met 9 Ö 7, 8,
9, 11, en 12 Õ en brengen deze ter
kennis van è1 de
Commissie ç . ê 2000/12/EG
artikel 8 (aangepast) Artikel 7 Programma van
werkzaamheden en organisatiestructuur De lidstaten bepalen dat de vergunningaanvraag
vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin met name de aard
van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de instelling
moeten worden vermeld. ê 2000/12/EG
artikel 9 (aangepast) Artikel 8 Economische
behoefte De lidstaten kunnen niet bepalen dat de
vergunningaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de economische behoeften
van de markt. ê 2000/12/EG
artikel 5, lid 1 (aangepast) Artikel 9 Beginkapitaal 1. Onverminderd andere bij de
nationale regelingen vastgestelde algemene voorwaarden verlenen de bevoegde
autoriteiten geen vergunning wanneer de kredietinstelling geen afgescheiden
eigen vermogen heeft of wanneer het aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5
miljoen EUR. ê 2000/12/EG
artikel 1, lid 11 (aangepast) Ö Onder Õ Aaanvangskapitaal: Ö wordt
verstaan: Õ het kapitaal Ö en de reserves Õ in de zin van artikel 34, lid 2, punten 1 en 2 Ö als bedoeld in
artikel 57, onder a) en b) Õ.; ê 2000/12/EG
artikel 5, leden 1 en 2 (aangepast) De lidstaten mogen voortzetting toestaan van de
werkzaamheden van kredietinstellingen die niet voldoen aan de voorwaarde
betreffende het afgescheiden eigen vermogen, en die op 15 december 1979
bestonden. Zij mogen deze ondernemingen vrijstellen van de in artikel Ö 11 Õ 6, lid 1, eerste alinea, bedoelde voorwaarde. 2. Het
staat de Ö De Õ lidstaten evenwel vrij om de vergunning Ö mogen Õ in uitzonderlijke gevallen toch
Ö een
vergunning Õ te verlenen aan bijzondere categorieën
kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan wat in lid
1 is voorgeschrevenÖ ,mits Õ: In dat geval: a) mag het
aanvangskapitaal niet geringer zijn Ö is Õ dan 1 miljoen EUR; b) stellen de
betrokken lidstaten de Commissie in kennis Ö stellen Õ van de redenen
waarom zij van de in dit lid geboden Ö deze Õ mogelijkheid
gebruikmaken; c) wordt bij de
bekendmaking van de lijst bedoeld in artikel 11 in
een aantekening bij de naam van de kredietinstelling aangegeven dat zij Ö die Õ niet het in lid 1
bepaalde minimumaanvangskapitaal bereiktÖ , met name
wordt genoemd in de in artikel 14 bedoelde lijst Õ . ê 2000/12/EG
artikel 5, leden 3 tot en met 7 (aangepast) Artikel 10 1. Het eigen vermogen van een
kredietinstelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de
vergunning krachtens de leden 1 en 2 Ö artikel 9 Õ vereiste
aanvangskapitaal. 2. De lidstaten kunnen besluiten dat
de kredietinstellingen die op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het eigen
vermogen de in de leden 1 en 2 Ö artikel 9 Õ vastgestelde niveaus
voor het aanvangskapitaal niet bereikte, hun werkzaamheden mogen blijven
uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen niet kleiner worden dan het
hoogste bedrag dat het sinds 22 december 1989 had bereikt. 3. Indien de zeggenschap over een
kredietinstelling die tot de in lid 4 Ö 2 Õ bedoelde categorie
behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die
welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het eigen
vermogen van deze Ö krediet Õinstelling ten minste
gelijk te zijn aan het in de leden 1 en 2 Ö artikel 9 Õ vastgestelde niveau
voor het aanvangskapitaal. 4. In welbepaalde omstandigheden en
met instemming van de bevoegde autoriteiten mag bij fusie tussen twee of meer
tot de in lid 4 Ö 2 Õ bedoelde categorie
behorende kredietinstellingen het eigen vermogen van de Ö krediet Õinstelling die het
resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen
vermogens van de gefuseerde Ö krediet Õinstellingen op de
datum van de fusie, zolang de passende niveaus op grond
van de leden 1 en 2 Ö zoals
vastgesteld in artikel 9, Õ niet zijn bereikt. 5. Indien het eigen vermogen in de in
de leden 3, 4 en 6 Ö 1, 2 en 4 Õ bedoelde gevallen
vermindert, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks
rechtvaardigen, de Ö krediet Õinstelling een
beperkte termijn toestaan om aan dit voorschrift te voldoen dan wel haar
werkzaamheden te beëindigen. ê 2000/12/EG
artikel 6 (aangepast) Artikel 11 Voor de leiding
verantwoordelijke personen en lokalisatie van het hoofdbestuur van
kredietinstellingen 1. De bevoegde autoriteiten
verlenen de vergunning aan de kredietinstelling slechts wanneer ten minste twee
personen daadwerkelijk het beleid van de kredietinstelling bepalen. Voorts verlenen de Ö De Õ autoriteiten Ö verlenen Õ de vergunning niet
wanneer deze personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste
ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen. 2. De lidstaten eisen: a) dat het hoofdbestuur van kredietinstellingen die rechtspersonen
zijn en overeenkomstig hun nationale wetgeving een statutaire zetel hebben,
zich bevindt in de lidstaat waar de statutaire zetel is gevestigd;, b) dat het hoofdbestuur van andere kredietinstellingen zich bevindt
in de lidstaat waar de vergunning is afgegeven en waar zij feitelijk werkzaam
zijn. ê 2000/12/EG
artikel 7 (aangepast) Artikel 12 Aandeelhouders
en vennoten 1. De bevoegde autoriteiten
verlenen geen vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een
kredietinstelling voordat Ö tenzij Õ zij in kennis zijn
gesteld van de identiteit van de directe of indirecte aandeelhouders of
vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde
deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming. Voor de toepassing in het
onderhavige artikel van het begrip Ö vaststelling
van Õ
"gekwalificeerde deelneming" Ö in het
onderhavige artikel Õ worden de
stemrechten, vermeld in artikel 7 Ö 92 Õ van Richtlijn 88/627/EEG van de Raad[24]
Ö 2001/34/EG van
het Europees Parlement en de Raad Õ[25] in aanmerking genomen. 2. De bevoegde autoriteiten
verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en
prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd
zijn van de geschiktheid van de genoemde aandeelhouders
of vennoten. 3. Wanneer er nauwe banden
bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen,
verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de
juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren. De bevoegde autoriteiten weigeren ook de
vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde
land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met
wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de
toepassing van die Ö wettelijke of
bestuursrechtelijke Õ bepalingen, een
belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken. De bevoegde autoriteiten verlangen van
kredietinstellingen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben
om zich ervan te vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde
voorwaarden wordt voldaan. ê 2000/12/EG
artikelen 8 en 9 (aangepast) Artikel 8 Programma van
werkzaamheden en organisatiestructuur De lidstaten bepalen dat
de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden
waarin met name de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de
organisatiestructuur van de instelling moeten worden vermeld. Artikel 9 Economische
behoefte De lidstaten kunnen niet
bepalen dat de vergunningaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de
economische behoeften van de markt. ê 2000/12/EG
artikel 10 (aangepast) Artikel 13 Weigering van de
vergunning Iedere weigering een vergunning af te geven,
wordt met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na
ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen zes
maanden na de toezending door de aanvrager van de voor de beslissing nodige
gegevens. In elk geval wordt binnen twaalf maanden na de aanvraag een
beslissing genomen. ê 2000/12/EG
artikel 11 (aangepast) Artikel 14 Kennisgeving van
de vergunning aan de Commissie Elke toekenning van een vergunning wordt ter
kennis van de Commissie gebracht. Ö De namen van
alle kredietinstellingen waaraan Õ Elke toekenning van een vergunning Ö is
verleend Õ wordt ter kennis van de Commissie gebracht. Alle
kredietinstellingen worden vermeld op een lijst.die door
dDe
Commissie Ö maakt deze
lijst Õ in het Publicatieblad
van de Europese Ö Unie Õ Gemeenschappen wordt
bekendgemaakt en Ö houdt haar
bij Õ door haar wordt bijgehouden. ê 2000/12/EG
artikel 12 (aangepast) Artikel 15 Voorafgaande
raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten 1. Ö Vóór de
verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de ÕDe bevoegde autoriteiten
Ö de bevoegde
autoriteiten Õ van de andere
lidstaat moeten vooraf worden geraadpleegd bij het
verlenen van een vergunning aan een kredietinstelling die Ö in de volgende
gevallen Õ: Öa) de desbetreffende
kredietinstelling is Õ ofwel een dochteronderneming is
van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is
verleend; Öb) de desbetreffende
kredietinstelling is Õ ofwel een dochteronderneming is
van de moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere
lidstaat vergunning is verleend; Öc) de desbetreffende
kredietinstelling staat Õ ofwel onder de zeggenschap staat
van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een
kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend. ê 2002/87/EG
artikel 29, punt 2 (aangepast) 2. Ö Vóór de
verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de Õ bevoegde autoriteit Ö de bevoegde
autoriteit Õ van een betrokken
lidstaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op verzekeringsondernemingen
of beleggingsondernemingen wordt geraadpleegd alvorens
een vergunning wordt verleend aan een kredietinstelling die Ö in de volgende
gevallen Õ: a) Ö de
desbetreffende kredietinstelling is Õ een
dochteronderneming is van een
verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap
vergunning is verleend; , dan wel b) Ö de
desbetreffende kredietinstelling is Õ een dochteronderneming
is van de moederonderneming van een
verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap
vergunning is verleend;, dan wel c) Ö de
desbetreffende kredietinstelling staat Õ onder de zeggenschap
staat van dezelfde natuurlijke persoon of
rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een verzekeringsonderneming of
beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend. 3. De in de
eerste en de tweede alinea Ö onder de leden 1
en 2 Õ bedoelde relevante
bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder indien de geschiktheid
van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de bij de leiding van een
andere entiteit van dezelfde groep betrokken bestuurders worden beoordeeld. Zij
stellen elkaar in kennis van Ö wisselen Õ alle informatie Ö uit Õ betreffende de
geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van bestuurders
welke van belang is voor de andere betrokken bevoegde
autoriteiten, voor het verlenen van een vergunning, alsook voor de
doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de
bedrijfsuitoefening. ê 2000/12/EG
artikel 13 (aangepast) Artikel 16 Bijkantoren van
kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend De lidstaten van ontvangst mogen noch een
vergunning noch dotatiekapitaal eisen voor bijkantoren van kredietinstellingen
waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Voor de vestiging van en
het toezicht op deze bijkantoren gelden de voorschriften van Ö de artikelen 22
en 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3, de artikelen 29 tot en met 37 en
artikel 40 Õ artikel 17, artikel 20, leden 1 tot en met 6, en van de
artikelen 22 en 26. ê 2000/12/EG
artikel 14 (aangepast) Artikel 17 Intrekking van
de vergunning 1. De bevoegde autoriteiten
kunnen de vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen dan
intrekken wanneer de instelling: a) binnen een termijn van twaalf maanden
geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen
gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een
periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat
heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt; b) de vergunning heeft verworven door middel
van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze; c) niet meer voldoet aan de voorwaarden
waarop de vergunning is verleend; d) geen voldoende eigen vermogen meer bezit
of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover
schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde
gelden waarborgt; e) of wanneer een van de overige gevallen
van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien, zich voordoet. 2. Iedere intrekking van een
vergunning moet Ö wordt Õ , met redenen
omkleed, worden medegedeeld aan de belanghebbenden;. Dde
intrekking wordt ter kennis van de Commissie gebracht. ê 2000/12/EG
artikel 15 (aangepast) Artikel 18 Benaming De kredietinstellingen mogen voor de
uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Gemeenschap
dezelfde benaming gebruiken als in de lidstaat van hun hoofdkantoor,
niettegenstaande de voorschriften Ö in de lidstaat
van ontvangst Õ betreffende het
gebruik van de woorden "bank", "spaarbank" of andere
soortgelijke benamingen die in de lidstaat van ontvangst
kunnen bestaan. Ingeval gevaar voor verwarring bestaat, kunnen de
lidstaten van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een
verklarende vermelding wordt toegevoegd. ê 2000/12/EG
artikel 16, lid 1 (aangepast) Artikel 19 Gekwalificeerde
deelneming in een kredietinstelling 1. De lidstaten bepalen dat
iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of
onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling aan te
houden, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder
vermelding van het bedrag van die deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is
eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft
de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het
percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen 20%, 33% of 50%
bereikt of overschrijdt of dat de kredietinstelling zijn dochteronderneming
wordt. Onverminderd het bepaalde in lid 2 beschikken de
bevoegde autoriteiten over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen
vanaf de datum van de in de eerste Ö en tweede Õ alinea bedoelde
kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak
een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen,
niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de in de
eerste alinea bedoelde Ö desbetreffende Õ persoon. Indien er
geen bezwaar is, kunnen de autoriteiten een maximumtermijn vaststellen voor de
uitvoering van het in de eerste alinea bedoelde
voornemen. ê 2002/87/EG
artikel 29, punt 3 (aangepast) 2. Indien de verwerver Ö persoon die het
voornemen heeft Õ van de in lid 1 bedoelde deelnemingen Ö te
verwerven, Õ een
kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming is waaraan
in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een
kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in
een andere lidstaat vergunning is verleend, of een natuurlijke persoon of
rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling,
verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat
vergunning is verleend, en indien de entiteit Ö kredietinstelling Õ waarin de verwerver
een deelneming beoogt te houden, daardoor een dochteronderneming van de
verwerver wordt of onder zijn zeggenschap komt, moet
Ö wordt Õ zijn acquisitie worden beoordeeld volgens de procedure van voorafgaande
raadpleging Ö waarin artikel
15 voorziet Õbedoeld in artikel 12. ê 2000/12/EG artikel
16, lid 3 Artikel 20 3. De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het
voornemen heeft zijn rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde
deelneming in een kredietinstelling af te stoten, de bevoegde autoriteiten
daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van zijn
voorgenomen deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is
eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft
de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het
percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20%, 33% of
50% daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn. ê 2000/12/EG
artikel 16, leden 4 tot en met 6 (aangepast) Artikel 21 14. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de Ö De Õ kredietinstellingen Ö stellen, zodra
zij kennis hebben van Õ de bevoegde autoriteiten in kennis van de verwervingen
of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of
daling onder één van de drempels als bedoeld in de leden
1 en 3 Ö artikel 19, lid
1, en artikel 20 Õ optreedtÖ , de bevoegde
autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis Õ. Tevens stellen zij de bevoegde autoriteiten ten
minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of
vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van
de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden
vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of
vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de
verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen. 25. De
lidstaten bepalen dat, indien de door de in lid 1 Ö artikel 19, lid
1, Õ bedoelde personen
uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling
zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen treffen
om aan deze toestand een einde te maken. Die maatregelen kunnen met name omvatten Ö bestaan
uit Õ bindende
aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de
stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken
aandeelhouders of vennoten worden gehouden. Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op
natuurlijke of rechtspersonen die de in lid 1 Ö artikel 19, lid
1, Õ bedoelde
verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven. Wanneer een
deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten,
bepalen de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de
uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte
stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden. 36. Voor
de toepassing Ö vaststelling Õ van het Ö een Õ in het onderhavige
artikel bedoelde begrip "gekwalificeerde
deelneming" en van de daarin bedoelde andere deelnemingspercentages worden
de stemrechten, vermeld in artikel 7 Ö 92 Õ van Richtlijn 88/627/EEG Ö 2001/34/EG Õ, in aanmerking
genomen. ê 2000/12/EG,
artikel 17 (aangepast) ð nieuw Artikel 22 Organisatie en
internecontroleprocedures 1. De bevoegde autoriteiten van
de lidstaat van herkomst eisen dat er in elke kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en
adequate internecontroleprocedures bestaan. ð solide governancesystemen bestaan,
waaronder een duidelijke organisatorische structuur met duidelijk omschreven,
transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor
de detectie, het beheer, de bewaking en verslaglegging van de risico´s waaraan
zij blootstaat of bloot kan komen te staan, en adequate
internecontroleprocedures, zoals een goede administratieve en boekhoudkundige
organisatie. 2. De
in lid 1 bedoelde systemen en procedures zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan
in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de
kredietinstelling. Er wordt rekening gehouden met de technische criteria van
bijlage V. ï ê 2000/12/EG TITEL III BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN
VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling 1
Kredietinstellingen Õ ê 2000/12/EG
artikel 18 (aangepast) Artikel 23 Kredietinstellingen De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die
in de lijst in bijlage I zijn genoemd op hun grondgebied kunnen worden
uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 20,
leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in artikel 22 Ö 25, artikel 26,
leden 1 tot en met 3, artikel 28, leden 1 en 2, en de artikelen 29 tot en met
37 Õ, zowel door middel
van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van
diensten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten
van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht
wordt gehouden, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen. ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling 2 Financiële
instellingen Õ ê 2000/12/EG
artikel 19, eerste en derde alinea (aangepast) Artikel 24 Financiële
instellingen 1. De lidstaten bepalen dat de in bijlage I genoemde lijst
werkzaamheden op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het
bepaalde in artikel Ö 25, artikel 26,
leden 1 tot en met 3, artikel 28, leden 1 en 2, en de artikelen 29 tot en met
37 Õ 20, leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in
artikel 22, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als
door middel van het verrichten van diensten, door iedere financiële instelling
van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of
een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen
is, die wettelijk de betrokken werkzaamheden mag uitoefenen en die aan alle
volgende voorwaarden voldoet: a) aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend
als kredietinstelling in de lidstaat onder het recht waarvan de dochteronderneming Ö financiële
instelling Õ valt; b) de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk uitgeoefend op
het grondgebied van dezelfde lidstaat; c) de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn
in het bezit van 90% of meer van de aan de aandelen van de Ö financiële
instelling Õ dochteronderneming verbonden stemrechten; d) de moederonderneming of -ondernemingen moet, respectievelijk
moeten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de Ö financiële
instelling Õ dochteronderneming op een prudente wijze wordt beheerd
en zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst, hoofdelijk borg hebben gesteld voor de verplichtingen van de Ö financiële
instelling Õ dochteronderneming; e) de dochteronderneming Ö financiële
instelling Õ is, in het bijzonder
voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op
geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de
moederondernemingen, overeenkomstig Ö titel V,
hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ de artikelen 52 tot en met 56, is onderworpen, met name
voor de berekening van de solvabiliteitsratio, voor het toezicht op de grote risico's Ö posities Õ en de in artikel 120 Ö 50 Õ gestelde beperking van
de deelnemingen. De vervulling van deze voorwaarden moet worden Ö wordt Õ geverifieerd door de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest
aan de dochteronderneming Ö financiële
instelling Õ afgeven dat dient te
worden gevoegd bij de in Ö de artikelen 25
en 28 Õ artikel 20, leden 1 tot en met 6, en artikel 21, leden 1 en 2,
bedoelde kennisgevingen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst dragen zorg voor het toezicht op de dochteronderneming
Ö financiële
instelling Õ overeenkomstig het
bepaalde in artikel Ö 10, lid 1, de
artikelen 19 tot en met 22, artikel 40, de artikelen 42 tot en met 52 en
artikel 54 Õ 5, lid 3, en in de artikelen 16, 17, 26, 28, 29, 30 en 32. ê 2000/12/EG
artikel 19, zesde alinea (aangepast) 2. Indien de financiële instelling Ö als bedoeld in
lid 1, eerste alinea, Õ die onder de bepalingen van dit artikel valt, niet
langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van
herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in
kennis, en vallen de door die Ö financiële Õ instelling in de
lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de
lidstaat van ontvangst. ê 2000/12/EG
artikel 19, vierde alinea (aangepast) 3. De bepalingen waarnaar dit artikel
verwijst, Ö van de leden 1
en 2 Õ zijn van
overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen Ö van een
financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea Õ. In het bijzonder dient het woord «kredietinstelling» te worden
gelezen als «financiële instelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel
19», en het woord «vergunning» als «wettelijke regeling». ê 2000/12/EG
artikel 19, vijfde en zesde alinea (aangepast) De tweede alinea van
artikel 20, lid 3, wordt als volgt gelezen: «De bevoegde autoriteit
van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het
eigen vermogen van de financiële instelling die dochteronderneming is en van de
geconsolideerde solvabiliteitsratio van de kredietinstelling die haar
moederonderneming is.». Indien de financiële
instelling die onder de bepalingen van dit artikel valt, niet langer aan één
van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde
autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door
die instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de
wetgeving van de lidstaat van ontvangst. ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling
3 Uitoefening van het recht tot vestiging Õ ê 2000/12/EG
artikel 20, lid 1, lid 2 en lid 3, eerste en tweede alinea (aangepast) Artikel 25 Uitoefening van
het recht tot vestiging 1. Iedere kredietinstelling die
op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen,
stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. 2. De lidstaten verlangen dat de
kredietinstelling die een bijkantoor in een andere lidstaat wenst te vestigen,
de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens: a) de lidstaat op het grondgebied waarvan
zij voornemens is een bijkantoor te vestigen; b) een programma van werkzaamheden waarin
met name de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van
het bijkantoor worden vermeld; c) het adres in de lidstaat van ontvangst
waar documenten kunnen worden opgevraagd; d) de naam van de verantwoordelijke
bestuurders Ö degenen
die Õ van het bijkantoor Ö gaan
beheren Õ . 3. Tenzij de bevoegde autoriteit
van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen heeft om
te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de
financiële positie van de kredietinstelling, doet zij binnen drie maanden na
ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan
de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en stelt zij de betrokken
kredietinstelling hiervan in kennis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van
herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen en de
solvabiliteitsratio van de kredietinstelling. ê 2000/12/EG
artikel 19, vijfde alinea (aangepast) Ö In afwijking
van de tweede alinea doet Õ dDe
bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst Ö in het in
artikel 24 genoemde geval Õ doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen
vermogen van de financiële instelling die
dochteronderneming is en van de geconsolideerde solvabiliteitsratio van
de kredietinstelling die haar moederonderneming is ê 2000/12/EG
artikel 20, lid 3, derde alinea (aangepast) 4. Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst
weigert de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteit
van de lidstaat van ontvangst, deelt zij de redenen van deze weigering binnen
drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken Ö krediet Õinstelling. Tegen deze weigering of het uitblijven van een
antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst. ê 2000/12/EG
artikel 20, leden 4 tot en met 7 (aangepast) Artikel 26 14. Voordat
het bijkantoor van de kredietinstelling met zijn werkzaamheden aanvangt,
beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst over twee
maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid
Ö artikel Õ 25 bedoelde
mededeling, om het in artikel 22 Ö afdeling
5 Õ bedoelde toezicht op
de kredietinstelling voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de
voorwaarden aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen
belang in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend. 25. Zodra
een mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst is
binnengekomen of, wanneer deze niet reageert, zodra de in lid 14
bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn
werkzaamheden aanvangen. 36. In
geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig Ö artikel
25, Õ lid 2, onder b), c) en d), verstrekte gegevens stelt de
kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de
lidstaat van ontvangst schriftelijk van de betreffende wijziging in kennis,
zulks ten minste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de
bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zich overeenkomstig Ö artikel
25 Õ lid 25, en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van
ontvangst zich overeenkomstig lid 4 Ö 1 van dit
artikel Õ kunnen uitspreken. 47. De
bijkantoren die, overeenkomstig de bepalingen van de lidstaat van ontvangst,
hun werkzaamheden hebben aangevangen vóór 1 januari 1993, worden geacht
onderworpen te zijn geweest aan de procedure van de leden
1 tot en met 5 Ö artikel 25 en
van de leden 1 en 2 Õ van het onderhavige
artikel. Zij vallen vanaf deze datum onder het bepaalde in lid 6 Ö 3 Õ van het onderhavige
artikel en onder de artikelen 18, 19, 22 en 29 Ö artikel 23,
afdeling 2 en 5 Õ. ê 2000/12/EC
artikel 1, lid 3, laatste zin Artikel 27 Vverscheidene
bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor
in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor.; ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling 4
Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten Õ ê 2000/12/EG
artikel 21 (aangepast) Artikel 28 Uitoefening van
het recht tot het vrij verrichten van diensten 1. Elke kredietinstelling die
voor de eerste maal in het kader van het vrij verrichten van diensten haar
werkzaamheden wil uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt
de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de in de
lijst in bijlage I voorkomende werkzaamheden die zij wenst uit te oefenen. 2. De bevoegde autoriteit van de
lidstaat van herkomst doet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van
ontvangst mededeling van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, zulks binnen een
termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving. 3. Dit artikel doet geen afbreuk
aan de rechten die verkregen zijn door kredietinstellingen welke vóór 1 januari
1993 werkzaam waren bij wege van het verrichten van diensten. ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling
5 Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Õ ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 1 (aangepast) Artikel 29 Bevoegdheden van
de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst 1. De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, verlangen
dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de
bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de
werkzaamheden op zijn grondgebied zendt. Voor de uitoefening van de krachtens artikel 27Ö 41 Õ op hem rustende
verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van de bijkantoren van
kredietinstellingen dezelfde gegevens verlangen als deze voor dat doel van de
nationale kredietinstellingen verlangt. ê 2000/12/EG
artikel 22, leden 2 tot en met 4 (aangepast) Artikel 30 12. Indien
de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een Ö krediet Õinstelling die op hun
grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten
van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft
vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een
bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst
inhouden, eisen zij dat de betrokken Ö krediet Õinstelling een eind
maakt aan deze onregelmatige situatie. 23. Indien
de betrokken Ö krediet Õinstelling niet het
nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die
van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Deze laatsten treffen zo spoedig mogelijk alle
passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken Ö krediet Õinstelling een eind
maakt aan deze onregelmatige situatie. De aard van deze maatregelen wordt
medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst. 34. Indien
de Ö krediet Õinstelling, in
weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of
omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen
treft, inbreuk blijft maken op de in lid Ö 1 Õ 2 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende
wettelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld,
passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te
bestraffen en, voorzover zulks noodzakelijk is, kan hij deze Ö krediet Õinstelling beletten
nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. De lidstaten dragen er
zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de
kredietinstellingen kunnen worden betekend. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 5 (aangepast) Artikel 31 5.De bepalingen van de leden 1 tot en met 4 Ö de artikelen 29
en 30 Õ laten de bevoegdheid
van de lidstaat van ontvangst onverlet om passende maatregelen te treffen ter
voorkoming of bestraffing van onregelmatigheden op zijn grondgebied die in
strijd zijn met de wettelijke bepalingen die deze om redenen van algemeen
belang heeft vastgesteld. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken Ö krediet Õinstelling beletten
nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 6 (aangepast) Artikel 32 6. Elke ter uitvoering van de leden 3, 4 en 5Ö artikel 30,
leden 2 en 3, of artikel 31 Õ genomen maatregel
die sancties en een beperking van de uitoefening van het verrichten van
diensten behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de
betrokken Ö krediet Õinstelling worden
medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de lidstaat waar hij is
genomen, beroep open bij de rechter. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 7 (aangepast) Artikel 33 7. Alvorens de in de leden 2, 3 en 4Ö artikel
30 Õ bedoelde procedure
toe te passen kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in
spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk
zijn voor de bescherming van de belangen van inleggers, beleggers of andere
personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde
autoriteiten van de overige betrokken lidstaten moeten zo spoedig mogelijk van
die maatregelen op de hoogte worden gesteld Ö gebracht Õ. De Commissie kan, na raadpleging van de
bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken
lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 8 (aangepast) Artikel 34 8.De lidstaat van ontvangst kan in het kader van de uitoefening van de
bevoegdheden die hem bij deze richtlijn wordt toegekend passende maatregelen
treffen om onregelmatigheden op zijn grondgebied te voorkomen of te bestraffen.
Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken Ö krediet Õinstelling beletten
nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 9 (aangepast) Artikel 35 9.Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde
autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen
zij passende maatregelen teneinde de betrokken Ö krediet Õinstelling te
beletten om op hun grondgebied nieuwe transacties aan te vangen en teneinde de
belangen van de inleggers te vrijwaren. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 10 (aangepast) Artikel 36 10.De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard
van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 20, leden 1
tot en met 6,Ö de artikelen 25
en 26 Õ een weigering is
uitgesproken of waarin overeenkomstig lid 4Ö artikel 30, lid
3, Õ van het onderhavige artikel maatregelen zijn genomen. ê 2000/12/EG
artikel 22, lid 11 (aangepast) Artikel 37 11. Dit artikel Ö Deze
afdeling Õ belet
kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, niet
hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de
lidstaat van ontvangst, mits zij alle eventuele voorschriften inzake de vorm en
de inhoud van dit adverteren in acht nemen die zijn vastgesteld om redenen van
algemeen belang. ê 2000/12/EG TITEL IV BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling
1 Kennisgeving van ondernemingen uit derde landen en van de
markttoegangsvoorwaarden in deze landen Õ ê 2000/12/EG
artikel 23 (aangepast) Kennisgeving van
dochterondernemingen van ondernemingen uit derde landen en van de
markttoegangsvoorwaarden in deze landen 1. De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie in kennis van: a) elke vergunningsverlening
voor een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan één of
meer moederondernemingen onder het recht van een derde land vallen. b) elke deelneming van een
dergelijke onderneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap waardoor
deze instelling haar dochteronderneming zou worden. Wanneer vergunning wordt
verleend aan een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming van één of
meer moederondernemingen die onder het recht van een derde land vallen, wordt
de structuur van de groep vermeld in de kennisgeving van de bevoegde
autoriteiten aan de Commissie overeenkomstig artikel 11. 2. 2. De
lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun
kredietinstellingen ondervinden bij vestiging of uitoefening van
bankwerkzaamheden in een derde land. 3. 3. De
Commissie stelt periodiek een verslag op waarin de in de leden 4 en 5 bedoelde
behandeling van kredietinstellingen van de Gemeenschap in derde landen, met
betrekking tot de vestiging en de uitoefening van bankwerkzaamheden en het
verwerven van deelnemingen in kredietinstellingen van derde landen wordt
onderzocht. De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van
passende voorstellen, voor aan de Raad. 4. 4.
Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde
verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat een derde land de
kredietinstellingen van de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt
verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan
kredietinstellingen van dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om
een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen teneinde voor de
kredietinstellingen van de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden
te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. 5. 5.
Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 1 bedoelde
verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat in een derde land
kredietinstellingen van de Gemeenschap geen nationale behandeling krijgen die
dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse
kredietinstellingen worden geboden, en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke
toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit
euvel te verhelpen. 6. In de
in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan ook, naast het openen van
onderhandelingen, overeenkomstig de procedure van artikel 60, lid 2, worden
besloten dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissingen inzake
ten tijde van het besluit ingediende of toekomstige vergunningaanvragen en het
verwerven van deelnemingen door rechtstreekse of onrechtstreekse
moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen,
moeten beperken of opschorten. De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie
maanden geldig. Vóór het verstrijken van
deze termijn van drie maanden kan de Raad in het licht van het resultaat van de
onderhandelingen op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid
van stemmen besluiten of de maatregelen van toepassing blijven. 6. 6.
Indien de Commissie een van de in de leden 4 en 5 bedoelde vaststellingen doet,
stellen de lidstaten haar desgevraagd in kennis van: a) elke
vergunningaanvraag door een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming
waarvan een of meer moederondernemingen onder het recht van het betrokken derde
land vallen; b) van elk op grond
van artikel 16 door een dergelijke onderneming voorgelegd project voor
verwerving van een deelneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap,
waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden. Deze
kennisgevingsverplichting vervalt zodra met een derde land als bedoeld in lid 4
of lid 5 een overeenkomst is gesloten of wanneer de in lid 5, tweede en derde
alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn. 7. 7. De
krachtens dit artikel getroffen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met
de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van inernationale bi- of
multilaterale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de
werkzaamheden van kredietinstellingen. ê 2000/12/EG artikel 24 (aangepast) è1 Richtlijn
2004/xx/EG artikel 3, punt 7 Artikel 38 Bijkantoren van
kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap 1. De lidstaten passen op bijkantoren
van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap voor wat betreft
de toegang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen
toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor
bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Gemeenschap
hebben. 2. De bevoegde autoriteiten geven de
Commissie en het è1 Europees
Comité voor het bankwezen ç kennis van de
vergunningen voor bijkantoren die aan de kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten
de Gemeenschap zijn verleend. 3. Onverminderd lid 1 kan de
Gemeenschap, bij overeenkomstig het Verdrag met
één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, regelingen treffen inzake de
toepassing van bepalingen die, op basis van
wederkerigheid, de bijkantoren van een kredietinstelling met
hoofdkantoor buiten de Gemeenschap eenzelfde behandeling op het gehele
grondgebied van de Gemeenschap verzekeren. ò nieuw Afdeling 2 Samenwerking inzake controle op geconsolideerde
basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen ê 2000/12/EG
artikel 25 (aangepast) Artikel 39 1. De Commissie kan op verzoek
van een lidstaat of op eigen initiatief aan de Raad voorstellen doen voor
onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen met het oog
op afspraken over de toepassing van toezicht op geconsolideerde basis Ö op Õ: a) op kredietinstellingen waarvan de
moederonderneming haar zetel in een derde land heeft;en b) op kredietinstellingen
die in een derde land gelegen zijn en waarvan de moederonderneming een
kredietinstelling of financiële holding met zetel in de Gemeenschap is. 2. De in lid 1 bedoelde
overeenkomsten hebben met name ten doel te waarborgen dat: a) enerzijds de bevoegde autoriteiten van
de lidstaten de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht, op
grond van de geconsolideerde financiële positie, op een kredietinstelling of op
een financiële holding die in de Gemeenschap gelegen is en die als
dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling heeft die
buiten de Gemeenschap gelegen is, of die in zulke instellingen een deelneming
heeft; b) anderzijds de bevoegde autoriteiten
van derde landen de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht op
moederondernemingen met zetel op hun grondgebied die als dochteronderneming een
kredietinstelling of een financiële instelling hebben die gelegen is in één of
meer lidstaten, of die in zulke instellingen deelnemingen hebben. ê Richtlijn 2004/xx/EG
artikel 3, punt 8 3. Onverminderd artikel 300,
leden 1 en 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
onderzoekt de Commissie met het Europees Comité voor het bankwezen het
resultaat van de in lid 1 bedoelde onderhandelingen en de daaruit
voortvloeiende situatie. ê 2000/12/EG TITEL V ê 2000/12/EG ð nieuw BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN
VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT ð EN
OPENBAARMAKING ï ê 2000/12/EG HOOFDSTUK 1 GRONDREGELS VOOR BEDRIJFSECONOMISCH
TOEZICHT ò nieuw Afdeling 1 Bevoegdheden van de lidstaten van
herkomst en van ontvangst ê 2000/12/EG
artikel 26 (aangepast) Artikel 40 Bevoegdheid tot
toezicht van de lidstaat van herkomst 1. Het bedrijfseconomisch
toezicht op een kredietinstelling, met inbegrip van het bedrijfseconomisch
toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig het bepaalde in
de artikelen 18 en 19 Ö 23 en 24 Õ uitoefent, berust
bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de
bepalingen van de onderhavige richtlijn welke een bevoegdheid van de autoriteit
van de lidstaat van ontvangst inhouden. 2. Lid 1 laat het toezicht op
geconsolideerde basis op grond van de onderhavige richtlijn onverlet. ê 2000/12/EG
artikel 27 (aangepast) Artikel 41 Bevoegdheden van
de lidstaat van ontvangst Tot aan een latere coördinatie blijft de
lidstaat van ontvangst, in samenwerking met de bevoegde autoriteit van de
lidstaat van herkomst, belast met het toezicht op de liquiditeit van het
bijkantoor van een kredietinstelling. Onverminderd de maatregelen die noodzakelijk
zijn ter versterking van het Europees Monetair Stelsel, blijft de lidstaat van
ontvangst volledig verantwoordelijk voor de maatregelen die voortvloeien uit de
tenuitvoerlegging van zijn monetair beleid. Deze maatregelen mogen geen discriminerende of
restrictieve behandeling inhouden uit hoofde van het feit dat aan de
kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend. ê 2000/12/EG
artikel 28 (aangepast) Artikel 42 Samenwerking
inzake toezicht Teneinde toezicht te houden op de
werkzaamheden van de kredietinstellingen waarvan het werkterrein zich tot één
of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met
name doordat zij daar bijkantoren hebben gevestigd, werken de bevoegde
autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle
gegevens betreffende de leiding, het beheer en de eigenaars van de betrokken
kredietinstellingen, waardoor het toezicht op die kredietinstellingen en het
onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die
instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht
op deze instellingen, met name op het gebied van de liquiditeit, de
solvabiliteit, de depositogarantie, de beperking van de
grote risico's Ö posities Õ , de administratieve
en boekhoudkundige organisatie en de interne controle kunnen vergemakkelijken. ê 2000/12/EG
artikel 29 (aangepast) Artikel 43 Verificatie ter
plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren 1. De lidstaten van ontvangst
bepalen dat, wanneer een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat
vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een
bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te
hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door de eerstgenoemde autoriteiten
daartoe gemachtigden ter plaatse de in artikel 28 Ö 42 Õ bedoelde gegevens
kunnen verifiëren. 2. De bevoegde autoriteiten van
de lidstaat van herkomst kunnen voor de verificatie van de bijkantoren ook
gebruikmaken van een van de andere in artikel 141, lid 7,
genoemde procedures. 3. Dit
artikel laat Ö De leden 1 en 2
laten Õ het recht onverlet
van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om op hun
grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te verifiëren teneinde de
verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen
rusten. ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling
2 Uitwisseling van informatie en beroepsgeheimÕ ê 2000/12/EG
artikel 30, leden 1 tot en met 3 (aangepast) Artikel 44 Uitwisseling van
informatie en beroepsgeheim 1. De lidstaten bepalen dat alle
personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten,
alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten
handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de Ö De Õ vertrouwelijke
gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, Ö mogen Õ aan geen enkele
persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt,
behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele Ö krediet Õinstellingen niet
kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het
strafrecht vallen. Indien een kredietinstelling failliet is verklaard
of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter
vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken
zijn bij pogingen om de kredietinstellingen te redden, in het kader van civiele
of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt. 2. Lid 1 belet niet dat tussen
de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten uitwisseling van
gegevens plaatsvindt als bedoeld in onderhavige richtlijn alsmede in andere
richtlijnen die van toepassing zijn op kredietinstellingen. Deze gegevens
vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 4 (aangepast) Artikel 45 4. De bevoegde autoriteit die uit hoofde van lid 1
of 2 Ö artikel
44 Õ vertrouwelijke
gegevens ontvangt, mag deze slechts Ö alleen Õ gebruiken voor de
uitoefening van haar taken Ö en alleen voor
de volgende doeleinden Õ: a) voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot de
werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het vergemakkelijken van de
controle, op individuele en op geconsolideerde basis, op de voorwaarden
waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van
het toezicht op de liquiditeit, de solvabiliteit, de grote Ö posities Õ risico's, de administratieve en boekhoudkundige
organisatie en de interne controle;, of b) voor het opleggen van sancties;, of c) in het kader van een administratief beroep tegen een besluit
van de bevoegde autoriteit;, of d) bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig
artikel 33 Ö 55 Õ of overeenkomstig
bijzondere bepalingen van zowel de onderhavige richtlijn als andere richtlijnen
betreffende kredietinstellingen. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 3 (aangepast) Artikel 46 3. De lidstaten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde
landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals
gedefinieerd in Ö artikel 47 en
artikel 48, lid 1, Õ lid 5 en lid 6, alleen dan samenwerkingsovereenkomsten
voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de
meegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het
beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde. De uitwisseling van
gegevens moet geschieden ten behoeve van het uitoefenen van de toezichthoudende
taak van de genoemde autoriteiten of instanties. Gegevens die afkomstig zijn van een andere
lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van
de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld en in voorkomend
geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten
ingestemd hebben. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 5 (aangepast) Artikel 47 5. De leden 1 en 4 Ö Artikel 44, lid
1, en artikel 45 Õ vormen geen
belemmering voor de uitwisseling van gegevens binnen eenzelfde lidstaat,
wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn of, tussen lidstaten, tussen
de bevoegde autoriteiten en: a) de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de
andere financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen is opgedragen,
alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële
markten; b) en de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het
faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures; c) en de met de wettelijke controle van de rekeningen van
kredietinstellingen en andere financiële belaste personen, voor de vervulling van hun toezichthoudende
taak. Ö Evenmin vormen
zij Õ , en vormen evenmin een belemmering voor de toezending
aan de organen die belast zijn met de uitvoering van de
depositogarantiestelsels, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van
hun taak. Ö In beide
gevallen vallen de Õ De ontvangen gegevens vallen
onder het in Ö artikel 44, lid
1 Õ lid 1 bedoelde beroepsgeheim waartoe de autoriteiten,
organen en personen zijn gehouden. ê 2000/12/EG
artikel 30, leden 6 en 7 (aangepast) Artikel 48 16. Onverminderd
de Ö artikelen 44
tot en met 46 Õ leden 1 tot en met 4 kunnen de lidstaten toestaan dat
uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en: a) de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties
die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van
kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures;, of b) de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die
belast zijn met de wettelijke controle van de rekeningen van
verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en
andere financiële instellingen. Ö In dergelijke
gevallen eisen de Õ De lidstaten die van de in de
eerste alinea vervatte mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan
de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) de informatie is Ö moet Õ bestemd Ö zijn Õ voor de uitoefening van
de in de eerste alinea bedoelde toezichthoudende taken; b) de in dit verband ontvangen informatie valt
Ö dient Õ onder het in Ö artikel 44, lid
1, Õ lid 1 bedoelde beroepsgeheim Ö te vallen Õ; c) gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden
doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die
de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt
voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben. De lidstaten delen de Commissie en de overige
lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten die op grond van dit lid
informatie mogen ontvangen. 27. Onverminderd
de leden 1 tot en met 4 Ö artikelen 44
tot en met 46 Õ kunnen de lidstaten,
ter versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de
integriteit ervan, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen
de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die wettelijk belast
zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht. Ö In dergelijke
gevallen eisen de Õ De lidstaten die van de in de
eerste alinea vervatte mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan
de volgende voorwaarden wordt voldaan: a) de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste
alinea bedoelde taken; b) de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in Ö artikel 44, lid
1, Õ lid 1 bedoelde beroepsgeheim; c) gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden
doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die
de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt
voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben. Indien de in de eerste alinea bedoelde
autoriteiten of instanties die in een lidstaat bij de uitoefening van hun
opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun
specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar
ambt bekleden, kan de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid tot
uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de
tweede alinea genoemde voorwaarden. Voor de toepassing van het
derde streepje van de tweede Ö de derde Õ alinea delen de in
de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde
autoriteiten die de informatie hebben medegedeeld, de identiteit en de juiste
opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven. De lidstaten delen de Commissie en de overige
lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten of instanties die op grond van
dit lid Ö het onderhavige
artikel Õ informatie mogen
ontvangen. De Commissie stelt vóór
31 december 2000 een verslag op over de toepassing van de bepalingen van
Ö het onderhavige
artikel Õdit lid. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 8 (aangepast) Artikel 49 8. De bepalingen van Ö deze
afdeling Õ dit artikel houden geen belemmering voor een bevoegde
autoriteit in om Ö voor de
uitoefening van hun taak dienstige gegevens mede te delen aan Õ: a) aan de centrale banken en andere
instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire
autoriteit;, b) (in voorkomend geval) aan
andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de
betalingssystemen., voor de uitoefening van
hun taak dienstige gegevens mede te delen en houden
Ö Evenmin houden
ze Õ voor deze
autoriteiten of instanties evenmin een belemmering
in om aan de bevoegde autoriteiten de gegevens toe te zenden die deze nodig
hebben ter uitvoering Ö van artikel
45. Õ van lid 4. De in dit verband ontvangen gegevens vallen
onder het in Ö artikel 44, lid
1, Õ dit artikel bedoelde beroepsgeheim. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 9, eerste en tweede alinea (aangepast) Artikel 50 9. Bovendien
mogen de lidstaten, nNiettegenstaande Ö artikel 44, lid
1, en artikel 45, mogen de lidstaten Õ de leden 1 en 4, op grond van wettelijke bepalingen de
mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten
die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen,
of financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsmaatschappijen
alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden. Deze gegevens mogen echter alleen worden
verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig
blijkt. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 9, derde alinea (aangepast) Artikel 51 De lidstaten bepalen echter
dat de gegevens die op grond van Ö artikel 44, lid
2, en artikel 47 Õ de leden 2 en 5 zijn ontvangen, en die welke zijn
verkregen naar aanleiding van in artikel Ö 43 Õ 29, leden 1 en 2, bedoelde verificaties ter plaatse, in
geen enkel geval op grond van dit Ö artikel Õ lid mogen worden medegedeeld, tenzij met de
uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit die de gegevens heeft
verstrekt of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter
plaatse is verricht. ê 2000/12/EG
artikel 30, lid 10 (aangepast) Artikel 52 10. De bepalingen van Ö deze
afdeling Õ dit artikel vormen geen belemmering voor de bevoegde
autoriteiten Ö van een
lidstaat Õ om de in de Ö artikelen 44
tot en met 46 Õ leden 1 tot en met 4 bedoelde gegevens mede te delen aan
een clearinginstelling of een ander, soortgelijk orgaan dat bij de nationale
wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten
op één van de markten van hun lidstaat, indien zij van oordeel zijn dat dit
nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband
met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit
verband ontvangen gegevens vallen onder het in Ö artikel 44, lid
1, Õ lid 1 genoemde beroepsgeheim. De lidstaten zien er evenwel op toe dat uit
hoofde van Ö artikel 44, lid
2, Õ lid 2 ontvangen gegevens in het in dit Ö artikel Õ lid bedoelde geval niet kunnen worden doorgegeven,
tenzij met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de
gegevens hebben verstrekt. ò nieuw Afdeling 3 Verplichtingen van de personen
belast met de controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening ê 2000/12/EG
artikel 31 (aangepast) Artikel 53 Verplichtingen
van de personen belast met de controle van de jaarrekening en de
geconsolideerde rekening 1. De lidstaten bepalen minimaal: a) dat iedere persoon die is toegelaten in
de zin van Ö Achtste Õ Richtlijn 84/253/EEG
van de Raad[26],
en die bij een kredietinstelling de taken verricht zoals bedoeld in artikel 51
van Ö Vierde Õ Richtlijn 78/660/EEG
van de Raad[27],
artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG Ö van de
Raad Õ of artikel 31 van
Richtlijn 85/611/EEG[28]
van de Raad, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft aan de
bevoegde autoriteiten snel melding te doen van elk feit of besluit met
betrekking tot deze Ö krediet Õinstelling, waarvan
hij bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard
is: (a) dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of
bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor
vergunning of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de
werkzaamheden van de kredietinstelling;, of b) dat het de bedrijfscontinuïteit van de kredietinstelling aantast;, of c) dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de
jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden.; Ö De lidstaten
bepalen minimaal Õ b) dat dezelfde verplichting rust op deze persoon ten
aanzien van feiten en Ö of Õ besluiten waarvan
hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven onder a) Ö in de eerste
alinea Õ, bij een onderneming
die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de
kredietinstelling waar deze persoon bovengenoemde Ö de
desbetreffende Õ taken uitvoert. 2. Melding te goeder trouw aan
de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van
Richtlijn 84/253/EEG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen
inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of
bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van
informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van
aansprakelijkheid. ê 2000/12/EG
(aangepast) Ö Afdeling 4
Sanctiebevoegdheid en beroepsrecht Õ ê 2000/12/EG
artikel 32 (aangepast) Artikel 54 Bevoegdheid van
de bevoegde autoriteiten tot het nemen van sancties Onverminderd de voor de intrekking van de
vergunning geldende procedures en de bepalingen van het strafrecht, bepalen de
lidstaten dat hun respectieve bevoegde autoriteiten tegen kredietinstellingen
of hun verantwoordelijke bestuurders, die de wettelijke of bestuursrechtelijke
voorschriften inzake het toezicht of de uitoefening van de werkzaamheden
overtreden, sancties kunnen uitspreken dan wel maatregelen treffen die beogen
een eind te maken aan de geconstateerde overtredingen of de oorzaken daarvan
weg te nemen. ê 2000/12/EG
artikel 33 (aangepast) Artikel 55 Beroep op de
rechter De lidstaten bepalen dat tegen besluiten die
jegens een kredietinstelling worden genomen uit hoofde van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn
vastgesteld, beroep op de rechter mogelijk is; dit geldt eveneens voor het
geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen aangaande
een vergunningaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens
bevat. ê 2000/28/EG
artikel 1, punt 2 (aangepast) Artikel 33 bis Artikel 3 van Richtlijn
2000/46/EG is van toepassing op kredietinstellingen. ê 2000/12/EG HOOFDSTUK 2 TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR
BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT Afdeling 1 Eigen vermogen ê 2000/12/EG
artikel 34, lid 1 (aangepast) Artikel 56 Algemene
beginselen 1.Indien een lidstaat bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen,
ter uitvoering van de communautaire wetgeving inzake bedrijfseconomisch
toezicht, maatregelen treft waarin de term "eigen vermogen" wordt
gebruikt of wordt gerefereerd aan dat begrip, ziet hij erop toe dat deze term
of dit begrip in overeenstemming is met de definitie in de Ö artikelen 57
tot en met 61 en 63 tot en met 66 Õleden 2, 3 en 4 en in de artikelen 35 tot en met 38. ê 2000/12/EG
artikel 34, lid 2, eerste alinea (aangepast) Artikel 57 Onverminderd de in artikel 38 Ö 66 Õ vastgestelde
limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van
kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen: 1a) gestort
kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening,
maar zonder de cumulatief preferente aandelen; 2b) reserves
in de zin van artikel 23 van Richtlijn 86/635/EEG en de resultaten van het
voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve
resultaat;. De lidstaten kunnen
alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat
een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de
controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de
bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd
overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is,
na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden; 3c) de
fondsen voor algemene bankrisico's in de zin van artikel 38 van Richtlijn
86/635/EEG; 4d) herwaarderingsreserves
in de zin van artikel 33 van Richtlijn 78/660/EEG; 5e) waardecorrecties
in de zin van artikel 37, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG; 6f) andere
bestanddelen in de zin van artikel 35 Ö 63 Õ ; 7g) de in
artikel Ö 64 Õ 36, lid 1, bedoelde aansprakelijkheidsverplichtingen van
leden van kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen
en de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers van bepaalde, in de vorm
van een fonds georganiseerde instellingen; 8h) cumulatief
preferente aandelen met een vaste looptijd alsmede achtergestelde leningen in
de zin van artikel Ö 64 Õ 36, lid 3. Zoals bepaald in artikel 38
Ö 66 Õ worden de volgende
bestanddelen afgetrokken: 9i) het
bezit aan eigen aandelen van de kredietinstelling, tegen boekwaarde; 10j) immateriële
activa in de zin van artikel 4 (Activa), punt 9, van Richtlijn 86/635/EEG; k11) negatieve
resultaten van enige betekenis van het lopende boekjaar; ê 2002/87/EG
artikel 29, punt 4, onder a) (aangepast) l12) deelnemingen
in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer
dan 10 % van het kapitaal van die instellingen; m13) achtergestelde
schuldvorderingen en de in artikel 35 Ö 63 Õ en artikel 36 Ö 64 Õ, lid 3, bedoelde, in
het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels uitgegeven door
kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 %
van hun kapitaal deelneemt; n14) deelnemingen
in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van
10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde
schuldvorderingen en de in artikel 35 Ö 63 Õ en artikel Ö 64 Õ36, lid 3, bedoelde, in het bezit van de
kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de in Ö deze
alinea Õ de punten 12 en 13 bedoelde kredietinstellingen en
andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze
deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het
eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen
genoemd in de punten 12 tot en met 16 Ö onder l) tot en
met p) Õ te boven gaat; o15) deelnemingen
in de zin van artikel 1, punt 9, Ö artikel 4, punt
10, Õ die een
kredietinstelling houdt in: i) verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 6 van Ö Eerste Õ Richtlijn 73/239/EEG
Ö van de Raad[29] Õ , artikel 6 van Ö Eerste Õ Richtlijn 79/267/EEG
Ö van de Raad[30] Õ of artikel 1, onder
b), van Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad[31]; (ii) herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder c),
van Richtlijn 98/78/EG; iii) herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder i),
van Richtlijn 98/78/EG; p16) elk
van de volgende bestanddelen die de kredietinstelling houdt jegens de in punt 15 Ö onder o) Õ omschreven
entiteiten waarin zij een deelneming heeft: i) de in artikel 16, lid 3, van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde
instrumenten; ii) de in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 79/267/EEG bedoelde
instrumenten;. ò nieuw q) bij
kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3,
onderafdeling 2, berekenen, de negatieve bedragen die de uitkomst zijn van de
berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 34, en de verwachte
verliesposten zoals berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 30 en 31; r) het bedrag aan
vorderingen bij securitisatieposities die overeenkomstig bijlage IX, deel 4,
een risicogewicht van 1250% krijgen, zoals berekend op de aldaar aangegeven
wijze. ê 2000/12/EG
artikel 34, lid 2, punt 2, laatste zin (aangepast) ð nieuw Ö Voor de toepassing
van punt b) kunnen de lidstaten Õ De lidstaten kunnen alleen toestaan dat tussentijdse
positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen,
wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste
personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat
het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in
Richtlijn 86 /635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en
van voorzieningen voor dividenden.; ðBij een kredietinstelling die een initiator
van een securitisatie is, worden de nettowinsten die het resultaat zijn van de
kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa en die
als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen, niet als
bestanddeel als bedoeld onder b) beschouwd. ï ê 2002/87/EG
artikel 29, punt 4, onder b) (aangepast) Artikel 58 Indien aandelen in een andere
kredietinstelling, beleggingsonderneming, financiële instelling,
verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding
tijdelijk worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie,
bedoeld om die entiteit te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit ontheffing
van de bepalingen inzake aftrek als bedoeld in de punten
12 tot en met 16 Ö onder l) tot en
met p) Õ verlenen. Artikel 59 Als alternatief voor de aftrek van de in de punten 15 en 16 Ö onder o) en
p) Õ genoemde
bestanddelen mogen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan mutatis
mutandis de methoden 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toe te
passen. Methode 1 ("Consolidatie van jaarrekeningen") wordt Ö mag Õ alleen Ö worden Õ toegepast indien de
bevoegde autoriteit overtuigd is van het niveau van geïntegreerd beheer en
interne-controlemaatregelen van de entiteiten die onder de consolidatie zouden
vallen. De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast. Artikel 60 Voor de berekening van het eigen vermogen op
individuele basis, kunnen de lidstaten bepalen dat kredietinstellingen die
onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig hoofdstuk
3 Ö 4, afdeling
1 Õ of aan het
aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG, de in de punten 12 tot en met 16 Ö onder l) tot en
met p) Õ bedoelde
bestanddelen die worden gehouden in kredietinstellingen, financiële
instellingen, verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of
herverzekeringsondernemingen die onder het toepassingsgebied van het toezicht
op geconsolideerde basis of van het aanvullende toezicht vallen, niet hoeven af
te trekken. Deze bepalingen zijn van toepassing op alle
prudentiële regels die op Gemeenschapsniveau zijn geharmoniseerd. ê 2000/12/EG
artikel 34, lid 3 (aangepast) Artikel 61 3. Het begrip "eigen vermogen" als gedefinieerd in lid 2, punten 1 tot en met 8 Ö artikel 57,
onder a) tot en met h) Õ, houdt een maximum
aan bestanddelen en bedragen in. Het gebruik van deze bestanddelen of de
vaststelling van lagere plafonds alsmede de aftrek van andere bestanddelen dan
die welke vermeld zijn in lid 2, punten 9 tot en met 13
Ö artikel 57,
onder i) tot en met r) Õ, worden overgelaten
aan het oordeel van de lidstaten. Deze zijn evenwel gehouden te streven naar een
grotere convergentie met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het
begrip «eigen vermogen». Daartoe legt de Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 een verslag
betreffende de toepassing van het onderhavige artikel en van de artikelen 35
tot en met 39 voor aan het Europees Parlement en aan de Raad, eventueel
vergezeld van de wijzigingen die zij nodig acht. Uiterlijk op 1 januari 1998
zullen het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig de procedure van
artikel 251 van het Verdrag en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité,
de definitie van het eigen vermogen onderzoeken en opnieuw bezien met het oog
op een uniforme toepassing van de gemeenschappelijke definitie. ê 2000/12/EG
artikel 34, lid 4 (aangepast) 4. De
kredietinstelling moet onmiddellijk en zonder beperking kunnen beschikken over
de in lid 2, punten 1 tot en met 5 Ö artikel 57,
onder a) tot en met e) Õ, vermelde
bestanddelen om risico's of verliezen te dekken zodra deze zich voordoen. Het
bedrag van deze bestanddelen moet ten tijde van hun berekening vrij zijn van
elke voorzienbare belasting of daarvoor gecorrigeerd zijn voorzover deze
belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend
kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen. ò nieuw Artikel 62 De lidstaten zullen
aan de Commissie verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang op
convergentiegebied met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het
begrip "eigen vermogen". Op basis van deze verslagen dient de
Commissie eventueel uiterlijk 1 januari 2009 bij het Europees Parlement en de
Raad een voorstel in voor wijziging van dit artikel en van de artikelen 35 tot
en met 39. ê 2000/12/EG
artikel 35 (aangepast) Artikel 63 Andere
bestanddelen 1. Het door een lidstaat gebruikte begrip "eigen
vermogen" kan andere bestanddelen inhouden, mits deze, ongeacht hun
wettelijke of boekhoudkundige benamingen, de volgende kenmerken bezitten: a) zij staan ter vrije beschikking van de
kredietinstelling ter dekking van de normale risico's van het bankbedrijf,
indien de verliezen of de waardeverminderingen nog niet zijn vastgesteld; b) het bestaan ervan blijkt uit de interne
rekeningen; c) het betrokken bedrag wordt vastgesteld
door het bestuur van de kredietinstelling, gecontroleerd door onafhankelijke
accountants, ter kennis gebracht aan de bevoegde autoriteiten en aan hun
toezicht onderworpen. 2. Als andere bestanddelen kunnen ook worden aanvaard
schuldtitels met een onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten
die aan de volgende voorwaarden voldoen: a) zij kunnen niet worden terugbetaald op
initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde
autoriteit; b) de schuldovereenkomst moet bepalen dat de
kredietinstelling de betaling van rente over de schuld mag uitstellen; c) de vorderingen van de leninggever op de
leningnemende kredietinstelling moeten volledig achtergesteld zijn bij die van
alle niet-achtergestelde crediteuren: d) de documenten inzake de uitgifte van de
schuldtitels moeten bepalen, dat schuld en niet-betaalde rente gebruikt kunnen
worden om verliezen op te vangen, terwijl de kredietinstelling haar
werkzaamheden kan voortzetten; e) alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen
worden in aanmerking genomen. Hierbij komen nog andere cumulatief preferente
aandelen dan die bedoeld in artikel 34 Ö 57, lid 2,
onder h). Õ , lid 2, punt 8. ò nieuw 3. Bij
kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3,
onderafdeling 2, berekenen, kunnen de positieve bedragen die de uitkomst zijn
van de berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 34, tot maximaal 0,6%
van de risicogewogen posten zoals berekend op basis van onderafdeling 2, worden
aanvaard als andere bestanddelen. Bij deze kredietinstellingen worden
waardeaanpassingen en voorzieningen in de berekening als bedoeld in bijlage
VII, afdeling 3, deel 1, punt 34, en waardecorrecties en voorzieningen voor
vorderingen als bedoeld in artikel 57, onder e), alleen op basis van deze
bepaling opgenomen in het eigen vermogen. Daartoe worden bij de risicogewogen
posten niet de posten meegeteld die zijn berekend voor securitisatieposities
met een risicogewicht van 1250%. ê 2000/12/EG
artikel 36 (aangepast) Artikel 64 Andere
bepalingen inzake het eigen vermogen 1. De
aansprakelijkheidsverplichtingen van de leden van de in artikel 34, lid 2, punt 7 Ö artikel 57,
onder g) Õ, bedoelde
kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve vereniging, omvatten het
niet-gestorte kapitaal van deze instellingen en de statutaire verplichting van
de leden van deze coöperatieve instellingen tot het doen van aanvullende
niet-terugbetaalbare stortingen wanneer de kredietinstelling verlies lijdt. In
dat geval dienen de stortingen onmiddellijk gevorderd te kunnen worden. Met de hiervoor bedoelde bestanddelen worden
gelijkgesteld de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers in het geval
van als fonds georganiseerde kredietinstellingen. Al deze bestanddelen kunnen in het eigen vermogen
worden opgenomen, voorzover zij overeenkomstig de nationale wetgeving tot het
eigen vermogen van dit soort instellingen worden gerekend. 2. De lidstaten mogen garanties
die zij of hun autoriteiten aan openbare kredietinstellingen verlenen, niet tot
het eigen vermogen van deze kredietinstellingen rekenen. 3. De lidstaten of de bevoegde
autoriteiten mogen de in artikel 34, lid 2, punt 8
Ö 57, onder
h) Õ, bedoelde cumulatief
preferente aandelen met een vaste looptijd, alsmede de aldaar bedoelde
achtergestelde leningen in het eigen vermogen opnemen, indien er bindende
overeenkomsten bestaan volgens welke deze leningen in geval van faillissement
of liquidatie van de kredietinstelling worden achtergesteld bij de vorderingen
van alle andere crediteuren en eerst worden terugbetaald nadat alle andere op
dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan. De achtergestelde leningen moeten daarnaast aan de volgende Ö aanvullende Õ criteria voldoen: a) alleen de daadwerkelijk gestorte middelen
worden in aanmerking genomen; b) de betrokken middelen hebben een
oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar, waarna terugbetaling
mogelijk is; indien de looptijd van de schuld onbepaald
is, moet een opzeggingstermijn van vijf jaar worden overeengekomen, tenzij de
betrokken middelen niet langer als eigen vermogen worden beschouwd, of tenzij
voor vervroegde terugbetaling uitdrukkelijk voorafgaande toestemming van de
bevoegde autoriteiten is vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming
verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke middelen, mits het
initiatief hiertoe uitgaat van de kredietnemer en de solvabiliteit van de
kredietinstelling onaangetast blijft; c) de hoogte tot welke zij kunnen worden
gerekend tot het eigen vermogen zal geleidelijk worden verlaagd gedurende ten
minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de terugbetaling; d) de leningovereenkomst bevat geen
bepalingen krachtens welke de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de
liquidatie van de kredietinstelling, vóór de overeengekomen datum moet worden
terugbetaald. ê 2000/12/EG
artikel 36, lid 3, onder b), met uitzondering van de eerste zestien woorden
(aangepast) ð nieuw ð Voor de toepassing van lid 2, onder b),
moet ï indien de looptijd van de schuld onbepaald is, moet
een opzeggingstermijn van vijf jaar worden overeengekomen, tenzij de betrokken
middelen niet langer als eigen vermogen worden beschouwd, of tenzij voor
vervroegde terugbetaling uitdrukkelijk voorafgaande toestemming van de bevoegde
autoriteiten is vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen
voor vervroegde terugbetaling van dergelijke middelen, mits het initiatief
hiertoe uitgaat van de kredietnemer en de solvabiliteit van de
kredietinstelling onaangetast blijft; ò nieuw 4. Kredietinstellingen
nemen niet in hun eigen vermogen op: de reserves voor de waarde in het
economisch verkeer ("reële waarde") in verband met winsten of
verliezen op kasstroomafdekkingstransacties van financiële instrumenten gewaardeerd
tegen de aanschaffingswaarde verminderd met de afschrijvingen alsmede de door
veranderingen in hun eigen kredietwaardigheid ontstane winsten of verliezen op
de tegen de reële waarde gewaardeerde verplichtingen. ê 2000/12/EG
artikel 37 (aangepast) Artikel 65 Berekening van
het eigen vermogen op geconsolideerde basis 1. Wanneer de berekening op
geconsolideerde grondslag dient te geschieden, worden de in artikel 34 Ö 57 Õ, lid 2, genoemde
bestanddelen voor hun geconsolideerde bedragen in aanmerking genomen
overeenkomstig de in de artikelen 52 tot en met 56
Ö hoofdstuk 4,
afdeling 1 Õ vastgestelde regels.
Bovendien mogen de volgende creditbestanddelen ("negatieve bestanddelen'')
voor de berekening van het eigen vermogen met de geconsolideerde reserves
worden gelijkgesteld: a) - minderheidsbelangen in de zin van
artikel 21 van Richtlijn 83/349/EEG als de integrale consolidatiemethode wordt
toegepast; b) - het eerste consolidatieverschil in
de zin van de artikelen 19, 30 en 31 van Richtlijn 83/349/EEG; (c) - de omrekeningsverschillen die
overeenkomstig artikel 39, lid 6, van Richtlijn 86/635/EEG in de
geconsolideerde reserves worden opgenomen; d) - het verschil dat voortvloeit uit
de vermelding van bepaalde deelnemingen overeenkomstig de in artikel 33 van
Richtlijn 83/349/EEG beschreven methode. 2. Wanneer bovengenoemde Ö de in lid 1,
onder a) tot en met d), bedoelde Õ bestanddelen
debetbestanddelen ("positieve bestanddelen") zijn, dienen Ö worden Õ zij bij de
berekening van het geconsolideerde eigen vermogen in mindering te worden gebracht. ê 2000/12/EG
artikel 38, lid 1 (aangepast) ð nieuw Artikel 66 Aftrek en
limieten 1. Voor de in artikel 34, lid 2, punten 4 tot en met 8, Ö 57, onder d)
tot en met h), Õ bedoelde
bestanddelen gelden de volgende limieten: a) de som van de bestanddelen genoemd in de punten 4 tot en met 8 Ö onder d) tot en
met h) Õ mag niet meer
bedragen dan 100% van de som van de bestanddelen genoemd in
de punten 1, 2 en 3 Ö onder a) tot en
met c) Õ, verminderd met de
som van de bestanddelen genoemd in de punten 9, 10 en 11
Ö onder i) tot en
met k) Õ ð en 50% van de som van de bedragen
genoemd onder bestanddeel q ï ; b) de som van de bestanddelen genoemd in de punten 7 tot en met 8 Ö onder g) en
h) Õ mag niet meer
bedragen dan 50% van de som van de bestanddelen genoemd in
de punten 1, 2 en 3 Ö onder a) tot en
met c) Õ, verminderd met de
som van de bestanddelen genoemd in de punten 9, 10 en 11
onder i) tot en met k) ð en 50% van de som van de bedragen genoemd
onder bestanddeel q ï; c) de som van de bestanddelen genoemd in de punten 12 en 13 Ö onder l) tot en
met q) Õ wordt in mindering
gebracht op de som van alle bestanddelen. ò nieuw 2. De
som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder r), wordt in mindering
gebracht op de som van de bestanddelen genoemd onder a) tot en met h) van dat
artikel, tenzij de kredietinstelling voor de toepassing van artikel 75 de
eerstgenoemde bestanddelen meetelt in haar berekening van de risicogewogen
posten zoals aangegeven in bijlage IX, deel 4. ê 2000/12//EG
artikel 38, lid 2 23. De
bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming geven om in
tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden de in lid 1 genoemde limiet te
overschrijden. ê 2000/12/EG
artikel 39 (aangepast) Artikel 67 Aan bevoegde
autoriteiten te leveren bewijs Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten moet
worden aangetoond dat aan de voorwaarden van Ö deze
afdeling Õ artikel 34, leden 2, 3 en 4, en van de artikelen 35 tot en met
38 is voldaan. ò nieuw Afdeling 2 Risicovoorziening onderafdeling 1 -
Toepassingsniveau Artikel 68 1. Alle
kredietinstellingen voldoen op individuele basis aan het bepaalde in de
artikelen 22 en 75 en in afdeling 5. 2. Als
een kredietinstelling geen dochterneming is in de lidstaat waar zij een
vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, en evenmin een
moederonderneming is, of als een kredietinstelling niet in de consolidatie
wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan het bepaalde in de
artikelen 120 en 123. 3. Als
een kredietinstelling geen moederonderneming en ook geen dochteronderneming is,
of als een kredietinstelling ingevolge artikel 73 niet in de consolidatie wordt
opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan het bepaalde in hoofdstuk 5. Artikel 69 1. De
lidstaten mogen ervoor kiezen om artikel 68, lid 1, niet op een
dochteronderneming van een kredietinstelling toe te passen als de
desbetreffende lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op
zowel de dochteronderneming als de kredietinstelling, de dochteronderneming
betrokken is bij het toezicht op geconsolideerde basis van de kredietinstelling
die de moederonderneming is, en met het oog op een adequate verdeling van het
eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochterondernemingen voldaan
is aan de volgende voorwaarden: a) er is geen
substantiële of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een
onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van middelen door
de moederonderneming kan verhinderen; b) de
moederonderneming is onvoorwaardelijk, uitdrukkelijk en onherroepelijk
verplicht eigen vermogen aan de dochteronderneming over te dragen en aan haar
verplichtingen te voldoen, tenzij de risico´s ten aanzien van de
dochteronderneming nauwelijks van betekenis zijn; c) de
risicobeoordeling, meet- en controleprocedures van de moederonderneming
omvatten ook de dochteronderneming; d) de
moederonderneming heeft het recht om het grootste deel van de leden van het
leidinggevend orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan. 2. De
lidstaten mogen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruikmaken als het bij
de moederonderneming om een financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is
opgericht als de kredietinstelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als
dat welke op kredietinstellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de
in artikel 71 vastgelegde normen. Artikel 70 De bevoegde
autoriteiten mogen aan moederkredietinstellingen in een lidstaat op ad-hocbasis
toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van artikel 68,
lid 1, dochterondernemingen in de Gemeenschap in aanmerking te nemen die
voldoen aan de voorwaarden van artikel 69, lid 1, onder a), c) en d), en die
aanzienlijke vorderingen hebben op of aanzienlijke verplichtingen hebben jegens
deze moederkredietinstelling in een lidstaat. Artikel 71 1. Onverminderd
de artikelen 68 tot en met 70 voldoen moederkredietinstellingen in een lidstaat
in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan het bepaalde in de
artikelen 75, 120, en 123 en in afdeling 5 op basis van hun geconsolideerde
financiële positie. 2. Onverminderd
de artikelen 68 tot en met 70 voldoen kredietinstellingen die onder de
zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat, in de mate
en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan de voorschriften van de artikelen
75, 120, en 123 en van hoofdstuk 5 op basis van de geconsolideerde financiële
positie van de holding. Als meerdere
kredietinstellingen onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding
in een lidstaat, is lid 1 alleen van toepassing op de kredietinstelling die
ingevolge de artikelen 125 en 126 onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde
basis. Artikel 72 1. EU-moederkredietinstellingen
voldoen op basis van hun geconsolideerde financiële positie aan het bepaalde in
hoofdstuk 5. Voor belangrijke
dochterondernemingen maken zij de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde
informatie echter openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis. 2. Kredietinstellingen
die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, voldoen op
basis van de geconsolideerde financiële positie van deze holding aan het
bepaalde in hoofdstuk 5. Voor belangrijke
dochterondernemingen maken zij de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde
informatie echter openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis. 3. De
bevoegde autoriteiten die ingevolge de artikelen 125 tot en met 131
verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, mogen de
leden 1 en 2 niet van toepassing verklaren op de kredietinstellingen waarvan de
moederonderneming in een derde land gevestigd is, mits zij op geconsolideerde
basis vergelijkbare informatie over deze kredietinstellingen openbaar maakt. ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 3 (aangepast) Artikel 73 61. De lidstaten of de Ö bevoegde
autoriteiten die Õ overeenkomstig
artikel 53 Ö 125 tot en met
131 verantwoordelijk zijn voor Õ met het toezicht op geconsolideerde basis, belaste bevoegde
autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen,
financiële instellingen of nevendiensten van het
bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of
waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien: a) de in de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming
gevestigd is in een derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling
van de nodige inlichtingen bestaan,; b) de in de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming volgens
de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op
de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het
balanstotaal van de in de consolidatie te betrekken
Ö desbetreffende Õ onderneming lager is
dan het laagste van de twee volgende bedragen: i) 10 miljoen EUR;of ii) 1% van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de
onderneming die de deelneming houdt;. indien verscheidene
ondernemingen aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de
consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in
het licht van bovenstaande doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang
heeft, of c) de consolidatie van de financiële positie van de in
de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming, naar de
mening van de Ö bevoegde
autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde
basis, Õ met het toezicht op geconsolideerde basis belaste autoriteiten,
in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen
misplaatst of misleidend zou zijn. ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 3, tweede streepje, laatste zin (aangepast) Iindien Ö in de in lid 1,
onder b), bedoelde gevallen Õ verscheidene
ondernemingen aan bovenstaande Ö de daar
genoemde Õ voorwaarden voldoen,
dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van
deze ondernemingen in het licht van bovenstaande Ö de
vermelde Õ doelstellingen, een
niet te verwaarlozen belang heeft., of ò nieuw 2. De
bevoegde autoriteiten verplichten kredietinstellingen die een
dochteronderneming zijn, het bepaalde in de artikelen 75, 120 en 123 en in
hoofdstuk 5 op gesubconsolideerde basis toe te passen als deze
kredietinstellingen of de moederonderneming als deze een financiële holding is,
een kredietinstelling, financiële instelling of een vermogensbeheerder in de
zin van artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in
een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben. 3. De
bevoegde autoriteiten verplichten de moeder- en dochterondernemingen die onder
deze richtlijn vallen, op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis te
voldoen aan het bepaalde in artikel 22, zodat hun regels, procedures en
mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en alle gegevens en
informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Onderafdeling 2 –
Berekening van de vereisten Artikel 74 1. Tenzij
anders bepaald, worden de actiefposten en de posten buiten de balanstelling
gewaardeerd op basis van het boekhoudkundig kader dat krachtens Verordening
(EG) nr. 1606/2002 en Richtlijn 86/635/EEG op de kredietinstelling van
toepassing is. 2. Niettegenstaande
het bepaalde in de artikelen 68 tot en met 72 zorgen de bevoegde autoriteiten
ervoor dat ten minste twee keer per jaar wordt berekend of de
kredietinstellingen nog voldoen aan artikel 75. De berekeningen worden
door de kredietinstellingen zelf uitgevoerd, die de resultaten en alle
gevraagde desbetreffende gegevens vervolgens aan de bevoegde autoriteiten
toezenden, of door de bevoegde autoriteiten die gebruikmaken van de door de
kredietinstellingen verstrekte gegevens. Onderafdeling 3 –
Minimumniveau eigen vermogen Artikel 75 Onverminderd artikel
136 verplichten de lidstaten de kredietinstellingen om eigen vermogen te
verschaffen dat te allen tijde ten minste de som van de volgende
kapitaalvereisten bedraagt: a) acht
procent van het totaal van de risicogewogen posten, zoals berekend op basis van
afdeling 3, voor kredietrisico´s en verwateringsrisico´s in hun gehele bedrijf,
met uitzondering van de handelsportefeuille en de niet-liquide activa indien
deze op basis van [artikel 13, lid 2, onder
d), van Richtlijn 93/6/EEG] in mindering
worden gebracht op het eigen vermogen; b) met
betrekking tot de handelsportefeuille: de kapitaalvereisten die zijn
vastgesteld op basis van [hoofdstuk V,
afdeling 4, van Richtlijn 93/6/EEG] voor de
positie-, afwikkelings- en tegenpartijrisico´s en - voorzover de in de
artikelen 111 tot en met 117 vastgestelde limieten mogen worden overschreden -
voor grote posities waarbij deze limieten worden overschreden; c) met
betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld
bij [artikel 18 van Richtlijn 93/6/EEG], voor het valutarisico en voor het
grondstoffenrisico; d) met
betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld
bij afdeling 4, voor het operationele risico. ê 2000/12/EG (nieuw) Afdeling 2 Solvabiliteitsratio Artikel 40 Algemene beginselen 1. De solvabiliteitsratio drukt de verhouding uit tussen het eigen
vermogen, zoals omschreven in artikel 41, en het totaal van de naar risicograad
gewogen activa en posten buiten de balanstelling als omschreven in artikel 42. 2. De solvabiliteitsratio van kredietinstellingen die geen
moederonderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG zijn en
evenmin een dochteronderneming daarvan, wordt op individuele basis berekend. 3. De solvabiliteitsratio van kredietinstellingen die moederonderneming
zijn, wordt berekend op geconsolideerde basis overeenkomstig de methoden
omschreven in deze richtlijn en in de Richtlijnen 86/635/EEG en 86/635/EEG. 4. De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de
vergunning van en het toezicht op de moederonderneming die een
kredietinstelling is, mogen ook van haar en van elke dochteronderneming daarvan
die onder hun vergunning en toezicht valt, eisen dat een ratio op basis van een
deelconsolidatie of een niet-geconsolideerde ratio wordt berekend. Indien er
niet zo'n controle op de passende verdeling van het kapitaal binnen de
bankengroep wordt toegepast, moeten er andere maatregelen worden genomen om dat
doel te bereiken. 5. 5. Onverminderd de in de leden 2, 3 en 4 en in artikel 52, leden 8
en 9, omschreven verplichtingen van de kredietinstellingen dragen de bevoegde
autoriteiten er zorg voor dat de ratio's ten minste tweemaal per jaar worden
berekend, ofwel door de kredietinstelling zelf, die de resultaten en alle
gevraagde desbetreffende gegevens aan de bevoegde autoriteiten verstrekt, ofwel
door de bevoegde autoriteiten die gebruikmaken van de door de
kredietinstellingen verstrekte gegevens. 6. De waardering van activa en van posten buiten de balanstelling
geschiedt overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG. Artikel 41 De teller: eigen vermogen Het eigen vermogen, zoals gedefinieerd in deze richtlijn, vormt de
teller van de solvabilieitsratio. Artikel 42 De noemer: naar risicograad gewogen activa en posten
buiten de balanstelling 1. Aan de actiefposten worden risicograden, in de vorm van in procenten
uitgedrukte wegingsfactoren, toegekend overeenkomstig het bepaalde in de
artikelen 43 en 44, en, in uitzonderlijke gevallen, in de artikelen 45, 62 en
63. De balanswaarde van elk activum wordt vervolgens vermenigvuldigd met de
desbetreffende wegingsfactor om te komen tot een naar risicograad gewogen
waarde. 2. In het geval van de in bijlage II vermelde posten buiten de
balanstelling wordt een berekening in twee fasen verricht, overeenkomstig
artikel 43, lid 2. 3. In het geval van de in artikel 43, lid 3, bedoelde posten buiten de
balanstelling worden de potentiële kosten van vervanging van contracten bij in
gebreke blijven van de tegenpartij berekend door toepassing van een van de twee
in bijlage III genoemde methoden. Deze kosten worden vermenigvuldigd met de
desbetreffende, in artikel 43, lid 1, vermelde wegingsfactor voor de
tegenpartij, met dien verstande dat de wegingsfactor 100% op 50% wordt gesteld,
om naar risicograad gewogen waarden te krijgen. 4. De som van de in de leden 2 en 3 bedoelde naar risicograad gewogen
waarden van activa en posten buiten de balanstelling is de noemer van de
solvabiliteitsratio. Artikel 43 Risicowegingsfactoren 1. Op de hierna vermelde activacategorieën worden de daarbij aangegeven
wegingsfactoren toegepast, tenzij de bevoegde autoriteiten het dienstig achten
hogere factoren vast te stellen: a) Wegingsfactor 0 % (1) kasmiddelen en gelijkwaardige posten; (2) activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken
van zone A vertegenwoordigen; (3) activa die vorderingen op de Europese Gemeenschappen
vertegenwoordigen; (4) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk
zijn gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A, of
door de Europese Gemeenschappen; (5) activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken
van zone B vertegenwoordigen, luidende en gefinancierd in de nationale valuta
van de kredietnemer; (6) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk
zijn gegarandeerd door centrale overheden en centrale banken van zone B,
luidende en gefinancierd in de gemeenschappelijke nationale valuta van de
garant en de kredietnemer; (7) activa die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn
gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door
centrale overheden of centrale banken van zone A of door de Europese
Gemeenschappen, door deposito's in contanten bij de leningverstrekkende
instelling of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven
door en gedeponeerd bij laatstgenoemde instelling. b) Wegingsfactor 20% (1) 1. activa die vorderingen op de EIB vertegenwoordigen; (2) activa die vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken
vertegenwoordigen; (3) 3. activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk
zijn gegarandeerd door de EIB; (4) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk
zijn gegarandeerd door multilaterale ontwikkelingsbanken; (5) activa die vorderingen op regionale of lokale overheden van
zone A vertegenwoordigen, behoudens het bepaalde in artikel 44; (6) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk
zijn gegarandeerd door regionale of lokale overheden van zone A behoudens het
bepaalde in artikel 44; (7) 7. activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone A
vertegenwoordigen, en die geen eigen vermogen van die instellingen zijn; (8) activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone B
vertegenwoordigen met een looptijd van ten hoogste een jaar, met uitzondering
van door deze instellingen uitgegeven effecten die als bestanddelen van hun
eigen vermogen zijn erkend; (9) activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door
kredietinstellingen van zone A; (10) activa die vorderingen met een looptijd van ten hoogste een jaar
vertegenwoordigen, welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door
kredietinstellingen van zone B; (11) activa die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn
gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door de
EIB of door multilaterale ontwikkelingsbanken; (12) liquide middelen in de inningsfase. c) Wegingsfactor 50% (1) leningen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten geheel
en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken op woningen die worden of zullen
worden bewoond of verhuurd door de kredietnemers en leningen die, ten genoegen
van de bevoegde autoriteiten, volledig zijn gegarandeerd door aandelen in Finse
bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de
Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige
wetgeving ten aanzien van residentiële eigendommen die zullen worden bewoond of
verhuurd door de kredietnemer; "door hypotheek gedekte waardepapieren" die kunnen
worden gelijkgesteld aan de in de eerste alinea of de in artikel 62, lid 1,
bedoelde leningen indien de bevoegde, autoriteiten, rekening houdend met het in
elke lidstaat geldende rechtskader, van oordeel zijn dat zij ten aanzien van
het kredietrisico gelijkwaardig zijn. Onverminderd de soorten waardepapieren
die door dit punt kunnen worden bestreken en die aan de voorwaarden ervan
voldoen, kunnen "door hypotheek gedekte waardepapieren" mede
instrumenten omvatten in de zin van deel B, punt 1, onder a) en b), van de
bijlage bij Richtlijn 93/22/EEG van de Raad[32].
In het bijzonder moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn
aangetoond: i) dat deze waardepapieren volledig en rechtstreeks zijn gedekt
door een pool van hypotheken van gelijke aard als die welke in de eerste alinea
of in artikel 62, lid 1, zijn omschreven, en die ten tijde van de uitgifte van
de betrokken waardepapieren volledig operationeel zijn; ii) dat de beleggers in door hypotheek gedekte waardepapieren
hetzij rechtstreeks, hetzij via een trustee of in hun opdracht handelend
vertegenwoordiger, een recht van aanvaardbare rang met hoge prioriteit hebben
op de onderliggende door hypotheek belichaamde actiefposten naar evenredigheid
van hun aandeel in de waardepapieren; (2) overlopende posten : op deze activa wordt de voor de
tegenpartij geldende wegingsfactor toegepast wanneer de kredietinstelling deze
overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG kan bepalen; wanneer de kredietinstelling
niet in staat is om de tegenpartij te bepalen, past zij een forfaitaire
wegingsfactor van 50% toe. d) Wegingsfactor 100% (1) activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken
van zone B vertegenwoordigen, tenzij deze luiden en gefinancierd zijn in de
nationale valuta van de kredietnemers; (2) activa die vorderingen op regionale en lokale overheden van
zone B vertegenwoordigen; (3) activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone B
vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan een jaar; (4) activa die vorderingen op de niet-bancaire sectoren van zone A
en zone B vertegenwoordigen; (5) 5. materiële activa in de zin van artikel 4 (activa), punt 10,
van Richtlijn 86/635/EEG; (6) bezit van aandelen, deelnemingen en andere bestanddelen van het
eigen vermogen van andere kredietinstellingen voor zover niet in mindering
gebracht op het eigen vermogen van de leningverstrekkende instelling; (7) alle andere activa, tenzij in mindering gebracht op het eigen
vermogen. 2. De volgende behandeling is van toepassing op andere dan de in lid 3
bedoelde posten buiten de balanstelling. Eerst worden de posten ingedeeld in de
risicocategorieën van bijlage I. Voor posten met een volledig risico wordt de
totale waarde in aanmerking genomen; Eerst worden de posten ingedeeld in de
risicocategorieën van bijlage II.Voor posten met een volledig risico wordt de
totale waarde in aanmerking genomen; voor posten met een middelgroot risico 50%
van de waarde; voor posten met een middelgroot/laag risico 20% van de waarde;
de waarde van de posten met een laag risico wordt vastgesteld op nul. De tweede fase
bestaat erin de aldus in aanmerking genomen waarden van de posten buiten de
balanstelling te vermenigvuldigen met de wegingsfactoren die gelden voor de
betrokken tegenpartijen, overeenkomstig de weging van activa in lid 1 en in artikel
44. Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op
termijn zonder rugdekking zijn de wegingsfactoren die welke gelden voor de
betrokken activa, en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de
transacties. Op het niet-gestorte gedeelte van de inschrijvingen op het
kapitaal van het Europees Investeringsfonds mag een wegingsfactor van 20%
worden toegepast. 3. De methoden van bijlage III worden toegepast op de in bijlage IV
vermelde posten buiten de balanstelling, behalve voor: –
- contracten die verhandeld worden op erkende
beurzen, –
- valutacontracten (uitgezonderd contracten
betreffende goudtransacties) met een oorspronkelijke looptijd van 14
kalenderdagen of minder. Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten een vrijstelling van de methoden van bijlage III toestaan voor
OTC-contracten die worden gecleard door een clearinginstelling die optreedt als
de wettelijke tegenpartij, en waarbij alle deelnemers het risico dat zij voor
de clearinginstelling belichamen, dagelijks volledig met onderpand dekken,
zodat bescherming wordt geboden tegen zowel het huidige risico als het
potentiële toekomstige risico. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd
zijn dat het gestelde onderpand dezelfde mate van bescherming biedt als
onderpand in de zin van lid 1, onder a), punt 7, en dat het gevaar dat de
gezamenlijke risico's van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het
geplaatste onderpand uitstijgen, wordt geëlimineerd. De lidstaten lichten de Commissie
in over het gebruik dat zij van deze keuzemogelijkheid maken. 4. Indien voor posten buiten de balanstelling uitdrukkelijke garanties
zijn verstrekt, worden zij gewogen als waren zij aangegaan voor de garant in
plaats van de tegenpartij. Indien het risico dat voortvloeit uit transacties
buiten de balanstelling, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en
volledig is gegarandeerd door activa die in lid 1, onder a), punt 7, en in lid
1, onder b), punt 11, als passend onderpand worden aangemerkt, gelden
wegingsfactoren van 0 of 20% naar gelang van het desbetreffende onderpand. De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 50% toepassen op posten
buiten de balanstelling die borgstellingen of kredietgaranties met het karakter
van kredietvervangingen zijn en die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten,
geheel en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken die voldoen aan de
voorwaarden van lid 1, onder c), punt 1, mits de garant een direct recht op dat
onderpand heeft. 5. Indien voor activa en posten buiten de balanstelling een lagere
wegingsfactor wordt toegepast wegens het bestaan van een uitdrukkelijke
garantie of van een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbaar onderpand, is
die lagere wegingsfactor alleen van toepassing op het gedeelte dat is gegarandeerd
of dat volledig door het onderpand is gegarandeerd. Artikel 44 Wegingsfactor van vorderingen op regionale of lokale
overheden van de lidstaten 1. Onverminderd de voorschriften van artikel 43, lid 1, onder b),
kunnen de lidstaten een wegingsfactor van 0% vaststellen voor hun eigen
regionale en lokale overheden indien er geen verschil in risico bestaat tussen
vorderingen op laatstgenoemde overheden en vorderingen op hun centrale
overheden vanwege de bevoegdheden van de regionale en lokale overheden om
inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels om
de kans op in gebreke blijven door genoemde overheden te verminderen. Een
overeenkomstig deze criteria vastgestelde wegingsfactor van 0 % geldt voor
vorderingen op en posten buiten de balanstelling voor rekening van de betrokken
regionale en lokale overheden, alsmede voor vorderingen op derden en posten
buiten de balanstelling voor rekening van derden, welke gegarandeerd zijn door
die regionale en lokale overheden of die, ten genoegen van de betrokken
bevoegde autoriteiten, gegarandeerd zijn door onderpand in de vorm van effecten
die zijn uitgegeven door die regionale of lokale overheden. 2. Indien zij wegingsfactor 0 % op grond van de in lid 1 genoemde
criteria gerechtvaardigd achten, stellen de lidstaten de Commissie daarvan in
kennis. De Commissie verspreidt deze informatie. Andere lidstaten kunnen de
kredietinstellingen, onder toezicht van hun bevoegde autoriteiten, toestaan om
wegingsfactor 0 % toe te passen voor transacties met de regionale of lokale
overheden in kwestie of wanneer zij vorderingen hebben welke door die overheden
worden gegarandeerd, met inbegrip van garanties door onderpand in de vorm van
effecten. Artikel 45 Overige wegingsfactoren 1. Onverminderd artikel 44, lid 1, kunnen de lidstaten een
wegingsfactor van 20% toepassen op activa die ten genoegen van de betrokken
bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten
die zijn uitgegeven door regionale of lokale overheden van zone A, door
deposito's bij andere kredietinstellingen van zone A dan de leningverstrekkende
instelling, of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven
door deze kredietinstellingen. 2. De lidstaten kunnen de wegingsfactor 10% toepassen op vorderingen op
instellingen die zijn gespecialiseerd op het gebied van de interbancaire markt
en de markt voor overheidsschuld in de Lid-Staat van herkomst en die aan een
streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen, wanneer die
activa, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van
herkomst, geheel en volledig zijn gegarandeerd door een combinatie van in
artikel 43, lid 1, onder a) en b), vermelde activa die door deze autoriteiten
als een passend onderpand wordt aangemerkt. 3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de overeenkomstig de
leden 1 en 2 aangenomen bepalingen en van de motivering van deze bepalingen. De
Commissie geeft deze informatie door aan de lidstaten. De Commissie bestudeert
op gezette tijden de gevolgen van deze bepalingen om te verzekeren dat zij niet
tot concurrentievervalsing leiden. Artikel 46 Administrative organen en niet-commerciële
ondernemingen Voor de toepassing van artikel 43, lid 1, onder b), kunnen de bevoegde
autoriteiten onder de definitie van "regionale en lokale overheden"
ook niet-commerciële administratieve organen laten vallen die verantwoording
moeten afleggen aan regionale of lokale overheden, alsmede niet-commerciële
ondernemingen die eigendom zijn van centrale, regionale of lokale overheden of
overheden die, naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, dezelfde
verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lokale overheden. De bevoegde autoriteiten kunnen bovendien kerken en godsdienstige
gemeenschappen die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, gelijkstellen met
regionale en lokale overheden, voorzover zij belastingen heffen op grond van
een hun daartoe bij wet verleend recht. Artikel 47 Het peil van de solvabiliteitsratio 1. Kredietinstellingen moeten de in artikel 40 omschreven ratio
permanent op ten minste 8% handhaven. 2. Onverminderd lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten hogere
minimumratio's vaststellen indien zij zulks dienstig achten. 3. Indien de ratio lager wordt dan 8%, zien de bevoegde autoriteiten
erop toe dat de betrokken kredietinstelling passende maatregelen neemt om de
ratio zo spoedig mogelijk weer op het overeengekomen minimum te brengen. ò nieuw AFDELING 3 Minimumkapitaalvereisten
voor het kredietrisico Artikel 76 Voor de berekening van de risicogewogen posten met het oog op de
toepassing van artikel 75, onder a), volgen kredietinstellingen ofwel de
standaardbenadering als beschreven in de artikelen 78 tot en met 83, ofwel -
mits de bevoegde autoriteiten daarvoor in het kader van artikel 84 toestemming
hebben verleend - de interne-ratingbenadering als beschreven in de artikelen 84
tot en met 89. Artikel 77 In deze afdeling
wordt onder "vordering" verstaan: een actief of een post buiten de
balanstelling. Onderafdeling 1 –
Standaardbenadering Artikel 78 1.
Onverminderd lid 2 is de
vorderingswaarde van een actief de balanswaarde ervan en is de vorderingswaarde
van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling het volgende
percentage van de waarde ervan: 100% bij een post met een volledig risico, 50%
bij een post met een middelgroot risico, 20% bij een post met een
middelgroot/laag risico en 0% bij een post met een laag risico. De in de eerste
zin genoemde posten buiten de balanstelling worden ondergebracht in de
risicocategorieën zoals aangegeven in bijlage II. 2.
Voor de bepaling van de
vorderingswaarde van een in bijlage IV vermeld afgeleid instrument wordt een
van de twee methoden van bijlage III gehanteerd, waarbij voor de toepassing van
deze methoden op basis van bijlage III rekening wordt gehouden met de gevolgen
van schuldvernieuwingsovereenkomsten en andere verrekeningsovereenkomsten. 3.
Als een vordering door
een volgestorte kredietprotectie is gegarandeerd, mag de waarde van deze post
op basis van onderafdeling 3 worden aangepast. 4.
Als een kredietinstelling
in het kader van bijlage VIII, deel 3, de uitvoerige methode voor de
inaanmerkingneming van financiële zekerheden hanteert, is de waarde van
vorderingen in de vorm van effecten of grondstoffen die in het kader van een
repo of een transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of
grondstoffenleningen worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt, de waarde van
de effecten of grondstoffen die is vastgesteld op basis van artikel 74, lid 1;
deze waarde wordt op basis van bijlage VIII, deel 3, punten 35 tot en met 60,
verhoogd met de volatiliteitsaanpassing voor dergelijke effecten of
grondstoffen. Artikel 79 1. Elke
vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën: (a) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden of centrale banken; b) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op regionale of lagere overheden; c) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op administratieve organen en niet-commerciële
ondernemingen; d) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken; e) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op internationale organisaties; f) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op instellingen; g) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen; h) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op particulieren en kleine partijen; i) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen die zijn gegarandeerd door onroerend goed; j) posten
waarvoor sprake is van een betalingsachterstand; k) posten met een
hoog risico; l) vorderingen in
de vorm van obligaties met zekerheidsstelling; m) securitisatieposities; n) kortlopende
vorderingen op instellingen en ondernemingen; o) vorderingen in
de vorm van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging; p) overige posten. 2. Om
in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen, als bedoeld
onder h), ondergebracht te kunnen worden, voldoet een vordering aan de volgende
voorwaarden: a) zij moet
betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op
een kleine of middelgrote onderneming; b) zij moet deel
uitmaken van een groot pakket vorderingen met ongeveer dezelfde kenmerken zodat
het risico dat aan dergelijke leningen verbonden is, aanzienlijk wordt beperkt;
c) het totale bedrag
dat de debiteur of groep van verbonden cliënten aan de kredietinstelling en
eventueel de moederonderneming en haar dochterondernemingen verschuldigd is,
mag met inbegrip van de achterstallige posten volgens de informatie van de
kredietinstelling niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. De kredietinstelling
moet gepaste maatregelen nemen om aan deze informatie te komen. Effecten kunnen niet
worden ondergebracht in de categorie vorderingen op particulieren en kleine
partijen. Artikel 80 1. Voor
de berekening van de risicogewogen posten worden risicogewichten toegepast op
alle vorderingen, tenzij deze op basis van bijlage VI, deel 1, in mindering
worden gebracht op het eigen vermogen. Het risicogewicht dat wordt toegepast,
hangt af van de categorie waarin de vordering is ondergebracht, en (in de mate
als bepaald in bijlage VI, deel 1) van de kredietkwaliteit ervan. Voor de
bepaling van de kredietkwaliteit mogen de kredietbeoordelingen van externe
kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI´s) of de kredietbeoordelingen van
exportkredietverzekeringsmaatschappijen, zoals beschreven in bijlage VI, deel
1, worden gebruikt, mits de artikelen 81 tot en met 83 in acht worden genomen. 2. Voor
de toepassing van een risicogewicht als bedoeld in lid 1, wordt de waarde van
de post vermenigvuldigd met het risicogewicht dat op basis van deze
onderafdeling is voorgeschreven of vastgesteld. 3. Bij
vorderingen op instellingen beslissen de bevoegde autoriteiten of bij de
berekening van de risicogewogen posten wordt uitgegaan van de kredietkwaliteit
van de centrale overheid van het rechtsgebied waarin de kredietinstelling haar
statutaire zetel heeft, of - overeenkomstig bijlage VI - van de
kredietkwaliteit van de instelling van de tegenpartij. 4. Niettegenstaande
lid 1 mag het risicogewicht van een vordering die door kredietprotectie is
gegarandeerd, op basis van onderafdeling 3 worden aangepast. 5. Bij
gesecuritiseerde vorderingen worden de risicogewogen posten berekend op basis
van onderafdeling 4. 6. Vorderingen
waarvoor in deze afdeling geen voorschriften voor de berekening van de
risicogewogen posten zijn vastgesteld, krijgen een risicogewicht van 100%. 7. Met
uitzondering van vorderingen waardoor verplichtingen ontstaan in de vorm van de
in artikel 57, lid 1, punten 1 tot en met 8, genoemde bestanddelen, mogen de
bevoegde autoriteiten de vorderingen van een kredietinstelling op een
tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een
dochteronderneming van haar moederonderneming is, vrijstellen van het bepaalde
in lid 1 van het onderhavige artikel, mits aan de volgende voorwaarden is
voldaan: a) de tegenpartij
is een instelling of een financiële holding, financiële instelling,
vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop
prudentiële voorschriften van toepassing zijn; b) de tegenpartij
en de kredietinstelling zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie; c) de tegenpartij
is onderworpen aan dezelfde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures
als de kredietinstelling; d) de tegenpartij
is gevestigd in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling; e) er is geen
substantiële of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een
onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van middelen door
de tegenpartij aan de kredietinstelling kan verhinderen; In een dergelijk geval
wordt een risicogewicht van 0% toegepast. Artikel 81 1. Een
externe kredietbeoordeling mag voor de bepaling van het risicogewicht van een
vordering op basis van artikel 80 alleen worden gebruikt als de instelling die
de beoordeling afgeeft, door de bevoegde autoriteiten is erkend als zijnde
geschikt voor deze doeleinden. Hieronder wordt een dergelijke instelling als
"erkende EKBI" aangeduid. 2. De
bevoegde autoriteiten erkennen een EKBI als zijnde geschikt voor de doeleinden
van artikel 80 alleen als ze zich ervan hebben overtuigd dat de
beoordelingsmethodiek van de instelling voldoet aan de criteria objectiviteit,
onafhankelijkheid, doorlopende toetsing en transparantie en dat de ontwikkelde
kredietbeoordelingen betrouwbaar en transparant zijn. Daartoe houden de
bevoegde autoriteiten rekening met de technische criteria in bijlage VI, deel
2. 3. Als
de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een EKBI hebben erkend, mogen de
bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze erkenning overnemen en hoeven
ze niet zelf een evaluatie te verrichten. 4. De
bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een toelichting op de
erkenningsprocedure en een lijst van erkende EKBI´s voor het publiek
toegankelijk zijn. Artikel 82 1. De
bevoegde autoriteiten bepalen op basis van de technische criteria in bijlage
VI, deel 2, in welke in deel 1 van deze bijlage genoemde
kredietkwaliteitscategorie de desbetreffende kredietbeoordelingen van een
erkende EKBI moeten worden ondergebracht. Daarbij moeten ze objectief en
consequent tewerkgaan. 2. Als
de bevoegde autoriteiten van een lidstaat de onderbrenging op basis van lid 1
hebben bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze
overnemen en hoeven ze niet zelf een onderbrenging te bepalen. Artikel 83 1. Als
voor de berekening van de risicogewogen posten van een kredietinstelling
kredietbeoordelingen van EKBI´s worden gebruikt, wordt consequent en op basis
van bijlage VI, deel 3, te werk gegaan. Kredietbeoordelingen worden niet selectief
gebruikt. 2. Een
kredietinstelling maakt alleen gebruik van kredietbeoordelingen waarom zij zelf
heeft gevraagd. Met toestemming van de bevoegde autoriteit mag ze echter ook
gebruikmaken van ongevraagde beoordelingen. Onderafdeling 2 -
Interne-ratingbenadering Artikel 84 1. De
bevoegde autoriteiten mogen met inachtneming van het bepaalde in deze
onderafdeling een kredietinstelling toestemming verlenen om haar risicogewogen
posten te berekenen aan de hand van de interne-ratingbenadering (IRB). Voor elke
kredietinstelling is uitdrukkelijke toestemming vereist. 2. Er
wordt alleen toestemming verleend als de bevoegde autoriteit zich ervan heeft
overtuigd dat de in de kredietinstelling gehanteerde systemen voor het beheer
en de rating van kredietrisico´s solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en
met name aan de volgende normen van bijlage VII, deel 4 voldoen: a) de
ratingsystemen van de kredietinstelling maken een bruikbare beoordeling van de
debiteuren- en transactiekenmerken, een bruikbare risicodifferentiatie en
precieze en samenhangende kwantitatieve risicoramingen mogelijk. (b) de voor de
berekening van de kapitaalvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van
de omvang van het kredietverzuim en de verliezen, alsmede de daarmee
samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het
risicobeheer en de besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne
kapitaalallocatie en corporate governance van de kredietinstelling; c) de
kredietinstelling heeft een voor haar ratingsystemen verantwoordelijke eenheid
kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en niet al te
sterk kan worden beïnvloed; d) de
kredietinstelling verzamelt alle gegevens aan de hand waarvan de
kredietrisico´s effectief kunnen worden gemeten en beheerd, en slaat deze
gegevens op; e) de
kredietinstelling legt haar ratingsystemen schriftelijk vast, geeft aan waarom
ze zo zijn opgezet en valideert ze. Als een
EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële
EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen de IRB voor moeder- en
dochteronderneming centraal toepassen, kunnen de bevoegde autoriteiten ermee
akkoord gaan dat de moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de in
bijlage VII, deel 4, vermelde minimumvereisten. 3. Een
kredietinstelling die een aanvraag indient om de IRB te mogen toepassen, legt
bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij
daartoe het recht krijgt, voor de desbetreffende IRB-categorieën van
vorderingen ratingsystemen hanteert die in grote lijnen in overeenstemming zijn
met de in deze bijlage vermelde minimumvereisten voor de meting en het beheer
van interne risico´s. Deze verplichting gaat in op 31 december 2010. 4. Een
kredietinstelling die een aanvraag indient om gebruik te mogen maken van eigen
ramingen van LGD´s (verliezen bij wanbetaling) en/of omrekeningsfactoren, legt
bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij
daartoe het recht krijgt, eigen ramingen van LGD´s en/of omrekeningsfactoren
samenstelt en daarvan gebruikmaakt, en wel op een wijze die in grote lijnen in
overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumvereisten voor het
gebruik van eigen ramingen van de desbetreffende parameters. Deze verplichting
gaat in op 31 december 2010. 5. Als
een kredietinstelling niet meer voldoet aan de in deze onderafdeling vermelde
vereisten, wordt door haar ofwel bij de bevoegde autoriteit een plan ingediend
om tijdig terug te keren naar de oude situatie, ofwel aangetoond dat de afwijkende
situatie geen noemenswaardige gevolgen heeft. 6. Als
de EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de financiële
EU-moederholding en haar dochteronderneming de IRB willen toepassen, werken de
voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel
op basis van de voorschriften van de artikelen 129 tot en met 132. Artikel 85 1. Onverminderd
artikel 89 passen kredietinstellingen en alle moederondernemingen met hun
dochterondernemingen de IRB op alle vorderingen toe. Als de bevoegde
autoriteiten daarvoor toestemming verlenen, is per categorie vorderingen, als
bedoeld in artikel 86, binnen dezelfde bedrijfsactiviteit, per
bedrijfsactiviteit binnen dezelfde groep of voor het gebruik van eigen ramingen
van LGD´s of omrekeningsfactoren voor de berekening van risicogewichten voor
vorderingen op bedrijven, instellingen en centrale overheden en centrale banken
een stapsgewijze invoering toegestaan. Bij de categorie
vorderingen op particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 86,
is een stapsgewijze invoering toegestaan voor de categorieën vorderingen
volgens de verschillende correlaties in de punten 9, 10 en 11 van bijlage VII
waarmee de verschillende correlaties overeenkomen. 2. De
in lid 1 bedoelde invoering vindt binnen een redelijke termijn plaats. Daarover
moet met de bevoegde autoriteiten overeenstemming worden bereikt. Invoering
vindt plaats op strikte voorwaarden, die door de bevoegde autoriteiten worden
vastgesteld. Deze voorwaarden moeten ervoor zorgen dat de in lid 1 geboden
flexibiliteit niet selectief wordt gebruikt met als doel voor categorieën
vorderingen of voor bedrijfsactiviteiten die nog niet onder de IRB vallen, of
bij het gebruik van eigen ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren lagere
minimumkapitaalvereisten te verkrijgen. 3. Kredietinstellingen
die voor alle categorieën vorderingen de IRB hanteren, passen deze benadering
ook toe op de categorie positie in aandelen. 4. Behoudens
de leden 1 tot en met 3 en artikel 89 vallen kredietinstellingen die in het
kader van artikel 84 toestemming hebben gekregen voor het gebruik van de IRB,
voor de berekening van risicogewogen posten niet terug op onderafdeling 1,
tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten
daarmee akkoord gaan. 5. Behoudens
de leden 1 en 2 en artikel 89 vallen kredietinstellingen die in het kader van
artikel 87, lid 9, toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen
ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren niet terug op de in artikel 87, lid
8, genoemde LGD´s en omrekeningsfactoren, tenzij daarvoor goede redenen worden
aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan. Artikel 86 1. Elke
vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën: a) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden en centrale banken; b) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op instellingen; c) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen; d) vorderingen of
voorwaardelijke vorderingen op particulieren en op kleine partijen; e) posities in
aandelen; f) securitisatieposities; g) andere activa
die geen kredietverplichting vertegenwoordigen. 2. De
volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op centrale overheden en
centrale banken: a) vorderingen op
regionale en lagere overheden die in het kader van onderafdeling 1 worden
behandeld als vorderingen op centrale overheden; b) vorderingen op
multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties die in het
kader van onderafdeling 1 een risicogewicht van 0% krijgen. 3. De
volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op instellingen: a) vorderingen op
regionale en lagere overheden die in het kader van onderafdeling 1 niet worden
behandeld als vorderingen op centrale overheden; b) vorderingen op
publiekrechtelijke lichamen die in het kader van onderafdeling 1 worden
behandeld als vorderingen op instellingen; c) vorderingen op
multilaterale ontwikkelingsbanken die in het kader van onderafdeling 1
geen risicogewicht van 0% krijgen. 4. Om in de
categorie vorderingen op particulieren en op kleine partijen, als bedoeld in
lid 1, onder d), ondergebracht te kunnen worden, voldoen de vorderingen aan de
volgende voorwaarden: a) zij moeten
betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op
een kleine of middelgrote onderneming. In het laatste geval bedraagt het totale
bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden cliënten verschuldigd is aan
de kredietinstelling en eventueel aan de moederonderneming en haar
dochterondernemingen, voorzover de kredietinstelling weet, niet meer dan 1
miljoen EUR. De kredietinstelling moet wel stappen hebben gezet om zich te
overtuigen van de juistheid van deze informatie; b) ze worden in
het interne risicobeheer van de kredietinstelling in de tijd gezien consistent
en op dezelfde wijze behandeld; c) ze worden niet
op individuele basis beheerd, zoals in de categorie vorderingen op
ondernemingen wel gebeurt; d) ze maken elk
deel uit van een groot aantal op vergelijkbare wijze beheerde vorderingen. 5. De volgende
vorderingen worden als posities in aandelen geclassificeerd: a) andere posities
dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen
van de uitgevende instelling vormen; b) schuldvorderingen
waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de
vorderingen die onder a) zijn genoemd. 6. Vorderingen
in de categorie vorderingen op ondernemingen worden door de kredietinstellingen
apart geregistreerd als vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening
als ze de volgende kenmerken bezitten: a) de vordering
heeft betrekking op een entiteit die speciaal is opgericht om materiële activa
te financieren en/of te beheren; b) in het contract
is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa
en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd; c) de afbetaling
van de verplichting is vooral gerelateerd aan de inkomsten die met de
gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene
capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming. 7. Kredietverplichtingen die niet zijn
ondergebracht in een onder a), b) of d) tot en met f) van lid 1, genoemde
categorie, vallen onder de in dit lid, onder c), genoemde categorie. 8. De onder
g) van lid 1 genoemde categorie omvat ook de restwaarde van geleasd onroerend
goed, waar dit niet onder een andere bepaling van deze richtlijn valt. 9. Voor de
onderbrenging van de vorderingen in de verschillende categorieën past de
kredietinstelling een geschikte, in de tijd gezien consistente methodiek toe. Artikel 87 1. De voor
het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen die onder
een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met e) en g), genoemde
categorieën vallen, worden, als ze niet op het eigen vermogen in mindering
worden gebracht, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 1 tot en met
25. 2. De voor
het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte
kortlopende vorderingen, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt
26. 3. Bij de
berekening van voor het krediet- en het verwateringsrisico gewogen posten wordt
uitgegaan van de parameters voor de desbetreffende vordering. Daaronder vallen
de kans op wanbetaling (PD), het verlies bij wanbetaling (LGD), de looptijd (M)
en de waarde van de post. Overeenkomstig bijlage VII, deel 2, mogen de PD en
het LGD apart of gezamenlijk in aanmerking worden genomen. 4. Onverminderd
lid 3 worden de voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met alle
posities die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie
vallen, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 15 tot en met
24, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan. De bevoegde
autoriteiten verlenen een kredietinstelling alleen toestemming om de benadering
zoals uiteengezet in bijlage VII, deel 1, punten 24 en 25, toe te passen als de
kredietinstelling voldoet aan de in bijlage VII, deel 4, punten 114 tot en met
122 vermelde minimumvereisten. 5. Onverminderd
lid 3 mogen voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen
uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, worden berekend op basis van
bijlage VII, deel 1, punt 5. De bevoegde autoriteiten maken richtsnoeren bekend
voor de wijze waarop de instellingen in het kader van bijlage VII, deel 1, punt
5, risicogewichten dienen toe te kennen aan vorderingen uit hoofde van
gespecialiseerde kredietverlening, en verlenen hun goedkeuring aan de door de
instellingen daarvoor gebruikte methodieken. 6. Voor
vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met d),
genoemde categorieën vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van
PD´s op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4. 7. Voor
vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder d) genoemde categorie
vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van LGD´s en
omrekeningsfactoren op op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4. 8. Op
vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c),
genoemde categorieën vallen, passen de kredietinstellingen de LGD-waarden van
bijlage VII, deel 2, punt 8, en de omrekeningsfactoren van bijlage VII, deel 3,
punt 11, onder a) tot en met c), toe. 9. Onverminderd
lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten aan de kredietinstellingen toestemming
verlenen om voor alle vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1,
onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, gebruik te maken van eigen
ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren op basis van artikel 84 en bijlage VII,
deel 4. 10. De
risicogewogen posten voor gesecuritiseerde vorderingen en voor vorderingen die
onder de in artikel 86, lid 1, onder f), genoemde categorie vallen, worden
berekend op basis van onderafdeling 4. 11. Als
vorderingen op een collectief beleggingsfonds (ICB) voldoen aan de criteria van
bijlage VI, deel 1, punten 74 en 75, en de kredietinstelling op de hoogte is
van alle onderliggende vorderingen van het ICB, controleert de
kredietinstelling deze vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en
de verwachte verliesposten op basis van de methodieken die in deze
onderafdeling worden beschreven. Als de
kredietinstelling niet voldoet aan de voorwaarden om de in deze onderafdeling
beschreven methodieken te mogen gebruiken, worden de risicogewogen posten en de
verwachte verliesposten als volgt berekend: a) bij vorderingen die onder de in artikel 86,
lid 1, onder e), vallen, wordt de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 17
tot en met 19, gehanteerd. Als de kredietinstelling niet in staat is een
onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze
verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen
als posities in overige aandelen; b) bij alle overige onderliggende vorderingen
wordt de in onderafdeling 1 beschreven benadering gehanteerd. Deze wijkt echter
op de volgende punten af: i) de vorderingen worden in een categorie
ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de trap boven de
kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn
ondergebracht; ii) vorderingen die worden ondergebracht in een
hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150%
zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200%. 12. Als
vorderingen op een ICB niet voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1,
punten 74 en 75, of de kredietinstelling niet op de hoogte is van alle
onderliggende vorderingen van het ICB, controleert de kredietinstelling de
onderliggende vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte
verliesposten op basis van de benadering die is beschreven in bijlage VII, deel
1, punten 17 tot en met 19. Als de kredietinstelling niet in staat is een
onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze
verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen
als posities in overige aandelen. Daartoe worden vorderingen waarbij het niet
om posities in aandelen gaat, ondergebracht in een van de in bijlage VII, deel
1, punt 17, genoemde categorieën (posities in niet ter beurze verhandelde, ter
beurze verhandelde en overige aandelen). Als alternatief voor
de bovenbeschreven methodiek kunnen kredietinstellingen aan een derde opdracht
geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen
op de ICB te berekenen en hen van de resultaten op de hoogte te brengen. Wel
moet voldoende gewaarborgd zijn dat de berekening en de rapportage volgens de
regels plaatsvinden. Voor de berekeningen worden de volgende benaderingen
gevolgd: a) bij vorderingen die onder de in artikel 86,
lid 1, onder e), vallen, de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 17 tot
en met 19. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken
tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en
overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in
overige aandelen; b) bij alle overige onderliggende vorderingen de
in onderafdeling 1 beschreven benadering, die echter op de volgende punten
afwijkt: i) de vorderingen worden in een categorie
ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de trap boven de
kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn
ondergebracht; ii) vorderingen die worden ondergebracht in een
hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150%
zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200%. Artikel 88 1. Bij
vorderingen die vallen onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en
met e), genoemde categorieën, worden de verwachte verliesposten berekend op
basis van de methodieken die in bijlage VII, deel 1, punten 27 tot en met 33,
staan beschreven. 2. Als de
verwachte verliesposten op basis van bijlage VII, deel 1, punten 27 tot en met
33, worden berekend, wordt bij elke vordering uitgegaan van dezelfde
inputparameters voor PD, LGD en de waarde van de post als die welke worden
gebruikt voor de berekening van risicogewogen posten op basis van artikel 87. 3. Bij
gesecuritiseerde vorderingen worden de verwachte verliesposten berekend op
basis van onderafdeling 4. 4. Bij
vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder g), genoemde categorie
vallen, is de verwachte verliespost gelijk nul. 5. De
verwachte verliesposten in verband met het verwateringsrisico van gekochte
kortlopende vorderingen worden berekend op basis van de methodieken van bijlage
VII, deel 1, punt 33. 6. De
verwachte verliesposten bij de in artikel 87, leden 11 en 12, genoemde
vorderingen worden berekend op basis van de methodieken die beschreven staan in
bijlage VII, deel 1, punten 27 tot en met 33. Artikel 89 1. Kredietinstellingen
die bij de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor
een of meer categorieën vorderingen de IRB mogen hanteren, mogen, mits de
bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan, onderafdeling 1 toepassen op: a) de in artikel
86, lid 1, onder a), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen
beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze
tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren; b) de in artikel
86, lid 1, onder b), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen
beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze
tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren; c) vorderingen in
verband met niet-belangrijke bedrijfsactiviteiten en in categorieën die geen
noemenswaardige omvang hebben en waarvan het risicoprofiel als laag wordt
aangemerkt; d) vorderingen op
de centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en administratieve
organen in de lidstaat van herkomst, mits: i) er op grond
van bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat
tussen de vorderingen op de centrale overheid en de andere vorderingen; ii) vorderingen op
de centrale overheid ingevolge onderafdeling 1 ondergebracht zijn in kredietkwaliteitbeoordelingstrap
1; e) vorderingen van
een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming,
dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is,
mits het bij deze tegenpartij om een instelling of een financiële holding, een
financiële instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende
onderneming gaat waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn; f) posities in
aandelen van entiteiten waarvan de kredietverplichtingen ingevolge
onderafdeling 1 voor een risicogewicht van nul in aanmerking komen (daartoe
behoren ook met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een
risicogewicht van nul geldt). g) posities in
aandelen die zijn ingenomen in het kader van overheidsprogramma´s waarmee steun
wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de
kredietinstelling omvangrijke subsidies ontvangt voor haar belegging en de
beleggingen op de een of andere wijze onderworpen zijn aan overheidstoezicht en
restricties. In totaal mag hiermee niet meer dan in totaal 10% van het
oorspronkelijke eigen vermogen plus het aanvullende eigen vermogen gemoeid
zijn. De bevoegde autoriteiten mogen op grond van het
bepaalde in dit lid niet weigeren akkoord te gaan met de toepassing van de
regels van onderafdeling op posities in aandelen als deze posities in andere
lidstaten al zo behandeld mogen worden. 2. Voor de
toepassing van punt c) worden posities in aandelen van een kredietinstelling
als omvangrijk beschouwd als de totale waarde ervan exclusief de onder g)
genoemde posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van
overheidsprogramma´s in het voorgaande jaar gemiddeld meer dan 10% van het
eigen vermogen van de kredietinstelling bedraagt. Als in minder dan tien
individuele bedrijven een positie in aandelen is opgebouwd, bedraagt de drempel
5% van het eigen vermogen van de kredietinstelling. Onderafdeling 3 -
Kredietrisicolimitering Artikel 90 Voor de toepassing
van deze onderafdeling wordt onder "leningverstrekkende kredietinstelling"
verstaan: de kredietinstelling die de vordering in kwestie heeft, ongeacht of
daaraan een lening ten grondslag ligt. Artikel 91 Kredietinstellingen die de standaardbenadering op basis van de
artikelen 78 tot en met 83 of de IRB op basis van de artikelen 84 tot en met 89
hanteren, maar niet gebruikmaken van eigen ramingen van LGD’s en
omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 87 en 88, mogen conform deze
onderafdeling kredietrisicolimitering in aanmerking nemen bij de berekening van
de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 75, onder a), of -
indien van toepassing - bij de berekening van de verwachte verliesposten met
het oog op de in artikel 57, onder q), en artikel 63, lid 3, bedoelde
berekening. Artikel 92 1. De
voor de kredietprotectie gehanteerde techniek in combinatie met de maatregelen,
stappen, procedures en gedragslijnen van de leningverstrekkende
kredietinstelling leiden tot zekerheidsregelingen die in alle desbetreffende
rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar zijn. 2. De
leningverstrekkende kredietinstelling neemt alle vereiste maatregelen om de
effectiviteit van de zekerheidsregeling te waarborgen en de daaraan verbonden
risico´s te beperken. 3. Bij
volgestorte kredietprotectie mogen alleen activa in aanmerking worden genomen
waarvan de liquiditeit niet te wensen overlaat en waarvan de waarde in de tijd
gezien zo stabiel is dat ze gelet op de benadering die gehanteerd wordt voor de
berekening van risicogewogen posten en gelet op de toegestane mate van
erkenning voldoende zekerheid bieden wat de protectie van het krediet betreft.
Alleen de in bijlage VIII, deel 1, genoemde activa komen voor deze doeleinden
in aanmerking. 4. Bij
volgestorte kredietprotectie heeft de leningverstrekkende kredietinstelling het
recht om bij in gebreke blijven, insolventie of faillissement van de debiteur
of indien van toepassing, van de bewaarnemer van de zekerheid of bij een andere
credit event die in het desbetreffende contract wordt vermeld, de activa die
als zekerheid dienen, bijtijds te liquideren of te behouden. De waarde van de
activa die als zekerheid worden gebruikt, mag niet te nauw gekoppeld zijn aan
de kredietkwaliteit van de leningnemer. 5. Bij
niet-volgestorte kredietprotectie mag de partij van wie de garanties afkomstig
zijn, alleen in aanmerking worden genomen als deze betrouwbaar genoeg is en de
kredietprotectieovereenkomst in de desbetreffende rechtsgebieden rechtsgeldig
is; pas dan is er, gelet op de benadering die gehanteerd wordt voor de
berekening van risicogewogen posten en gelet op de toegestane mate van
inaanmerkingneming, sprake van voldoende zekerheid wat de protectie van het
krediet betreft. Alleen de in bijlage VIII, deel 1, genoemde protectiegevers en
soorten kredietprotectieovereenkomsten komen voor deze doeleinden in
aanmerking. 6. Er
wordt voldaan aan de in bijlage VIII, deel 2, vermelde minimumeisen. Artikel 93 1. Als
aan artikel 92 wordt voldaan, mogen de berekening van risicogewogen vorderingen
en – indien van toepassing – de berekening van de verwachte verliesposten
overeenkomstig bijlage VIII, delen 3 tot en met 6, worden gewijzigd. 2. Een
vordering waarbij het kredietrisico wordt gelimiteerd, levert in geen geval een
hogere risicogewogen post of verwachte verliespost op dan een vordering zonder
kredietrisicolimitering die in alle overige opzichten identiek is. 3. Als
bij de risicogewogen vordering in het kader van de artikelen 78 tot en met 83
of de artikelen 84 tot en met 93 al rekening wordt gehouden met
kredietprotectie, wordt kredietprotectie in het kader van deze onderafdeling
niet meer als zodanig in aanmerking genomen. Onderafdeling 4 -
Securitisatie Artikel 94 Als een kredietinstelling de standaardbenadering van onderafdeling 1
hanteert voor de berekening van risicogewogen posten voor de categorie
vorderingen waarin de gesecuritiseerde posten op basis van artikel 79 zouden
zijn ondergebracht, berekent zij de risicogewogen post voor een
securitisatiepositie op basis van bijlage IX, deel 4, punten 6 tot en met 35. In alle overige gevallen berekent zij de risicogewogen post op basis
van bijlage IX, deel 4, punten 36 tot en met 74. Artikel 95 1. Als een
aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde posities verbonden
kredietrisico door de initiërende kredietinstelling overeenkomstig de
voorwaarden van bijlage IX, deel 2, is overgedragen, mag deze
kredietinstelling a) ingeval van een
traditionele securitisatie de door haar gesecuritiseerde posten buiten de
berekening van risicogewogen posten en – indien van toepassing – van de
verwachte verliesposten laten; b) in geval van
een synthetische securitisatie de risicogewogen posten en – indien van
toepassing – de verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde posities op
basis van bijlage IX, deel 2, berekenen. 2. Als lid 1
van toepassing is, berekent de initiërende kredietinstelling de risicogewogen
posten die in bijlage IX voor de securitisatieposities zijn voorgeschreven. Slaagt de
initiërende kredietinstelling er niet in een aanzienlijk deel van het
kredietrisico overeenkomstig het bepaalde in lid 1 over te dragen, hoeft zij
voor geen enkele van de desbetreffende securitisatieposities risicogewogen
posten te berekenen. Artikel 96 1. De
risicogewogen post van een securitisatiepositie wordt berekend door op basis
van bijlage IX risicogewichten toe te passen op de waarde van de post en
daarbij uit te gaan van de kredietkwaliteit van de positie, die ingevolge
bijlage IX aan de hand van een kredietbeoordeling van een EKBI of op andere
wijze kan worden vastgesteld. 2. Als een securitisatiepositie
verschillende tranches telt wordt elke tranche van de positie als een
afgescheiden securitisatiepositie beschouwd. De kredietprotectiegevers bij
securitisatieposities worden beschouwd als houders van posities in deze
securitisatie. Securitisatieposities omvatten ook posities die ontstaan als
gevolg van rente- of valutaderivaten. 3. Als op
een securitisatiepositie een al dan niet volgestorte kredietprotectie van
toepassing is, mag het risicogewicht dat voor die positie geldt, op basis van
de artikelen 90 tot en met 93 – lees: in combinatie met bijlage IX - worden
gewijzigd. 4. Behoudens
artikel 57, onder r), en artikel 66, lid 2, wordt de risicogewogen post voor de
toepassing van artikel 75, onder a), opgenomen in het totaal van de
risicogewogen posten van de kredietinstelling. Artikel 97 1. Een
kredietbeoordeling van een EKBI mag voor de bepaling van het risicogewicht van
een securitisatiepositie op basis van artikel 96 alleen worden gebruikt als de
EKBI door de bevoegde autoriteiten is erkend als zijnde geschikt voor dit doel.
Hieronder wordt deze EKBI als "erkende EKBI" aangeduid. 2. De
bevoegde autoriteiten erkennen een voor de toepassing van lid 1 alleen als
zijnde geschikt als ze, rekening houdende met de technische criteria van
bijlage VI, deel 2, ervan overtuigd zijn dat het voldoet aan artikel 81 en met
bijvoorbeeld een grote marktacceptatie zijn bekwaamheid op securitisatiegebied
heeft aangetoond. 3. Als de
bevoegde autoriteiten van een lidstaat een EKBI voor de toepassing van lid 1
hebben erkend, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten de erkenning
voor deze doeleinden overnemen en hoeven ze niet een eigen evaluatie te
verrichten. 4. De
bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een toelichting op de
erkenningsprocedure en een lijst van erkende EKBI´s voor het publiek
toegankelijk zijn. 5. Een kredietbeoordeling van een erkende
EKBI wordt alleen voor dit doel gebruikt als deze voldoet aan de beginselen van
geloofwaardigheid en transparantie, zoals uitgewerkt in bijlage IX, deel 3. Artikel 98 1. Met het
oog op de toepassing van risicogewichten op securitisatieposities bepalen de
bevoegde autoriteiten in welke kredietkwaliteitstrap van bijlage IX de
desbetreffende kredietbeoordeling van een erkende EKBI wordt ondergebracht.
Daarbij gaan ze objectief en consequent te werk. 2. Als de
bevoegde autoriteiten van een lidstaat in het kader van lid 1 de onderbrenging
hebben bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze
overnemen en hoeven ze geen eigen onderbrenging meer te vast te stellen. Artikel 99 Bij het gebruik van EKBI-kredietbeoordelingen voor de berekening van de
risicogewogen posten van een kredietinstelling op basis van artikel 96 wordt
consequent en op basis van bijlage IX, deel 3, te werk gegaan.
Kredietbeoordelingen worden niet selectief gebruikt. Artikel 100 1. Als
op een securitisatie van revolverende posities een
vervroegde-aflossingsbepaling van toepassing is, berekent de initiërende
kredietinstelling of de sponsor, op basis van bijlage IX, voor het gevaar dat
hun kredietrisico toeneemt ingeval van de vervroegde-aflossingsbepaling gebruik
wordt gemaakt, een extra risicogewogen post 2. In
dit verband wordt onder een revolverende positie verstaan: een vordering
waarbij de klant tot een van tevoren afgesproken limiet uiteenlopende bedragen
kan opnemen, en onder een vervroegde-aflossingsbepaling: een contractuele
clausule op grond waarvan de posities van de beleggers vóór de oorspronkelijke
vervaldatum van de uitgegeven effecten moeten worden afgelost. 3. Als
op securitisaties van vorderingen op particulieren en kleine partijen die niet
voor een bepaald doel zijn bestemd en onvoorwaardelijk, zonder opzegtermijn
kunnen worden opgezegd, een vervroegde-aflossingsbepaling van toepassing is en
een kwantitatieve waarde die niet van doen heeft met het driemaandsgemiddelde
van de overgebleven rentemarge, de aanleiding is voor de vervroegde aflossing,
mogen de bevoegde autoriteiten voorschriften toepassen die nauw aansluiten op
de voorschriften van bijlage IX, deel 4, punten 27 tot en met 30, voor de
bepaling van de aldaar aangegeven omrekeningswaarde. 4. Als
een bevoegde autoriteit bij een bepaalde securitisatie lid 3 wil toepassen,
stelt deze eerst de desbetreffende bevoegde autoriteiten van de andere
lidstaten daarvan in kennis. Voordat een dergelijke aanpak van securitisaties
met dit soort vervroegde-aflossingsbepalingen deel gaat uitmaken van het
algemeen beleid van de bevoegde autoriteit, wint zij advies in bij de
desbetreffende autoriteiten van de andere lidstaten en houdt zij rekening met
de door hen ingenomen standpunten. De bevoegde autoriteit in kwestie maakt
publiekelijk bekend welke standpunten zijn ingenomen en voor welke aanpak zij
heeft gekozen. Artikel 101 1. Als een
initiërende kredietinstelling of een sponsor steunt verleent aan een
securitisatie, overschrijdt zij niet de grenzen van haar contractuele
verplichtingen teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van de beleggers
te beperken. 2. Als een
initiërende kredietinstelling of een sponsor zich bij een securitisatie niet houdt
aan lid 1, legt de bevoegde autoriteit in ieder geval deze in ieder geval de
verplichting op dat zij voor alle gesecuritiseerde vorderingen evenveel eigen
vermogen aanhouden als noodzakelijk was geweest als deze vorderingen niet waren
gesecuritiseerd. De kredietinstelling maakt publiekelijk bekend dat zij
niet-contractuele steun heeft verleend en welke gevolgen dit heeft voor het
toetsingsvermogen. Afdeling 4 Minimumkapitaalvereisten
voor het operationeel risico Artikel 102 1. De
bevoegde autoriteiten leggen de kredietinstellingen de verplichting op om voor
het operationeel risico eigen vermogen aan te houden conform de in de artikelen
103, 104 en 105 omschreven benaderingen. 2. Onverminderd lid 4 vallen kredietinstellingen
die de in artikel 104 genoemde benadering hanteren niet terug op de in artikel
103 genoemde benadering, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de
bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan. 3. Onverminderd
lid 4 vallen kredietinstellingen die de in artikel 105 genoemde benadering
hanteren niet terug op de in artikel 103 of 104 genoemde benaderingen, tenzij
daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee
akkoord gaan. 4. De
bevoegde autoriteiten mogen de kredietinstellingen toestemming verlenen om
benaderingen te combineren op basis van bijlage X, deel 4. Artikel 103 In de
basisindicatorbenadering bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationeel
risico een bepaald percentage van een indicator die berust op de in bijlage X,
deel 1, genoemde parameters. Artikel 104 1. In
de standaardbenadering splitsen de kredietinstellingen hun activiteiten in een
aantal divisies zoals beschreven in bijlage X, deel 2. 2. Voor
elke divisie berekenen de kredietinstellingen voor het operationeel risico een
kapitaalvereiste dat bestaat uit een bepaald percentage van een indicator die
berust op de in bijlage X, deel 2, genoemde parameters. 3. Voor
bepaalde divisies mogen de bevoegde autoriteiten aan een kredietinstelling
vergunning verlenen om voor de vaststelling van haar kapitaalvereiste voor het
operationeel risico een alternatieve indicator te gebruiken. 4. In
de standaardbenadering bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationeel
risico de som van de kapitaalvereisten voor het operationeel risico in de
afzonderlijke divisies. 5. De
parameters voor de standaardbenadering staan in bijlage X, deel 2, vermeld. 6. Om
in aanmerking te komen voor de standaardbenadering voldoen de
kredietinstellingen aan de criteria van bijlage X, deel 2. Artikel 105 1. De
kredietinstellingen mogen alleen geavanceerde meetbenaderingen toepassen die
berusten op hun eigen interne systemen voor de meting van het risico, als de
bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk instemmen met het gebruik van de modellen
voor de berekening van de kapitaalvereisten. 2. De
kredietinstellingen moeten de bevoegde autoriteiten ervan overtuigen dat ze
voldoen aan de criteria van bijlage X, deel 3. 3. Als een
EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de
dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een geavanceerde
meetbenadering willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen
bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel op basis van de voorschriften van de
artikelen 128 tot en met 132. Daarbij wordt rekening gehouden met de in bijlage
X, deel 3, genoemde punten. 4. Als een
EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële
EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen een geavanceerde
meetbenadering voor moeder- en dochteronderneming centraal toepassen, mogen de
bevoegde autoriteiten ermee instemmen dat moeder- en dochteronderneming samen
voldoen aan de criteria die in bijlage X, deel 3, worden genoemd. ê 2000/12/EG Afdeling 5 Grote posities ê 2000/12/EG artikel 1, lid 24 (aangepast) ðnieuw Artikel 106 1. Ö Onder
"posities" wordt Õ "risico's", voor de toepassing van de artikelen 48, 49 en 50: Ö deze
onderafdeling Õ Ö verstaan: Õ de Ö alle Õ actiefposten en
posten buiten de balanstelling, als bedoeld in artikel 43
en in de bijlagen II en IV Ö afdeling 3,
onderafdeling 1 Õ , zonder toepassing
van de in deze bepalingen vastgestelde wegingsfactoren
Ö risicogewichten Õ of risicograden;. de risico's Ö De posities die
betrekking hebben op de Õ met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten Ö posten Õ worden berekend op
basis van een van de in bijlage III beschreven methoden,. zonder toepassing van de
wegingsfactoren die gelden voor het risico op de tegenpartij; van de definitie van de risico's Ö posities Õ kunnen met
goedkeuring van de bevoegde autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen
die voor 100 % door eigen vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het
eigen vermogen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de solvabiliteitsratio ð het eigen vermogen van de
kredietinstelling voor de toepassing van artikel 75 ï en van de andere ratio's voor toezichtsdoeleinden die bij de
onderhavige richtlijn en bij andere communautaire besluiten worden vastgesteld;. 2. oOnder
posities vallen niet: a) in het geval van valutatransacties, de risico's
die zich Ö posities
die Õ tijdens de normale
afwikkeling voordoen Ö worden
ingenomen Õ in de periode van 48
uur nadat betaling heeft plaatsgevonden, of Ö ; Õ b) in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop
van effecten, de risico's Ö posities Õ die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen Ö worden
ingenomen Õ in de periode van
vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten
geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;: ê 2000/12/EG
artikel 1, lid 1, derde alinea (aangepast) Artikel 107 Voor de toepassing van het
toezicht op en de controle van grote risico's Ö deze
afdeling Õ worden als Ö heeft de term
"kredietinstelling" betrekking op Õ kredietinstelling beschouwd: a) een kredietinstelling in de zin van de
eerste alinea, met inbegrip van de Ö haar Õ bijkantoren in derde
landen;van een
dergelijke kredietinstelling alsmede b) iedere particuliere of openbare onderneming die aan de
definitie van Ö "kredietinstelling"
voldoet Õ de eerste alinea beantwoordt
en waaraan in een derde land vergunning is verleend. ê 2000/12/EG
artikel 48, lid 1 (aangepast) ð nieuw Artikel 108 Melding van
grote risico's 1. Een risico Ö positie Õ van een
kredietinstelling met betrekking tot Ö jegens Õ een cliënt of een
groep van verbonden cliënten wordt als groot beschouwd indien de waarde ervan
10% of meer van haar eigen vermogen bedraagt. ð In dit verband is afdeling 1 van
toepassing, eventueel met uitzondering van artikel 57, onder q), en artikel 63,
lid 3, en in ieder geval met uitzondering van artikel 66, lid 2.ï ê 2000/12/EG
artikel 48, lid 4, eerste alinea (aangepast) Artikel 109 De bevoegde autoriteiten eisen dat er in elke
kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en
adequate interne controleprocedures bestaan voor het vaststellen en vastleggen
van alle grote risico's Ö posities Õ en daarin optredende
wijzigingen, zoals
omschreven en vereist Ö op basis
van Õ in deze richtlijn, alsmede voor het toetsen van deze risico's Ö posities Õ aan het risico Ö terzake
gevoerde Õ beleid van de
kredietinstelling. ê 2000/12/EG
artikel 48, lid 2 (aangepast) Artikel 110 Melding van
grote risico's 21. De
grote risico's, zoals omschreven in lid 1, Ö posities Õ worden door de
kredietinstelling aan de bevoegde autoriteiten gemeld. De lidstaten bepalen dat deze melding, naar
hun keuze, plaatsvindt volgens een van de volgende twee formules: a) melding van alle grote risico's
Ö posities Õ ten minste eenmaal
per jaar, gecombineerd met mededeling in de loop van het jaar van alle nieuwe
grote risico's Ö posities Õ en van een toeneming
van bestaande grote risico's Ö posities Õ met ten minste 20%
ten opzichte van de laatste mededeling; b) melding van alle grote risico's
Ö posities Õ ten minste viermaal
per jaar. ê 2000/12/EG
artikel 48, lid 3 (aangepast) ð nieuw 3.2 ð Behalve bij kredietinstellingen die
gebruikmaken van artikel 114 wat betreft de inaanmerkingneming van zekerheden
bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van de leden
1, 2, en 3 van artikel 111 ,ï Ö behoeft Õ Mmelding
in de zin van lid ð 1 ï 2 behoeft evenwel
niet plaats te vinden voor risico's Ö posities Õ die op grond van
artikel 49, Ö 111 Õ lid 7 ð 3 ï , onder a), b), c), d), f), g) en h), zijn vrijgesteld. Voor de risico's Ö posities Õ die in artikel 49 Ö 111 Õ , lid ð 3 ï 7, onder e) en i) tot
en met s), en leden 8, 9 en 10, ð in de artikelen 115 en 116 ï worden bedoeld, hoeft de in lid ð 1, onder b) ï 2, tweede streepje,
bedoelde melding slechts tweemaal per jaar plaats te vinden. ê 2000/12/EG
artikel 48, lid 4, tweede alinea (aangepast) Wanneer een kredietinstelling gebruikmaakt van
lid Ö 2 Õ 3, dient zij de gegevens omtrent de beweegredenen daarvoor
gedurende een jaar na het tot ontheffing aanleiding gevende feit te bewaren,
teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de rechtmatigheid daarvan
te verifiëren. ò nieuw 3. De lidstaten
mogen de eis opleggen dat concentraties van vorderingen op de uitgevende
instellingen van door de kredietinstelling aanvaarde zekerheden worden gemeld. ê 2000/12/EG
artikel 49, leden 1 tot en met 5 (aangepast) è1 2004/xx/EG,
artikel 3, lid 7 ðnieuw Artikel
111 Voor grote
risico's geldende grenswaarden 1. Een kredietinstelling mag met betrekking tot Ö ten opzichte
van Õ één cliënt of een
groep van verbonden cliënten geen risico Ö positie Õ innemen met een
totale waarde van meer dan 25% van haar eigen vermogen. ð Op deze bepaling en de overige
bepalingen van het onderhavige artikel is afdeling 1 van toepassing, eventueel
zonder inachtneming van artikel 57, onder q), en artikel 63, lid 3, en in ieder
geval zonder inachtneming van artikel 66, lid 2. ï 2. Indien de cliënt of groep van
verbonden cliënten de moederonderneming of dochteronderneming van de
kredietinstelling en/of een of meer van de dochterondernemingen van deze moederonderneming
is, wordt het in lid 1 genoemde percentage verlaagd tot 20%. De lidstaten
behoeven deze grenswaarde van 20% echter niet op de risico's
Ö posities Õ met betrekking tot Ö ten opzichte
van Õ deze cliënten toe te
passen indien zij die Ö posities Õ risico's via andere maatregelen of procedures aan
bijzonder toezicht onderwerpen. Zij stellen de Commissie en het è1 Europees
Comité voor het bankwezen ç in kennis van de
strekking van deze maatregelen of procedures. 3. Een kredietinstelling mag
geen grote risico's Ö posities
innemen Õ aangaan waarvan de totale waarde meer dan 800% van haar
eigen vermogen bedraagt. ê 2000/12/EG
artikel 49, lid 4 (aangepast) 4. De lidstaten mogen
striktere grenswaarden vaststellen dan de in de leden 1, 2 en 3 vermelde
grenswaarden. ê 2000/12/EG
artikel 49, leden 1 tot en met 5 (aangepast) 54. Een kredietinstelling moet met betrekking tot de door haar aangegane risico's Ö ingenomen
posities Õ doorlopend de in de
leden 1, 2 en 3 bepaalde grenswaarden in acht nemen. Indien de aangegane risico's Ö ingenomen
posities Õ in een uitzonderlijk
geval de genoemde grenswaarden toch overschrijden, moet dit onverwijld worden
gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks
rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om
alsnog aan de grenswaarden te voldoen. ò nieuw Artikel 112 1. Voor
de toepassing van de artikelen 113 tot en met 117 omvat het begrip
"garantie" ook de in het kader van de artikelen 90 tot en met 93 in
aanmerking genomen kredietderivaten, behalve credit linked notes. 2. Als
op grond van de artikelen 113 tot en met 117 al dan niet volgestorte
kredietprotectie in aanmerking mag worden genomen, wordt behoudens lid 3
voldaan aan de voorwaarden en andere minimumeisen die in de artikelen 90 tot en
met 93 ten aanzien van de berekening van risicogewogen posten op basis van de
artikelen 78 tot en met 83 worden genoemd. 3. Als
een kredietinstelling gebruikmaakt van artikel 114, lid 2, wordt
kredietprotectie alleen in aanmerking genomen als voldaan is aan de
desbetreffende voorschriften van de artikelen 84 tot en met 89. ê 2000/12/EG
artikel 49, leden 4 en 6 (aangepast) Artikel 113 1. De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in de leden 1, 2 en 3 Ö in artikel
111 Õ vermelde
grenswaarden. 62. 62. De lidstaten mogen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3 Ö artikel
111 Õ geheel of
gedeeltelijk vrijstellen de risico's Ö posities Õ die door een
kredietinstelling zijn aangegaan met betrekking tot
Ö ingenomen ten
opzichte van Õ haar
moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en
haar eigen dochterondernemingen, voorzover deze ondernemingen opgenomen zijn in
het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf
onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in
een derde land geldende gelijkwaardige normen. ê 2000/12/EG Art
49, lid 7 (aangepast) ð nieuw 73. De
lidstaten mogen de volgende risico's Ö posities Õ geheel of
gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van de leden
1, 2 en 3 Ö artikel
111 Õ : (a)
activa die vorderingen Ö vertegenwoordigen Õ op centrale overheden of centrale
banken van zone A vertegenwoordigen;
ð centrale overheden of centrale banken
die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een
risicogewicht van 0% zouden krijgen; ï (b)
activa die vorderingen Ö vertegenwoordigen Õ op de Europese Gemeenschappen; ð internationale organisaties of
multilaterale ontwikkelingsbanken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge
de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen; ï (c)
activa die vorderingen vertegenwoordigen welke
uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A, of
door de Europese Gemeenschappen ð centrale overheden, centrale banken,
internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken; voorwaarde is
wel dat niet gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de garantie verstrekt,
ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden
krijgen ï ; (d)
andere Ö vorderingen Õ risico's op of gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A of
de Europese Gemeenschappen;ð centrale overheden, centrale banken,
internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken; voorwaarde is
wel dat niet-gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de debiteur dan wel
de garantiegever is, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht
van 0% zouden krijgen; ï (e)
ð niet onder a) bedoelde ï activa die vorderingen Ö op Õ en andere Ö posities
jegens Õ risico’s op centrale overheden of centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en in voorkomend
geval gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer; (f)
activa en andere risico's
Ö posities Õ die ten genoegen van
de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm ð van schuldtitels die door de centrale
overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale
ontwikkelingsbanken of door de regionale of lagere overheden van een lidstaat
zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende
instellingen ervan, mits deze vordering ingevolge de artikelen 78 tot en met 83
een risicogewicht van 0% zou krijgen; ï van effecten die zijn
uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A, door de
Europese Gemeenschappen of door regionale of lagere overheden van de lidstaten
waarvoor overeenkomstig artikel 44 inzake solvabiliteit een wegingsfactor van
0% wordt toegepast; (g)
activa en andere Ö posities Õ risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten
zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van deposito's in contanten bij de
leningverstrekkende Ö kredietinstelling Õ instelling, of bij een kredietinstelling die de
moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende
instelling is; (h)
activa en andere Ö posities Õ risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten
zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van depositocertificaten die zijn
uitgegeven door de leningverstrekkende Ö kredietinstelling Õ instelling of door een kredietinstelling die de
moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende Ö kredietinstelling Õ instelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd; (i)
activa die vorderingen Ö op Õ en andere Ö posities
jegens Õ risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met
een looptijd van ten hoogste één jaar en die geen eigen vermogen van die
instellingen vormen; (j)
activa die vorderingen en andere risico'sÖ posities Õ met een looptijd van
ten hoogste één jaar vertegenwoordigen welke gegarandeerd zijn overeenkomstig artikel 45, lid 2, ð bijlage VI, deel 1, punt 82, ï op Ö of jegens Õ instellingen die
geen kredietinstelling zijn, maar voldoen aan de voorwaarden van voornoemd
artikel; (k)
wissels en promessen met een looptijd van ten
hoogste één jaar die de handtekening van een andere kredietinstelling dragen; (l)
ð gedekte obligaties in de zin van de
artikelen 78 tot en met 83; ï ê 2000/12/EG
(aangepast) (m)
tot aan een latere coördinatie, deelnemingen in
verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 5, lid
3, Ö 122, lid
1 Õ tot een maximum van
40% van het eigen vermogen van de kredietinstelling die de deelneming houdt; (n)
activa die vorderingen vertegenwoordigen op
regionale of centrale kredietinstellingen waarmede de leningverstrekkende
kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader
van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn
met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk; ê 2000/12/EG
(aangepast) (o)
risico's Ö posities Õ die ten genoegen van
de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van andere
effecten dan die bedoeld onder f) Ö ; Õ , mits de effecten niet door de kredietinstellingen zelf of
door hun moederonderneming of een van hun dochterondernemingen, noch door de
betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten zijn uitgegeven. De in onderpand gegeven effecten moeten tegen
marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de
gegarandeerde risico's bezitten en moeten op een effectenbeurs genoteerd zijn,
dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt
die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen
van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de
kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen
aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden
geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100 %; zij bedraagt evenwel 150%
in het geval van aandelen en 50% in het geval van obligaties die zijn
uitgegeven door kredietinstellingen, regionale of lokale overheden van de
lidstaten andere dan die bedoeld in artikel 44, en in het geval van obligaties
die zijn uitgegeven door de Europese Investeringsbank en multilaterale
ontwikkelingsbanken. ê 2000/12/EG (p)
leningen die, ten genoegen van de bevoegde
autoriteiten, zijn gegarandeerd door een hypotheek op residentiële eigendom of
door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die
werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of
latere gelijkwaardige wetgeving en transacties inzake financieringshuur
(leasing) voor woningen krachtens welke de lessor de volledige eigendom van de
verhuurde residentiële woning behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet
heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50% van de waarde van de betrokken
woning.; De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats.
Voor de toepassing van dit punt wordt onder woning verstaan, de woning die
bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer; ò nieuw (q)
posities die ingevolge de
artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 50% zouden krijgen; voorwaarde
is wel dat tot 50% van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in
aanmerking wordt genomen en: i) de posities
gegarandeerd zijn door een hypotheek op kantoren of andere panden voor
handelsdoeleinden of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van
woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen
van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of
andere panden voor handelsdoeleinden; ii) de posities
verband houden met transacties inzake financieringshuur (leasing) van kantoren
of andere panden voor handelsdoeleinden. Voor de toepassing van
punt ii) mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kredietinstellingen
tot 31 december 2011 toestemming verlenen om 100% van de waarde van het
desbetreffende onroerend goed in aanmerking te nemen. Na afloop van deze
termijn wordt deze afwijking aan een evaluatie onderworpen. De lidstaten delen
de Commissie mede of zij van deze mogelijkheid gebruikmaken. ê 2000/12/EG
(aangepast) qr) 50%
van de posten buiten balanstelling met middelgroot/laag risico, bedoeld in
bijlage II; rs) mits
de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, garanties die geen garanties op
verstrekte kredieten zijn, die een wettelijke of reglementaire basis hebben en
die verstrekt worden aan aangesloten cliënten door onderlinge
borgtochtmaatschappijen met de status van kredietinstelling onder voorbehoud
dat een wegingsfactor van 20% op het bedrag daarvan wordt toegepast;. Indien de lidstaten van deze
mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis, om te
voorkomen dat zich dientengevolge concurrentieverstoringen voordoen; st) posten
buiten de balanstelling met een laag risico, bedoeld in bijlage II, voorzover
met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op
grond waarvan het risico Ö de
positie Õ alleen mag worden aangegaan Ö ingenomen Õ indien vastgesteld
is dat de volgens Ö artikel 111,
leden 1 tot en met 3, Õ de leden 1, 2 en 3 geldende grenswaarden niet worden
overschreden. ò nieuw Punt g) omvat ook
contanten die ontvangen worden in het kader van een door de kredietinstelling
uitgegeven credit linked note, alsmede leningen en deposito´s van een
tegenpartij aan, respectievelijk bij de kredietinstelling die onder een
ingevolge de artikelen 90 tot en met 93 erkende overeenkomst tot verrekening
van balansposten vallen. ê 2000/12/EG Art
49, onder o), tweede en derde zin (aangepast) ð nieuw Ö Voor de
toepassing van punt o) moeten de Õ De in onderpand gegeven effecten moeten
tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de
gegarandeerde risico's bezitten en moeten Ö ze Õ op een effectenbeurs
genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd
zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert,
en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst
van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te
bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan
worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100%. Zij bedraagt evenwel
150% in het geval van aandelen en 50% in het geval van obligaties die zijn
uitgegeven door kredietinstellingen, regionale of lokale Ö lagere Õ overheden van de
lidstaten andere dan die bedoeld Ö onder f) Õ in artikel 44, en in het geval van obligaties die zijn
uitgegeven door de Europese Investeringsbank en
multilaterale ontwikkelingsbanken ð andere dan die welke in de
standaardbenadering een risicogewicht van 0% krijgen. Als er sprake is van een
verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de
kredietprotectie, wordt de zekerheid niet in aanmerking genomen. ï Ö De in onderpand
gegeven effecten mogen niet tot het eigen vermogen van kredietinstellingen
worden gerekend. Õ Ö Voor de
toepassing van punt p) wordt de Õ De waarde van het goed wordt
ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De
waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van dit punt Ö p) Õ wordt onder woning
verstaan: de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de
leningnemer; Indien de lidstaten van deze
mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij Ö De lidstaten
delen Õ de Commissie daarvan in kennis Ö mede of zij in
het kader van punt s) een afwijking hebben toegestaan, dit Õ , om te voorkomen dat zich dientengevolge
concurrentieverstoringen voordoen. ò nieuw Artikel 114 1. Behoudens
lid 3 mogen de lidstaten besluiten geen volledige of gedeeltelijke afwijking te
verlenen die in het kader van artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o) is
toegestaan, en mogen ze in plaats daarvan een kredietinstelling die voor de
toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de waarde van posities
berekent en daarvoor de (uitgebreide) benadering van financiële zekerheden op
basis van de artikelen 90 tot en met 93 hanteert, toestaan een lagere waarde
dan de waarde van de posities te hanteren, mits deze niet lager uitvalt dan de
totale volledig aangepaste waarde van haar posities jegens de cliënt of groep
van verbonden cliënten. In dit verband houdt
"volledig aangepaste waarde van de positie" in dat de waarde is
berekend op basis van artikel 90 tot en met 93 en dat daarbij rekening is
gehouden met kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele
looptijdverschillen (E*). Als dit lid wordt
toegepast op een bepaalde kredietinstelling, is artikel 113, lid 3, onder f),
g), h) en o), niet van toepassing op deze kredietinstelling. 2. Behoudens
lid 3 kan een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen gebruik mag
maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen
84 tot en met 89 en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het effect
van financiële zekerheden op haar posities kan inschatten, los van andere
LGD-relevante aspecten, toestemming worden verleend om deze effecten in
aanmerking te nemen bij de berekening van de waarde van posities voor de
toepassing van artikel 113, lid 3. Ten genoegen van de
bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat de ramingen van de kredietinstelling
geschikt zijn om de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111
te verlagen. Als een
kredietinstelling haar eigen ramingen van de effecten van financiële zekerheden
mag gebruiken, dan dient zij daarin naar de overtuiging van de bevoegde
autoriteiten consequent te werk te gaan. Dit geldt met name voor alle grote
posities. Een
kredietinstelling die voor een categorie vorderingen haar eigen LGD-ramingen en
omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 mag gebruiken en
voor de berekening van de waarde van haar posities niet gebruikmaakt van de in
de eerste alinea genoemde methode, mag deze waarde berekenen aan de hand van de
benadering van artikel 9, lid 1, dan wel die van artikel 113, lid 3, onder o).
Zij past evenwel slechts een van beide methoden toe. 3. Een
kredietinstelling die voor de berekening van de waarde van posities voor de
toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de in de leden 1 en 2
genoemde methoden mag toepassen, voert op gezette tijden een stresstest op hun
kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van de zekerheden
omvat. In zo´n test wordt
gekeken naar de risico´s die ontstaan als zich eventueel veranderingen in de
marktsituatie voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de
toereikendheid van het eigen vermogen van de kredietinstelling, en naar de
risico´s die ontstaan als zekerheden in crisissituaties worden gerealiseerd. De kredietinstelling
toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij in staat is om
dergelijke risico´s met haar stresstests te beoordelen. Mocht uit een
dergelijke test blijken dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is
dan die waarvan op grond van de leden 2 of 3 eigenlijk uit mag worden gegaan,
wordt de waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de
posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, in
aanmerking mag worden genomen, dienovereenkomstig verlaagd. De strategieën van
deze kredietinstellingen om het concentratierisico te verminderen, omvatten
ook: a) gedragslijnen
en procedures om de risico´s tegen te gaan die ontstaan als er sprake is van
een mismatch tussen enerzijds posities en anderzijds kredietprotectie in
verband met deze posities; b) gedragslijnen
en procedures inzake het concentratierisico dat ontstaat door
kredietrisicolimitering, met name bij grote indirecte kredietrisico´s (waarvan
bijvoorbeeld sprake is als de effecten die als zekerheid worden aanvaard,
slechts één organisatie als uitgevende instelling hebben). 4. Als het
effect van zekerheden ingevolge de leden 1 en 2 in aanmerking wordt genomen,
mogen de lidstaten elk deel van de positie dat is gedekt, behandelen als
vordering op de uitgevende instelling van de zekerheid en niet op de cliënt. ê 2000/12/EG Art
49, leden 8 en 9 (aangepast) ð nieuw Artikel 115 81. De
lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3
Ö artikel 111,
leden 1 tot en met 3 Õ een wegingsfactor
van 20% toepassen op de activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale
en lokale Ö lagere Õ overheden van de
lidstaten ð als deze vorderingen ingevolge de
artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20% zouden krijgen, alsmede op
andere vorderingen op of gegarandeerd door deze overheden als deze vorderingen
ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20% zouden
krijgen. ï , alsmede op de andere
risico's op of gegarandeerd door deze overheden; de lidstaten mogen deze factor
evenwel onder de voorwaarden van artikel 44 tot 0% verlagen. ð De lidstaten mogen deze factor tot 0%
verlagen voor activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lagere
overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een
risicogewicht van 0% zouden krijgen, alsmede voor andere vorderingen op of
gegarandeerd door deze overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78
tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen. ï 9.2. De
lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3
Ö artikel 111,
leden 1 tot en met 3, Õ een wegingsfactor
van 20% toepassen op de activa die vorderingen alsmede andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd
van meer dan één tot ten hoogste drie jaar, en een wegingsfactor van 50% op de
activa die vorderingen op kredietinstellingen
vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan drie jaar, mits deze
vorderingen bestaan uit schuldbewijzen die zijn uitgegeven door een
kredietinstelling en mits deze schuldbewijzen naar het oordeel van de bevoegde
autoriteiten effectief op een markt voor professionele marktdeelnemers
verhandelbaar zijn en op deze markt dagelijks worden genoteerd of waarvan de
uitgifte door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de Ö uitgevende Õ emitterende kredietinstelling
is goedgekeurd. In alle gevallen mogen deze posten niet behoren tot het eigen
vermogen. ê 2000/12/EG
artikel 49, lid 10 (aangepast) Artikel 116 10. In afwijking van Ö artikel 113,
lid 3, onder i), en artikel 115, lid 2, Õ lid 7, onder i), en van lid 9, mogen de lidstaten een
wegingsfactor van 20% toepassen op de activa die vorderingen en andere risico's op Ö posities
jegens Õ kredietinstellingen
vertegenwoordigen, ongeacht de looptijd. ê 2000/12/EG
artikel 49, lid 11 (aangepast) Artikel 117 111. Wanneer
een risico met betrekking tot Ö positie
jegens Õ een cliënt is
gegarandeerd door een derde partij, dan wel door onderpand in de vorm van
effecten die onder de in lid 7, Ö artikel 113,
lid 3, Õ onder o), beschreven
voorwaarden zijn uitgegeven door een derde partij, mogen de lidstaten: a) - het
risico Ö de
positie Õ beschouwen als een Ö positie jegens
de Õ risico op de derde partij Ö garantiegever Õ en niet op Ö jegens Õ de cliënt, indien het risico ten genoegen van de bevoegde autoriteiten
rechtstreeks en onvoorwaardelijk is gegarandeerd door deze derde partij; b) - het
risico Ö de
positie Õ beschouwen als een risico op Ö positie
jegens Õ de derde partij en
niet op Ö jegens Õ de cliënt, indien
het Ö in artikel 113,
lid 3 Õ in lid 7, onder o), beschreven risico is gegarandeerd
door onderpand onder de daarin genoemde voorwaarden. ò nieuw 2. Als
de lidstaten lid 1, onder a), toepassen, dan geldt het volgende: a) Als de garantie
luidt in een andere valuta luidt dan de positie wordt de waarde van de positie
die als gedekt geldt, berekend aan de hand van de in bijlage VIII vervatte
voorschriften voor de behandeling van valutamismatches bij niet-volgestorte
kredietprotectie; b) bij een
verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de
kredietprotectie worden de in bijlage VIII vervatte voorschriften voor de behandeling
van looptijdverschillen gevolgd; c) een
gedeeltelijke dekking mag in aanmerking worden genomen, maar alleen als het
bepaalde in bijlage VIII in acht wordt genomen. ê 2000/12/EG
artikel 49, lid 2 (aangepast) 12. De Raad
onderwerpt uiterlijk op 1 januari 1999 op basis van een verslag van de
Commissie de behandeling van de in lid 7, onder i), en de in de leden 9 en 10
bedoelde interbancaire risico's aan een onderzoek. De Raad neemt op basis van
een voorstel van de Commissie een besluit over de eventueel daarin aan te
brengen wijzigingen. ê 2000/12/EG
artikel 50 (aangepast) ð nieuw Artikel 118 Toezicht
betreffende grote risico's op geconsolideerde en op niet-geconsolideerde basis 1. Indien de kredietinstelling geen moederonderneming en geen
dochteronderneming is, wordt het toezicht op de naleving van de verplichtingen,
bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere ter zake geldende communautaire
voorschriften, op niet-geconsolideerde basis uitgeoefend. 2. In de andere gevallen wordt het toezicht op de naleving van de
verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende
communautaire voorschriften, uitgeoefend op geconsolideerde basis
overeenkomstig de artikelen 52 tot en met 56. 3. De lidstaten kunnen afzien van het toezicht op de naleving van de
verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende
communautaire voorschriften op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde
basis, voor een kredietinstelling die als moederonderneming onderworpen is aan
toezicht op geconsolideerde basis, en voor elke dochteronderneming van deze
kredietinstelling die voor vergunning en toezicht onder deze lidstaten
ressorteert en onder het toezicht op geconsolideerde basis valt. Van dit toezicht kan eveneens worden afgezien indien de
moederonderneming een financiële holding is die in dezelfde lidstaat als de
kredietinstelling is gevestigd, mits die holding aan hetzelfde toezicht
onderworpen is als kredietinstellingen. In de gevallen,
bedoeld in de eerste en de tweede alinea, ð Als een kredietinstelling ingevolge
artikel 69 ,lid 1, op niet geconsolideerde of gesubconsolideerde basis mag
afwijken van het bepaalde in deze afdeling of als artikel 70 op een
moederkredietinstelling wordt toegepast, ï moeten er maatregelen worden genomen om te zorgen voor een
bevredigende spreiding van de risico's binnen de groep. ò nieuw Artikel 119 Uiterlijk 31
december 2007 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een
verslag in over de wijze waarop de voorschriften van deze afdeling in de
praktijk werken. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen. ê 2000/12/EG Afdeling 6 Gekwalificeerde deelnemingen buiten het
financiële gebied ê 2000/12/EG
artikel 51, leden 1 en 2 (aangepast) Artikel 120 Beperkingen aan
gekwalificeerde deelnemingen welke geen financieringsdeelnemingen zijn 1. Een kredietinstelling mag in een
onderneming die geen kredietinstelling, financiële instelling of onderneming
met werkzaamheden als bedoeld in artikel 43, lid 2, onder f), van Richtlijn
86/635/EEG, is, geen gekwalificeerde deelneming hebben waarvan het bedrag meer
dan 15% van haar eigen vermogen bedraagt. 2. Het totale bedrag van de gekwalificeerde
deelnemingen in andere ondernemingen dan kredietinstellingen, financiële
instellingen of ondernemingen met werkzaamheden als bedoeld in artikel 43, lid
2, onder f), van Richtlijn 86/635/EEG, mag niet meer bedragen dan 60% van het
eigen vermogen van de kredietinstelling. ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 5 (aangepast) 5. De lidstaten hebben
de mogelijkheid de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toe te passen
op deelnemingen in verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn
73/239/EEG(18) en van Richtlijn 79/267/EEG(98) of in herverzekeringsondernemingen als gedefinieerd in
Richtlijn 98/78/EG. ê 2000/12/EG
artikel 51, lid 4 (aangepast) 4. Aandelen die wegens
een financiële bijstandsoperatie ter sanering of redding van een onderneming,
of wegens de overname van een effectenemissie voor de normale duur van die
overname, of in eigen naam maar voor rekening van derden, tijdelijk worden
gehouden, worden voor de berekening van de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten
niet meegeteld in de gekwalificeerde deelnemingen. Aandelen die niet het
karakter van financiële vaste activa in de zin van artikel 35, lid 2, van
Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegeteld. ê 2000/12/EG
artikel 51, lid 5 53. De
in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten mogen alleen in uitzonderlijke
omstandigheden worden overschreden. In dat geval eisen de bevoegde autoriteiten
echter dat de kredietinstelling haar eigen vermogen verhoogt of andere
maatregelen van gelijke werking treft. ê 2000/12/EG
artikel 51, lid 6 (aangepast) 6. De lidstaten kunnen
bepalen dat de bevoegde autoriteiten de in de leden 1 en 2 vastgestelde
limieten niet toepassen indien zij voorschrijven dat het gedeelte van de
gekwalificeerde deelneming dat deze limieten te boven gaat, voor 100% door
eigen vermogen moet zijn gedekt en dat dit gedeelte niet in aanmerking wordt
genomen voor de berekening van de solvabiliteitsratio. In geval van
overschrijding van zowel de in lid 1 als de in lid 2 gestelde limiet, dient het
grootste van de overschrijdende gedeelten door eigen vermogen te worden gedekt. ê 2000/12/EG
artikel 51, lid 4 Artikel 121 4. Aandelen die wegens een financiële bijstandsoperatie ter sanering of
redding van een onderneming, of wegens de overname van een effectenemissie voor
de normale duur van die overname, of in eigen naam maar voor rekening van
derden, tijdelijk worden gehouden, worden voor de berekening van de in de leden
1 en 2 vastgestelde limieten niet meegeteld in de gekwalificeerde deelnemingen.
Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa in de zin van
artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegeteld. ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 5 Artikel 122 31. De lidstaten hebben de mogelijkheid de in de leden 1 en 2
vastgestelde limieten niet toe te passen op deelnemingen in
verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 73/239/EEG en van Richtlijn
79/267/EEG of in herverzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 98/78/EG. ê 2000/12/EG
artikel 51, lid 6 (aangepast) 62. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten de
in Ö artikel 120,
leden 1 en 2, Õ de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toepassen
indien zij voorschrijven dat het gedeelte van de gekwalificeerde deelneming dat
deze limieten te boven gaat, voor 100% door eigen vermogen moet zijn gedekt en
dat dit gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de
solvabiliteitsratio. In geval van overschrijding van zowel de in lid 1 als de
in lid 2 Ö van artikel
120 Õ gestelde limiet,
dient het grootste van de overschrijdende gedeelten door eigen vermogen te
worden gedekt. ò nieuw HOOFDSTUK 3 BEOORDELINGSPROCES
VAN DE KREDIETINSTELLING Artikel 123 De
kredietinstellingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende
strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend kunnen nagaan of
en ervoor kunnen zorgen dat de hoogte, samenstelling en verdeling van het
interne kapitaal nog aansluiten op de omvang en de aard van hun huidige en
mogelijke toekomstige risico´s. Deze strategieën en
procedures worden op gezette tijden intern tegen het licht gehouden; daarbij
wordt ervoor gezorgd dat eventuele hiaten worden aangevuld en dat ze in
verhouding blijven staan tot de aard, omvang en complexiteit van de
werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling. ê 2000/12/EG
(aangepast) HOOFDSTUK 34 TOEZICHT Ö VAN EN
VERSTREKKING VAN INFORMATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN Õ OP GECONSOLIDEERDE BASIS ê 2000/12/EG (nieuw) è1 2002/87/EG
artikel 29, lid 6 Artikel 52 Toezicht op geconsolideerde basis op
kredietinstellingen 1. Een kredietinstelling die als dochteronderneming een
kredietinstelling of financiële instelling heeft, dan wel een deelneming in
dergelijke instellingen houdt, is in de mate en op de wijze als bepaald in
artikel 54 onderworpen aan toezicht op basis van haar geconsolideerde
financiële positie. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6
genoemde terreinen. 2. Een kredietinstelling waarvan de moederonderneming een financiële
holding is, is onderworpen aan toezicht op basis van de geconsolideerde
financiële positie van de financiële holding in de mate en op de wijze als
bepaald in artikel 54. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6
genoemde terreinen. è1 Onverminderd artikel 54 bis houdt de consolidatie van de
financiële positie van de financiële holding voor de bevoegde autoriteiten
geenszins de verplichting in de financiële holding te onderwerpen aan toezicht
op individuele basis. ç ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 3 3. De lidstaten
of de overeenkomstig artikel 53 met het toezicht op geconsolideerde basis
belaste autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen,
financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende
ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt
gehouden, buiten de consolidatie houden indien: –
- de in de
consolidatie te betrekken onderneming gevestigd is in een derde land waar
wettelijke belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan; –
of - de in de
consolidatie te betrekken onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het
licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te
verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de in de
consolidatie te betrekken onderneming lager is dan het laagste van de twee
volgende bedragen: 10 miljoen ecu of 1% van het balanstotaal van de
moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt; indien
verscheidene ondernemingen aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dienen zij
toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze
ondernemingen in het licht van bovenstaande doelstellingen, een niet te
verwaarlozen belang heeft, –
- de
consolidatie van de financiële positie van de in de consolidatie te betrekken
onderneming, naar de mening van de met het toezicht op geconsolideerde basis
belaste autoriteiten, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op
kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn. ê 2000/12/EG
artikel 52, leden 5 tot en met 8 5. Het toezicht op de solvabiliteit, de kapitaaltoereikendheid in het
licht van de marktrisico's en de controle op grote risico's worden
overeenkomstig het onderhavige artikel en de artikelen 53 tot en met 56
uitgeoefend op geconsolideerde basis. De lidstaten stellen in voorkomend geval
de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings
overeenkomstig lid 2 in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken. De naleving van de in artikel 51, leden 1 en 2, bepaalde limieten wordt
onderworpen aan toezicht en aan controle op basis van de geconsolideerde of
gesubconsolideerde financiële positie van de kredietinstelling. 6. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat alle ondernemingen die
worden betrokken bij het toezicht op geconsolideerde basis waaraan een
kredietinstelling op grond van de leden 1 en 2 onderworpen is, over adequate
interne controleprocedures moeten beschikken om de gegevens en inlichtingen te
kunnen produceren die van nut zijn voor de uitoefening van het toezicht op
geconsolideerde basis. 7. Onverminderd de specifieke bepalingen van andere richtlijnen kunnen
de lidstaten ervan afzien de in lid 5 bedoelde normen op basis van
subconsolidatie of op individuele basis toe te passen op kredietinstellingen
die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen
zijn, alsmede op elke dochteronderneming van deze kredietinstelling die voor
vergunning en toezicht onder deze lidstaten ressorteert en die in het toezicht
op geconsolideerde basis van de moederkredietinstelling is opgenomen. Deze
vrijstelling wordt ook toegestaan wanneer de moederinstelling een financiële
holding is met haar zetel in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling, op
voorwaarde dat zij aan hetzelfde toezicht wordt onderworpen als kredietinstellingen
en met name aan de in lid 5 vastgestelde voorschriften. In de twee in de eerste alinea bedoelde gevallen moeten maatregelen
worden genomen om te zorgen voor een adequate verdeling van het kapitaal binnen
de bankgroep. Indien de bevoegde autoriteiten deze normen op individuele basis
toepassen, mogen zij voor de berekening van het eigen vermogen artikel 34, lid
2, laatste alinea, aanwenden. 8. Indien een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een
moederonderneming die zelf en kredietinstelling is, een vergunning heeft
gekregen en in een andere lidstaat gelegen is, passen de bevoegde autoriteiten
die de vergunning hebben verleend, op deze instelling de in lid 5 bedoelde
voorschriften toe, op individuele basis, dan wel, in voorkomend geval, op basis
van subconsolidatie. ê 2000/12/EG Art.
52, lid 9 (aangepast) è1 2004/xx/EG
Art. 3, lid 9 9. Onverminderd het
bepaalde in lid 8, mogen de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben
verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een
kredietinstelling is, bij overeenkomst hun toezichthoudende
verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning
hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze
autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen overeenkomstig
deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de strekking van
dergelijke overeenkomsten ingelicht. è1 De
desbetreffende bevoegde autoriteit informeert de bevoegde autoriteiten van de
andere lidstaten. ç ò nieuw Afdeling 1 -
Toezicht Artikel 124 1. Aan de hand van de technische criteria van bijlage XI
onderwerpen de bevoegde autoriteiten de regelingen, strategieën, procedures en
mechanismen die de kredietinstellingen met het oog op deze richtlijn hebben
ingevoerd, alsmede hun huidige en mogelijke toekomstige risico´s aan een
evaluatie. 2. De
reikwijdte van de in lid 1 bedoelde evaluatie is in overeenstemming met de
voorschriften van de onderhavige richtlijn. 3. Op
basis van de in lid 1 bedoelde evaluatie bepalen de bevoegde autoriteiten of de
door de kredietinstellingen ingevoerde regelingen, strategieën, procedures en
mechanismen en het eigen vermogen dat door deze instellingen wordt aangehouden,
een degelijk beheer en een solide dekking van hun risico´s waarborgen. 4. De
bevoegde autoriteiten stellen de frequentie en de omvang van de in lid 1
bedoelde evaluatie vast en houden daarbij rekening met het belang van de
werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling voor het financiële
stelsel en met de aard, omvang en complexiteit ervan. De evaluatie wordt
minimaal eenmaal per jaar bijgewerkt. 5. De
evaluatie van de bevoegde autoriteiten omvat ook het renterisico dat een
kredietinstelling bij niet-handelsactiviteiten loopt. Als de economische waarde
van een kredietinstelling met meer dan twintig procent afneemt doordat in de
rentetarieven plotseling en onverwacht een bepaalde verandering is opgetreden -
de bevoegde autoriteiten leggen vast om wat voor verandering het minimaal gaat
– moeten maatregelen worden getroffen, die niet van kredietinstelling tot
kredietinstelling mogen verschillen. ê 2000/12/EG
artikel 53, leden 1 en 2, eerste alinea (aangepast) ð nieuw Artikel 125 Tot toezicht bevoegde autoriteiten 1. Indien de moederonderneming
een ð moeder ïkredietinstelling ð in een lidstaat of een
EU-moederkredietinstelling ï is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de
bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 Ö 6 Õ bedoelde vergunning
hebben verleend 2. Indien de moederonderneming
van een kredietinstelling een financiële ð moeder ïholding ð in een lidstaat of een financiële
EU-moederholding ï is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de
bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 Ö 6 Õ bedoelde vergunning
hebben verleend. ê 2000/12/EG Art.
53, lid 2, tweede en derde alinea, en lid 3 (aangepast) ð nieuw Artikel 126 3.1. Indien
evenwel kredietinstellingen waaraan in meer dan één
lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële ð moeder ïholding ð in een lidstaat of dezelfde financiële
EU-moederholding ï als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde
basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de
kredietinstelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de
financiële holding is opgericht. Indien in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht, aan geen
dochterkredietinstellingen vergunning is verleend, komen de bevoegde
autoriteiten van de betrokken lidstaten (daarbij begrepen de autoriteiten van
de lidstaat waar de financiële holding is opgericht) met elkaar overeen wie van
hen het toezicht op geconsolideerde basis zal uitoefenen. Bij gebreke van een
dergelijke afspraak wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend
door de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de
kredietinstelling met het hoogste balanstotaal; in het geval van gelijke balanstotalen
wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde
autoriteiten die als eerste een vergunning als bedoeld in artikel 4 hebben
verleend. 3. De betrokken bevoegde autoriteiten kunnen met elkaar overeenkomen
van het bepaalde in lid 2, eerste en tweede alinea, af te wijken. ò nieuw Indien
kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend
meer dan één financiële holding met zetel in diverse lidstaten als
moederonderneming hebben en zich in elk van deze lidstaten een
kredietinstelling bevindt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis
uitgeoefend door de voor de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal
bevoegde autoriteit. 2. Indien
meer dan één kredietinstelling waaraan in de Gemeenschap vergunning is
verleend, dezelfde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen
van deze kredietinstellingen in de lidstaat waar de financiële holding is
opgericht, vergunning is verleend, wordt het toezicht op geconsolideerde basis
uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die de kredietinstelling met het
hoogste balanstotaal vergunning heeft verleend; voor de toepassing van deze
richtlijn wordt deze kredietinstelling als de instelling beschouwd die onder de
zeggenschap staat van een financiële EU-moederholding. ê 2000/12/EG
artikel 53, lid 4 4. De in lid 2, derde alinea, en in lid 3 bedoelde overeenkomsten
bevatten concrete maatregelen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling
met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen betreffende het
toezicht op geconsolideerde basis. ò nieuw 3. In
bijzondere gevallen mogen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te
wijken van de criteria in de leden 1 en 2, en wel als de toepassing ervan, gelet
op het relatieve belang van de werkzaamheden van de kredietinstellingen in de
verschillende lidstaten, ongepast zou zijn; ze mogen dan een andere bevoegde
autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden. In die
gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen, de
EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding dan wel de
kredietinstelling met het hoogste balanstotaal de gelegenheid haar mening ten
aanzien van dit besluit kenbaar te maken. 4. Als
de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 3 onderling afspraken hebben
gemaakt, brengen zij de Commissie daarvan op de hoogte. ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 2, laatste zin ð nieuw Artikel 127 1. ð De lidstaten stellen in voorkomend
geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings in
het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken. Onverminderd artikel 135 ï houdt de consolidatie van de financiële positie van de financiële
holding voor de bevoegde autoriteiten geenszins de verplichting in de
financiële holding te onderwerpen aan toezicht op individuele basis. ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 4 (aangepast) 42. Indien
de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een dochterkredietinstelling niet in
het toezicht op geconsolideerde basis betrekken op grond van een van de in lid 3, tweede en derde streepje, Ö artikel 73, lid
1, onder b) en c), Õ bedoelde gevallen,
kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze
dochterkredietinstelling gelegen is, van de moederonderneming inlichtingen
verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze kredietinstelling te
vergemakkelijken. ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 10 (aangepast) 103. De
lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste
bevoegde autoriteiten van de dochteronderneming van een kredietinstelling of
een financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis
vallen, de in artikel 55 Ö 137 Õ bedoelde
inlichtingen mogen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde
procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing. ê 2000/12/EG
artikel 53, lid 5 Artikel 128 5. Indien er in de lidstaten meer dan één bevoegde autoriteit is voor het
bedrijfseconomisch toezicht of kredietinstellingen en financiële instellingen,
nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te
organiseren. ò nieuw Artikel 129 1. De
bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op
EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap
staan van een financiële EU-moederholding, neemt de volgende taken op zich: a) ze voert
superviserende controles uit en gaat na of voldaan is aan artikel 71, artikel
72, leden 1 en 2, en artikel 73, lid 3; b) ze coördineert
de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in
normale omstandigheden en in noodsituaties; c) ze plant en
coördineert toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties.
Daaronder vallen ook de in artikel 124 genoemde activiteiten, waarbij wordt
samengewerkt met de andere bevoegde autoriteiten, en de in de artikelen 43 en
141 genoemde activiteiten. 2. Als
een EU-moederkredietinstelling met haar dochterondernemingen of de gezamenlijke
dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een aanvraag indienen
voor de in artikel 84, lid 1, artikel 87, lid 9, of artikel 105 bedoelde
vergunning, bepalen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg of de
aanvraag wordt ingewilligd en welke voorwaarden eventueel aan zo´n vergunning
moeten worden verbonden. Een aanvraag als bedoeld
in de eerste alinea, wordt alleen ingediend bij de in lid 1 genoemde bevoegde
autoriteit. De bevoegde autoriteiten
nemen binnen zes maanden een besluit over de aanvraag en maken dit besluit in
één document bekend. Dit document wordt aan de aanvrager toegezonden. Als er binnen zes maanden geen besluit wordt
genomen, bepaalt de in lid 1 genoemde autoriteit op eigen gezag of de aanvraag
wordt ingewilligd. Artikel 130 1. Als
zich een noodsituatie voordoet die de stabiliteit en integriteit van het
financiële stelsel kan ondermijnen, waarschuwen de bevoegde autoriteiten die
belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis, de in artikel 49, onder
a), en artikel 50 genoemde autoriteiten zo snel mogelijk, maar daarbij nemen ze
wel de voorschriften van titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, in acht. Dit geldt
voor alle bevoegde autoriteiten die in de artikelen 125 en 126 voor een
bepaalde groep worden genoemd, alsmede voor de bevoegde autoriteit die in lid 1
van artikel 129 wordt genoemd. 2. De
bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis,
treedt als zij informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit
is verstrekt, zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere
toezichthoudende autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd. Artikel 131 Om het toezicht
doeltreffend en gemakkelijker uit te kunnen oefenen, kan de autoriteit die
belast is met het toezicht op geconsolideerde basis en kunnen de andere
bevoegde autoriteiten beschikken over documenten waarin de coördinatie- en
samenwerkingsafspraken schriftelijk zijn vastgelegd. Daarin kan zijn
geregeld dat de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op
geconsolideerde basis extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de
besluitvorming en voor de samenwerking met andere bevoegde autoriteiten zijn
vastgelegd. ê 2000/12/EG
artikel 52, lid 9 (aangepast) 9. Onverminderd het
bepaalde in lid 8, mogen de Ö De Õ bevoegde
autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een
moederonderneming die een kredietinstelling is, Ö mogen Õ bij overeenkomst hun
toezichthoudende verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten
die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming,
opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen
overeenkomstig deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de
strekking van dergelijke overeenkomsten ingelicht. Zij licht de bevoegde
autoriteiten van de overige lidstaten en het Raadgevend Comité voor het
bankwezen hierover in. ò nieuw Artikel 132 1. De
bevoegde autoriteiten werken nauw samen. Zij verstrekken elkaar informatie die
van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de
toezichthoudende taken waarmee zij in het kader van de onderhavige richtlijn
zijn belast. Daartoe geven zij op verzoek alle relevante informatie en komen ze
zelf met alle essentiële informatie. Met name zorgen de
bevoegde autoriteiten die belast zijn met het geconsolideerde toezicht op
EU-ondernemingen ervoor dat relevante informatie wordt verstrekt aan de
bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op
dochterondernemingen van deze moederondernemingen. Wel wordt als het gaat om de
hoeveelheid toe te zenden informatie rekening gehouden met het belang van deze
dochterondernemingen in het financiële stelsel De in de eerste alinea
genoemde essentiële informatie omvat met name gegevens over: a) de structuur
van de groep, alle belangrijke kredietinstellingen van een groep, alsmede de
voor de kredietinstellingen van de groep bevoegde autoriteiten; b) procedures voor
de verzameling van informatie bij de kredietinstellingen van een groep, alsmede
de toetsing van deze informatie; c) ongunstige
ontwikkelingen bij kredietinstellingen of andere entiteiten van een groep die
ernstige nadelige gevolgen voor de kredietinstellingen zouden kunnen hebben; d) belangrijke
sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in
overeenstemming met deze richtlijn hebben getroffen; zo kan in het kader van
artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn
opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de
berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105. 2. De
bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen
die onder de zeggenschap staan van een EU-moederkredietinstelling, treden in
contact met de in artikel 129, lid 1, genoemde bevoegde autoriteit als zij informatie
nodig hebben over de invoering van benaderingen en methodieken zoals beschreven
in de onderhavige richtlijn, en deze bevoegde autoriteit eventueel al beschikt
over de desbetreffende informatie. 3. Voordat
ze een besluit nemen dat van belang is voor de toezichthoudende taken van
andere bevoegde autoriteiten, raadplegen de desbetreffende bevoegde
autoriteiten elkaar over: a) veranderingen
in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van
kredietinstellingen in een groep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde
autoriteiten vereisen; b) belangrijke
sancties of buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben
getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn
opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de
geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op
basis van artikel 105. Voor de toepassing van
punt b) wordt in ieder geval het advies ingewonnen van de bevoegde autoriteit
die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis. Een bevoegde autoriteit
mag evenwel besluiten om geen advies in te winnen, maar alleen als er sprake is
van een noodsituatie of als de besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In
dat geval brengt de bevoegde autoriteiten de andere bevoegde autoriteiten
daarvan onverwijld op de hoogte. ê 2000/12/EG
artikel 54, lid 1 (aangepast) Artikel 133 Vorm en mate van
de consolidatie 1. De met het toezicht op
geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op
het toezicht de volledige consolidatie van kredietinstellingen en financiële
instellingen die dochterondernemingen van de moederonderneming zijn. Ö De bevoegde
autoriteiten mogen evenwel slechts een Õ Een proportionele consolidatie kan
evenwel worden voorgeschreven Ö verlangen Õ in geval de
aansprakelijkheid van de moederonderneming die een deel van het kapitaal houdt,
naar Ö hun Õ het oordeel van de bevoegde
autoriteiten beperkt is tot dat deel van het kapitaal, op grond van de
aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders of vennoten en van de
toereikende solvabiliteit van deze laatsten. De aansprakelijkheid van de
overige aandeelhouders en vennoten moet duidelijk worden aangetoond, zo nodig
aan de hand van uitdrukkelijk aangegane verbintenissen. ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 7, onder a) Indien ondernemingen verbonden zijn door een
betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, bepalen
de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd. ê 2000/12/EG
artikel 54, leden 2 en 3 (aangepast) 2. De met het toezicht op
geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op het toezicht de proportionele
consolidatie van de deelnemingen in kredietinstellingen of financiële
instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken
onderneming en een of meer daarin niet opgenomen ondernemingen worden geleid,
wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen
voortvloeit die afhangt van het door hen gehouden aandeel van het kapitaal. 3. In het geval van deelnemingen
of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 2,
bepalen de bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet
plaatsvinden. Zij kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode
toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken
ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen. ê 2000/12/EG
artikel 54, lid 4, eerste alinea (aangepast) Artikel 134 41. Onverminderd
de leden 1, 2 en 3 Ö artikel
133 Õ bepalen de bevoegde
autoriteiten in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet
plaatsvinden: a) een kredietinstelling oefent naar het oordeel van de bevoegde
autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer kredietinstellingen
of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of
daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; b) twee of meer kredietinstellingen of financiële instellingen staan
onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire
bepalingen vastgelegd hoeft te zijn. ê2002/87/EG artikel
29, lid 7, onder b) --------- ê 2000/12/EG
artikel 54, lid 4, tweede alinea De bevoegde autoriteiten mogen in het
bijzonder het gebruik van de in artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde
methode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de
betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden
opgenomen. ê 2000/12/EG Art
54, lid 5 (aangepast) ð nieuw 52. Wanneer
het toezicht op geconsolideerde basis op grond van Ö de artikelen
125 en 126 Õ artikel 52, leden 1 en 2, is voorgeschreven, worden de
ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf
verrichten, ð alsmede vermogensbeheerders in de zin
van Richtlijn 2002/87/EG ï in de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die
in de leden 1 tot en met 4 Ö artikel 133 en
lid 1 Õ van het onderhavige
artikel zijn omschreven. ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 8 (aangepast) Artikel 135 Leidinggevend
orgaan van financiële holdings De lidstaten eisen dat personen die het
bedrijf van een financiële holding feitelijk leiden, voldoende betrouwbaarheid
en voldoende ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen. ònieuw Artikel 136 1. De
bevoegde autoriteiten eisen van een kredietinstelling die niet aan deze
richtlijn voldoet, dat deze vroegtijdig de noodzakelijke maatregelen neemt om
iets aan deze situatie te doen. Daartoe kunnen de
bevoegde autoriteiten onder meer: a) kredietinstellingen
verplichten een groter eigen vermogen aan te houden dan dat welk ingevolge
artikel 75 minimaal vereist is; b) de
regelingen en strategieën aan te scherpen die met het oog op de artikelen 22 en
123 zijn ingevoerd; c) kredietinstellingen
verplichten in verband met de kapitaalvereisten een specifiek voorzieningenbeleid
te voeren of de activa op een specifieke wijze te behandelen; d) restricties
opleggen aan de bedrijfsactiviteiten en transacties van of netwerkrelaties
tussen kredietinstellingen; e) het risico
inperken dat verbonden is aan de werkzaamheden, producten en systemen van
kredietinstellingen. Bij de vaststelling
van maatregelen worden wel de voorschriften van titel V, hoofdstuk 1, afdeling
2. in acht genomen. 2. De
bevoegde autoriteiten leggen in ieder geval kredietinstellingen die met hun
regelingen, procedures, mechanismen en strategieën hun risico´s niet adequaat
kunnen beheren of dekken, strengere kapitaalvereisten op dan die welke zijn
vastgelegd in artikel 75, als andere maatregelen, naar alle waarschijnlijkheid
op zich niet zullen volstaan om binnen een redelijk tijdsbestek een
aanscherping van deze regelingen te bewerkstelligen. ê 2000/12/EG
artikel 55, lid 1 (aangepast) Artikel 137 Door gemengde
holdings en hun dochterondernemingen te verstrekken inlichtingen 1. Tot een latere coördinatie
van de consolidatiemethoden bepalen de lidstaten dat, indien de
moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is,
de voor vergunning aan en toezicht op deze kredietinstellingen
verantwoordelijke bevoegde autoriteiten van de gemengde holding en de
dochterondernemingen daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij door toedoen van de
dochterkredietinstellingen, de mededeling verlangen van alle dienstige
inlichtingen en gegevens voor de uitoefening van het toezicht op de
dochterkredietinstellingen. ê 2000/12/EG
artikel 55, lid 2 (aangepast) 2. De lidstaten bepalen dat hun
bevoegde autoriteiten de van de gemengde holdings en dochterondernemingen
daarvan ontvangen inlichtingen ter plaatse kunnen verifiëren, of door externe
controleurs kunnen doen verifiëren. Indien de gemengde holding of een van de
dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de
procedure van artikel Ö 140, lid
1, Õ 56, lid 4, worden gevolgd. Indien de gemengde holding of
een van de dochterondernemingen daarvan in een andere lidstaat is gelegen dan
die waar de dochterkredietinstelling is gelegen, geschiedt de verificatie ter
plaatse volgens de procedure van artikel Ö 140, lid
1 Õ 56, lid 7. ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 9 (aangepast) Artikel 138 Intragroeptransacties
bij gemengde holdings 1. Onverminderd het bepaalde in titel
V, hoofdstuk 2, afdeling Ö 5 Õ 3, van deze richtlijn bepalen de lidstaten dat, indien
de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding
is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op
deze kredietinstellingen algemeen toezicht uitoefenen op de transacties tussen
de kredietinstellingen en de gemengde holding en haar dochterondernemingen. 2. De bevoegde autoriteiten verlangen
dat de kredietinstellingen beschikken over adequate risicobeheer- en
internecontroleprocedures, met inbegrip van gedegen rapportage- en
jaarrekeningsystemen, met het oog op een juiste herkenning, meting, bewaking en
controle van de transacties met de gemengde moederholding en haar
dochterondernemingen. De bevoegde autoriteiten verlangen tevens dat de
kredietinstellingen alle andere significante transacties met deze entiteiten
rapporteren, naast de transacties bedoeld in artikel Ö 110 Õ 48. Deze procedures en significante transacties worden
gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten. Indien de bovengenoemde intragroeptransacties een
bedreiging voor de financiële positie van een kredietinstelling vormen, neemt
de voor het toezicht op de instelling bevoegde autoriteit passende maatregelen.
ê 2000/12/EG
artikel 56, leden 1 tot en met 3 (aangepast) Artikel 139 Maatregelen om
het toezicht op geconsolideerde basis te vergemakkelijken 1. De lidstaten nemen de nodige
maatregelen om ervoor te zorgen dat geen juridische belemmeringen de onder het
toezicht op geconsolideerde basis vallende ondernemingen, of gemengde holdings
en dochterondernemingen daarvan, of de in artikel Ö 127, lid
3, Õ 51, lid 10, bedoelde dochterondernemingen verhinderen om
onderling de inlichtingen uit te wisselen die voor de uitoefening van het
toezicht overeenkomstig de artikelen Ö 124 tot en met
138 Õ 52 tot en met 55 en het onderhavige artikel dienstig
zijn. 2. Indien de moederonderneming en de
één of meer kredietinstellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in
verschillende lidstaten zijn gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten van
iedere lidstaat elkaar alle dienstige inlichtingen die voor het toezicht op
geconsolideerde basis nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat
waar de moederonderneming is gelegen, niet zelf op grond van Ö de artikelen
125 en 126 Õ artikel 53 het toezicht op geconsolideerde basis
uitoefenen, mag hun door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten
worden gevraagd om van de moederonderneming de inlichtingen te verlangen die
voor het toezicht op geconsolideerde basis dienstig zijn, en om die
inlichtingen aan deze autoriteiten door te geven. 3. De lidstaten staan toe dat hun
bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien
verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, financiële instellingen
of ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf
verrichten, het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de
bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht
moeten houden. De lidstaten staan eveneens toe dat hun bevoegde
autoriteiten de in artikel Ö 137 Õ 55 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande
dat het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de
bevoegde autoriteiten op de gemengde holding en dochterondernemingen daarvan
die geen kredietinstelling zijn, of op de in artikel Ö 127, lid
3, Õ 52, lid 10, bedoelde dochterondernemingen, toezicht houden. ê 2000/12/EG
artikel 56, leden 4 tot en met 6 (aangepast) Artikel 140 41. Indien
een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde holding
zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die
verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten
verrichten waarvoor een vergunningsstelsel geldt, werken de bevoegde
autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn
met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of op de genoemde andere
instellingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve
bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de
vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en controle op de activiteit
en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan
worden uitgeoefend. 52. De
op grond van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen inlichtingen, en
met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van inlichtingen tussen
bevoegde autoriteiten, vallen onder het beroepsgeheim als bepaald in Ö titel V,
hoofdstuk 1, afdeling 2 Õ artikel 30. 63. De
met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen
een lijst op van de in artikel Ö 71 Õ 52, lid 2, bedoelde financiële holdings. Deze lijst
wordt aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en aan de Commissie
gezonden. ê 2000/12/EG
artikel 56, lid 7 (aangepast) è1 2002/87/EG
artikel 29, punt 10 Artikel 141 7. Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van
deze richtlijn in welbepaalde gevallen inlichtingen betreffende een in een
andere lidstaat gelegen kredietinstelling, financiële holding, financiële
instelling, onderneming die nevendiensten van het
bankbedrijf verricht, gemengde holding, dochteronderneming als bedoeld
in artikel 55, of dochteronderneming als bedoeld in artikel 52, lid 10, wensen
te verifiëren, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om
deze verificatie. De autoriteiten die het verzoek hebben ontvangen, moeten
hieraan in het kader van hun bevoegdheden gevolg geven door de verificatie zelf
te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de
verificatie te verrichten, dan wel door toe te staan dat de verificatie door
een registeraccountant of een deskundige wordt verricht.è1 De
verzoekende bevoegde autoriteit kan indien zij dat wenst aan de verificatie
deelnemen indien zij deze niet zelf verricht. ç ê 2000/12/EG
artikel 56, lid 8 (aangepast) Artikel 142 8. De lidstaten bepalen dat, onverminderd gevallen die onder de strafwet
vallen, jegens financiële holdings en gemengde holdings, of verantwoordelijke
bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
overtreden welke ter uitvoering van de artikelen 52 tot
en met 55 Ö 124 tot en met
141 Õ en van het
onderhavige artikel zijn vastgesteld, sancties of maatregelen kunnen worden
opgelegd om aan de vastgestelde overtredingen een einde te maken of de oorzaken
daarvan weg te nemen. In bepaalde gevallen kunnen deze maatregelen een optreden van de
rechter vereisen. De bevoegde autoriteiten werken nauw samen
opdat de genoemde Ö deze Õ sancties of maatregelen
de beoogde uitwerking hebben, inzonderheid als de zetel van een financiële
holding of van een gemengde holding zich elders dan zijn hoofdbestuur of zijn
hoofdvestiging bevindt. ê 2002/87/EG
artikel 29, lid 11 (aangepast) è1 2004/xx/EG,
artikel 3, punt 10 Artikel 143 Moederondernemingen
uit derde landen 1. Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een
kredietinstelling of een financiële holding met hoofdkantoor Ö in een derde
land Õ buiten de Gemeenschap is en er op de kredietinstelling
geen toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend overeenkomstig het
bepaalde in Ö de artikelen
125 en 126 Õ artikel 52, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de
kredietinstelling onderworpen is aan door de bevoegde autoriteit van een derde
land uitgeoefend toezicht op geconsolideerde basis dat gelijkwaardig is met dat
van de in Ö de onderhavige
richtlijn Õ artikel 52 neergelegde beginselen. De verificatie geschiedt door de bevoegde
autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde
basis indien Ö lid 3 Õ de vierde alinea van toepassing was, op verzoek van de
moederonderneming of van een van de gereglementeerde autoriteiten die in de
Gemeenschap een vergunning hebben verkregen, dan wel op haar eigen initiatief.
Die bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten. 2. è1 De
Europese Commissie kan het Europees Comité voor het bankwezen verzoeken
algemene richtsnoeren te verstrekken ç over de vraag of de
regelingen inzake geconsolideerd toezicht van de bevoegde autoriteiten in derde
landen waarschijnlijk de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis
zullen verwezenlijken zoals die in dit hoofdstuk zijn bepaald, voor de
kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdbestuur Ö in een derde
land Õ buiten de Gemeenschap heeft. Het Comité werkt die
richtsnoeren bij en houdt rekening met alle wijzigingen in de regelingen inzake
geconsolideerd toezicht die door die bevoegde autoriteiten worden toegepast. De bevoegde autoriteit die de in de vorige Ö eerste Õ alinea Ö van lid 1 Õ bedoelde verificatie
uitvoert, neemt die richtsnoeren in aanmerking. De bevoegde autoriteit
raadpleegt te dien einde het comité voordat zij haar besluit neemt. 3. Indien een dergelijk gelijkwaardig toezicht ontbreekt, passen
de lidstaten naar analogie op de kredietinstelling het bepaalde in artikel 52
toe Ö of staan ze hun
bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te passen
waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op
kredietinstellingen worden gerealiseerd Õ. Als alternatief staan de
lidstaten hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te
passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op
kredietinstellingen worden gerealiseerd. Over deze methoden Ö toezichtmethoden Õ moet overeenstemming
worden bereikt door de betrokken bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou
zijn voor het geconsolideerde toezicht, zulks na overleg met de andere Ö betrokken Õ bevoegde
autoriteiten. De bevoegde autoriteiten kunnen meer bepaald
verlangen dat een financiële holding met hoofdbestuur in de Gemeenschap wordt
opgericht en op de geconsolideerde positie van deze financiële holding de
bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen. De methoden Ö toezichtmethoden Õ moeten de
mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis als
omschreven in dit hoofdstuk te verwezenlijken, en moeten aan de overige
betrokken bevoegde autoriteiten en de Commissie worden medegedeeld. ò nieuw Afdeling 2 Verstrekking van
informatie door de bevoegde autoriteiten Artikel 144 1. De
bevoegde autoriteiten verstrekken de volgende informatie: a) de
bewoordingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en algemene
richtlijnen die in hun lidstaat op prudentieel gebied zijn vastgesteld; b) de wijze
waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en speelruimte die de
Gemeenschapswetgeving biedt; c) de
algemene criteria en methodieken op basis waarvan zij de in artikel 124
genoemde evaluatie verrichten; d) onverminderd
het bepaalde in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, geaggregeerde statistische
gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van de
prudentiële kadervoorschriften in elke lidstaat. Er wordt genoeg
informatie als bedoeld in de eerste alinea, verstrekt om een zinvolle
vergelijking te kunnen maken tussen de handelwijzen van de bevoegde
autoriteiten in de verschillende lidstaten. HOOFDSTUK 5 VERSTREKKING VAN
INFORMATIE DOOR DE KREDIETINSTELLINGEN Artikel 145 1. Onverminderd
het bepaalde in artikel 146 maken de kredietinstellingen voor de toepassing van
deze richtlijn de informatie als bedoeld in bijlage XII, deel 2, openbaar. 2. De
bevoegde autoriteiten nemen in het kader van hoofdstuk 2, afdeling 3,
onderafdelingen 2 en 3, en artikel 105 de in bijlage XII, deel 3, bedoelde
instrumenten en methodieken alleen in aanmerking als de kredietinstellingen de
daarin genoemde informatie openbaar maken. 3. De
kredietinstellingen leggen formeel vast hoe ze willen voldoen aan de
informatie-eisen van de leden 1 en 2; ook hebben ze vastgelegd op welke wijze
ze de door henzelf verstrekte informatie evalueren en dus ook op juistheid
controleren en hoe vaak dit dient te gebeuren. Artikel 146 1. Onverminderd
artikel 145 verlenen de bevoegde autoriteiten een kredietinstelling toestemming
om geen informatie te verstrekken over een of meer van de in bijlage XII, deel
2, genoemde onderdelen als de desbetreffende instelling van mening is dat deze
informatie op grond van het criterium dat in bijlage XII, deel 1, punt 1, wordt
genoemd, niet van wezenlijk belang hoeft te worden geacht. 2. Onverminderd
artikel 145 verlenen de bevoegde autoriteiten een kredietinstelling toestemming
om af te zien van publicatie van informatie over een of meer onderdelen die
genoemd worden in bijlage XII, delen 2 en 3, als de desbetreffende
kredietinstelling van mening is dat deze informatie op grond van de criteria
die bijlage XX, deel 1, punten 2 en 3, als geheim of vertrouwelijk moet worden
aangemerkt. 3. In de in
lid 2 genoemde uitzonderingsgevallen geeft de desbetreffende kredietinstelling
in haar informatie aan dat bepaalde onderdelen ontbreken en waarom deze
ontbreken; wel publiceert zij meer algemene informatie over het desbetreffende
onderdeel. Artikel 147 1. Een
kredietinstelling publiceert minimaal eenmaal per jaar de op grond van artikel
145 vereiste informatie. De informatie wordt zo snel mogelijk gepubliceerd. 2. Ook
bepaalt een kredietinstelling of het op grond van de criteria in bijlage XII,
deel 1, punt 4, nodig is om vaker met informatie te komen dan ingevolge lid 1
vereist is. Artikel 148 1. De
bevoegde autoriteiten verlenen een kredietinstelling toestemming om zelf te
bepalen in welk medium en op welke locatie zij willen voldoen aan de
informatie-eisen van artikel 145 en hoe ze de in dat artikel voorgeschreven
juistheid van hun informatie willen controleren. Voorzover mogelijk wordt alle
informatie in één medium of op één locatie verstrekt. 2. Als
dezelfde informatie al in het kader van boekhoudkundige, beurs- of andere
voorschriften is gepubliceerd, kan artikel 145 worden beschouwd als zijnde
nageleefd. Als de informatie niet in de jaarrekening wordt opgenomen, dan geven
de kredietinstellingen aan waar deze informatie wel kan worden gevonden. Artikel 149 Onverminderd de
artikelen 146 tot en met 148 worden de bevoegde autoriteiten door de lidstaten
gemachtigd om de kredietinstellingen de volgende verplichtingen op te leggen: a) ze
verstrekken informatie over een of meer onderdelen die in bijlage XII, delen 2
en 3 worden genoemd; b) ze
publiceren vaker dan eenmaal per jaar informatie en ze krijgen een termijn
opgelegd voor de publicatie van informatie; c) ze
verstrekken de informatie niet in de jaarrekening, maar in bepaalde media of op
bepaalde locaties; d) ze
controleren de juistheid van informatie waarvoor geen wettelijke controle
vereist is, en gebruiken daarvoor bepaalde middelen. ê 2004/xx/EG
artikel 3, punt 11 ----- ê 2000/12/EG TITEL VI BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING ê 2000/12/EG,
Art. 60 (aangepast) ð nieuw Artikel 150 Technische
aanpassingen 1. Onverminderd het in artikel 34, lid 3, tweede alinea, genoemde verslag
ð het voorstel dat de Commissie ingevolge
artikel 62 zal indienen ï, worden wat betreft het eigen vermogen de op de onderstaande gebieden
aan te brengen technische aanpassingen ð wijzigingen ï vastgesteld volgens de procedure van ð artikel 151 ï lid 2: a) verduidelijking van de definities om bij de toepassing van de
onderhavige richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële
markten; b) verduidelijking van de definities teneinde een eenvormige
toepassing van deze richtlijn binnen de Gemeenschap
te waarborgen; c) aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de
definities aan latere richtlijnen inzake het bankwezen en aanverwante
onderwerpen; definitie van zone A in artikel 1, punt 14; definitie van multilaterale ontwikkelingsbanken in artikel 1, punt 19; d) wijzigingen in
de lijst van artikel 2; e) wijziging van het bedrag van het in artikel 5 Ö 9 Õ vereiste
aanvangskapitaal om rekening te houden met de economische en monetaire
ontwikkelingen; f) uitbreiding van de in de artikelen Ö 23 en 24 Õ 18 en 19 bedoelde lijst in bijlage I of aanpassing van
de terminologie van de lijst om rekening te houden met de ontwikkelingen op de
financiële markten; g) de in artikel Ö 42 Õ 28 genoemde gebieden waarop de bevoegde
autoriteiten gegevens moeten uitwisselen; h) ð wijzigingen in de artikelen 56 en 57 om
rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van standaarden voor of
eisen aan jaarrekeningen zoals vastgelegd in de Gemeenschapswetgeving;ï i) wijziging van de omschrijving
Ö lijst Õ van de activa in artikel 43 Ö categorieën
vorderingen in de artikelen 79 en 86 Õ om rekening te
houden met de ontwikkelingen op de financiële markten; j) ð het in artikel 79, lid 2, onder c), en
in artikel 86, lid 4, onder a), bedoelde bedrag om rekening te houden met de
gevolgen van inflatie; ï k) de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in
de bijlagen II en IV en hun behandeling bij de berekening
van de ratio als omschreven in de artikelen 42, 43 en 44 en in bijlage III
ð bij de vaststelling van de waarde van
de posten voor de toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3 ï; l) ð aanpassing van de bijlagen V tot en met
VII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met
name nieuwe financiële producten en op het gebied van standaarden voor of eisen
aan jaarrekeningen zoals vastgelegd in de Gemeenschapswetgeving; ï Ö 2. De
Commissie kan volgens de procedure van artikel 151 de volgende
uitvoeringsmaatregelen vaststellen:Õ a) ðzij kan een nadere invulling geven aan de
omvang van plotselinge, onverwachte veranderingen in de rentetarieven als
bedoeld in artikel 124, lid 5; ï b) een tijdelijke verlaging van Ö het Õ de in artikel Ö 75 Õ 47 vastgestelde minimumÖ niveau van het
eigen vermogen Õ ratio of van de in artikel
43 Ö titel V,
hoofdstuk 2, afdeling 3, Õ vastgestelde Ö risicogewichten Õ wegingsfactoren, om rekening te houden met specifieke
omstandigheden; c) ð onverminderd het in artikel 119
bedoelde verslag ï, verduidelijking van de uitzonderingen genoemd in artikel 49, leden 5 tot en met 10 Ö 111, lid 4, en
de artikelen 113, 115 en 119 Õ; d) ð een nadere invulling van de voornaamste
aspecten waarover ingevolge artikel 144, lid 1, onder d), geaggregeerde
statistische gegevens dienen te worden geleverd ï; e) ð een nadere invulling van het formaat,
de structuur, de inhoud en de jaarlijkse publicatiedatum van de in artikel 114
bedoelde informatie. ï ê 2004/xx/EG
artikel 3, punt 12 (aangepast) Artikel 151 1. De Commissie wordt bijgestaan
door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie ingestelde Europees Comité
voor het bankwezen (hierna "het comité" te noemen), dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten
en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.. 2. Wanneer naar dit lid Ö artikel Õ wordt verwezen is de
comitéprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met
inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG
bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden. ê 2000/12/EG TITEL VII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 1 OVERGANGSBEPALINGEN ê 2000/12/EG
artikel 60, lid 2 (aangepast) Artikel 61 Overgangsbepalingen
met betrekking tot artikel 36 Denemarken mag de Deense
instellingen voor hypothecair krediet die vóór 1 januari 1990 de rechtsvorm van
coöperatieve verenigingen hadden of als fonds georganiseerd waren, en die in
naamloze vennootschappen zijn omgezet, toestaan om de hoofdelijke
verplichtingen van de leden, respectievelijk van de leningnemers als bedoeld in
artikel 36, lid 1, wier vorderingen met deze hoofdelijke verplichtingen worden
gelijkgesteld, te blijven opnemen in het eigen vermogen, met inachtneming van
de volgende beperkingen: a) de
berekeningsgrondslag van het aandeel van de hoofdelijke verplichtingen van
leningnemers is de som van de bestanddelen genoemd in artikel 35, lid 2, punten
1 en 2, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in artikel 35, lid 2,
punten 9, 10 en 11; b) de
berekeningsgrondslag op 1 januari 1991 of, indien de omzetting op een latere
datum plaatsvindt, op de datum van omzetting is de maximale
berekeningsgrondslag. De berekeningsgrondslag mag nooit hoger zijn dan de
maximale berekeningsgrondslag; c) de maximale
berekeningsgrondslag wordt vanaf 1 januari 1997 verminderd met de helft van de
opbrengst van eventuele nadien plaatsvindende uitgiften van kapitaal, als
gedefinieerd in artikel 35, lid 2, punt 1, en d) het
maximumbedrag van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers dat in het
eigen vermogen wordt opgenomen, mag nooit meer bedragen dan: 50% in 1991
en 1992, 45% in 1993
en 1994, 40% in 1995
en 1996, 35% in 1997, 30% in 1998, 20% in 1999, 10% in 2000
en 0% vanaf 1
januari 2001 van de berekeningsgrondslag. ê 2000/12/EG
(aangepast) Artikel 62 Overgangsbepalingen
met betrekking tot artikel 43 1. Tot en met 31
december 2006 mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun
kredietinstellingen toestaan een wegingsfactor van 50% toe te passen op
leningen die ten genoegen van die autoriteiten geheel en volledig gedekt zijn
door hypotheken op kantoorgebouwen en panden voor diverse handelsdoeleinden,
gelegen op het grondgebied van de lidstaten die de wegingsfactor van 50%
toestaan, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: i) de
wegingsfactor van 50% is van toepassing op het gedeelte van de lening dat niet
hoger ligt dan het volgens het onderstaande punt a), dan wel volgens b)
berekende maximum: a) 50% van de
marktwaarde van het betrokken goed. De
marktwaarde van het goed moet door twee onafhankelijke taxateurs worden
berekend; zij maken onafhankelijke taxaties op het ogenblik van de lening. De
laagste taxatie is het uitgangspunt voor de lening. Het goed
word minstens één keer per jaar opnieuw getaxeerd door één taxateur. Voor
leningen die niet hoger liggen dan 1 miljoen EUR en 5% van het eigen vermogen
van de kredietinstelling, dient het goed ten minste eens in de drie jaar door
één taxateur te worden getaxeerd; b) 50% van de
marktwaarde van het goed of, als dit lager ligt, 60% van de hypotheekwaarde, in
lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria
voor de berekening van hypotheekwaarden hebben vastgesteld. De
hypotheekwaarde is de waarde van het goed die is vastgesteld door een taxateur
op grond van een voorzichtige prognose van de toekomstige verhandelbaarheid van
het goed, rekening houdend met duurzame langetermijnaspecten van het goed, de
normale en plaatselijke marktvoorwaarden, het gebruik dat op dat ogenblik van
het goed wordt gemaakt en eventuele andere doeleinden waarvoor het geschikt is.
Speculatieve factoren mogen niet in de hypotheekwaarde worden verrekend. De
vastgestelde hypotheekwaarde moet op doorzichtige en heldere wijze worden
gedocumenteerd. De
hypotheekwaarde en met name de onderliggende hypothesen in verband met de
ontwikkeling van de betrokken markt moeten ten minste eens in de drie jaar, of
als de marktprijzen met meer dan 10% dalen, opnieuw worden bezien. Zowel
onder a) als onder b) wordt onder «de marktwaarde» verstaan de prijs waartegen
het goed op de dag van de taxatie door een willige verkoper onderhands zou
kunnen worden verkocht aan een onafhankelijke koper, in de veronderstelling dat
het goed openlijk te koop wordt aangeboden, de marktvoorwaarden van dien aard
zijn dat de verkoop in normale omstandigheden kan plaatsvinden en er een
normale periode voorhanden is, gezien de aard van het goed, om de verkoop te
sluiten; ii) op
het gedeelte van de lening dat boven de onder i) genoemde maxima ligt, wordt
een wegingsfactor van 100% toegepast; iii) het
goed moet door de eigenaar worden gebruikt of verhuurd. De eerste alinea
sluit niet uit dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat die op zijn
grondgebied een hogere wegingsfactor toepast, onder de bovengenoemde
voorwaarden kunnen toestaan dat de wegingsfactor van 50% voor dit type leningen
wordt toegepast op het grondgebied van de lidstaten die de wegingsfactor van
50% wel toestaan. De bevoegde
autoriteiten van de lidstaten kunnen hun kredietinstellingen toestaan een
wegingsfactor van 50% toe te passen op op 21 juli 2000 uitstaande leningen,
mits de in dit lid genoemde voorwaarden vervuld zijn. In dat geval wordt het
goed uiterlijk 21 juli 2003 volgens de bovengenoemde criteria gewaardeerd. Op vóór 31
december 2006 toegekende leningen blijft de wegingsfactor van 50% van
toepassing tot de vervaldag als de kredietinstelling verplicht is de
contractuele bedingen na te komen. Tot en met 31
december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun kredietinstellingen
tevens toestaan een wegingsfactor van 50% toe te passen op het gedeelte van
leningen dat ten genoegen van deze autoriteiten geheel en volledig gedekt is
door aandelen in Finse huisvestingsmaatschappijen die onder de Finse
huisvestingswet van 1991 of soortgelijke wetgeving van latere datum vallen,
mits aan de in dit lid gestelde voorwaarden is voldaan. De lidstaten
brengen ter kennis van de Commissie hoe zij de bepalingen van dit lid
toepassen. 2. De lidstaten
kunnen een wegingsfactor van 50% toepassen bij transacties inzake
onroerendgoedleasing die vóór 31 december 2006 worden gesloten en betrekking
hebben op voor beroepsdoeleinden bestemde goederen die in het land van de zetel
gelegen zijn en waarop wettelijke bepalingen van toepassing zijn krachtens
welke de «lessor» de volledige eigendom van het gehuurde goed behoudt zolang de
huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend. De lidstaten brengen ter kennis
van de Commissie hoe zij de bepalingen van dit lid toepassen. 3. Artikel 43,
lid 3, laat onverlet de erkenning door de bevoegde autoriteiten van bilaterale
schuldvernieuwingscontracten die zijn gesloten, in het geval van: –
België, vóór 23
april 1996, –
Denemarken,
vóór 1 juni 1996, –
Duitsland, vóór
30 oktober 1996, –
Griekenland,
vóór 27 maart 1997, –
Spanje, vóór 7
januari 1997, –
Frankrijk, vóór
30 mei 1996, –
Ierland, vóór
27 juni 1996, –
Italië, vóór 30
juli 1996, –
Luxemburg, vóór
29 mei 1996, –
Nederland, vóór
1 juli 1996, –
Oostenrijk,
vóór 30 december 1996, –
Portugal, vóór
15 januari 1997, –
Finland, vóór
21 augustus 1996, –
Zweden, vóór 1
juni 1996, en –
het Verenigd
Koninkrijk, vóór 30 april 1996. Artikel 63 Overgangsbepalingen
met betrekking tot artikel 47 1.
Kredietinstellingen waarvan de minimumratio op 1 januari 1991 de in artikel 47,
lid 1, voorgeschreven 8% niet bereikte, moeten geleidelijk in opeenvolgende
fasen naar dit niveau toewerken. Zolang deze doelstelling niet is bereikt,
mogen zij de ratio niet onder het in de betreffende fase bereikte niveau laten
dalen. Indien een dergelijke fluctuatie zich toch voordoet, moet die van
tijdelijke aard zijn en de reden ervoor moet aan de bevoegde autoriteiten
worden meegedeeld. ê 2000/12/EG
artikel 62, leden 2 en 3 (aangepast) 2. Gedurende een periode
van maximaal vijf jaar vanaf 1 januari 1993 mogen de lidstaten de wegingsfactor
van 10% toepassen op de obligaties bedoeld in artikel 22, lid 4, van Richtlijn
85/611/EEG en, indien zij zulks nodig achten, voor de kredietinstellingen
handhaven, om een ernstige verstoring van de werking van hun markten te voorkomen.
Deze uitzonderingen worden aan de Commissie gemeld. 3. Gedurende een periode
van ten hoogste zeven jaar vanaf 1 januari 1993 is artikel 47, lid 1, niet van
toepassing op de Griekse Bank voor Landbouwkrediet. Deze instelling moet
evenwel in opeenvolgende fasen, volgens de in het onderhavige artikel, lid 1,
omschreven methode, naar het in artikel 47, lid 1, voorgeschreven niveau
toewerken. ê 2000/12/EG
(aangepast) è1 2004/xx/EG
artikel 3, punt 13 Artikel 64 Overgangsbepalingen
met betrekking tot artikel 49 1. Indien op 5 februari
1993 een kredietinstelling reeds een risico of risico's had aangegaan dat of
die de voor grote risico's geldende grenswaarden of de grenswaarde voor het
totaal der grote risico's, als bepaald in artikel 49, overschreed of
overschreden, verlangen de bevoegde autoriteiten dat de betrokken
kredietinstelling de nodige maatregelen neemt om het betrokken risico of de
betrokken risico's te verlagen tot het niveau dat in artikel 49 is bepaald. 2. De wijze waarop
het risico of de risico's tot het toegestane niveau wordt of worden verlaagd,
wordt uitgewerkt, goedgekeurd, toegepast en voltooid binnen de termijn die de
bevoegde autoriteiten in overeenstemming achten met het beginsel van gezonde
bedrijfsvoering en eerlijke concurrentie. De bevoegde autoriteiten stellen de
Commissie en è1 Europees Comité voor het bankwezen ç in kennis van het tijdschema voor de gehanteerde algemene
werkwijze. 3. Een kredietinstelling
mag geen maatregelen nemen die tot gevolg zouden hebben dat de in lid 1
bedoelde risico's de waarde overschrijden die zij op 5 februari 1993 hadden. 4. De in lid 2 bedoelde
termijn loopt uiterlijk op 31 december 2001 af. Risico's met een langere
looptijd waarvoor de contractvoorwaarden door de leningverstrekkende instelling
moeten worden nageleefd, mogen echter tot het verstrijken van die looptijd
worden voortgezet. ê 2000/12/EG
artikel 64, leden 5 tot en met 7 (nieuw) è1 2004/xx/EG
artikel 3, punt 13 5. Tot en met 31 december 1998 beschikken de lidstaten over de
mogelijkheid de in artikel 49, lid 1, gestelde grenswaarde tot 40% en de in
artikel 49, lid 2, gestelde grenswaarde tot 30% te verhogen. Onverminderd de
leden 1, 2, 3 en 4, loopt de termijn om de bij het verstrijken van deze periode
bestaande risico's tot de in artikel 49 bedoelde niveaus terug te brengen, in
dat geval op 31 december 2001 af. 6. Uitsluitend voor kredietinstellingen waarvan het eigen vermogen niet
meer dan 7 miljoen EUR bedraagt, mogen de lidstaten de in lid 5 bedoelde
termijnen met vijf jaar verlengen. De lidstaten die van de in dit lid vervatte
mogelijkheid gebruikmaken, nemen maatregelen om concurrentievervalsing te
voorkomen en stellen de Commissie en het è1Europees Comité voor het bankwezen ç daarvan in kennis. 7. In de in de leden 5 en 6 bedoelde gevallen kan een risico als groot
worden beschouwd indien de waarde ervan ten minste 15% van het eigen vermogen
bedraagt. ê 2000/12/EG artikel
64, lid 8 (aangepast) 8. Tot en met 31
december 2001 kunnen de lidstaten de frequentie van de in artikel 48, lid 2,
tweede streepje, bedoelde melding van grote risico's wijzigen in ten minste
twee keer per jaar. ê 2000/12/EG
artikel 64, lid 9 9. De lidstaten kunnen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van
artikel 49, leden 1, 2 en 3, uitsluiten de door een kredietinstelling aangegane
risico's die bestaan uit hypothecaire leningen als omschreven in artikel 62,
lid 1, die zijn gesloten vóór 1 januari 2002, alsmede transacties inzake
financieringshuur van onroerende goederen als omschreven in artikel 62, lid 2,
die zijn gesloten vóór 1 januari 2002, een en ander tot 50% van de waarde van
het betrokken onroerend goed. Dezelfde behandeling geldt voor leningen die ten genoegen van de
bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor
de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de
woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving, die gelijk
zijn aan de in de eerste alinea bedoelde hypothecaire leningen. ê 2000/12/EG
artikel 65 (aangepast) Artikel 65 Overgangsbepalingen
met betrekking tot artikel 51 Kredietinstellingen die
op 1 januari 1993 de in artikel 51, leden 1 en 2, vastgestelde limieten
overschreden, beschikken, te rekenen vanaf deze datum, over een termijn tot 1
januari 2003 om zich ernaar te voegen. ò nieuw Artikel 152 1. Een
kredietinstelling die de risicogewogen posten op basis van de artikelen 84 tot
en met 89 berekent of die voor de berekening van haar kapitaalvereisten voor
het operationeel risico de in artikel 105 bedoelde geavanceerde meetbenadering
hanteert, houdt in de eerste, tweede en derde periode van twaalf maanden na de
in artikel 157 genoemde datum een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk
is aan of hoger is dan de in de leden 2, 3 en 4 genoemde bedragen. 2. Voor de
eerste periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan
eigen vermogen overeen met 95% van het bedrag dat de kredietinstelling
ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen zou
moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden
gehouden omdat deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG al bestonden vóór de in
artikel 157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum. 3. Voor de
tweede periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan
eigen vermogen overeen met 90% van het bedrag dat de kredietinstelling
ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen zou
moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden
gehouden omdat deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG al bestonden vóór de in
artikel 157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum. 4. Voor de
derde periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen
vermogen overeen met 80% van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge
artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen zou moeten
aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden
omdat deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG al bestonden vóór de in artikel
157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum. 5. Om te
voldoen aan de leden 1 tot en met 4 wordt uitgegaan van bedragen aan eigen
vermogen die volledig zijn aangepast, dit om rekening te houden met verschillen
in de berekening van het eigen vermogen op basis van Richtlijn 2000/12/EG en op
basis van Richtlijn 93/6/EEG, die al bestonden vóór de in artikel 157 van de
onderhavige richtlijn genoemde datum en dus voorrang hebben op de
berekeningsvoorschriften van de onderhavige richtlijn, waarin de verwachte en
de niet-verwachte verliezen in het kader van de artikelen 84 tot en met 89
apart worden behandeld. 6. Op de
leden 1 tot en met 5 zijn de artikelen 68 tot en met 73 van toepassing. 7. Tot 31
december 2007 mogen de kredietinstellingen in plaats van de artikelen van titel
V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1, over de standaardbenadering de
artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG toepassen, omdat deze al
bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum. 8. Als
gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 genoemde mogelijkheid, geldt wat
Richtlijn 2000/12/EG betreft het volgende: a) de artikelen
42 tot en met 46 van die richtlijn zijn van toepassing omdat deze al bestonden
vóór de in artikel 157 genoemde datum; b) onder de term
"naar risico gewogen waarde" in artikel 42, lid 1, van die richtlijn
wordt verstaan: "risicogewogen post"; c) de op basis
van artikel 42, lid 2, van die richtlijn berekende bedragen worden beschouwd
als risicogewogen posten; d) kredietderivaten
worden onder "Volledig risico" opgenomen in de lijst van posten in
bijlage II van die richtlijn; e) de in artikel
43, lid 3, van die richtlijn bedoelde methoden gelden voor alle in bijlage IV
van die richtlijn genoemde afgeleide instrumenten, ongeacht of het daarbij om
balansposten of om posten buiten de balanstelling gaat; de op basis van die
bijlage berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten. 9. Als
gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid, geldt wat betreft
de vorderingen waarvoor de standaardbenadering wordt gevolgd, het volgende: a) titel V,
hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 2, over de inaanmerkingneming van
kredietrisicolimitering is niet van toepassing; b) de bevoegde
autoriteiten mogen titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 4, over de
behandeling van securitisaties buiten beschouwing laten; b) de volgende
voorschriften van bijlage XII over de verstrekking van informatie zijn niet van
toepassing: i) deel 2, punt
4, onder b); ii) deel 2, punt
6; iii) deel 2, punt
10. 10. Als
gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid, wordt het
kapitaalvereiste voor het operationele risico dat in artikel 75, onder e), is
vastgelegd, verlaagd met een bepaald percentage, dat wordt verkregen door de
waarde van de vorderingen van een kredietinstelling waarvoor op basis van deze
mogelijkheid risicogewogen posten worden berekend, te delen door de totale
waarde van haar vorderingen. 11. Als een
kredietinstelling gebruikmaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid en voor al
haar vorderingen risicogewogen posten berekent, mogen de artikelen 48 tot en
met 50 van Richtlijn 2000/12/EG over grote posities worden toegepast, omdat
deze al bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum. 12. Als
gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid, worden verwijzingen
naar de artikelen 46 tot en met 52 van de onderhavige richtlijn gelezen als verwijzingen
naar de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG, omdat deze al
bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum. Artikel 153 De bevoegde
autoriteiten van de lidstaten mogen tot 31 december 2012 ermee akkoord gaan dat
op posten die voortvloeien uit transacties inzake financieringshuur (leasing)
van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden op hun grondgebied en die
voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punt 51, bij de berekening van
risicogewogen posten een risicogewicht van 50% wordt toegepast en de punten 55
en 56 van bijlage VI, deel 1, niet in aanmerking worden genomen. Tot 31 december 2010
mogen de bevoegde autoriteiten, als voor de toepassing van bijlage VI het
gegarandeerde gedeelte van een achterstallige post moet worden bepaald, andere
zekerheden in aanmerking nemen dan die welke op grond van de artikelen 90 tot
en met 93 aanvaard mogen worden. Artikel 154 1. Artikel
84, leden 3 en 4, geldt vanaf 31 december 2009. 2. Tot
31 december 2010 ligt het risicogewogen gemiddelde LGD van alle vorderingen op
particulieren en kleine partijen waarvoor een woning in onderpand is gegeven en
de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, niet onder de 10%. 3. Tot
31 december 2017 mogen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat voor
bepaalde posities in aandelen die op 31 december 2007 worden gehouden, wordt
afgeweken van de IRB. De desbetreffende
positie wordt gemeten door het aantal aandelen op die datum te nemen en daarbij
eventueel een aantal aandelen op te tellen, mits deze toename een rechtstreeks
gevolg is van het bezit van deze aandelen en daarmee niet het belang in een
onderneming in portefeuille is uitgebreid. Als met een acquisitie
het belang in een bepaalde onderneming toeneemt, geldt de afwijking niet voor
het deel dat uitstijgt boven het oorspronkelijke belang. Evenmin geldt de
afwijking voor belangen waarvoor oorspronkelijk een afwijking gold, maar die
verkocht en daarna weer teruggekocht zijn. De kapitaalvereisten
voor posities in aandelen die onder deze overgangsbepaling vallen, worden
berekend op basis van titel V, deel 2, afdeling 3, onderafdeling 1. 4. Tot
31 december 2011 mogen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat voor
vorderingen op ondernemingen het aantal dagen vaststellen dat verstreken moet
zijn voordat er sprake is van wanbetaling; alle kredietinstellingen van de
desbetreffende lidstaat hanteren in het kader van de definitie van wanbetaling
in bijlage VII, deel 4, punt 44, dit aantal voor vorderingen op dergelijke
tegenpartijen die in dit land gevestigd zijn. Dit aantal bedraagt minimaal 90
dagen en kan afhankelijk van de lokale omstandigheden oplopen tot 180 dagen.
Voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die gevestigd zijn in een andere
lidstaat, ligt het aantal door de bevoegde autoriteiten vastgestelde dagen niet
hoger dan het door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat vastgestelde
aantal. 5. Wat
de in bijlage VII, deel 4, punt 66, genoemde waarnemingsperiode betreft, mogen
de lidstaten kredietinstellingen die de IRB hanteren en geen gebruik mogen
maken van eigen LGD-ramingen of omrekeningsfactoren, toestemming verlenen om
tot uiterlijk 31 december 2007 uit te gaan van gegevens die een periode van
twee jaar omspannen. Tot 31 december 2010 wordt deze periode elk jaar met één jaar
verlengd. 6. Wat
de in bijlage VII, deel 4, punten 71, 85 en 94, genoemde waarnemingsperiode
betreft, mogen de lidstaten kredietinstellingen die de IRB hanteren,
toestemming verlenen om tot uiterlijk 31 december 2007 uit te gaan van gegevens
die een periode van twee jaar omspannen. Tot 31 december 2010 wordt deze
periode elk jaar met één jaar verlengd. Artikel 155 Tot 31 december 2012 mogen de lidstaten bij
kredietinstellingen waarin de indicator voor de divisie handel en verkoop
("trading and sales") alleen al goed is voor ten minste 50% van de
som van alle indicatoren die op basis van bijlage X, deel 2, punten 1 tot en
met 8, voor de verschillende divisies worden berekend, een percentage van 15%
toepassen op de divisie "handel en verkoop". ê 2000/12/EG HOOFDSTUK 2 SLOTBEPALINGEN ò nieuw Artikel 156 De Commissie
onderzoekt in samenwerking met de lidstaten en rekening houdende met de
bijdrage van de Europese Centrale Bank op gezette tijden of de onderhavige
richtlijn als zodanig in combinatie met Richtlijn [93/6/EEG] van grote invloed
is op de conjuncturele cyclus, en gaat in het licht van dat onderzoek na of
maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn. Op basis van deze
analyse en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank
stelt zij om de twee jaar een verslag op, dat zo nodig vergezeld van passende
voorstellen wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Artikel 157 1. De
lidstaten dragen zorg voor vaststelling en bekendmaking uiterlijk 31 december
2006 van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te
voldoen aan de artikelen 4, 22, 57, 61, 62, 63, 64, 66, 68 tot en met 106, 108,
110 tot en met 115, 117 tot en met 119, 123 tot en met 127, 129 tot en met 132,
133, 136, 144 tot en met 149, 152 tot en met 155 en de bijlagen II, III, en V
tot en met XII. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede en zenden
ook een concordantietabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en
deze richtlijn toe. Onverminderd lid 2
passen zij die bepalingen vanaf 31 december 2006 toe. Wanneer de lidstaten die
bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële
bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt
tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn(en), gelden als
verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en
de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die
zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. 2. De
lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn
om te voldoen aan artikel 87, lid 9, en artikel 105 vanaf 31 december 2007 (een
eerdere of latere datum is niet toegestaan) toe. ê 2000/12/EG
artikel 66 (aangepast) Artikel 66 Informatie aan
de Commissie De lidstaten delen de Commissie de tekst mee
van alle belangrijke wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen Ö van intern
recht Õ die zij op het onder
deze richtlijn vallende gebied vaststellen. ê 2000/12/EG artikel
67 (aangepast) Artikel 158 1. De Richtlijnen
73/183/EEG, 77/780/EEG, 89/299/EEG, 89/646/EEG, 89/647/EEG, 92/30/EEG en
92/121/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage Ö XV Õ V, deel A, genoemde richtlijnen, Ö wordt Õ worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van
de lidstaten wat betreft de in bijlage Ö XV Õ V, deel B, opgenomen tijdslimieten voor de omzetting en
toepassing van de richtlijnen in nationaal recht. 2. Verwijzingen naar de ingetrokken
richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden
gelezen volgens het in bijlage Ö XVI Õ VI opgenomen concordantietabel. ê 2000/12/EG
artikel 68 (aangepast) Artikel 159 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de
twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad
van de Europese Ö Unie Õ Gemeenschappen. ê 2000/12/EG
artikel 69 (aangepast) Artikel 160 Geadresseerden Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, op […]. Voor
het Europees Parlement De
Voorzitter Voor
de Raad De
Voorzitter ê 2000/12/EG BIJLAGE I LIJST
VAN WERKZAAMHEDEN DIE ONDER DE WEDERZIJDSE ERKENNING VALLEN 1. In ontvangst nemen van deposito's of andere
terugbetaalbare gelden 2. Verstrekken van leningen, waaronder consumptieve kredieten, hypotheekleningen,
factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties
(voorschotten hierbij inbegrepen)[33] 3. Leasing 4. Betalingsverrichtingen 5. Uitgifte en beheer van betaalmiddelen
(creditcards, reischeques, kredietbrieven) 6. Verlenen van garanties en het stellen van
borgtochten 7. Handelingen voor eigen rekening van de
instelling of voor rekening van de cliënten, met betrekking tot: a) geldmarktinstrumenten (cheques,
wissels, depositocertificaten enz.) b) valuta's c) financiële futures en opties d) swaps en soortgelijke
financieringsinstrumenten e) effecten 8. Deelneming aan effectenemissies en
dienstverrichting in verband daarmee 9. Advisering aan ondernemingen inzake
kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden,
alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname
van ondernemingen 10. Bemiddeling op interbankmarkten 11. Vermogensbeheer en -advisering 12. Bewaarneming en beheer van effecten 13. Commerciële inlichtingen 14. Verhuur van safes ê 2004/39/EG
artikel 68 (aangepast) Wanneer wordt verwezen naar de financiële
instrumenten genoemd in Deel C van Bijlage I van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004
betreffende markten voor financiële instrumenten[34] vallen de
diensten en activiteiten genoemd in Deel A en Deel B van Bijlage I van die
richtlijn onder de wederzijdse erkenning overeenkomstig die richtlijn. ê 2000/12/EG BIJLAGE II ê 2000/12/EG
(aangepast) ð nieuw INDELING
VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING Volledig risico: –
Garanties met het karakter van kredietvervangingen –
ð Kredietderivaten ï –
Accepten –
Endossementen van wissels die niet de handtekening
van andere kredietinstellingen dragen –
Transacties met regres –
Onherroepelijke "stand by"-accreditieven
met het karakter van kredietvervangingen –
Activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende
koop op termijn zonder rugdekking –
Deposito's in de vorm van tussenswaps
("forward forward deposits") –
Onbetaald deel van niet volgestorte aandelen en effecten –
ð°Overeenkomsten inzake cessie en retrocessie
van activa in de zin van artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn
86/635/EEG ï –
Overige posten met een volledig risico Middelgroot risico: –
Verstrekte en geconfirmeerde documentaire kredieten
(zie ook middelgroot/laag risico) –
Garanties en borgtochten (met inbegrip van
inschrijvings- en uitvoeringsgaranties alsmede douane- en belastinggaranties)
en garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben –
Overeenkomsten inzake cessie
en retrocessie van activa in de zin van artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn
86/635/EEG –
Onherroepelijke "stand by"-accreditieven
die niet het karakter van kredietvervangingen hebben –
Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten
tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen
van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van meer
dan een jaar –
Note issuance facilities (NIF's) en Revolving
underwriting facilities (RUF's) –
Overige posten met een middelgroot risico ð waarvan de Commissie in kennis is
gesteld ï Middelgroot/laag risico: –
Documentaire kredieten met de onderliggende
zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties –
ð°Niet opgenomen kredietfaciliteiten
(overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten,
het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke
looptijd van een jaar of korter die niet te allen tijde onvoorwaardelijk zonder
opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor niet expliciet is bepaald dat
zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de
verminderde kredietwaardigheid van de debiteur ï –
Overige posten met een middelgroot/laag risico ð waarvan de Commissie in kennis is
gesteld ï Laag risico: –
Niet opgenomen
kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het
aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met
een oorspronkelijke looptijd van een jaar of korter of die te allen tijde
onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd ð Niet opgenomen kredietfaciliteiten
(overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten,
het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) die te allen tijde
onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor
expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd
op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur ï Aan particulieren en kleine partijen
toegekende kredietlijnen kunnen als onvoorwaardelijk opzegbaar worden beschouwd
als de kredietinstelling deze op grond van de voorwaarden, maar wel met
volledige inachtneming van hetgeen in het kader van de consumentenbeschermings-
en daarmee samenhangende wetgeving is toegestaan, mag opzeggen. –
Overige posten met een laag risico ð waarvan de Commissie in kennis is
gesteld ï De lidstaten verbinden zich ertoe de Commissie onmiddellijk ervan in
kennis te stellen wanneer zij ermee hebben ingestemd een nieuwe post buiten de
balanstelling op te nemen in een van de laatste streepjes bij iedere
risicocategorie. Deze post zal op communautair niveau definitief worden
ingedeeld wanneer de procedure van artikel 59 is voltooid. ê 2000/12/EG BIJLAGE III ê 2000/12/EG
(aangepast) ð nieuw BEHANDELING
VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING ð AFGELEIDE INSTRUMENTEN ï 1. KEUZE VAN DE METHODE Onder voorbehoud van toestemming van hun
bevoegde autoriteiten kunnen de kredietinstellingen één van de onderstaande methoden Ö in deze
bijlage Õ kiezen ter bepaling
van de kredietrisico's ð waarde van de posten ï die ð voortvloeien uit ï aan de in bijlage IV, punten 1 en
2, vermelde contracten verbonden zijn. Kredietinstellingen
die moeten voldoen aan artikel Ö artikel 33,
leden 1 en 2, Õ 6, lid 1, van Richtlijn 93/6/EEG[35],
moeten de hierna uiteengezette methode 1 Ö in deze
bijlage Õ gebruiken. Ter
bepaling van de kredietrisico's ð waarde van de posten die voortvloeien
uit ï die aan de in bijlage IV, punt 3,
vermelde contracten verbonden zijn, moeten alle
kredietinstellingen methode 1 Ö van deze
bijlage Õ gebruiken. ò nieuw Op contracten die op
erkende beurzen worden verhandeld, alsmede op valutacontracten (uitgezonderd
contracten betreffende goudtransacties) met een oorspronkelijke looptijd van
veertien kalenderdagen of minder hoeven de methoden van deze bijlage niet te
worden toegepast; de waarde van de daaruit voortvloeiende posten wordt op nul
gesteld. De bevoegde
autoriteiten kunnen toestaan dat de methoden van deze bijlage niet worden
toegepast op OTC-contracten en de waarde van de posten die daaruit voortvloeien
op nul stellen als de contracten worden gecleard door een clearinginstelling
die optreedt als de wettelijke tegenpartij, en alle deelnemers de vordering die
de clearinginstelling op hen heeft, dagelijks volledig met onderpand dekken en
daarmee protectie geven voor zowel de huidige vordering als de potentiële
toekomstige vordering. Het gestelde
onderpand moet: a) in aanmerking
komen voor een risicogewicht van 0%, b) bestaan uit
deposito´s in contanten bij de leningverstrekkende instelling, dan wel c) bestaan uit
depositocertificaten of vergelijkbare instrumenten die uitgegeven door en
gedeponeerd zijn bij deze instelling. De bevoegde
autoriteiten moeten zich ervan hebben overtuigd dat er geen gevaar bestaat dat
de gezamenlijke vorderingen van de clearinginstelling boven de marktwaarde van
het gestelde onderpand uitstijgen. ê 2000/12/EG
(aangepast) 2. METHODEN Methode 1: benadering gebaseerd op de
waardering tegen marktwaarde Stap a): voor het toekennen van de
actuele marktwaarde aan de contracten ("market to market") wordt de
actuele vervangingswaarde van alle contracten met een positieve waarde
verkregen. Stap b): teneinde een waarde te
bepalen voor de potentiële toekomstige kredietpositie[36],
wordt Ö met
uitzondering van op één valuta betrekking hebbende "floating
floating-renteswaps" waarvoor alleen de vervangingskosten worden
berekend Õ het totaal van de
theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden vermenigvuldigd met de Ö in tabel 1
genoemde Õ volgende percentages: TABEL 1[37][38] Resterende looptijd[39] || Rentecon-tracten || Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud || Contracten die betrekking hebben op aandelen || Contracten die betrekking hebben op andere edele metalen dan goud || Contracten die betrekking hebben op andere grondstoffen dan edele metalen Eén jaar of korter || 0% || 1% || 6% || 7% || 10% Eén tot vijf jaar || 0,5% || 5% || 8% || 7% || 12% Langer dan vijf jaar || 1,5% || 7,5% || 10% || 8% || 15% Om de potentiële toekomstige vordering volgens
stap b) te berekenen, kunnen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen tot
en met 31 december 2006 toestaan dat de volgende percentages worden toegepast
in plaats van die van tabel 1, op voorwaarde dat de instellingen voor
contracten in de zin van bijlage IV, punt 3, onder b) en c), gebruikmaken van de
mogelijkheid van Richtlijn 93/6/EEG, artikel 11 bis: TABEL 1 bis Resterende looptijd || Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Niet-duurzame (landbouw)pro-ducten ("softs") || Overige, inclusief energieproducten Eén jaar of korter || 2% || 2,5% || 3% || 4% Eén tot vijf jaar || 5% || 4% || 5% || 6% Langer dan vijf jaar || 7,5% || 8% || 9% || 10% ê 2000/12/EG
(aangepast) Stap c): de som van de actuele
vervangingswaarde en de potentiële toekomstige kredietpositie wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactor die in artikel
43 aan de betrokken tegenpartijen zijn toegekend. Ö is de waarde
van de post. Õ ê 2000/12/EG
(aangepast) Methode 2: benadering gebaseerd op de
"oorspronkelijke vordering" Stap a): de theoretische
hoofdsommen van ieder instrument worden vermenigvuldigd met de onderstaande Ö in tabel 2
genoemde Õ percentages: TABEL 2 Oorspronkelijke looptijd[40] || Rentecontracten || Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud Eén jaar of korter || 0,5% || 2% Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar || 1% || 5% Verhoging voor ieder jaar extra || 1% || 3% ê 2000/12/EG
(aangepast) ð nieuw Stap b): de aldus verkregen
oorspronkelijke vordering wordt vermenigvuldigd met de
risicowegingsfactoren die in artikel 43 aan de tegenpartijen zijn toegekend.
ð is de waarde van de post. ï Voor de methoden 1 en 2 geldt dat de
toezichthoudende autoriteiten ervoor moeten zorgen dat het in aanmerking te
nemen theoretische bedrag een geschikte maatstaf is voor het risico dat aan het
contract verbonden is. Indien bijvoorbeeld in het contract een
vermenigvuldiging van de kasstromen bepaald is, moet het theoretische bedrag
worden aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze
vermenigvuldiging voor de risicostructuur van het betrokken contract. ê 2000/12/EG
(aangepast) 3. CONTRACTUELE VERREKENING
(SCHULDVERNIEUWINGSCONTRACTEN EN VERREKENINGSOVEREENKOMSTEN) a) Vormen van verrekening die door de bevoegde
autoriteiten in aanmerking mogen worden genomen Voor de toepassing van dit
punt 3 Ö deze
afdeling Õ wordt onder
"tegenpartij" verstaan: elk lichaam (met inbegrip van natuurlijke
personen) dat bekwaam is een overeenkomst inzake contractuele verrekening te
sluiten. De bevoegde autoriteiten mogen de volgende
vormen van contractuele verrekening als risicoverminderend in aanmerking nemen: i) bilaterale
schuldvernieuwingscontracten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij,
krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen automatisch worden
verrekend, zodat deze schuldvernieuwing telkens wanneer schuldvernieuwing van
toepassing is, leidt tot de vaststelling van één nettobedrag, waardoor één
rechtens bindend nieuw contract ontstaat dat in de plaats van de vroegere
contracten treedt; ii) bilaterale
verrekeningsovereenkomsten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij. b) Voorwaarden voor de inaanmerkingneming De bevoegde autoriteiten mogen contractuele
verrekening slechts onder de volgende voorwaarden als risicoverminderend in
aanmerking nemen: i) de kredietinstelling heeft een
overeenkomst inzake contractuele verrekening met haar tegenpartij, waaruit één
enkele juridische verplichting ontstaat die alle onder die overeenkomst
vallende transacties bestrijkt, zodat als een tegenpartij ingevolge in gebreke
blijven, faillissement of liquidatie, dan wel andere soortgelijke
omstandigheden niet aan haar verplichtingen voldoet, de kredietinstelling
slechts een vordering tot ontvangst of een verplichting tot betaling heeft van
het nettobedrag van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve
waarden van de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties; ii) de kredietinstelling heeft aan de
bevoegde autoriteiten schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen
ter beschikking gesteld, volgens welke de bevoegde rechterlijke en bestuurlijke
autoriteiten, in geval van een geschil, zouden oordelen dat in de onder i)
beschreven gevallen de vorderingen en verplichtingen van de kredietinstelling
beperkt zijn tot het nettobedrag als omschreven onder i), krachtens: –
het recht van het rechtsgebied waarin de
tegenpartij haar statutaire zetel heeft en, indien het een buitenlands
bijkantoor van een onderneming betreft, tevens het recht van het rechtsgebied
waarin het bijkantoor is gevestigd; –
het recht dat van toepassing is op de afzonderlijke
onder de overeenkomst vallende transacties;,
en –
het recht dat van toepassing is op de eventuele
contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de
contractuele verrekening; iii) de kredietinstelling beschikt over
procedures die garanderen dat de rechtsgeldigheid van de door haar verrichte
contractuele verrekening voortdurend getoetst wordt aan eventuele wijzigingen
in het toepasselijke recht. De bevoegde autoriteiten moeten, indien nodig
na overleg met andere betrokken bevoegde autoriteiten, ervan overtuigd zijn dat
de contractuele verrekening krachtens het recht van alle betrokken
rechtsgebieden rechtsgeldig is. Indien een van deze bevoegde autoriteiten te
dien aanzien niet overtuigd is, zal de overeenkomst inzake contractuele
verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend in
aanmerking worden genomen. De bevoegde autoriteiten mogen met redenen
omklede juridische adviezen aanvaarden die per type contractuele verrekening
zijn opgesteld. Overeenkomsten welke een beding bevatten op
grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij slechts beperkte
betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke
zijnde partij kan verrichten, zelfs wanneer deze laatste partij een
nettocrediteur is ("afhaak"-beding ("walkaway clause")),
worden niet als risicoverminderend in aanmerking genomen. De bevoegde autoriteiten kunnen contractuele
verrekening ("netting") betreffende valutacontracten met een
oorspronkelijke looptijd van veertien kalenderdagen of minder, geschreven
opties of soortgelijke posten buiten de belangstelling waarop deze bijlage niet
van toepassing is omdat er slechts een te verwaarlozen of geen kredietrisico
aan verbonden is, als risicoverminderend in aanmerking nemen. Indien de
opneming van deze contracten in een ander verrekeningscontract, afhankelijk van
de positieve of negatieve marktwaarde ervan, kan leiden tot een verhoging of
verlaging van de kapitaalvereisten, moeten de bevoegde autoriteiten hun
kredietinstellingen verplichten een consistente behandeling toe te passen. c) Gevolgen van de inaanmerkingneming i) Schuldvernieuwingscontracten In plaats van de betreffende brutobedragen
mogen de nettobedragen die uit schuldvernieuwingscontracten resulteren, worden
gewogen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van methode 1 –
voor stap a): de actuele vervangingswaarde, en –
voor stap b): de theoretische hoofdsommen of de
onderliggende waarden worden berekend met inachtneming van het
schuldvernieuwingscontract. Bij toepassing van methode 2 kan voor stap a) de
theoretische hoofdsom worden berekend met inachtneming van het
schuldvernieuwingscontract; de percentages van tabel 2 zijn van toepassing. ii) Overige verrekeningsovereenkomsten Bij toepassing van methode 1 –
mag voor stap a) de actuele vervangingswaarde voor
contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden berekend door
de actuele hypothetische nettovervangingswaarde die uit de overeenkomst
resulteert in aanmerking te nemen; indien de verrekening ertoe leidt dat de
kredietinstelling die de nettovervangingswaarde berekent, een
nettobetalingsverplichting heeft, wordt de actuele vervangingswaarde op nul gesteld, –
mag voor stap b) het bedrag van de potentiële
toekomstige kredietpositie, voor alle contracten die onder een
verrekeningsovereenkomst vallen, worden verlaagd volgens de onderstaande
vergelijking: PKRverlaagd = 0,4 * PKRbruto +0,6 * NBR *
PKRbruto waarin: — || PKRverlaagd || = || het verlaagde bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen — || PKRbruto || = || de som van de bedragen van de potentiële toekomstige kredietposities van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen en worden berekend door de theoretische hoofdsommen ervan te vermenigvuldigen met de in tabel 1 vermelde percentages — || NBR || = || "netto/bruto-ratio": naar keuze van de toezichthoudende autoriteiten: i) afzonderlijke berekening: het quotiënt van de nettovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met een bepaalde tegenpartij vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met dezelfde tegenpartij vallen (noemer); ofwel ii) geaggregeerde berekening: het quotiënt van de som van de op bilaterale basis berekende nettovervangingswaarde met betrekking tot alle tegenpartijen, rekening houdend met de contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (noemer). Indien de lidstaten kredietinstellingen toestaan tussen de methoden te kiezen, moet de gekozen methode consistent gebruikt worden. Voor de berekening van de potentiële
toekomstige kredietpositie volgens bovenstaande formule mogen onder de
verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd
als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de
netto-opbrengsten. Perfect matchende contracten zijn valutatermijncontracten of
soortgelijke contracten waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de
kasstromen, indien de kasstromen op dezelfde datum vervallen en geheel of
gedeeltelijk in dezelfde valuta luiden. Bij toepassing van methode 2 mogen voor stap
a): –
onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect
matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de
theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten; de theoretische
hoofdsommen worden vermenigvuldigd met de in tabel 2 vermelde percentages; –
voor alle overige contracten die onder een
verrekeningsovereenkomst vallen, de toe te passen percentages worden verlaagd
overeenkomstig tabel 3: TABEL 3 Oorspronkelijke looptijd[41] || Rentecontracten || Valutacontracten Eén jaar of korter || 0,35% || 1,50% Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar || 0,75% || 3,75% Verhoging voor ieder jaar extra || 0,75% || 2,25% ê 2000/12/EG BIJLAGE IV ê 2000/12/EG
(aangepast) ð nieuw CATEGORIEËN POSTEN
BUITEN DE BALANSTELLING ð DERIVATEN ï ê 2000/12/EG
(aangepast) 1. Rentecontracten: a) Renteswaps die betrekking hebben op
één valuta b) Basisswaps c) Rentetermijncontracten (FRA's) d) Rentefutures e) Gekochte renteopties f) Andere contracten van gelijke aard 2. Contracten die betrekking hebben op
wisselkoersen of goud: a) Cross-currency renteswaps b) Valutatermijncontracten c) Valutafutures d) Gekochte valutaopties e) Andere contracten van gelijke aard f) Contracten die betrekking hebben op
goud en van gelijke aard zijn als de contracten onder a) tot en met e) 3. Contracten die van gelijke aard zijn als
die in punt 1, onder a) tot en met e), en punt 2, onder a) tot en met d), die
betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices die betrekking
hebben op: a) aandelen b) edele metalen met uitzondering van
goud c) andere grondstoffen dan edele
metalen d) andere contracten van gelijke aard.
Stap b): teneinde een waarde te bepalen voor het
potentiële toekomstige kredietrisico[42]
wordt het totaal van de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden
vermenigvuldigd met de volgende percentages: é ò nieuw BIJLAGE V TOT
EN MET XII [OMISSIS] ò nieuw BIJLAGE XIII DEEL A INGETROKKEN
RICHTLIJNEN MET DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN OP DIE RICHTLIJNEN (bedoeld in
artikel 158) Richtlijn 2000/12/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang
tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen Richtlijn 2000/28/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de
toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen Richtlijn 2002/87/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het
aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en
beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de
Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG
van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad (alleen artikel 29, punt
1, onder a) en b), artikel 29, punt 2, artikel 29, punt 4, onder a) en b),
artikel 29, punten 5 en 6, artikel 29, punt 7, onder a) en b), artikel 29,
punten 8 tot en met 11) Richtlijn 2004/39/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten
voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en
93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en
de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (alleen artikel 68) Richtlijn 2004/69/EG
van de Commissie van 27 april 2004 tot wijziging van Richtlijn°2000/12/EG van
het Europees Parlement en de Raad wat de definitie van "multilaterale
ontwikkelingsbanken" betreft (Voor de EER relevante tekst) Richtlijn 2004/39/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van de
Richtlijnen 73/239/EEG, 85/611/EEG, 91/675/EEG, 92/49/EEG, 93/6/EEG en 94/19/EG
van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG, 2000/12/EG, 2001/34/EG, 2002/83/EG
en 2002/87/EG met het oog op de instelling van een nieuwe comitéstructuur voor
financiële diensten (alleen artikel 3) NIET-INGETROKKEN
WIJZIGINGEN Akte van toetreding van
2003 DEEL B TIJDSLIMIETEN
VOOR OMZETTING IN NATIONAAL RECHT (bedoeld in
artikel 159) Richtlijn || || Uiterste datum voor omzetting Richtlijn 2000/12/EG || || ----- Richtlijn 2000/28/EG || || 27.4.2002 Richtlijn 2002/87/EG || || 11.8.2004 Richtlijn 2004/39/EG || || Nog niet bekend Richtlijn 2004/69/EG || || 30.6.2004 Richtlijn 2004/xx/EG || || Nog niet bekend BIJLAGE XIV CONCORDANTIETABEL Onderhavige richtlijn || Richtlijn 2000/12/EG || Richtlijn 2000/28/EG || Richtlijn 2001/87/EG || Richtlijn 2004/69/EG || Richtlijn 2004/xx/EG Artikel 1 || Art. 2, leden 1 en 2 || || || || Artikel 2, lid 1 || Artikel 2, lid 3 Akte van Toetreding || || || || Artikel 2, lid 2 || Artikel 2, lid 4 || || || || Artikel 3 || Artikel 2, leden 5 en 6 || || || || Artikel 3, lid 1, laatste zin || || || || || Artikel 3, punt 2 Artikel 4.1, lid 1 || Artikel 1, lid 1 || || || || Artikel 4.1, leden 2, tot en met 5 || || Artikel 1, leden 2 tot en met 5 || || || Artikel 4.1, leden 7 tot en met 9 || || Artikel 1, leden 6 tot en met 8 || || || Artikel 4.1, lid 10 || || || Artikel 29, punt 1, onder a) || || Artikel 4.1, leden 11 tot en met 14 || Artikel 1, leden 10, 12 en 13 || || || || Artikel 4.1, leden 21 en 22 || || || Artikel 29, punt 1, onder b) || || Artikel 4.1, lid 23 || Artikel 1, lid 23 || || || || Artikel 4.1, leden 45 tot en met 47 || Artikel 1, leden 25 tot en met 27 || || || || Artikel 4.2 || Artikel 1, lid 1, tweede alinea || || || || Artikel 5 || Artikel 3 || || || || Artikel 6 || Artikel 4 || || || || Artikel 7 || Artikel 8 || || || || Artikel 8 || Artikel 9 || || || || Artikel 9, lid 1 || Artikel 5, lid 1, en 1, lid 11 || || || || Artikel 9, lid 2 || Artikel 5, lid 2 || || || || Artikel 10 || Artikel 5, leden 3 tot en met 7 || || || || Artikel 11 || Artikel 6 || || || || Artikel 12 || Artikel 7 || || || || Artikel 13 || Artikel 10 || || || || Artikel 14 || Artikel 11 || || || || Artikel 15, lid 1 || Artikel 12 || || || || Artikel 15, leden 2 en 3 || || || Artikel 29, punt 2 || || Artikel 16 || Artikel 13 || || || || Artikel 17 || Artikel 14 || || || || Artikel 18 || Artikel 15 || || || || Artikel 19, lid 1 || Artikel 16, lid 1 || || || || Artikel 19, lid 2 || || || Artikel 29, punt 3 || || Artikel 20 || Art. 16, lid 3 || || || || Artikel 21 || Artikel 16, leden 4 tot en met 6 || || || || Artikel 22 || Artikel 17 || || || || Artikel 23 || Artikel 18 || || || || Artikel 24, lid 1 || Artikel 19 leden 1 tot en met 3 || || || || Artikel 24, lid 2 || Artikel 19 lid 6 || || || || Artikel 24, lid 3 || Artikel 19, lid 4 || || || || Artikel 25, leden 1 tot en met 3 || Artikel 20, leden 1 tot en met 3, eerste en tweede alinea || || || || Artikel 25, lid 3 || Artikel 19, lid 5 || || || || Artikel 25, lid 4 || Artikel 20, lid 3, derde alinea || || || || Artikel 26 || Artikel 20, leden 4 tot en met 7 || || || || Artikel 27 || Artikel 1, lid 3, laatste zin || || || || Artikel 28 || Artikel 21 || || || || Artikel 29 || Artikel 22 || || || || Artikel 30 || Art. 22, leden 2 tot en met 4 || || || || Artikel 31 || Artikel 22, lid 5 || || || || Artikel 32 || Artikel 22, lid 6 || || || || Artikel 33 || Artikel 22, lid 7 || || || || Artikel 34 || Artikel 22, lid 8 || || || || Artikel 35 || Artikel 22, lid 9 || || || || Artikel 36 || Artikel 22, lid 10 || || || || Artikel 37 || Artikel 22, lid 11 || || || || Artikel 38 || Artikel 24 || || || || Artikel 39, leden 1 en 2 || Artikel 25 || || || || Artikel 39, lid 2 || || || || || Artikel 3, punt 8 Artikel 40 || Artikel 26 || || || || Artikel 41 || Artikel 27 || || || || Artikel 42 || Artikel 28 || || || || Artikel 43 || Artikel 29 || || || || Artikel 44 || Artikel 30, leden 1 tot en met 3 || || || || Artikel 45 || Artikel 30, lid 4 || || || || Artikel 46 || Artikel 30, lid 3 || || || || Artikel 47 || Artikel 30, lid 5 || || || || Artikel 48 || Artikel 30, leden 6 en 7 || || || || Artikel 49 || Artikel 30, lid 8 || || || || Artikel 50 || Artikel 30, lid 9, eerste en tweede alinea || || || || Artikel 51 || Artikel 30, lid 9, derde alinea || || || || Artikel 52 || Artikel 30, lid 10 || || || || Artikel 53 || Artikel 31 || || || || Artikel 54 || Artikel 32 || || || || Artikel 55 || Artikel 33 || || || || Artikel 56 || Artikel 34, lid 1 || || || || Artikel 57 || Artikel 34, lid 2, eerste alinea Artikel 34, lid 1, punt 2, laatste zin || || Artikel 29, punt 4, onder a) || || Artikel 58 || || || Artikel 29, punt 4, onder b) || || Artikel 59 || || || Artikel 29, punt 4, onder b) || || Artikel 60 || || || Artikel 29, punt 4, onder b) || || Artikel 61 || Artikel 34, leden 3 en 4 || || || || Artikel 63 || Artikel 35 || || || || Artikel 64 || Artikel 36 || || || || Artikel 65 || Artikel 37 || || || || Artikel 66, leden 1 en 2 || Artikel 38, leden 1 en 2 || || || || Artikel 67 || Artikel 39 || || || || Artikel 73 || Artikel 52, lid 3 || || || || Artikel 106 || Artikel 1, lid 24 || || || || Artikel 107 || Artikel 1, lid 1, derde alinea || || || || Artikel 108 || Artikel 48, lid 1 || || || || Artikel 109 || Artikel 48, lid 4, eerste alinea || || || || Artikel 110 || Artikel 48, leden 2 tot en met 4, tweede alinea || || || || Artikel 111 || Artikel 49, leden 1 tot en met 5 || || || || Artikel 113, leden 1 tot en met 3 || Artikel 49, leden 4, 6 en 7 || || || || Artikel 115, leden 1 en 2 || Artikel 49, leden 8 en 9 || || || || Artikel 116 || Artikel 49, lid 10 || || || || Artikel 117 || Artikel 49, lid 11 || || || || Artikel 118 || Artikel 50 || || || || Artikel 120 || Artikel 51, leden 1, 2 en 5 || || || || Artikel 121 || Artikel 51, lid 4 || || || || Artikel 122, leden 1 en 2 || Artikel 51, lid 6 || || Artikel 29, lid 5 || || Artikel 125 || Artikel 53, leden 1 en 2 || || || || Artikel 126 || Artikel 53, lid 3 || || || || Artikel 128 || Artikel 53, lid 5 || || || || Artikel 133, lid 1 || Artikel 54, lid 1 || || Artikel 29, lid 7, onder a) || || Artikel 133, leden 2 en 3 || Artikel 54, leden 2 en 3 || || || || Artikel 134, lid 1 || Artikel 54, lid 4, eerste alinea || || || || Artikel134, lid 2 || Artikel 54, lid 4, tweede alinea || || || || Artikel 135 || || || Artikel 29, lid 8 || || Artikel 137 || Artikel 55, leden 1 en 2 || || || || Artikel 138 || || || Art. 29, lid 9 || || Artikel 139 || Artikel 56, leden 1 tot en met 3 || || || || Artikel 140 || Artikel 56, leden 4 tot en met 6 || || || || Artikel 141 || Artikel 56, lid 7 || || Artikel 29, lid 10 || || Artikel 142 || Artikel 56, lid 8 || || || || Artikel 143 || || || Artikel 29, lid 11 || || Artikel 3, punt 10 Artikel 150 || Artikel 60, lid 1 || || || || Artikel 151 || Artikel 60, lid 2 || || || || Artikel 3, punt 10 Artikel 158 || Artikel 67 || || || || Artikel 159 || Artikel 68 || || || || Artikel 160 || Artikel 69 || || || || Bijlage I || Bijlage I || || || || Bijlage I, laatste zin || || || || Artikel 68 || Bijlage II || Bijlage II || || || || Bijlage III || Bijlage III || || || || Bijlage IV || Bijlage IV || || || || [1] Het Bazelse Comité voor het bankentoezicht is opgericht
door de presidenten van de centrale banken van de landen van de Groep van Tien
(G-10). Het bestaat uit vertegenwoordigers van de autoriteit die
verantwoordelijk is voor het bedrijfseconomische toezicht op banken uit de
volgende landen: België, Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan,
Luxemburg, Nederland, Spanje, Zweden, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en
de Verenigde Staten. Evenals de Europese Centrale Bank neemt de Europese
Commissie als waarnemer deel aan de vergaderingen van het comité. [2] Hoewel dit door de autoriteiten van de G-10 van
geïndustrialiseerde landen gesloten akkoord uit 1988 formeel bedoeld was voor
internationaal opererende banken, is het in gehele wereld toegepast op alle
banken, ongeacht de omvang of complexiteit van de werkzaamheden ervan. [3] PB S 167 van 29.8.2002. [4] Beschikbaar
op de website van de Commissie: http://europa.eu.int/comm/internal_market/regcapital/index_en.htm. [5] PB C 157
van 25.5.1998, blz. 13 Ö […] Õ . [6] Advies van het Europees
Parlement van 18 januari 2000 (nog niet verschenen in het
Publicatieblad) Ö […] Õ en besluit van de
Raad van 13 maart 2000 (nog niet verschenen in het
Publicatieblad) Ö […] Õ. [7] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [8] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [9] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [10] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [11] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [12] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [13] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003. [14] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk
gewijzigd bij Richtlijn 2004/xx/EG (PB L […]). [15] PB L 3 van 7.1.2004, blz. 28. [16] PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1. [17] PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn
2003/51/EG (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16). [18] PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1. [19] Ö PB L 184 van
17.7.1999, blz. 23. Õ [20] PB L 275 van 27.10.2000, blz. 39. [21] PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1. [22] PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. [23] PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1. [24] Richtlijn
88/627/EEG van de Raad van 12 december 1988 betreffende de gegevens die moeten
worden gepubliceerd bij verwerving en bij overdracht van een belangrijke
deelneming in een ter beurze genoteerde vennootschap (PB L 348 van 17.12.1988,
blz. 62). [25] PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1. [26] PB L 126 van 12.5.1984, blz. 20. [27] PB L 222 van 14.8.1978. Richtlijn
laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/60/EG (PB L 162 van 26.6.1999, blz.
65). [28] PB L 375 van 31.12.1985. Richtlijn
laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7). [29] Ö PB L 228 van
16.8.1973, blz. 3. Õ [30] Ö PB L 63 van
13.3.1979, blz. 1. Õ [31] PB L 330 van 5.12.1998, blz. 1. [32] Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993
betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in
effecten (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij
Richtlijn 97/9/EG (PB L 84 van 26.03.1997, blz. 22). [33] Hierbij met name
inbegrepen: consumptieve kredieten, hypotheekleningen, factoring, met of zonder
regres, financiering van commerciële transacties (voorschotten hierbij
inbegrepen). [34] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. [35] Richtlijn
93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PB L 141 van 11.6.1993, blz.
1). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG (PB L 204 van 21.7.1998, blz.
29). [36] Met
uitzondering van op één valuta betrekking hebbende «floating
floating-renteswaps» waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend. [37] Contracten die niet tot een van de
in de tabel vermelde vijf categorieën behoren, moeten worden behandeld als
contracten die betrekking hebben op andere goederen dan edele metalen. [38] Voor contracten waarbij de
hoofdsom meer dan eens wordt betaald, moeten de percentages worden
vermenigvuldigd met het resterende aantal betalingen dat volgens het contract
nog moet worden verricht. [39] Voor contracten die gestructureerd
zijn om na gespecificeerde betalingsdata de risicopositie af te wikkelen en
waarvan de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van het
contract op deze gespecificeerde data nihil is, is de resterende looptijd
gelijk aan de periode tot de volgende herzieningsdatum. In het geval van
rentecontracten die aan deze criteria voldoen en een resterende looptijd van
meer dan één jaar hebben, mag het percentage niet lager zijn dan 0,5%. [40] In het geval van rentecontracten
kunnen kredietinstellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten,
voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen. [41] In het geval van rentecontracten
kunnen kredietinstellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten,
voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen. [42] Met
uitzondering van op één valuta betrekking hebbende «floating
floating-renteswaps» waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend. NL || COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.7.2004 COM(2004) 486 definitief 2004/0155 (COD)
2004/0159 (COD)
Deel II Voorstel voor RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD waarbij Richtlijn 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG
van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen worden herschikt (ingediend door de Commissie)
{SEC(2004) 921} ê 93/6/EEG
(aangepast) 2004/0159 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN Ö HET EUROPEES
PARLEMENT EN Õ DE RAAD inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) Ö HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Õ Gelet op het Verdrag tot oprichting van de
Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op
artikel 57 Ö 47 Õ , lid 2, eerste en derde zin, Gezien het voorstel van de Commissie[1] In samenwerking met het Europees Parlement[2], Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[3] Ö Gezien het
advies van het Comité van de regio’s[4], Õ Ö Volgens de
procedure van artikel 251 van het Verdrag[5], Õ Overwegende hetgeen volgt: ò nieuw (1)
Richtlijn 93/6/EEG van
de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen[6] is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd.
Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid
tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan; ê 93/6/EEG
overweging 1 (aangepast) (2)
Overwegende
dat het hoofddoel Ö Een van de
doelstellingen Õ van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het
verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten[7] Ö 2004/39/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten
voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en
93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en
de Raad[8] en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad[9] Õ is,
beleggingsondernemingen waaraan door de bevoegde autoriteiten van hun lid-staat van herkomst vergunning is verleend en
waarop door deze autoriteiten toezicht wordt gehouden, toe te staan in andere
lidstaten bijkantoren te vestigen en daar vrij diensten te verrichten;. dat Genoemde
richtlijn voorziet derhalve in coördinatie van de regels betreffende de
vergunningverlening aan en de bedrijfsvoering van beleggingsondernemingen;. ê 93/6/EEG
overweging 2 (aangepast) (3)
Overwegende
dat iIn genoemde richtlijn worden echter geen gemeenschappelijke
voorschriften voor het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en evenmin
bedragen voor het aanvangskapitaal van dergelijke ondernemingen worden vastgesteld;, Ö noch Õ dat zij ook geen gemeenschappelijk kader biedt voor de bewaking van de risico's die deze
ondernemingen lopen;. dat zij wel, in
verscheidene bepalingen, naar een ander communautair initiatief verwijst, dat
juist strekt tot het nemen van gecoördineerde maatregelen op deze gebieden; ê 93/6/EEG
overweging 3 (aangepast) (4)
Overwegende
dat de gevolgde benadering
erin bestaat Ö Het is
dienstig Õ alleen de essentiële
harmonisatie tot stand te brengen welke noodzakelijk en voldoende is om de
wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van
bedrijfseconomisch toezicht tot stand te brengen;. dat het nemen van Ö Om wederzijdse
erkenning in het kader van de interne financiële markt te bereiken,
moeten Õ maatregelen Ö worden
genomen Õ tot coördinatie van
de definitie van het eigen vermogen van beleggingsondernemingen, de
vaststelling van de bedragen van het aanvangskapitaal en van een
gemeenschappelijk kader voor de bewaking van de risico's die
beleggingsondernemingen lopen, essentiële punten vormen
van de harmonisatie die nodig is voor het bereiken van wederzijdse erkenning in
het kader van de interne financiële markt;. ò nieuw (5)
Aangezien het doel van
het voorgenomen optreden niet voldoende door de lidstaten kan worden
verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen
optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap
maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat in
artikel 5 van het Verdrag is neergelegd. Overeenkomstig het in
dat artikel vervatte proportionaliteitsbeginsel, beperkt deze richtlijn zich
tot het minimum dat vereist is om de doelstellingen te verwezenlijken en gaat
zij niet verder dan wat daartoe strikt noodzakelijk is. ê 93/6/EEG
overweging 4 (6)
Overwegende
dat hHet is passend is voor het aanvangskapitaal verschillende
bedragen vast te stellen naar gelang van de werkzaamheden waarvoor
beleggingsondernemingen vergunning hebben verkregen;. ê 93/6/EEG
overweging 5 (aangepast) (7)
Overwegende
dat rReeds bestaande beleggingsondernemingen moet
onder bepaalde voorwaarden moet worden
toegestaan hun bedrijf voort te zetten, ook indien zij niet aan het voor nieuwe
Ö beleggings Õondernemingen vastgestelde
minimumvereiste inzake aanvangskapitaal voldoen;. ê 93/6/EEG
overweging 6 (aangepast) (8)
Overwegende
dat dDe lidstaten Ö moet worden
toegestaan Õ ook stringentere regels dan die van deze richtlijn mogen vast te
stellen;. ê 93/6/EEG
overweging 7 (aangepast) Overwegende dat deze
richtlijn deel uitmaakt van het bredere internationale streven naar onderlinge
aanpassing van de geldende regels met betrekking tot het toezicht op
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (hierna te zamen instellingen te
noemen); ò nieuw (9)
De harmonische werking
van de interne markt vereist, naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige
samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en aanzienlijk
grotere convergentie van hun regelgevende en toezichthoudende praktijk. ê 93/6/EEG
overweging 8 (aangepast) Overwegende dat
gemeenschappelijke basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van
instellingen een centraal element vormen van de interne markt in de sector
beleggingsdiensten, omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit
van de instellingen te waarborgen en de beleggers te beschermen; ò nieuw (10)
Aangezien
beleggingsondernemingen wat hun handelsportefeuille betreft dezelfde risico’s
lopen als kredietinstellingen, dienen de relevante bepalingen van Richtlijn
2000/12/EG ook op beleggingsondernemingen van toepassing te zijn. ê 93/6/EEG
overweging 9 (aangepast) ð nieuw (11)
Overwegende
dat de instellingen op een gemeenschappelijke financiële markt, ongeacht of dit
ð Het eigen vermogen van ï beleggingsondernemingen of kredietinstellingen, ð (hierna tezamen instellingen te
noemen), kan dienen tot dekking van verliezen waartegenover geen te verwachten
winst van voldoende omvang staat om de continuïteit van de instellingen te
waarborgen en de beleggers te beschermen. Het eigen vermogen wordt tevens door
de bevoegde autoriteiten als een belangrijke maatstaf aangelegd, inzonderheid
voor de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen en voor andere
toezichtsdoeleinden. Bovendien concurreren instellingen, ongeacht of dit
beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zijn, op een gemeenschappelijke
markt rechtstreeks met elkaar. Het is derhalve passend om, teneinde het financieel
systeem van de Gemeenschap sterker te maken en verstoring van de
mededingingsvoorwaarden te voorkomen, gemeenschappelijke basisvoorschriften
inzake het eigen vermogen vast te stellen. ï ê 93/6/EEG
overweging 10 (aangepast) Overwegende dat het
daarom wenselijk is tot een gelijke behandeling van kredietinstellingen en
beleggingsondernemingen te komen; ò nieuw (12)
Daartoe dient de
eigenvermogensdefinitie van Richtlijn 2000/12/EG als basis te worden genomen en
te worden voorzien in aanvullende specifieke voorschriften om rekening te
houden met de verschillende draagwijdte van de kapitaalvereisten ter dekking
van marktrisico’s. ê 93/6/EEG
overweging 11 (aangepast) (13)
Overwegende
dat er, wWat kredietinstellingen betreft, zijn
reeds gemeenschappelijke voorschriften voor het toezicht op en de bewaking van Ö verschillende
soorten Õ kredietrisico's
zijn vastgesteld in Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989
betreffende een solvabiliteitsrisico voor kredietinstellingen[10]Ö Richtlijn
2000/12/EG Õ;. ò nieuw (14)
De bepalingen met
betrekking tot de minimumkapitaalvereisten moeten derhalve worden gezien in
samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de
basistechnieken van het toezicht op instellingen. ê 93/6/EEG
overweging 12 (15)
Overwegende
dat hHet is noodzakelijk is gemeenschappelijke voorschriften met betrekking
tot de door kredietinstellingen gelopen marktrisico's te ontwikkelen en een
aanvullend kader te bieden voor het toezicht op de risico's die instellingen
lopen, inzonderheid de marktrisico's en, meer in het bijzonder, positie-,
afwikkelings/tegenpartij- en valutarisico's;. ê 93/6/EEG
overweging 13 (aangepast) (16)
Overwegende dat hHet is noodzakelijk is Ö te voorzien
in Õ het begrip
"handelsportefeuille" in te voeren, dat
posities in effecten en andere financiële elementen omvat die worden aagehouden
voor handelsdoeleinden en die hoofdzakelijk aan marktrisico’s zijn onderworpen,
alsmede risicoposites in verband met bepaalde voor cliënten verrichte
financiële diensten;. ê 93/6/EEG
overweging 14 (aangepast) (17)
Overwegende dat het
wenselijk is dat Ö Om de
administratieve last te beperken voor Õ instellingen met
zowel in absolute als in relatieve zin te verwaarlozen
handelsportefeuilleactiviteitenÖ , moet die
instellingen worden toegestaan Õ Richtlijn 89/647/EEG Ö [2000/12/EG] Õ kunnen toe te
passen in plaats van de vereisten van de bijlagen I en II van de onderhavige
richtlijn;. ê 93/6/EEG
overweging 15 (aangepast) (18)
Overwegende dat hHet is belangrijk is
bij het toezicht op het leverings/afwikkelingsrisico rekening te houden met het
bestaan van stelsels die goede bescherming bieden waardoor dat risico beperkt
wordt;. ê 93/6/EEG
overweging 16 (aangepast) (19)
Overwegende dat dDe
instellingen Ö dienen Õ in elk geval aan
de bepalingen van deze richtlijn moeten Ö te Õ voldoen voor wat
betreft de dekking van hun valutarisico met betrekking tot hun gehele bedrijf;. dat lLagere
kapitaalvereisten dienen te gelden voor posities in nauw gecorreleerde
valuta's, mits de correlatie bevestigd is door statistische gegevens dan wel
volgt uit bindende overeenkomsten tussen Staten,
inzonderheid in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de Europese Monetaire
Unie;. ê 93/6/EEG
overweging 17 (aangepast) (20)
Overwegende dat hHet bestaan, bij alle instellingen, van interne stelsels voor
bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot hun Ö het Õ gehele bedrijf Ö van de
instellingen is Õ een bijzonder
belangrijk middel is om dat risico te beperken;. dat dDergelijke
stelsels Ö dienen Õ derhalve aan
toetsing door de bevoegde autoriteiten moeten Ö te Õ zijn onderworpen;. ê 93/6/EEG
overweging 18 (aangepast) (21)
Overwegende dat
Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21 december 1992 betreffende het toezicht
op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen[11] niet strekt tot het vaststellen van Ö Aangezien bij
Richtlijn [2000/12/EG] geen Õ gemeenschappelijke
regels Ö zijn
vastgesteld Õ voor het toezicht op
grote risico's in verband met activiteiten die hoofdzakelijk aan marktrisico's
onderworpen zijn;, is het passend te voorzien in dergelijke
regels; dat in die richtlijn wordt verwezen naar een
ander communautair initiatief dat erop gericht is de vereiste coördinatie van
de methoden op dat gebied tot stand te brengen;. ê 93/6/EEG
overweging 19 (aangepast) Overwegende dat het
noodzakelijk is gemeenschappelijke regels voor toezicht op en beheersing van
grote risico's van beleggingsondernemingen vast te stellen; ò nieuw (22)
Het operationeel risico
is voor de instellingen een wezenlijk risico, waarvoor een dekking met eigen
vermogen vereist is. Het is essentieel om door middel van verschillende
benaderingswijzen rekening te houden met de diversiteit van de instellingen in
de EU. ê 93/6/EEG overwegingen
20 tot en met 22 (aangepast) Overwegende dat voor
kredietinstellingen het eigen vermogen reeds is gedefinieerd in Richtlijn
89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van
kredietinstellingen[12]; Overwegende dat voor de
definitie van het eigen vermogen van instellingen uitgegaan moet worden van die
definitie; dat voor de toepassing
van de onderhavige richtlijn echter van de definitie van genoemde richtlijn kan
worden afgeweken, ten einde rekening te houden met de specifieke kenmerken van
de werkzaamheden van deze instellingen die hoofdzakelijk aan marktrisico's
onderworpen zijn; ê 93/6/EEG
overweging 23 (aangepast) (23)
Overwegende
dat in Richltijn 92/30/EEG
van de Raad van 6 april 1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op
geconsolideerde basis[13]
Ö In Richtlijn
[2000/12/EG] Õ wordt het consolidatiebeginsel wordt geponeerd;. dat dDie
richtlijn behelst geen gemeenschappelijke
regels behelst voor de consolidatie van
financiële instellingen met werkzaamheden die hoofdzakelijk aan marktrisico's
onderworpen zijn;. dat in die richtlijn
wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat gericht is op de
vaststelling van gecoördineerde maatregelen op dat gebied; ò nieuw (24)
Om een toereikende
solvabiliteit van de instellingen binnen een groep te garanderen, is het van
essentieel belang dat het vereiste minimumkapitaal wordt vastgesteld uitgaande
van de geconsolideerde financiële situatie van de groep. Om te waarborgen dat
het eigen vermogen adequaat is verdeeld binnen de groep en beschikbaar is om de
beleggingen op de juiste plaats te beschermen, moeten de minimumkapitaalvereisten
worden toegepast op de afzonderlijke instellingen binnen een groep, tenzij dat
doel effectief op een andere wijze kan worden bereikt. ê 93/6/EEG
overweging 24 (aangepast) (25)
Overwegende dat Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ is niet van toepassing is op groepen die (een)
beleggingsonderneming(en) maar geen kredietinstelling(en) omvatten;. dat het evenwel wenselijk werd geacht Ö Daarom
dient Õ een
gemeenschappelijk kader te worden geschapen
scheppen voor de invoering van toezicht
op beleggingsondernemingen op geconsolideerde basis;. ò nieuw (26)
De instellingen zorgen
ervoor te beschikken over intern kapitaal dat in verhouding tot de
daadwerkelijke of potentiële risico’s die zij lopen, kwantitatief, kwalitatief
en qua verdeling toereikend is. Zij dienen bijgevolg strategieën en processen
in te stellen om de toereikendheid van hun intern kapitaal te beoordelen en in
stand te houden. (27)
De bevoegde
autoriteiten evalueren de toereikendheid van het eigen vermogen van de
instellingen rekening houdende met de risico’s waaraan deze zijn blootgesteld. (28)
Voor een doeltreffende
werking van de interne markt is een aanzienlijk grotere convergentie inzake de
tenuitvoerlegging en de toepassing van de geharmoniseerde wettelijke
Gemeenschapsbepalingen noodzakelijk. (29)
Om dezelfde reden,
alsook om te voorkomen dat instellingen uit de Gemeenschap die in meer dan één
lidstaat werkzaam zijn buitensporige lasten moeten dragen doordat de bevoegde
autoriteiten van de lidstaten verantwoordelijk blijven voor vergunningverlening
en toezicht, is het noodzakelijk de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten
aanzienlijk te verbeteren. De
rol van de toezichthouder op geconsolideerde basis dient in dit verband te
worden versterkt. (30)
Om de interne markt
steeds doeltreffender en op een voor de burgers van de Gemeenschap voldoende
doorzichtige manier te laten werken, is het noodzakelijk dat de bevoegde
autoriteiten openbaar maken hoe aan de voorschriften van deze richtlijn wordt
voldaan, en wel op zodanige wijze dat betekenisvolle vergelijkingen mogelijk
zijn. (31)
Om de marktdiscipline
te vergroten en de instellingen ertoe aan te sporen hun marktstrategie,
risicobeheersing en interne managementorganisatie te verbeteren, dient te
worden bepaald dat de instellingen de nodige publieke bekendmakingen doen. ê 93/6/EEG
overweging 25 (aangepast) ð nieuw (32)
Overwegende dat
technische aanpassingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn van
tijd tot tijd noodzakelijk kunnen zijn om met nieuwe ontwikkelingen op het
gebied van beleggingsdiensten rekening te houden; dat de Commissie in
voorkomend geval de nodige wijzigingen zal voorstellen ð De voor de tenuitvoerlegging van deze
richtlijn noodzakelijke maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit
1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden
die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende
uitvoeringsbevoegdheden[14].ï; ê 93/6/EEG
overweging 26 (aangepast) Overwegende dat
de Raad in een latere fase bepalingen dient aan te nemen voor de aanpassing van
deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek, overeenkomstig Besluit
87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die
gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende
uitvoeringsbevoegdheden[15]; dat de Raad in afwachting daarvan zelf of op voorstel
van de Commissie dergelijke aanpassingen dient te verrichten; ê 93/6/EEG
overweging 27 Overwegende dat uiterlijk drie jaar na de
datum van toepassing moet worden voorzien in een heronderzoek van deze
richtlijn, in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkelingen op de
financiële markten en de werkzaamheden in internationale forums van regulerende
autoriteiten; dat bij dat heronderzoek ook herziening van de lijst van
onderwerpen die voor technische aanpassing in aanmerking komen, aan de orde
moet komen; ê 93/6/EEG
overweging 28 Overwegende
dat deze richtlijn en Richtlijn 93/22/EEG zo nauw bij elkaar aansluiten dat het
van kracht worden van beide richtlijnen op verschillende data zou kunnen leiden
tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden, ò nieuw (33)
Om verstoring van de
markten te voorkomen en de continuïteit van de eigenvermogensniveaus te
garanderen, dient te worden voorzien in specifieke overgangsregelingen. (34)
Deze richtlijn eerbiedigt
de grondrechten en strookt met de beginselen die met name in het Handvest van
de grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd als algemene beginselen
van het Gemeenschapsrecht. (35)
De verplichting tot
omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de
bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd.
De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit
de vorige richtlijnen. (36)
Deze richtlijn dient de
verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B,
genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde
richtlijnen onverlet te laten. ê 93/6/EEG
(aangepast) HEEFT HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Ö HOOFDSTUK
I Õ ÖOnderwerp,
toepassingsgebied en definities Õ Ö Afdeling
1 Õ ÖOnderwerp en
toepassingsgebied Õ ê 93/6/EEG
(aangepast) Artikel 1 1. ÖIn deze richtlijn
worden de inzake de toereikendheid van het kapitaal aan beleggingsondernemingen
en kredietinstellingen opgelegde vereisten, de wijze van berekening daarvan en
de voorschriften voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop vastgesteld. Õ De Llid-Sstaten
passen de vereisten van deze richtlijn toe op beleggingsondernemingen en op
kredietinstellingen als omschreven in artikel 2. 2. De Llid-Sstaten
mogen aan de beleggingsondernemingen en kredietinstellingen waaraan zij
vergunning hebben verleend, nadere of strengere eisen stellen. ò nieuw Artikel 2 1. Met inachtneming van het bepaalde in de
artikelen 18, 20, 28 tot en met 32, 34 en 39 van deze richtlijn, zijn de
artikelen 68 tot en met 73 van Richtlijn [2000/12/EG] van overeenkomstige
toepassing op beleggingsondernemingen. Voorts zijn de artikelen
71, 72 en 73 van Richtlijn [2000/12/EG] van toepassing wanneer: a) een beleggingsonderneming een moederkredietinstelling
in een lidstaat als moederonderneming heeft; b) een kredietinstelling een moederbeleggingsonderneming
in een lidstaat als moederonderneming heeft. Wanneer een financiële
holding een kredietinstelling en een beleggingsonderneming als
dochterondernemingen heeft, gelden de eisen op basis van de geconsolideerde
financiële situatie van de financiële holding voor de kredietinstelling. ê 93/6/EEG
artikel 7, leden 1 en 2 (aangepast)
Artikel 7 Algemene beginselen 1. De in de
artikelen 4 en 5 bedoelde kapitaalvereisten voor instellingen die noch
moederondernemingen, noch dochterondernemingen van moederondernemingen zijn,
worden toegepast op niet-geconsolideerde basis. 2. De in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten voor: –
instellingen
met een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 92/30/EEG, een
beleggingsonderneming of een andere financiële instelling als
dochteronderneming, of met een deelneming in een dergelijk lichaam, en –
instellingen
waarvan de moederonderneming een financiële holding is, worden
toegepast op geconsolideerde basis overeenkomstig de methoden van genoemde
richtlijn en de leden 7 tot en met 14 van de onderhavige richtlijn. ê 93/6/EEG
artikel 7, lid 3 (aangepast) è1 2004/xx/EG
artikel 1 ð nieuw 2. Wanneer een groep die onder lid 2 Ö lid 1 Õ valt geen
kredietinstelling omvat, is Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ van toepassing, met Ö inachtneming
van het Õ de volgende aanpassingen: –
een
«financiële holding» is een financiële instelling waarvan de
dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of
andere financiële instellingen zijn, van welke er ten minste één een
beleggingsonderneming is, en die geen gemengde financiële holding in de zin van
Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002
betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen
en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat[16] is; –
een «gemengde holding» is
een moederonderneming die geen financiële holding, beleggingsonderneming of
gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder
haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt; –
- «bevoegde autoriteiten» zijn de nationale
autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
bevoegd zijn om op beleggingsondernemingen toezicht uit te oefenen; –
artikel 3, lid 5, tweede
alinea, van Richtlijn 92/30/EEG is niet van toepassing; ða) alle verwijzingen naar
«kredietinstellingen» worden vervangen door verwijzingen naar
«beleggingsondernemingen»; ï b) in artikel 4 Ö 125 Õ, leden 1 en 2, en artikel 7
Ö 140, lid
2, Õ, lid 5, van Richtlijn 92/30/EEG
Ö [2000/12/EG] Õ wordt elke verwijzing Ö gelden alle
verwijzingen Õ naar Ö andere
artikelen van Õ Richtlijn 77/780/EEG Ö [2000/12/EG] Õ vervangen door een verwijzing Ö als
verwijzingen Õ naar Richtlijn 93/22/EEG Ö 2004/39/EG Õ; c) voor de toepassing van artikel 3, leden
9 en 8, Ö 39, lid
3, Õ van Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ worden Ö gelden Õ de verwijzingen
naar het è1 Europees Comité voor het bankwezen ç vervangen door Ö als Õ verwijzingen naar
de Raad en de Commissie; d) Öin afwijking van
het bepaalde in artikel 140, lid 1, van Richtlijn [2000/12/EG] wordt, wanneer
een groep geen kredietinstelling omvat, Õ de eerste zin van
Ö dat Õ artikel 7 wordt als
volgt gelezen: «Indien een beleggingsonderneming, een financiële holding of een
gemengde holding zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen die
verzekeringsondernemingen zijn, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met
de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op
verzekeringsondernemingen.». ê 93/6/EEG
artikel 7, lid 4 4. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het
toezicht op geconsolideerde basis op onder lid 3 vallende groepen, kunnen, in
afwachting van verdere coördinatie van het geconsolideerde toezicht op
dergelijke groepen en indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, ontheffing
van deze verplichting verlenen, mits elke beleggingsonderneming in een
dergelijke groep: i) de in punt 9 van bijlage V gegeven definitie van het
eigen vermogen toepast; ii) op niet-geconsolideerde basis voldoet aan de
kapitaalvereisten van de artikelen 4 en 5; iii) systemen invoert voor bewaking en beheersing van de
bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle andere financiële instellingen
binnen de groep. ê 93/6/EEG
artikel 7, leden 5 en 6 (aangepast) 5. De bevoegde
autoriteiten verlangen dat beleggingsondernemingen in een groep waarvoor de in
lid 4 bedoelde ontheffing geldt, hen in kennis stellen van de risico's, met
inbegrip van die welke samenhangen met de samenstelling en de bronnen van eigen
en vreemd vermogen, die de financiële positie van deze ondernemingen in gevaar
kunnen brengen. Indien de bevoegde autoriteiten dan van oordeel zijn dat de
financiële positie van deze beleggingsondernemingen onvoldoende beschermd is,
verlangen zij dat deze ondernemingen maatregelen treffen, zo nodig met inbegrip
van beperkingen van de overdracht van kapitaal van deze ondernemingen naar de
lichamen binnen de groep. 6. Wanneer de bevoegde
autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht op
geconsolideerde basis overeenkomstig lid 4, moeten zij andere passende
maatregelen nemen voor het toezicht op de risico's, met name grote risico's,
van de gehele groep, met inbegrip van die ondernemingen die niet in een van de
Lid-Staten zijn gevestigd. ê 93/6/EEG
(aangepast) ÖAfdeling 2 Õ DEFINITIES ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 1 (aangepast) ð nieuw Artikel 3 1. ð Voor de toepassing van deze richtlijn
gelden de volgende definities: ï a)1. «kredietinstellingen»: Ö kredietinstellingen
als omschreven in artikel 4, lid 1, van Richtlijn [2000/12/EG]; Õ alle instellingen die voldoen aan de definitie
in artikel 1, eerste streepje, van de eerste Richtlijn (77/780/EEG) van de Raad
van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden
van kredietinstellingen[17], waarop de vereisten uit hoofde van Richtlijn
89/647/EEG van toepassing zijn; ê2004/39/EG artikel
67, punt 2 (aangepast) ð nieuw b) «beleggingsondernemingen»:
alle instellingen Ö als
omschreven Õ die voldoen aan de definitie Ö in artikel 4,
punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG Õ van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004
betreffende markten voor financiële instrumenten, en waarop de vereisten
uit hoofde van diezelfde richtlijn van toepassing
zijn, met uitzondering van: a)i) kredietinstellingen, b)ii) plaatselijke ondernemingen als omschreven Ö in lid 1, onder
p), van dit artikel Õ in punt 20, en c)iii) ondernemingen die uitsluitend alleen ð een vergunning hebben om de dienst
beleggingsadvies te verrichten en/of ï orders van beleggers in ontvangst nemen
te ontvangen en door te geven, in beide gevallen zonder dat zij aan hun cliënten
toebehorende gelden en/of effecten Ö aan Õhouden, en daarom ten aanzien van waardoor zij jegens
hun cliënten nooit in een debiteurspositie kunnen verkeren; ê 93/6/EEG
artikel 2, punten 3 en 4 (aangepast) 3. c) «instellingen»: kredietinstellingen en beleggingsondernemingen; 4. d) «erkende beleggingsondernemingen uit een
derde land»: ondernemingen Ö die aan de
volgende voorwaarden voldoen: Õ Öi) ondernemingen Õ die, indien zij
in de Gemeenschap waren gevestigd, onder de definitie van beleggingsonderming in punt 2 zouden vallen; Öii) ondernemingen Õ en waaraan
vergunning is verleend in een derde land; Öiii) ondernemingen Õ en die
onderworpen zijn en zich houden aan voorschriften inzake bedrijfseconomisch
toezicht welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even streng als de
voorschriften van deze richtlijn worden beschouwd; ê 93/6/EEG
(aangepast) ð nieuw 5. e) «financiële instrumenten»: instrumenten als omschreven in deel B van de bijlage van Richtlijn
93/22/EEG ð een overeenkomst die leidt tot zowel
een financieel actief bij een partij als een financiële verplichting of
eigen-vermogensinstrument bij een andere partij ï ; ê 93/6/EEG
artikel 2, punten 6 en 7 (nieuw) 6. «handelsportefeuille van een instelling»: een
portefeuille bestaande uit: a) de
eigen posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen
afgeleide instrumenten, die door de instelling voor wederverkoop worden
aangehouden en/of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een
voordeel te behalen uit bestaande en/of verwachte verschillen tussen de
aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en
posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide
instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening
verrichte compenserende aan- en verkopen («matched principal broking») of
posities die worden ingenomen teneinde andere elementen van de handelsportefeuille
af te dekken; b) de
risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties, leveringen zonder
tegenprestatie («free deliveries») en afgeleide «over-the-counter»
(OTC)-instrumenten als bedoeld in de punten 1, 2, 3 en 5 van bijlage II; de
risicoposities in verband met retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten-
en grondstoffenleningen, als bedoeld in punt 4 van bijlage II, welke berusten
op overeenkomstig punt a) hierboven in de handelsportefeuille opgenomen
effecten of grondstoffen, en mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen,
de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessieovereenkomsten en
opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, beschreven in punt 4 van bijlage
II, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder i), ii), iii) en v), dan wel
aan de voorwaarden vermeld onder iv) en v); i) de
risicoposities worden dagelijks tegen de marktwaarde gewaardeerd volgens de
procedure van bijlage II; ii) de
zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis
in de waarde van de effecten of grondstoffen waarop de betrokken overeenkomst
of transactie berust, overeenkomstig een voor de bevoegde autoriteiten
aanvaardbare regel; iii) in
de overeenkomst of effectenleningstransactie is bepaald dat de vorderingen van
de instelling automatisch en onmiddellijk worden gecompenseerd met de
vorderingen van de tegenpartij, indien deze in gebreke blijft; iv) de
overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie wordt aangegaan tussen
professionele partijen; v) een
dergelijke overeenkomst of effectenleningstransactie wordt uitsluitend
aangegaan in de gebruikelijke en passende omstandigheden; kunstmatige
transacties, vooral die welke geen korte-termijntransacties zijn, zijn
uitgesloten; c) de
risicoposities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met
betrekking tot aan een beurs verhandelde afgeleide instrumenten, welke
rechtstreeks verband houden met de in de portefeuille opgenomen elementen, als
bedoeld in punt 6 van bijlage II. Het al dan
niet opnemen van welbepaalde elementen in de handelsportefeuille geschiedt
volgens objectieve procedures, waaronder in voorkomend geval de bij de
betrokken instelling gehanteerde boekhoudkundige normen; op deze procedures en
de consequente toepassing ervan wordt door de bevoegde autoriteiten toezicht
gehouden; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 7 (aangepast) 7. «moederonderneming», «dochteronderneming» en «financiële instelling»
worden gedefinieerd overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn 92/30/EEG; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 8 (aangepast) 8. «financiële holding»: een financiële instelling waarvan de
dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen,
beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, met dien
verstande dat ten minste één van die dochterondernemingen een kredietinstelling
of beleggingsonderneming is; ò nieuw f) «moederbeleggingsonderneming in een lidstaat»: een
beleggingsonderneming, die een instelling of een andere financiële instelling
als dochteronderneming heeft of die een deelneming in dergelijke entiteiten
bezit, en die zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan
in dezelfde lidstaat vergunning is verleend of van een financiële holding die
in de betrokken lidstaat is gevestigd, en waarin geen andere instelling waaraan
in de betrokken lidstaat vergunning is verleend, een deelneming bezit; g) «EU-moederbeleggingsonderneming»:
een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat, die geen dochteronderneming is
van een andere instelling waaraan in een lidstaat vergunning is verleend of van
een financiële holding die in de betrokken lidstaat is gevestigd, en waarin
geen andere instelling waaraan in een lidstaat vergunning is verleend, een
deelneming bezit; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 9 (aangepast) 9. «risicowegingsfactoren»:
de kredietrisicograden die van toepassing zijn op de tegenpartijen in kwestie
overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG. Aan activa in de vorm van vorderingen en
andere risicoposities op beleggingsondernemingen of op erkende
beleggingsondernemingen uit een derde land en risicoposities op erkende
clearinginstellingen en beurzen wordt evenwel dezelfde wegingsfactor toegekend
als die welke wordt toegekend wanneer de tegenpartij in kwestie een
kredietinstelling is; ê98/33/EG artikel 3,
punt 1 (aangepast) 10h) «afgeleide
«over-the-counter» (OTC)-instrumenten»: posten Ö vallend onder
de lijst in bijlage IV van Richtlijn [2000/12/EG], met uitzondering van die
waaraan overeenkomstig het bepaalde in bijlage III, punt 2, van die richtlijn
een risicowaarde van nul is toegekend; Õ buiten de balanstelling waarop ingevolge artikel 6, lid 3,
eerste alinea, van Richtlijn 89/647/EEG de in bijlage II bij genoemde richtlijn
bepaalde methoden moeten worden toegepast; ê 93/6/EEG
(aangepast) 11.i) «gereglementeerde markt»: markt Ö als omschreven
in artikel 4, lid 14, van Richtlijn 2004/39/EG Õ; die voldoet aan de omschrijving van artikel 1, punt 13, van
Richtlijn 93/22/EEG; ê 93/6/EEG
(aangepast) 12. «gekwalificeerde posten»: lange en korte posities in activa als bedoeld
in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG en in
schuldinstrumenten uitgegeven door beleggingsondernemingen of door erkende
beleggingsondernemingen uit een derde land. De
uitdrukking heeft ook betrekking op lange en korte posities in
schuldinstrumenten, indien deze instrumenten aan de volgende voorwaarden
voldoen: zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt van een
Lid-Staat of aan een effectenbeurs in een derde land, mits die beurs door de
bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat is erkend, én de betrokken
instelling beschouwt de instrumenten als voldoende liquide, en de graad van het
aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico is, gelet op de solvabiliteit
van de emittent, vergelijkbaar met, of lager dan die van de activa bedoeld in
artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG;; de bevoegde autoriteiten
oefenen toezicht uit op de wijze waarop de instrumenten worden beoordeeld, en
wijzen de evaluatie van de instelling af indien aan de betrokken instrumenten
naar hun oordeel een te hoog debiteurenrisico verbonden is om als
gekwalificeerde posten te kunnen worden beschouwd. Onverminderd het
voorgaande punt staat het de bevoegde autoriteiten, in afwachting van een
verdere coördinatie, vrij om als gekwalificeerde posten die instrumenten aan te
merken die voldoende liquide zijn en waaraan, gelet op de solvabiliteit van de
emittent, een graad van debiteurenrisico verbonden is die vergelijkbaar is met,
of lager is dan die van de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b),
van Richtlijn 89/647/EEG. Het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico
moet op een zodanig niveau zijn gewaardeerd door ten minste twee door de
bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstellingen, dan wel door één
dergelijke credit-ratinginstelling, mits aan deze instrumenten door een andere
door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstelling geen lagere
waardering is toegekend. De bevoegde
autoriteiten mogen evenwel afzien van toepassing van de in de voorgaande zin
gestelde voorwaarden indien zij deze ongeschikt achten, bij voorbeeld gelet op
de kenmerken van de markt, de emittent, of de emissie, dan wel een combinatie
van deze kenmerken. Tevens
verlangen de bevoegde autoriteiten van de instellingen dat zij de
maximumwegingsfactor van tabel 1, punt 14, van bijlage I toepassen op effecten
waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent en/of ontoereikende
liquiditeit een bijzonder risico verbonden is. De bevoegde
autoriteiten van elke Lid-Staat verstrekken aan de Raad en aan de Commissie
regelmatig informatie over de methoden die voor de waardering van
gekwalificeerde posten worden gehanteerd, inzonderheid de methoden om de graad
van liquiditeit van de emissie en de solvabiliteit van de emittent te
evalueren; 13. «posten
centrale overheid»: lange en korte posities in de activa als bedoeld in artikel
6, lid 1, onder a), van Richtlijn 89/647/EEG, en activa waarvoor krachtens
artikel 7 van die zelfde richtlijn een wegingsfactor 0 % geldt; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 14 (aangepast) 14.j) «converteerbaar
waardepapier»: een waardepapier dat naar keuze van de houder tegen een ander
waardepapier, gewoonlijk een aandeel van de emittent,
kan worden ingeruild; ê98/31/EG artikel 1, punt
1, onder b) (aangepast) 15.k) «warrant»:
een waardepapier dat de houder het recht geeft tot of op het einde van de
looptijd van de «warrant» tegen een vastgestelde prijs een
onderliggende waarde te kopen.; Ö Dde
warrant kan worden afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf
of door afwikkeling in contanten; Õ 16. l) «voorraadfinanciering»:
posities waarbij fysieke voorraden op termijn verkocht worden en de
financieringskosten tot de datum van de termijnverkoop zijn vastgelegd; ê98/31/EG artikel 1,
punt 1, onder c) 17.m) «retrocessieovereenkomst»
en «omgekeerde retrocessieovereenkomst» : een overeenkomst waarbij
een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, of gegarandeerde
rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen overdraagt, mits
die garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten
betreffende de effecten of grondstoffen, en de overeenkomst een instelling niet
toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één
tegenpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen, onder de
verbintenis deze effecten of grondstoffen —
(of vervangende effecten of
grondstoffen met dezelfde kenmerken) — tegen een vastgestelde prijs op een door de
overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te
kopen, wordt aangemerkt als een «retrocessieovereenkomst» voor de instelling
die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een «omgekeerde
retrocessieovereenkomst» voor de instelling die de effecten of grondstoffen
koopt.; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 17, tweede alinea Een omgekeerde retrocessieovereenkomst wordt als een
transactie tussen professionele partijen beschouwd wanneer de tegenpartij
onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een
kredietinstelling van zone A is als omschreven in Richtljn 89/647/EEG, of een
erkende beleggingsonderneming uit een derde land, of wanneer de overeenkomst is
gesloten met een erkende clearinginstelling of beurs; ê98/31/EG artikel 1,
punt 1, onder d) 18.n) «verstrekte
effecten- of grondstoffenlening» en «opgenomen effecten- of grondstoffenlening» : een
transactie waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen
overdraagt tegen een passende zekerheid, onder de verbintenis dat de leningnemer
op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instelling daarom
verzoekt, gelijkwaardige effecten of grondstoffen teruglevert, wordt aangemerkt
als een «verstrekte effecten- of grondstoffenlening» voor de instelling die de
effecten of grondstoffen overdraagt, en een «opgenomen effecten- of
grondstoffenlening» voor de instelling waaraan de effecten of grondstoffen
worden overgedragen.; ê98/31/EG artikel 1,
punt 1, onder d) Een opgenomen effecten- of grondstoffenlening wordt
beschouwd als een transactie tussen professionele partijen wanneer de
tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau
of een kredietinstelling van zone A is in de zin van Richtlijn 89/647/EEG, of
een erkende beleggingsonderneming uit een derde land of wanneer de transactie
is verricht met een erkende clearinginstelling of beurs; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 19 (aangepast) 19.o) «clearing
member»: een lid van de beurs en/of van de clearinginstelling dat met de
centrale tegenpartij («market guarantor») een rechtstreekse contractuele
verhouding heeft. Niet-clearing members moeten voor hun
handel een beroep doen op een clearing member; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 20 (aangepast) ð nieuw 20.p) «plaatselijke onderneming»: een onderneming
die op een beurs ð de markten ï voor financiële futures, of voor opties ð of voor andere afgeleide
instrumenten en op de contante markten, uitsluitend om posities op markten voor
afgeleide instrumenten af te dekken, ïalleen voor eigen rekening ð handelt ï of ð die ï voor rekening van andere leden ð van die markten ï van dezelfde beurs handelt of deze laatsten een prijs geeft,
en die door een clearing members van dezelfde beurs
ð markten ï wordt gegarandeerd, ð waarbij ï . Dde verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door dergelijke
ondernemingen gesloten contracten berust bij een
clearing members van dezelfde beurs ð markten; ï , en met deze contracten
moet rekening worden gehouden bij de berekening van de totale kapitaalvereisten
voor het clearing member, zolang de posities van de plaatselijke onderneming
volledig gescheiden zijn van die van het clearing member; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 21 21.q) «delta» : de verwachte verandering van een optieprijs als
evenredig deel van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende
instrument; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 22 (aangepast) 22. «lange positie» voor de toepassing van bijlage I, punt 4: een
positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te
ontvangen rente heeft vastgelegd en «korte positie»: een positie waarin een
instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft
vastgelegd; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 23 (aangepast) 23.r) «eigen
vermogen»: het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ .Deze definitie kan echter worden gewijzigd onder
de voorwaarden van bijlage V; ê 93/6/EG
artikel 2, punten 24 en 25 (aangepast) 24. «aanvangskapitaal»:
posten als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn
89/299/EEG; 25 «oorspronkelijk eigen vermogen»: de som van de activa als omschreven in
artikel 2, lid 1, punten 1, 2 en 3, minus de som van de activa in de punten 9,
10 en 11, van Richtlijn 89/299/EEG; ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 26 26.s) «kapitaal»: het eigen vermogen;. ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 27 (aangepast) 27. «gewijzigde duration»: berekend volgens de formule in bijlage I, punt
26. ò nieuw Voor de uitoefening van
het toezicht op geconsolideerde basis omvat het begrip «beleggingsonderneming»
ook vergunninghoudende beleggingsondernemingen uit derde landen. Voor
de toepassing van het bepaalde in de eerste alinea, onder e), omvat het begrip
«financiële instrumenten» zowel primaire financiële instrumenten, of met
contanten vergelijkbare instrumenten, als financiële derivaten waarvan de
waarde is afgeleid van de prijs van een onderliggend financieel instrument, een
rentevoet of een index, of van de prijs van een andere onderliggende post, en
ten minste de instrumenten vermeld in bijlage I, deel C, van Richtlijn
2004/39/EG. ê 93/6/EEG
artikel 2, punten 7 en 8 (aangepast) 2. ÖDe begrippen Õ «moederonderneming»,
«dochteronderneming», «onderneming voor het beheer van het vermogen» en
«financiële instelling» Ö omvatten
ondernemingen die als zodanig Õ worden gedefinieerd overeenkomstig Ö in artikel
4 Õ artikel 1 van Richtlijn 92/30/EEG;
Ö [2000/12/EG] Õ. ÖDe begrippen Õ «financiële holding», Ö «financiële
moederholding in een lidstaat», «financiële EU-moederholding» en
«onderneming die nevendiensten verricht»Õ is een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen
uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of andere financiële
instellingen zijn, van welke er ten minste één een beleggingsonderneming is Ö omvatten
ondernemingen die als zodanig zijn gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn
[2000/12/EG], met dien verstande dat verwijzingen naar kredietinstellingen
gelden als verwijzingen naar instellingen.Õ ò nieuw 3. Voor de toepassing van Richtlijn [2000/12/EG]
op onder artikel 2, lid 1, vallende groepen die geen kredietinstelling
omvatten, gelden de volgende definities: ê2002/87/EG artikel
26 (aangepast) 1.a) een «financiële holding» is een financiële instelling waarvan de
dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of
andere financiële instellingen zijn, van welke er ten minste één een
beleggingsonderneming is, en die geen gemengde financiële holding in de zin van
Richtlijn 2002/87/EG[18]
van het Europees Parlement en de Raad; 2. b) een «gemengde holding» is een
moederonderneming die geen financiële holding, beleggingsonderneming of
gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder
haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt; 3. c) «bevoegde autoriteiten» zijn de nationale
autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
bevoegd zijn om op beleggingsondernemingen toezicht uit te oefenen. ê 93/6/EEG
(aangepast) ÖHOOFDSTUK II Õ AANVANGSKAPITAAL ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 24 (aangepast) Artikel 4 1. Ö Het Õ «aanvangskapitaal» Ö bestaat uit de
bestanddelen genoemd onder a) en b) van Õ : posten als omschreven in artikel Ö 57 Õ 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ. ê 93/6/EG
artikel 3, leden 1 en 2 (aangepast) Artikel 5 1. De
beleggingsondernemingen Ö die zelf geen
transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verrichten of
emissies van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie overnemen,
maar Õ die geld en/of
waardepapieren van cliënten onder zich houden, moeten een aanvangskapitaal van
125 000 ecu Ö EUR Õ hebben als zij een
of meer van de volgende diensten verrichten: a) het ontvangen en doorgeven van orders van
beleggers met betrekking tot financiële instrumenten; b) het uitvoeren van orders van beleggers
met betrekking tot financiële instrumenten; c) het beheren van persoonlijke
beleggingsportefeuilles van financiële instrumenten,. mits zij zelf geen
transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verrichten of
emissies van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie overnemen. Het houden van posities in
financiële instrumenten buiten de handelsportefeuille om eigen middelen te
beleggen, wordt niet beschouwd als het verrichten van transacties in de zin van
de eerste alinea of in het kader van lid 2. 2. De bevoegde autoriteiten mogen
beleggingsondernemingen die orders van beleggers met betrekking tot financiële
instrumenten uitvoeren, evenwel toestaan deze
instrumenten voor eigen rekening te houden mits Ö aan de volgende
voorwaarden is voldaan Õ: a) dergelijke posities zijn uitsluitend het resultaat zijn van het feit dat de
beleggingsonderneming niet bij machte is de ontvangen order exact af te
sluiten; b) de totale marktwaarde van deze posities vertegenwoordigt niet meer dan 15 % van het
aanvangskapitaal van de onderneming vertegenwoordigt; c) de onderneming voldoet aan de in de
artikelen 18, 20 en 28 bedoelde Ö gestelde
vereisten Õ; en d) deze posities hebben een incidenteel en voorlopig karakter hebben en blijven
strikt beperkt blijven tot de tijd die
voor de uitvoering van de bewuste transactie nodig is. Het houden van posities in financiële instrumenten
buiten de handelsportefeuille om eigen middelen te beleggen, wordt niet
beschouwd als het verrichten van transacties in de zin van de eerste alinea of
in het kader van lid 3. 3.2 De lLid-sStaten
mogen het in lid 1 gestelde niveau tot 50000 ecu Ö EUR Õ verlagen indien de
onderneming niet over een vergunning beschikt om geld of effecten van cliënten
te houden, transacties voor eigen rekening te verrichten, of emissies met
plaatsingsgarantie over te nemen. ê 93/6/EEG artikel
3, punt 3 (aangepast) 3. Alle andere
beleggingsondernemingen moeten een aanvangskapitaal van 730 000 ecu hebben. ê 2004/39/EEG
artikel 67, punt 2 (aangepast) Artikel 6 4. De ondernemingen
bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b, Ö Plaatselijke
ondernemingen Õ moeten een
aanvangskapitaal hebben van 50 000 EUR voorzover zij vrijheid van
vestiging genieten of diensten verrichten Ö als omschreven
in Õ uit hoofde van artikel 31 of 32 van Richtlijn 2004/39/EG ê 2004/39/EEG
artikel 67, punt 3 (aangepast) Artikel 7 In afwachting van een
herziening van Richtlijn 93/6/EG, moeten dDe in
artikel 2 Ö 3 Õ , punt 1, onder b),
iii), bedoelde ondernemingen beschikken over: a) een
aanvangskapitaal van 50 000 EUR; b) een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied
van de Gemeenschap bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen
aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten
minste 1 000 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het
totaal 1 500 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen, of c) een combinatie van aanvangskapitaal en
beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die
gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b) hierboven. De in dit lid bedoelde bedragen worden
periodiek door de Commissie aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat
bekendgemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen, waarbij de
aanpassingen in de lijn liggen van en tegelijkertijd plaatsvinden met die welke
overeenkomstig artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees
Parlement en de Raad[19]
worden verricht (*). Ö Artikel 8 Õ Wanneer een beleggingsonderneming als bedoeld
in artikel 2 Ö 3 Õ , punt 1, onder b,
iii), tevens in een register of in registers is ingeschreven uit hoofde van
Richtlijn 2002/92/EG, dan moet deze onderneming voldoen aan de voorschriften
van artikel 4, lid 3, van die richtlijn en bovendien beschikken over: a) een
aanvangskapitaal van 25 000 EUR; b) een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied
van de Gemeenschap bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen
aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten
minste 500 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het
totaal 750 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen, of c) een combinatie
van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in
een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b) hierboven. ê 93/6/EEG
artikel 3, punt 3 (aangepast) Artikel 9 Alle andere beleggingsondernemingen moeten een
aanvangskapitaal van 730 000 ecu Ö EUR Õhebben. ê 93/6/EEG
artikel 3, punten 5 en 8 (aangepast) Artikel 10 1. ÖIn afwijking van het
bepaalde in artikel 5, lid 1, artikel 5, lid 3, en de artikelen 6 en 9 Õ Onverminderd de leden 1 tot en met 4 mogen de lLid-sStaten de vergunning handhaven voor
beleggingsondernemingen en onder Ö artikel 6 Õ lid 4 vallende ondernemingen die vóór Ö 31 december
1995 Õ het van kracht worden van deze richtlijn bestonden, en
waarvan het eigen vermogen geringer is dan de Ö artikel 5, lid
1, artikel 5, lid 3, en de artikelen 6 en 9 Õ in de leden 1 tot en met 4 genoemde bedragen van het
aanvangskapitaal. Het eigen vermogen van al deze
ondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat
sinds de datum van kennisgeving van deze rRichtlijn
Ö 1993/6/EEG Õ is berekend. Het
referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de
zes maanden voorafgaande aan de datum van berekening. Dit
referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige
voorafgaande periode. 2. Indien
de zeggenschap over een beleggingsonderneming die onder lid 5 Ö 1 Õ valt, wordt
verworven door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien
de zeggenschap over de onderneming uitoefende, dient het eigen vermogen van
deze onderneming ten minste gelijk te zijn aan de in Ö artikel 5,
leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 Õ de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus, behalve in de volgende situaties: in het geval van de eerste
overdracht door vererving na Ö 31 december
1995 Õ het van kracht worden van de richtlijn, onder voorbehoud
van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en gedurende niet meer dan tien
jaar na het plaatsvinden van de overdracht.; ii) in het
geval van wijziging van een partner in een partnership voor zover ten minste
één van de partners op de datum van toepassing van de richtlijn in de
partnership blijft en gedurende niet meer dan tien jaar na de datum van
toepassing van de richtlijn. 3. In
welbepaalde omstandigheden evenwel, en met
instemming van de bevoegde autoriteiten, behoeft bij een fusie tussen twee of
meer beleggingsondernemingen en/of onder lid 4 Ö artikel 6 Õ vallende
ondernemingen, het eigen vermogen van de onderneming die het resultaat van de
fusie is, niet de in Ö artikel 5,
leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 Õ de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus te bereiken. Gedurende de periode dat de in de leden 1 tot en met 4 Ö artikel 5,
leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 Õ gestelde niveaus
niet zijn bereikt, mag het eigen vermogen van de nieuwe onderneming echter niet
minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde
ondernemingen op het tijdstip van de fusie. 4. Het eigen
vermogen van beleggingsondernemingen en onder lid 4
Ö artikel 6 Õ vallende
ondernemingen mag niet kleiner worden dan de in de leden
1 tot en met 5 en 7 Ö artikel 5,
leden 1 en 3, de artikelen 6 en 9, en artikel 10, leden 1 en 3, Õ gestelde niveaus. Als dit evenwel toch gebeurt, kunnen de
bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, die
ondernemingen een beperkte termijn toestaan om aan deze eis te voldoen dan wel
hun werkzaamheden te beëindigen. ò nieuw HOOFDSTUK III HANDELSPORTEFEUILLE Artikel 11 1. De handelsportefeuille van een instelling
bestaat uit alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die worden
aangehouden, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van
andere elementen van de handelsportefeuille, die vrij van beperkende clausules
ten aanzien van hun verhandelbaarheid of afdekbaar moeten zijn. 2. Met de intentie om te handelen ingenomen
posities zijn posities die door de instelling worden ingenomen om op korte
termijn weer te worden afgestoten en/of met de bedoeling op korte termijn een
voordeel te behalen uit bestaande of verwachte verschillen tussen de aankoop-
en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen. De term «positie»
omvat de eigen posities van de instelling en de posities uit hoofde van de
dienstverlening aan cliënten en van het onderhouden van een markt. 3. De intentie om te handelen zal blijken uit de strategieën,
beleidsmaatregelen en procedures die door de instelling in het leven zijn
geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig bijlage VII, deel A,
te beheren. 4. De instellingen zorgen voor de inrichting en
instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille
overeenkomstig bijlage VII, deel B, te beheren. 5. Interne afdekkingstransacties mogen worden
opgenomen in de handelsportefeuille, in welk geval bijlage VII, deel C, van
toepassing is. ò nieuw HOOFDSTUK IV EIGEN VERMOGEN ê 93/6/EEG
artikel 2, punt 25 (aangepast) Artikel 12 Onder «oorspronkelijk eigen vermogen» wordt
verstaan, de som van de activa als omschreven in artikel 2, lid 1, ,de punten a) tot en met c),1, 2 en 4, minus de som van de activa in de punten Ö i) tot en met
k) Õ 9, 10 en 11, Övan
artikel 57 Õvan Richtlijn 89/299/EEG; Ö [2000/12/EG]. Õ ò nieuw De Commissie dient
uiterlijk 1 januari 2009 bij het Europees Parlement en de Raad een passend
voorstel in tot wijziging van dit hoofdstuk. ê93/6/EEG bijlage
V, punt 1, eerste en tweede alinea (aangepast) ð nieuw Artikel 13 1. ðMet inachtneming van het bepaalde in de leden
2 tot en met 5 en in de artikelen 14 tot en met 17 ï wordt Hhet eigen
vermogen van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen wordt gedefinieerd
Ö berekend Õ in overeenstemming
met Richtlijn 89/299/EEG van de Raad Ö [2000/12/EG] Õ . De eerste alinea is bovendien van toepassing op
beleggingsondernemingen met een andere rechtsvorm dan die welke worden genoemd
in artikel 1, lid 1, van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad. ê 93/6/EEG bijlage
V, punt 1, tweede alinea, en punten 2 tot en met 5 (aangepast) è1 98/31/EG
artikel 1, punt 7, en bijlage, punt 4, onder a) en b) ð nieuw 2. è1 Niettegenstaande Ö In afwijking
van Õ punt 1 kunnen de
bevoegde autoriteiten de instellingen die moeten voldoen aan de in de Ö artikelen 21
en 28 tot en met 32 en de Õ bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII
Ö en III tot
en met VI Õ gestelde eigenvermogens Ö kapitaal Õ vereisten,
toestaan om uitsluitend daartoe een alternatieve definitie
Ö berekening Õ van het eigen
vermogen te hanteren ter voldoening aan uitsluitend deze
verplichtingen. çVan het aldus berekende daarvoor bestemde eigen vermogen mag
geen bestanddeel tegelijkertijd worden gebruikt om aan andere kapitaalvereisten
te voldoen. Deze alternatieve definitie
Ö berekening Õ omvat de onderstaande bestanddelen a) plus b) plus c) is
het totaal van de onderstaande bestanddelen a), b) en c), minus d); de aftrek
van dit bestanddeel wordt ter keuze van de bevoegde autoriteiten gelaten: a) het eigen
vermogen als gedefinieerd in Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , met uitsluiting
van alleen de bestanddelen 12 Ö punten l) tot
en met p) Õ en 13 van artikel 2, lid 1,
Ö 57 Õ van die richtlijn
voor beleggingsondernemingen die onderstaand bestanddeel d) van het totaal van
de bestanddelen a), b) en c) moeten aftrekken; (b) de nettowinst uit
de handelsportefeuille van de instelling, na aftrek van alle te verwachten
lasten en voorzieningen voor dividenden, min de nettoverliezen over de rest van
haar bedrijf, mits geen van deze bedragen reeds in aanmerking is genomen in
bestanddeel a) overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 2 of
11, Ö 57, onder b) of
k) Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ ; c) achtergestelde
leningen, en/of de in punt 5 vermelde bestanddelen, met inachtneming van de in
de punten 3 tot en met 7 Ö en 4 en artikel
14 Õ hieronder vermelde
voorwaarden; d) niet-liquide activa als omschreven in Ö in de zin
van Õ punt 8 Ö artikel
15 Õ . 3. De in punt
2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen moeten een oorspronkelijke
looptijd van ten minste twee jaar hebben. Zij moeten volledig gestort zijn en de leningovereenkomst mag geen
clausule bevatten op grond waarvan de schuld onder bepaalde omstandigheden, met
uitzondering van de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen
aflossingsdatum moet worden afgelost, tenzij de bevoegde autoriteiten daarmee
instemmen. Noch de hoofdsom, noch de
interest van deze achtergestelde leningen mogen worden afgelost indien zulks
zou betekenen dat het eigen vermogen van de betrokken instelling tot minder dan
100 % van het totale vereiste voor de instelling zou dalen. Daarenboven stellen de instellingen de bevoegde
autoriteiten in kennis van alle aflossingen op deze achtergestelde leningen
zodra het eigen vermogen van de instelling tot onder de 120 % van het totale Ö kapitaal Õ vereiste voor de
instelling daalt. 4. De in punt
2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen mogen niet meer belopen dan
maximaal 150 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om te
voldoen aan de vereisten Ö berekend
overeenkomstig de artikelen 21 en 28 tot en met 32 Õ en de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII Ö tot en met
VI Õ en mogen dit maximum
uitsluitend benaderen in voor de betrokken autoriteiten aanvaardbare bijzondere
omstandigheden. 5. De bevoegde autoriteiten mogen instellingen toestaan om de in Ö punt 2, onder
c) Õ de punten 3 en 4 bedoelde achtergestelde leningen te
vervangen door de bestanddelen bedoeld in artikel 2, lid
1, punten 3, 5, 6, 7 en 8 Ö 57, onder d)
tot en met h), Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ . ê98/31/EG bijlage,
punt 4, onder c) (aangepast) Artikel 14 1. De bevoegde
autoriteiten kunnen beleggingsondernemingen toestaan de in punt 4 Ö artikel 13, lid
4, Õ gestelde grenswaarde
voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch
aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de
in punt 5 Ö artikel 13, lid
5, Õ bedoelde
bestanddelen niet meer bedraagt dan 200 % van het oorspronkelijke eigen
vermogen dat resteert om aan de Ö overeenkomstig
de artikelen 21 en 28 tot en met 32 en Õ in de bijlagen I, II, III, IV, VI,
VII en VIII Ö III, IV, V en
VI berekende Õ gestelde vereisten te voldoen, dan wel 250 % van
hetzelfde bedrag indien de beleggingsonderneming bij de berekening van het
eigen vermogen het in punt 2, Ö artikel 13, lid
2, Õ onder d), bedoelde bestanddeel in mindering brengt. 2. De bevoegde
autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestaan de in punt
4 Ö artikel 13, lid
4, Õ gestelde grenswaarde
voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch
aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 in artikel 35, lid 2,
Ö 57, onder d),
e), f), g) en h) Õ van Richtlijn
[2000/12/EG] bedoelde bestanddelen 4 tot en met 8 niet
meer bedraagt dan 250 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om
aan de in Ö overeenkomstig
de artikelen 28 tot en met 32 en Õ de bijlagen I, Ö III, IV, V en
VI berekende Õ II, III, VI, VII en VIII gestelde
vereisten te voldoen. ê 93/6/EEG
bijlage V, punt 8 (aangepast) Artikel 15 Niet-liquide activa Ö als bedoeld
in artikel 12, lid 2, onder d) Õ omvatten: a) materiële vaste activa, (behalve voor zover kan worden toegestaan dat
onroerend goed in aanmerking wordt genomen tegenover de leningen waarvoor zij
als waarborg gelden); b) deelnemingen in, met inbegrip van achtergestelde
schuldvorderingen op, kredietinstellingen of financiële instellingen, welke tot
het eigen vermogen van die instellingen kunnen worden gerekend, tenzij deze
zijn afgetrokken overeenkomstig artikel
2, lid 1, punten 12 en 13 Ö 57 Õ , Ö onder l), m), n), o) en p) Õ van
Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ of overeenkomstig
artikel 15, onder d) van deze bijlage Ö richtlijn Õ . c) niet onmiddellijk verhandelbare deelnemingen en andere
beleggingen in ondernemingen die geen kredietinstellingen of andere financiële
instellingen zijn; d) tekorten bij dochterondernemingen; e) deposito's met uitzondering van die welke
binnen 90 dagen opvraagbaar zijn, en tevens met uitzondering van
margebetalingen in verband met futures of optiecontracten; f) leningen en andere verschuldigde
bedragen, met uitzondering van die welke binnen 90 dagen moeten worden
terugbetaald; g) materiële voorraden, tenzij daarop Ö reeds Õ de kapitaalvereisten van artikel
4, lid 2, van toepassing zijn Ö die minstens
even streng zijn als de vereisten van de artikelen 18 tot en met 20 Õ en mits die vereisten niet minder streng zijn dan de vereisten
op grond van artikel 4, lid 1, onder iii). ê 93/6/EEG
bijlage V, punt 8, tweede streepje, tweede alinea (aangepast) Wanneer aandelen in een kredietinstelling of
financiële instelling tijdelijk worden gehouden in het kader van een financiële
bijstandsoperatie met het oog op de reorganisatie of de redding van deze
instelling, mogen de bevoegde autoriteiten ontheffing van deze verplichting
verlenen Ö met het oog op
de toepassing van het bepaalde onder b) Õ. Zij mogen eveneens ontheffing verlenen voor
dergelijke aandelen die deel uitmaken van de handelsportefeuille van de
beleggingsonderneming;. ê 93/6/EEG
bijlage V, punt 9 (aangepast) Artikel 16 9. Beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een groep waarvoor Ö waaraan Õ de in artikel 7, lid 4, Ö 22 Õ bedoelde ontheffing geldt Ö is
verleend Õ, berekenen hun eigen
vermogen overeenkomstig de punten 1 tot en met 8 Ö artikelen 13
tot en met 15 Õ hierboven, met
inachtneming van de Ö het Õ volgende wijzigingen: a)i) de
in punt 2, Ö artikel 13,
lid 2, Õ onder d),
bedoelde niet-liquide activa worden afgetrokken; b)ii) de
in punt 2, Ö artikel 12,
lid 2, Õ onder a),
bedoelde uitsluiting heeft geen betrekking op de bestanddelen van artikel 2, lid 1, Ö 57, Õ punten 12 en 13, Ö l) tot en
met p), Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ die de
beleggingsonderneming houdt met betrekking tot ondernemingen die zijn opgenomen
in de consolidatie bedoeld in artikel 7, lid 2 Ö 2, lid 1,
van deze richtlijn Õ ; c)iii)
de in artikel 6 Ö 66 Õ, lid 1, onder a)
en b), van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ bedoelde
grenswaarden worden berekend aan de hand van het oorspronkelijke eigen
vermogen, min de onder ii) hierboven beschreven
bestanddelen van artikel 2, lid 1, punten 12 en 13,
Ö 57, punten
l) tot en met p), Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ die deel uitmaken
van het oorspronkelijke eigen vermogen van de betrokken ondernemingen; d)iv)
de onder c) bedoelde bestanddelen van artikel 2, lid 1,
Ö 57, Õ punten 12 en 13 Ö l) tot en
met p) Õ , van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ worden
afgetrokken van het oorspronkelijke eigen vermogen, en niet van de som van alle
bestanddelen, zoals voorgeschreven Ö is
bepaald Õ in lid 1, onder
c), van artikel 6 Ö 66 Õ van die
richtlijn, meer bepaald in het bijzonder voor de toepassing van de punten 4 tot en met 7 Ö artikel 13,
leden 4 en 5, en artikel 14 Õ van deze bijlage Ö richtlijn Õ . ò nieuw Artikel 17 1. Wanneer
een instelling risicogewogen posten berekent voor de toepassing van bijlage II
overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn [2000/12/EG], geldt
voor de berekening volgens bijlage VII, deel 1, punt 4, van Richtlijn
[2000/12/EG] het volgende: a) waardeaanpassingen
om rekening te houden met de kredietkwaliteit van de tegenpartij kunnen worden
opgenomen in het totaal van de waardeaanpassingen en voorzieningen voor posten
als bedoeld in bijlage II; b) onder
voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten kan het verwacht
verlies voor het tegenpartijrisico als nihil worden beschouwd indien bij de
waardering van een in de handelsportefeuille opgenomen positie adequaat
rekening is gehouden met het kredietrisico van de tegenpartij. De bovengenoemde
waardeaanpassingen die door de betrokken instellingen met het oog op het
bepaalde onder a) worden aangebracht, mogen slechts in overeenstemming met het
bepaalde in dit lid in het eigen vermogen worden verwerkt. 2. Voor de
toepassing van dit artikel geldt het bepaalde in de artikelen 153 en 154 van
Richtlijn [2000/12/EG]. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö HOOFDSTUK
V Õ Ö Afdeling
1 Õ VOORZIENING VOOR RISICO'S ê 93/6/EEG
artikel 4, punt 1, eerste alinea (aangepast) ð nieuw Artikel 18 1. De
bevoegde autoriteiten schrijven voor dat iInstellingen
beschikken doorlopend over een eigen
vermogen moeten beschikken
dat ten minste gelijk is aan de som van Ö het
volgende Õ : ê98/31/EG
artikel 1, punt 2 (aangepast) i) a) de kapitaalvereisten
berekend overeenkomstig de Ö methoden en
werkwijzen als omschreven in de artikelen 28 tot en met 32 en de Õ bijlagen I, II en
VI en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met
betrekking tot hun handelsportefeuille; ii) b) de
kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de Ö methoden en
werkwijzen als omschreven in de Õ bijlagen III en VII Ö IV Õ en, in voorkomend
geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun gehele
bedrijf;. ê 93/6/EG
artikel 4, lid 1, eerste alinea, punten iii) en iv) (aangepast) iii) de
kapitaalvereisten als bedoeld in Richtlijn 89/647/EEG met betrekking tot hun
gehele bedrijf, met uitzondering van de handelsportefeuille en de niet-liquide
activa indien deze overeenkomstig punt 2, onder d), van bijlage V op het eigen
vermogen in mindering worden gebracht; iv) het
kapitaalvereiste als bedoeld in lid 2. ê 93/6/EEG artikel
4, lid 1, tweede alinea, punten iii) en iv Ongeacht het bedrag van de kapitaalvereisten als
bedoeld in de punten i) tot en met iv) mag het vereiste eigen vermogen van
beleggingsondernemingen in geen geval lager zijn dan het in bijlage IV
vastgestelde niveau. ê 93/6/EEG
artikel 4, punten 2 tot en met 5 2. De
bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen over toereikend eigen
vermogen moeten beschikken ter dekking van de risico's in verband met
werkzaamheden die buiten de werkingssfeer van zowel deze richtlijn als
Richtlijn 89/647/EEG vallen en die als gelijkaardig beschouwd worden met de
risico's waarop die richtlijnen betrekking hebben. 3. Indien
het eigen vermogen van een instelling lager wordt dan het overeenkomstig lid 1
berekende vereiste bedrag, zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de
bewuste instelling passende maatregelen treft om zo spoedig mogelijk aan het
vereiste te voldoen. 4. De
bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over
systemen voor de bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot
hun gehele bedrijf, welke systemen aan toetsing door de bevoegde autoriteiten
zijn onderworpen. 5. Instellingen
dienen ten genoegen van hun bevoegde autoriteiten aan te tonen dat zij over
passende systemen beschikken om te allen tijde hun financiële positie redelijk
nauwkeurig te kunnen berekenen. ê 93/6/EEG
artikel 4, punt 6 (aangepast) 2. Onverminderd
Ö In afwijking
van Õ lid 1 kunnen de
bevoegde autoriteiten instellingen toestaan de kapitaalvereisten voor hun
handelsportefeuilleactiviteiten te berekenen overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG in plaats van overeenkomstig de bijlagen I
en II van de onderhavige richtlijn, mits Ö artikel 75,
onder a), van Richtlijn [2000/12/EG] en bijlage II, punten 6, 7, 8 en 10, van
deze richtlijn Õ in plaats van
overeenkomstig de bijlagen I en II van deze richtlijn, mits i) a) de
handelsportefeuilleactiviteiten van deze instellingen normaal niet meer dan 5%
van hun totale bedrijf uitmaken, ii) b) het
totaal van de handelsportefeuilleposities normaal niet meer bedraagt dan 15
miljoen ecu Ö EUR Õ en; c)iii) de handelsportefeuilleactiviteiten
van deze instellingen nooit meer dan 6% van hun totale bedrijf uitmaken en het
totaal van hun handelsportefeuilleposities nooit meer dan 20 miljoen ecu Ö EUR Õ bedraagt. ê 93/6/EEG
artikel 4, punt 7 (aangepast) 3. Om het aandeel van de
handelsportefeuilleactiviteiten ten opzichte van het totale bedrijf, als
bedoeld in lid 6 Ö 2 Õ , onder Ö a) en
c) Õ i) en iii), te
berekenen, mogen de bevoegde autoriteiten zich baseren op hetzij het
gecombineerde bedrag van de posten in en buiten balanstelling, hetzij de winst-
en verliesrekening, hetzij het eigen vermogen van de betrokken instellingen, of
een combinatie daarvan. Bij de berekening van de omvang van de activiteiten in
en buiten balanstelling worden schuldinstrumenten gewaardeerd tegen marktprijs
of tegen nominale waarde, aandelen tegen marktprijs en afgeleide instrumenten
tegen nominale waarde of marktwaarde van de onderliggende instrumenten. Hausse-
en baisseposities worden samengevoegd, ongeacht of zij positief of negatief
zijn. ê 93/6/EEG
artikel 4, punt 8 (aangepast) 4. Indien een instelling voor
langere tijd een van beide of beide in lid 6 Ö 2 Õ , onder Ö a) en
b) Õ i) en ii),
gestelde grenswaarden overschrijdt of een van beide of beide in lid 6 Ö 2 Õ , onder Ö c) Õ iii), gestelde
grenswaarden overschrijdt, moet zij met betrekking tot haar
handelsportefeuilleactiviteiten voldoen aan het vereiste van lid 1, onder Ö a) Õ i), en niet aan
de vereisten van Ö artikel 75,
onder a), van Õ Richtlijn 89/647/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , en moet zij de
bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen. ò nieuw Artikel 19 1. Voor de toepassing van bijlage I, punt 14,
kan door de lidstaten een wegingsfactor van 0% worden toegekend aan door
dezelfde entiteiten uitgegeven schuldtitels, luidend en gefinancierd in de
nationale valuta. ê 93/6/EEG
artikel 11, punt 2 (aangepast) 2. Onverminderd
Ö In afwijking
van Õ het bepaalde in Ö de Õ punten Ö 13 en Õ 14 van bijlage I
mogen de Llid-Sstaten met betrekking tot obligaties waaraan uit hoofde van artikel 11, lid 2, van Richtlijn
89/647/EEG in die richtlijn een risicowegingsfactor van 10 % is toegekend
Ö vallend
onder bijlage VI, deel 1, punten 65 tot en met 67 van Richtlijn
[2000/12/EG] Õ , een vereiste
voor het specifieke risico vaststellen, dat gelijk is aan de helft van het vereiste voor gekwalificeerde posten
met dezelfde resterende looptijd als die obligatie Ö , verminderd
met de percentages van bijlage VI, deel 1, punt 68 van Richtlijn
[2000/12/EG] Õ . ò nieuw 3. Wanneer
een ICB uit een derde land door een bevoegde autoriteit wordt erkend
overeenkomstig het bepaalde in punt 52 van bijlage I, kan een bevoegde
autoriteit uit een andere lidstaat deze erkenning overnemen zonder zelf een
evaluatie uit te voeren. Artikel 20 1. Met
inachtneming van het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel en in
artikel 34 van deze richtlijn, zijn de voorschriften van artikel 75 van
Richtlijn [2000/12/EG] van toepassing op beleggingsondernemingen. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1,
kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat beleggingsondernemingen waaraan
geen vergunning is verleend om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, deel A,
van Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten te verstrekken, een eigen
vermogen aanhouden dat te allen tijde minstens gelijk is aan het hoogste van
beide volgende bedragen: a) het totaal
van de kapitaalvereisten als bedoeld onder a), b, en c) van artikel 75 van
Richtlijn [2000/12/EG]; b) het bedrag als bedoeld in artikel 21 van deze
richtlijn. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1,
kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat beleggingsondernemingen met een
aanvangskapitaal als bepaald in artikel 9 die onder één van de hierna bedoelde
categorieën vallen, een eigen vermogen aanhouden dat te allen tijde minstens
gelijk is aan de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de voorschriften van
artikel 75, onder a), b) en c), van Richtlijn [2000/12/EG] plus het bedrag als
bedoeld in artikel 21 van deze richtlijn. a) beleggingsondernemingen die voor eigen rekening
handelen om orders van cliënten in te willigen of uit te voeren of om toegang
te verkrijgen tot een clearing- en afwikkelingssysteem of een erkende beurs in
de hoedanigheid van gemachtigde of uitvoerder van een order van een cliënt; b) beleggingsondernemingen: i) waarbij cliënten
geen gelden of effecten aanhouden; ii) die
uitsluitend voor eigen rekening handelen; iii) die geen
externe cliënten hebben; iv) waarvan de
uitvoering en afwikkeling van de transacties plaatsvinden onder
verantwoordelijkheid en garantie van een clearinginstelling. 4. Ten
aanzien van de in de leden 2 en 3 bedoelde beleggingsondernemingen gelden alle
andere bepalingen betreffende operationele risico’s van bijlage V van Richtlijn
[2000/12/EG]. ê 93/6/EEG
bijlage IV Artikel 21 Beleggingsondernemingen moeten eigen
vermogen aanhouden ten belope van een kwart van hun vaste kosten in het
voorafgaande jaar. De bevoegde autoriteiten mogen dit vereiste
aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de
onderneming sinds het voorgaande jaar. Wanneer de onderneming haar werkzaamheden
niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend (met inbegrip van de dag van
bedrijfsaanvang) bedraagt het vereiste een kwart van het in haar programma van
werkzaamheden begrote cijfer voor vaste kosten, tenzij de autoriteiten een
aanpassing van dit programma verlangen. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö afdeling 2
Toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis Õ ò nieuw Artikel 22 1. De
bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op
geconsolideerde basis op onder artikel 2 vallende groepen, kunnen per geval ontheffing
van de kapitaalvereisten op geconsolideerde basis verlenen, mits: a) elke
beleggingsonderneming in een dergelijke groep de definitie van eigen vermogen
van artikel 16 hanteert; b) elke beleggingsonderneming
in een dergelijke groep tot de in artikel 20, leden 2 en 3, genoemde
categorieën behoort; c) elke
beleggingsonderneming in een dergelijke groep op niet-geconsolideerde basis aan
de bij de artikelen 18 en 20 gestelde vereisten voldoet en alle latente
verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, in mindering brengt op
het eigen vermogen; d) elke
financiële holding in een dergelijke groep die moeder is van een
beleggingsonderneming een eigen vermogen heeft — gedefinieerd als de som van de
punten a) tot en met h) van artikel 57 van Richtlijn [2000/12/EG] — dat ten
minste gelijk is aan het totaal van de volledige boekwaarde van alle in artikel
57 van Richtlijn [2000/12/EG] genoemde deelnemingen in, achtergestelde
vorderingen op en instrumenten van beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van
alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden; Elke
beleggingsonderneming die aan de criteria van de eerste alinea voldoet, beschikt
over systemen om de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle tot de groep
behorende financiële holdings, beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, te bewaken en te beheersen. 2. In
afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan
dat financiële moederholdings van een beleggingsonderneming in een dergelijke
groep een waarde in aanmerking nemen die lager is dan de overeenkomstig lid 1,
onder d), berekende waarde, maar die in geen geval minder bedraagt dan het
totaal van de bij de artikelen 18 en 20 gestelde vereisten op niet-geconsolideerde
basis voor beleggingsondernemingen, financiële instellingen,
vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die
normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle latente
verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële
instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten
verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden. In het kader van dit
lid dient voor financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen
die nevendiensten verrichten, een theoretisch kapitaalvereiste te worden gesteld. ê 93/6/EG
artikel 7, leden 5 en 6 (aangepast) Artikel 23 De bevoegde autoriteiten verlangen dat
beleggingsondernemingen in een groep waarvoor de in lid
20 Ö artikel
22 Õ bedoelde
ontheffing geldt, hen in kennis stellen van de risico's, met inbegrip van die
welke samenhangen met de samenstelling en de bronnen van eigen en vreemd
vermogen, die de financiële positie van deze ondernemingen in gevaar kunnen
brengen. Indien de bevoegde autoriteiten dan van oordeel zijn dat de financiële
positie van deze beleggingsondernemingen onvoldoende beschermd is, verlangen
zij dat deze ondernemingen maatregelen treffen, zo nodig met inbegrip van
beperkingen van de overdracht van kapitaal van deze ondernemingen naar de
lichamen binnen de groep. Wanneer de bevoegde autoriteiten ontheffing
verlenen van de verplichting van toezicht op geconsolideerde basis
overeenkomstig lid 4 Ö artikel
22 Õ, moeten zij
andere passende maatregelen nemen voor het toezicht op de risico's, met name
grote risico's, van de gehele groep, met inbegrip van die ondernemingen die
niet in een van de Llid-Sstaten zijn gevestigd. ò nieuw Wanneer de bevoegde autoriteiten overeenkomstig
artikel 22 ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht op
geconsolideerde basis, blijven de voorschriften van titel V, hoofdstuk 5, van
Richtlijn [2000/12/EG] op niet-geconsolideerde basis van toepassing en blijven
de voorschriften van artikel 124 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden voor het
toezicht op beleggingsondernemingen op niet-geconsolideerde basis. ê 93/6/EEG
artikel 7, punten 7 tot en met 9 7. De
Lid-Staten kunnen ervan afzien de in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten op
niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toe te passen op instellingen
die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen
zijn, en op elke dochteronderneming van een dergelijke instelling die voor
vergunning en toezicht onder deze Lid-Staat ressorteert en die is opgenomen in
het toezicht op geconsolideerde basis op de instelling die haar moederonderneming
is. Deze ontheffing kan ook worden toegestaan wanneer de
moederonderneming een financiële holding is die haar zetel in dezelfde
Lid-Staat heeft als de instelling, mits zij aan hetzelfde toezicht is
onderworpen als kredietinstellingen of beleggingsondernemingen, en met name aan
de vereisten van de artikelen 4 en 5. In beide bovenstaande gevallen moeten, wanneer van de
ontheffing gebruik wordt gemaakt, maatregelen worden genomen met het oog op een
adequate verdeling van het eigen vermogen binnen de groep. 8. Wanneer een instelling waarvan de
moederonderneming zelf een instelling is, vergunning heeft verkregen en gelegen
is in een andere Lid-Staat, passen de bevoegde autoriteiten die de vergunning
verleend hebben, op die instelling de voorschriften van de artikelen 4 en 5 toe
op niet-geconsolideerde basis, of in voorkomend geval op gesubconsolideerde
basis. 9. Onverminderd lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten
die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan de dochteronderneming
van een moederonderneming die een instelling is, bij bilateraal akkoord hun
verantwoordelijkheid voor het toezicht op de kapitaaltoereikendheid en de grote
risico's van de dochteronderneming overdragen aan de bevoegde autoriteiten die
vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming.
De Commissie moet over het bestaan en de inhoud van dergelijke akkoorden worden
ingelicht. Zij deelt deze informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de
andere Lid-Staten alsmede aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen en aan
de Raad, behoudens in het geval van groepen die onder lid 3 vallen. ò nieuw Artikel 24 In afwijking van artikel 2, lid 2, kunnen de bevoegde
autoriteiten beleggingsondernemingen ontheffing verlenen van het bij genoemde
bepaling opgelegde geconsolideerde kapitaalvereiste mits alle
beleggingsondernemingen in de groep voldoen aan het bepaalde in artikel 20, lid
2, en de groep geen kredietinstellingen omvat. Wanneer aan de
voorwaarden van de eerste alinea is voldaan, wordt de
moederbeleggingsonderneming verplicht een eigen vermogen aan te houden dat te
allen tijde minstens gelijk is aan de hoogste van de twee geconsolideerde
vereisten hierna, berekend overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk: (a)
het totaal van de
kapitaalvereisten als bedoeld onder a), b, en c) van artikel 75 van Richtlijn
[2000/12/EG]; (b)
het bij artikel 21 vereiste
bedrag. Artikel 25 In afwijking van
artikel 2, lid 2, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen
ontheffing verlenen van het bij genoemde bepaling opgelegde geconsolideerde
kapitaalvereiste mits alle beleggingsondernemingen in de groep voldoen aan het
bepaalde in artikel 20, leden 2 en 3, en de groep geen kredietinstellingen
omvat. Wanneer aan de
voorwaarden van de eerste alinea is voldaan, wordt de
moederbeleggingsonderneming verplicht een eigen vermogen aan te houden dat te
allen tijde minstens gelijk is aan de geconsolideerde kapitaalvereisten,
berekend overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk, de bij artikel 75, onder
a), b) en c), van Richtlijn [2000/12/EG] gestelde vereisten plus het bij
artikel 21 van deze richtlijn vereiste bedrag. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Afdeling
3 Õ berekening van de geconsolideerde
vereisten ê98/31/EG
artikel 1, punt 4 (aangepast) Artikel 26 1. Wanneer geen gebruik wordt
gemaakt van de in de leden 7 en 9 Ö artikel
22 Õ bedoelde
ontheffing, kunnen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de
kapitaalvereisten (bijlagen I en VIII) en de
risico's met betrekking tot cliënten ( Ö artikelen 28
tot en met 32 en Õ bijlage VI) op
geconsolideerde basis, toestaan dat posities in de handelsportefeuille van één
instelling worden gecompenseerd met posities in de handelsportefeuille van een
andere instelling overeenkomstig de voorschriften van de Ö artikelen 28
tot en met 32 en de Õ bijlagen I, VI en VIII. Zij kunnen ook toestaan dat valutaposities bij
één instelling worden gecompenseerd met valutaposities bij een andere
instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III en/of bijlage VIII. Voorts kunnen zij toestaan dat posities in
grondstoffen bij één instelling worden gecompenseerd met posities in
grondstoffen bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van
bijlage VII Ö IV Õ en/of bijlage VIII. ê 93/6/EEG
artikel 7, punt 11 (aangepast) 2. De bevoegde autoriteiten kunnen ook compensatie toestaan met betrekking tot de
handelsportefeuille-, alsmede de valuta- en grondstoffenposities van in derde
landen gevestigde ondernemingen, mits tegelijkertijd wordt voldaan aan de
onderstaande voorwaarden: i) a) aan die ondernemingen is
vergunning verleend in een derde land en zij beantwoorden aan de definitie van
kredietinstelling in artikel 1 Ö 4, lid
1 Õ , eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG
Ö [2000/12/EG] Õ , of zijn erkende
beleggingsondernemingen uit een derde land; ii) b) die
ondernemingen voldoen op niet-geconsolideerde basis aan kapitaalvereisten die
gelijkwaardig zijn aan de kapitaalvereisten van deze richtlijn; iii) c) in
de betrokken landen bestaan geen voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor
de overdracht van middelen binnen de groep. ê 93/6/EEG
artikel 7, punt 12 (aangepast) 3. De bevoegde autoriteiten mogen
tevens toestemming verlenen voor compensatie als beschreven in lid 10 Ö 1 Õ , tussen
instellingen binnen een groep waaraan in de betrokken Lid-Staat vergunning is
verleend, op voorwaarde dat: i) a) er binnen de groep een adequate
verdeling van kapitaal is; ii) b) het
reglementaire, juridische en/of contractuele kader waarbinnen de instellingen
werken wederzijdse financiële ondersteuning binnen de groep waarborgt. ê 93/6/EEG
artikel 7, punt 13 (aangepast) 4. Bovendien mogen de bevoegde
autoriteiten compensatie als beschreven in lid 10 Ö 1 Õ toestaan tussen
instellingen binnen een groep die voldoen aan de voorwaarden van lid 12 Ö 3 Õ en elke
instelling binnen die zelfde groep waaraan in een andere Lid-Staat vergunning
is verleend, op voorwaarde dat die instelling verplicht is op
niet-geconsolideerde basis te voldoen aan de haar door de artikelen 4 en 5 Ö 18, 20 en
28 Õ opgelegde
kapitaalvereisten. ê 93/6/EEG
artikel 7, punten 14 en 15 (aangepast) Artikel 27 1. Voor de berekening van het eigen
vermogen op geconsolideerde basis is artikel 5 Ö 65 Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ van toepassing. 2. De bevoegde autoriteiten die
belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis, mogen
de specifieke definities van eigen vermogen welke overeenkomstig hoofdstuk IV
voor de betrokken instellingen gelden, als toepasselijk bij de berekening van
hun geconsolideerd eigen vermogen aanmerken. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Afdeling
4 Õ Ö BEWAKING EN BEHEERSING VAN GROTE RISICO'S Õ ê 93/6/EEG
artikel 5, lid 1 (aangepast) Artikel 28 1. Instellingen
dienen hun grote risico's te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG Ö de artikelen
106 tot en met 118 van Richtlijn [2000/12/EG] Õ. ê98/31/EG artikel
1, punt 3 (aangepast) 2. Niettegenstaande Ö In afwijking
van Õ lid 1 dienen
instellingen die de kapitaalvereisten met betrekking tot hun
handelsportefeuille overeenkomstig de bijlagen I en II en, in voorkomend geval,
bijlage VIII berekenen, hun grote risico’s te
bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn
92/121/EEG Ö de artikelen
106 tot en met 118 van Richtlijn [2000/12/EG] Õ , behoudens de in de
artikelen 27 tot en met 30 Ö 29 tot en met
32 Õ van deze onderhavige
richtlijn neergelegde wijzigingen. ò nieuw 3. Uiterlijk 31 december 2007 brengt de
Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de
toepassing van deze afdeling, eventueel vergezeld van passende voorstellen. ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 2 (aangepast) ð nieuw Artikel 29 1. De risico's op individuele
cliënten in het kader van de handelsportefeuille worden berekend door optelling
van de onderstaande posten i) tot en met iii): i) a) het verschil - indien
positief - tussen de hausse- en baisseposities van de instelling in alle door
de betrokken cliënt uitgegeven financiële instrumenten, Ö waarbij Õ (de
netto-positie in elk onderscheiden instrument wordt berekend volgens de in
bijlage I omschreven methode); ii) b) in
het geval van overneming van een schuld- of
aandeleninstrument, is het risico voor de instelling haar Ö het Õ netto-risico(berekend door
aftrek van de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of
door derden herovergenomen overnemingsposities), verminderd met de factoren
vermeld in bijlage I, punt 39.; iii)c) de risico's in verband met de in bijlage II bedoelde
transacties, overeenkomsten en contracten met de betrokken cliënt; deze
risico's worden berekend zoals voorgeschreven in die bijlage ð voor de risicowaardering ï , zonder toepassing van de wegingsfactoren voor
het tegenpartijrisico. Ö Voor de
toepassing van punt b) wordt het nettorisico berekend door aftrek van de op
grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden
herovergenomen overnemingsposities, en verminderd met de factoren vermeld in
bijlage I, punt 41. Õ Ö Voor de
toepassing van punt b) en Õ Iin
afwachting van verdere coördinatie schrijven de bevoegde autoriteiten voor dat
de instellingen systemen invoeren voor bewaking en beheersing van hun
overnemingsrisico's in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke
verbintenis en werkdag 1, rekening houdend met de aard van de risico's waaraan
zij op de bewuste markten blootstaan;. ð Voor de toepassing van punt c) geldt
dat de verwijzing in bijlage II, punt 5, van deze richtlijn geen betrekking
heeft op de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn [2000/12/EG].ï ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 3 (aangepast) 2. Vervolgens
worden dDe
risico's met betrekking tot groepen van verbonden cliënten in het kader van de
handelsportefeuille worden berekend door
optelling van de risico's met betrekking tot de individuele cliënten in een
groep, zoals berekend in punt 12. ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 4 (aangepast) Artikel 30 1. De totale risico's met betrekking
tot individuele cliënten of groepen van verbonden cliënten worden berekend door
de risico's met betrekking tot de activiteiten in en buiten het kader van hun
handelsportefeuille op te tellen, met inachtneming van Ö de Õ artikelen 4, leden 6 tot en met
12, Ö 112 tot en met
117 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ. Ter berekening van het risico met betrekking tot
activiteiten buiten het kader van de handelsportefeuille beschouwen
instellingen het risico verbonden aan activa die op grond van punt 2 Ö artikel 13, lid
2 Õ , onder (d), van bijlage V op hun eigen vermogen in mindering worden
gebracht, als nul. ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 5 (aangepast) ð nieuw 2. De totale risico's van instellingen
met betrekking tot individuele cliënten en groepen van verbonden cliënten, als
berekend overeenkomstig punt 4, worden overeenkomstig artikel 3 Ö 110 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ gemeld. ðTenzij het repo’s en verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen betreft, wordt voor de berekening van grote
risico’s op cliënten en groepen van verbonden cliënten voor
rapportagedoeleinden geen rekening gehouden met kredietrisicovermindering. ï ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 6 (aangepast) 3. Behoudens de
overgangsbepalingen van artikel 6 van Richtlijn 92/121/EEG gelden vVoor die Ö in lid 1
bedoelde Õ som van de risico's
met betrekking tot een individuele cliënt of groep van verbonden cliënten gelden de grenswaarden van Ö de Õ artikelen 4 Ö 111 tot en met
117 Õ van die rRichtlijn Ö [2000/12/EG] Õ. ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 7 (aangepast) 4. Ö In afwijking
van ÕOnverminderd punt 6 Ö lid 3 Õ mogen de bevoegde
autoriteiten toestaan dat activa in de vorm van vorderingen en andere risico's
op beleggingsondernemingen, erkende
beleggingsondernemingen van derde landen en erkende «clearing»-instellingen en
beurzen in financiële instrumenten, op dezelfde wijze worden behandeld als de
vorderingen en risico's op kredietinstellingen op
grond van artikel Ö 113, lid 2,
onder i), artikel 115, lid 2, en artikel 116 Õ 4, lid 7, onder i), lid 9 en lid 10, van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EC]. Õ ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 8 (aangepast) Artikel 31 De bevoegde autoriteiten mogen toestaan dat
de in Ö de Õ artikelen 4 Ö 111 tot en
met 117 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ vastgestelde
grenswaarden worden overschreden, mits tegelijkertijd
aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. a) het risico buiten de
handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van cliënten is niet groter
dan de in Ö de artikelen
111 tot en met 117 van Õ Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ gestelde
grenswaarden, berekend met betrekking tot het eigen vermogen als omschreven in
Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , zodat de
overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille; 2.b) de instelling voldoet aan een aanvullend kapitaalvereiste
voor de overschrijding van de in artikel 4 Ö 111 Õ , leden 1 en 2,
van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ gestelde
grenswaarden Ö , berekend
overeenkomstig bijlage VI van deze richtlijn; Õ . 3.c) wanneer niet meer dan tien
dagen zijn verstreken sedert het ontstaan van de overschrijding, bedraagt het
risico binnen de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van
verbonden cliënten niet meer dan 500 % van het eigen vermogen van de
instelling; 4.d) alle
overschrijdingen die langer dan tien dagen duren, bedragen samen niet meer dan
600 % van het eigen vermogen van de instelling; 5 .e) de
instellingen dienen om de drie maanden aan de bevoegde autoriteiten alle
gevallen te melden waarin de grenswaarden van artikel 4
Ö 111 Õ , leden 1 en 2,
van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ in de afgelopen
drie maanden zijn overschreden. Voor elk geval waarin de Ö onder e)
bedoelde Õ grenswaarden zijn
overschreden, dient opgave te worden gedaan van de hoogte van de overschrijding
en van de naam van de betrokken cliënt. ê 93/6/EEG
bijlage VI, punten 9 en 12 (aangepast) Artikel 32 1. De bevoegde autoriteiten stellen
procedures vast - waarvan zij kennisgeving doen aan de
Raad en de Commissie - om te voorkomen dat instellingen de aanvullende
kapitaalvereisten die voortvloeien uit het langer dan tien dagen voortduren van
risico's boven de grenswaarden van artikel 4 Ö 111 Õ , leden 1 en 2,
van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , opzettelijk
omzeilen door deze risico's tijdelijk naar een andere onderneming, al of niet
behorend tot dezelfde groep, over te dragen en/of door middel van kunstmatige
transacties waardoor het risico binnen de periode van tien dagen wordt
beëindigd en een nieuw risico wordt gecreëerd. De
instellingen dienen te zorgen voor regelingen die waarborgen dat elke
overdracht die dit effect heeft, onmiddellijk ter kennis van de bevoegde
autoriteiten wordt gebracht. De bevoegde autoriteiten geven Ö de Raad
en Õ de Commissie
kennis van die procedures. De instellingen dienen te zorgen voor
regelingen die waarborgen dat elke overdracht die dit effect heeft,
onmiddellijk ter kennis van de bevoegde autoriteiten wordt gebracht. 2. De bevoegde autoriteiten kunnen
instellingen die overeenkomstig punt 2 van bijlage V
Ö artikel 13,
lid 2, Õ de alternatieve definitie Ö berekening Õ van het eigen
vermogen mogen hanteren, toestaan die definitie Ö berekening Õ te gebruiken voor
de toepassing van bovenstaande punten 5, 6 en 8 Ö artikel 30,
leden 2 en 3, en artikel 31 Õ , mits de
betrokken instellingen daarenboven moeten voldoen
aan alle in de artikelen 3 en 4 Ö 110 tot en
met 117 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ voorgeschreven
verplichtingen met betrekking tot risico's buiten hun handelsportefeuille, door
gebruikmaking van eigen vermogen in de zin van Richtlijn 89/299/EEG
Ö [2000/12/EG] Õ . ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Afdeling
5 Õ WAARDERING VAN POSITIES VOOR
RAPPORTAGEDOELEINDEN Artikel 33 ò nieuw 1. Op alle in de handelsportefeuille
opgenomen posities worden conservatieve waarderingsregels in de zin van bijlage
VII, deel B, toegepast. Deze regels verplichten de instellingen ertoe aan elke
positie in de handelsportefeuille een waarde toe te kennen die de actuele
marktwaarde adequaat weerspiegelt. In deze waarde dient een zekerheidsmarge te
zijn verdisconteerd waarin rekening is gehouden met het dynamische karakter van
de betrokken posities, de eisen inzake prudentiële soliditeit en de doelstellingen
en de toepassing van de kapitaalvereisten met betrekking tot de
handelsportefeuille. 2. De
posities worden ten minste dagelijks gewaardeerd. ê 93/6/EEG
artikel 6 (aangepast) 1. Instellingen dienen hun handelsportefeuilles
dagelijks tegen marktwaarde te waarderen, tenzij zij onder artikel 4, lid 6,
vallen. 23. Bij
ontstentenis van direct beschikbare marktprijzen, bij voorbeeld indien het nieuwe emissies op de
primaire markten betreft, behoeven
de bevoegde autoriteiten het vereiste van lid
de leden 1 Ö en 2 Õ niet toe te
passen, en mogen zij
voorschrijven zij voor dat de instellingen andere
waarderingsmethoden gebruiken, mits deze methoden voldoende voorzichtig zijn en
door de bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd. ê93/6/EEG TOEZICHT OP GECONSOLIDEERDE BASIS ò nieuw werkingssfeer ê 93/6/EEG Artikel
7 Algemene beginselen ê 98/31EG artikel
7, lid 10 10. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in de leden 7 en 9
bedoelde ontheffing, kunnen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de
kapitaalvereisten (bijlagen I en VIII) en de risico's met betrekking tot
cliënten (bijlage VI) op geconsolideerde basis, toestaan dat posities in de
handelsportefeuille van één instelling worden gecompenseerd met posities in de
handelsportefeuille van een andere instelling overeenkomstig de voorschriften
van de bijlagen I, VI en VIII. Zij kunnen ook toestaan dat
valutaposities bij één instelling worden gecompenseerd met valutaposities bij
een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III en/of
bijlage VIII. Voorts kunnen zij toestaan dat posities in grondstoffen bij één
instelling worden gecompenseerd met posities in grondstoffen bij een andere
instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII en/of bijlage VIII. ò nieuw afdeling 6 Risicobeheer en
beoordeling van de kapitaaltoereikendheid Artikel 34 De bevoegde
autoriteiten schrijven voor dat alle beleggingsondernemingen niet alleen aan de
eisen van artikel 13 van Richtlijn 2004/39/EG, maar ook aan de eisen van de
artikelen 22 en 123 van Richtlijn [2000/12/EG] voldoen. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Afdeling
7 Õ RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN ê 93/6/EEG
artikel 8 (aangepast) Artikel 35 1. De Llid-Sstaten
schrijven voor dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen aan de
bevoegde autoriteiten van de Llid-Sstaat van herkomst alle nodige gegevens
verstrekken om te beoordelen of zij voldoen aan de regels die ingevolge deze
richtlijn zijn vastgesteld. De Llid-Sstaten
dragen er tevens zorg voor dat de interne controlemechanismen en de
administratieve en boekhoudprocedures van de instellingen het mogelijk maken te
allen tijde na te gaan of aan deze regels wordt voldaan. 2. Beleggingsondernemingen
dienen verplicht te zijn aan de bevoegde
autoriteiten, op de door deze autoriteiten voorgeschreven wijze, verslag uit te
brengen, en wel ten minste eenmaal per maand in het geval van ondernemingen als
bedoeld in artikel 3, lid 3, Ö 9 Õ ten minste eens in
de drie maanden in het geval van de onder artikel 3
Ö 5 Õ , lid 1, vallende
ondernemingen, en ten minste eens in de zes maanden in het geval van de onder
artikel 3 Ö 5 Õ , lid 2, vallende
ondernemingen. 3. Onverminderd
lid 2 hoeven de onder artikel 3, leden Ö 5, lid Õ 1 en 3 Ö artikel 9 Õ , vallende
beleggingsondernemingen de gegevens op geconsolideerde of op gesubconsolideerde
basis slechts eens in de zes maanden te verstrekken. 4. Kredietinstellingen
dienen verplicht te zijn aan de bevoegde autoriteiten op de door deze
autoriteiten voorgeschreven wijze verslag uit te brengen met dezelfde
frequentie als voor hun rapportageverplichtingen ingevolge Richtlijn 89/647/EEG Ö [2000/12/EG] Õ . ê98/31/EG artikel
1, punt 5 5. De bevoegde
autoriteiten verplichten instellingen ertoe om hen onmiddellijk in kennis te
stellen van gevallen waarin hun tegenpartijen bij retrocessieovereenkomsten en
omgekeerde retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte en opgenomen effecten-
of grondstoffenleningen in gebreke blijven. De Commissie
brengt uiterlijk drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum bij de Raad
verslag uit over die gevallen en over de gevolgen daarvan voor de behandeling
van dergelijke overeenkomsten en transacties in deze richtlijn. In dat verslag wordt ook uiteengezet op welke
wijze instellingen voldoen aan de voorwaarden i) tot en met v) van artikel 2,
punt 6, onder b), welke op die instellingen van toepassing zijn, inzonderheid
voorwaarde v). Voorts
worden in dat verslag nadere gegevens verstrekt over eventuele veranderingen in
de relatieve omvang van de door de instellingen verstrekte traditionele
leningen en de leningen die zij verstrekken via omgekeerde
retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen. Indien de Commissie op grond van dit verslag
en van andere informatie concludeert dat verdere waarborgen nodig zijn om
misbruiken te voorkomen, dient zij passende voorstellen in. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Hoofdstuk
VI Õ Ö Afdeling
1 Õ BEVOEGDE AUTORITEITEN ê 93/6/EEG
artikel 9 (aangepast) Artikel 36 1. De Llid-Sstaten
wijzen de autoriteiten aan die Ö bevoegd zijn
om Õ de in deze
richtlijn omschreven taken moeten vervullen. Zij stellen de Commissie van
deze aanwijzing in kennis, onder vermelding van een eventuele taakverdeling. 2. De in lid
1 bedoelde Ö bevoegde Õ autoriteiten
moeten overheidsinstanties zijn of lichamen die bij de nationale wetgeving of
door overheidsinstanties officieel zijn erkend als deel uitmakend van het in de
betrokken Llid-Sstaat
geldende stelsel van toezicht. 3. Aan de betrokken Ö bevoegde Õ autoriteiten moeten worden alle
benodigde bevoegdheden worden verleend
voor de vervulling van hun taken, in het bijzonder met het oog op het toezicht
op de samenstelling van de handelsportefeuille. 1.
4. De bevoegde
autoriteiten van de onderscheiden Lid-Staten werken nauw samen voor de
uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken, in het bijzonder wanneer
beleggingsdiensten worden verstrekt in het kader van dienstverrichting of door
het vestigen van bijkantoren in een of meer Lid-Staten. Zij verstrekken elkaar
op verzoek alle gegevens die het toezicht op de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, en in het bijzonder het
controleren van de naleving van de in deze richtlijn vastgelegde regels kunnen
vergemakkelijken. Voor elke uitwisseling van gegevens tussen bevoegde
autoriteiten op grond van deze richtlijn geldt, met betrekking tot
beleggingsondernemingen, de geheimhoudingsplicht omschreven in artikel 25 van
Richtlijn 93/22/EEG en, met betrekking tot kredietinstellingen, de
geheimhoudingsplicht omschreven in artikel 12 van Richtlijn 77/780/EEG, als
gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG. ò nieuw Afdeling 2 Toezicht Artikel 37 1. Met
inachtneming van het volgende, zijn de artikelen 124 tot en met 132, 136 en 144
van Richtlijn [2000/12/EG] van overeenkomstige toepassing op
beleggingsondernemingen: a) verwijzingen
naar artikel 6 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden als verwijzingen naar artikel
5 van Richtlijn 2004/39/EG; b) verwijzingen
naar de artikelen 22 en 123 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden als verwijzingen
naar artikel 34 van deze richtlijn; c) verwijzingen
naar de artikelen 44 tot en met 52 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden als
verwijzingen naar de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG. Wanneer een
financiële EU-moederholding een kredietinstelling en een beleggingsonderneming
als dochterondernemingen heeft, wordt één bevoegde autoriteit die voor het
toezicht op de kredietinstelling verantwoordelijk is, aangewezen als bevoegde
autoriteit voor het geconsolideerd toezicht op de entiteiten waarover de
moederonderneming zeggenschap heeft. 2. De
voorwaarden van artikel 129, lid 2, van Richtlijn [2000/12/EG] gelden eveneens
voor de erkenning van interne modellen van instellingen overeenkomstig bijlage
V van deze richtlijn. De termijn voor de in bovenstaande alinea bedoelde erkenning bedraagt
zes maanden. ê 93/6/EEG
artikel 9, lid 4 (aangepast) Artikel 38 1. De bevoegde autoriteiten van de onderscheiden Llid-Sstaten werken nauw samen voor de uitvoering van
de in deze richtlijn omschreven taken, in het bijzonder wanneer
beleggingsdiensten worden verstrekt in het kader van dienstverrichting of door
het vestigen van bijkantoren in een of meer Lid-Staten.
Zij verstrekken elkaar op verzoek alle gegevens
die het toezicht op de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen
en kredietinstellingen, en in het bijzonder het controleren van de
naleving van de in deze richtlijn vastgelegde regels kunnen vergemakkelijken. 2. Voor elke uitwisseling van
gegevens tussen bevoegde autoriteiten op grond van deze richtlijn geldt, met
betrekking tot beleggingsondernemingen, de geheimhoudingsplicht Ö : Õ a) Ö met
betrekking tot beleggingsondernemingen, als Õ omschreven in Ö de Õ artikel 25 Ö en 54 en
58 Õ van Richtlijn 93/22/EEG Ö 2004/39/EG; Õ b) en, met betrekking tot
kredietinstellingen, Ö als Õ omschreven in Ö de Õ artikel 12 Ö en 44 tot en
met 52 Õ van Richtlijn 77/780/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn
89/646/EEG Ö van
Richtlijn [2000/12/EG] Õ . ò nieuw Hoofdstuk VII Openbaarmaking Artikel 39 De voorschriften
van titel V, hoofdstuk 5, van Richtlijn [2000/12/EG] zijn van toepassing op
beleggingsondernemingen. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Hoofdstuk
VIII Õ Ö Afdeling
1 Õ ò nieuw Artikel 40 Onverminderd het bepaalde in de bijlage III, punten
twee tot en met zes, van Richtlijn [2000/12/EG], worden voor de berekening van
de minimumkapitaalvereisten welke gelden ten aanzien van het tegenpartijrisico
op grond van deze richtlijn en ten aanzien van het kredietrisico op grond van
Richtlijn [2000/12/EG], posities op erkende beleggingsondernemingen uit derde
landen en posities op erkende clearinginstellingen en beurzen behandeld als posities
op instellingen. Artikel 41 De behandeling
van het tegenpartijrisico zoals omschreven in bijlage II wordt uiterlijk tegen
31 december 2008 door de Commissie geëvalueerd en, zo nodig, herzien. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Afdeling
2 Õ Ö Uitvoeringsbevoegdheden Õ ê 93/6/EEG
artikel 10 (aangepast) ð nieuw Artikel 42 1. In afwachting van de aanneming van een volgende richtlijn waarin
bepalingen worden vastgesteld tot aanpassing van deze richtlijn aan de
technische vooruitgang op de hierna genoemde gebieden, neemt de Raad
overeenkomstig Besluit 87/373/EEG, met gekwalificeerde meerderheid op voorstel
van de Commissie, de nodige aanpassingen aan: Ö De Commissie
neemt volgens de procedure van artikel 43, lid 2 besluiten aan over wijzigingen
op de volgende gebieden: Õ a) verduidelijking van de definities van
artikel 2 Ö 3 om Õ ten einde een eenvormige toepassing van deze richtlijn
in de Gemeenschap te verzekeren, b) verduidelijking van de definities van
artikel 2 Ö 3 Õ om rekening te
houden met de ontwikkelingen op de financiële markten, c) wijziging van de in Ö de Õ artikel Ö en 5 tot en met
9 Õ 3 vermelde bedragen van het aanvangskapitaal en van het
in artikel 4, lid 6, Ö 18, lid
2, Õ genoemde bedrag om
rekening te houden met de ontwikkelingen op economisch en monetair gebied, ðd) wijziging van de in artikel 20, leden 2 en 3, genoemde categorieën van
beleggingsondernemingen om rekening te houden met de ontwikkelingen op de
financiële markten, ï ðe) verduidelijking van het vereiste van artikel 21 om
een eenvormige toepassing van deze richtlijn in de Gemeenschap te verzekeren, ï f) aanpassing van de terminologie aan en
formulering van de definities overeenkomstig latere besluiten betreffende
instellingen en aanverwante onderwerpen., ðg) wijziging van de technische voorschriften van de
bijlagen I tot en met VII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de
financiële markten en inzake risicometing, standaarden voor jaarrekeningen en
door de Gemeenschapswetgeving gestelde eisen. ï ò nieuw Artikel 43 1. De
Commissie wordt bijgestaan door een comité. 2. Wanneer
naar dit lid wordt verwezen, is de procedure van artikel 5 van Besluit
1999/468/EG met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit
van toepassing. De in artikel 5, lid 6,
van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden. ê 93/6/EEG
(aangepast) Ö Afdeling
3 Õ OVERGANGSBEPALINGEN ê93/6/EG artikel 11 Artikel 11 1. De Lid-Staten
mogen vergunning verlenen aan de beleggingsondernemingen vallend onder artikel
30, lid 1, van Richtlijn 93/22/EEG waarvan het eigen vermogen op de datum van
toepassing van deze richtlijn lager is dan het bedrag voorgeschreven uit hoofde
van artikel 3, leden 1 tot en met 3. Het eigen vermogen van die
beleggingsondernemingen moet daarna echter voldoen aan de voorwaarden gesteld
in artikel 3, leden 5 tot en met 8. 2. Onverminderd het bepaalde in punt 14 van bijlage I mogen de
Lid-Staten met betrekking tot obligaties waaraan uit hoofde van artikel 11, lid
2, van Richtlijn 89/647/EEG in die richtlijn een risicowegingsfactor van 10 %
is toegekend, een vereiste voor het specifieke risico vaststellen, dat gelijk
is aan de helft van het vereiste voor gekwalificeerde posten met dezelfde
resterende looptijd als die obligatie. ê98/31/EG artikel
1, punt 6 (aangepast) Artikel 1 Tot en met 31 december
2006 kunnen de lidstaten hun instellingen toestaan de minimale «spread»-,
overdrachts- en «outright»-coëfficiënten van onderstaande tabel te gebruiken in
plaats van de in de punten 13, 14, 17 en 18 van bijlage VII genoemde, op
voorwaarde dat de instellingen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten: i) in
aanzienlijke mate in grondstoffen handelen ii) een
gediversifieerde grondstoffenportefeuille hebben, en iii) nog niet in
een positie verkeren om voor de berekening van het kapitaalvereiste met
betrekking tot het grondstoffenrisico van interne modellen gebruik te maken
overeenkomstig bijlage VIII. Tabel I || Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Zachte grondstoffen (landbouw) || Overige, met inbegrip van energieproducten Spreadcoëfficiënt (%) || 1.0 || 1.2 || 1.5 || 1.5 Overdrachtscoëfficiënt (%) || 0.3 || 0.5 || 0.6 || 0.6 Outrightcoëfficiënt (%) || 8 || 10 || 12 || 15 De lidstaten stellen de
Commissie op de hoogte van het gebruik dat zij maken van dit artikel. ò nieuw Artikel 44 Overeenkomstig
artikel 2 en hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, van deze richtlijn is artikel 152,
leden 1 tot en met 6, van Richtlijn [2000/12/EG] van toepassing op
beleggingsondernemingen die voor de toepassing van bijlage II van deze richtlijn
risicogewogen posten berekenen volgens de artikelen 84 tot en met 89 van
Richtlijn [2000/12/EG] of die voor de berekening van hun kapitaalvereisten met
betrekking tot operationele risico’s gebruik maken van de geavanceerde
meetbenadering (AMA – Advanced Measurement Approach) zoals omschreven in
artikel 105 van die richtlijn. Artikel 45 Tot en met 31 december 2012 kunnen de lidstaten ten
aanzien van beleggingsondernemingen waarvan de relevante indicator betreffende
de trading- en salesafdeling ten minste 50% uitmaakt van het totaal van de
relevante indicatoren voor alle divisies, berekend overeenkomstig artikel 20
van deze richtlijn en bijlage X, deel 2, punten 1 tot en met 8, van Richtlijn
[2000/12/EG], een percentage van 15% hanteren voor de afdeling “trading en
sales”. ê 93/6/EEG
artikel 12 (aangepast) ð nieuw Ö Afdeling
4 Õ SLOTBEPALINGEN Artikel 46 1. De
Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in
werking treden om uiterlijk op de datum vastgesteld in artikel 31, tweede
alinea, van Richtlijn 93/22/EEG aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de
Commissie daarvan onverwijld in kennis. 1. De
lidstaten dragen er zorg voor dat uiterlijk op 31 december 2006 de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen worden vastgesteld en
bekendgemaakt om aan de artikelen 2, 3, 11, 13, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25,
29, 30, 33, 34, 35, 37, 39, 40, 42, 44, 45 en 47, en de bijlagen I, II, III, V
en VII te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede
alsmede een concordantietabel ter weergave van het verband tussen die
bepalingen en deze richtlijn. Zij passen die bepalingen toe vanaf 31 december
2006. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen,
wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze
richtlijn verwezen. Ö In de
bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in de bestaande wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken
richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. ÕDe regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de
Lid-Staten. 2. De
lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van
intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied
vaststellen. ò nieuw Artikel 47 1. In het kader van deze richtlijn is artikel
152, leden 7 tot en met 12, van Richtlijn [2000/12/EG] van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in gevallen waarin het recht op
beroepsgeheim als bedoeld in artikel 152, lid 7, van Richtlijn [2000/12/EG]
wordt uitgeoefend, het volgende geldt: a) de verwijzingen in bijlage II, punt 6, van Richtlijn
[2000/12/EG] worden gelezen als verwijzingen naar Richtlijn 2000/12/EG zoals
deze luidde vóór de in artikel 46 genoemde datum; b) Het bepaalde
in bijlage II, punt 4.1, is van toepassing zoals dit luidde vóór de in artikel
46 genoemde datum. 2. Artikel
157, lid 2, van Richtlijn [2000/12/EG] geldt mutatis mutandis voor de
toepassing van de artikelen 18 en 20. ê93/6/EEG
artikel 13 Artikel 13 De Commissie dient bij de Raad ten spoedigste
voorstellen in voor kapitaalvereisten met betrekking tot de grondstoffenhandel,
van grondstoffen afgeleide instrumenten en rechten van deelneming van
instellingen voor collectieve belegging. De Raad spreekt zich uiterlijk zes maanden vóór de
datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, uit over de voorstellen van
de Commissie. ò nieuw Artikel 48 Richtlijn
93/6/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VIII, deel A, genoemde richtlijnen,
wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met
betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijn voor omzetting in
nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen. Verwijzingen naar
de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige
richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage IX opgenomen
concordantietabel. Artikel 49 Deze richtlijn
treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in
het Publicatieblad van de Europese Unie. ê93/6/EEG
artikel 14 HERZIENINGSCLAUSULE Artikel 14 Binnen drie
jaar na de in artikel 12 bedoelde datum gaat de Raad, op voorstel van de
Commissie, over tot onderzoek en, indien nodig, herziening van de richtlijn in
het licht van de ervaring die met de toepassing ervan is opgedaan; daarbij
houdt hij rekening met de vernieuwingen op de markt en, in het bijzonder, de
ontwikkelingen in de internationale forums van regulerende autoriteiten. ê93/6/EEG
artikel 15 Artikel 50 Deze richtlijn is gericht tot de Llid-Sstaten. Gedaan te Brussel, […] Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De voorzitter […] […] ê 93/6/EEG
(aangepast) ð nieuw BIJLAGE I ð BEREKENING VAN DE
KAPITAALVEREISTEN VOOR HET ï POSITIERISICO INLEIDING Ö ALGEMENE
BEPALINGEN Õ Saldering 1. Het saldo van de hausseposities (baisseposities)
van de instelling tegenover haar baisseposities (hausseposities) posities in
dezelfde aandelen, schuldinstrumenten en converteerbare waardepapieren en
identieke financiële futures, opties, warrants en gedekte warrants, is de
netto-positie van de instelling in elk van de verschillende instrumenten. Bij
de berekening van de netto-positie staan de bevoegde autoriteiten toe dat
posities in afgeleide instrumenten op de in de punten 4 tot en met 7 beschreven
wijze behandeld worden als posities in de onderliggende (of virtuele) effecten.
Door de instelling gehouden eigen schuldinstrumenten worden niet in aanmerking
genomen bij de berekening van het specifieke risico overeenkomstig punt 14. 2. Tussen een converteerbaar waardepapier
en een compenserende positie in het onderliggende instrument is geen saldering
toegestaan, tenzij de bevoegde autoriteiten een benadering volgen waarbij
rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid van de conversie van een
bepaald converteerbaar waardepapier, of een kapitaalvereiste stellen ter
dekking van eventuele bij conversie geleden verliezen. 3. Alle netto-posities, ongeacht of zij
positief of negatief zijn, moeten voordat zij worden samengevoegd, op dagbasis
tegen de geldende contante wisselkoers worden omgerekend in de rapportagevaluta
van de instelling. Specifieke instrumenten ê 93/6/EEG
(aangepast) è1 1 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder c) è1 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder a) 4. Rentefutures, rentetermijncontracten
(FRA's) en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten
worden behandeld als combinaties van hausse- en baisseposities. Aldus wordt een
lange rentefuturepositie behandeld als een combinatie van een schuld die
vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de
vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of de virtuele positie die aan
het futurecontract in kwestie ten grondslag liggen. Evenzo wordt een verkocht
FRA behandeld als een haussepositie die vervalt op de afwikkelingsdatum,
verlengd met de contractduur, en een baissepositie die vervalt op de
afwikkelingsdatum. Zowel de schuld als de vordering worden opgenomen in de kolom «centrale overheid» Ö eerste
categorie Õ van tabel 1 in
punt 14 Ö 14 Õ voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke
risico in verband met rentefutures en FRA's. Een termijnverbintenis tot aankoop
van een schuldinstrument wordt behandeld als een combinatie van een schuld die
vervalt op de leveringsdatum en een lange (contante) positie in het
schuldinstrument zelf. De schuld wordt opgenomen in de kolom «centrale overheid» Ö eerste
categorie Õ van tabel 1 Ö in punt
14 Õ voor het specifieke risico en het schuldinstrument in de daarvoor in
aanmerking komende kolom in dezelfde tabel. è1 --- ç ê98/31/EG artikel
1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder a) (aangepast) De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat
het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de
door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat
deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en
ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor een future dat zou
resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze
bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII
omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot en
met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een
OTC-derivatencontract van het type als bedoeld in dit punt en dat door een door
hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de
clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat
deze een nauwkeurige maatstaf van het aan het derivatencontract verbonden
risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor het
contract in kwestie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in
het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. ê 93/6/EEG
artikel 2, lid 22 (aangepast) Ö Voor de
toepassing van dit lid wordt onder Õ «haussepositie» voor de toepassing van bijlage I, punt 4: Ö verstaan, Õ een positie waarin
een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente
heeft vastgelegd en Ö onder Õ «baissepositie»:, een
positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te
betalen rente heeft vastgelegd;. ê 93/6/EEG 5. Opties op rente,
schuldinstrumenten, aandelen, aandelenindexen, financiële futures, swaps en
valuta's worden voor de toepassing van deze bijlage behandeld alsof het
posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van het onderliggende
instrument waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd
worden met compenserende posities in dezelfde onderliggende effecten of daarvan
afgeleide instrumenten. De gebruikte
delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten
berekende delta dan wel, indien deze niet beschikbaar is, of voor OTC-opties,
de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits de bevoegde
autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de instelling
gebruikte model. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel ook
voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de
bevoegde autoriteiten aangegeven methode. ê98/31/EG artikel
1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder b) (aangepast) De bevoegde autoriteiten
schrijven voor dat vVoor
de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, Ö moet Õ dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een
geschreven ter beurze verhandelde optie gelijk is aan de door de beurs
verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een
nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt, en ten minste
gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste ter dekking van een optie dat zou
resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze
bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII
omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006
toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-grondstoffenoptie die door een
door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de
clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat
deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de optie verbonden risico vormt en
ten minste gelijk is aan het kapitaalvereiste voor een OTC-optie dat zou
resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze
bijlage omschreven methoden dan wel van de in bijlage VIII
omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte ter
beurze verhandelde of OTC-optie gelijk is aan dat voor het onderliggende
instrument, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger
mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven
OTC-optie wordt vastgesteld op basis van het onderliggende instrument. ê98/31/EG artikel
1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder c) 6. Warrants die
betrekking hebben op schuldinstrumenten en aandelen, worden op dezelfde wijze
behandeld als opties in punt 5. ê 93/6/EEG 7. Swaps worden met
betrekking tot het renterisico op dezelfde basis behandeld als
balansinstrumenten. Aldus wordt een
renteswap waarbij een instelling een variabele rente ontvangt en een vaste
rente betaalt, behandeld als een haussepositie in een instrument met variabele
rente met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de volgende
rentevaststelling, en een baissepositie in een instrument met vaste rente en
met dezelfde looptijd als de swap zelf. ò nieuw 8. Voor kredietderivaten dient, tenzij anders is
bepaald, de onderliggende waarde van het contract te worden gebruikt. Voor de
berekening van het kapitaalvereiste voor het marktrisico van de partij die het
kredietrisico draagt (de "protectiegever") worden de posities als
volgt bepaald: Een
totale-opbrengstenswap geeft aanleiding tot boeking van een haussepositie onder
het algemeen marktrisico van de referentieverplichting en van een baissepositie
onder het algemeen marktrisico van een overheidsobligatie waaraan
overeenkomstig bijlage VI van Richtlijn [2000/12/EG] een risicogewicht van 0%
wordt toegewezen. Daarnaast geeft een dergelijke swap
aanleiding tot boeking van een haussepositie onder het specifieke risico van de
referentieverplichting. Voor een
kredietverzuimswap behoeft onder het algemeen marktrisico geen positie te
worden geboekt. Wat betreft het specifieke risico, dient de
instelling een synthetische haussepositie in een verplichting van de referentie‑entiteit
te boeken. Indien uit hoofde van het product premie- of
rentebetalingen verschuldigd zijn, dienen de desbetreffende kasstromen als
theoretische posities in een overheidsobligatie, met de corresponderende vaste
of variabele rente, te worden weergegeven. Een 'credit
linked note' geeft aanleiding tot boeking van een haussepositie onder het
algemeen marktrisico van de note zelf, zoals voor een renteproduct. Wat
betreft het specifieke risico, wordt een synthetische haussepositie in een
verplichting van de referentie‑entiteit geboekt. Tevens
wordt een haussepositie onder het specifieke risico van de emittent van de note
geboekt. Een 'first-asset-to-default' mandje geeft
aanleiding tot boeking, voor het theoretische bedrag, van een positie in een
verplichting van elke referentie-entiteit. Indien
het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de kredietwaardigheid
aantast kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van dit lid verkregen
kredietvereiste, dan kan dat maximumbedrag als kapitaalvereiste voor het
specifieke risico worden aangehouden. Een 'second-asset-to-default'
mandje geeft aanleiding tot boeking, voor het theoretische bedrag, van een
positie in een verplichting van elke referentie-entiteit minus één (die met het
kleinste kapitaalvereiste voor het specifieke risico). Indien
het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de kredietwaardigheid
aantast kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van dit lid verkregen
kredietvereiste, dan kan dat maximumbedrag als kapitaalvereiste voor het
specifieke risico worden aangehouden. Wanneer een credit
linked note-mandje een externe rating heeft en als gekwalificeerd
schuldinstrument wordt erkend, volstaat het één haussepositie voor het
specifieke risico van de emittent van de note in plaats van afzonderlijke
posities voor het specifieke risico van alle refentie-entiteiten te boeken. Een mandje dat
proportionele protectie verschaft, geeft wat betreft het specifieke risico
aanleiding tot boeking van een positie in elke referentie-entiteit, waarbij de
totale onderliggende waarde van het contract over de posities wordt gespreid in
verhouding tot het aandeel van elke aan een referentie-entiteit verbonden
risicopositie in de totale onderliggende waarde. Wanneer
voor een referentie-entiteit meer dan één verplichting in aanmerking komt,
wordt de verplichting met het hoogste risicogewicht in aanmerking genomen voor
het specifieke risico. In plaats van de looptijd van de verplichting
geldt de looptijd van de kredietderivaatovereenkomst. In hoofde van de
partij die het kredietrisico overdraagt ("de protectienemer") worden
de posities vastgesteld als spiegelbeeld van die van de protectiegever, behalve
voor credit linked notes (die bij de emittent geen aanleiding geven tot
een baissepositie). Als op een gegeven moment een combinatie van
een call-optie en een step-up optreedt, wordt het desbetreffende
tijdstip beschouwd als de looptijd van het protectie-instrument. In
het geval van nth-to-default kredietderivaten kunnen
protectienemers het specifieke risico van n-1 van de onderliggende waarden
(namelijk de n-1 activa met het laagste kapitaalvereiste voor het specifieke
risico) buiten beschouwing laten. ê 93/6/EEG
(aangepast) 89.
Instellingen die het renterisico op afgeleide instrumenten als bedoeld in de
punten 4 tot en met 7 op «discounted cash flow»-basis waarderen en beheren,
mogen gebruik maken van gevoeligheidsmodellen voor de berekening van de bovengenoemde
posities, en dienen daarvan gebruik te maken voor obligaties die over de
resterende looptijd, en niet aan het einde daarvan via terugbetaling van de
hoofdsom in één termijn worden afgelost. Zowel het model als het gebruik ervan
door de instelling moeten door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd.
Deze modellen moeten posities opleveren die dezelfde gevoeligheid voor
renteschommelingen hebben als de onderliggende cash flows. Bij de evaluatie van
deze gevoeligheid moet worden uitgegaan van onafhankelijke schommelingen in
over de gehele rendementscurve bemonsterde renten, waarbij ten minste één
gevoeligheidspunt in elk van de in tabel 2 van punt 18
Ö 20 Õ hieronder
genoemde looptijdklassen wordt genomen. De posities worden bij de berekening
van de kapitaalvereisten in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen van
de punten 15 tot en met 30 Ö 17 tot en
met 32 Õ . 910.
Instellingen die geen gebruik maken van modellen overeenkomstig punt 8 Ö 9 Õ , mogen in de plaats daarvan, met goedvinden van de bevoegde
autoriteiten, posities in afgeleide instrumenten als bedoeld in de punten 4 tot
en met 7 als volledig compenserende posities behandelen, mits zij ten minste aan
de volgende voorwaarden voldoen: ia) de
posities hebben dezelfde waarde en luiden in dezelfde valuta; iib) de
referentierenten (voor posities met variabele rente) of coupons (voor posities
met vaste rente) sluiten nauw bij elkaar aan; iiic) de
eerstvolgende data van rentevaststelling of, voor vastecouponposities, de
resterende looptijden vallen binnen de volgende grenzen samen: i) minder dan een maand: dezelfde dag; ii) tussen een maand en een jaar: binnen
zeven dagen; iii) meer dan een
jaar: binnen dertig dagen. 1011. De partij die effecten of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van
effecten overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die effecten
in lening geeft bij een effectenleningstransactie, dient deze effecten te
betrekken in de berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze
bijlage, mits deze effecten voldoen aan de criteria van artikel 2, punt 6, onder a) Ö 11 Õ . ê 93/6/EEG
(aangepast) 11. Posities in rechten van deelneming van instellingen voor collectieve
belegging worden onderworpen aan de kapitaalvereisten van Richtlijn 89/647/EEG,
in plaats van aan de positierisicovereisten uit hoofde van deze bijlage. Specifieke en algemene risico's 12. Het positierisico met betrekking tot
een verhandelbaar schuldinstrument of aandeel (of een van een schuldinstrument
of een aandeel afgeleid instrument) wordt met het oog op de berekening van het
desbetreffende kapitaalvereiste gesplitst in twee componenten. De eerste
component betreft het specifieke risico. Dit is het risico van een
prijsverandering in het betrokken instrument als gevolg van factoren die
verband houden met de emittent ervan of, in het geval van een afgeleid
instrument, de emittent van het onderliggende instrument. De tweede component
betreft het algemene risico. Dit is het risico van een
prijsverandering van het instrument als gevolg van (bij een verhandelbaar
schuldinstrument of van een schuldinstrument afgeleid instrument) een wijziging
in de rentestand of (bij een aandeel of van een aandeel afgeleid instrument)
een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met
enigerlei specifieke aspecten van de betrokken waardepapieren. VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN 13. De
instelling deelt haar nNetto-posities in Ö worden
ingedeeld Õ naar de valuta's
waarin zij luiden en berekent het kapitaalvereiste
voor het algemene en het specifieke risico Ö wordt
berekend Õ in elke valuta afzonderlijk. Specifiek risico ê 93/6/EEG ð nieuw 14. De instelling
brengt haar overeenkomstig punt 1 berekende netto-posities op grond van hun resterende
looptijden onder in de desbetreffende categorieën van tabel 1, en
vermenigvuldigt deze vervolgens met de wegingsfactoren. It shall sum
its weighted positions (regardless of whether they are long or short) in order
to calculate its capital requirement against specific risk. ðop grond van de emittent/debiteur, de externe
of interne kredietbeoordeling en hun resterende looptijden in de
handelsportefeuille onder in de desbetreffende categorieën van tabel 1, en
vermenigvuldigt deze vervolgens met de overeenkomstige wegingsfactoren. Zij
bepaalt de som van haar gewogen posities (ongeacht of het hausse- dan wel baisseposities
betreft) teneinde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke
risico te berekenen. ï ê 93/6/EEG Tabel 1 Posten van de centrale overheid || Gekwalificeerde posten || Overige posten || 0-6 maand || 6-24 maand || > 24 maand || 0,00 % || 0,25 % || 1,00 % || 1,60 % || 8,00 % ò nieuw Tabel 1 Posten || Kapitaalvereiste voor het specifieke risico Schuldtitels uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden, uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens de standaard- of interne-ratingbenadering een risicogewicht van 0% zou worden toegepast || 0% Schuldtitels uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden, uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens de standaardbenadering een risicogewicht van 20% of 50% zou worden toegepast Andere gekwalificeerde posten als gedefinieerd in punt 15 hierna || 0,25% (resterende looptijd tot eindvervaldatum van zes maand of minder) 1,00% (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan zes maand tot ten hoogste 24 maand) 1,60% (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maand) Alle andere || 8,00% 15. Voor de
toepassing van punt 14 wordt onder gekwalificeerde posten verstaan: a) hausse- en baisseposities
in activa waaraan een kredietkwaliteitstrap kan worden toegekend welke minstens
overeenkomt met de kwalificatie “investeringswaardig (investment grade)”
van de categorisering als bedoeld in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3,
onderafdeling 1, van Richtlijn [2000/12/EG]; b) hausse- en baisseposities
in activa die, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een PD hebben die
niet hoger is dan die van de onder a) hierboven bedoelde activa, volgens de
benadering van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 2, van Richtlijn
[2000/12/EG]; c) hausse- en baisseposities
in activa waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen exteren
kredietbeoordelingsinstelling beschikbaar is en die aan de volgende voorwaarden
voldoen: i) zij worden
door de betrokken instellingen als voldoende liquide beschouwd; ii) de
beleggingskwaliteit ervan is volgens de eigen beoordeling van de instelling
minstens gelijkwaardig aan die van de onder a) hierboven bedoelde activa; iii) zij zijn
genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt in een lidstaat of aan een
beurs in een derde land, mits deze beurs erkend is door de bevoegde
autoriteiten van de betrokken lidstaat; d) het betreft,
naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, hausse- en baisseposities in
activa uitgegeven door instellingen die aan de kapitaalvereisten van Richtlijn
[2000/12/EG] zijn onderworpen. De bevoegde
autoriteiten oefenen toezicht uit op de wijze waarop de schuldinstrumenten
worden beoordeeld, en wijzen de evaluatie van de instelling af indien aan de
betrokken instrumenten naar hun oordeel een te hoog specifiek risico verbonden
is om als gekwalificeerde posten te kunnen worden beschouwd. 16. De bevoegde
autoriteiten verlangen van de instellingen dat zij de maximumwegingsfactor van
tabel 1 toepassen op instrumenten waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit
van de emittent en/of ontoereikende liquiditeit een bijzonder risico verbonden
is. ê 93/6/EEG Algemeen risico a) Op grond van de looptijd ê 93/6/EEG
(aangepast) 1517. De
procedure voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het
algemene risico bestaat uit twee fasen. Eerst worden alle posities gewogen naar
looptijd (zoals uiteengezet in punt 16 Ö 18 Õ ) ten einde het
bedrag van het desbetreffende kapitaalvereiste te berekenen. Vervolgens kan dit
vereiste worden verlaagd wanneer een gewogen positie naast een tegengestelde
gewogen positie in dezelfde looptijdklasse wordt ingenomen. Verlaging van het
vereiste is ook toegestaan wanneer de tegengestelde gewogen posities zich in
verschillende looptijdklassen bevinden; de omvang van deze verlaging hangt af
van het zich al dan niet in dezelfde zone bevinden van de twee posities alsmede
van de concrete zones waarin zij zich bevinden. In totaal zijn er drie zones
(groepen van looptijdklassen). 1618. De
instelling brengt haar netto-posities onder in de desbetreffende
looptijdklassen in de tweede of derde kolom van tabel 2 van punt 18 Ö 20 Õ . Zij doet dit op
grond van resterende looptijden in het geval van vastrentende instrumenten en
op grond van de periode tot de volgende rentevaststelling in het geval van instrumenten
waarvan de rente vóór de eindvervaldatum kan veranderen. Zij maakt tevens
onderscheid tussen schuldinstrumenten met een coupon van 3 % of meer en
schuldinstrumenten met een coupon van minder dan 3 %, en deelt deze
dienovereenkomstig in in de tweede dan wel de derde kolom van tabel 2. Zij
vermenigvuldigt dan elk van deze netto-posities met de wegingsfactor die voor
de desbetreffende looptijdklasse is vermeld in de vierde kolom van tabel 2. ê 93/6/EEG 1719.
Vervolgens bepaalt zij de som van de gewogen hausseposities en de som van de
gewogen baisseposities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de
eerstgenoemde som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de
laatstgenoemde som, vormt de gecompenseerde gewogen positie in deze
looptijdklasse, terwijl de resterende hausse- of baissepositie de
niet-gecompenseerde gewogen positie in deze zelfde looptijdklasse is.
Vervolgens wordt het totaal van de gecompenseerde gewogen posities in alle
looptijdklassen berekend. 1820. De
instelling berekent het totaal van de niet-gecompenseerde gewogen
hausseposities voor de looptijdklassen in elk van de zones in tabel 2, ten
einde de niet-gecompenseerde gewogen haussepositie voor elke zone te bepalen.
Op dezelfde wijze wordt de som van de niet-gecompenseerde gewogen baisseposities
voor elke looptijdklasse in een bepaalde zone bepaald om te komen tot de
niet-gecompenseerde gewogen baissepositie voor deze zone. Het deel van de
niet-gecompenseerde gewogen haussepositie van een bepaalde zone dat gelijk is
aan de niet-gecompenseerde gewogen baissepositie voor dezelfde zone, is de
gecompenseerde gewogen positie voor die zone. Het deel van de
niet-gecompenseerde gewogen lange of niet-gecompenseerde gewogen baissepositie
voor een zone dat niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de
niet-gecompenseerde gewogen positie voor die zone. Tabel 2 Zones || Looptijdklassen || Wegingsfactor (%) || Veronderstelde renteverandering (%) Coupon van 3 % of meer || Coupon van minder dan 3 % Een || 0 ≤ 1 maand || 0 ≤ 1 maand || 0,00 || — > 1 ≤ 3 maand || > 1 ≤ 3 maand || 0,20 || 1,00 > 3 ≤ 6 maand || > 3 ≤ 6 maand || 0,40 || 1,00 > 6 ≤ 12 maand || > 6 ≤ 12 maand || 0,70 || 1,00 Twee || > 1 ≤ 2 jaar || > 1,0 ≤ 1,9 jaar || 1,25 || 0,90 > 2 ≤ 3 jaar || > 1,9 ≤ 2,8 jaar || 1,75 || 0,80 > 3 ≤ 4 jaar || > 2,8 ≤ 3,6 jaar || 2,25 || 0,75 Drie || > 4 ≤ 5 jaar || > 3,6 ≤ 4,3 jaar || 2,75 || 0,75 > 5 ≤ 7 jaar || > 4,3 ≤ 5,7 jaar || 3,25 || 0,70 > 7 ≤ 10 jaar || > 5,7 ≤ 7,3 jaar || 3,75 || 0,65 > 10 ≤ 15 jaar || > 7,3 ≤ 9,3 jaar || 4,50 || 0,60 > 15 ≤ 20 jaar || > 9,3 ≤ 10,6 jaar || 5,25 || 0,60 > 20 jaar || > 10,6 ≤ 12,0 jaar || 6,00 || 0,60 || > 12,0 ≤ 20,0 jaar || 8,00 || 0,60 || > 20 jaar || 12,50 || 0,60 ê 93/6/EEG
(aangepast) 1921.
Vervolgens wordt het bedrag berekend ten belope waarvan de niet-gecompenseerde
gewogen lange (korte) positie in zone 1 gelijk is aan het bedrag van de
niet-gecompenseerde gewogen korte (lange) positie in zone 2. Dit bedrag wordt
in punt 23 Ö 25 Õ aangeduid als de
gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 2. Dezelfde berekening
vindt vervolgens plaats voor het resterende deel van de niet-gecompenseerde
gewogen positie in zone 2 en de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 3,
ten einde de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 2 en 3 te bepalen. 2022. De
instelling mag desgewenst de volgorde in punt 19 Ö 21 Õ omkeren, dat wil
zeggen eerst de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 2 en 3 berekenen
en vervolgens die tussen de zones 1 en 2. ê 93/6/EEG
(aangepast) 2123. Ten
einde de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 3 te bepalen,
wordt vervolgens bepaald tot welk bedrag het resterende deel van de
niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 1 gelijk is aan het deel dat voor
zone 3 resteert nadat deze zone is gecompenseerd met zone 2. 2224. De na de
drie afzonderlijke compensatieberekeningen van de punten 19
tot en met 21 Ö , 22 en
23 Õ resterende posities
worden opgeteld. 2325. Het
kapitaalvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van: a) 10 % van de som van de
gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen; b) 40 % van de gecompenseerde gewogen
positie in zone 1; c) 30 % van de gecompenseerde gewogen
positie in zone 2; d) 30 % van de gecompenseerde gewogen
positie in zone 3; e) 40 % van de gecompenseerde gewogen
positie tussen de zones 1 en 2, en tussen de zones 2 en 3 (zie punt 19 Ö 21 Õ ); f) 150 % van de gecompenseerde gewogen
positie tussen de zones 1 en 3; g) 100 % van de resterende
niet-gecompenseerde gewogen posities. b) Op grond van de «duration» 2426. De bevoegde autoriteiten in een Llid-Sstaat mogen als algemene regel of per geval
toestaan dat de instellingen voor de berekening van het kapitaalvereiste voor
het algemene risico met betrekking tot verhandelbare schuldinstrumenten een
systeem gebruiken dat de «duration» weergeeft in plaats van het systeem dat in de
punten 15 tot en met 23 Ö 17 tot en met
25 Õ is beschreven, mits
zulks consequent geschiedt. ê 93/6/EEG
(aangepast) 2527. In een dergelijk systeem Ö als bedoeld in
punt 26 Õ berekent de
instelling, uitgaande van de marktwaarde van elk vastrentend schuldinstrument,
het rendement tot het einde van de looptijd, dat het impliciete
discontopercentage voor dat instrument is. Bij instrumenten met variabele rente berekent de onderneming, uitgaande
van de marktwaarde van elk instrument, het rendement op basis van de hypothese
dat het kapitaal verschuldigd wordt op het tijdstip dat de rente voor wijziging
vatbaar is (voor de eerstvolgende periode). ê 93/6/EEG 2628.
Vervolgens berekent de instelling voor elk schuldinstrument de «gewijzigde
duration» op grond van de volgende formule:gewijzigde duration = ((duration
(D))/(1 + r)), waarin D || = || ((∑t = 1m((t Ct)/((1 + r)t)))/(∑t = 1m((Ct)/((1 + r)t)))) en R || = || rendement tot einde van de looptijd (zie punt 25) Ct || = || constante betaling in tijd t M || = || totale looptijd (zie punt 25) 2729. De instelling brengt elk instrument onder in de passende zone van tabel
3 en gaat daarbij uit van de gewijzigde «duration» voor elk instrument. Tabel 3 Zones || Gewijzigde duration (in jaar) || Veronderstelde renteverandering (in %) Een || > 0 ≤ 1,0 || 1.0 Twee || > 1,0 ≤ 3,6 || 0.85 Drie || > 3,6 || 0.7 2830. De
instelling berekent vervolgens de naar duration gewogen positie van elk
instrument door de marktwaarde ervan te vermenigvuldigen met de gewijzigde
duration en met de veronderstelde renteverandering voor een instrument met die
specifieke gewijzigde duration (zie kolom 3 van tabel 3). 2931. De
instelling bepaalt haar naar duration gewogen lange en haar naar duration
gewogen baisseposities in elke zone. Het bedrag van de eerstgenoemde posities
dat in elke zone door laatstgenoemde posities wordt gecompenseerd, is de
gecompenseerde naar duration gewogen positie voor deze zone. ê 93/6/EEG
(aangepast) De instelling berekent vervolgens de
niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities voor elke zone. Zij volgt
dan de werkwijze die in de punten 19 tot en met 22
Ö 21 tot en met
24 Õ voor
niet-gecompenseerde gewogen posities is beschreven. ê 93/6/EEG 3032. Het
kapitaalvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van: a) 2 % van de som van de gecompenseerde
naar duration gewogen positie in elke zone; b) 40 % van de gecompenseerde naar
duration gewogen posities tussen de zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3; c) 150 % van de gecompenseerde naar
duration gewogen posities tussen de zones 1 en 3; d) 100 % van de resterende
niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities. AANDELEN 3133. De
instelling bepaalt de som van al haar netto - volgens punt 1 - hausseposities
en van al haar netto baisseposities. De som van de twee cijfers is haar totale
bruto-positie. Het verschil tussen de twee cijfers is haar totale
netto-positie. Specifiek risico ê 93/6/EEG ð nieuw 32.34ð De instelling bepaalt de som van al
haar netto hausseposities en van al haar netto baisseposities overeenkomstig
punt 1. ï Zij vermenigvuldigt haar totale brutopositie met
4 % teneinde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te
bepalen. ê 93/6/EEG
(aangepast) 3335. Onverminderd punt 35 Ö In afwijking
van punt 34 Õ mogen de bevoegde
autoriteiten een kapitaalvereiste voor het specifieke risico toestaan van 2% in
plaats van 4% voor door een instelling gehouden portefeuilles van aandelen die
voldoen aan de volgende voorwaarden: ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder d) (aangepast) ia) de
aandelen mogen niet afkomstig zijn van emittenten die uitsluitend verhandelbare
schuldinstrumenten hebben uitgegeven waarvoor momenteel in tabel 1 van punt 14 een vereiste van 8 % geldt, of waarvoor,
uitsluitend omdat zij zijn gegarandeerd of door zekerheid zijn gedekt, een
lager kapitaalvereiste geldt; ê 93/6/EEG iib) de
aandelen moeten door de bevoegde autoriteiten zeer liquide worden geacht op
basis van objectieve criteria; ê 93/6/EEG
(aangepast) iiic) geen
individuele positie mag meer dan 5 % bedragen van de waarde van de totale
aandelenportefeuille van de instelling. Ö Voor de
toepassing van c) kunnen Õ Dde bevoegde
autoriteiten kunnen evenwel
individuele posities van ten hoogste 10 % toestaan op voorwaarde dat het totaal
van die posities niet meer dan 50 % van de portefeuille bedraagt. ê 93/6/EEG Algemeen risico 3436. Het
kapitaalvereiste met betrekking tot het algemene risico is de totale
netto-positie vermenigvuldigd met 8 %. Aandelenindexfutures ê 93/6/EEG
(aangepast) 3537. Aandelenindexfutures,
naar de delta gewogen equivalenten van opties in aandelenindexfutures en
aandelenindexen, hierna aangeduid met de verzamelnaam «aandelenindexfutures»,
mogen worden opgesplitst in posities in elk van de daaraan ten grondslag
liggende aandelen. Deze posities mogen worden behandeld als onderliggende
posities in de desbetreffende aandelen;
Ö en mogen Õ met goedkeuring van
de bevoegde autoriteiten mogen zij derhalve worden
gesaldeerd met tegengestelde posities in de onderliggende aandelen zelf. ê 93/6/EEG 3638. De
bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat een instelling die haar posities
in een of meer van de aan een aandelenindexfuture ten grondslag liggende
aandelen gesaldeerd heeft met een of meer tegengestelde posities in de
aandelenindexfuture zelf, over toereikend kapitaal beschikt ter dekking van het
risico van verlies als gevolg van het feit dat de waarde van de future niet
exact de ontwikkeling volgt van de waarde van de onderliggende aandelen;
hetzelfde geldt wanneer een instelling tegengestelde posities houdt in
aandelenindexfutures die wat betreft looptijd en/of samenstelling niet identiek
zijn. ê 93/6/EEG
(aangepast) 3739. Onverminderd Ö In afwijking
van Õ de punten 35 en 36 Ö 37 en 38 Õ geldt voor ter
beurze verhandelde aandelenindexfutures die naar het oordeel van de bevoegde
autoriteiten op ruim gediversifieerde indices berusten, een kapitaalvereiste
van 8 % met betrekking tot het algemene risico, maar geen kapitaalvereiste met
betrekking tot het specifieke risico. Deze aandelenindexfutures worden in
aanmerking genomen bij de berekening van de totale netto-positie als bedoeld in
punt 31 Ö 33 Õ , maar buiten
beschouwing gelaten bij de berekening van de totale bruto-positie als bedoeld
in hetzelfde punt. ê 93/6/EEG 3840. Indien
een aandelenindexfuture niet in onderliggende posities wordt opgesplitst, wordt
hij behandeld als één afzonderlijk aandeel. Het specifieke risico met
betrekking tot dit afzonderlijke aandeel kan echter buiten beschouwing blijven
indien het gaat om een aandelenindexfuture die ter beurze wordt verhandeld en
die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten op een ruim gediversifieerde
index berust. OVERNEMING ê 93/6/EEG
(aangepast) 3941. In het
geval van overneming van emissies van schuldinstrumenten en aandelen kunnen de
bevoegde autoriteiten een instelling toestaan de volgende methode te gebruiken
ter berekening van de kapitaalvereisten. Eerst worden de netto-posities
berekend door de op grond van een formele overeenkomst bijderden geplaatste of
door derden herovergenomen overnemingsposities af te trekken. Vervolgens worden op de netto-posities de volgende Ö in tabel 4
vermelde Õ verlagingsfactoren
toegepast:. Tabel 4 - werkdag 0: || 100 % - werkdag 1: || 90 % - werkdagen 2 en 3: || 75 % - werkdag 4: || 50 % - werkdag 5: || 25 % - na werkdag 5: || 0 % ê 93/6/EEG Werkdag 0 is de werkdag waarop de
instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een
bekend aantal waardepapieren tegen een overeengekomen prijs. Tenslotte worden de kapitaalvereisten
berekend op basis van de verlaagde overnemingsposities. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg
voor dat de instelling over voldoende kapitaal beschikt ter dekking van het
risico van verlies in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke
verbintenis en werkdag 1. ò nieuw KAPITAALVEREISTEN
VOOR HET SPECIFIEKE RISICO VAN DOOR KREDIETDERIVATEN AFGEDEKTE POSITIES IN DE
HANDELSPORTEFEUILLE 42. Het vereiste
wordt overeenkomstig de in de punten 43 tot en met 46 uiteengezette beginselen
verlaagd indien protectie wordt verschaft door middel van kredietderivaten. 43. Het vereiste wordt verlaagd tot 0% als de
waardeverandering van een protectie-instrument in de ene richting altijd
gepaard gaat met een vrijwel gelijke waardeverandering van een ander instrument
in tegenovergestelde richting. Dat zal het geval zijn wanneer: a) in beide
richtingen volstrekt identieke instrumenten worden gebruikt; b) een cashpositie
à la hausse is afgedekt door een totale-opbrengstenswap (of andersom) en er
volstrekte overeenstemming is tussen de referentieverplichting en de
onderliggende vorderingen (d.i. de cashpositie). De looptijd van de swap kan
verschillen van die van de onderliggende vordering.
In dergelijke
gevallen is op geen van beide zijden van de positie een kapitaalvereiste voor
het specifieke risico van toepassing. 44. Het vereiste
wordt verminderd met 80% als de waardeverandering van een protectie-instrument
in de ene richting altijd gepaard gaat met een waardeverandering van een ander
instrument in tegenovergestelde richting en er volstrekte overeenstemming is
wat betreft de referentieverplichting, de looptijd van zowel de
referentieverplichting als het kredietderivaat, en de valuta van de
onderliggende vordering. Bovendien mogen wezenlijke bepalingen van de
kredietderivaatovereenkomst niet ertoe leiden dat er tussen veranderingen in de
waarde van het kredietderivaat en veranderingen in de waarde van de cashpositie
significante afwijkingen optreden. Wanneer de transactie gepaard gaat met een
overdracht van risico, wordt het vereiste voor het specifieke risico met 80%
verminderd aan de zijde van de transactie waar het hoogste kapitaalvereiste
geldt en wordt het vereiste voor het specifieke risico aan de andere zijde
verminderd tot nul. 45. Er wordt een gedeeltelijke vermindering
toegestaan als de waardeverandering van een protectie-instrument in de ene
richting gewoonlijk gepaard gaat met een waardeverandering van een ander
instrument in tegenovergestelde richting. Dat zal het geval zijn wanneer: a) de positie onder punt 43, b), valt, maar er
sprake is van een activamismatch tussen de referentieverplichting en de
onderliggende vordering. De
posities voldoen echter aan de volgende voorwaarden: i) de referentieverplichting heeft dezelfde of
een lagere rangorde dan de onderliggende verplichting; ii) de onderliggende verplichting en de
referentieverplichting hebben dezelfde debiteur en juridisch afdwingbare
kruislingse kredietverzuimclausules of kruislingse vervroegde
opeisbaarheidsclausules; b) de positie onder punt 43, a), of punt 44
valt, maar er sprake is van een valutamismatch of looptijdverschil tussen de
kredietprotectie en het onderliggende actief (valutamismatches dienen
overeenkomstig bijlage III in de gewone rapportage over het valutarisico te
worden opgenomen); c) de positie onder punt 44 valt, maar er sprake
is van een activamismatch tussen de cashpositie en het kredietderivaat. Het
onderliggende actief wordt in de kredietderivaatdocumentatie evenwel opgenomen
onder de te leveren verplichtingen. In elk van
bovenbedoelde gevallen worden de respectieve kapitaalvereisten voor beide
zijden van de transactie niet bij elkaar opgeteld, maar wordt uitsluitend het
hoogste van beide bedragen in aanmerking genomen. 46. Alle gevallen die niet onder punt 45 vallen,
geven aanleiding tot een beoordeling van het kapitaalvereiste voor het
specifieke risico op grond van beide zijden van de positie. Kapitaalvereisten voor in de handelsportefeuille opgenomen posities op
ICB’s 47. De kapitaalvereisten voor posities op
instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) die voldoen aan de in artikel
11 gestelde voorwaarden om voor de kapitaalvoorschriften voor de
handelsportefeuille in aanmerking te komen, worden berekend volgens de in de
punten 48 tot en met 56 beschreven methoden. 48. Onverminderd
andere bepalingen van deze afdeling geldt voor posities op ICB’s een
kapitaalvereiste voor het (specifieke en algemene) positierisico van 32%. Onverminderd de bepalingen van bijlage III,
punt 3, onder i), of bijlage V, punt 13, onder v), geldt wanneer de aldaar
beschreven gewijzigde behandeling van goud wordt toegepast, voor posities op
ICB's een kapitaalvereiste voor het (specifieke en algemene) positierisico en
voor het wisselkoersrisico van ten hoogste 40%. 49. Instellingen kunnen het kapitaalvereiste voor
posities op ICB’s die aan de criteria van punt 51 voldoen, bepalen volgens de
in de punten 53 tot en met 56 beschreven methoden. 50. Tenzij anders is bepaald, is geen verrekening
toegestaan tussen de onderliggende beleggingen van een ICB en andere door de
instelling ingenomen posities. ALGEMENE
CRITERIA 51. De algemene criteria op grond waarvan de in
de punten 53 tot en met 56 beschreven methoden mogen worden gebruikt voor ICB’s
waarvan de rechten van deelneming worden uitgegeven door ondernemingen die
onder toezicht staan van een instantie in de Gemeenschap of als rechtspersoon
zijn erkend in de Gemeenschap, zijn: a) de prospectussen of gelijkwaardige documenten
van de ICB bevatten de volgende gegevenselementen: i) de categorieën activa waarin de ICB mag
beleggen; ii) als er beleggingsbeperkingen gelden, wat deze
zijn en hoe zij berekend worden; iii) als beleggingen met geleend vermogen zijn
toegestaan, het maximumpercentage; iv) als beleggingen in financiële OTC-derivaten
of transacties van het type "repo" zijn toegestaan, een beschrijving
van het gevoerde beleid om het tegenpartijrisico van dergelijke verrichtingen
te beperken; b) over de activiteiten van de ICB wordt
halfjaarlijks of jaarlijks een verslag uitgebracht op grond waarvan de activa
en passiva, de inkomsten en de verrichtingen in de verslagperiode kunnen worden
geëvalueerd; c) de rechten van deelneming in de ICB kunnen
dagelijks door de ICB uit eigen activa worden teruggekocht tegen contanten
wanneer zulks wordt gevraagd door houders van de rechten; d) de beleggingen in de ICB en de activa van de
beheerder van de ICB worden van elkaar gescheiden gehouden; e) de ICB wordt door de beleggende instelling
aan een adequate risicobeoordeling onderworpen. 52. Onder voorbehoud van goedkeuring door de
bevoegde autoriteiten van de instelling, kunnen ICB’s uit derde landen dezelfde
behandeling genieten als aan de criteria van punt 51, onder a) tot en met e),
is voldaan. BIJZONDERE
METHODEN 53. Voor zover de
onderliggende beleggingen van de ICB op dagbasis worden gevolgd door de
instelling, mag zij “doorkijken” naar die beleggingen om de kapitaalvereisten
voor het aan de betrokken posities verbonden (algemene en specifieke)
positierisico te berekenen, volgens de in deze bijlage beschreven methoden of,
wanneer daartoe goedkeuring is verleend, volgens de methoden van bijlage V.
Deze doorkijkbenadering houdt in dat posities op ICB's worden behandeld als
posities in de onderliggende beleggingen van de ICB. Verrekening tussen
posities in de onderliggende beleggingen van de ICB en andere door de
instelling ingenomen posities is toegestaan mits de instelling een voldoende
groot aantal rechten van deelneming in ICB’s bezit om terugkoop/creatie in ruil
voor de onderliggende beleggingen mogelijk te maken. 54. Instellingen
kunnen de kapitaalvereisten voor het aan posities in ICB’s verbonden (algemene
en specifieke) positierisico volgens de in deze bijlage beschreven methoden of,
wanneer daartoe goedkeuring is verleend, volgens de methoden van bijlage V
berekenen op hypothetische posities overeenkomend met die welke nodig zijn om
de samenstelling en de prestaties van de index van derden of een vast mandje
van fondsen of schuldtitels waaraan onder a) wordt gerefereerd, te volgen, op
voorwaarde dat: a) het
beleggingsbeleid van de ICB erop is gericht de samenstelling en de prestaties
van een index van derden of een vast mandje van fondsen of schuldtitels te
volgen; b) er gedurende
minimaal zes maanden tussen de dagelijkse koersbewegingen van de ICB en die van
de gevolgde index of het mandje van fondsen of schuldtitels duidelijk een
correlatie van 90 % kan worden vastgesteld. Onder correlatie wordt hier
verstaan, de verhouding tussen het dagrendement van het aan de beurs
verhandelde fonds en dat van de gevolgde index of het mandje van fondsen of schuldtitels. 55. Wanneer de
onderliggende beleggingen van de ICB niet op dagbasis worden gevolgd door de
instelling, kan zij de kapitaalvereisten voor het (algemene en specifieke)
positierisico berekenen volgens de in deze bijlage beschreven methoden, met inachtneming
van het volgende: a) er wordt
aangenomen dat de ICB in de eerste plaats, binnen de toegestane grenzen,
maximaal belegt in de activaklassen met het hoogste kapitaalvereiste voor het
(algemene en specifieke) positierisico en vervolgens in dalende volgorde totdat
de totale beleggingslimiet is bereikt. De op de ICB ingenomen positie wordt
behandeld als een directe participatie in de hypothetische positie. b) instellingen
nemen het maximale indirecte risico dat zij kunnen lopen door met geleend geld
posities in te nemen via de ICB, in aanmerking bij het berekenen van hun
kapitaalvereiste voor het positierisico, door de positie op de ICB
proportioneel op te bouwen tot het maximale risico op de onderliggende
beleggingen dat in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan; c) als deze
benadering een kapitaalvereiste met betrekking tot het (algemene en specifieke)
positierisico oplevert dat hoger is dan het in punt 48 vastgestelde percentage,
dan wordt het vereiste tot dit laatste niveau begrensd. 56. Instellingen
kunnen een beroep doen op een externe partij om de kapitaalvereisten voor het
(algemene en specifieke) positierisico met betrekking tot posities op ICB’s die
onder de punten 53 en 55 vallen, te berekenen en te rapporteren conform de in
deze bijlage beschreven methoden, mits de deugdelijkheid van de berekening en
de rapportage naar behoren wordt aangetoond. ê 93/6/EEG
(aangepast) BIJLAGE II Ö BEREKENING
VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET Õ AFWIKKELINGS-/TEGENPARTIJRISICO AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 2, onder a) 1. In geval van transacties waarbij
schuldinstrumenten, aandelen en grondstoffen (exclusief retrocessie- en
omgekeerde retrocessieovereenkomsten en verstrekte en opgenomen effecten- en
grondstoffenleningen) na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn
afgewikkeld, moet een instelling het prijsverschil berekenen waarvoor zij een
risico loopt. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs
voor het schuldinstrument, het aandeel of de grondstof in kwestie, en de
dagkoers daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen
opleveren. Zij moet dit verschil vermenigvuldigen met de passende factor in
kolom A van de tabel in punt 2 om haar kapitaalvereiste te berekenen. ê 93/6/EEG
(aangepast) 2. Onverminderd
Ö In afwijking
van Õ punt 1 mag een
instelling, indien de bevoegde autoriteiten zulks toestaan, haar kapitaalvereisten
berekenen door vermeningvuldiging van de overeengekomen afwikkelingsprijs van
iedere transactie die tussen 5 en 45 werkdagen na de vastgestelde datum nog
niet is afgewikkeld, met de passende factor in kolom B van genoemde tabel 1.
Vanaf 46 werkdagen na de vastgestelde datum is het vereiste 100 % van het
prijsverschil waarvoor zij een risico loopt, conform kolom A Ö van tabel
1 Õ . Ö Tabel 1 Õ Aantal werkdagen na vastgestelde afwikkelingsdatum || Kolom A (%) || Kolom B (%) 5 — 15 || 8 || 0,5 16 — 30 || 50 || 4,0 31 — 45 || 75 || 9,0 46 of meer || 100 || zie punt 2 TEGENPARTIJRISICO ò nieuw 3. Een instelling
moet kapitaal aanhouden tot dekking van het tegenpartijrisico dat verbonden is
aan: a) leveringen
zonder tegenprestaties ('free deliveries') b) afgeleide
OTC-instrumenten en kredietderivaten; c) retrocessie-overeenkomsten
('repo’s'), omgekeerde retrocessie-overeenkomsten ('reverse repo’s'), opgenomen
of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen berustend op in de
handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen; d) risicoposities
in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot
aan de beurs verhandelde afgeleide instrumenten, die niet onder deze bijlage of
onder bijlage I vallen en evenmin op grond van artikel 13, lid 2, onder d), in
mindering worden gebracht op het eigen vermogen, en die rechtstreeks verband
houden met de in de handelsportefeuille opgenomen posten. 4. Er is sprake
van levering zonder tegenprestatie wanneer de instelling effecten of
grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen of wanneer zij effecten of
grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te ontvangen en er, in
het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken
sedert het tijdstip van betaling of levering. 5. Met
inachtneming van de punten 6 tot en met 9 vindt de risicowaardering en de
berekening van de risicogewogen posten voor dergelijke posities plaats
overeenkomstig het bepaalde in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, van Richtlijn
[2000/12/EG], waarbij de verwijzingen in die afdeling naar
"kredietinstellingen" worden gelezen als verwijzingen naar
"instellingen", verwijzingen naar
"moederkredietinstellingen" als verwijzingen naar "moederinstellingen"
enzovoorts. 6. Voor de
toepassing van punt 5: worden in bijlage
IV van Richtlijn [2000/12/EG] aan punt 3, onder d), in fine de woorden
"en kredietderivaten" toegevoegd; wordt in bijlage
III van Richtlijn [2000/12/EG] na tabel 1bis de volgende tekst ingevoegd: "Teneinde een
waarde te bepalen voor het potentiële toekomstige kredietrisico van op een
totale-opbrengstenswap of een kredietverzuimswap gebaseerde kredietderivaten,
wordt het nominaal bedrag van het instrument vermenigvuldigd met de volgende
percentages: 5% wanneer de
referentieverplichting, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct
risico deed ontstaan, als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen
voor de toepassing van bijlage I; 10% wanneer de
referentieverplichting, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct
risico deed ontstaan, niet als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden
genomen voor de toepassing van bijlage I. In het geval van een
kredietverzuimswap is het instellingen waarvoor het aan de swap verbonden
risico een haussepositie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, echter
toegestaan om voor het potentiële toekomstige kredietrisico een percentage van 0%
toe te passen, tenzij de kredietverzuimswap bezwaard is met closeout in geval
van insolventie van de entiteit waarvoor het aan de swap verbonden risico een baissepositie
in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, ook al is er voor de onderliggende
waarde geen sprake van wanbetaling. Wanneer het
kredietderivaat protectie verschaft voor het nde optredende
kredietverzuim onder een aantal onderliggende verplichtingen, wordt het
toepasselijke van de hierboven vermelde percentages bepaald door de
verplichting met de nde laagste kredietkwaliteit, die op haar
beurt wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de onderliggende
verplichting, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct risico
deed ontstaan, als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen voor
de toepassing van bijlage I." 7. Voor de
toepassing van punt 5 is het instellingen bij de berekening van de
risicogewogen posten niet toegestaan om voor de verdiscontering van financiële
zekerheden gebruik te maken van de methode van eenvoudige benadering van
financiële zekerheden zoals uiteengezet in bijlage VIII, deel 3, punten 25 tot
en met 30, van Richtlijn [2000/12/EG]. 8. Voor de
toepassing van punt 5 kunnen in het geval van retrocessie-overeenkomsten
('repo’s') en opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, alle
financiële instrumenten en grondstoffen die in aanmerking komen om in de
handelsportefeuille te worden opgenomen, als toelaatbare zekerheid worden beschouwd.
Met betrekking tot de risico’s die verbonden zijn aan afgeleide
OTC-instrumenten die in de handelsportefeuille zijn opgenomen, kunnen grondstoffen
die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen,
eveneens als toelaatbare zekerheid worden beschouwd. Voor de bepaling van
volatiliteitsaanpassingen in de gevallen waarin de financiële instrumenten of
grondstoffen in het kader van dergelijke transacties worden uitgeleend,
verkocht of verstrekt, dan wel geleend, gekocht of ontvangen als zekerheid of
anderszins, worden de desbetreffende instrumenten en grondstoffen op dezelfde
wijze behandeld als aan een erkende beurs genoteerde, maar niet in een hoofdindex
opgenomen fondsen. 9. Voor de
toepassing van punt 5 geldt, wat betreft de erkenning van
kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessie-overeenkomsten
en/of opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en/of andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties, dat verrekening tussen posities in en
posities buiten de handelsportefeuille slechts is toegestaan wanneer de
verrekende posities aan de volgende voorwaarden voldoen: a) alle
transacties worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd; b) alle in het
kader van de transacties uitgeleende, verkochte of verstrekte, dan wel
geleende, gekochte of ontvangen waarden komen in aanmerking als toelaatbare financiële
zekerheid in de zin van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 3, van
Richtlijn [2000/12/EG], met dien verstande dat punt 8 van deze bijlage niet van
toepassing is. 10. Wanneer een
in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat deel uitmaakt van een
intern afdekkingsinstrument en de kredietprotectie erkend is op grond van
Richtlijn [2000/12/EG], wordt aangenomen dat aan de positie in het
kredietderivaat geen tegenpartijrisico verbonden is. 11. Het
kapitaalvereiste bedraagt 8% van de totale risicogewogen posten. ê 93/6/EEG Leveringen zonder tegenprestaties «free deliveries» ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 2, onder b) 3.1. Een instelling moet kapitaal tot dekking van het
tegenpartijrisico aanhouden indien: i) zij voor waardepapieren of grondstoffen heeft betaald
alvorens ze te ontvangen, of waardepapieren of grondstoffen heeft geleverd
alvorens daarvoor betaling te hebben ontvangen, en en ii) in het geval van grensoverschrijdende transacties, één
dag of meer zijn verstreken sedert deze betaling of levering. 3.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van de waarde
van de aan de instelling verschuldigde waardepapieren, grondstoffen of
contanten, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij
toepasselijke risicowegingsfactor. ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 2, onder c) Retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten,
verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen 4.1. In
het geval van retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en
grondstoffenleningen op basis van tot de handelsportefeuille behorende effecten
of grondstoffen, berekent de instelling het verschil tussen de marktwaarde van
de effecten of grondstoffen en het bedrag van de lening die is opgenomen door
de instelling of de marktwaarde van de zekerheid, indien dit verschil positief
is. In het geval van
omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen berekent de instelling het verschil tussen het bedrag van
de door de instelling verstrekte lening of de marktwaarde van de zekerheid en
de marktwaarde van de waardepapieren of grondstoffen die zij heeft ontvangen,
indien dit verschil positief is. ê 93/6/EEG De bevoegde autoriteiten nemen maatregelen opdat de
overwaarde aan zekerheid aanvaardbaar is. Voorts mogen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan het bedrag
van de overwaarde aan zekerheid niet te betrekken in de berekeningen als
bedoeld in de eerste alinea van dit punt, indien het bedrag van de overwaarde
zodanig is gegarandeerd dat de overdragende partij er altijd van verzekerd is
dat zij de overwaarde aan zekerheid terugkrijgt in geval van in gebreke blijven
van haar tegenpartij. Opgelopen en nog niet vervallen rente wordt in aanmerking genomen bij
de berekening van de marktwaarde van de geleende bedragen en van de zekerheid. 4.2. Het
kapitaalvereiste bedraagt 8 % van het uit punt 4.1 resulterende bedrag,
vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke
risicowegingsfactor. Afgeleide OTC-instrumenten ê98/33/EG
artikel 1, punt 2 5. Om
het kapitaalvereiste voor hun afgeleide OTC-instrumenten te berekenen passen de
instellingen bijlage II van Richtlijn 89/647/EEG toe. De op de desbetreffende tegenpartijen toe te
passen risicowegingsfactoren worden bepaald overeenkomstig artikel 2, punt 9,
van deze richtlijn. Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde
autoriteiten van de lidstaten een vrijstelling van de methoden van bijlage II
toestaan voor OTC-contracten die worden afgewikkeld door een clearinginstelling
die optreedt als de wettelijke tegenpartij en waarbij alle deelnemers het
risico dat zij voor de clearinginstelling belichamen, dagelijks volledig met
onderpand dekken, zodat bescherming wordt geboden tegen zowel het huidige
risico als het potentiële toekomstige risico. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn
dat het gestelde onderpand dezelfde mate van bescherming biedt als onderpand in
de zin van artikel 6, lid 1, onder a), punt 7, van Richtlijn 89/647/EEG en dat
het gevaar dat de gezamenlijke risico's van de clearinginstelling boven de
marktwaarde van het geplaatste onderpand uitstijgen, wordt geëlimineerd. De lidstaten lichten de Commissie in over het
gebruik dat zij van deze keuzemogelijkheid maken. ê 93/6/EEG OVERIGE 6. De kapitaalvereisten van Richtlijn 89/647/EEG zijn
van toepassing op posities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend
en marges met betrekking tot ter beurze verhandelde future- en optiecontracten
die niet onder deze bijlage of onder bijlage I vallen, noch krachtens punt 2,
onder d), van bijlage V, in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen, en
die rechtstreeks verband houden met bestanddelen van de handelsportefeuille. De op de desbetreffende tegenpartijen toe te passen
wegingsfactoren worden bepaald overeenkomstig artikel 2, punt 9, van deze
richtlijn. ê 93/6/EEG
(aangepast) BIJLAGE III Ö BEREKENING
VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET Õ VALUTARISICO ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder a) (aangepast) 1. Indien de som van de totale nettopositie
in vreemde valuta's en de nettopositie in goud van een instelling, berekend
volgens de hieronder Ö punt 2 Õ omschreven
procedure, meer dan 2 % van het totale eigen vermogen van de instelling
bedraagt, moet de instelling de som van haar nettopositie in vreemde valuta's
en haar nettopositie in goud met 8 % vermenigvuldigen om het kapitaalvereiste
ter dekking van het valutarisico te berekenen. Tot en met 31
december 2004 kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan hun
kapitaalvereiste te berekenen door het bedrag waarmee de som van de totale
netto positie in vreemde valuta's en de netto positie in goud van een
instelling 2 % van het totale eigen vermogen overschrijdt met 8 % te
vermenigvuldigen. ê 93/6/EEG
(aangepast) 2. De berekening Ö van de
kapitaalvereisten voor het valutarisico Õ geschiedt in twee
fasen. ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder b) (aangepast) 32.1.
Eerst wordt de netto open positie van de instelling in elke valuta en in goud
(met inbegrip van de rapportagevaluta) berekend. Deze Ö netto
open Õ positie bestaat
uit de som van de volgende elementen (positief of negatief): a) de netto cashpositie (dat wil zeggen
alle activa min alle passiva, met inbegrip van de opgelopen en nog niet
vervallen rente, in de betrokken valuta of, in het geval van goud, de netto cashpositie
in goud); b) de netto termijnpositie (dat wil zeggen alle te ontvangen
bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van termijntransacties in
valuta's en goud, met inbegrip van valuta- en goudfutures en de hoofdsom bij
valutaswaps die niet zijn verwerkt in de contante positie); c) onherroepelijke garanties (en
soortgelijke instrumenten) die zeker zullen worden opgevraagd en waarschijnlijk
niet kunnen worden teruggevorderd; d) netto toekomstige inkomsten/uitgaven,
nog niet vervallen maar reeds volledig afgedekt (naar keuze van de
rapporterende instelling en met voorafgaande goedkeuring van de bevoegde
autoriteiten mogen hier de netto toekomstige inkomsten/uitgaven worden
opgenomen die nog niet in de rekeningen zijn geboekt maar reeds volledig zijn
afgedekt door valutatermijntransacties. Deze keuze moet consequent worden
aangehouden); e) het netto delta- (of op delta
gebaseerde) equivalent van de totale portefeuille van valuta- en goudopties; f) de marktwaarde van andere (dan
valuta- en goud-) opties; - pPosities die een instelling doelbewust heeft
ingenomen om valutarisico's voor haar kapitaalratio af te dekken, kunnen bij de
berekening van de netto open valutaposities buiten beschouwing worden gelaten.
Deze posities mogen geen handelskarakter dragen of moeten van structurele aard
zijn, en voor het buiten beschouwing laten ervan, alsook voor wijzigingen in de
daarvoor geldende voorwaarden, is de toestemming van de bevoegde autoriteiten
vereist. Op dezelfde wijze kan, onder dezelfde voorwaarden als hierboven, te
werk worden gegaan voor posities van een instelling die betrekking hebben op
posten die reeds bij de berekening van het eigen vermogen zijn afgetrokken. ò nieuw Voor de berekening
als bedoeld in de eerste alinea met betrekking tot ICB’s, worden de feitelijke
valutaposities van de ICB in aanmerking genomen. Instellingen
kunnen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op ICB’s ingenomen
valutaposities, mits de deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is
aangetoond. Wanneer de valutaposities op een ICB niet worden gevolgd door de
instelling, zal worden aangenomen dat de ICB binnen de grenzen van haar
beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in valuta en dient de instelling met
betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico
dat zij kan lopen door leveraged posities in te nemen via de ICB, in aanmerking
te nemen bij het berekenen van haar kapitaalvereiste voor valutarisico’s.
Daartoe wordt de positie op de ICB proportioneel opgebouwd tot de maximale positie
in de onderliggende beleggingen die in het kader van het beleggingsbeleid is
toegestaan. De hypothetische valutapositie van de ICB wordt als een
afzonderlijke valuta beschouwd en behandeld zoals beleggingen in goud, met dien
verstande dat naargelang van de beleggingsstrategie van de ICB – voor zover
deze bekend is – de totale haussepositie kan worden opgeteld bij de totale
openstaande valutapositie à la hausse en de totale baissepositie bij de totale
openstaande valutapositie à la baisse. Verrekening tussen dergelijke posities
vóór de berekening is niet toegestaan. ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder b) 3.2. Het staat de bevoegde autoriteiten vrij om de
instellingen toe te staan bij de berekening van de netto open positie in elke
valuta en in goud gebruik te maken van de netto actuele waarde. ê 93/6/EEG è1 1 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder c) è1 42.2. Vervolgens worden de netto korte en hausseposities in elke valuta
(behalve de rapportagevaluta) en de netto korte of haussepositie in goud tegen
de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend. ç Zij worden dan
afzonderlijk samengevoegd tot respectievelijk het totaal van de netto baisseposities
en het totaal van de netto hausseposities. Het hoogste van deze twee totalen is
de totale netto valutapositie van de instelling. ê 93/6/EEG
(aangepast) 53. Onverminderd Ö In afwijking
van Õ de punten 1 tot en met 4 Ö en 2 Õ mogen de bevoegde
autoriteiten in afwachting van verdere coördinatie voorschrijven of toestaan
dat de instellingen voor de toepassing van deze bijlage alternatieve
Ö de hierna
beschreven Õ procedures
gebruiken. ê 93/6/EEG
(aangepast) 63.1. Ten eerste mogen dDe
bevoegde autoriteiten Ö mogen Õ toestaan dat
de instellingen ter dekking van posities in nauw gecorreleerde valuta's aan
lagere kapitaalvereisten voldoen dan die welke de toepassing van de punten 1 tot en met 4 Ö en 2 Õ oplevert. De
bevoegde autoriteiten mogen twee valuta's alleen dan als nauw gecorreleerd
aanmerken indien het voor ten minste 99 % (bij een waarnemingsperiode van drie
jaar) of 95 % (bij een waarnemingsperiode van vijf jaar) waarschijnlijk is dat
een eventueel verlies op gelijke en tegengestelde posities in die valuta's
gedurende de volgende tien werkdagen niet meer dan 4 % bedraagt van de waarde van
de gecompenseerde positie in kwestie (berekend in de rapportagevaluta) -
uitgaande van de dagelijkse wisselkoersen in de voorafgaande drie of vijf jaar.
Het eigenvermogenvereiste met betrekking tot de gecompenseerde positie in twee
nauw gecorreleerde valuta's bedraagt 4 %, vermenigvuldigd met de waarde van de
gecompenseerde positie. Het kapitaalvereiste met betrekking tot
niet-gecompenseerde posities in nauw gecorreleerde valuta's, en alle posities
in andere valuta's, bedraagt 8 %, vermenigvuldigd met het totaal van de netto
korte of,indien hoger, van de netto hausseposities in deze valuta's, na aftrek
van de gecompenseerde posities in nauw gecorreleerde valuta's. ê98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder d) (aangepast) 7. Ten tweede kunnen
de bevoegde autoriteiten de instellingen tot en met 31 december 2004 toestaan
om voor de toepassing van deze bijlage een andere dan de in de punten 1 tot en
met 6 uiteengezette methode toe te passen. Het uit deze methode resulterende
kaptitaalvereiste moet meer bedragen dan 2 % van de netto open positie zoals
berekend in punt 4 en moet uitgaande van een analyse van de
wisselkoersfluctuaties gedurende alle voortschrijdende periodes van tien
werkdagen in de voorgaande drie jaar in ten minste 99 % van de gevallen meer
bedragen dan het waarschijnlijke verlies. De in dit punt
beschreven alternatieve methode mag uitsluitend worden gebruikt, als voldaan is
aan de volgende voorwaarden: i) de formule
voor de berekening en de correlatiecoëfficiënten zijn door de bevoegde
autoriteiten vastgesteld op basis van hun analyse van de
wisselkoersfluctuaties; ii) de
correlatiecoëfficiënten worden door de bevoegde autoriteiten regelmatig
getoetst aan de ontwikkelingen op de valutamarkten. ê 93/6/EEG
(aangepast) 83.2. Ten derde mogen dDe bevoegde autoriteiten Ö mogen Õ de instellingen
toestaan om posities in valuta's ten aanzien waarvan een juridisch bindende
overeenkomst tussen staten bestaat ter beperking van fluctuaties ten opzichte
van andere onder dezelfde overeenkomst vallende valuta's, uit te sluiten van de
door hen toegepaste methodes zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 7 Ö , 2 en
3.1 Õ . De instellingen
berekenen hun gecompenseerde posities in die valuta's en passen daarop een
kapitaalvereiste toe dat niet lager is dan de helft van de maximaal toegestane
fluctuatie die voor de betrokken valuta's in de overeenkomst tussen staten is
vastgesteld. Niet-gecompenseerde posities in deze valuta's worden op dezelfde
wijze behandeld als andere valuta's. Onverminderd Ö In afwijking
van Õ de eerste alinea
mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat het kapitaalvereiste met betrekking
tot gecompenseerde posities in valuta's van Llid-Sstaten die deelnemen aan de tweede fase van de
Europese Monetaire Unie, 1,6 % bedraagt, vermenigvuldigd met de waarde van deze
gecompenseerde posities. ê 93/6/EEG
(aangepast) 9. De bevoegde
autoriteiten stellen de Raad en de Commissie in voorkomend geval in kennis van
de methodes die zij met betrekking tot de punten 6 tot en met 8 voorschrijven
of toestaan. 10. De Commissie
brengt bij de Raad verslag uit over de in punt 9 bedoelde methodes en doet zo
nodig, met inachtneming van de internationale ontwikkelingen, voorstellen voor
een meer geharmoniseerde behandeling van het valutarisico. ê 93/6/EEG 114. Netto posities in samengestelde valuta's mogen worden opgesplitst
in de samenstellende valuta's aan de hand van de geldende quota. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) BIJLAGE VIII
Ö IV Õ Ö BEREKENING
VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET Õ GRONDSTOFFENRISICO ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 1. Elke positie in grondstoffen of van
grondstoffen afgeleide instrumenten moet worden uitgedrukt in de vaste
rekeneenheid. De contante koers van elke grondstof wordt uitgedrukt in de
rapportagevaluta. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) 2. Voor posities in goud en in van goud
afgeleide instrumenten wordt geacht een valutarisico te bestaan en zij worden
voor de berekening van het marktrisico al naargelang het geval behandeld
overeenkomstig bijlage III of bijlage VIII. 3. Voor de toepassing van deze bijlage
mogen posities waarmee enkel voorraden worden gefinancierd, buiten de
berekening van alleen het grondstoffenrisico worden gelaten. 4. De rente- en valutarisico's waarop geen
andere bepalingen van deze bijlage van toepassing zijn, moeten worden opgenomen
in de berekening van het algemene risico van verhandelbare schuldinstrumenten
en in de berekening van het valutarisico. 5. Als de baissepositie eerder vervalt dan
de haussepositie, moeten de instellingen ook rekening houden met het risico van
een te geringe liquiditeit waarvan op bepaalde markten sprake kan zijn. 6. Voor de toepassing van punt 19 is het
saldo van de lange (korte) posities van de instelling tegenover haar korte
(lange) posities in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants
op grondstoffen, de nettopositie van de instelling in elke grondstof. Bij de berekening van de nettopositie staan
de bevoegde autoriteiten toe dat posities in afgeleide instrumenten op de in de
punten 8, 9 en 10 beschreven wijze behandeld worden als posities in de
onderliggende grondstof. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 7. De bevoegde autoriteiten kunnen de
volgende posities beschouwen als posities in dezelfde grondstof: a) posities
in verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze subcategorieën in
elkaars plaats leverbaar zijn, en en b) posities in vergelijkbare
grondstoffen, indien deze verregaand voor elkaar substitueerbaar zijn en er gedurende
minimaal één jaar tussen koersbewegingen duidelijk een correlatie van 90 % kan
worden vastgesteld. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 Specifieke instrumenten ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) 8. Grondstoffenfutures en
termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden
in het waardemetingssysteem verwerkt als theoretische bedragen op basis van de
vaste rekeneenheid; er wordt op basis van de afloopdatum een looptijd aan
toegekend. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan
dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan
de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn
dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt
en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor een future dat zou
resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze
bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII
omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot
en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een
OTC-derivatencontract van het type als bedoeld in dit punt en dat door een door
hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de
clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat
deze een nauwkeurige maatstaf van het aan het derivatencontract verbonden
risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor het
contract in kwestie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in
het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) 9. Grondstoffenswaps
waarbij het ene onderdeel van de transactie een vastgestelde prijs is en het
andere de dagkoers, worden Ö overeenkomstig
de punten 13 tot en met 18 Õ in de
looptijdklassen verwerkt als een reeks posities die gelijk zijn aan het
theoretische bedrag van het contract, waarbij een positie overeenkomt met elke
betaling op de swap en dienovereenkomstig wordt ondergebracht in de
looptijdklassen (tabel 1). De posities zijn lang als de instelling de
vastgestelde prijs betaalt en de variabele prijs ontvangt; de posities zijn
kort als de instelling de vastgestelde prijs ontvangt en de variabele prijs
betaalt. Grondstoffenswaps waarbij de twee
onderdelen van de transactie op verschillende grondstoffen betrekking hebben,
moeten voor de benadering op grond van de looptijd in de desbetreffende
categorieën worden ondergebracht. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) 10. Opties op grondstoffen of op van
grondstoffen afgeleide instrumenten worden voor de toepassing van deze bijlage
behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van
de onderliggende waarde waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met
zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met
compenserende posities in dezelfde onderliggende grondstof respectievelijk
hetzelfde onderliggende van grondstoffen afgeleide instrument. De gebruikte
delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten
berekende delta dan wel, indien geen van deze twee beschikbaar is of in het
geval van OTC-opties, de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits
de bevoegde autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de
instelling gebruikte model. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel ook
voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de
bevoegde autoriteiten aangegeven methode. De bevoegde
autoriteiten schrijven voor dat vVoor
de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, Ö moet Õ dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan
dat het vereiste voor een geschreven op de beurs verhandelde grondstoffenoptie
gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van
overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie
verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste
ter dekking van een optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van
de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage
VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot
en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een
OTC-grondstoffenoptie die door een door hen erkende clearinginstelling is
gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer
zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het
aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijk is aan het
kapitaalvereiste voor een OTC-optie dat zou resulteren uit een berekening aan
de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methoden dan wel van
de in bijlage VIII omschreven methode van interne
modellen. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste
voor een gekochte ter beurze verhandelde of OTC-grondstoffenoptie gelijk is aan
dat voor de onderliggende grondstof, met dien verstande dat het daaruit
resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste
voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van de onderliggende
grondstof. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 11. Warrants die op grondstoffen betrekking
hebben, worden op dezelfde wijze behandeld als grondstoffenopties in punt 10. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 12. De partij die grondstoffen of
gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen overdraagt bij een
retrocessieovereenkomst, en de partij die grondstoffen in lening geeft bij een
grondstoffenleningsovereenkomst, dient deze grondstoffen op te nemen in de
berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze bijlage. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) a) Benadering op grond van
looptijdklassen 13. De instelling maakt voor elke grondstof
gebruik van afzonderlijke looptijdklassen overeenkomstig onderstaande
tabel 1. Alle posities in een bepaalde
grondstof en alle posities die overeenkomstig punt 7 beschouwd worden als posities
in dezelfde grondstof worden ondergebracht in de desbetreffende
looptijdklassen. Fysiek aanwezige voorraden worden ondergebracht in de eerste
looptijdklasse. Ö Tabel 1 Õ Looptijdklassen (1) || Spread (in %) (2) 0 ≤ 1 maand || 1,50 > 1 ≤ 3 maand || 1,50 > 3 ≤ 6 maand || 1,50 > 6 ≤ 12 maand || 1,50 > 1 ≤ 2 jaar || 1,50 > 2 ≤ 3 jaar || 1,50 > 3 jaar || 1,50 14.
De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat Ö de hierna
vermelde Õ posities in dezelfde
grondstof of posities die overeenkomstig punt 7 beschouwd worden als posities
in dezelfde grondstof, op nettobasis worden gecompenseerd en ondergebracht in
de desbetreffende looptijdklassen: voor - a) posities in contracten
die op dezelfde datum aflopen; en - b) posities in
contracten die binnen tien dagen na elkaar aflopen indien de contracten worden
verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 15. Vervolgens berekent de instelling de som
van de hausseposities en de som van de baisseposities in elke looptijdklasse.
Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde (laatstgenoemde) som in een
bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde (eerstgenoemde) som,
vormt de gecompenseerde positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende
hausse- of baissepositie de niet-gecompenseerde positie in deze zelfde
looptijdklasse is. 16. Het deel van de niet-gecompenseerde lange
(korte) positie in een bepaalde looptijdklasse dat gelijk is aan de
niet-gecompenseerde korte (lange) positie in een volgende looptijdklasse, is de
tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie. Het deel van de
niet-gecompenseerde haussepositie of de niet-gecompenseerde baissepositie dat
niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de niet-gecompenseerde
positie. 17. De kapitaalvereisten van de instelling
worden voor iedere grondstof op basis van de desbetreffende looptijdklassen
berekend als de som van: ia) de
gecompenseerde hausse- en baisseposities, vermenigvuldigd met de toepasselijke
«spread»-coëfficiënt die in kolom 2 van de tabel in punt 13 voor elke
looptijdklasse wordt gegeven, en met de contante koers van de grondstof; iib) voor
elke looptijdklasse waarnaar een niet-gecompenseerde positie uit een voorgaande
looptijdklasse wordt overgedragen, de tussen twee looptijdklassen
gecompenseerde positie, vermenigvuldigd met 0,6 % (de overdrachtscoëfficiënt)
en met de contante koers van de grondstof; iiic) de
resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15 % (de
«outright»-coëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof. 18. Het totale kapitaalvereiste van de
instelling met betrekking tot het grondstoffenrisico wordt berekend als de som
van de overeenkomstig punt 17 berekende kapitaalvereisten voor elke grondstof. b) Vereenvoudigde benadering 19. Het kapitaalvereiste van de instelling
voor elke grondstof wordt berekend als de som van: ia) 15%
van de lange of korte nettopositie, vermenigvuldigd met de contante koers van
de grondstof; iib) 3%
van de lange plus de korte brutopositie, vermenigvuldigd met de contante koers
van de grondstof. 20. Het totale kapitaalvereiste van de
instelling met betrekking tot het grondstoffenrisico wordt berekend als de som
van de overeenkomstig punt 19 berekende kapitaalvereisten voor elke grondstof. ê 93/6/EEG
artikel 11, onder a) (aangepast) Ö c)
Uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen Õ Tot en met 31 december
2006 Ö De bevoegde
autoriteiten Õ kunnen de lidstaten hun
instellingen toestaan de minimale «spread»-, overdrachts- en
«outright»-coëfficiënten van onderstaande tabel te gebruiken in plaats van de
in de punten 13, 14, 17 en 18 van bijlage VII
genoemde, op voorwaarde dat de instellingen naar het oordeel van de bevoegde
autoriteiten: a) in aanzienlijke mate in grondstoffen
handelen, b) een gediversifieerde
grondstoffenportefeuille hebben, en c) nog niet in een positie verkeren om voor
de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het
grondstoffenrisico van interne modellen gebruik te maken overeenkomstig bijlage
Ö V Õ VIII. Tabel 2 || Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Zachte grondstoffen (landbouw) || Overige, met inbegrip van energieproducten Spread-coëfficiënt (%) || 1,0 || 1,2 || 1,5 || 1,5 Overdrachts-coëfficiënt (%) || 0,3 || 0,5 || 0,6 || 0,6 Outright-coëfficiënt (%) || 8 || 10 || 12 || 15 ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) BIJLAGE VIII Ö GEBRUIK VAN Õ INTERNE MODELLEN Ö VOOR DE
BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN Õ 1. Onder de voorwaarden die in deze bijlage
worden bepaald, kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan bij de
berekening van hun kapitaalvereisten voor het positierisico, het valutarisico
en/of het grondstoffenrisico hun eigen interne risicobeheermodellen te
gebruiken, in plaats van of in combinatie met de methoden die in de bijlagen I,
III en VII Ö IV Õ beschreven worden.
Voor elk geval moet door de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk erkenning
worden verleend voor het gebruik van modellen met het oog op het prudentiële
toezicht op de kapitaalvereisten. 2. Deze erkenning wordt uitsluitend gegeven,
indien de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat het
risicobeheersysteem van de instelling qua concept solide is en zorgvuldig wordt
toegepast, en dat met name aan de navolgende kwaliteitsnormen voldaan wordt: ia) het
interne model voor risicometing is in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse
proces van risicobeheer van de instelling en dient als basis voor het
rapporteren van risicoposities aan de hoogste leiding van de instelling; iib) de
instelling heeft een afdeling risicobewaking, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen
en rechtstreeks rapporteert aan de hoogste leiding. De betrokken afdeling moet
belast zijn met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van
de instelling. Tevens moet deze afdeling dagelijks rapporten opstellen en analyseren
over de uitkomsten van het risicometingsmodel en over de maatregelen die op het
stuk van transactielimieten moeten worden genomen; iiic) de raad
van bestuur en de directie van de instelling zijn actief bij het proces van
risicobewaking betrokken; de dagelijkse rapporten die de afdeling
risicobewaking opstelt, worden beoordeeld door een directie-echelon dat
voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de posities die
afzonderlijke handelaren ingenomen hebben, of van de totale risicopositie van de
instelling op te leggen; ivd) de
instelling beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is in het gebruik
van verfijnde modellen voor handel, risicobewaking, controle en administratieve
verwerking; ve) de
instelling heeft procedures vastgesteld voor de bewaking van en het toezicht op
de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne richtsnoeren en
controles, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als
geheel; vif) de
modellen van de instelling hebben in het verleden bewezen redelijk accuraat te
zijn als het gaat om het meten van risico's; viig) de
instelling voert frequent een stringent programma van stresstests uit; de
uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de hoogste leiding en worden
verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar bepaald worden; viiih) Aals
onderdeel van de periodieke interne controle moet de instelling een
onafhankelijke evaluatie van het risicometingssysteem laten uitvoeren. Deze Ö in de eerste
alinea, onder h), bedoelde Õ evaluatie moet Ö heeft Õ betrekking hebben op de activiteiten van de handelsafdelingen en de
zelfstandige afdeling risicobewaking. Ten minste eenmaal per jaar moet de
instelling een evaluatie uitvoeren van het algehele risicobeheerproces. In deze evaluatie moeten
worden Ö de volgende
elementen Õ betrokken: - a) het adequaat zijn van de
documentatie over het risicobeheersysteem en -proces en van de organisatie van
de afdeling risicobewaking; - b) de integratie van metingen
van het marktrisico in het dagelijkse risicobeheer en de deugdelijkheid van het
systeem voor informatie van de directie; - c) het proces dat de
instelling toepast voor het fiatteren van risicowaarderingsmodellen en
waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de
afdeling administratieve verwerking gebruikt worden; - d) aard en omvang van de
marktrisico's die in het risicometingsmodel verwerkt zijn en de validering van
significante wijzigingen in het risicometingsproces; - e) het accuraat en volledig
zijn van gegevens over posities, het accuraat en correct zijn van aannames over
volatiliteit en correlaties, en het accuraat zijn van de waarderings- en
risicogevoeligheidsberekeningen; - f) het verificatieproces dat
de instelling hanteert ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en
betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen gebruikt
worden, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen; en - g) het verificatieproces
waarvan de instelling gebruik maakt voor de evaluatie van tests die achteraf
worden uitgevoerd («back-testing») om te beoordelen of het model accuraat is. 3. De financiële instelling bewaakt de
accuratesse en de goede werking van haar model door een programma van achteraf
uitgevoerde tests («back-testing») toe te passen. «Back-testing» behelst dat,
voor iedere werkdag, de uit het model van de instelling resulterende
eendagswaarde van het potentiële verlies («value-at-risk») voor de eindedagsposities
van de portefeuille wordt vergeleken met de eendagsverandering in de waarde van
de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag. De bevoegde autoriteiten onderzoeken of de
instelling in staat is tot het uitvoeren van tests achteraf op zowel feitelijke
als hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille.
«Back-testing» op de hypothetische veranderingen van de waarde van de
portefeuille berust op een vergelijking van de eindedagswaarde van de
portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde posities, de waarde van de
portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag. De bevoegde
autoriteiten verlangen van de instellingen dat zij passende maatregelen treffen
om hun «back-testing»-programma te verbeteren wanneer dat ontoereikend wordt
geacht. 4. Voor de berekening van het kapitaalvereiste
voor het specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen,
kunnen de bevoegde autoriteiten het gebruik van een intern model van een
instelling erkennen wanneer dit model voldoet aan de voorwaarden in het vervolg
van deze bijlage en bovendien: - a) de historische
prijsschommeling in de portefeuille verklaart; - b) concentratie qua omvang en
veranderingen in de samenstelling van de portefeuille weergeeft; - c) solide blijkt in een
ongunstige omgeving; - d) gevalideerd wordt door
back-testing ter beoordeling van de vraag of het specifieke risico accuraat
wordt weergegeven. Als de bevoegde autoriteiten toestaan dat deze vorm van
back-testing op basis van relevante subportefeuilles geschiedt, moeten deze
laatste consequent worden gekozen. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 5. Voor instellingen die interne modellen
gebruiken die niet overeenkomstig punt 4 zijn erkend, geldt een afzonderlijk
kapitaalvereiste voor het specifieke risico, dat berekend wordt overeenkomstig
bijlage I. 6. Voor de toepassing van punt 10, onder ii),
worden de uitkomsten van de door de instelling zelf uitgevoerde berekening
vermenigvuldigd met ten minste een factor 3. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) 7. De vermenigvuldigingsfactor wordt verhoogd
met een plus-factor tussen 0 en 1, overeenkomstig de
volgende tabel Ö 1 Õ , afhankelijk van
het aantal overschrijdingen («overshootings») dat de instelling gedurende de
laatste 250 werkdagen bij het uitvoeren van de tests achteraf heeft
geconstateerd. De bevoegde autoriteiten verlangen dat de instelling
overschrijdingen consistent berekent door middel van tests achteraf op de
feitelijke dan wel op de hypothetische veranderingen in de waarde van de
portefeuille. Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de
portefeuille welke meer bedraagt dan de gerelateerde, uit het model van de
instelling resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies. Ter bepaling
van de plus-factor wordt het aantal overschrijdingen minstens per kwartaal
geëvalueerd. Ö Tabel 1 Õ Aantal overschrijdingen || «Plus»-factor minder dan 5 || 0,00 5 || 0,40 6 || 0,50 7 || 0,65 8 || 0,75 9 || 0,85 10 of meer || 1,00 In afzonderlijke gevallen en ingevolge
uitzonderlijke omstandigheden kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing
verlenen van de verplichting de vermenigvuldigingsfactor met een plus-factor
overeenkomstig de bovenstaande tabel Ö 1 Õ te verhogen indien
de instelling tot voldoening van de bevoegde autoriteiten aantoont dat een
dergelijke verhoging onterecht is en dat het model in wezen solide is. Indien een groot aantal overschrijdingen erop
wijst dat het model onvoldoende accuraat is, moeten de bevoegde autoriteiten de
erkenning van het model intrekken of passende maatregelen opleggen om ervoor te
zorgen dat het model terstond wordt verbeterd. Om de bevoegde autoriteiten in staat te
stellen de juistheid van de plus-factor voortdurend in het oog te houden, moet
de instelling de bij de toepassing van het back-testing-programma
geconstateerde overschrijdingen die overeenkomstig de voorgaande tabel een
verhoging van de plus-factor met zich zouden brengen, terstond en in ieder
geval binnen vijf dagen ter kennis brengen van de bevoegde autoriteiten. 8. Als het model van de instelling door de
bevoegde autoriteiten overeenkomstig punt 4 is erkend voor de berekening van
het kapitaalvereiste voor het specifieke risico, verhoogt de instelling haar
overeenkomstig de punten 6, 7 en 10 berekende kapitaalvereiste met een toeslag
ten belope van ofwel: (ia) het aandeel «specifiek risico» in
het gemeten potentieel verlies (value-at-risk) dat moet worden afgezonderd overeenkomstig
de richtsnoeren voor het toezicht; iib) de
metingen van het potentieel verlies van subportefeuilles van schuld- en
aandelenposities die een specifiek risico inhouden. De instellingen die gebruik maken van keuze ii) Ö b Õ moeten vooraf de
structuur van hun subportefeuilles omschrijven en mogen deze niet wijzigen
zonder de instemming van de bevoegde autoriteiten. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 9. De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing
verlenen van de in punt 8 vereiste toeslag wanneer de instelling aantoont dat
haar model overeenkomstig internationaal overeengekomen normen ook het
«event»-risico en het debiteurenrisico weergeeft voor haar verhandelbare
schuldinstrumenten en aandelenposities. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 10. Elke instelling
moet voldoen aan een kapitaalvereiste dat is uitgedrukt als het hoogste van de
volgende waarden: ia) het potentiële verlies van de
voorgaande dag, gemeten volgens de in deze bijlage bepaalde parameters, of iib) het gemiddelde van het dagelijkse
potentiële verlies op elk van de 60 eraan voorafgaande werkdagen,
vermenigvuldigd met de in punt 6 genoemde factoren en gecorrigeerd met de in
punt 7 genoemde factor. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 11. Voor de berekening
van het potentiële verlies gelden de volgende minimale normen: ia) het potentiële verlies moet ten
minste eenmaal per dag berekend worden; iib) een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval
van 99 %; iiic) een equivalent voor de periode
gedurende welke de positie wordt aangehouden, van tien dagen; ivd) een feitelijke historische
waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere
waarnemingsperiode op grond van een aanmerkelijke toeneming van de
koersvolatiliteit gerechtvaardigd is; ve) driemaandelijkse bijwerking van het
gegevensbestand. 12. De bevoegde
autoriteiten verlangen dat het model accuraat alle wezenlijke koersrisico's van
opties en op opties gelijkende posities bestrijkt en dat de overige niet door
het model bestreken risico's afdoende met eigen vermogen afgedekt zijn. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) 13. De bevoegde autoriteiten verlangen dat, aAfhankelijk
van de mate waarin de instelling op de betrokken markten actief is, wordt in het risicometingsmodel een voldoende
aantal risicofactoren bestreken wordt Ö en in het
bijzonder het volgende: Õ . Minimaal moet aan de
navolgende voorwaarden zijn voldaan: Ö Het
renterisico Õ i) Met betrekking
tot het renterisico moet hHet
interne model dient
risicofactoren te
hanteren welke corresponderen met de rentevoeten voor elk van de valuta's
waarin de instelling renterisicogevoelige posities binnen of buiten de
balanstelling inneemt. De instelling
geeft de rendementscurves weer door middel van een van de algemeen aanvaarde
benaderingen. Voor wezenlijke
renterisico's in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve in
ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld, om de variaties van de
rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven. Het risicometingssysteem moet ook het risico van minder perfect
gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves bestrijken. Ö Het
valutarisico Õ ii) Met betrekking
tot het valutarisico moeten iIn het
risicometingssysteem dienen risicofactoren te
worden gebruikt die overeenkomen met goud en met de afzonderlijke buitenlandse
valuta's waarin de posities van de instelling luiden. ò nieuw Voor ICB’s worden
de feitelijke valutaposities van de ICB in aanmerking genomen. Instellingen
kunnen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op ICB’s ingenomen
valutaposities, mits de deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is
aangetoond. Wanneer de valutaposities op een ICB niet worden gevolgd door de
instelling, zal worden aangenomen dat de ICB binnen de grenzen van haar
beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in valuta en neemt de instelling met
betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico
dat zij kan lopen door leveraged posities in te nemen via de ICB, in aanmerking
bij het berekenen van haar kapitaalvereiste voor valutarisico’s. Daartoe wordt
de positie op de ICB proportioneel vermeerderd tot de maximale positie in de
onderliggende beleggingen die in het kader van het beleggingsbeleid is
toegestaan. De hypothetische valutapositie van de ICB wordt als een
afzonderlijke valuta beschouwd en behandeld zoals beleggingen in goud. Voor
zover de beleggingsstrategie van de ICB bekend is, kan naargelang van de
richting ervan de totale haussepositie worden opgeteld bij de totale
openstaande valutapositie à la hausse en de totale baissepositie bij de totale
openstaande valutapositie à la baisse. Verrekening tussen dergelijke posities
vóór de berekening is niet toegestaan. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast) Ö Het
aandelenrisico Õ iii) Met
betrekking tot het aandelenrisico moet iIn het
risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling
significante posities inneemt. Ö Grondstoffenrisico Õ iv) Met
betrekking tot het grondstoffenrisico moet iIn het
risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke grondstof waarin de instelling
significante posities inneemt. In het risicometingssysteem moeten voorts het
risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet
identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen
dat uit niet op elkaar passende looptijden voortvloeit, zijn verwerkt. Voorts
moet in het systeem rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met
name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af
te dekken. ê 98/31/EG
artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 14. De bevoegde autoriteiten kunnen
instellingen toestaan binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen
empirische correlaties te hanteren, indien zij ervan overtuigd zijn dat het
systeem waarmee de instelling de correlaties meet, solide is en op integere
wijze wordt toegepast. ê 93/6/EEG
bijlage VI, punt 8.2, tweede zin (aangepast) BIJLAGE VI Ö BEREKENING
VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR Õ GROTE RISICO’S 1. Dit vereiste wordt berekend door uit het
totale handelsrisico op de betrokken cliënt of groep van cliënten die
componenten te selecteren waarvoor de hoogste kapitaalvereisten ter dekking van
het specifieke risico in bijlage I en/of kapitaalvereisten
in bijlage II gelden, en waarvan de som gelijk is aan het bedrag van de in punt 29 Ö artikel 31,
onder a), Õ bedoelde
overschrijding; 2. Wanneer de overschrijding niet langer
duurt dan tien dagen, bedraagt het aanvullende kapitaalvereiste 200 % van de in
punt 1 bedoelde vereisten voor deze componenten. 3. Vanaf tien dagen na het ontstaan van de
overschrijding worden de componenten van de overschrijding die volgens de
bovenstaande criteria zijn geselecteerd, ondergebracht op de passende regel van
kolom 1 van tabel I, in stijgende volgorde van de kapitaalvereisten voor het
specifieke risico in bijlage I en/of de vereisten in bijlage II. De instelling moet dan voldoen aan een aanvullend kapitaalvereiste dat
gelijk is aan de som van de kapitaalvereisten voor specifieke risico's in
bijlage I en/of de vereisten in bijlage II voor deze componenten,
vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor uit kolom 2; Ö Tabel 1 Õ Overschrijding van de grenswaarden (als percentage van het eigen vermogen) || Factoren Gedeelte tot 40 % || 200 % Gedeelte tussen 40 % en 60 % || 300 % Gedeelte tussen 60 % en 80 % || 400 % Gedeelte tussen 80% en 100% || 500 % Gedeelte tussen 100 % en 250 % || 600 % Gedeelte boven 250 % || 900 % é ò nieuw BIJLAGE VII HANDELSACTIVITEITEN Deel A – Intentie
om te handelen 1. De volgende voorschriften worden in acht
genomen met betrekking tot posities/portefeuilles die worden ingenomen/aangehouden
met de intentie om te handelen: a) ten aanzien van de betrokken posities,
instrumenten of portefeuilles wordt een goed gedocumenteerde en door de hoogste
directie goedgekeurde handelsstrategie gevolgd, in het kader waarvan onder
andere een verwachte tijdshorizon voor het innemen van posities of het
aanhouden van instrumenten of portefeuilles is vastgesteld; b) voor het
actieve beheer van de ingenomen posities gelden duidelijk omschreven gedragslijnen
en procedures, die onder andere bepalen: i) welke posities
een tradingafdeling mag innemen; ii) welke
positielimieten gelden en hoe de adequaatheid ervan wordt gevolgd; iii) dat handelaars
met inachtneming van de vastgestelde strategie autonoom posities kunnen
innemen/beheren binnen de overeengekomen limieten; iv) dat als
onderdeel van het risicomanagement van de instelling aan de hoogste directie
wordt gerapporteerd over de ingenomen posities; v) dat de
ingenomen posities actief worden bewaakt op basis van marktinformatiebronnen en
het voorwerp uitmaken van beoordeling ten aanzien van de verhandelbaarheid of
de afdekbaarheid van posities of de risicocomponenten ervan, en in het
bijzonder wat betreft de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de
markt voor het waarderingsproces, de op de markt gerealiseerde omzet en de
omvang van de op de markt verhandelde posities; c) er gelden
duidelijk omschreven gedragslijnen en procedures voor toetsing van posities aan
de handelsstrategie van de instelling, die onder andere het bewaken van de
omzet en van slapende posities in de handelsportefeuille van de instelling
omvatten. Deel B –
Systemen en Controles 1. De instellingen zorgen voor de inrichting en
instandhouding van toereikende systemen en controles om voorzichtige en
betrouwbare waardeschattingen voort te brengen. 2. Deze systemen en controles bestaan minimaal uit: a) gedocumenteerde
gedragslijnen en procedures voor het waarderingsproces. Dit omvat de volgende
aspecten: duidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende
terreinen die bij de waardering betrokken zijn, marktinformatiebronnen en
beoordeling van de deugdelijkheid ervan, frequentie van onafhankelijke
waardering, timing van slotkoersen, procedures voor het aanpassen van
waarderingen, verificatieprocedures (einde maand, ad hoc). b) duidelijke, autonome
(d.w.z. onafhankelijk van het front office) rapportagelijnen voor de
afdeling die verantwoordelijk is voor het waarderingsproces. Aan het einde van de
rapportageketen staat een lid van de directie dat deel uitmaakt van het hoogste
bestuursorgaan. Conservatieve
waarderingsmethoden 3. Waarderen tegen marktwaarde ('mark to
market') is het minstens dagelijks bepalen van de waarde van posities op
basis van direct beschikbare slotkoersen, afkomstig van onafhankelijke bronnen. Daarbij
kan worden gedacht aan beurskoersen, prijzen in de schermenhandel of noteringen
van een aantal onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars. 4. Bij waardering tegen marktwaarde wordt
gebruik gemaakt van de bied- of de laatprijs, naargelang van wat het
voorzichtigst is, tenzij de instelling een belangrijk marktmaker is in het
betrokken financieel instrument of goed en vóór het sluiten uit de markt kan
stappen. 5. Wanneer waardering tegen marktwaarde niet
mogelijk is, dienen instellingen hun posities/portefeuilles te waarderen op
basis van een modellenbenadering alvorens zij de kapitaalvoorschriften voor de
handelsportefeuille toepassen. Waardering op basis van een modellenbenadering
('mark to model') is het door middel van benchmarking, extrapolatie of
een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een input uit de
markt. 6. Bij waardering op basis van een modellenbenadering
dienen de volgende voorschriften in acht te worden genomen: a) de hoogste directie draagt kennis van de
bestanddelen van de handelsportefeuille waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering
wordt toegepast en is bekend met de belangrijkheid van de onzekerheid die zulks
meebrengt voor de rapportage over de bedrijfsrisico’s en de bedrijfsresultaten; b) de inputs uit de markt zijn, voor zover
mogelijk, in overeenstemming met de marktprijzen en de relevantie van de
marktinputs voor de positie die wordt gewaardeerd en de parameters van het
model worden dagelijks geëvalueerd; c) waar zij beschikbaar zijn, worden
waarderingsmethoden gebruikt die voor bepaalde financiële instrumenten of
grondstoffen als vaste marktpraktijk worden beschouwd; d) modellen die door de instelling zelf worden
ontwikkeld, berusten op deugdelijke hypothesen, die zijn geanalyseerd en
beproefd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het
ontwikkelingsproces betrokken zijn; e) er zijn formele controleprocedures voor
veranderingen ingesteld en er wordt een veilig exemplaar van het model bewaard,
dat periodiek wordt gebruikt om waarderingen te verifiëren; f) het risicobeheer is op de hoogte van de
tekortkomingen van de gebruikte modellen en weet hoe de impact ervan op het
waarderingsresultaat maximaal kan worden beperkt; g) de nauwkeurigheid van het model wordt
periodiek onderzocht (b.v. wat betreft de blijvend relevantie van de
hypothesen, analyse van P&L versus risicofactoren, vergelijking van
daadwerkelijke sluitprijzen met de modeluitkomsten). In verband met punt d)
geldt dat het front office niet mag worden betrokken bij de ontwikkeling en
erkenning van het model. De beproeving van het model geschiedt op
onafhankelijke wijze. Dit omvat het valideren van de wiskundige
formules, de hypothesen en de implementatie van de computerprogrammatuur. 7. Naast de dagelijkse waardering tegen
marktprijzen of op basis van een modellenbenadering dient ook onafhankelijke
prijsverificatie plaats te vinden.
Hierbij worden marktprijzen of
modelinputs op regelmatige basis gecontroleerd op hun nauwkeurigheid en
onafhankelijkheid. Dagelijkse waardering tegen marktprijzen mag
door handelaars worden gedaan; verificatie van marktprijzen en modelinputs
daarentegen, dient minstens maandelijks (of, afhankelijk van de aard van de
markt/handelsactiviteit, met een grotere frequentie) door een van de dealing
room onafhankelijke eenheid te worden verricht. Wanneer
geen onafhankelijke bronnen van prijsinformatie beschikbaar zijn of de bronnen
van prijsinformatie een veeleer subjectief karakter vertonen, kunnen prudente
maatregelen zoals aanpassing van de waarderingen aangewezen zijn. Waarderingsaanpassingen
of -reserves 8. De instellingen zorgen voor de inrichting en
instandhouding van procedures ter beoordeling van de noodzaak van
waarderingsaanpassingen of –reserves. Algemene
voorschriften 9. De bevoegde
autoriteiten schrijven voor dat de noodzaak van waarderingsaanpassingen of
–reserves voor de volgende elementen formeel wordt beoordeeld: niet benutte
kredietspreidingswinsten, liquidatiekosten, operationele risico’s, vervroegde
beëindiging, beleggings- en financieringskosten, toekomstige administratiekosten
en, indien van toepassing, aan het model verbonden risico. Voorschriften
voor minder liquide posten 10. Posities
kunnen minder liquide worden als gevolg van marktgebeurtenissen en
instellingsgerelateerde situaties, bijvoorbeeld geconcentreerde posities en/of starre
posities. 11. Bij de
beoordeling of een waarderingsreserve voor minder liquide posten noodzakelijk
is, houden de instellingen rekening met een aantal verschillende factoren. Deze
omvatten de termijn die nodig is om de positie/risicobestanddelen binnen de
positie af te dekken, de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen
bied- en laatprijzen, de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal
marktmakers en hun identiteit) en de volatiliteit en het gemiddelde van de
handelsvolumes. 12. Wanneer de
instellingen gebruik maken van externe waarderingen of waardering op basis van
een modellenbenadering, beoordelen zij of het noodzakelijk is een
waarderingsaanpassing te verrichten. Tevens beoordelen zij op continue basis of
het noodzakelijk is reserves aan te leggen voor minder liquide posities. 13. Wanneer
waarderingsaanpassingen of –reserves aanleiding geven tot materiële verliezen
voor het lopende boekjaar, worden deze overeenkomstig artikel 57, punt k), van
Richtlijn [2000/12/EG] in mindering gebracht op het oorspronkelijke eigen
vermogen van de instelling. 14. Andere winsten/verliezen
voortvloeiend uit waarderingsaanpassingen of –reserves worden opgenomen in de
berekening van de nettowinst uit de handelsportefeuille als bedoeld in artikel
13, lid 2, onder b), en opgeteld bij/in mindering gebracht op de extra eigen
middelen waarmee op grond van de betrokken bepalingen aan de eisen met
betrekking tot marktrisico's kan worden voldaan. Part C –
Interne afdekkingsinstrumenten 1. Een intern afdekkingsinstrument
is een positie waarmee de risicocomponent van een positie in de
niet-handelsportefeuille of een reeks posities materieel of compleet wordt
geneutraliseerd. Als gevolg van interne afdekkingsinstrumenten ontstane
posities kunnen in aanmerking komen voor toepassing van de
kapitaalvoorschriften voor de handelsportefeuille indien zij met de intentie om
te handelen worden ingenomen en mits aan de algemene criteria inzake intentie
om te handelen en conservatieve waardering van respectievelijk deel A en deel B
is voldaan. In het bijzonder: a) hebben
interne afdekkingsinstrumenten niet in de eerste plaats tot doel om
kapitaalvereisten te ontlopen of te verminderen; b) worden
interne afdekkingsinstrumenten naar behoren gedocumenteerd en onderworpen aan
bijzondere interne procedures ten aanzien van goedkeuring en auditing; c) wordt de
interne transactie afgewikkeld tegen marktvoorwaarden; d) wordt het
overgrote deel van het aan het interne afdekkingsinstrument verbonden
marktrisico, met inachtneming van de toegestane limieten, dynamisch beheerd in
de handelsportefeuille; e) worden de
interne transacties zorgvuldig gemonitord. De deugdelijkheid
van de monitoring wordt gewaarborgd door middel van adequate procedures. 2. De in lid 1
beschreven behandeling is van toepassing onverminderd de kapitaalvereisten die
van toepassing zijn op het niet tot de handelsportefeuille behorende bestandeel
van het interne afdekkingsinstrument. BIJLAGE
VIII INGETROKKEN RICHTLIJNEN DEEL A INGETROKKEN
RICHTLIJNEN MET DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN OP DIE RICHTLIJNEN (als bedoeld in
artikel 48) Richtlijn
93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen Richtlijn
98/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 tot wijziging
van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen Richtlijn
98/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 tot wijziging
van artikel 12 van Richtlijn 77/780/EEG van de Raad tot coördinatie van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, de artikelen 2, 5, 6,
7 en 8 en de bijlagen II en III van Richtlijn 89/647/EEG van de Raad
betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen en artikel 2 en
bijlage II van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid
van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen Richtlijn 2002/87/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het
aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en
beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de
Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG
van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad Enkel artikel 26 Richtlijn
2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende
markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen
85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees
Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad Enkel artikel 67 DEEL B TERMIJNEN VOOR
DE OMZETTING IN NATIONAAL RECHT (als bedoeld in
artikel 48) Richtlijn || || Termijn voor omzetting Richtlijn 93/6/EEG van de Raad || || 1.7.1995 Richtlijn 98/31/EG || || 21.7.2000 Richtlijn 98/33/EG || || 21.7.2000 Richtlijn 2002/87/EG || || 11.8.2004 Richtlijn 2004/39/EG || || Nog niet bekend Richtlijn 2004/xx/EG || || Nog niet bekend ò nieuw BIJLAGE IX CONCORDANTIETABEL Deze richtlijn || Richtlijn 93/6/EG || Richtlijn 98/31/EG || Richtlijn 98/33/EG || Richtlijn 2002/87/EG || Richtlijn 2004/39/EG Artikel 1, punt 1, eerste zin || || || || || Artikel 1, lid 1, tweede zin, en lid 2 || Artikel 1 || || || || Artikel 2, punt 1 || || || || || Artikel 2, punt 2 || Artikel 7, punt 3 || || || || Artikel 3, lid 1, a) || Artikel 2, punt 1 || || || || Artikel 3, punt 1, b) || Artikel 2, punt 2 || || || || Artikel 67, punt 1 Artikel 3, lid 1, c), d) en e) || Artikel 2, punten 3 tot en met 5 || || || || Artikel 3, lid 1, f) en g) || || || || || Artikel 3, lid 1, h) || Artikel 2, punt 10 || || || || Artikel 3, lid 1, i) || Artikel 2, punt 11 || || Artikel 3, punt 1 || || Artikel 3, lid 1, j) || Artikel 2, punt 14 || || || || Artikel 3, lid 1, k) en l) || Artikel 2, leden 15 en 16 || Artikel 1, punt 1, b) || || || Artikel 3, lid 1, m) || Artikel 2, punt 17 || Artikel 1, lid 1, c) || || || Artikel 3, lid 1, n) || Artikel 2, punt 18 || Artikel 1, punt 1, d) || || || Artikel 3, lid 1, o), p) en q) || Artikel 2, punten 19 tot en met 21 || || || || || || || || || Artikel 3, lid 1, b) || Artikel 2, punt 23 || || || || Artikel 3, lid 1, s) || Artikel 2, punt 26 || || || || Artikel 3, punt 2 || Artikel 2, leden 7 en 8 || || || || Artikel 3, lid 3, a) en b) || Artikel 7, punt 3 || || || Artikel 26 || Artikel 3, lid 3, c) || Artikel 7, punt 3 || || || || Artikel 4 || Artikel 2, punt 24 || || || || Artikel 5 || Artikel 3, leden 1 en 2 || || || || Artikel 6 || Artikel 3, punt 4 || || || || Artikel 67, punt 2 Artikel 7 || Artikel 3, punt 4, a) || || || || Artikel 67, punt 3 Artikel 8 || Artikel 3, punt 4, b) || || || || Artikel 67, punt 3 Artikel 9 || Artikel 3, punt 3 || || || || Artikel 10 || Artikel 3, punten 5 tot en met 8 || || || || Artikel 11 || Artikel 2, punt 6 || || || || Artikel 12, eerste alinea || Artikel 2, punt 25 || || || || Artikel 12, tweede alinea || || || || || Artikel 13, punt 1, eerste alinea || Bijlage V, punt 1, eerste alinea || || || || Artikel 13, lid 1, tweede alinea, en leden 2 tot en met 5 || Bijlage V, punt 1, tweede alinea, en punten 2 tot en met 5 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 4, a) en b) || || || Artikel 14 || Bijlage V, punten 6 en 7 || Bijlage 4, c) || || || Artikel 15 || Bijlage V, punt 8 || || || || Artikel 16 || Bijlage V, punt 9 || || || || Artikel 17 || || || || || Artikel 18, punt 1, eerste alinea || Artikel 4, punt 1, eerste alinea || || || || Artikel 18, lid 1, a) en b) || Artikel 4, lid 1, i) en ii) || Artikel 1, punt 2 || || || Artikel 18, punten 2 tot en met 4 || Artikel 4, punten 6 tot en met 8 || || || || Artikel 19, punt 1 || || || || || Artikel 19, punt 2 || Artikel 11, punt 2 || || || || Artikel 19, punt 3 || || || || || Artikel 20 || || || || || Artikel 21 || Bijlage IV || || || || Artikel 22 || || || || || Artikel 23, eerste en tweede alinea || Artikel 7, leden 5 en 6 || || || || Artikel 23, derde alinea || || || || || Artikel 24 || || || || || Artikel 25 || || || || || Artikel 26, punt 1 || Artikel 7, punt 10 || Artikel 1, punt 4 || || || Artikel 26, punten 2 tot en met 4 || Artikel 7, punten 11 tot en met 13 || || || || Artikel 27 || Artikel 7, leden 14 en 15 || || || || Artikel 28, punt 1 || Artikel 5, punt 1 || || || || Artikel 28, punt 2 || Artikel 5, punt 2 || Artikel 1, punt 3 || || || Artikel 28, punt 3 || || || || || Artikel 29, lid 1, a), b) en c), en volgende twee alinea’s || Bijlage VI, punt 2 || || || || Artikel 29, lid 1, laatste alinea || || || || || Artikel 29, punt 2 || Bijlage VI, punt 3 || || || || Artikel 30, lid 1 en lid 2, eerste alinea || Bijlage VI, punten 4 en 5 || || || || Artikel 30, lid 2, tweede alinea || || || || || Artikel 30, leden 3 en 4 || Bijlage VI, punten 6 en 7 || || || || Artikel 31 || Bijlage VI, punt 8.1, 8.2, eerste zin, 8.3, 8.4 en 8.5 || || || || Artikel 32 || Bijlage VI, punten 9 en 10 || || || || Artikel 33, leden 1 en 2 || || || || || Artikel 33, punt 3 || Artikel 6, punt 2 || || || || Artikel 34 || || || || || Artikel 35, punten 1 tot en met 4 || Artikel 8, punten 1 tot en met 4 || || || || Artikel 35, punt 5 || Artikel 8, punt 5, eerste zin || Artikel 1, punt 5 || || || Artikel 36 || Artikel 9, punten 1 tot en met 3 || || || || Artikel 37 || || || || || Artikel 38 || Artikel 9, punt 4 || || || || Artikel 39 || || || || || Artikel 40 || Artikel 2, punt 9 || || || || Artikel 41 || || || || || Artikel 42, lid 1, a), b) en c) || Artikel 10, eerste, tweede en derde streepje || || || || Artikel 42, lid 1, d) en e) || || || || || Artikel 42, punt 1, f) || Artikel 10, vierde streepje || || || || Artikel 42, punt 1, g) || || || || || Artikel 43 || || || || || Artikel 44 || || || || || Artikel 45 || || || || || Artikel 46 || Artikel 12 || || || || Artikel 47 || || || || || Artikel 48 || || || || || Artikel 49 || || || || || Artikel 50 || Artikel 15 || || || || || || || || || Bijlage I, punten 1 tot en met 4 || Bijlage I, punten 1 tot en met 4 || || || || Bijlage I, lid 4, laatste alinea || Artikel 2, punt 22 || || || || Bijlage I, punten 5 tot en met 7 || Bijlage I, punten 5 tot en met 7 || || || || Bijlage I, punt 8 || || || || || Bijlage I, punten 9 tot en met 11 || Bijlage I, punten 8 tot en met 10 || || || || Bijlage I, punten 12 tot en met 14 || Bijlage I, punten 12 tot en met 14 || || || || Bijlage I, punten 15 en 16 || Artikel 2, punt 12 || || || || Bijlage I, punten 17 tot en met 41 || Bijlage I, punten 15 tot en met 39 || || || || Bijlage I, punten 42 tot en met 56 || || || || || Bijlage II, punten 1 en 2 || Bijlage II, punten 1 en 2 || || || || Bijlage II, punten 3 tot en met 11 || || || || || Bijlage III, punt 1 || Bijlage V, punt 1, eerste alinea || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, a) || || || Bijlage III, punt 2 || Bijlage III, punt 2 || || || || Bijlage III, punt 2.1, eerste, tweede en derde alinea || Bijlage III, punt 3,1 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, b) || || || Bijlage III, punt 2,1, vierde alinea || || || || || Bijlage III, punt 2.1, vijfde alinea || Bijlage III, punt 3.2 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, b) || || || Bijlage III, punten 2.2, 3 en 3.1 || Bijlage III, punten 4 tot en met 6 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, c) || || || Bijlage III, punt 3.2 || Bijlage III, punt 8 || || || || Bijlage III, punt 4 || Bijlage III, punt 11 || || || || Bijlage IV, punten 1 tot en met 20 || Bijlage VII, punten 1 tot en met 20 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 5 || || || Bijlage IV, punt 21 || Artikel 11 bis || Artikel 1, punt 6 || || || Bijlage V, punten 1 tot en met 13, eerste alinea || Bijlage VIII, punten 1 tot en met 13, ii) || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 5 || || || Bijlage V, punt 13, vierde alinea || || || || || Bijlage V, punt 13, vijfde alinea tot en met punt 14 || Bijlage VIII, punten 13, iii), tot en met 14 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 5 || || || Bijlage VI || Bijlage VI, punt 8.2, na de eerste zin || || || || Bijlage VII || || || || || Bijlage VIII || || || || || Bijlage IX || || || || || [1] PB C […] van […], blz. […]. [2] PB C [3] PB C […] van […], blz. […]. [4] PB C […] van […], blz. […]. [5] PB C […] van […], blz. […]. [6] PB L 141 van 11.6.1993, blz.
1, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/xx/EG, PB […] [7] PB L 141 van 11.06.1993, blz.
1, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/xx/EG, PB […] [8] PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. [9] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. [10] PB L 386 van
30.12.1989, blz. 14. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB L 110 van
28.4.1992, blz. 52). [11] PB L 29 van 5. 2. 1993, blz. 1. [12] PB L 124 van 5. 5. 1989, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn
92/30/EEG (PB L 110 van 24. 9. 1992, blz. 52). [13] PB L 110 van 28. 4. 1992, blz. 52. [14] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. [15] PB L
197 van 18. 7. 1987, blz. 33. [16] PB L 35 van
11.2.2003, blz. 1. [17] PB L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30.
Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG (PB L 386 van 30. 12.
1989, blz. 1). [18] PB nr. L 35 van 11.2.2003, blz. 1. [19] PB nr. L 9 van 15.01.2003, blz. 3. NL || COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 14.7.2004 COM(2004) 486 definitief 2004/0155 (COD)
2004/0159 (COD)
Technische bijlagen Voorstel voor RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot
en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn
93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van
beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (ingediend door de Commissie)
{SEC(2004) 921} TOELICHTING - Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD van […] DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap, met name op artikel […], Gezien het voorstel van de Commissie[1], Gezien het advies van het Europees Parlement[2], Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[3], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[4], Overwegende hetgeen volgt: (1)
[Hoofdletter …]. (2)
[Hoofdletter …], HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Artikel 1 […] Artikel […] De lidstaten doen de nodige wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór ...... aan deze
richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen,
wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze
richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de
lidstaten. Artikel […] Deze richtlijn treedt in werking op de […] dag volgende op die van
haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Artikel […] Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, […] Voor
de Raad De
Voorzitter […] BIJLAGE ò nieuw Bijlage V
- Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s
1.
Governance
1.
Het in artikel 11
bedoelde leidinggevende orgaan treft regelingen met het oog op de scheiding van
taken in de organisatie en de voorkoming van belangenconflicten.
2.
Behandeling van risico’s
2.
Het in artikel 11
bedoelde leidinggevende orgaan hecht zijn goedkeuring aan en gaat periodiek
over tot de evaluatie van de strategieën en gedragslijnen voor het aangaan, beheren,
bewaken en verminderen van de risico’s waaraan de kredietinstelling blootgesteld
is of eventueel kan zijn, met inbegrip van de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische
omgeving waarin de instelling actief is en die verband houden met de stand van
de conjunctuurcyclus.
3.
Krediet- en
tegenpartijrisico
3.
De kredietverlening
geschiedt op basis van gedegen en welomschreven criteria. De procedure voor de acceptatie,
aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten wordt duidelijk
vastgelegd. 4.
Voor de lopende
administratie en bewaking van de diverse portefeuilles en vorderingen waaraan
een kredietrisico verbonden is, met inbegrip van de detectie en het beheer van probleemkredieten,
het verrichten van adequate waardeaanpassingen en de vorming van voorzieningen,
wordt van doeltreffende systemen gebruik gemaakt. 5.
De spreiding van de
kredietportefeuilles sluit aan bij de doelmarkten en bij de algemene kredietstrategie
van de kredietinstelling.
4.
Restrisico
6.
Het risico dat door de
kredietinstelling toegepaste, erkende technieken voor de vermindering van het
kredietrisico minder doeltreffend blijken dan verwacht, wordt aangepakt en
beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.
5.
Concentratierisico
7.
Het concentratierisico
dat voortvloeit uit vorderingen op tegenpartijen, groepen van verbonden tegenpartijen
en tegenpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel
uit dezelfde activiteit of grondstof, de toepassing van technieken voor de vermindering
van het kredietrisico, en met name grote indirecte kredietrisico’s (bv. jegens
één enkele uitgevende instelling van zekerheden), wordt aangepakt en beheerst
door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.
6.
Securitisatierisico’s
8.
De risico’s die
voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen als initiator
of sponsor optreden, worden beoordeeld en aangepakt aan de hand van passende
gedragslijnen en procedures om er met name voor te zorgen dat bij het nemen van
beslissingen op het gebied van de risicobeoordeling en het risicobeheer ten
volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden. 9.
Kredietinstellingen die
optreden als initiator van revolverende securitisatietransacties waarbij er
sprake is van vervroegde-aflossingsbepalingen, stellen een liquiditeitsplan
vast om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde aflossingen op te vangen.
7.
Uit
niet-handelsactiviteiten voortvloeiend renterisico
10.
Er worden systemen
toegepast voor de beoordeling en het beheer van het risico dat uit potentiële veranderingen
in rentetarieven voortvloeit, voorzover deze veranderingen van invloed zijn op
de niet-handelsactiviteiten van een kredietinstelling.
8.
Operationeel risico
11.
Er worden gedragslijnen
en procedures toegepast om de blootstelling aan operationeel risico, met
inbegrip van zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen, te beoordelen en
te beheren. Onverminderd de in artikel 4, punt (22), vervatte definitie wordt
door de kredietinstellingen nader omschreven wat voor de toepassing van deze
gedragslijnen en procedures onder operationeel risico moet worden verstaan. 12.
Er bestaan calamiteiten-
en bedrijfscontinuïteitsplannen om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de
bedrijfsvoering van kredietinstellingen is verzekerd en dat de verliezen kunnen
worden beperkt ingeval de bedrijfsactiviteiten ernstig worden verstoord.
9.
Liquiditeitsrisico
13.
Er bestaan gedragslijnen
en procedures voor de meting en het beheer van de actuele en toekomstige netto
financiële positie en behoeften. Er worden alternatieve scenario’s in
overweging genomen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de netto
financiële positie ten grondslag liggen, worden regelmatig aan een nieuw
onderzoek onderworpen. 14.
Er bestaan calamiteitenplannen
om aan liquiditeitscrises het hoofd te kunnen bieden. BIJLAGE VI
Standaardbenadering
Deel 1 - Risicogewichten
10.
VORDERINGEN OP CENTRALE OVERHEDEN
OF CENTRALE BANKEN
10.1.
Behandeling
15.
Onverminderd de punten 2
tot en met 8 wordt aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken een
risicogewicht van 100% toegekend. 16.
Aan vorderingen op centrale
overheden en centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen
externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is, wordt conform
tabel 1 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging
door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in
zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. Tabel 1 Krediet-kwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risico-gewicht || 0% || 20% || 50% || 100% || 100% || 150% 17.
Aan vorderingen op de Europese
Centrale Bank wordt een risicogewicht van 0% toegekend.
10.2.
Vorderingen luidend in de
nationale valuta van de leningnemer
18.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om in de nationale valuta luidende en
gefinancierde vorderingen op hun centrale overheid en centrale bank een lager
risicogewicht toe te kennen dan in punt 2 is aangegeven. 19.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een lidstaat van de in punt 4 geboden keuzemogelijkheid
gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun
kredietinstellingen eveneens toestaan hetzelfde risicogewicht toe te passen op
in de desbetreffende valuta luidende en gefinancierde vorderingen op de
betrokken centrale overheid of centrale bank. 20.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat
ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden
toegepast, aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen op
hun centrale overheid en centrale bank een lager risicogewicht toekennen dan in
de punten 1 en 2 is aangegeven, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen
toestaan het risicogewicht van dergelijke vorderingen op dezelfde wijze vast te
stellen.
10.3.
Gebruik van
kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen
21.
Een kredietbeoordeling
van een exportkredietverzekeringsmaatschappij mag alleen worden erkend als aan
een van de volgende voorwaarden is voldaan: a) de
kredietbeoordeling is een via een consensus tot stand gekomen risicoscore van
een exportkredietverzekeringsmaatschappij die deelneemt aan de OESO-regeling
inzake richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde
exportkredieten; b) de exportkredietverzekeringsmaatschappij
publiceert haar kredietbeoordelingen en houdt zich aan de OESO-methodologie; de
kredietbeoordeling is gekoppeld aan een van de zeven minimumexportverzekeringspremies
(MEVP’s) waarin de OESO-methodologie voorziet. 22.
Aan vorderingen waarvoor
een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij voor
risicowegingsdoeleinden wordt erkend, wordt conform tabel 2 een risicogewicht
toegekend. Tabel 2 MEVP || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 || 7 Risico-gewicht || 0% || 20% || 50% || 100% || 100% || 100% || 150%
11.
VORDERINGEN OP REGIONALE OF
LAGERE OVERHEDEN
23.
Onverminderd de punten 10,
11 en 12 wordt aan vorderingen op regionale en lagere overheden hetzelfde
risicogewicht toegekend als aan vorderingen op instellingen. De gebruikmaking
door de bevoegde autoriteiten van deze keuzemogelijkheid staat los van de
gebruikmaking door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 80, lid 3,
gespecificeerde keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de
punten 30, 31 en 36 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet
toegepast. 24.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om vorderingen op regionale en lagere overheden
te behandelen als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze
gevestigd zijn, indien er tussen deze vorderingen geen verschil in risico
bestaat vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale en lagere overheden
om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels waardoor
de kans dat genoemde overheden in gebreke blijven, wordt verminderd. 25.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een lidstaat van de in punt 10 geboden keuzemogelijkheid
gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun
kredietinstellingen eveneens toestaan hetzelfde risicogewicht toe te passen op
vorderingen op de betrokken regionale en lagere overheden. 26.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat
ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden
toegepast, vorderingen op regionale en lagere overheden behandelen als
vorderingen op hun centrale overheid, kunnen de lidstaten hun
kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van de betrokken regionale en
lagere overheden op dezelfde wijze vast te stellen.
12.
VORDERINGEN OP
ADMINISTRATIEVE ORGANEN EN NIET-COMMERCIËLE ONDERNEMINGEN
12.1.
Behandeling
27.
Onverminderd de punten 14
tot en met 18 wordt aan vorderingen op administratieve organen en
niet-commerciële ondernemingen een risicogewicht van 100% toegekend.
12.2.
Publiekrechtelijke
lichamen
28.
Onverminderd de punten 15,
16 en 17 wordt aan vorderingen op publiekrechtelijke lichamen een risicogewicht
van 100% toegekend. 29.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen
te behandelen als vorderingen op instellingen. De gebruikmaking door de
bevoegde autoriteiten van deze keuzemogelijkheid staat los van de gebruikmaking
door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 80, lid 3, gespecificeerde
keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de punten 30, 31 en
36 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet toegepast. 30.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een lidstaat gebruik maken van de mogelijkheid om vorderingen
op publiekrechtelijke lichamen als vorderingen op instellingen te behandelen,
kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen
toestaan het risicogewicht van de vorderingen op de betrokken publiekrechtelijke
lichamen op dezelfde wijze vast te stellen. 31.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat
ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden
toegepast, vorderingen op publiekrechtelijke lichamen behandelen als
vorderingen op instellingen, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen
toestaan het risicogewicht van de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde
wijze vast te stellen.
12.3.
Kerken en godsdienstige
gemeenschappen
32.
Vorderingen op kerken en
godsdienstige gemeenschappen die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, worden
behandeld als vorderingen op publiekrechtelijke lichamen, voorzover zij
belastingen heffen op grond van een hun daartoe bij wet verleend recht.
13.
VORDERINGEN OP
MULTILATERALE ONTWIKKELINGSBANKEN
13.1.
Toepassingsgebied
33.
Voor de toepassing van de
artikelen 78 tot en met 83 wordt de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij als
een multilaterale ontwikkelingsbank aangemerkt.
13.2.
Behandeling
34.
Onverminderd de punten 21
en 22 worden vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken op dezelfde wijze
behandeld als vorderingen op instellingen, dat wil zeggen conform de punten 28
tot en met 31. De preferentiële behandeling van de in de punten 30, 31 en 36
gespecificeerde kortlopende vorderingen is niet van toepassing. 35.
Aan vorderingen op de
volgende multilaterale ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0% toegekend: a) de Internationale
Bank voor Herstel en Ontwikkeling; b) de Internationale
Financieringsmaatschappij; c) de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank; d) de Aziatische
Ontwikkelingsbank; e) de Afrikaanse Ontwikkelingsbank; f) het Vestigingsfonds van
de Raad van Europa; g) de Nordic
Investment Bank; h) de Caraïbische
Ontwikkelingsbank; i) de Europese Bank voor
Wederopbouw en Ontwikkeling; j) de Europese Investeringsbank; k) het Europees Investeringsfonds; l) het Multilateraal Agentschap
voor Investeringsgaranties. 36.
Op het niet-gestorte
gedeelte van de inschrijvingen op het kapitaal van het Europees
Investeringsfonds wordt een risicogewicht van 20% toegepast.
14.
VORDERINGEN OP
INTERNATIONALE ORGANISATIES
37.
Aan vorderingen op de
volgende internationale organisaties wordt een risicogewicht van 0% toegekend: a) de Europese
Gemeenschap; b) het Internationaal
Monetair Fonds; c) de Bank voor Internationale
Betalingen.
15.
VORDERINGEN OP
INSTELLINGEN
15.1.
Behandeling
38.
Bij de vaststelling van
de risicogewichten van vorderingen op instellingen wordt een van de beide
methoden toegepast die in respectievelijk de punten 26 en 27 en de punten 28
tot en met 31 worden beschreven.
15.2.
Minimumrisicogewicht van
vorderingen op instellingen zonder externe rating
39.
Het risicogewicht van vorderingen
op een instelling zonder externe rating mag niet lager zijn dan het risicogewicht
dat op vorderingen op haar centrale overheid wordt toegepast.
15.3.
Op het risicogewicht van
de centrale overheid gebaseerde methode
40.
Aan vorderingen op een
instelling wordt conform tabel 3 een risicogewicht toegekend op basis van de
kredietkwaliteitscategorie waarin vorderingen op de centrale overheid in wier
rechtsgebied de statutaire zetel van de betrokken instelling gelegen is, zijn ondergebracht. Tabel 3 Kredietkwaliteits-categorie waarin de centrale overheid is ondergebracht || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht van de vordering || 20% || 50% || 100% || 100% || 100% || 150% 41.
Het risicogewicht van
vorderingen op instellingen waarvan de statutaire zetel gelegen is in landen
waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt ten hoogste 100%.
15.4.
Op een kredietbeoordeling
gebaseerde methode
42.
Aan vorderingen op
instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van meer dan drie
maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is,
wordt conform tabel 4 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging
door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in
zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. Tabel 4 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20% || 50% || 50% || 100% || 100% || 150% 43.
Aan vorderingen op
instellingen zonder externe rating wordt een risicogewicht van 50% toegekend. 44.
Aan vorderingen op
instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie
maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is,
wordt conform tabel 5 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging
door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in
zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. Tabel 5 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20% || 20% || 20% || 50% || 50% || 150% 45.
Aan vorderingen op
instellingen zonder externe rating met een oorspronkelijke effectieve looptijd
van ten hoogste drie maanden wordt een risicogewicht van 20% toegekend.
15.5.
Interactie met kredietbeoordelingen
voor de korte termijn
46.
Indien de in de punten 28
tot en met 31 gespecificeerde methode op vorderingen op instellingen wordt
toegepast, dan is de interactie met specifieke kredietbeoordelingen voor de
korte termijn als volgt. 47.
Indien er voor de
vordering geen kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat, dan is de in
punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende
vorderingen van toepassing op alle vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke
looptijd van ten hoogste drie maanden. 48.
Indien er een kredietbeoordeling
voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht
dat gunstiger is dan of gelijk aan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing
van de in punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van
kortlopende vorderingen, dan wordt uitsluitend voor deze specifieke vordering
van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt. Voor andere kortlopende vorderingen
wordt de in punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling
toegepast. 49.
Indien er een
kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de
toepassing van een risicogewicht dat minder gunstig is dan het risicogewicht
dat voortvloeit uit de toepassing van de in punt 30 gespecificeerde algemene
preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen, dan wordt geen gebruik
gemaakt van de algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen en
wordt aan alle kortlopende schuldvorderingen zonder externe rating hetzelfde
risicogewicht toegekend als het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing
van de desbetreffende kredietbeoordeling voor de korte termijn.
15.6.
Kortlopende vorderingen
luidend in de nationale valuta van de leningnemer
50.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om voor vorderingen op centrale
overheden en centrale banken de in de punten 4, 5 en 6 beschreven methode toe
te passen, kan aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen
op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste
drie maanden volgens zowel de in de punten 26 en 27 als de in de punten 28 tot
en met 31 beschreven methode een risicogewicht worden toegekend dat één klasse
slechter is dan het in de punten 4, 5 en 6 beschreven preferentiële risicogewicht
dat aan vorderingen op de centrale overheid wordt toegekend. 51.
Het risicogewicht van in
de nationale valuta van de leningnemer luidende en gefinancierde vorderingen met
een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden bedraagt
ten minste 20%.
15.7.
Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten
52.
Aan beleggingen in door
instellingen uitgegeven aandelen of eigenvermogensinstrumenten wordt een
risicogewicht van 100% toegekend, tenzij deze instrumenten in mindering zijn
gebracht op het eigen vermogen.
16.
VORDERINGEN OP ONDERNEMINGEN
16.1.
Behandeling
53.
Aan vorderingen waarvoor
een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform
tabel 6 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging
door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in
zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. Tabel 6 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 100% || 150% || 150% 54.
Aan vorderingen waarvoor
een dergelijke kredietbeoordeling niet beschikbaar is, wordt een risicogewicht
van 100% of het risicogewicht van de centrale overheid van het bedrijf
toegekend, al naar gelang welk risicogewicht het hoogste is.
17.
VORDERINGEN OP
PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN
55.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen die aan de in artikel 79,
lid 2, opgesomde criteria voldoen, een risicogewicht van 75% toe te kennen.
18.
DOOR ONROEREND GOED GEDEKTE
VORDERINGEN
56.
Onverminderd de punten 43
tot en met 57 wordt aan vorderingen die volledig door onroerend goed zijn gedekt,
een risicogewicht van 100% toegekend.
18.1.
Door hypotheken op niet-zakelijk
onroerend goed gedekte vorderingen
57.
Aan vorderingen waarvoor
ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren is aangetoond dat zij geheel
en volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat
wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, wordt een
risicogewicht van 35% toegekend. 58.
Aan vorderingen waarvoor
ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren is aangetoond dat zij geheel
en volledig zijn gedekt door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van
woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen
van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van niet-zakelijk
onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, wordt
een risicogewicht van 35% toegekend. 59.
De bevoegde autoriteiten spreken
pas een gunstig oordeel uit indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de waarde van
het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van
de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter macro-economische
factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed
als het betalingsgedrag van de leningnemer; b) het risico van
de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het
onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende
capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen.
De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af
van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend
goed dat als zekerheid fungeert; c) de minimumvereisten
van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en de waarderingsregels van bijlage VIII,
deel 3, punten 63 tot en met 66, zijn in acht genomen; d) de waarde van
het onroerend goed is aanzienlijk hoger dan het bedrag van de vorderingen. 60.
Voor vorderingen die
geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed
dat zich op hun grondgebied bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing
verlenen van de in punt 45, onder b), gestelde voorwaarde, mits zij over
het bewijs beschikken dat er op hun grondgebied sprake is van een goed
ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend
goed met verliescijfers die voldoende laag zijn om een dergelijke behandeling
van deze vorderingen te wettigen. 61.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een lidstaat van de in punt 46 geboden mogelijkheid gebruik
maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun
kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 35% toe te passen op de
desbetreffende vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken
op niet-zakelijk onroerend goed.
18.2.
Door hypotheken op
zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen
62.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen waarvoor volgens hen naar
behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op
kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten die zich op hun grondgebied bevinden,
een risicogewicht van 50% toe te kennen. 63.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen waarvoor volgens hen naar
behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door aandelen in
Finse ondernemingen voor de bouw van woningen welke werkzaam zijn volgens de
Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving
ten aanzien van kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten, een risicogewicht
van 50% toe te kennen. 64.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen die verband houden met transacties
inzake financieringshuur van onroerende goederen welke betrekking hebben op kantoorgebouwen
of andere bedrijfsruimten die zich op hun grondgebied bevinden, en waarop
wettelijke bepalingen van toepassing zijn krachtens welke de verhuurder de
volledige eigendom van het verhuurde goed behoudt zolang de huurder zijn koopoptie
niet heeft uitgeoefend, een risicogewicht van 50% toe te kennen. 65.
De toepassing van de
punten 48, 49 en 50 is onderworpen aan de volgende voorwaarden: a) de waarde van
het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van
de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter
macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van
het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer; b) het risico van
de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het
onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende
capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen.
De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af
van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend
goed dat als zekerheid fungeert; c) de minimumvereiste
van bijlage VIII, deel 2, punt 8 en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel
3, punten 63 tot en met 66, zijn in acht genomen. 66.
Het risicogewicht van 50%
is van toepassing op het gedeelte van de lening dat niet hoger ligt dan het op
een van de volgende wijzen berekende maximum: a) 50% van de marktwaarde
van het onroerend goed in kwestie; b) 50% van de
marktwaarde van het onroerend goed of, indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van
de hypotheekwaarde in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke
bepalingen strikte criteria voor de berekening van de hypotheekwaarden hebben
vastgesteld. 67.
Op het gedeelte van de
lening dat boven de in punt 52 bedoelde maxima ligt, is een risicogewicht van 100%
van toepassing. 68.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een lidstaat van een in de punten 48, 49 en 50 geboden
mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere
lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 50% toe te
passen op dergelijke vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door
hypotheken op zakelijk onroerend goed. 69.
Voor vorderingen die
geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat
zich op hun grondgebied bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing
verlenen van de in punt 51, onder b), gestelde voorwaarde, mits zij over
het bewijs beschikken dat er op hun grondgebied sprake is van een goed
ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed
met verliescijfers die de volgende maxima niet overtreffen: a) 50% van de marktwaarde
(of, in voorkomend geval en indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van de hypotheekwaarde)
mag niet meer zijn dan 0,3 % van de in een gegeven jaar uitstaande leningen; b) de totale
verliezen die uit hypotheken op zakelijk onroerend goed voortvloeien, mogen
niet hoger liggen dan 0,5% van de in een gegeven jaar uitstaande leningen. 70.
Indien in een gegeven
jaar niet aan één van beide in punt 55 genoemde maxima is voldaan, komt deze
behandeling niet meer in aanmerking en moet opnieuw aan de in punt 51, onder
b), gestelde voorwaarde worden voldaan voordat zij wederom kan worden toegepast. 71.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van een lidstaat van de in punt 55 geboden mogelijkheid gebruik
maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun
kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 50% toe te passen op
dergelijke vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op
zakelijk onroerend goed.
19.
ACHTERSTALLIGE POSTEN
72.
Onverminderd het bepaalde
in de punten 59 tot en met 62 wordt aan het niet-gedekte gedeelte van een post
die meer dan 90 dagen achterstallig is, een risicogewicht toegekend van: a) 150% indien de waardeaanpassingen
minder dan 20% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen
bedragen; b) 100% indien de waardeaanpassingen
niet minder dan 20% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen
bedragen; c) 50% indien de waardeaanpassingen
niet minder dan 50% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen
bedragen, mits de bevoegde autoriteiten van deze mogelijkheid gebruik wensen te
maken. 73.
Voor de bepaling van het gedekte
gedeelte van de achterstallige post zijn de toelaatbare zekerheden en garanties
die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicovermindering. 74.
Ingeval een achterstallige
post volledig wordt gedekt door andere vormen van zekerheden dan die welke toelaatbaar
zijn voor de kredietrisicovermindering, beschikken de bevoegde autoriteiten niettemin
over de mogelijkheid een risicogewicht van 100% toe te passen wanneer de waardeaanpassingen
15% van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen, mits zij strikte
operationele criteria vaststellen om de goede kwaliteit van de zekerheden te
waarborgen. 75.
Aan de in de punten 43
tot en met 47 bedoelde vorderingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn,
wordt een risicogewicht toegekend van 100% exclusief waardeaanpassingen. Indien
de waardeaanpassingen niet minder dan 20% van de vorderingen vóór waardeaanpassingen
bedragen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de mogelijkheid het op de
rest van de vordering toepasselijke risicogewicht tot 50% te verlagen. 76.
Aan de in de punten 48
tot en met 57 bedoelde vorderingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn,
wordt een risicogewicht van 100% toegekend.
20.
POSTEN MET VERHOOGD
RISICO
77.
De bevoegde autoriteiten
beschikken over de mogelijkheid om aan bijzonder risicovolle vorderingen, zoals
investeringen in durfkapitaalfondsen en risicokapitaalinvesteringen, een risicogewicht
van 150% toe te kennen. 78.
De bevoegde autoriteiten
kunnen toestaan dat aan niet-achterstallige posten waaraan overeenkomstig het
bepaalde in de voorgaande afdelingen een risicogewicht van 150% wordt toegekend
en waarvoor waardeaanpassingen zijn vastgesteld, een risicogewicht wordt
toegekend van: a) 100% indien de waardeaanpassingen
niet minder dan 20% van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen; b) 50% indien de waardeaanpassingen
niet minder dan 50% van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen.
21.
POSITIES IN GEDEKTE OBLIGATIES
79.
Onder
“gedekte obligaties” wordt het volgende verstaan: obligaties als omschreven in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG en
afgedekt door middel van de volgende in aanmerking komende activa: a) vorderingen op
of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, multilaterale ontwikkelingsbanken
en internationale organisaties, welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1
als vastgelegd in deze bijlage; b) vorderingen op
of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen, regionale overheden en lagere
overheden, welke overeenkomstig respectievelijk de punten 15, 9 en 10 eenzelfde
risicogewicht hebben als vorderingen op instellingen of centrale overheden en
centrale banken en welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1
als vastgelegd in deze bijlage; c) vorderingen op
instellingen welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1
als vastgelegd in deze bijlage. Het totaalbedrag van dergelijke vorderingen mag
niet hoger liggen dan 10% van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte
obligaties van de uitgevende kredietinstelling. Vorderingen die het gevolg zijn
van overdrachten van betalingen van debiteuren uit hoofde van door onroerend
goed gedekte leningen aan houders van gedekte obligaties, worden niet in
aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 10%; d) leningen die gedekt
zijn door niet-zakelijk onroerend goed of aandelen in de in punt 44 bedoelde
Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, maar alleen ingeval de pandrechten
in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 80% van de waarde van
het in pand gegeven goed blijven; e) leningen die gedekt
zijn door zakelijk onroerend goed of aandelen in de in punt 49 bedoelde Finse ondernemingen
voor de bouw van woningen, maar alleen ingeval de pandrechten in combinatie met
eerder verleende pandrechten onder de 60% van de waarde van het in pand gegeven
goed blijven. De bevoegde autoriteiten kunnen door zakelijk onroerend goed gedekte
leningen ook als toelaatbaar aanmerken wanneer de ratio van de lening ten
opzichte van de waarde meer dan 60% maar minder dan 70% bedraagt, op voorwaarde
dat de totale waarde van de als zekerheid voor de gedekte obligaties verschafte
activa het nominale bedrag van de gedekte obligatie met ten minste 10%
overtreft en de rechten van de obligatiehouders voldoen aan de in bijlage VIII
gestelde rechtszekerheidseisen. De rechten van de obligatiehouders hebben voorrang
op alle andere zekerheidsrechten. 80.
Met betrekking tot als
zekerheid voor gedekte obligaties verschaft onroerend goed nemen de
kredietinstellingen de minimumvereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en de
waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 63 tot en met 66, in acht. 81.
In afwijking van de
punten 65 en 66 komen ook gedekte obligaties die aan de definitie van artikel
22, punt 4, van Richtlijn 85/611/EEG voldoen en die vóór 31 december 2007 zijn
uitgegeven, tot op hun eindvervaldag voor de preferentiële behandeling in
aanmerking. 82.
Bij de toekenning van een
risicogewicht aan gedekte obligaties wordt uitgegaan van het risicogewicht dat is
toegekend aan preferente niet-gedekte vorderingen op de kredietinstelling die
deze obligaties uitgeeft, waarbij tussen de desbetreffende risicogewichten het
volgende verband geldt: a) indien aan de
vorderingen op de instelling een risicogewicht van 20% wordt toegekend, wordt
aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10% toegekend; b) indien aan de
vorderingen op de instelling een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt
aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20% toegekend; c) indien aan de
vorderingen op de instelling een risicogewicht van 100% wordt toegekend, wordt
aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50% toegekend; d) indien aan de
vorderingen op de instelling een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt
aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100% toegekend.
22.
POSTEN DIE SECURITISATIEPOSITIES
VERTEGENWOORDIGEN
83.
De risicogewichten van posten
die securitisatieposities vertegenwoordigen, worden vastgesteld overeenkomstig
het bepaalde in de artikelen 94 tot en met 101.
23.
KORTLOPENDE VORDERINGEN
OP INSTELLINGEN EN ONDERNEMINGEN
84.
Aan kortlopende
vorderingen op een instelling of bedrijf waarvoor een kredietbeoordeling van
een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een
risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de
bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën
van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. Tabel 7 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 150% || 150% || 150%
24.
POSITIES IN INSTELLINGEN
VOOR COLLECTIEVE BELEGGING (ICB’S)
85.
Onverminderd het bepaalde
in de punten 72 tot en met 78 wordt aan posities in instellingen voor collectieve
belegging (icb’s) een risicogewicht van 100% toegekend. 86.
Aan posities in icb’s waarvoor
een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform
tabel 8 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging
door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in
zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. Tabel 8 Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 100% || 150% || 150% 87.
Indien de bevoegde
autoriteiten van oordeel zijn dat aan een positie in een icb bijzonder grote
risico’s verbonden zijn, verlangen zij dat aan deze positie een risicogewicht
van 150% wordt toegekend. 88.
Het risicogewicht van een
icb mag door een kredietinstelling op de in de punten 76, 77 en 78 beschreven
wijze worden vastgesteld, indien aan de volgende criteria is voldaan: a) de icb wordt
beheerd door een maatschappij waarop in een lidstaat toezicht wordt uitgeoefend
of, mits de voor de kredietinstelling bevoegde autoriteit daarmee instemt: i) de icb wordt
beheerd door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht dat gelijkwaardig
wordt geacht aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet; en ii) de
samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten is genoegzaam gewaarborgd; b) het prospectus
of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat: –
de categorieën activa
waarin de icb mag beleggen, –
de relatieve
beleggingsgrenzen en de methoden om deze te berekenen, indien dergelijke
grenzen van toepassing zijn; c) over de
bedrijfsactiviteiten van de icb wordt ten minste jaarlijks op zodanige wijze verslag
uitgebracht dat de activa en passiva, alsmede de inkomsten en transacties over de
verslagperiode kunnen worden beoordeeld. 89.
Indien een icb uit een
derde land overeenkomstig punt 74, onder a), door een bevoegde autoriteit als
aanvaardbaar wordt erkend, dan kan een bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat van deze erkenning gebruik maken zonder zelf een beoordeling te
verrichten. 90.
Wanneer de
kredietinstelling op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, mag
zij zich op deze onderliggende posities baseren om een gemiddeld risicogewicht
voor de icb te berekenen overeenkomstig de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven
methoden. 91.
Wanneer de
kredietinstelling niet op de hoogte is van de onderliggende posities van een
icb, mag zij een gemiddeld risicogewicht voor de icb berekenen overeenkomstig
de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven methoden, mits zij zich houdt
aan de volgende regel: er wordt aangenomen dat de icb eerst tot de toegestane
grens belegt in de categorieën posities waarvoor het hoogste kapitaalvereiste
geldt, en vervolgens belegt in posities waarvoor een steeds verder afnemend
kapitaalvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt. 92.
Kredietinstellingen mogen
een beroep doen op een derde om overeenkomstig de in de punten 76 en 77 beschreven
methoden een risicogewicht voor de icb te berekenen en te rapporteren, mits de juistheid
van de berekening en de rapportage op adequate wijze is gewaarborgd.
25.
ANDERE POSTEN
25.1.
Behandeling
93.
Aan fysieke activa in de
zin van artikel 4, punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG wordt een risicogewicht
van 100% toegekend. 94.
Aan overlopende posten waarvoor
de instelling niet in staat is om overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG uit te
maken wie de tegenpartij is, wordt een risicogewicht van 100% toegekend. 95.
Aan liquide middelen in
de inningsfase wordt een risicogewicht van 20% toegekend. Aan kasmiddelen en
gelijkwaardige posten wordt een risicogewicht van 0% toegekend. 96.
De lidstaten kunnen
toestaan dat een risicogewicht van 10% wordt toegekend aan vorderingen op
instellingen die in hun lidstaat van herkomst gespecialiseerd zijn op het
gebied van de interbancaire markt en de markt voor overheidsschuld en die aan
een streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen, mits voor
deze activa ten behoeve van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van
herkomst naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door
activa waaraan een risicogewicht van 0% of 20% is toegekend en deze activa door
deze autoriteiten als een passende zekerheid worden aangemerkt. 97.
Aan aandelen en andere
deelnemingen wordt een risicogewicht van ten minste 100% toegekend, tenzij in
mindering gebracht op het eigen vermogen. 98.
Aan het goud dat in eigen
kluizen wordt bewaard of is toegewezen voorzover daar verplichtingen in de vorm
van goud tegenover staan, wordt een risicogewicht van 0% toegekend. 99.
Bij overeenkomsten inzake
cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking, zijn
de risicogewichten die welke gelden voor de desbetreffende activa en niet die
welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties. 100.
Wanneer een
kredietinstelling voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder
voorwaarde dat de nde wanbetaling op de vorderingen aanleiding geeft tot
betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met
zich brengt, zijn de in de artikelen 78 tot en met 83 voorgeschreven
risicogewichten van toepassing indien voor het product een externe kredietbeoordeling
van een erkende EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen externe
kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is, worden de
risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n-1 vorderingen na, geaggregeerd tot een maximum van 1250% en vermenigvuldigd
met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de
risicogewogen actiefpost te verkrijgen. De n-1 vorderingen die bij de aggregatie
buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd:
het betreft elke vordering waarvan het risicogewogen bedrag lager is dan het
risicogewogen bedrag van alle vorderingen die in de aggregatie zijn opgenomen. Deel 2 – Erkenning
van EKBI’s en koppeling van hun kredietbeoordelingen aan risicogewichten
(“mapping”)
1.
METHODOLOGIE
1.1.
Objectiviteit
1.
De bevoegde autoriteiten
verifiëren of de methodologie voor de toekenning van kredietbeoordelingen wordt
gekenmerkt door zorgvuldigheid, systematiek en continuïteit, en tevens op basis
van historische ervaring wordt gevalideerd.
1.2.
Onafhankelijkheid
2.
De bevoegde autoriteiten
verifiëren of de methodologie vrij is van externe politieke invloeden of
beperkingen en van economische spanningen die de kredietbeoordeling kunnen beïnvloeden. 3.
De onafhankelijkheid van
de door een EKBI gehanteerde methodologie wordt door de bevoegde autoriteiten
beoordeeld op grond van onder meer de volgende factoren: a) eigendoms- en organisatiestructuur
van de EKBI; b) financiële positie
van de EKBI; c) personeel en
deskundigheid van de EKBI; d) corporate
governance van de EKBI.
1.3.
Doorlopende controle
4.
De bevoegde autoriteiten
verifiëren of de kredietbeoordelingen van de EKBI doorlopend worden
gecontroleerd en zijn alert op wijzigingen in de financiële positie. Een
dergelijke controle vindt na elke significante gebeurtenis en ten minste
eenmaal per jaar plaats. 5.
Voordat tot erkenning
wordt overgegaan, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de beoordelingsmethodologie
voor elk marktsegment is opgesteld conform onder meer de volgende normen: a) de empirische validatie
is voor ten minste een jaar vastgelegd; b) de bevoegde
autoriteiten moeten toezien op de regelmatigheid van het controleproces van de
EKBI; c) de bevoegde
autoriteiten zijn in staat om van de EKBI informatie te verlangen over de
reikwijdte van haar contacten met de hoogste directie van de entiteiten die
worden beoordeeld. 6.
De bevoegde autoriteiten
nemen de nodige maatregelen opdat de EKBI’s hen onmiddellijk in kennis kunnen
stellen van eventuele wijzigingen van betekenis in hun methodologie voor de
toekenning van kredietbeoordelingen.
1.4.
Transparantie en openbaarmaking
7.
De bevoegde autoriteiten
nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de beginselen van de door de
EKBI voor de opstelling van haar kredietbeoordelingen toegepaste methodologie
publiek bekend zijn, zodat potentiële gebruikers kunnen oordelen of deze kredietbeoordelingen
op redelijke wijze zijn verkregen.
2.
INDIVIDUELE KREDIETBEOORDELINGEN
2.1.
Geloofwaardigheid en
marktacceptatie
8.
De bevoegde autoriteiten
verifiëren of de individuele kredietbeoordelingen van een EKBI op de markt als
geloofwaardig en betrouwbaar worden beschouwd door de gebruikers van dergelijke
kredietbeoordelingen. 9.
De bevoegde autoriteiten
toetsen de geloofwaardigheid aan onder meer de volgende factoren: a) het marktaandeel
van de EKBI; b) de inkomsten
die de EKBI genereert, en meer in het algemeen haar financiële positie; c) of er
prijszetting op basis van de rating plaatsvindt.
2.2.
Transparantie en
openbaarmaking
10.
De bevoegde autoriteiten
verifiëren of de individuele kredietbeoordelingen onder gelijkwaardige
voorwaarden beschikbaar zijn voor ten minste alle partijen die een rechtmatig
belang bij deze individuele kredietbeoordelingen hebben. 11.
De bevoegde autoriteiten
verifiëren in het bijzonder of de voorwaarden waaronder de individuele kredietbeoordelingen
voor buitenlandse partijen beschikbaar zijn, gelijkwaardig zijn aan die welke
gelden voor binnenlandse partijen die een rechtmatig belang bij deze
individuele kredietbeoordelingen hebben.
3.
KOPPELING VAN KREDIETBEOORDELINGEN
AAN RISICOGEWICHTEN (“MAPPING”)
12.
Om onderscheid te maken
tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking
wordt gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten uit van kwantitatieve factoren zoals
de wanbetalingsgraad op lange termijn die overeenkomt met alle posten met
dezelfde kredietbeoordeling. Voor recentelijk opgerichte EKBI’s en voor EKBI’s
die over nog maar weinig wanbetalingsgegevens beschikken, vragen de bevoegde
autoriteiten de betrokken EKBI welke wanbetalingsgraad op lange termijn volgens
haar overeenkomt met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is
toegekend. 13.
Om onderscheid te maken
tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling
uitdrukking wordt gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten uit van kwalitatieve
factoren zoals de groep uitgevende instellingen die door de EKBI wordt
bestreken, het spectrum van kredietbeoordelingen die door de EKBI worden toegekend,
de betekenis van elke kredietbeoordeling en de door de EKBI gehanteerde
definitie van wanbetaling. 14.
De bevoegde autoriteiten
vergelijken de voor elke kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde
wanbetalingsgraden en vergelijken deze met een referentiewaarde die is
opgesteld op basis van de wanbetalingsgraden die door andere EKBI’s zijn
geconstateerd bij een populatie van uitgevende instellingen waaraan volgens de
bevoegde autoriteiten een gelijkwaardig kredietrisico verbonden is. 15.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten van oordeel zijn dat de voor de kredietbeoordeling van een
specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden systematisch wezenlijk hoger
zijn dan de referentiewaarde, brengen zij de kredietbeoordeling van de
betrokken EKBI onder in een hogere risicocategorie van de
kredietkwaliteitbeoordelingsschaal. 16.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten het met een specifieke kredietbeoordeling van een EKBI overeenkomende
risicogewicht hebben verhoogd en indien de betrokken EKBI aantoont dat de voor haar
kredietbeoordeling geconstateerde wanbetalingsgraden niet langer systematisch
wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, kunnen de bevoegde autoriteiten
besluiten de kredietbeoordeling van de EKBI wederom in de oorspronkelijke categorie
van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal onder te brengen. Deel 3 – Gebruik
van kredietbeoordelingen van EKBI’s voor de bepaling van risicogewichten
1.
Behandeling
1.
Een instelling kan een of
meer erkende EKBI’s aanwijzen als de EKBI’s waarvan zij de kredietbeoordelingen
zal gebruiken voor de bepaling van de risicogewichten die op de actiefposten en
posten buiten de balanstelling van toepassing zijn. 2.
Een kredietinstelling die
besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van
een erkende EKBI gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen
consequent voor alle vorderingen die tot deze categorie behoren. 3.
Een instelling die
besluit om van de kredietbeoordelingen van een erkende EKBI gebruik te maken, past
deze kredietbeoordelingen continu en consequent in de tijd toe. 4.
Een kredietinstelling mag
alleen gebruik maken van EKBI-kredietbeoordelingen die rekening houden met alle
haar zowel in hoofdsom als in rente verschuldigde bedragen. 5.
Indien voor een post met
een externe rating slechts één kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar
is, wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het
risicogewicht van de desbetreffende post. 6.
Indien voor een post met
een externe rating twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI’s beschikbaar
zijn en elk van beide kredietbeoordelingen met een verschillend risicogewicht
overeenkomt, dan wordt het hoogste risicogewicht toegepast. 7.
Indien voor een post met
een externe rating meer dan twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI’s
beschikbaar zijn, wordt verwezen naar de twee kredietbeoordelingen die met de
laagste risicogewichten overeenkomen. Indien de laagste twee risicogewichten verschillend
zijn, wordt het hoogste risicogewicht toegepast. Indien de laagste twee risicogewichten
gelijk zijn, wordt dat risicogewicht toegepast. 8.
Kredietinstellingen maken
gebruik van gevraagde kredietbeoordelingen. De bevoegde autoriteiten kunnen
kredietinstellingen toestaan van ongevraagde kredietbeoordelingen gebruik te
maken.
2.
Kredietbeoordeling van
uitgevende instellingen en uitgiften
9.
Wanneer een kredietbeoordeling
bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit
waarvan de met de post overeenkomende vordering deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling
gebruik gemaakt voor de bepaling van het op die post toepasselijke
risicogewicht. 10.
Wanneer er voor een
bepaalde post geen rechtstreeks toepasselijke kredietbeoordeling beschikbaar is,
maar er een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of
een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende
vordering geen deel uitmaakt, dan wel een algemene kredietbeoordeling voorhanden
is voor de uitgevende instelling, dan wordt van die kredietbeoordeling gebruik
gemaakt indien deze een hoger risicogewicht oplevert dan anderszins het geval
zou zijn, of indien deze een lager risicogewicht oplevert en de vordering in
kwestie in alle opzichten van gelijke of hogere rang is dan ofwel het
specifieke uitgifteprogramma of de specifieke uitgiftefaciliteit, ofwel niet
door zekerheden gedekte vorderingen van een hogere rangorde van die uitgevende
instelling, al naar gelang het geval. 11.
De punten 9 en 10 mogen de
toepassing van de punten 65 tot en met 68 van deel 1 van deze bijlage niet
beletten. 12.
Kredietbeoordelingen van
uitgevende instellingen die tot een concern behoren, mogen niet worden gebruikt
als kredietbeoordeling voor een andere uitgevende instelling van hetzelfde concern.
3.
Kredietbeoordelingen voor
de korte en de lange termijn
13.
Kredietbeoordelingen voor
de korte termijn mogen alleen worden gebruikt voor actiefposten en posten
buiten de balanstelling op korte termijn die vorderingen op instellingen en ondernemingen
vertegenwoordigen. 14.
Een kredietbeoordeling
voor de korte termijn is uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling
betrekking heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van
risicogewichten voor andere posten. 15.
Indien aan een faciliteit
met een korte-termijnrating een risicogewicht van 150% wordt toegekend, dan wordt
in afwijking van punt 14 aan alle niet-gedekte vorderingen zonder rating op de
betrokken debiteur, ongeacht of deze kortlopend dan wel langlopend zijn,
eveneens een risicogewicht van 150% toegekend. 16.
Indien aan een faciliteit
met een korte-termijnrating een risicogewicht van 50% wordt toegekend, dan
wordt in afwijking van punt 14 aan geen enkele kortlopende vordering zonder
rating een risicogewicht van minder dan 100% toegekend.
4.
Posten luidend in
nationale en buitenlandse valuta
17.
Een kredietbeoordeling
die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur
luidt, mag niet worden gebruikt voor de bepaling van een risicogewicht van een
andere vordering op dezelfde debiteur welke in een buitenlandse valuta luidt. 18.
Wanneer er een vordering
ontstaat als gevolg van de deelneming van een kredietinstelling in een lening
die is verstrekt door een multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van
preferente crediteur in de markt wordt erkend, kunnen de bevoegde autoriteiten
in afwijking van punt 17 toestaan dat voor de bepaling van het risicogewicht de
kredietbeoordeling wordt gebruikt van de post die in de nationale valuta van de
debiteur luidt. BIJLAGE VII
Interne-ratingbenadering
Deel 1 - Risicogewogen posten en verwachte verliesposten
1.
Berekening van risicogewogen
posten voor het kredietrisico
1.
Tenzij anders is aangegeven,
worden de inputparameters kans op wanbetaling (probability of default – PD), verlies
bij wanbetaling (loss given default – LGD) en looptijdwaarde (maturity value – M)
bepaald op de in deel 2 beschreven wijze en de waarde van de post op de in deel
3 beschreven wijze. 2.
De risicogewogen post
voor elke vordering wordt berekend volgens de onderstaande formules.
1.1.
Risicogewogen posten voor
vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale
banken.
3.
Behoudens de punten 4 tot
en met 8 worden de risicogewogen posten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen
en centrale overheden en centrale banken berekend volgens de onderstaande formules: Correlatie (R) = Looptijdfactor (b) = Risicogewicht (RW) =
N() staat voor de
cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z.
de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en
een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan x). staat voor
de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele
(d.w.z. x heeft een zodanige waarde dat = z). Risicogewogen post = RW
* waarde van de post 4.
Voor vorderingen op ondernemingen
waarbij de totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan het bedrijf
deel uitmaakt minder is dan 50 miljoen EUR, mogen kredietinstellingen gebruik
maken van de onderstaande correlatieformule om de risicogewichten van
vorderingen op ondernemingen te berekenen. In deze formule staat S voor de totale
jaaromzet in miljoen euro, waarbij 5 miljoen EUR <= S <= 50 miljoen EUR.
Een opgegeven omzet van minder dan 5 miljoen EUR wordt behandeld als
een omzet van 5 miljoen EUR. Voor gekochte kortlopende vorderingen is
de totale jaaromzet het gewogen gemiddelde van de individuele vorderingen die
tot de pool behoren. Correlatie (R) = De kredietinstellingen vervangen
de totale jaaromzet door de totale activa van de geconsolideerde groep wanneer
de totale jaaromzet geen relevante indicator is van de omvang van het bedrijf
en de totale activa een meer relevante indicator vormen dan de totale jaaromzet. 5.
Aan vorderingen uit
hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarvoor een kredietinstelling
niet kan aantonen dat haar PD-ramingen voldoen aan de in deel 4 vastgestelde minimumvereisten,
kent zij risicogewichten toe conform tabel 1. Tabel 1 Resterende looptijd || categorie1 || categorie 2 || categorie 3 || categorie 4 || categorie 5 Minder dan 2,5 jaar || 50% || 70% || 115% || 250% || 0% Ten minste 2,5 jaar || 70% || 90% || 115% || 250% || 0% De bevoegde autoriteiten
kunnen een kredietinstelling toestaan aan alle vorderingen van categorie 1
een preferentieel risicogewicht van 50% en aan alle vorderingen van categorie 2
een risicogewicht van 70% toe te kennen, mits de overnemings- en andere
risicokenmerken van de kredietinstelling voor de desbetreffende categorie in
wezen deugdelijk zijn. Bij de toekenning van
risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening
houden kredietinstellingen rekening met de volgende factoren: financiële
draagkracht, politieke en juridische omgeving, kenmerken van de transactie en/of
activa, draagkracht van de sponsor en ontwikkelaar, met inbegrip van enigerlei
inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat partnerschap of garantiepakket. 6.
Om voor een behandeling
als een vordering op een bedrijf in aanmerking te komen, moeten gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen voldoen aan de minimumvereisten van deel 4,
punten 104 tot en met 108. Voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen
welke tevens aan de in punt 12 gestelde voorwaarden voldoen en waarvoor het voor
kredietinstellingen te belastend zou zijn om de in deel 4 vervatte normen
voor risicokwantificering van vorderingen op ondernemingen toe te passen, mag
gebruik worden gemaakt van de eveneens in deel 4 vervatte normen voor de risicokwantificering
van vorderingen op particulieren en kleine partijen. 7.
Bij gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen mogen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden
of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen
bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, in het
IRB-securitisatiekader als eerste-verliesposities worden behandeld. 8.
Wanneer een instelling
voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de nde
wanbetaling op de vorderingen aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis
de beëindiging van het contract met zich brengt, zijn de in de artikelen 94 tot
en met 101 voorgeschreven risicogewichten van toepassing indien voor het
product een externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is.
Indien er voor het product geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar
is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n-1
vorderingen na, geaggregeerd, waarbij de som van de verwachte verliespost
vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen
post niet hoger mag zijn dan het nominale bedrag van de door het
kredietderivaat geboden protectie vermenigvuldigd met 12,5. De n-1
vorderingen die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op
de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke vordering waarvoor de
risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor alle vorderingen die
in de aggregatie zijn opgenomen.
1.2.
Risicogewogen posten voor
vorderingen op particulieren en kleine partijen
9.
Behoudens de punten 10 en
11 worden de risicogewogen posten voor vorderingen op particulieren en kleine
partijen berekend volgens de onderstaande formules: Correlatie (R) = Risicogewicht (RW):
N() staat voor
de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele
(d.w.z. de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van
nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan x). staat voor
de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige
variabele (d.w.z. x heeft een zodanige waarde dat = z). Risicogewogen post = RW
* waarde van de post 10.
Bij door onroerend goed gedekte
vorderingen op particulieren of op kleine partijen vervangt een correlatie (R) van
0,15 het cijfer dat door de correlatieformule van punt 9 wordt verkregen. 11.
Bij gekwalificeerde
revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen als omschreven
onder a) tot en met e), vervangt een correlatie (R) van 0,04 het cijfer dat
door de correlatieformule van punt 9 wordt verkregen. Vorderingen worden als gekwalificeerde
revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen
aangemerkt indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen: a) het gaat om posities
ten opzichte van personen; b) het gaat om
revolverende, niet door zekerheden gedekte posities die, voorzover de kredietlijnen
niet zijn aangesproken, onvoorwaardelijk door de kredietinstelling kunnen
worden opgezegd (in deze context worden revolverende posities gedefinieerd als kredietlijnen
waarbij de openstaande saldi van cliënten al naar gelang hun beslissingen om te
lenen en terug te betalen mogen schommelen tot een grens die door de
kredietinstelling is vastgesteld). Onbenutte kredietlijnen mogen worden
aangemerkt als kredietlijnen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd indien
de kredietinstelling deze kredietlijnen krachtens de daaraan verbonden voorwaarden
mag opzeggen in de mate dat dit toegestaan wordt door de wetgeving inzake
consumentenbescherming en aanverwante wetgeving; c) de maximumvordering
op één enkele persoon in de subportefeuille bedraagt 100 000 EUR of
minder; d) de kredietinstelling
kan aantonen dat het gebruik van de correlatieformule van deze afdeling beperkt
is tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage volatiliteit van de
verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages,
vooral in de lage PD-banden. De toezichthouders onderwerpen de relatieve
volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde revolverende
retailsubportefeuilles als de geaggregeerde gekwalificeerde revolverende
retailportefeuille aan een onderzoek en zijn bereid tussen jurisdicties informatie
uit te wisselen over de typische kenmerken van verliespercentages van
gekwalificeerde revolverende retailportefeuilles; e) de bevoegde
autoriteit is het ermee eens dat de behandeling als gekwalificeerde
revolverende positie spoort met de onderliggende risicokenmerken van de subportefeuille. 12.
Om voor een behandeling
als een vordering op een particulier of op een kleine partij in aanmerking te
komen, moeten gekochte kortlopende vorderingen voldoen aan de minimumvereisten van
deel 4, punten 104 tot en met 108 en aan de volgende voorwaarden
beantwoorden: a) de
kredietinstelling heeft de kortlopende vorderingen gekocht van niet-verbonden,
derde verkopers en haar vordering op de debiteur van de vordering omvat geen
vorderingen die rechtstreeks of middellijk hun oorsprong vinden bij de
kredietinstelling zelf; b) de gekochte
kortlopende vorderingen zijn op marktconforme wijze tot stand gekomen tussen de
verkoper en de debiteur. Te ontvangen posten en kortlopende vorderingen opgenomen
in tegenrekeningen tussen ondernemingen die van elkaar kopen en aan elkaar
verkopen, komen als zodanig niet in aanmerking; c) de kopende
kredietinstelling heeft recht op alle opbrengsten van de gekochte kortlopende
vorderingen of een evenredig belang in de opbrengsten; d) de portefeuille
gekochte kortlopende vorderingen is voldoende gespreid. 13.
Bij gekochte kortlopende
vorderingen mogen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of
gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij
wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, in het
IRB-securitisatiekader als eerste-verliesposities worden behandeld. 14.
Bij hybride pools van gekochte
kortlopende vorderingen op particulieren of op kleine partijen waarbij de
kopende kredietinstelling door onroerend goed gedekte vorderingen en
gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine
partijen niet kan onderscheiden van andere vorderingen op particulieren en
kleine partijen, is de risicogewichtfunctie van toepassing die de hoogste
kapitaalvereisten voor deze vorderingen oplevert.
1.3.
Risicogewogen posten voor
posities in aandelen
15.
Mits de bevoegde
autoriteiten daarmee instemmen, mag een kredietinstelling verschillende
benaderingen voor verschillende portefeuilles volgen wanneer de
kredietinstelling zelf intern verschillende benaderingen volgt. Wanneer het een
kredietinstelling wordt toegestaan verschillende benaderingen te volgen, toont
zij ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan dat het gaat om
een consequente keuze die niet is ingegeven door redenen van toezichtarbitrage. 16.
In afwijking van punt 15 kunnen
de bevoegde autoriteiten toestaan dat de risicogewogen posten voor posities in aandelen
van ondernemingen die nevendiensten verrichten, worden bepaald volgens de
behandeling die geldt voor andere activa die geen kredietverplichtingen zijn.
1.3.1.
Eenvoudige
risicogewichtenbenadering
17.
De risicogewogen posten
worden berekend volgens de onderstaande formule: Risicogewicht (RW) =
190% voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide
portefeuilles. Risicogewicht (RW) =
290% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen. Risicogewicht (RW) =
370% voor alle overige posities in aandelen. Risicogewogen post = RW
* waarde van de post 18.
Het is toegestaan van cashposities
à la baisse en afgeleide instrumenten buiten de handelsportefeuille gebruik te
maken om hausseposities in dezelfde individuele aandelen te compenseren, mits
deze instrumenten uitdrukkelijk als dekkingsinstrumenten van specifieke posities
in aandelen worden aangemerkt en mits zij voor ten minste nog een jaar dekking
verschaffen. Andere baisseposities worden behandeld alsof het gaat om hausseposities,
waarbij op de absolute waarde van elke positie het relevante risicogewicht
wordt toegepast. Bij posities waarvan de looptijden van elkaar verschillen, wordt
de methode voor vorderingen op ondernemingen toegepast. 19.
Kredietinstellingen kunnen
met een niet-volgestorte kredietprotectie voor een positie in aandelen rekening
houden volgens de in de artikelen 90 tot en met 93 beschreven methode.
1.3.2.
PD/LGD-benadering
20.
De risicogewogen posten
worden berekend volgens de formules in punt 3. Indien kredietinstellingen niet
over voldoende informatie beschikken om de in deel 4, punten 44 tot en met 48,
vervatte definitie van wanbetaling te gebruiken, worden de risicogewichten
vermenigvuldigd met een factor 1,5. 21.
Op het niveau van de individuele
vordering mag de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet hoger zijn dan de waarde van de post
vermenigvuldigd met 12,5. 22.
Kredietinstellingen
kunnen met een niet-volgestorte kredietprotectie voor een positie in aandelen
rekening houden volgens de in de artikelen 90 tot en met 93 beschreven methode.
In dat geval geldt voor de vordering op de verschaffer van het
dekkingsinstrument een LGD van 90%. Voor posities in niet ter beurze
verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles mag gebruik worden
gemaakt van een LGD van 65%. Voor deze doeleinden is M gelijk aan 5 jaar.
1.3.3.
Interne-modellenbenadering
23.
De risicogewogen post is
het potentiële verlies (value-at-risk – VAR) op de posities in aandelen van de
kredietinstelling dat is bepaald aan de hand van interne VAR-modellen met een eenzijdig
betrouwbaarheidsinterval van 99% van het verschil tussen driemaandelijkse rendementen
en een passend risicovrij percentage berekend over een lange steekproefperiode,
vermenigvuldigd met 12,5. Op het niveau van de individuele vordering mag de risicogewogen
post niet minder zijn dan de som van de bij de PD/LGD-benadering vereiste minimale
risicogewogen post en de overeenkomstige verwachte verliespost vermenigvuldigd
met 12,5. 24.
Kredietinstellingen
kunnen met een niet-volgestorte kredietprotectie voor een positie in aandelen
rekening houden.
1.4.
Risicogewogen posten voor
andere activa die geen kredietverplichting zijn
25.
De risicogewogen posten
worden berekend volgens de onderstaande formule: Risicogewogen post =
100% * waarde van de post
2.
Berekening van
risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende
vorderingen
26.
Risicogewichten voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen en vorderingen
op particulieren en kleine partijen: De risicogewogen posten
worden berekend volgens de formules in punt 3. De inputparameters PD en LGD
worden bepaald op de in deel 2 beschreven wijze, de waarde van de post wordt
vastgesteld op de in deel 3 beschreven wijze en M is gelijk aan 1 jaar. Indien
kredietinstellingen ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren kunnen
aantonen dat het verwateringsrisico te verwaarlozen is, behoeft er geen
rekening mee te worden gehouden.
3.
Berekening van verwachte
verliesposten
27.
Tenzij anders is
aangegeven, worden de inputparameters PD en LGD bepaald op de in deel 2
beschreven wijze en de waarde van de post op de in deel 3 beschreven wijze. 28.
De verwachte
verliesposten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale
overheden en centrale banken, alsook voor vorderingen op particulieren en
kleine partijen worden berekend volgens de onderstaande formules: Verwacht verlies (Expected
loss – EL) = PD × LGD Verwachte verliespost = EL
× waarde van de post Het agio op gekochte
kortlopende vorderingen wordt als EL behandeld. 29.
De EL-waarden voor vorderingen
uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarbij kredietinstellingen
gebruik maken van de in punt 5 beschreven methode voor de toekenning van
risicogewichten, worden toegewezen conform tabel 2. Tabel 2 Resterende looptijd || categorie 1 || categorie 2 || categorie 3 || categorie 4 || categorie 5 Minder dan 2,5 jaar || 0% || 0,4% || 2,8% || 8% || 50% Ten minste 2,5 jaar EL || 0,4% || 0,8% || 2,8% || 8% || 50% Wanneer de bevoegde
autoriteiten een kredietinstelling hebben toegestaan aan alle vorderingen van
categorie 1 een preferentieel risicogewicht van 50% en aan alle
vorderingen van categorie 2 een risicogewicht van 70% toe te kennen, dan
bedraagt de EL-waarde voor vorderingen van categorie 1 0% en die voor
vorderingen van categorie 2 0,4%. 30.
De verwachte
verliesposten voor posities in aandelen waarbij de risicogewogen posten worden
berekend volgens de in de punten 17, 18 en 19 beschreven methoden, worden
berekend volgens de onderstaande formule: Verwachte verliespost = EL
× waarde van de post Daarbij gelden de
volgende EL-waarden: Verwacht verlies (EL) = 0,8%
voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide
portefeuilles Verwacht verlies (EL) = 0,8%
voor posities in ter beurze verhandelde aandelen Verwacht verlies (EL) = 2,4%
voor alle overige posities in aandelen 31.
De verwachte
verliesposten voor posities in aandelen waarbij de risicogewogen posten worden
berekend volgens de in de punten 20, 21 en 22 beschreven methoden, worden berekend
volgens de onderstaande formules: Verwacht verlies (EL) = PD
× LGD Verwachte verliespost = EL
× waarde van de post 32.
De verwachte
verliesposten voor posities in aandelen waarbij de risicogewogen posten worden
berekend volgens de in de punten 23 en 24 beschreven methoden, zijn gelijk aan
0%. 33.
De verwachte
verliesposten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen
worden berekend volgens de onderstaande formules: Verwacht verlies (EL) = PD
× LGD Verwachte verliespost = EL
× waarde van de post
4.
Behandeling van verwachte
verliesposten
34.
De overeenkomstig de
punten 28, 29 en 33 berekende verwachte verliesposten worden in mindering
gebracht op de som van de met deze posten samenhangende waardeaanpassingen
en voorzieningen. Het conform
deel 3, punt 1, bepaalde disagio op gekochte kortlopende vorderingen wordt op
dezelfde wijze behandeld als waardeaanpassingen, terwijl het conform deel 3,
punt 1, bepaalde agio op gekochte kortlopende vorderingen bij het verwachte
verlies wordt geteld. Verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen
en met deze vorderingen samenhangende waardeaanpassingen en vorderingen worden
niet in deze berekening meegenomen. Deel 2 - PD,
LGD en looptijd 1.
De inputparameters kans
op wanbetaling (probability of default – PD), verlies bij wanbetaling (loss
given default – LGD) en looptijdwaarde (maturity value – M) voor de berekening
van de in deel 1 gespecificeerde risicogewogen posten en verwachte
verliesposten worden door de kredietinstellingen geraamd overeenkomstig deel 4 en
met inachtneming van de onderstaande voorschriften.
1.
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken
1.1.
PD
2.
De PD van een vordering
op een bedrijf of op een instelling is ten minste gelijk aan 0,03%. 3.
Voor gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietinstelling niet kan aantonen
dat haar PD-ramingen aan de minimumvereisten van deel 4 voldoen, worden de PD’s
bepaald volgens de volgende methoden: de PD voor niet-achtergestelde rechten op
gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de
kredietinstelling geraamde EL gedeeld door de LGD voor deze kortlopende vorderingen;
voor achtergestelde rechten op gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen
is de PD gelijk aan de door de kredietinstelling geraamde EL. Indien het een
kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen
te hanteren en indien zij haar EL-ramingen voor gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s,
mag de PD-raming worden gebruikt. 4.
De PD voor debiteuren voor
wie er sprake is van wanbetaling, is gelijk aan 100%. 5.
Kredietinstellingen mogen
niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig het bepaalde in de artikelen
90 tot en met 93 in aanmerking nemen. 6.
Kredietinstellingen die
eigen LGD-ramingen gebruiken, mogen niet-volgestorte kredietprotectie in
aanmerking nemen door hun PD’s aan te passen met inachtneming van punt 10. 7.
Voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is de
PD gelijk aan de EL-raming voor het verwateringsrisico. Indien het een
kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen
te hanteren en indien zij haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in
PD’s en LGD’s, mag de PD-raming worden gebruikt.
1.2.
LGD
8.
Kredietinstellingen
hanteren de volgende LGD-waarden: a) voor
niet-achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 45%; b) voor achtergestelde
vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 75%; c) kredietinstellingen
kunnen volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie in de LGD in aanmerking
nemen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 90 tot en met 93; d) aan gedekte
obligaties als omschreven in bijlage VI, deel 1, punten 65, 66 en 67, mag een LGD-waarde
van 12,5% worden toegekend; e) voor
niet-achtergestelde gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarvoor
een kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen aan de
minimumvereisten van deel 4 voldoen: 45%; f) achtergestelde
gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarvoor een
kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen aan de
minimumvereisten van deel 4 voldoen: 100%; g) voor het verwateringsrisico
van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen: 75%. 9.
Indien het een
kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen
te hanteren en indien zij haar EL-ramingen voor gekochte kortlopende
vorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en
LGD’s, mag in afwijking van punt 8 voor het verwaterings- en wanbetalingsrisico
de LGD-raming voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen worden gebruikt. 10.
Indien het een
kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken te hanteren, mag
niet-volgestorte kredietprotectie in afwijking van punt 8 in aanmerking worden
genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, mits de minimumvereisten van
deel 4 in acht worden genomen en de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. Een
kredietinstelling kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD
of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een
vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.
1.3.
Looptijd
11.
Behoudens punt 12 kennen
kredietinstellingen aan vorderingen die ontstaan als gevolg van retrocessieovereenkomsten
dan wel verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen een looptijdwaarde
(M) van 0,5 jaar toe en aan alle andere vorderingen een M van 2,5 jaar. De
bevoegde autoriteiten kunnen van alle kredietinstellingen in hun rechtsgebied
verlangen dat zij voor elke vordering gebruik maken van M zoals berekend op de
in punt 12 beschreven wijze. 12.
Kredietinstellingen die
eigen LGD’s of omrekeningsfactoren voor vorderingen op ondernemingen, instellingen
of centrale overheden en centrale banken mogen gebruiken, berekenen voor elk
van deze vorderingen M op de onder a) tot en met e) beschreven wijze en met
inachtneming van de punten 13, 14 en 15. In al deze gevallen mag M niet meer
bedragen dan 5 jaar. a) Voor een instrument
dat onderworpen is aan een kasstroomschema, wordt M berekend volgens de
onderstaande formule: M = MAX{1; MIN{ ; 5}} waarbij CFt staat
voor de kasstromen (hoofdsom, rentebetalingen en provisies) die de debiteur in
periode t contractueel verplicht is te betalen. b) Voor afgeleide
instrumenten die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk
aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de vordering, waarbij M ten
minste gelijk is aan 1 jaar. Voor de weging van de looptijd wordt de
theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt. c) Voor
vorderingen die ontstaan als gevolg van retrocessieovereenkomsten dan wel
verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen die onderworpen zijn
aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde
looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor
de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering
gebruikt. d) Indien een kredietinstelling
voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen eigen PD-ramingen mag
gebruiken, is voor opgenomen bedragen M gelijk aan de gewogen gemiddelde
looptijd van de gekochte kortlopende vorderingen, waarbij M ten minste gelijk
is aan 1 jaar. Deze zelfde waarde van M wordt ook gebruikt voor niet-opgenomen
bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit mits de koopovereenkomst
effectieve bedingen, vervroegde-aflossingsbepalingen of andere kenmerken omvat die
de kopende kredietinstelling bescherming bieden tegen een significante verslechtering
van de kwaliteit van de toekomstige kortlopende vorderingen die zij gedurende
de looptijd van de faciliteit verplicht is te kopen. Bij gebreke van dergelijke
effectieve beschermingsmiddelen wordt M voor niet-opgenomen bedragen berekend als
de som van de langstlopende kortlopende potentiële vordering in het kader van de
koopovereenkomst en de resterende looptijd van de koopfaciliteit, waarbij M ten
minste gelijk is aan 1 jaar. e) Voor alle
andere instrumenten dan die welke in dit punt worden genoemd of ingeval een
kredietinstelling niet in staat is M op de onder a) beschreven wijze te
berekenen, is M gelijk aan de maximale resterende periode (in jaren) die de debiteur
mag wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij M
ten minste gelijk is aan 1 jaar. 13.
Voor door de bevoegde
autoriteiten gespecificeerde kortlopende vorderingen waarvan de resterende
looptijd minder is dan een jaar en die geen deel uitmaken van de doorlopende
financiering door de kredietinstelling van de debiteur, is M in afwijking van
punt 12, onder a), b), d) en e), ten minste gelijk aan 1 dag. 14.
Voor vorderingen op ondernemingen
die zich in de Gemeenschap bevinden en een geconsolideerde omzet en een
geconsolideerd vermogen van minder dan 500 miljoen EUR hebben, kunnen
de bevoegde autoriteiten het in punt 11 beschreven gebruik van M toestaan. 15.
Looptijdverschillen
worden behandeld op de in de artikelen 91 tot en met 93 beschreven wijze.
2.
Vorderingen op
particulieren en kleine partijen
2.1.
PD
16.
De PD van een vordering
is ten minste gelijk aan 0,03%. 17.
De PD van debiteuren of, bij
een verplichtingenbenadering, de PD van vorderingen waarbij er sprake is van
wanbetaling is gelijk aan 100%. 18.
Voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen is de PD gelijk aan de EL-ramingen
voor het verwateringsrisico. Indien een kredietinstelling haar EL-ramingen voor
het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare
wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag de PD-raming worden gebruikt. 19.
Niet-volgestorte kredietprotectie
kan in aanmerking worden genomen door de PD’s aan te passen met inachtneming
van punt 21.
2.2.
LGD
20.
Kredietinstellingen zorgen
voor eigen LGD-ramingen, waarbij de minimumvereisten van deel 4 in acht worden
genomen en de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten is vereist. Voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen wordt een LGD-waarde
van 75% gebruikt. Indien een kredietinstelling haar EL-ramingen voor het
verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze
kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag de LGD-raming worden gebruikt. 21.
Niet-volgestorte kredietprotectie
ter dekking van een individuele vordering of een pool van vorderingen kan in
aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, waarbij de
minimumvereisten van deel 4, punten 95 tot en met 103, in acht worden genomen
en de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten is vereist. Een
kredietinstelling kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD
of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare
rechtstreekse vordering op de garantiegever.
3.
Toepassing van de PD/LGD-methode
op posities in aandelen
3.1.
PD
22.
De PD’s worden bepaald
volgens de methoden die gelden voor vorderingen op ondernemingen. De volgende minimum-PD’s
zijn van toepassing: a) 0,09% voor
posities in ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de investering/belegging
past in het kader van een duurzame cliëntrelatie; b) 0,09% voor
posities in niet ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de opbrengsten van de
investering/belegging berusten op regelmatige en periodieke kasstromen die niet
samenhangen met vermogenswinsten; c) 0,40% voor
posities in ter beurze verhandelde aandelen, met inbegrip van andere tekortposities
als bedoeld in deel 1, punt 17; d) 1,25% voor alle
overige posities in aandelen, met inbegrip van andere tekortposities als
bedoeld in deel 1, punt 17.
3.2.
LGD
23.
Aan posities in niet ter
beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles kan een LGD van
65% worden toegekend. 24.
Aan alle overige posities
wordt een LGD van 90% toegekend.
3.3.
Looptijd
25.
Aan alle posities wordt
een M van 5 jaar toegekend. Deel 3 – Waarde
van de posten
1.
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen, centrale overheden en centrale banken en vorderingen op
particulieren en kleine partijen
1.
Tenzij anders is
aangegeven, wordt voor op de balans opgenomen vorderingen de waarde van de post
bepaald exclusief waardeaanpassingen. Deze regel geldt ook voor activa die
worden gekocht tegen een andere prijs dan het verschuldigde bedrag. Voor
gekochte activa wordt het verschil tussen het verschuldigde bedrag en de in de
balans van kredietinstellingen opgenomen nettowaarde disagio genoemd als het
verschuldigde bedrag groter is en agio als het kleiner is. 2.
Wanneer
kredietinstellingen bij retrocessieovereenkomsten/verstrekte of opgenomen
effectenleningen van kaderverrekeningsovereenkomsten gebruik maken, wordt de
waarde van de post berekend overeenkomstig de artikelen 90 tot en met 93. 3.
Bij saldering van leningen
en deposito’s passen kredietinstellingen voor de berekening van de waarde van
de posten de in de artikelen 90 tot en met 93 beschreven methoden toe. 4.
Bij lease-overeenkomsten
is de waarde van de post gelijk aan de gedisconteerde stroom van leasebetalingen. 5.
Indien het gaat om een in
bijlage IV genoemde post, wordt de waarde ervan bepaald aan de hand van een van
de twee methoden die in bijlage III zijn beschreven. 6.
De waarde die wordt
gehanteerd voor de berekening van de risicogewogen posten die betrekking hebben
op gekochte kortlopende vorderingen, is het uitstaande bedrag verminderd met
het kapitaalvereiste voor het verwateringsrisico vóór kredietrisicovermindering. 7.
In afwijking van punt 5 worden
de in bijlage III beschreven methoden niet gehanteerd voor op erkende beurzen
verhandelde contracten en valutacontracten (met uitzondering van goudcontracten)
met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste 14 kalenderdagen. Aan
dergelijke contracten wordt een waarde van nul toegekend. 8.
In afwijking van punt 5
kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten de in bijlage III beschreven methoden
niet toe te passen op en een waarde van nul toe te kennen aan onderhandse contracten
(over-the-counter of OTC contracts) die zijn gecleard door een clearinginstelling
die optreedt als juridische tegenpartij en waarbij alle deelnemers het risico
dat zij voor de clearinginstelling belichamen dagelijks volledig met zekerheden
dekken, zodat een protectie wordt geboden die zowel de actuele vervangingskosten
als het potentiële toekomstige risico afdekt. De gestelde zekerheden
voldoen aan één van de volgende drie voorwaarden: a) zij komen in
aanmerking voor een risicogewicht van 0%; b) het betreft termijndeposito’s
bij de leningverstrekkende kredietinstelling; c) het betreft door
de leningverstrekkende kredietinstelling uitgegeven en bij haar gedeponeerde
depositocertificaten of soortgelijke instrumenten. De bevoegde autoriteit is
ervan overtuigd dat er geen gevaar bestaat dat het totaalbedrag van de
vorderingen van de clearinginstelling de marktwaarde van de gestelde zekerheden
overtreft. 9.
De waarde van niet-aangesproken
gekochte verplichtingen uit hoofde van revolverende posities ten opzichte van ondernemingen
wordt berekend door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te
vermenigvuldigen met 75%. 10.
Bij een positie in
effecten of grondstoffen die verkocht, gedeponeerd of geleend zijn in het kader
van een retrocessieovereenkomst of een verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenlening, is de waarde van de post gelijk aan de overeenkomstig
artikel 74 bepaalde waarde van de effecten of grondstoffen. Wanneer de in
bijlage VIII, deel 3, beschreven uitgebreide benadering van financiële
zekerheden wordt toegepast, wordt de waarde van de post verhoogd met de volatiliteitsaanpassing
die in bijlage VIII, deel 3, voor de effecten of grondstoffen in kwestie is
aangegeven. 11.
De waarde van de volgende
posten wordt berekend door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te
vermenigvuldigen met een omrekeningsfactor. Kredietinstellingen
maken gebruik van de volgende omrekeningsfactoren: a) voor niet-gecommitteerde
kredietlijnen die door een kredietinstelling op elk tijdstip zonder
opzegtermijn onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd of waarvoor uitdrukkelijk in
automatische opzegging is voorzien, geldt een omrekeningsfactor van 0%. Om een
omrekeningsfactor van 0% te mogen toepassen, moeten kredietinstellingen
nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgen en moeten hun interne-controlesystemen
hen in staat stellen onmiddellijk een verslechtering van de kredietkwaliteit
van de debiteur te detecteren. Onbenutte kredietlijnen ten behoeve van
particulieren en kleine partijen mogen worden aangemerkt als kredietlijnen die
onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd indien de kredietinstelling deze
krachtens de daaraan verbonden voorwaarden mag opzeggen in de mate dat dit
toegestaan wordt door de wetgeving inzake consumentenbescherming en aanverwante
wetgeving; b) voor kortlopend
documentair krediet waaraan goederenhandel ten grondslag ligt, geldt een
omrekeningsfactor van 20% voor zowel de uitgevende als de confirmerende instelling; c) voor andere
kredietlijnen, note issuance facilities (NIFs) en revolving underwriting
facilities (RUFs) geldt een omrekeningsfactor van 75%; d) kredietinstellingen
die aan de in deel 4 gespecificeerde minimumvereisten voldoen om eigen ramingen
van omrekeningsfactoren te gebruiken, mogen eigen ramingen van
omrekeningsfactoren voor verschillende producttypen gebruiken, mits zij
daarvoor de toestemming krijgen van de bevoegde autoriteiten. 12.
Wanneer een verplichting
betrekking heeft op de uitbreiding van een andere verplichting, wordt gebruik
gemaakt van de laagste van beide omrekeningsfactoren die voor de individuele
verplichting gelden. 13.
Voor alle andere posten
buiten de balanstelling dan die welke in de punten 1 tot en met 11 worden
vermeld, wordt de waarde bepaald conform bijlage II.
2.
Posities in aandelen
14.
De waarde van de post is
de waarde die in de jaarrekening is opgenomen. Voor posities in aandelen zijn
de volgende waarden toelaatbaar: a) voor tegen
reële waarde gewaardeerde beleggingen waarbij waardeveranderingen via de
inkomsten direct naar het eigen vermogen doorstromen, is de waarde van de post
de in de balans opgenomen reële waarde; b) voor tegen
reële waarde gewaardeerde beleggingen waarbij waardeveranderingen niet via de
inkomsten naar het eigen vermogen maar naar een apart vermogensbestanddeel na
belastingen stromen, is de waarde van de post de in de balans opgenomen reële
waarde; c) voor tegen
kostprijs of de lagere marktwaarde gewaardeerde beleggingen is de waarde van de
post de in de balans opgenomen kostprijs of marktwaarde.
3.
Andere activa die geen
kredietverplichtingen zijn
15.
De waarde van andere
activa die geen kredietverplichtingen zijn, is gelijk aan de in de jaarrekening
opgenomen waarde. Deel 4 –
Minimumvereisten voor de interne-ratingbenadering
1.
Ratingsystemen
1.
Een “ratingsysteem” omvat
alle methoden, processen, controlemaatregelen, gegevensverzamelings- en IT-systemen
die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van vorderingen in
klassen of groepen (rating) en de kwantificering van ramingen betreffende
wanbetalingen en verliezen voor een bepaald type vordering ondersteunen. 2.
Indien een
kredietinstelling van meerdere ratingsystemen gebruik maakt, wordt de gedachtegang
achter de toewijzing van een ratingsysteem voor een bepaalde debiteur of
transactie schriftelijk vastgelegd en op zodanige wijze toegepast dat het
risiconiveau adequaat wordt weerspiegeld. 3.
De toewijzingscriteria en
-procedures worden periodiek aan een nieuw onderzoek onderworpen om na te gaan
of zij nog steeds adequaat zijn voor de actuele portefeuille en externe omstandigheden.
1.1.
Opzet van ratingsystemen
4.
Wanneer een
kredietinstelling gebruik maakt van directe ramingen van risicoparameters, mogen
deze worden aangemerkt als outputs van klassen op een continue ratingschaal.
1.1.1.
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken
5.
Een ratingsysteem houdt
rekening met de debiteuren- en transactierisicokenmerken. 6.
Een ratingsysteem heeft
een ratingschaal voor debiteuren welke uitsluitend betrekking heeft op de
kwantificering van het risico dat de debiteur in gebreke blijft. De ratingschaal
voor debiteuren telt ten minste 7 klassen voor niet in gebreke gebleven
debiteuren en één voor in gebreke gebleven debiteuren. 7.
Een “debiteurenklasse” is
een risicocategorie in een ratingschaal voor debiteuren van een ratingsysteem waarin
debiteuren worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald
samenstel van ratingcriteria en waaruit PD-ramingen worden afgeleid. Een
kredietinstelling legt de relatie tussen debiteurenklassen schriftelijk vast in
termen van het met de verschillende debiteurenklassen samenhangende niveau van
het wanbetalingsrisico en in termen van de gehanteerde criteria om de diverse
risiconiveaus van elkaar te onderscheiden. 8.
Kredietinstellingen waarvan
de portefeuilles in een bepaald marktsegment en in een bepaald deel van de PD-verdeling
zijn geconcentreerd, zorgen ervoor dat er binnen dat deel genoeg debiteurenklassen
zijn om ongewenste concentraties van debiteuren in één bepaalde klasse te
vermijden. Significante concentraties in één klasse worden gemotiveerd door middel
van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de debiteurenklasse
een redelijk smalle PD-bandbreedte bestrijkt en dat het wanbetalingsrisico dat
aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte debiteuren verbonden is,
binnen die bandbreedte valt. 9.
Opdat het gebruik van
eigen LGD-ramingen voor de berekening van het kapitaalvereiste voor erkenning
door de bevoegde autoriteiten in aanmerking komt, omvat een ratingsysteem een
afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin uitsluitend met de LGD verband
houdende transactiekenmerken worden weerspiegeld. 10.
Opdat het gebruik van
eigen ramingen van omrekeningsfactoren voor de berekening van het
kapitaalvereiste voor erkenning door de bevoegde autoriteiten in aanmerking
komt, omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin
uitsluitend met de omrekeningsfactor verband houdende transactiekenmerken worden
weerspiegeld. 11.
Een “faciliteitsklasse” is
een risicocategorie in een schaal voor faciliteiten van een ratingsysteem
waarin vorderingen worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en
welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit ofwel LGD-ramingen, ofwel
ramingen van omrekeningsfactoren worden afgeleid. De definitie van de klasse
omvat een beschrijving van de wijze waarop een vordering in een klasse wordt
ondergebracht en van de gehanteerde criteria om de risiconiveaus van de diverse
klassen van elkaar te onderscheiden. 12.
Significante
concentraties in één faciliteitsklasse worden gemotiveerd door middel van
overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de faciliteitsklasse
een redelijk smalle LGD- of omrekeningsfactorbandbreedte bestrijkt en dat het
risico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte vorderingen
verbonden is, binnen die bandbreedte valt. 13.
Kredietinstellingen die voor
de toekenning van risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde
kredietverlening de in deel 1, punt 5, beschreven methoden toepassen, zijn
vrijgesteld van de verplichting om een ratingschaal voor debiteuren te hanteren
welke uitsluitend het risico kwantificeert dat de debiteur in gebreke blijft
voor deze vorderingen. In afwijking van punt 6 hebben de kredietinstellingen
voor deze vorderingen ten minste 4 klassen voor niet in gebreke gebleven
debiteuren en ten minste één voor in gebreke gebleven debiteuren.
1.1.2.
Vorderingen op
particulieren en kleine partijen
14.
Ratingsystemen
weerspiegelen zowel het debiteuren- als het transactierisico en houden rekening
met alle relevante debiteuren- en transactiekenmerken. 15.
Het risico is op zodanige
wijze gedifferentieerd dat het aantal vorderingen in een gegeven klasse of groep
toereikend is voor een zinvolle kwantificering en validatie van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep.
De vorderingen en debiteuren zijn op zodanige wijze over de klassen of groepen verdeeld
dat buitensporige concentraties worden vermeden. 16.
Kredietinstellingen tonen
aan dat de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen
in een zinvolle risicodifferentiatie resulteert, een groepering van voldoende homogene
vorderingen oplevert en een accurate en consequente raming van de
verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep mogelijk maakt. Voor gekochte
kortlopende vorderingen weerspiegelt de groepering de overnemingspraktijken van
de verkoper en de heterogeniteit van hun cliënten. 17.
Kredietinstellingen
houden rekening met de volgende risicobepalende factoren wanneer zij
vorderingen in klassen of groepen onderbrengen: a) debiteurenrisicokenmerken; b) transactierisicokenmerken,
met inbegrip van product- of zekerhedentypen of beide. Kredietinstellingen gaan
uitdrukkelijk in op gevallen waarin voor verschillenden vorderingen dezelfde
zekerheden zijn gesteld; c) achterstalligheid, tenzij de kredietinstelling ten behoeve van
haar bevoegde autoriteiten naar behoren aantoont dat achterstalligheid geen
echt bepalende factor voor het risico van de vordering is.
1.2.
Onderbrenging in klassen
of groepen
18.
Een kredietinstelling
past specifieke definities, procedures en criteria toe voor de onderbrenging
van vorderingen in klassen of groepen van een ratingsysteem. a) De definities
en criteria van de klassen of groepen zijn voldoende gedetailleerd om degenen
die ratings toekennen in staat te stellen op consistente wijze debiteuren of
faciliteiten waaraan vergelijkbare risico’s verbonden zijn, in dezelfde klasse
of groep onder te brengen. Deze consistentie geldt voor alle business lines, afdelingen
en geografische locaties. b) De documentatie
van het ratingproces stelt derden in staat te begrijpen hoe vorderingen in
klassen of groepen worden ondergebracht, de onderbrenging in klassen en groepen
te reconstrueren en te oordelen of een onderbrenging in een bepaalde klasse of groep
terecht is. c) De criteria sluiten
tevens aan bij de door de kredietinstelling toegepaste interne normen voor de
verstrekking van leningen en bij haar gedragslijnen voor de aanpak van dubieuze
debiteuren en probleemfaciliteiten. 19.
Bij de onderbrenging van
debiteuren en faciliteiten in klassen of groepen houdt een kredietinstelling
rekening met alle relevante informatie. Deze informatie is actueel en stelt de
kredietinstelling in staat de toekomstige ontwikkeling van de vordering te
voorspellen. Hoe minder informatie een kredietinstelling bezit, hoe
voorzichtiger zij te werk gaat bij de onderbrenging van vorderingen in
debiteuren- en faciliteitsklassen of -groepen. Indien een kredietinstelling gebruik
maakt van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van een
interne rating, houdt zij ook rekening met andere relevante informatie.
1.3.
Onderbrenging van
vorderingen
1.3.1.
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken
20.
Elke debiteur wordt in
het kader van het kredietacceptatieproces in een debiteurenklasse ondergebracht. 21.
Ingeval een
kredietinstelling eigen ramingen van LGD’s of omrekeningsfactoren mag gebruiken,
wordt elke vordering in het kader van het kredietacceptatieproces tevens in een
faciliteitsklasse ondergebracht. 22.
Kredietinstellingen die
de in deel 1, punt 5, beschreven methoden toepassen voor de toekenning van
risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening,
brengen elk van deze vorderingen conform punt 13 in een klasse onder. 23.
Aan elke individuele
rechtspersoon op wie de kredietinstelling een vordering heeft, wordt een afzonderlijke
rating toegekend. Een kredietinstelling toont ten behoeve van haar bevoegde
autoriteit naar behoren aan dat zij acceptabele gedragslijnen heeft voor de
behandeling van individuele debiteuren-cliënten en groepen verbonden cliënten. 24.
Verschillende vorderingen
op dezelfde debiteur worden in dezelfde debiteurenklasse ondergebracht,
ongeacht of het karakter van elke specifieke transactie verschillen vertoont. Uitzonderingen
hierop, waarbij verschillende vorderingen op dezelfde debiteur in meerdere
klassen worden ondergebracht, zijn: a) het
transferrisico, dat afhankelijk is van het feit of de vorderingen in de lokale dan
wel in een buitenlandse valuta luiden; b) wanneer de
behandeling van met een vordering samenhangende garanties kan worden
weerspiegeld door de onderbrenging in een andere debiteurenklasse.
1.3.2.
Vorderingen op
particulieren en kleine partijen
25.
Elke vordering wordt in
het kader van het kredietacceptatieproces in een klasse of groep ondergebracht.
1.3.3.
Bijsturingen
26.
Bij de onderbrengingen in
klassen of groepen leggen kredietinstellingen schriftelijk vast in welke situaties
de inputs of outputs van het onderbrengingsproces door middel van subjectieve
inschatting kunnen worden bijgestuurd en welk personeel voor de goedkeuring van
deze bijsturingen verantwoordelijk is. Deze bijsturingen en het daarvoor
verantwoordelijke personeel worden door de kredietinstellingen gedocumenteerd. Kredietinstellingen
analyseren de ontwikkeling van de vorderingen waarvan de onderbrenging is bijgestuurd.
Deze analyse omvat de
beoordeling van de ontwikkeling van vorderingen waarvan de rating door een
bepaalde persoon is bijgestuurd, waarbij voor alle verantwoordelijke personeelsleden
verantwoording wordt afgelegd.
1.4.
Integriteit van het
onderbrengingsproces
1.4.1.
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken
27.
De onderbrengingen en periodieke
evaluaties van onderbrengingen worden verricht of goedgekeurd door een
onafhankelijke partij die geen onmiddellijk voordeel heeft bij de beslissingen
om krediet te verstrekken. 28.
De onderbrengingen worden
ten minste jaarlijks door de kredietinstellingen bijgewerkt. Risicovolle debiteuren
en probleemvorderingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen.
Kredietinstellingen gaan over tot een herziening van de onderbrenging indien
belangrijke informatie over de debiteur of vordering beschikbaar komt. 29.
Kredietinstellingen beschikken
over een efficiënte procedure voor de verzameling en actualisering van relevante
informatie over debiteurenkenmerken die op PD’s van invloed zijn en over
transactiekenmerken die op LGD’s en omrekeningsfactoren van invloed zijn.
1.4.2.
Vorderingen
op particulieren en kleine partijen
30.
Een kredietinstelling
gaat ten minste eenmaal per jaar over tot de actualisering van de
onderbrengingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of tot de analyse van de verlieskenmerken
en de achterstalligheidssituatie van elke onderscheiden risicogroep, al naar
gelang het geval. Een kredietinstelling onderzoekt
tevens ten minste eenmaal per jaar de status van een representatieve steekproef
van individuele vorderingen uit elke groep om erop toe te zien dat vorderingen
nog steeds in de juiste groep ondergebracht zijn.
1.5.
Gebruik van modellen
31.
Indien een
kredietinstelling gebruik maakt van statistische modellen en andere mechanische
methoden om vorderingen in debiteuren- of faciliteitsklassen of ‑groepen
onder te brengen, dan: a) toont zij ten
behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren aan dat het model een goede
voorspelkracht heeft en dat de kapitaalvereisten niet vertekend zijn als gevolg
van het gebruik ervan. De inputvariabelen vormen een redelijke en doelmatige
basis voor de resulterende prognoses. Het model wordt niet gekenmerkt door
vertekeningen van betekenis; b) beschikt zij over
een procedure voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens, waarbij
onder meer de juistheid, volledigheid en relevantie van die gegevens worden getoetst; c) toont zij aan
dat de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens representatief zijn
voor de bestaande populatie van debiteuren of vorderingen van de
kredietinstelling; d) voorziet zij in
een regelmatige modelvalidatiecyclus die een bewaking van de prestatie en
stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een
toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat; e) vult zij het
statistische model aan met subjectieve inschattingen en menselijk toezicht om
de op basis van het model verkregen onderbrengingen te toetsen en toe te zien
op een oordeelkundig gebruik van de modellen. De toetsingsprocedures zijn erop
gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen en
te beperken. Bij subjectieve inschattingen wordt rekening gehouden met alle
relevante informatie die niet door het model in aanmerking wordt genomen. De
kredietinstelling legt schriftelijk vast hoe de subjectieve inschatting en de
modelresultaten moeten worden gecombineerd.
1.6.
Documentatie van ratingsystemen
32.
De kredietinstelling legt
de opzet en operationele bijzonderheden van haar ratingsystemen schriftelijk
vast. Uit de documentatie blijkt dat de in dit deel gestelde minimumeisen in
acht worden genomen. In de documentatie komen onder meer de volgende
onderwerpen aan de orde: portefeuillespreiding, ratingcriteria, verantwoordelijkheden
van partijen die ratings toekennen aan debiteuren en vorderingen, de frequentie
waarmee de ratings worden herbekeken, en het managementtoezicht op het
ratingproces. 33.
De kredietinstelling legt
de motivering voor haar keuze van ratingcriteria en de analyse ter
ondersteuning van deze keuze schriftelijk vast. De kredietinstelling documenteert
alle belangrijke wijzigingen in het risicoratingproces en in die documentatie wordt
aangegeven welke wijzigingen in het risicoratingproces zijn aangebracht na de
laatste evaluatie ervan door de bevoegde autoriteiten en waarom. Ook de organisatie
van de toekenning van ratings, met inbegrip van de procedure voor de toekenning
van ratings en de interne-controlestructuur, wordt schriftelijk vastgelegd. 34.
De kredietinstelling legt
de intern gehanteerde specifieke definities van wanbetaling en verlies schriftelijk
vast en toont aan dat deze definities consistent zijn met die in deze richtlijn. 35.
Indien de
kredietinstelling in het kader van het ratingproces van statistische modellen gebruik
maakt, legt zij de methodologie ervan schriftelijk vast, waarbij: a) een
gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de theorie, aannamen en/of wiskundige
en empirische grondslagen voor de toewijzing van ramingen aan klassen, individuele
debiteuren, vorderingen of pools, alsook van de voor de opstelling van het
model gebruikte gegevensbron(nen); b) een strikt
statistische procedure (met inbegrip van out-of-time en out-of-sample prestatietests)
voor de validatie van het model wordt vastgelegd; en c) wordt
aangegeven onder welke omstandigheden het model niet efficiënt werkt. 36.
Het feit dat gebruik
wordt gemaakt van een model dat verkregen is bij een derde-verkoper die
aanvoert dat het om eigen technologie gaat, is geen voldoende reden om
vrijstelling te verlenen van de documentatieplicht en andere verplichtingen die
voor ratingsystemen gelden. Het is aan de kredietinstelling om aan de eisen van
de bevoegde autoriteiten te voldoen.
1.7.
Bijhouden van gegevens
37.
Kredietinstellingen worden
geacht gegevens over de aspecten van hun interne ratings te verzamelen en op te
slaan, zoals voorgeschreven bij de artikelen 145 tot en met 149.
1.7.1.
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken
38.
De volgende gegevens
worden door kredietinstellingen verzameld en opgeslagen: a) de volledige ratinghistorie
van debiteuren en erkende garantiegevers; b) de data waarop
de ratings zijn toegekend; c) de
belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de ratings te
bepalen; d) de voor de
toekenning van de rating verantwoordelijke persoon; e) de in gebreke
gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand; f) de datum waarop
en omstandigheden waaronder debiteuren in gebreke zijn gebleven en vorderingen een
betalingsachterstand hebben opgelopen; g) gegevens over
de PD’s en de gerealiseerde wanbetalingsgraden die met ratingklassen en ratingmigraties
samenhangen; h) kredietinstellingen
die geen eigen ramingen van LGD’s en/of omrekeningsfactoren gebruiken, gaan
over tot het verzamelen en opslaan van gegevens over vergelijkingen tussen gerealiseerde
LGD’s en de in deel 2, punt 8, opgenomen waarden en tussen gerealiseerde omrekeningsfactoren
en de in deel 3, punt 11, opgenomen waarden. 39.
Kredietinstellingen die
eigen ramingen van LGD’s en/of omrekeningsfactoren gebruiken, worden geacht de
volgende gegevens te verzamelen en op te slaan: a) volledige historische
gegevens over de met elke ratingschaal samenhangende faciliteitsratings en ramingen
van LGD’s en omrekeningsfactoren; b) de data waarop
de ratings zijn toegekend en de ramingen zijn verricht; c) de
belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de faciliteitsratings
en de ramingen van de LGD’s en omrekeningsfactoren te bepalen; d) de persoon die
de faciliteitsrating heeft toegekend en de persoon die de ramingen van LGD’s en
omrekeningsfactoren heeft verstrekt; e) gegevens over
de met elke vordering met een betalingsachterstand samenhangende geraamde en
gerealiseerde LGD’s en omrekeningsfactoren; f) voor de
kredietinstellingen die via de LGD met de kredietrisicoverminderende gevolgen
van garanties of kredietderivaten rekening houden, gegevens over de LGD van de
vordering voor en na de beoordeling van de gevolgen van een garantie of kredietderivaat; g) gegevens over
de verliescomponenten van elke vordering met een betalingsachterstand.
1.7.2.
Vorderingen op
particulieren en kleine partijen
40.
De volgende gegevens
worden door kredietinstellingen verzameld en opgeslagen: a) bij het proces
van de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen gebruikte gegevens; b) gegevens over
de geraamde PD’s, LGD’s en omrekeningsfactoren die samenhangen met de
vorderingenklassen of -groepen; c) de in gebreke
gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand; d) voor
vorderingen met een betalingsachterstand, de gegevens over de klassen of groepen
waarin de vordering was ondergebracht in het jaar voordat zij een
betalingsachterstand vertoonde en de gerealiseerde uitkomsten voor de LGD en de
omrekeningsfactor; e) gegevens over
de verliespercentages en het marge-inkomen voor gekwalificeerde revolverende posities
ten opzichte van particulieren en kleine partijen.
1.8.
Bij de beoordeling van de
kapitaaltoereikendheid gebruikte stresstests
41.
Kredietinstellingen
beschikken over deugdelijke procedures voor het verrichten van stresstests bij
de beoordeling van hun kapitaaltoereikendheid. Bij het verrichten van
dergelijke tests wordt nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige
veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen kunnen hebben
voor de kredietvorderingen van een kredietinstelling, en beoordeeld in hoeverre
de kredietinstelling tegen dergelijke veranderingen bestand is. 42.
Kredietinstellingen
verrichten regelmatig een stresstest met betrekking tot het kredietrisico om na
te gaan welke gevolgen bepaalde specifieke omstandigheden hebben voor haar
totale kapitaalvereisten voor het kredietrisico. Het soort test wordt onder
prudentieel toezicht gekozen door de kredietinstelling. De test is relevant en
redelijk conservatief, hetgeen inhoudt dat ten minste het effect wordt
onderzocht van een scenario waarbij van een milde recessie wordt uitgegaan. De
kredietinstelling gaat na welke veranderingen haar ratings in het kader van de stresstestscenario’s
ondergaan. De portefeuilles die het voorwerp uitmaken van de stresstest, bevatten de overgrote
meerderheid van alle vorderingen van een kredietinstelling.
2.
Risicokwantificering
43.
Bij de vaststelling van
de risicoparameters die met ratingklassen of –groepen samenhangen, nemen de
kredietinstellingen de onderstaande voorschriften in acht.
2.1.
Definitie van wanbetaling
44.
Er is sprake van een
“wanbetaling” met betrekking tot een specifieke debiteur wanneer een van beide
of beide volgende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden: a) de
kredietinstelling acht het onwaarschijnlijk dat de debiteur zijn
kredietverplichtingen jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een
van haar dochterondernemingen volledig zal nakomen zonder dat de
kredietinstelling zal moeten overgaan tot acties zoals de uitwinning van
zekerheden (indien deze zijn gesteld). b) de debiteur is
meer dan 90 dagen achterstallig bij het nakomen van een aanzienlijke kredietverplichting
jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar
dochterondernemingen. De periode van
achterstalligheid begint te lopen zodra een debiteur een aanbevolen kredietlimiet
heeft overschreden, een kredietlimiet is aanbevolen die lager is dan het uitstaande
bedrag, of zonder toestemming krediet heeft opgenomen. Onder een aanbevolen
kredietlimiet wordt een kredietlimiet verstaan die ter kennis van de debiteur
is gebracht. In geval van vorderingen
op particulieren en kleine partijen en vorderingen op publiekrechtelijke
lichamen stellen de bevoegde autoriteiten een periode van achterstalligheid
vast conform punt 48. In geval van vorderingen
op ondernemingen kunnen de bevoegde autoriteiten een periode van
achterstalligheid vaststellen conform artikel 154, lid 4. In geval van vorderingen
op particulieren en kleine partijen mogen de kredietinstellingen deze definitie
op faciliteitsniveau toepassen. 45.
Onder meer de volgende elementen
mogen worden beschouwd als indicaties dat betaling onwaarschijnlijk is: a) de kredietinstelling
bestempelt de kredietverplichting als dubieus; b) de kredietinstelling
gaat over tot een waardeaanpassing als gevolg van een gepercipieerde significante
vermindering van de kredietkwaliteit nadat zij de vordering heeft geaccepteerd; c) de
kredietinstelling verkoopt de kredietverplichting met een aanzienlijk
kredietgebonden economisch verlies; d) de kredietinstelling
stemt in met een gedwongen herstructurering van de kredietverplichting, welke wellicht
zal resulteren in een geringere financiële verplichting als gevolg van de kwijtschelding,
dan wel de verlening van uitstel van betaling, van de hoofdsom, de rente of (in
voorkomend geval) de provisies. Dit omvat ook de gedwongen herstructurering van
het aandelenkapitaal in het geval van posities in aandelen die worden
beoordeeld aan de hand van een PD/LGD-benadering; e) de
kredietinstelling heeft het faillissement van de debiteur of een soortgelijk
bevel aangevraagd met betrekking tot zijn kredietverplichting jegens de
kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen; f) de debiteur heeft
het faillissement of een soortgelijke bescherming aangevraagd of is in staat
van faillissement verklaard, waardoor de terugbetaling van een
kredietverplichting jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een
van haar dochterondernemingen wordt vermeden of uitgesteld. 46.
Kredietinstellingen die
gebruik maken van externe gegevens die op zich niet beantwoorden aan de
definitie van wanbetaling, tonen ten behoeve van hun bevoegde autoriteiten naar
behoren aan dat adequate aanpassingen zijn verricht om algemene overeenstemming
met de definitie van wanbetaling te bewerkstelligen. 47.
Indien de
kredietinstelling oordeelt dat een vordering die eerder een
betalingsachterstand vertoonde, thans in een zodanige toestand verkeert dat de
definitie van wanbetaling niet langer van toepassing is, kent zij aan de
debiteur of faciliteit een rating van een vordering zonder betalingsachterstand
toe. Mocht de definitie van wanbetaling later toch van toepassing blijken, dan
wordt aangenomen dat er zich een andere wanbetaling heeft voorgedaan. 48.
Voor vorderingen op
particulieren en kleine partijen en vorderingen op publiekrechtelijke lichamen stellen
de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat de exacte periode van
achterstalligheid vast waaraan alle kredietinstellingen in hun rechtsgebied
zich in het kader van de in punt 44 vastgelegde definitie van wanbetaling
moeten houden wanneer het gaat om vorderingen op dergelijke tegenpartijen die
zich in de betrokken lidstaat bevinden. Het specifieke aantal dagen ligt tussen
90 en 180 en kan variëren naar gelang van het type product. Voor vorderingen op
dergelijke tegenpartijen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat
bevinden, stellen de bevoegde autoriteiten de periode van achterstalligheid op
zodanige wijze vast dat zij niet langer is dan de periode die door de bevoegde
autoriteiten van de betrokken lidstaat is vastgesteld.
2.2.
Algemene ramingsvereisten
49.
In de eigen ramingen door
een kredietinstelling van de risicoparameters PD, LGD, omrekeningsfactor en EL is
met alle relevante gegevens, informatie en methoden rekening gehouden. De
ramingen zijn verricht op grond van historische ervaring en empirisch bewijsmateriaal
en niet louter gebaseerd op subjectieve overwegingen. De ramingen zijn aannemelijk
en intuïtief en gebaseerd op de wezenlijke determinanten van de respectieve risicoparameters.
Hoe minder gegevens een kredietinstelling bezit, hoe voorzichtiger zij te werk
gaat bij het verrichten van haar ramingen. 50.
De kredietinstelling is
in staat haar verlieservaring in termen van wanbetalingsfrequentie, LGD en omrekeningsfactor
(of verlies wanneer EL-ramingen worden gehanteerd) te ontbinden in de factoren
die zij als de determinanten van de respectieve risicoparameters beschouwt. De
kredietinstelling toont aan dat haar ramingen gebaseerd zijn op een langdurige
ervaring. 51.
Er wordt rekening
gehouden met wijzigingen die zich gedurende de in de punten 66, 71, 81, 85, 92
en 94 genoemde waarnemingsperioden in de leningspraktijk of in de procedure voor
de inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen hebben voorgedaan. In de
ramingen van de kredietinstelling wordt tevens rekening gehouden met de
gevolgen van technische vorderingen en met nieuwe gegevens en andere inlichtingen
naarmate deze beschikbaar komen. Ten minste eenmaal per jaar en telkens als
nieuwe informatie aan het licht komt, onderwerpen de kredietinstellingen hun
ramingen aan een nieuw onderzoek. 52.
De populatie van de vorderingen
die in aanmerking worden genomen in de gegevens voor het verrichten van de
ramingen, de leningsnormen die werden toegepast toen de gegevens werden
gegenereerd, en andere relevante kenmerken zijn vergelijkbaar met die van de
vorderingen en normen van de kredietinstelling. De kredietinstelling toont
tevens aan dat de economische of marktvoorwaarden die aan de gegevens ten
grondslag liggen, relevant zijn voor de actuele en voorzienbare voorwaarden. Het
aantal in de steekproef opgenomen vorderingen en de voor de kwantificering
gehanteerde periode waarop de gegevens betrekking hebben, zijn van dien aard
dat de kredietinstelling kan vertrouwen op de juistheid en deugdelijkheid van
haar ramingen. 53.
In de ramingen met
betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen wordt rekening gehouden met alle
relevante informatie waarover de kopende kredietinstelling beschikt ten aanzien
van de kwaliteit van de onderliggende vorderingen, met inbegrip van gegevens
over soortgelijke pools welke afkomstig zijn van de verkoper, de kopende
kredietinstelling of externe bronnen. De kopende kredietinstelling toetst alle
van de verkoper afkomstige gegevens waarvan zij gebruik maakt. 54.
Een kredietinstelling
telt bij haar ramingen een voorzichtigheidsmarge die in verhouding staat tot de
verwachte foutmarge van de ramingen. In de gevallen waarin de methoden en
gegevens minder bevredigend zijn en de verwachte foutmarge groter is, is ook de
voorzichtigheidsmarge groter. 55.
Indien
kredietinstellingen voor de berekening van risicogewichten andere ramingen
hanteren dan voor interne doeleinden, wordt dit gedocumenteerd en wordt de
redelijkheid ervan ten behoeve van de bevoegde autoriteit naar behoren aangetoond. 56.
Indien
kredietinstellingen ten behoeve van hun bevoegde autoriteiten naar behoren kunnen
aantonen dat vóór de implementatiedatum van deze richtlijn verzamelde gegevens
op zodanige wijze zijn aangepast dat zij grotendeels beantwoorden aan de
definities van wanbetaling of verlies, kunnen de bevoegde autoriteiten de
kredietinstellingen enige flexibiliteit toestaan bij de toepassing van de voorgeschreven
gegevensnormen. 57.
Indien een
kredietinstelling gebruik maakt van een datapool van verschillende
kredietinstellingen, toont zij aan dat: a) de ratingsystemen
en -criteria van de overige kredietinstellingen die tot de datapool hebben bijgedragen,
vergelijkbaar zijn met de hare; b) de datapool representatief
is voor de portefeuille waarvoor de gegevens uit de pool wordt gebruikt; c) de kredietinstelling
de gegevens uit de datapool consequent in de tijd gebruikt voor haar permanente
ramingen. 58.
Indien een
kredietinstelling gebruik maakt van een datapool van verschillende
kredietinstellingen, blijft zij verantwoordelijk voor de integriteit van haar ratingsystemen.
De kredietinstelling toont ten behoeve van de bevoegde autoriteit naar behoren
aan dat zij over voldoende interne kennis van haar ratingsystemen beschikt, waardoor
zij onder meer effectief in staat is het ratingproces te bewaken en te
controleren.
2.2.1.
Specifieke vereisten voor
PD-ramingen
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken 59.
Kredietinstellingen ramen
de PD’s per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode
van de jaarlijkse wanbetalingsgraden. 60.
In het geval van gekochte
kortlopende vorderingen op ondernemingen mogen kredietinstellingen de EL’s per
debiteurenklasse ramen op basis van gemiddelden over een lange periode van de
jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden. 61.
Indien een
kredietinstelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD’s en LGD’s voor
gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen afleidt uit een EL-raming en
een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure voor de raming van de
totale verliezen aan de in dit deel vastgelegde algemene normen voor de raming
van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in punt 73 vervatte concept
van de LGD. 62.
Wanneer
kredietinstellingen PD-ramingstechnieken toepassen, mag dat alleen met
ondersteunende analyses. Kredietinstellingen erkennen het belang van
subjectieve overwegingen bij het combineren van de resultaten van de toepassing
van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met
de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn. 63.
Indien een
kredietinstelling voor de raming van PD’s gebruik maakt van gegevens over de interne
ervaring met wanbetaling, toont zij in haar analyse aan dat in de ramingen de
overnemingsnormen en de eventuele verschillen tussen het ratingsysteem dat de
gegevens heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem, worden weerspiegeld. Wanneer
de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt de
kredietinstelling een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming. 64.
Indien een
kredietinstelling haar interne klassen relateert of koppelt aan een schaal die
door een EKBI of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de
voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent
aan de door haar gehanteerde klassen, wordt de koppeling gebaseerd op een vergelijking
van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden
gehanteerd en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone
debiteuren. Vertekeningen of inconsistenties bij de koppeling of in de
onderliggende gegevens worden vermeden. De criteria van de externe organisatie welke
aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben
uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de
transactiekenmerken. In de analyse van de kredietinstelling is een vergelijking
van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de
voorschriften van de punten 44 tot en met 48. De kredietinstelling documenteert
de grondslag voor de koppeling. 65.
Indien een
kredietinstelling gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor
wanbetaling, dan mag zij PD’s ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen
van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse.
Wanneer de kredietinstelling voor deze doeleinden gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen
voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in punt 31 gespecificeerde normen. 66.
De duur van
de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste
één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een kredietinstelling voor
haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools
of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor
één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan
wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit punt is ook van toepassing
op de PD/LGD-benadering van aandelen. Vorderingen op
particulieren en kleine partijen 67.
Kredietinstellingen ramen
de PD’s per debiteurenklasse of -groep op basis van gemiddelden over een lange
periode van jaarlijkse wanbetalingsgraden. 68.
In afwijking van punt 67 kunnen
PD-ramingen ook worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en passende LGD-ramingen. 69.
Kredietinstellingen beschouwen
interne gegevens voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen als
de primaire informatiebron voor de inschatting van de verlieskenmerken. Kredietinstellingen
mogen externe gegevens (met inbegrip van gegevens uit datapools) of statistische
modellen gebruiken voor kwantificeringsdoeleinden, mits kan worden aangetoond
dat er een sterke band bestaat tussen: a) de door de
kredietinstelling gevolgde procedure voor de onderbrenging van vorderingen in
klassen of groepen en de door de externe gegevensbron gevolgde procedure; b) het interne
risicoprofiel van de kredietinstelling en de samenstelling van de externe
gegevens. Voor gekochte
kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen mogen
kredietinstellingen gebruik maken van externe en interne referentiegegevens. Kredietinstellingen
gebruiken alle relevante gegevensbronnen als vergelijkingspunt. 70.
Indien een
kredietinstelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD’s en LGD’s
voor vorderingen op particulieren of op kleine partijen afleidt uit een raming
van het totale verlies en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de
procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in dit deel vastgelegde
algemene normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met
het in punt 73 vervatte concept van de LGD. 71.
De duur van
de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste
één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een kredietinstelling voor
haar inschatting van verlieskenmerken gebruik maakt van externe gegevens,
interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor
één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn,
dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Een
kredietinstelling behoeft geen even groot belang te hechten aan historische
gegevens indien zij ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren kan aantonen
dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. 72.
De tijdens de looptijd
van de kredietvorderingen verwachte wijzigingen in de risicoparameters (seasoning
effects) worden door de kredietinstellingen aangegeven en geanalyseerd.
2.2.2.
Specifieke vereisten voor
eigen LGD-ramingen
73.
Kredietinstellingen ramen
de LGD’s per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde gerealiseerde
LGD’s per faciliteitsklasse of -groep en maken daarbij gebruik van alle in de
gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling (naar wanbetalingsgraad
gewogen gemiddelde). 74.
Kredietinstellingen maken
gebruik van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang indien deze
conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt
verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde LGD’s per klasse of groep oplevert
welke constant zijn in de tijd, passen kredietinstellingen hun ramingen van de
riscoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische
neergang op het kapitaal te beperken. 75.
Een kredietinstelling
houdt rekening met de mate waarin het risico van de debiteur eventueel
afhankelijk is van dat van de zekerheid of de zekerheidsgever. Gevallen waarin
er sprake is van een significante afhankelijkheid worden op voorzichtige wijze
benaderd. 76.
Valutamismatches tussen de
onderliggende verplichting en de zekerheid worden op voorzichtige wijze
behandeld bij de beoordeling van de LGD door de kredietinstelling. 77.
Indien in de LGD-ramingen
met het bestaan van een zekerheid rekening wordt gehouden, worden deze ramingen
niet uitsluitend gebaseerd op de geraamde marktwaarde van de zekerheid. In de LGD-ramingen
wordt rekening gehouden met de gevolgen van het potentiële onvermogen van
kredietinstellingen om vlot beschikkingsmacht over hun zekerheid te verkrijgen en
deze uit te winnen. 78.
Indien een
kredietinstelling niet aan de in bijlage VIII vastgestelde minimumvereisten voor
zekerheden voldoet, mag in de LGD-ramingen geen rekening worden gehouden met
het bedrag dat deze zekerheden naar verwachting zullen opbrengen. 79.
In het specifieke geval
van vorderingen waarbij reeds sprake is van wanbetaling, maakt de kredietinstelling
gebruik van haar beste raming van het voor elke vordering verwachte verlies in
het licht van het heersende economische klimaat en de status van de vordering. 80.
Indien onbetaalde
achterstallige provisies in de winst- en verliesrekening van de
kredietinstelling zijn geactiveerd, dan worden zij bij de waarde van de
vordering en het verlies van de kredietinstelling geteld. Vorderingen op ondernemingen, instellingen en
centrale overheden en centrale banken 81.
De LGD-ramingen zijn
gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een
periode van minimum zeven jaar. Indien de
waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze
gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Vorderingen op
particulieren en kleine partijen 82.
In afwijking van punt 73 mogen
LGD-ramingen worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen. 83.
In afwijking van punt 88 mogen
kredietinstellingen toekomstige opnemingen ofwel in hun omrekeningsfactor,
ofwel in hun LGD-ramingen verwerken. 84.
Bij gekochte kortlopende
vorderingen op particulieren of op kleine partijen mogen kredietinstellingen
van externe en interne referentiegegevens gebruik maken om de LGD’s te ramen. 85.
De LGD-ramingen zijn
gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. In afwijking
van punt 73 behoeft een kredietinstelling geen even groot belang te hechten aan
historische gegevens indien zij ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar
behoren kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de
verliespercentages.
2.2.3.
Specifieke vereisten voor
eigen ramingen van omrekeningsfactoren
86.
Kredietinstellingen ramen
de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de
gemiddelde gerealiseerde omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of ‑groep
en maken daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen
van wanbetaling (naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde). 87.
Kredietinstellingen maken
gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren welke passend zijn voor een
economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over
een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde
omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert welke constant zijn in de tijd,
passen kredietinstellingen hun ramingen van de riscoparameters per klasse of groep
aan om het effect van een economische neergang op het kapitaal te beperken. 88.
In de door de
kredietinstellingen geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening gehouden met de
mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot en na het plaatsvinden
van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat. In de raming van de
omrekeningsfactor wordt een grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er
redelijkerwijze een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de
wanbetalingsfrequentie en de omvang van de omrekeningsfactor. 89.
Bij de raming van
omrekeningsfactoren houden kredietinstellingen rekening met hun specifieke
gedragslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking.
Kredietinstellingen houden ook rekening met hun vermogen en bereidheid om
verdere opnemingen te voorkomen in situaties die net niet als wanbetaling
worden beschouwd, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen
waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat. 90.
De kredietinstellingen beschikken
over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de
actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en
wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De
kredietinstellingen zijn in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren. 91.
Indien
kredietinstellingen voor de berekening van risicogewogen posten andere ramingen
van omrekeningsfactoren hanteren dan voor interne doeleinden, wordt dit gedocumenteerd
en wordt de redelijkheid van deze ramingen ten behoeve van de bevoegde
autoriteit naar behoren aangetoond. Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken 92.
De ramingen van de
omrekeningsfactor zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron
betrekking hebben op een periode van minimum zeven jaar. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een
langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze
langere periode gebruik gemaakt. Vorderingen op
particulieren en kleine partijen 93.
In afwijking van punt 88
mogen kredietinstellingen toekomstige opnemingen ofwel in hun
omrekeningsfactoren, ofwel in hun LGD-ramingen verwerken. 94.
De ramingen van de omrekeningsfactoren
zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. In
afwijking van punt 86 behoeft een kredietinstelling geen even groot belang te
hechten aan historische gegevens indien zij ten behoeve van haar bevoegde
autoriteit naar behoren kan aantonen dat recentere gegevens een betere
voorspeller zijn van de verliespercentages.
2.2.4.
Minimumvereisten voor de
beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten
Vorderingen op ondernemingen,
instellingen en centrale overheden en centrale banken waarbij van eigen LGD-ramingen
gebruik wordt gemaakt en vorderingen op particulieren en kleine partijen 95.
De in de punten 96 tot en
met 103 gestelde eisen gelden niet voor door instellingen en centrale overheden
en centrale banken verstrekte garanties, mits de kredietinstelling toestemming
heeft gekregen om de regels van de artikelen 78 tot en met 83 toe te passen op
vorderingen op dergelijke entiteiten. In dat geval zijn de vereisten van de
artikelen 90 tot en met 93 van toepassing. 96.
Bij garanties ter dekking
van vorderingen op particulieren en kleine partijen zijn deze vereisten ook van
toepassing op de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen en de
raming van de PD. Toelaatbare garantiegevers en garanties 97.
Kredietinstellingen hanteren
welomschreven criteria voor de categorieën garantiegevers die zij in aanmerking
nemen bij de berekening van risicogewogen vorderingen. 98.
Voor in aanmerking
genomen garantiegevers gelden dezelfde regels als voor debiteuren; deze regels
zijn vervat in de punten 18 tot en met 30. 99.
De garantie is
schriftelijk bevestigd, niet opzegbaar door de garantiegever, van kracht tot de
verplichting volledig is nagekomen (rekening houdend met het bedrag en de
geldigheidsduur van de garantie) en juridisch afdwingbaar jegens de
garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit om in
beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer te leggen. Ook garanties waarbij
er sprake is van voorwaarden waaronder de garantiegever niet kan worden
verplicht zijn verbintenis na te komen (voorwaardelijke garanties), mogen in
aanmerking worden genomen, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. De
kredietinstelling toont aan dat in de onderbrengingscriteria voldoende rekening
is gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende effect. Aanpassingscriteria 100.
Een kredietinstelling hanteert
duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen
en, in het geval van vorderingen op particulieren en kleine partijen en toelaatbare
gekochte kortlopende vorderingen, voor de aanpassing van de procedure voor de
onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen teneinde recht te doen aan de
gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen activa. Deze criteria
voldoen aan de minimumvereisten van de punten 18 tot en met 30. 101.
De criteria zijn
aannemelijk en intuïtief. Zij hebben betrekking op het vermogen en de
bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de
garantie na te komen, het vermoedelijke tijdschema van eventuele betalingen van
de garantiegever, de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn
verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het
vermogen van de debiteur om terug te betalen, en de mate waarin er enig
restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan. Kredietderivaten 102.
De in dit deel
neergelegde minimumvereisten voor garanties gelden ook voor single-name kredietderivaten.
Ingeval er sprake is van een verschil tussen de onderliggende verplichting en
de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar
wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft
voorgedaan, zijn de vereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 20, van
toepassing. In het geval van vorderingen op particulieren en kleine partijen en
toelaatbare gekochte kortlopende vorderingen is dit punt van toepassing op de
procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen. 103.
De criteria hebben
betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien in
een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het
tijdschema van de inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen. De
kredietinstelling houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico
blijven bestaan.
2.2.5.
Minimumvereisten voor gekochte
kortlopende vorderingen
Rechtszekerheid 104.
De structuur van de faciliteit
waarborgt dat de kredietinstelling onder alle voorzienbare omstandigheden de effectieve
eigendom van en beschikkingsmacht over alle overdrachten van contanten uit
hoofde van de kortlopende vorderingen heeft. Wanneer de betalingen van de
debiteur rechtstreeks aan een verkoper of beheerder geschieden, verifieert de
kredietinstelling regelmatig of deze betalingen volledig en met inachtneming
van de contractuele afspraken plaatsvinden. Onder beheerder wordt een instelling
verstaan die het dagelijkse beheer verzorgt van een pool van gekochte
kortlopende vorderingen of de onderliggende kredietvorderingen. Kredietinstellingen
beschikken over procedures om te waarborgen dat de eigendom van de kortlopende vorderingen
en kasontvangsten beschermd is tegen concordataire uitstellen of juridische verzetsprocedures
die de leninggever lange tijd kunnen beletten om de kortlopende vorderingen te liquideren
of over te dragen, dan wel om de beschikkingsmacht over de kasontvangsten te verkrijgen. Doeltreffendheid van bewakingssystemen 105.
De kredietinstelling bewaakt
zowel de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen als de financiële positie
van de verkoper en beheerder. Met name: a) beoordeelt de
kredietinstelling de correlatie tussen de kwaliteit van de gekochte kortlopende
vorderingen en de financiële positie van zowel de verkoper als de beheerder en beschikt
zij over interne gedragslijnen en procedures die voldoende bescherming bieden
tegen onvoorziene omstandigheden, waarbij onder meer ook een interne rating aan
elke verkoper en beheerder wordt toegekend; b) bestaan er in de
kredietinstelling duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om uit
te maken of een verkoper of een beheerder toelaatbaar is. De kredietinstelling
of haar lasthebber onderwerpen verkopers en beheerders aan periodieke
evaluaties om de juistheid van hun verslagen na te gaan, fraude of operationele
tekortkomingen op te sporen, en de kwaliteit van het kredietbeleid van de
verkoper en van het inningsbeleid en de inningsprocedures van de beheerder te
verifiëren. De bevindingen van deze evaluaties worden op schrift gesteld; c) beoordeelt de
kredietinstelling de kenmerken van de pools van gekochte kortlopende
vorderingen, met inbegrip van te veel betaalde voorschotten, de precedenten van
de verkoper op het gebied van achterstallige betalingen, dubieuze vorderingen
en voorzieningen voor dubieuze vorderingen, betalingsvoorwaarden en potentiële
tegenrekeningen; d) bestaan er in de
kredietinstelling effectieve gedragslijnen en procedures voor de bewaking op geaggregeerde
basis van concentraties van vorderingen op eenzelfde debiteur, zowel binnen pools
van gekochte kortlopende vorderingen als voor alle pools van gekochte
kortlopende vorderingen samen; e) ziet de
kredietinstelling erop toe dat zij van de beheerder tijdig voldoende
gedetailleerde verslagen ontvangt over de saldo-analyse en de verwatering van kortlopende
vorderingen om de inachtneming van haar toelatingscriteria en voorschotbeleid
met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen te kunnen waarborgen, en voorziet
zij tevens in een doeltreffend instrument voor de bewaking en bevestiging van
de verkoopsvoorwaarden van de verkoper en de verwatering. Doeltreffendheid van probleemoplossende
systemen 106.
De kredietinstelling beschikt
over systemen en procedures om verslechteringen in de financiële positie van de
verkoper en in de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen in een
vroeg stadium te detecteren, alsook om zich aandienende problemen proactief aan
te pakken. In de kredietinstelling bestaan met name duidelijke en effectieve gedragslijnen,
procedures en informatiesystemen om inbreuken op overeenkomsten vast te stellen,
en tevens duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om juridische
stappen te ondernemen en om te gaan met gekochte kortlopende vorderingen die
problemen opleveren. Doeltreffendheid van
systemen voor de controle van zekerheden, de beschikbaarheid van krediet en contanten 107.
De kredietinstelling
volgt duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures voor de controle van
gekochte kortlopende vorderingen, krediet en contanten. Met name worden in
schriftelijk vastgelegde interne gedragslijnen alle wezenlijke onderdelen van
het programma voor de aankoop van kortlopende vorderingen gespecificeerd, met
inbegrip van voorschotpercentages, toelaatbare zekerheden, benodigde documentatie,
concentratiegrenzen, en de wijze waarop kasontvangsten moeten worden behandeld.
Daarbij wordt op passende wijze rekening gehouden met alle relevante en belangrijke
factoren, met inbegrip van de financiële positie van de verkoper en de beheerder,
risicoconcentraties en de tendens van de kwaliteit van de gekochte kortlopende
vorderingen en het klantenbestand van de verkoper. Aan de hand van interne systemen
wordt gewaarborgd dat de fondsen slechts tegen de gespecificeerde zekerheden en
bewijsstukken worden verstrekt. Inachtneming van de
interne gedragslijnen en procedures van de kredietinstelling 108.
De kredietinstelling beschikt
over een effectieve interne procedure voor de toetsing van de inachtneming van
alle interne gedragslijnen en procedures. De procedure omvat regelmatige audits
van alle kritieke fases van het programma van de kredietinstelling voor de
aankoop van kortlopende vorderingen, verificatie van de scheiding van taken enerzijds
tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de beoordeling van de
debiteur en anderzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de
audit ter plaatse van de verkoper en beheerder, alsook toetsing van de
transactieverwerking, met bijzondere nadruk op de kwalificaties, de ervaring, het
personeelsbestand en de ondersteunende automatiseringssystemen.
3.
Validatie van interne
ramingen
109.
Kredietinstellingen beschikken
over deugdelijke systemen om de juistheid en consistentie van ratingsystemen,
processen en de raming van alle relevante risicoparameters te valideren. De
kredietinstelling toont ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren aan
dat het interne validatieproces haar in staat stelt de werking van de interne rating-
en risico-inschattingsystemen op consequente en zinvolle wijze te beoordelen. 110.
Kredietinstellingen
vergelijken regelmatig de gerealiseerde wanbetalingsgraden met de PD-ramingen
voor elke klasse. Wanneer de gerealiseerde wanbetalingsgraden buiten het voor
de desbetreffende klasse verwachte bereik vallen, onderzoeken
kredietinstellingen specifiek wat de redenen zijn voor de afwijking. Kredietinstellingen
die van eigen ramingen van LGD’s of omrekeningsfactoren gebruik maken, voeren
ook voor deze ramingen een soortgelijk onderzoek uit. Bij die vergelijkingen
wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo lang mogelijke
periode bestrijken. De kredietinstelling documenteert de bij deze
vergelijkingen gehanteerde methoden en gegevens. Dit onderzoek en deze documentatie
worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd. 111.
Kredietinstellingen maken
tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van
vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij het onderzoek wordt
uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden
geactualiseerd, en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij
de interne beoordelingen van de werking van hun ratingsystemen gaan de
kredietinstellingen uit van een zo lang mogelijke periode. 112.
De voor de kwantitatieve
validatie gehanteerde methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen
in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens (zowel gegevensbronnen als
bestreken periodes) worden gedocumenteerd. 113.
Kredietinstellingen
hebben deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin gerealiseerde
PD’s, LGD’s, omrekeningsfactoren en totale verliezen waarbij van EL gebruik
wordt gemaakt, in voldoende significante mate van de verwachtingen afwijken om
twijfel te doen ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen. In deze normen
wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische
variabiliteit van de wanbetalingservaring. Wanneer de gerealiseerde waarden de
verwachte waarden blijven overtreffen, stellen de kredietinstellingen hun
ramingen opwaarts bij om met hun wanbetalings- en verlieservaring rekening te
houden.
4.
Berekening van de
risicogewogen posten met betrekking tot posities in aandelen volgens de interne-modellenbenadering
4.1.
Kapitaalvereiste en risicokwantificering
114.
Bij de berekening van de
kapitaalvereisten voldoen de kredietinstellingen aan de volgende normen: a) de raming van
het potentiële verlies is bestand tegen ongunstige marktontwikkelingen die relevant
zijn voor het risicoprofiel op lange termijn van het specifieke aandelenbezit
van de kredietinstelling. De gegevens die zijn gebruikt om de rendementsspreiding
weer te geven, hebben betrekking op de langste steekproefperiode waarvoor
gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn voor het risicoprofiel van de
specifieke posities in aandelen van de kredietinstelling. De gehanteerde
gegevens zijn van dien aard dat zij voorzichtige, statistisch betrouwbare en deugdelijke
verliesramingen opleveren die niet op louter subjectieve overwegingen gebaseerd
zijn. Kredietinstellingen tonen ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar
behoren aan dat de gesimuleerde schok een voorzichtige raming van de potentiële
verliezen over een relevante markt- of conjunctuurcyclus op lange termijn
oplevert. De kredietinstelling combineert empirische analyse van beschikbare
gegevens met op diverse factoren gebaseerde aanpassingen om voldoende realistische
en voorzichtige modeloutputs te verkrijgen. Bij de constructie van VaR-modellen
(VaR: Value at Risk – risicowaarde) voor de raming van potentiële
driemaandelijkse verliezen kunnen kredietinstellingen gebruik maken van
kwartaalgegevens of van gegevens met een kortere tijdshorizon die in
kwartaalgegevens worden omgezet met behulp van een analytisch adequate methode die
berust op empirische gegevens en op een goed doordachte en gedocumenteerde redenering
en analyse. Bij een dergelijke benadering wordt voorzichtig en consistent in de
tijd te werk gegaan. Wanneer slechts beperkte relevante gegevens beschikbaar
zijn, past de kredietinstelling adequate voorzichtigheidsmarges toe; b) in de
gehanteerde modellen wordt op adequate wijze rekening gehouden met alle risico’s
van betekenis waaraan het aandelenrendement onderhevig is, met inbegrip van
zowel het algemene marktrisico als het specifieke risico van de
aandelenportefeuille van de kredietinstelling. De interne modellen geven een
adequate verklaring van de historische koersvariatie, geven zowel de omvang als
de wijzigingen in de samenstelling van de potentiële concentraties weer en zijn
bestand tegen ongunstige marktomstandigheden. De populatie van de risicoposities
die vertegenwoordigd zijn in de voor de raming gehanteerde gegevens, sluit nauw
aan bij of is ten minste vergelijkbaar met die van de posities in aandelen van
de kredietinstelling; c) het interne
model sluit aan bij het risicoprofiel en de complexiteit van de
aandelenportefeuille van de kredietinstelling. Wanneer een kredietinstelling deelnemingen
van betekenis bezit met waarden die van zeer non-lineaire aard zijn, worden de interne
modellen zodanig opgesteld dat zij de aan dergelijke instrumenten verbonden
risico’s op adequate wijze weergeven; d) de koppeling
van afzonderlijke posities aan indicatoren, marktindexen en risicofactoren is
aannemelijk, intuïtief en conceptueel gezond; e) kredietinstellingen
tonen door middel van empirische analyses aan dat de risicofactoren adequaat
zijn en onder meer zowel het algemene als het specifieke risico dekken; f) in de ramingen
van de volatiliteit van het rendement van posities in aandelen wordt rekening
gehouden met alle relevante en beschikbare gegevens, inlichtingen en methoden. Er
wordt gebruik gemaakt van aan een onafhankelijk onderzoek onderworpen interne gegevens
of van gegevens uit externe bronnen (met inbegrip van datapools); g) er is voorzien
in een strikt en uitgebreid programma van stresstests.
4.2.
Risicobeheerproces en
controlemaatregelen
115.
Wat de ontwikkeling en
het gebruik van interne modellen voor de bepaling van het kapitaalvereiste
betreft, stellen de kredietinstellingen gedraglijnen, procedures en controlemaatregelen
vast om de integriteit van het model en het modelleringsproces te waarborgen. Deze
gedragslijnen, procedures en controlemaatregelen omvatten onder meer de
volgende elementen: a) volledige integratie
van het interne model in de algemene managementinformatiesystemen van de
kredietinstelling en in het beheer van de aandelenportefeuille van het bankboek.
De interne modellen zijn volledig geïntegreerd in de risicomanagementinfrastructuur
indien zij met name worden gebruikt voor: de meting en beoordeling van het
rendement van de aandelenportefeuille (met inbegrip van het voor risico’s
gecorrigeerde rendement); de allocatie van economisch kapitaal aan posities in
aandelen en de evaluatie van de totale kapitaaltoereikendheid en het
beleggingsbeheer; b) beproefde managementsystemen,
procedures en controlefuncties die een periodieke en onafhankelijke analyse van
alle onderdelen van het interne modelleringsproces waarborgen, met inbegrip van
de goedkeuring van modelherzieningen, de validatie van modelinputs en de
evaluatie van modelresultaten, zoals directe verificatie van risicoberekeningen.
In het kader van deze analyses worden de juistheid, volledigheid en adequaatheid
van modelinputs en -resultaten beoordeeld en gaat de aandacht vooral uit naar,
enerzijds, het detecteren en beperken van mogelijke fouten die uit bekende gebreken
voortvloeien, en, anderzijds, het opsporen van onbekende gebreken van het model.
Deze analyses kunnen worden verricht door een onafhankelijke eenheid of door
een onafhankelijke derde; c) adequate systemen
en procedures voor de bewaking van de beleggingsgrenzen en de risico’s
verbonden aan posities in aandelen; d) de voor het
ontwerp en de toepassing van het model verantwoordelijke eenheden zijn functioneel
onafhankelijk van de voor het beheer van de afzonderlijke beleggingen
verantwoordelijke eenheden; e) de voor
enigerlei aspect van het modelleringsproces verantwoordelijke partijen
beschikken over adequate kwalificaties. Het bestuur wijst voldoende gekwalificeerd
en competent personeel aan voor de modelleringsfunctie.
4.3.
Validatie en documentatie
116.
Kredietinstellingen
beschikken over een deugdelijk systeem om de juistheid en consistentie van hun interne
modellen en modelleringsprocessen te valideren. Alle wezenlijke onderdelen van
de interne modellen, het modelleringsproces en de validatie zijn gedocumenteerd. 117.
Kredietinstellingen maken
gebruik van het interne validatieproces om de werking van hun interne modellen en
processen op een consequente en zinvolle wijze te beoordelen. 118.
De voor de kwantitatieve
validatie gehanteerde methoden en gegevens zijn consistent in de tijd.
Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens (zowel
gegevensbronnen als bestreken periodes) worden gedocumenteerd. 119.
Kredietinstellingen vergelijken
de feitelijke rendementen op aandelen (berekend aan de hand van gerealiseerde
en niet-gerealiseerde winsten en verliezen) regelmatig met de modelramingen. Bij
die vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo
lang mogelijke periode bestrijken. De kredietinstelling documenteert de bij
deze vergelijkingen gehanteerde methoden en gegevens. Dit onderzoek en deze
documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd. 120.
Kredietinstellingen maken
tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van
vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij het onderzoek wordt
uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden
geactualiseerd, en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij
de interne beoordelingen van hun ratingsystemen gaan de kredietinstellingen uit
van een zo lang mogelijke periode. 121.
Kredietinstellingen
hebben deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin de
vergelijking van de feitelijke rendementen op aandelen met de modelramingen
twijfel doet ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen of van de modellen.
In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een
soortgelijke systematische variabiliteit van de rendementen op aandelen. Alle aanpassingen
die naar aanleiding van de onderzoeken aan de interne modellen worden aangebracht,
worden gedocumenteerd en zijn in overeenstemming met de normen voor de
evaluatie van modellen. 122.
Het interne model en het
modelleringproces worden schriftelijk vastgelegd, met inbegrip van de
verantwoordelijkheden van de bij de modellering betrokken partijen, de
goedkeuring van het model en de procedures voor de evaluatie van het model.
5.
Corporate Governance en toezicht
5.1.
Corporate Governance
123.
Alle wezenlijke aspecten van
het rating- en het ramingsproces worden goedgekeurd door de raad van bestuur of
een speciaal aangewezen comité daarvan en de hoogste directie van de
kredietinstelling. Deze partijen hebben een algemeen inzicht in de ratingsystemen
van de kredietinstellingen en een diepgaand begrip van de daarmee samenhangende
managementverslagen. 124.
De hoogste directie stelt
de raad van bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan in kennis van
wezenlijke wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen gebruikelijke gedragslijnen
welke een invloed van betekenis hebben op de werking van de ratingsystemen van
de kredietinstelling. 125.
De hoogste directie heeft
een goed inzicht in de opzet en de werking van de ratingsystemen. Zij ziet er continu
op toe dat de ratingsystemen naar behoren functioneren. De hoogste directie
wordt regelmatig door de voor de kredietrisicobeheersing verantwoordelijke eenheden
op de hoogte gebracht van de werking van het ratingproces, de terreinen waarop
verbeteringen noodzakelijk zijn, en de vorderingen die zijn gemaakt bij het
verhelpen van eerder geconstateerde gebreken. 126.
De op interne ratings gebaseerde
analyse van het kredietrisicoprofiel van de kredietinstelling vormt een essentieel
onderdeel van de managementverslaggeving aan deze partijen. Bij de
verslaggeving wordt ten minste melding gemaakt van het risicoprofiel per klasse,
de migratie van de ene klasse naar de andere, de raming van de relevante
parameters per klasse en een vergelijking tussen gerealiseerde
wanbetalingsgraden en eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren enerzijds
en de verwachtingen en de resultaten van stresstests anderzijds. De frequentie
van de verslaggeving hangt af van de betekenis van de informatie, het type informatie
en het niveau van de ontvanger.
5.2.
Kredietrisicobeheersing
127.
De met de
kredietrisicobeheersing belaste eenheid is onafhankelijk van de personeels- en
managementfunctie verantwoordelijk voor de initiatie of vernieuwing van
vorderingen en brengt rechtstreeks verslag uit aan de hoogste directie. De eenheid
is verantwoordelijk voor de opzet of selectie, tenuitvoerlegging, controle en
werking van de ratingsystemen. Zij produceert en analyseert regelmatig
verslagen over de output van de ratingsystemen. 128.
De met de
kredietrisicobeheersing belaste eenheid (eenheden) heeft (hebben) onder meer de
volgende taken: a) testen en bewaken
van klassen en groepen; b) produceren en
analyseren van beknopte verslagen over de ratingsystemen van de
kredietinstelling; c) ten uitvoer
leggen van procedures om te verifiëren of de definities van klasse en groep in
alle afdelingen en geografische gebieden consequent worden toegepast; d) evalueren en documenteren
van alle wijzigingen in het ratingproces, met opgave van de redenen voor de
wijzigingen; e) evalueren van
de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen. Wijzigingen
in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters worden gedocumenteerd
en bijgehouden; f) actief
deelnemen aan de opzet of selectie, tenuitvoerlegging en validatie van de modellen
die in het kader van het ratingproces worden gebruikt; g) toezicht houden
op de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt; h) doorlopend onderzoeken
en aanpassen van de modellen die in het kader van het ratingproces worden
gebruikt. 129.
In afwijking van punt 128
mogen kredietinstellingen die in overeenstemming met de punten 57 en 58 gebruik
maken van gegevens uit datapools, de volgende taken uitbesteden: a) produceren van informatie
die relevant is voor het testen en bewaken van klassen en groepen; b) produceren van
beknopte verslagen over de ratingsystemen van de kredietinstelling; c) produceren van
informatie die relevant is voor het evalueren van de ratingcriteria om na te
gaan of zij het risico blijven voorspellen; d) documenteren
van alle wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters; e) produceren van
informatie die relevant is voor het doorlopend onderzoeken en aanpassen van de
modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt. Kredietinstellingen die
van de in dit punt geboden mogelijkheid gebruik maken, dragen er zorg voor dat
de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot alle relevante informatie van de
derde welke nodig is om na te gaan of aan de minimumvereisten is voldaan en dat
de bevoegde autoriteiten in staat zijn inspecties ter plaatse te verrichten die
evenwaardig zijn aan die bij de kredietinstelling.
5.3.
Interne audit
130.
De eenheid Interne audit controleert
ten minste elk jaar de door de kredietinstelling toegepaste ratingsystemen en
de in het kader daarvan verrichte activiteiten, met inbegrip van de
activiteiten van de kredietfunctie en de raming van de PD’s, LGD’s, EL’s en
omrekeningsfactoren. Bij de controle wordt onder meer gelet op de inachtneming
van alle toepasselijke minimumvereisten. BIJLAGE VIII –
Kredietrisicovermindering
Deel 1- Toelaatbaarheid 1.
In dit deel wordt
aangegeven wat de toelaatbare vormen van kredietrisicovermindering zijn voor de
toepassing van artikel 92. 2.
In de zin van deze
bijlage wordt verstaan onder: “Gedekte leningstransactie”:
een transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een vordering die is gedekt
door middel van een zekerheidsovereenkomst die geen bepaling bevat waarbij aan
de kredietinstelling het recht wordt verleend frequent margebetalingen te
ontvangen. “Kapitaalmarktgerelateerde
transactie”: een transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een
vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst die een
bepaling bevat waarbij aan de kredietinstelling het recht wordt verleend frequent
margebetalingen te ontvangen.
1.
Volgestorte kredietprotectie
1.1.
Verrekening van
balansposten
3.
De verrekening op de
balans van wederzijdse vorderingen tussen de kredietinstelling en haar
tegenpartij kan als toelaatbaar worden aangemerkt. 4.
Onverminderd het bepaalde
in punt 5 is de toelaatbaarheid beperkt tot wederzijdse kassaldi tussen de
kredietinstelling en de tegenpartij. Alleen de risicogewogen posten en de eventuele
verwachte verliesposten uit hoofde van leningen en deposito’s van de
leningverstrekkende kredietinstelling mogen worden gewijzigd als gevolg van een
verrekeningsovereenkomst.
1.2.
Kaderverrekeningsovereenkomsten
met betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten-
of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties
5.
Bij kredietinstellingen
die de in deel 3 van deze bijlage beschreven uitgebreide benadering van
financiële zekerheden toepassen, kan het effect van bilaterale verrekeningsovereenkomsten
met betrekking tot retrocessieovereenkomsten, verstrekte of opgenomen effecten-
of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties met
een tegenpartij in aanmerking worden genomen. Onverminderd bijlage II bij
Richtlijn [93/6/EEG] voldoen de in het kader van dergelijke overeenkomsten geaccepteerde
zekerheden en geleende effecten of grondstoffen aan de in de punten 7 tot en
met 11 vastgelegde toelaatbaarheidsvereisten voor zekerheden.
1.3.
Zekerheden
6.
Wanneer de toegepaste
techniek voor de vermindering van het kredietrisico berust op het recht van de
kredietinstelling om activa te liquideren of te behouden, is de toelaatbaarheid
afhankelijk van het feit of de risicogewogen posten en de eventuele verwachte
verliesposten zijn berekend conform de artikelen 78 tot en met 83, dan wel
conform de artikelen 84 tot en met 89. De toelaatbaarheid is tevens afhankelijk
van het feit welke van beide in deel 3 beschreven benaderingen worden
toegepast: de eenvoudige benadering van financiële zekerheden, dan wel de
uitgebreide benadering van financiële zekerheden. Wat de
retrocessieovereenkomsten en verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen betreft, is de toelaatbaarheid ook afhankelijk van het
feit of de transactie in de niet-handelsportefeuille dan wel in de handelsportefeuille
is opgenomen.
1.3.1.
Bij alle benaderingen en
methoden toelaatbare zekerheden
7.
De volgende financiële instrumenten
kunnen bij alle benaderingen en methoden als toelaatbare zekerheden worden
aangemerkt: a) contanten
gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden
door de leningverstrekkende kredietinstelling; b) schuldtitels
uitgegeven door centrale overheden of centrale banken waarvan de effecten een
kredietbeoordeling hebben van een voor de toepassing van de artikelen 78 tot en
met 83 erkende EKBI of exportkredietverzekeringsmaatschappij welke door de
bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 4 of hoger conform
de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen
van risicogewichten aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken; c) schuldtitels
uitgegeven door instellingen waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben
van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in
kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met
83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan
vorderingen op kredietinstellingen; d) schuldtitels
uitgegeven door andere entiteiten waarvan de effecten een kredietbeoordeling
hebben van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht
in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en
met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan
vorderingen op ondernemingen; e) schuldtitels met
een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een erkende EKBI welke door de
bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform
de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen
van risicogewichten aan kortlopende vorderingen; f) aandelen of
converteerbare obligaties die in een hoofdindex zijn opgenomen; g) goud. Voor de toepassing van punt b) wordt ervan
uitgegaan dat “schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale
banken” de volgende soorten schuldtitels omvatten: i) schuldtitels
uitgegeven door regionale of lagere overheden indien de vorderingen op deze
overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als
vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn; ii) schuldtitels
uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waarop overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegepast; iii) schuldtitels
uitgegeven door internationale organisaties waarop overeenkomstig de artikelen
78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegepast; Voor de toepassing van
punt c) omvatten “schuldtitels uitgegeven door instellingen” de volgende
soorten schuldtitels: i) schuldtitels
uitgegeven door regionale of lagere overheden indien de vorderingen op deze
overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 niet worden behandeld
als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd
zijn; ii) schuldtitels
uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen indien de vorderingen op deze
lichamen overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als
vorderingen op kredietinstellingen; iii) schuldtitels
uitgegeven door andere multilaterale ontwikkelingsbanken dan die waarop
overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt
toegepast. 8.
Schuldtitels uitgegeven
door instellingen waarvan de effecten geen kredietbeoordeling hebben van een
erkende EKBI, kunnen als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt indien zij
aan de volgende criteria voldoen: a) zij zijn aan
een erkende beurs genoteerd; b) het betreft niet-achtergestelde
schuld; c) alle andere
uitgiften van de uitgevende instelling welke van dezelfde rangorde zijn en een
rating van een erkende EKBI hebben, hebben een kredietbeoordeling van een
erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in
kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met
83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan
vorderingen op instellingen of kortlopende vorderingen. d) de
leningverstrekkende kredietinstelling beschikt niet over informatie waaruit
blijkt dat de uitgifte een lagere kredietbeoordeling zou verdienen dan die
welke onder c) is aangegeven; e) de
kredietinstelling kan ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aantonen
dat de marktliquiditeit van het instrument toereikend is voor deze doeleinden. 9.
Rechten van deelneming in
instellingen voor collectieve belegging kunnen als toelaatbare zekerheden
worden aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de rechten van
deelneming hebben een dagelijkse publieke koersnotering; b) de instelling
voor collectieve belegging mag alleen beleggen in instrumenten die
overeenkomstig de punten 7 en 8 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt. Het gebruik (of potentiële
gebruik) door een instelling voor collectieve belegging van derivaten om
toegestane beleggingen af te dekken, laat de toelaatbaarheid van de rechten van
deelneming in deze instelling onverlet. 10.
In verband met punt 7,
onder b) tot en met e), zij opgemerkt dat indien voor een effect twee kredietbeoordelingen
van erkende EKBI’s beschikbaar zijn, de minst gunstige kredietbeoordeling van
toepassing is. Indien voor een effect meer dan twee kredietbeoordelingen van
erkende EKBI’s beschikbaar zijn, zijn de twee gunstigste kredietbeoordelingen
van toepassing. Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen verschillend
zijn, is de minst gunstige van beide van toepassing.
1.3.2.
Bij de uitgebreide benadering
van financiële zekerheden toelaatbare zekerheden
11.
Indien een
kredietinstelling gebruik maakt van de in deel 3 beschreven uitgebreide
benadering van financiële zekerheden kunnen benevens de in de punten 7 tot en
met 10 genoemde zekerheden ook de volgende financiële instrumenten als
toelaatbare zekerheden worden aangemerkt: a) aandelen of
converteerbare obligaties die niet in een hoofdindex zijn opgenomen maar op een
erkende beurs worden verhandeld; b) rechten van
deelneming in instellingen voor collectieve belegging indien aan de volgende
voorwaarden is voldaan: i) de rechten van
deelneming hebben een dagelijkse publieke koersnotering; en ii) de instelling
voor collectieve belegging mag alleen beleggen in instrumenten die
overeenkomstig de punten 7 en 8 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt, en in
de onder a) bedoelde instrumenten. Het gebruik (of
potentiële gebruik) door een instelling voor collectieve belegging van
derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de toelaatbaarheid van
de rechten van deelneming in deze instelling onverlet.
1.3.3.
Voor de berekeningen
overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 toelaatbare zekerheden
12.
Indien een
kredietinstelling risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekent
conform de in de artikelen 84 tot en met 89 beschreven benadering, mogen de
bovengenoemde zekerheden als toelaatbaar worden aangemerkt en zijn tevens de
punten 13 tot en met 22 van toepassing. a) Zekerheden in
de vorm van onroerend goed 13.
Niet-zakelijk onroerend
goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar en zakelijk
onroerend goed (dat wil zeggen kantoorgebouwen en andere bedrijfsruimten) kunnen
als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden
is voldaan: a) de waarde van
het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van
de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter
macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van
het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer; b) het risico van
de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het
onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende
capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen.
De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af
van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend
goed dat als zekerheid fungeert. 14.
Ook aandelen in Finse ondernemingen
voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op
woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien
van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd
door de eigenaar, kunnen door kredietinstellingen als toelaatbare zekerheden in
de vorm van niet-zakelijk onroerend goed worden aangemerkt, mits aan bovenstaande
voorwaarden is voldaan. 15.
De bevoegde autoriteiten
kunnen hun kredietinstellingen tevens toestaan aandelen in Finse ondernemingen
voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op
woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving als toelaatbare
zekerheden in de vorm van zakelijk onroerend goed aan te merken, mits aan bovenstaande
voorwaarden is voldaan. 16.
Voor vorderingen die gedekt
zijn door niet-zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van hun
lidstaat bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten hun kredietinstellingen
ontheffing verlenen van de in punt 13, onder b), gestelde voorwaarde, mits
de bevoegde autoriteiten over het bewijs beschikken dat er sprake is van een
goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk
onroerend goed met verliescijfers die voldoende laag zijn om een dergelijke
maatregel te wettigen. Dit belet nationale bevoegde autoriteiten die deze
ontheffing niet verlenen, niet om niet-zakelijk onroerend goed dat op grond van
deze ontheffing in een andere lidstaat als toelaatbare zekerheid wordt aangemerkt,
ook in hun lidstaat als toelaatbare zekerheid aan te merken. De lidstaten maken
publiekelijk bekend of zij van deze ontheffingsmogelijkheid gebruik maken. 17.
Voor zakelijk onroerend
goed dat zich op het grondgebied van hun lidstaat bevindt, kunnen de bevoegde
autoriteiten hun kredietinstellingen ontheffing verlenen van de in punt 13,
onder b), gestelde voorwaarde, mits de bevoegde autoriteiten over het bewijs
beschikken dat er sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd
bestaande markt voor zakelijk onroerend goed en dat de verliescijfers die uit
door zakelijk onroerend goed gedekte leningen voortvloeien, aan de volgende
voorwaarden voldoen: a) ten hoogste 50%
van de marktwaarde (of, in voorkomend geval en indien dit bedrag lager uitvalt,
60 % van de hypotheekwaarde) mag niet meer zijn dan 0,3% van de in een gegeven
jaar uitstaande leningen die door zakelijk onroerend goed zijn gedekt; b) de totale
verliezen die uit door zakelijk onroerend goed gedekte leningen voortvloeien,
mogen niet hoger liggen dan 0,5% van de in een gegeven jaar uitstaande leningen. 18.
Indien in een gegeven
jaar niet aan één van beide bovenstaande voorwaarden is voldaan, komt deze
behandeling niet meer in aanmerking totdat in een volgend jaar wederom aan
beide voorwaarden is voldaan. 19.
De nationale bevoegde
autoriteiten die de in punt 17 bedoelde ontheffing niet verlenen, kunnen
zakelijk onroerend goed dat op grond van deze ontheffing in een andere lidstaat
als toelaatbare zekerheid worden aangemerkt, ook in hun lidstaat als
toelaatbare zekerheid aanmerken. b) Kortlopende vorderingen 20.
Kortlopende vorderingen
uit hoofde van handelstransacties of transacties met een oorspronkelijke
looptijd van ten hoogste een jaar kunnen door de bevoegde autoriteiten als
toelaatbare zekerheden worden aangemerkt. Niet toelaatbaar zijn kortlopende vorderingen
uit hoofde van securitisaties, subdeelnemingen of kredietderivaten, dan wel kortlopende
vorderingen op verbonden partijen. c) Overige fysieke
zekerheden 21.
Fysieke vermogensbestanddelen
van een ander type dan de in de punten 13 tot en met 19 bedoelde kunnen door de
bevoegde autoriteiten als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt, mits aan de
volgende voorwaarden is voldaan: i) er bestaan liquide
markten waarop de zekerheden op een vlotte en economisch efficiënte wijze van
de hand kunnen worden gedaan; en ii) er bestaan algemeen
gangbare, publiek beschikbare marktprijzen voor de zekerheden. De
kredietinstelling moet kunnen aantonen dat er geen aanwijzingen zijn dat de
nettoprijzen die zij ontvangt wanneer de zekerheden worden uitgewonnen, significant
van deze marktprijzen afwijken. d) Leasing 22.
Behoudens het bepaalde in
deel 3, punt 73, en mits aan de vereiste van deel 2, punt 11, is voldaan, worden
vorderingen uit hoofde van transacties waarbij een kredietinstelling onroerend
goed aan een derde least, op dezelfde wijze behandeld als leningen waarvoor
geleasd onroerend goed van hetzelfde type als zekerheid fungeert.
1.4.
Andere volgestorte
kredietprotectie
1.4.1.
Contanten gedeponeerd bij
of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door een derde
instelling
23.
Contanten die gedeponeerd
zijn bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten die niet in het kader
van een bewaringsovereenkomst aangehouden worden door een derde instelling en
die in pand gegeven zijn aan de leningverstrekkende kredietinstelling, kunnen
als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt.
1.4.2.
Aan de
leningverstrekkende kredietinstelling in pand gegeven
levensverzekeringsovereenkomsten
24.
Levensverzekeringsovereenkomsten
die aan de leningverstrekkende kredietinstelling in pand zijn gegeven, kunnen
als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt.
1.4.3.
Op verzoek teruggekochte
instrumenten van instellingen
25.
Door een derde instelling
uitgegeven instrumenten die op verzoek door deze instelling worden teruggekocht,
kunnen als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt.
2.
Niet-volgestorte kredietprotectie
2.1.
Bij alle benaderingen
toelaatbare protectiegevers
26.
De volgende partijen
kunnen als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie
worden aangemerkt: a) centrale overheden
en centrale banken; b) regionale en lagere
overheden; c) multilaterale ontwikkelingsbanken; d) internationale
organisaties indien aan de vorderingen op deze organisaties overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegekend; e) publiekrechtelijke
lichamen indien de schuldvorderingen op deze lichamen overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 door de bevoegde autoriteiten als schuldvorderingen
op instellingen worden behandeld; f) instellingen; g) andere ondernemingen,
met inbegrip van moeder-, dochter- en verbonden ondernemingen van de
kredietinstelling, welke: i) een kredietbeoordeling
hebben van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht
in kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en
met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan
vorderingen op ondernemingen; ii) geen kredietbeoordeling
van een erkende EKBI hebben en waaraan een interne rating is toegekend die
overeenstemt met een kans op wanbetaling die gelijkwaardig is aan die welke overeenstemt
met de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s welke door de bevoegde
autoriteiten zijn ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger
conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het
toekennen van risicogewichten aan vorderingen op ondernemingen, indien een
kredietinstelling risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekent
conform de in de artikelen 84 tot en met 89 beschreven benadering. 27.
Indien de risicogewogen
posten en verwachte verliesposten conform de artikelen 84 tot en met 89 worden
berekend, is een garantiegever alleen toelaatbaar wanneer de kredietinstelling hem
overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII, deel 4, een interne rating heeft
toegekend. 28.
In afwijking van punt 26 kunnen
de lidstaten ook andere financiële instellingen waaraan vergunning is verleend
en waarop toezicht wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die
verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan en het toezicht op
kredietinstellingen, en waaraan prudentiële eisen worden gesteld die
gelijkwaardig zijn aan die welke voor kredietinstellingen gelden, als
toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie aanmerken.
3.
Typen kredietderivaten
29.
De volgende typen kredietderivaten
en instrumenten die eventueel uit dergelijke kredietderivaten zijn samengesteld
of die economisch effectief vergelijkbaar zijn, kunnen als toelaatbaar worden
aangemerkt: a) credit default
swaps; b) totale-opbrengstenswaps; c) credit-linked
notes voorzover deze in contanten zijn gefinancierd. 30.
Indien een
kredietinstelling kredietprotectie koopt in de vorm van een totale-opbrengstenswap
en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten
boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het
beschermde activum te boeken (door middel van reducties van de reële waarde of
een toevoeging aan de reserves), wordt de kredietprotectie niet in aanmerking
genomen.
3.1.
Interne afdekkingsinstrumenten
31.
Indien een
kredietinstelling gebruik maakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm
van een kredietderivaat (en dus het kredietrisico van een vordering in de
niet-handelsportefeuille afdekt met een in de handelsportefeuille opgenomen
kredietderivaat), dan wordt de protectie voor de toepassing van deze bijlage
alleen in aanmerking genomen wanneer het naar de handelsportefeuille
overgehevelde kredietrisico aan een derde of derden wordt overgedragen. In dergelijke
omstandigheden en mits deze overdracht voldoet aan de in deze bijlage
vastgestelde vereisten voor de inaanmerkingneming van kredietrisicovermindering,
zijn de in de delen 3 tot en met 6 vervatte regels voor de berekening van risicogewogen
posten en verwachte verliesposten bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie
van toepassing. Deel 2 -
Minimumvereisten 1.
De kredietinstelling
toont ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan dat zij over adequate
risicomanagementprocessen beschikt ter beheersing van de risico’s waaraan zij
blootgesteld kan zijn als gevolg van kredietrisicoverminderingspraktijken. 2.
Ondanks het feit dat voor
de berekening van risicogewogen posten en eventuele verwachte verliesposten met
kredietrisicovermindering rekening wordt gehouden, blijven kredietinstellingen overgaan
tot een volledige kredietrisicobeoordeling van de onderliggende vordering en
zijn zij in staat ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan te
tonen dat aan dit vereiste is voldaan. Bij retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte
of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen wordt uitsluitend voor de
toepassing van dit deel aangenomen dat de onderliggende vordering de nettopost
is.
1.
Volgestorte kredietprotectie
1.1.
Overeenkomsten tot verrekening
van balansposten (andere dan kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot
retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties)
3.
Voor de toepassing van de
artikelen 90 tot en met 93 worden overeenkomsten tot verrekening van
balansposten (andere dan kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot
retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties) pas in
aanmerking genomen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) zij hebben een
degelijke rechtsgrond en zijn juridisch afdwingbaar onder het toepasselijke
recht, ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij; b) de kredietinstelling
is te allen tijde in staat te bepalen welke activa en passiva onder de
verrekeningsovereenkomst vallen; c) de
kredietinstelling bewaakt en beheerst de risico’s die aan de opzegging van de
kredietprotectie verbonden zijn; d) de
kredietinstelling bewaakt en controleert de desbetreffende vorderingen op
nettobasis.
1.2.
Kaderverrekeningsovereenkomsten
met betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties
4.
Voor de toepassing van de
artikelen 90 tot en met 93 worden kaderverrekeningsovereenkomsten met
betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties pas in aanmerking genomen wanneer zij: a) een degelijke
rechtsgrond hebben en juridisch afdwingbaar zijn onder het toepasselijke recht,
ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij; b) de niet in
gebreke blijvende partij het recht verlenen alle in het kader van de
overeenkomst verrichte transacties zo spoedig mogelijk te beëindigen en af te
wikkelen bij wanbetaling, ook in geval van insolventie of faillissement van de
tegenpartij; c) voorzien in de
zodanige verrekening van de winsten en verliezen op in het kader van een
kaderverrekeningsovereenkomst afgewikkelde transacties dat uiteindelijk één
enkel nettobedrag wordt verkregen dat door de ene partij aan de andere
verschuldigd is. 5.
Tevens is voldaan aan de in
punt 6 vastgelegde minimumvereisten voor de inaanmerkingneming van financiële
zekerheden bij de uitgebreide benadering van financiële zekerheden.
1.3.
Financiële zekerheden
1.3.1.
Minimumvereisten voor de
inaanmerkingneming van financiële zekerheden bij alle benaderingen en methoden
6.
Financiële zekerheden en
goud worden pas in aanmerking genomen wanneer aan de onderstaande voorwaarden
is voldaan. a) Lage correlatie Tussen de
kredietkwaliteit van de debiteur en de waarde van de zekerheid mag geen
duidelijk positieve correlatie bestaan. Door de debiteur of een
verbonden groepsentiteit uitgegeven effecten komen niet in aanmerking. b) Rechtszekerheid De kredietinstellingen vervullen
alle contractuele en wettelijke voorwaarden en ondernemen alle stappen die
nodig zijn om de zekerheidsovereenkomsten afdwingbaar te maken onder het recht
dat van toepassing is op hun recht op de zekerheden. De kredietinstellingen
hebben voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de
zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties bevestigt. Indien nodig
herhalen zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen dat de overeenkomsten
afdwingbaar blijven. c) Operationele vereisten De
zekerheidsovereenkomsten zijn adequaat gedocumenteerd en er bestaat een
duidelijke en deugdelijke procedure voor een zo spoedig mogelijke uitwinning
van de zekerheden. De kredietinstellingen
passen deugdelijke procedures en processen toe ter beheersing van de risico’s
die uit het gebruik van zekerheden voortvloeien, zoals onder meer de risico’s
die aan een tekortschietende of verminderde kredietprotectie verbonden zijn, de
waarderingsrisico’s, de met de opzegging van de kredietprotectie samenhangende
risico’s, de concentratierisico’s die aan het gebruik van zekerheden verbonden
zijn, en de interactie met het algemene risicoprofiel van de kredietinstelling. De kredietinstellingen
leggen de gedragslijnen en praktijken die ten aanzien van de aanvaarde typen zekerheden
en de aanvaarde bedragen aan zekerheden worden gevolgd, schriftelijk vast. De kredietinstellingen
berekenen de marktwaarde van de zekerheden en herwaarderen deze ten minste
eenmaal om de zes maanden en telkens als de kredietinstelling redenen heeft om
aan te nemen dat er zich een significante daling van de marktwaarde ervan heeft
voorgedaan. Wanneer de zekerheden
door een derde worden aangehouden, ondernemen de kredietinstellingen alle
stappen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om ervoor te zorgen dat de
betrokken derde de zekerheden afscheidt van de eigen activa.
1.3.2.
Aanvullende minimumvereisten
voor de inaanmerkingneming van financiële zekerheden bij de eenvoudige
benadering van financiële zekerheden
7.
Voor de
inaanmerkingneming van financiële zekerheden bij de eenvoudige benadering van
financiële zekerheden geldt benevens de in punt 6 vastgestelde vereisten dat de
resterende looptijd van de protectie ten minste even lang moet zijn als de
resterende looptijd van de vordering.
1.4.
Minimumvereisten voor de
inaanmerkingneming van zekerheden in de vorm van onroerend goed
8.
Zekerheden in de vorm van
onroerend goed worden pas in aanmerking genomen als aan de onderstaande
voorwaarden is voldaan. a) Rechtszekerheid De hypotheek of bezwaring
zijn juridisch afdwingbaar in alle relevante jurisdicties en zijn tijdig en
naar behoren geregistreerd. De regeling neemt de vorm aan van een aan derden
tegenwerpbaar pandrecht (dat wil zeggen dat aan alle juridische vereisten voor
de vestiging van het pandrecht is voldaan). De protectieovereenkomst en de juridische
procedure die eraan ten grondslag ligt, stellen de kredietinstelling in staat de
waarde van de protectie binnen een redelijke tijdshorizon te realiseren. b) Controle van de
waarde van het onroerend goed De waarde van het
onroerend goed wordt frequent en ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd. Er
worden frequentere controles uitgevoerd wanneer de marktomstandigheden
significante veranderingen ondergaan. Er mogen statistische methoden worden
gehanteerd om de waarde van het onroerend goed te controleren en om na te gaan
van welk onroerend goed de waarde moet worden bijgesteld. De waarde van het
onroerend goed wordt bepaald door een onafhankelijke schatter wanneer blijkt
dat de waarde van het onroerend goed vermoedelijk sterk is gedaald in
vergelijking met de algemene marktprijzen. Bij leningen die meer dan 3 miljoen EUR
bedragen of meer dan 5% van het eigen vermogen van de kredietinstelling
vertegenwoordigen, wordt de waarde van het onroerend goed ten minste om de drie
jaar door een onafhankelijke schatter bepaald. Onder “onafhankelijke
schatter” wordt een persoon verstaan die over de nodige kwalificaties, bekwaamheid
en ervaring beschikt om een taxatie uit te voeren en die geen enkele rol
vervult in het kredietacceptatieproces. c) Documentatie De typen niet-zakelijk
en zakelijk onroerend goed die door de kredietinstelling worden aanvaard en
haar leningsbeleid terzake zijn duidelijk schriftelijk vastgelegd. d) Verzekering De kredietinstelling beschikt
over procedures om te controleren of het onroerend goed dat als protectie wordt
geaccepteerd, adequaat is verzekerd tegen schade.
1.5.
Minimumvereisten voor de
inaanmerkingneming van kortlopende vorderingen als zekerheden
9.
Kortlopende vorderingen
worden pas in aanmerking genomen als aan de onderstaande voorwaarden is
voldaan. a) Rechtszekerheid i) De juridische
constructie op grond waarvan de zekerheid wordt verstrekt, is deugdelijk en
effectief en waarborgt dat de leninggever duidelijke rechten heeft op de
opbrengsten. ii) De
kredietinstellingen ondernemen alle stappen die noodzakelijk zijn om aan de
lokale vereisten voor de afdwingbaarheid van het zakelijke zekerheidsrecht te
voldoen. Er bestaat een kader dat de leninggever in staat stelt een
voorrangsrecht op de zekerheid te laten gelden, waarbij de lidstaten over de
mogelijkheid beschikken toe te staan dat deze rechten worden achtergesteld bij
de rechten van preferentiële crediteuren welke in wettelijke of
uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd. iii) De
kredietinstellingen hebben voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de
afdwingbaarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties
bevestigt. iv) De
zekerheidsovereenkomsten zijn adequaat gedocumenteerd en er bestaat een
duidelijke en deugdelijke procedure voor een zo spoedig mogelijke uitwinning van
de zekerheden. De procedures van de kredietinstellingen waarborgen dat alle wettelijke
voorwaarden voor het in gebreke stellen van de cliënt en de zo spoedig
mogelijke uitwinning van de zekerheden in acht worden genomen. Ingeval de
leningnemer in financiële moeilijkheden verkeert of in gebreke is gebleven, heeft
de kredietinstelling de wettelijke bevoegdheid om de kortlopende vorderingen
aan andere partijen te verkopen of over te dragen zonder de instemming van de
debiteuren van de kortlopende vorderingen. b) Risicobeheer i) De
kredietinstelling beschikt over een deugdelijke procedure voor de bepaling van het
kredietrisico dat aan de kortlopende vorderingen verbonden is. Deze procedure
omvat onder meer analyses van de bedrijfsactiviteit en de bedrijfstak van de
leningnemer en van de soorten cliënten met wie de leningnemer zaken doet. Wanneer
de kredietinstelling vertrouwt op de leningnemer om het aan de cliënten
verbonden kredietrisico in te schatten, onderwerpt zij de kredietpraktijken van
de leningnemer aan een onderzoek om zich van de deugdelijkheid en
geloofwaardigheid ervan te vergewissen. ii) De marge
tussen de post en de waarde van de kortlopende vorderingen weerspiegelt alle
relevante factoren, zoals onder meer de inningskosten, de concentratie binnen
de pool van kortlopende vorderingen die door een enkele leningnemer in pand is gegeven,
en het potentiële concentratierisico binnen het geheel van vorderingen van de
kredietinstelling benevens die welke in het kader van de algemene methodologie
van de kredietinstelling worden gecontroleerd. De kredietinstelling voorziet in
een doorlopend bewakingsproces dat passend is voor de kortlopende vorderingen. Er
wordt toezicht gehouden op de naleving van de algemene concentratiegrenzen van
de kredietinstelling. Voorts wordt de inachtneming van leningsovereenkomsten, milieubeperkingen
en andere wettelijke vereisten regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen. iii) De door een
leningnemer in pand gegeven kortlopende vorderingen zijn gediversifieerd en er
is geen sprake van een ongepaste correlatie ervan met de leningnemer. Wanneer
er sprake is van een duidelijk positieve correlatie, wordt bij de vaststelling
van de marges voor de pool van zekerheden als geheel met de daarmee gepaard
gaande risico’s rekening gehouden. iv) Kortlopende vorderingen
op verbonden partijen van de leningnemer (met inbegrip van dochterondernemingen
en werknemers) komen niet in aanmerking voor risicovermindering. v) De
kredietinstelling beschikt over een schriftelijk vastgelegde procedure voor de
inning van te ontvangen betalingen in probleemsituaties. De vereiste
voorzieningen voor de inning zijn getroffen, ook al vertrouwt de
kredietinstelling normaliter op de leningnemer om betalingen te innen.
1.6.
Minimumvereisten voor de
inaanmerkingneming van andere fysieke zekerheden
10.
Andere fysieke zekerheden
worden pas in aanmerking genomen als aan de onderstaande voorwaarden is
voldaan. a) De
zekerheidsovereenkomst is juridisch afdwingbaar onder het toepasselijke recht
en stelt de kredietinstelling in staat de waarde van het goed binnen een
redelijke tijdshorizon te realiseren. b) Met
als enige uitzondering de in punt 9, onder a), punt ii), bedoelde toelaatbare
voorrangsrechten zijn alleen eerste pandrechten of bezwaringen op zekerheden
toelaatbaar. Het recht van de kredietinstelling op de gerealiseerde opbrengsten
van de zekerheden heeft derhalve voorrang op de rechten van alle andere leninggevers. c) De waarde van
het goed wordt frequent en ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd. Er worden
frequentere controles uitgevoerd wanneer de marktomstandigheden significante
veranderingen ondergaan. d) De
leningsovereenkomst bevat een gedetailleerde beschrijving van de zekerheid en een
gedetailleerde specificatie van de wijze waarop en de frequentie waarmee tot herwaardering
wordt overgegaan. e) De
door de kredietinstelling aanvaarde typen fysieke zekerheden en de
gedragslijnen en praktijken ten aanzien van het bedrag van elk type zekerheid dat
passend wordt geacht voor een gegeven post, worden duidelijk schriftelijk
vastgelegd in de vorm van interne gedragslijnen en procedures voor de
kredietverlening; de desbetreffende documenten kunnen worden ingezien. f) Wat
de structuur van de transactie betreft, wordt er in het kader van het kredietbeleid
van de kredietinstelling op toegezien dat aan de zekerheid passende eisen
worden gesteld met betrekking tot de post, de mogelijkheid om de zekerheid vlot
uit te winnen, de mogelijkheid om op objectieve wijze een prijs of marktwaarde
vast te stellen, de frequentie waarmee de waarde makkelijk te verkrijgen is (met
inbegrip van een professionele schatting of waardering) en de volatiliteit van
de waarde van de zekerheid. g) Zowel
bij de eerste waardering als bij latere herwaarderingen wordt ten volle met een
eventuele aantasting of economische veroudering van de zekerheid rekening
gehouden. Bij de waardering en herwaardering wordt bijzondere aandacht besteed
aan de gevolgen van het verstrijken van de tijd voor mode- of tijdgevoelige
zekerheden. h) De
kredietinstelling heeft het recht het goed fysiek te inspecteren. Zij heeft de
nodige gedragslijnen en procedures vastgesteld voor de uitoefening van haar
recht tot fysieke inspectie. i) De
kredietinstelling beschikt over procedures om na te gaan of het goed dat als protectie
wordt geaccepteerd, adequaat is verzekerd tegen schade.
1.7.
Minimumvereisten voor de
behandeling van vorderingen uit hoofde van lease-overeenkomsten als door
zekerheden gedekte vorderingen
11.
Vorderingen uit hoofde
van lease-overeenkomsten worden pas als door zekerheden gedekte vorderingen behandeld
als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) er is voldaan
aan de voorwaarden van de punten 8 of 10, al naar gelang het geval, voor de
inaanmerkingneming van het type geleasd goed als zekerheid; b) er is sprake
van een deugdelijk risicomanagement van de zijde van de verhuurder met
betrekking tot de locatie van het activum, het gebruik dat ervan wordt gemaakt,
de ouderdom ervan en de voorziene economische veroudering ervan; c) er is voorzien
in een deugdelijk juridisch kader tot vaststelling van de juridische eigendom
van de verhuurder van het activum en van zijn vermogen om zijn rechten als
eigenaar zo spoedig mogelijk te laten gelden; en d) het verschil
tussen het afschrijvingspercentage van het fysieke activum en het amortisatiepercentage
van de leasebetalingen mag niet zodanig groot zijn dat de aan de geleasde
activa toegeschreven kredietrisicovermindering wordt overschat.
1.8.
Minimumvereisten voor de
inaanmerkingneming van andere volgestorte kredietprotectie
1.8.1.
Contanten gedeponeerd bij
of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door een derde
instelling
12.
De in deel 1, punt 23,
bedoelde protectie komt pas voor de in deel 3, punt 80, beschreven behandeling
in aanmerking als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de vordering
van de leningnemer op de derde instelling is openlijk in pand gegeven of
overgedragen aan de leningverstrekkende kredietinstelling; b) de derde
instelling is in kennis gesteld van de pandgeving of overdracht; c) als gevolg van
de kennisgeving mag de derde instelling alleen aan de leningverstrekkende
kredietinstelling betalingen doen, of aan andere partijen als zij daarvoor de
toestemming heeft gekregen van de leningverstrekkende kredietinstelling; d) de pandgeving
of overdracht is onvoorwaardelijk en onherroepelijk.
1.8.2.
Aan de
leningverstrekkende kredietinstelling in pand gegeven
levensverzekeringsovereenkomsten
13.
Aan de
leningverstrekkende kredietinstelling in pand gegeven
levensverzekeringsovereenkomsten worden pas in aanmerking genomen als aan de volgende
voorwaarden is voldaan: a) de onderneming
waarbij de levensverzekering is gesloten, kan conform deel 1, punt 26, als
toelaatbare verschaffer van niet-volgestorte kredietprotectie worden aangemerkt; b) de
levensverzekeringsovereenkomst is openlijk in pand gegeven of overgedragen aan
de leningverstrekkende kredietinstelling; c) de onderneming
waarbij de levensverzekering is gesloten, is in kennis gesteld van de
pandgeving of overdracht en mag als gevolg daarvan de overeenkomst niet beëindigen
of onder de overeenkomst te betalen bedragen uitkeren zonder de toestemming van
de leningverstrekkende kredietinstelling; d) de overeenkomst
heeft een aangegeven afkoopwaarde die niet verminderbaar is; e) de
leningverstrekkende kredietinstelling heeft het recht de overeenkomst op te
zeggen en zo spoedig mogelijk de afkoopwaarde te ontvangen ingeval de
leningnemer in gebreke blijft; f) de
leningverstrekkende kredietinstelling wordt in kennis gesteld wanneer de
verzekeringnemer nalaat betalingen onder de overeenkomst te verrichten; g) de kredietprotectie
geldt voor de gehele looptijd van de lening; en h) de pandgeving
is juridisch afdwingbaar in alle relevante jurisdicties.
2.
Niet-volgestorte kredietprotectie
en credit-linked notes
2.1.
Voor zowel garanties als
kredietderivaten geldende vereisten
14.
Behoudens punt 16 wordt een
kredietprotectie in de vorm van een garantie of kredietderivaat pas in
aanmerking genomen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) het gaat om een
rechtstreekse kredietprotectie; b) de omvang van
de kredietprotectie is duidelijk omschreven en onbetwistbaar; c) de kredietprotectieovereenkomst
bevat geen enkele clausule waarvan de naleving buiten de directe controle van
de leningnemer valt en die: i) de protectiegever
in staat stelt de protectie unilateraal op te zeggen; ii) tot een
toename van de effectieve kosten van de protectie leidt wanneer de
kredietkwaliteit van de beschermde vordering verslechtert; iii) kan
verhinderen dat de protectiegever verplicht is zo spoedig mogelijk te betalen
ingeval de oorspronkelijke debiteur nalaat verschuldigde betalingen te
verrichten; of iv) het mogelijk
kan maken dat de protectiegever de looptijd van de kredietprotectie reduceert; d) de kredietprotectie
is juridisch afdwingbaar in alle relevante jurisdicties.
2.1.1.
Operationele vereisten
15.
De kredietinstelling toont
ten behoeve van de bevoegde autoriteit naar behoren aan dat zij over systemen
beschikt om de potentiële concentratie van uit haar gebruik van garanties of
kredietderivaten voortvloeiende risico’s te beheren. De kredietinstelling kan
demonstreren welke interactie er bestaat tussen, enerzijds, haar strategie ten
aanzien van het gebruik van kredietderivaten en garanties en, anderzijds, het
beheer van haar algemene risicoprofiel.
2.2.
Tegengaranties van de centrale
overheid en andere overheidslichamen
16.
Wanneer een vordering wordt
beschermd door een garantie met een tegengarantie van een centrale overheid of
een centrale bank, van een regionale of lagere overheid indien de schuldvorderingen
op deze overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld
als schuldvorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze
gevestigd zijn, van een multilaterale ontwikkelingsbank waarop overeenkomstig
de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegepast, of van
een publiekrechtelijk lichaam indien de schuldvorderingen op dat lichaam
overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als schuldvorderingen
op kredietinstellingen, mag de vordering worden behandeld als een vordering die
wordt beschermd door een garantie die door het lichaam in kwestie is verstrekt,
mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de
tegengarantie dekt alle kredietrisico-aspecten van de vordering; b) zowel de
oorspronkelijke garantie als de tegengarantie voldoet aan de in de punten 14,
15 en 17 gestelde eisen, behalve dat de tegengarantie niet rechtstreeks behoeft
te zijn; c) de bevoegde
autoriteit is ervan overtuigd dat de dekking deugdelijk is en dat niets in de historische
gegevens erop wijst dat de dekking van de tegengarantie niet effectief
gelijkwaardig is aan die van een rechtstreekse garantie door het lichaam in kwestie.
2.3.
Aanvullende vereisten
voor garanties
17.
Een garantie wordt pas in
aanmerking genomen als tevens aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) bij de
kwalificerende wanbetaling/niet-betaling van de tegenpartij heeft de
leningverstrekkende kredietinstelling het recht zo spoedig mogelijk een
vordering in te stellen tegen de garantiegever voor de gelden die verschuldigd
zijn uit hoofde van de vordering waarvoor de protectie is verstrekt. De
leningverstrekkende kredietinstelling behoeft niet eerst een vordering tegen de
debiteur in te stellen opdat de garantiegever tot betaling overgaat; b) de garantie neemt
de vorm aan van een expliciet gedocumenteerde verplichting die door de
garantiegever is aangegaan; c) behoudens de
volgende zin bestrijkt de garantie alle soorten betalingen die de debiteur uit
hoofde van de vordering geacht wordt te verrichten. Wanneer bepaalde soorten
betalingen niet onder de garantie vallen, wordt de in aanmerking genomen waarde
van de garantie aangepast om met de beperkte dekking rekening te houden. 18.
Wat de garanties betreft die
in het kader van voor deze doeleinden door de bevoegde autoriteiten erkende
onderlinge borgtochtmaatschappijen zijn verstrekt, dan wel die zijn verstrekt of
waarvoor een tegengarantie is verschaft door de in punt 16 bedoelde lichamen, mag
worden aangenomen dat aan de vereisten van punt 17, onder a), is voldaan
wanneer een van beide onderstaande voorwaarden is vervuld: a) de bevoegde
autoriteiten zijn ervan overtuigd dat de leningverstrekkende kredietinstelling
recht heeft op een zo spoedig mogelijk door de garantiegever te verrichten
voorlopige betaling die op zodanige wijze is berekend dat zij een deugdelijke
raming vormt van de omvang van het economische verlies (met inbegrip van de verliezen
die voortvloeien uit de niet-betaling van rente en van andere soorten
betalingen die de leningnemer verplicht is te verrichten) dat vermoedelijk door
de leningverstrekkende instelling zal worden geleden in verhouding tot de door
de garantie geboden dekking; b) de bevoegde
autoriteiten zijn anderszins overtuigd van de door de garantie geboden protectie
tegen verliezen, met inbegrip van de verliezen die voortvloeien uit de
niet-betaling van rente en van andere soorten betalingen die de leningnemer
verplicht is te verrichten.
2.4.
Aanvullende vereisten
voor kredietderivaten
19.
Een kredietderivaat wordt
pas in aanmerking genomen als tevens aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) behoudens punt b)
omvatten de in het kader van het kredietderivaat gespecificeerde omstandigheden
die de kredietwaardigheid aantasten, ten minste de volgende kredietgebeurtenissen: i) niet-betaling
van de bedragen die verschuldigd zijn onder de voorwaarden van de onderliggende
verplichting welke gelden op het tijdstip van de niet-betaling (waarbij de
respijtperiode vrijwel even lang is als of korter is dan de respijtperiode bij
de onderliggende verplichting); ii) het faillissement,
de insolventie of het onvermogen van de debiteur om zijn schulden te betalen, dan
wel het nalaten of de schriftelijke bekentenis van het algemene onvermogen om
zijn schulden te betalen wanneer deze vervallen, en analoge gebeurtenissen; iii) de
herstructurering van de onderliggende verplichting die een kwijtschelding of
uitstel van betaling van de hoofdsom, de rente of provisies behelst welke
resulteert in een kredietverlies (dat wil zeggen een waardeaanpassing of een
andere soortgelijke debitering van de winst- en verliesrekening); b) indien de in
het kader van het kredietderivaat gespecificeerde kredietgebeurtenissen, niet de
onder a), punt iii), omschreven herstructurering van de onderliggende
verplichting omvatten, mag de kredietprotectie desondanks toch in aanmerking
worden genomen, mits de in aanmerking genomen waarde wordt gereduceerd zoals gespecificeerd
in deel 3, punt 84; c) in het geval
van kredietderivaten met afwikkeling in contanten wordt voorzien in een
deugdelijke waarderingsprocedure om tot een betrouwbare raming van het verlies
te komen, waarbij er sprake is van een duidelijk gespecificeerde periode voor
de verkrijging van waarderingen van de onderliggende verplichting nadat de kredietgebeurtenis
zich heeft voorgedaan; d) indien het
recht en het vermogen van de protectienemer om de onderliggende verplichting
aan de protectiegever over te dragen onontbeerlijk zijn voor de afwikkeling, wordt
in de voorwaarden van de onderliggende verplichting bepaald dat de voor een
dergelijke overdracht vereiste toestemming niet op onredelijke gronden mag
worden geweigerd; e) de identiteit
van de partijen die verantwoordelijk zijn voor de bepaling of er zich een
kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, wordt duidelijk omschreven. Deze bepaling is
niet de uitsluitende verantwoordelijkheid van de protectiegever. De protectienemer
heeft het recht/vermogen om de protectiegever in kennis te stellen van het feit
dat er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan. 20.
Een mismatch tussen de
onderliggende verplichting en de referentieverplichting in het kader van het kredietderivaat
(dat wil zeggen de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor de bepaling
van de waarde van de afwikkeling in contanten of de leverbare verplichting) of tussen
de onderliggende verplichting en de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt
om te bepalen of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, is alleen
toelaatbaar indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de
referentieverplichting of de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te
bepalen of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naargelang het
geval, is gelijkgesteld met of achtergesteld bij de onderliggende verplichting; b) de
onderliggende verplichting en de referentieverplichting of de verplichting
waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of er zich een kredietgebeurtenis
heeft voorgedaan, al naargelang het geval, hebben dezelfde debiteur (dat wil
zeggen dezelfde rechtspersoon), en er is voorzien in juridisch afdwingbare kruiselingse
kredietverzuimclausules of kruiselings vervroegde-opeisbaarheidsclausules. Deel 3 –
Berekening van het effect van kredietrisicovermindering 1.
Onverminderd de delen 4
tot en met 6 mag, wanneer aan de bepalingen van deel 1 en 2 is voldaan, de
berekening van risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 78 tot en met
83 en de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten
overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89, krachtens de in dit deel vervatte
bepalingen worden gewijzigd. 2.
Contanten, effecten of
grondstoffen die in het kader van een retrocessieovereenkomst of een verstrekte
of opgenomen effecten- of grondstoffenlening zijn gekocht, geleend of ontvangen
worden als zekerheden behandeld.
1.
Volgestorte
kredietprotectie
1.1.
Credit-linked notes
3.
Beleggingen in
credit-linked notes die door de leningverstrekkende kredietinstelling zijn
uitgegeven kunnen als zekerheden in de vorm van contanten worden behandeld.
1.2.
Verrekening van
balansposten
4.
Leningen en deposito’s
bij de leningverstrekkende kredietinstelling die op de balans worden
gesaldeerd, moeten als zekerheden in de vorm van contanten worden behandeld.
1.3.
Kaderverrekeningsovereenkomsten
met betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen
effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties
1.3.1.
Berekening van de
volledig aangepaste waarde van de post
a) Berekening
volgens de benadering waarbij de volatiliteitsaanpassingen door de
toezichthouder worden vastgesteld (toezichthoudersbenadering) of volgens de
benadering waarbij de volatiliteitsaanpassingen op basis van eigen ramingen
worden vastgesteld (eigen-ramingenbenadering). 5.
Onverminderd de punten 12
tot en met 22 worden, bij de berekening van de “volledig aangepaste waarde van
de post” (E*) met betrekking tot vorderingen die onder een erkende kaderverrekeningsovereenkomst
inzake retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties vallen,
de toe te passen volatiliteitsaanpassingen op de hieronder beschreven wijze berekend,
hetzij volgens de toezichthoudersbenadering, hetzij volgens de
eigen-ramingenbenadering zoals in de punten 35 tot en met 60 betreffende de
uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt beschreven. Voor de
toepassing van de eigen-ramingenbenadering gelden dezelfde voorwaarden en
vereisten als die welke in het kader van de uitgebreide benadering van
financiële zekerheden van toepassing zijn. 6.
De nettopositie in elk
type effect wordt berekend door van de totale waarde van de effecten van dat type
die ingevolge de kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of
verstrekt, de totale waarde van de op grond van die overeenkomst geleende,
gekochte of ontvangen effecten van dat type af te trekken. 7.
Voor de toepassing van
punt 6 wordt onder type effect verstaan, de effecten die door dezelfde entiteit
op dezelfde datum zijn uitgegeven, die dezelfde looptijd hebben en waarvoor
dezelfde voorwaarden en dezelfde liquidatieperiode gelden zoals in de punten 35
tot en met 60 wordt uiteengezet. 8.
De nettopositie in elke
andere valuta dan de vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst
wordt berekend door van de totale waarde van de in die valuta luidende effecten
die ingevolge de kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of
verstrekt, vermeerderd met het in die valuta luidende bedrag in contanten dat
ingevolge de overeenkomst is uitgeleend of overgemaakt, de totale waarde van de
in die valuta luidende effecten af te trekken die ingevolge de overeenkomst
zijn geleend, gekocht of ontvangen, vermeerderd met het bedrag in contanten in
die valuta dat ingevolge de overeenkomst is geleend of ontvangen. 9.
De
volatiliteitsaanpassing die voor een bepaald type effect of kaspositie passend
wordt geacht, wordt toegepast op de positieve of negatieve nettopositie in de
effecten van dat type. 10.
De
volatiliteitsaanpassing in verband met het wisselkoersrisico (fx) wordt
toegepast op de positieve of negatieve nettopositie in iedere andere valuta dan
de vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst. 11.
E* wordt berekend
overeenkomstig de volgende formule: E* = max {0,
[(∑(E) - ∑(C)) + ∑(|nettopositie in elk effect| x Hsec) +
(∑|Efx| x Hfx)]} Wanneer risicogewogen
posten worden berekend overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83, dan is E
de waarde van elke afzonderlijke post ingevolge de overeenkomst die bij
afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn. Wanneer risicogewogen
posten en verwachte verliesposten worden berekend overeenkomstig de artikelen
84 tot en met 89, dan is E de waarde van elke afzonderlijke post ingevolge de
overeenkomst die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn. C is de waarde van de
effecten of grondstoffen die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van de
contanten die zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elk van deze posten. ∑(E) is de som van
alle E’s in het kader van de overeenkomst. ∑(C) is de som van
alle C’s in het kader van de overeenkomst. Efx is de
nettopositie (positief of negatief) in een bepaalde valuta die niet de
vereffeningsvaluta van de overeenkomst is, als berekend overeenkomstig punt 8. Hsec is de
volatiliteitsaanpassing die voor een bepaald type effect passend wordt geacht. Hfx is de
wisselkoers-volatiliteitsaanpassing. E* is de volledig
aangepaste waarde van de post. b) Berekening
volgens de interne-modellenbenadering. 12.
Het kan
kredietinstellingen worden toegestaan om, als alternatief voor de
toezichthoudersbenadering of de eigen-ramingenbenadering, bij de berekening van
de volledig aangepaste waarde van de post (E*) in het kader van de toepassing
van een erkende kaderverrekeningsovereenkomst inzake retrocessieovereenkomsten,
verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en/of andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties met uitzondering van
derivatentransacties, gebruik te maken van een benadering op basis van interne
modellen welke rekening houdt met de correlatie-effecten tussen
effectenposities die onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen evenals met
de liquiditeit van de betrokken instrumenten. De bij deze benadering gebruikte
interne modellen verschaffen ramingen van de potentiële waardewijziging van
niet-gedekte posten (∑E - ∑C). 13.
Een kredietinstelling
mag, ongeacht de keuze die zij voor de berekening van de risicogewogen posten
heeft gemaakt tussen de artikelen 78 tot en met 83 dan wel de artikelen 84
tot en met 89, opteren voor een benadering op basis van interne modellen. Kiest
zij voor deze benadering, dan moet zij deze op alle tegenpartijen en effecten
toepassen, met uitzondering van immateriële portefeuilles, ten aanzien waarvan
zij gebruik kan maken van de toezichthoudersbenadering of van de
eigen-ramingenbenadering op de in de punten 5 tot en met 11
beschreven wijze. 14.
De
interne-modellenbenadering mag worden toegepast door kredietinstellingen
waaraan erkenning is verleend voor het gebruik van een intern risicobeheermodel
overeenkomstig bijlage V van Richtlijn [93/6/EEG]. 15.
Kredietinstellingen die
van de toezichthouder geen erkenning hebben gekregen om overeenkomstig
Richtlijn 93/6/EEG een dergelijk model te gebruiken kunnen met het oog op de
toepassing van deze punten, bij de bevoegde autoriteiten een verzoek indienen
tot erkenning van een intern risicometingsmodel. 16.
Deze erkenning wordt
uitsluitend gegeven indien de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat het
risicobeheersysteem van de kredietinstelling voor het beheer van de risico's
die voortvloeien uit de transacties welke onder de
kaderverrekeningsovereenkomst vallen, qua concept solide is en op integere
wijze wordt toegepast en dat met name aan de volgende kwalitatieve normen wordt
voldaan: a) het interne
risicometingsmodel dat voor de berekening van de potentiële prijsvolatiliteit
van de transacties wordt gehanteerd, is in hoge mate geïntegreerd in het
dagelijkse risicobeheerproces van de kredietinstelling en dient als basis voor
de rapportering van risicoposities en resultaten aan de hoogste directie van de
instelling; b) de
kredietinstelling heeft een afdeling risicobeheersing die onafhankelijk is van
de handelsafdelingen en rechtstreeks rapporteert aan de hoogste directie. De
betrokken afdeling moet belast zijn met het ontwerpen en implementeren van het
risicobeheersysteem van de instelling. Tevens moet deze afdeling dagelijks
rapporten opstellen en analyseren over de uitkomsten van het risicometingsmodel
en over de maatregelen die ter zake van de positielimieten moeten worden
genomen; c) de dagelijkse
rapporten die de afdeling risicobeheersing opstelt, worden beoordeeld door een
directie-echelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de
ingenomen posities of van de totale risicopositie van de instelling op te
leggen; d) de
kredietinstelling beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is in het
gebruik van verfijnde modellen in de afdeling risicobeheersing; e) de
kredietinstelling heeft procedures vastgesteld voor de bewaking van en het doen
naleven van een schriftelijk vastgelegde reeks interne gedragslijnen en
controlevoorschriften, die betrekking hebben op de werking van het
risicometingssysteem als geheel; f) de modellen
van de instelling hebben in het verleden bewezen redelijk accuraat te zijn bij
het meten van risico's, hetgeen kan worden aangetoond door de uitkomsten ervan
achteraf te testen ("back-testing") aan de hand van gegevens over een
periode van ten minste één jaar; g) de
kredietinstelling voert frequent een stringent programma van stresstests uit;
de uitkomsten van de tests worden beoordeeld door de hoogste directie en worden
verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar bepaald worden; h) als onderdeel
van de periodieke interne controle moet de kredietinstelling een onafhankelijke
evaluatie van het risicometingssysteem laten uitvoeren. Deze evaluatie moet
betrekking hebben op de activiteiten van de handelsafdelingen en de
zelfstandige afdeling risicobeheersing; i) ten minste
eenmaal per jaar moet de kredietinstelling een evaluatie uitvoeren van het
algehele risicobeheersproces. 17.
Voor de berekening van de
potentiële waardewijziging gelden de volgende minimumvereisten: a) de potentiële
waardewijziging moet ten minste eenmaal per dag berekend worden; b) een eenzijdig
betrouwbaarheidsinterval van 99%; c) een
liquidatieperiode van ten minste 5 dagen of een equivalent daarvan,
behalve in geval van andere transacties dan retrocessieovereenkomsten of
verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, waarvoor een
liquidatieperiode van 10 dagen of een equivalent daarvan geldt; d) een feitelijke
historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere
waarnemingsperiode gerechtvaardigd is op grond van een aanmerkelijke toename van
de prijsvolatiliteit; e) driemaandelijkse
bijwerking van het gegevensbestand. 18.
De bevoegde autoriteiten
verlangen dat het interne risicometingsmodel een voldoende aantal
risicofactoren bestrijkt om alle wezenlijke koersrisico's te ondervangen. 19.
De bevoegde autoriteiten
kunnen kredietinstellingen toestaan, binnen risicocategorieën en tussen
uiteenlopende risicocategorieën, empirische correlaties te hanteren indien zij
ervan overtuigd zijn dat het systeem waarmee de instelling de correlaties meet,
solide is en op integere wijze wordt toegepast. 20.
Een kredietinstelling die
gebruik maakt van de interne-modellenbenadering wordt verplicht de resultaten
van het model achteraf te testen op grond van een steekproef van
20 tegenpartijen die op jaarbasis worden vastgesteld. Tot deze
tegenpartijen behoren de 10 grootste tegenpartijen die door de instelling
op grond van haar eigen risicometingsbenadering zijn bepaald, en 10 andere
willekeurig gekozen tegenpartijen. De kredietinstelling vergelijkt dagelijks en
voor elke tegenpartij de feitelijke waardewijziging van de vordering op de
tegenpartij gedurende één dag met de op basis van de interne-modellenbenadering
geraamde waardewijziging van de vordering, berekend aan het einde van de vorige
werkdag. Er is sprake van een uitzondering wanneer de feitelijke
waardewijziging de raming van het interne model overschrijdt. Afhankelijk van
het aantal uitzonderingen in de waarnemingen voor de 20 tegenpartijen
gedurende de laatste 250 werkdagen (in totaal 5000 waarnemingen) moet de
geraamde waarde van het interne model worden verhoogd met de in tabel 1
genoemde vermenigvuldigingsfactor. Tabel 1 Zone || Aantal uitzonderingen || Vermeningvuldi-gingsfactor Groene Zone || 0-99 || 1 || 100-119 || 1,13 || 120-139 || 1,17 Gele Zone || 140-159 || 1,22 || 160-179 || 1,25 || 180-199 || 1,28 Rode Zone || 200 of meer || 1,33 In het kader van de
back-testing bevestigt de kredietinstelling dat de uitzonderingen niet
geconcentreerd zijn in haar vorderingen op een of meer tegenpartijen. 21.
De volledig aangepaste
waarde van de post (E*) voor kredietinstellingen die gebruik maken van de
interne-modellenbenadering wordt berekend op basis van de volgende formule: E* = max {0, [(∑E
- ∑C) + (geraamde uitkomst van de interne modellen x toepasselijke
vermenigvuldigingsfactor)]} Wanneer risicogewogen
posten worden berekend overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83, dan is E
de waarde van elke afzonderlijke post ingevolge de overeenkomst die bij
afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn. Wanneer risicogewogen
posten en de verwachte verliesposten worden berekend overeenkomstig de
artikelen 84 tot en met 89, dan is E de waarde van elke afzonderlijke post ingevolge
de overeenkomst die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou
zijn. C is de actuele
marktwaarde van de effecten die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van
de contanten die zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elk van deze
posten. ∑(E) is de som van
alle E’s in het kader van de overeenkomst. ∑(C) is de som van
alle C’s in het kader van de overeenkomst. 22.
Bij de berekening van
kapitaalvereisten op basis van interne modellen maken kredietinstellingen
gebruik van de modeluitkomsten van de voorgaande werkdag.
1.3.2.
Berekening van
risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor retrocessieovereenkomsten
en/of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en/of andere
kapitaalmarktgerelateerde transacties die onder kaderverrekeningsovereenkomsten
vallen.
Standaardbenadering 23.
E*, als berekend
overeenkomstig de punten 5 tot en met 22, wordt met het oog op de toepassing
van artikel 80 beschouwd als de waarde van de vordering op de tegenpartij welke
voortvloeit uit de transacties die onder de kaderverrekeningsovereenkomst
vallen. Elementaire
interne-ratingbenadering 24.
E*, als berekend
overeenkomstig de punten 5 tot en met 22, wordt met het oog op de toepassing
van bijlage VII beschouwd als de waarde van de vordering op de tegenpartij
welke voortvloeit uit de transacties die onder de kaderverrekeningsovereenkomst
vallen.
1.4.
Financiële zekerheden
1.4.1.
Eenvoudige benadering van
financiële zekerheden
25.
De eenvoudige benadering
van financiële zekerheden mag slechts worden toegepast indien de risicogewogen
posten overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden berekend. Een
kredietinstelling mag niet zowel de eenvoudige benadering van financiële
zekerheden als de uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepassen. Waardering 26.
Volgens deze methode
wordt aan erkende financiële zekerheden een waarde toegekend die gelijk is aan
hun marktwaarde zoals vastgesteld overeenkomstig deel 2, punt 6. De berekening van
risicogewogen posten 27.
Het risicogewicht dat
overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 van toepassing zou zijn indien de
kredietgever een rechtstreekse positie in het zekerheidsinstrument had, is van
toepassing op die gedeelten van vorderingen die door de marktwaarde van erkende
zekerheden zijn gedekt. Het risicogewicht dat van toepassing is op het door
zekerheden gedekte gedeelte bedraagt ten minste 20%, behalve in de in de punten
28 tot en met 30 gespecificeerde gevallen. Aan het resterende gedeelte van de
vordering wordt het risicogewicht toegekend dat overeenkomstig de artikelen 78
tot en met 83 van toepassing zou zijn op een niet-gedekte vordering op de
tegenpartij. Retrocessieovereenkomsten
en verstrekte of opgenomen effectenleningen 28.
Op het door zekerheden
gedekte gedeelte van de vordering welke voortvloeit uit transacties die voldoen
aan de in de punten 59 en 60 genoemde criteria wordt een risicogewicht van 0%
toegepast. Indien de tegenpartij bij de transactie geen kerndeelnemer aan de
markt is wordt een risicogewicht van 10% toegepast. Transacties in
OTC-derivaten die dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd 29.
Op de overeenkomstig
bijlage III vastgestelde waarde van de in bijlage IV opgesomde afgeleide
instrumenten die dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd en die gedekt
worden door zekerheden in de vorm van contanten of door met contanten gelijk te
stellen instrumenten waarbij geen sprake is van een valutamismatch wordt,
naargelang van de reikwijdte van de zekerheidsstelling, een risicogewicht van
0% toegepast. Op de waarde van transacties die gedekt worden door zekerheden in
de vorm van door centrale overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels
waaraan overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0%
wordt toegekend wordt, naargelang van de reikwijdte van de zekerheidsstelling,
een risicogewicht van 10% toegepast. Voor de toepassing van
dit punt wordt onder "schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of
centrale banken" verstaan: a) schuldtitels
uitgegeven door regionale of lagere overheden indien de vorderingen op deze
overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als
vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn; b) schuldtitels
uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waarop overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% van toepassing is; c) schuldtitels
uitgegeven door internationale organisaties waaraan overeenkomstig de artikelen
78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegekend. Overige transacties 30.
Een risicogewicht van 0%
mag worden toegepast wanneer de vordering en de zekerheid in dezelfde valuta
luiden en indien de zekerheid a) ofwel een
termijndeposito of een met contanten gelijk te stellen instrument is; b) ofwel de vorm
heeft van door centrale overheden of centrale banken uitgegeven schuldtitels
die overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 in aanmerking komen voor een
risicogewicht van 0%, en de marktwaarde van deze zekerheid met 20% is verlaagd. Voor de toepassing van
dit punt worden onder "schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of
centrale banken" ook de schuldtitels verstaan die in de vorige rubriek
worden genoemd.
1.4.2.
Uitgebreide benadering
van financiële zekerheden
31.
Bij de waardering van
financiële zekerheden in het kader van de uitgebreide benadering van financiële
zekerheden worden "volatiliteitsaanpassingen" op de marktwaarde van
zekerheden toegepast, zoals in de punten 35 tot en met 60 hieronder wordt
uiteengezet, om rekening te houden met de prijsvolatiliteit. 32.
Wanneer een zekerheid in
een andere valuta luidt dan die van de onderliggende vordering wordt, behoudens
de in punt 33 aan de orde komende behandeling voor valutamismatches in het
geval van transacties in OTC-derivaten, een aanpassing voor valutavolatiliteit
verricht naast de volatiliteitsaanpassing die passend wordt geacht voor de
desbetreffende zekerheid overeenkomstig de punten 35 tot en met 60. 33.
In het geval van
transacties in OTC-derivaten in het kader van door de bevoegde autoriteiten
overeenkomstig bijlage III erkende verrekeningsovereenkomsten wordt een
aanpassing voor valutavolatiliteit verricht indien er sprake is van een
mismatch tussen de valuta van de zekerheid en de vereffeningsvaluta. Ook indien
de transacties ingevolge de verrekeningsovereenkomst in meerdere valuta’s
worden uitgevoerd, wordt slechts één volatiliteitsaanpassing toegepast. a) Berekening
van aangepaste waarden 34.
Ten aanzien van alle
transacties, met uitzondering van die welke worden verricht uit hoofde van
erkende kaderverrekeningsovereenkomsten waarop de bepalingen van de punten 5
tot en met 24 van toepassing zijn, wordt de voor volatiliteit gecorrigeerde
waarde van de zekerheid die in aanmerking moet worden genomen als volgt
berekend: CVA = C x
(1-HC-HFX) De voor volatiliteit
gecorrigeerde waarde van de post die in aanmerking moet worden genomen wordt
als volgt berekend: EVA = E x
(1+HE), en in geval van transacties in OTC-derivaten EVA =
E. De volledig aangepaste
waarde van de post, waarin zowel de volatiliteit als het risicoverminderende
effect van de zekerheid in aanmerking worden genomen, wordt als volgt berekend: E* = max {0, [EVA -
CVAM]} waarbij E de waarde van de post
is zoals deze overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 dan wel de artikelen
84 tot en met 89, naargelang van het geval, zou worden vastgesteld indien de
positie niet door zekerheden was gedekt; EVA de voor
volatiliteit gecorrigeerde waarde van de post is; CVA de voor
volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid is; CVAM gelijk
is aan CVA, aangepast voor een eventueel looptijdverschil
overeenkomstig de bepalingen van deel 4. HE de
volatiliteitsaanpassing is die voor de positie (E) passend wordt geacht,
berekend overeenkomstig de punten 35 tot en met 60. HC de
volatiliteitsaanpassing is die voor de zekerheid passend wordt geacht, berekend
overeenkomstig de punten 35 tot en met 60. HFX de
volatiliteitsaanpassing is die voor een valutamismatch passend wordt geacht,
berekend overeenkomstig de punten 35 tot en met 60. E* de volledig
aangepaste waarde van de post is, waarin de volatiliteit en het
risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking zijn genomen. b) Berekening
van volatiliteitsaanpassingen 35.
Volatiliteitsaanpassingen
kunnen op twee wijzen worden berekend: volgens de benadering waarbij de
volatiliteitsaanpassingen door de toezichthouder worden vastgesteld (de
“toezichthoudersbenadering”) en volgens de benadering waarbij de
volatiliteitsaanpassingen op basis van eigen ramingen worden vastgesteld (de
"eigen-ramingenbenadering”). 36.
Een kredietinstelling mag
gebruik maken van de toezichthoudersbenadering of van de
eigen-ramingenbenadering ongeacht of zij voor de berekening van de
risicogewogen posten heeft gekozen voor de artikelen 78 tot en met 83 dan
wel voor de artikelen 84 tot en met 89. Indien een kredietinstelling evenwel
gebruik wenst te maken van de eigen-ramingenbenadering, moet zij zulks doen
voor alle soorten instrumenten, met uitzondering van immateriële portefeuilles
waarbij zij wel gebruik mag maken van de toezichthoudersbenadering. Wanneer de zekerheid uit
een aantal erkende bestanddelen bestaat, is de volatiliteitsaanpassing waarbij
ai het gedeelte van een bestanddeel ten
opzichte van de zekerheid als geheel weergeeft en Hi
de volatiliteitsaanpassing is die op dat bestanddeel van toepassing is. i) Door
de toezichthouder vastgestelde volatiliteitsaanpassingen 37.
De
volatiliteitsaanpassingen die op grond van de toezichthoudersbenadering moeten
worden verricht (waarbij wordt uitgegaan van een dagelijkse herwaardering) zijn
in de tabellen 2 tot en met 5 weergegeven. VOLATILITEITSAANPASSINGEN Tabel 2 Krediet-kwaliteits-categorie waarin de krediet-beoordeling van de schuldtitel is onder-gebracht || Reste-rende looptijd || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, punt 7, onder b) || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, punt 7, onder c) en d) || || liquida-tie-periode van 20 dagen (%) || liquida-tie-periode van 10 dagen (%) || liquida-tie-periode van 5 dagen (%) || liquidatie-periode van 20 dagen (%) || liquida-tie-periode van 10 dagen (%) || liquidatie-periode van 5 dagen (%) 1 || ≤ 1 jaar || 0,707 || 0,5 || 0,354 || 1,414 || 1 || 0,707 || >1 ≤ 5 jaar || 2,828 || 2 || 1,414 || 5,657 || 4 || 2,828 || > 5 jaar || 5,657 || 4 || 2,828 || 11,314 || 8 || 5,657 2-3 || ≤ 1 jaar || 1,414 || 1 || 0,707 || 2,828 || 2 || 1,414 || >1 ≤ 5 jaar || 4,243 || 3 || 2,121 || 8,485 || 6 || 4,243 || > 5 jaar || 8,485 || 6 || 4,243 || 16,971 || 12 || 8,485 4 || ≤ 1 jaar || 21,213 || 15 || 10,607 || nvt || nvt || nvt || >1 ≤ 5 jaar || 21,213 || 15 || 10,607 || nvt || nvt || nvt || > 5 jaar || 21,213 || 15 || 10,607 || nvt || nvt || nvt Tabel 3 Krediet-kwaliteits-categorie waarin de krediet-beoordeling van een kortlopende schuldtitel is ondergebracht || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, punt 7, onder b), met kredietbeoordelingen voor de korte termijn || Volatiliteitsaanpassingen voor schuldtitels, uitgegeven door entiteiten als beschreven in deel 1, punt 7, onder c) en d), met kredietbeoordelingen voor de korte termijn || liquidatie-periode van 20 dagen (%) || liquidatie-periode van 10 dagen (%) || liquidatie-periode van 5 dagen (%) || liquidatie-periode van 20 dagen (%) || liquidatie-periode van 10 dagen (%) || liquidatie-periode van 5 dagen (%) 1 || 0,707 || 0,5 || 0,354 || 1,414 || 1 || 0,707 2-3 || 1,414 || 1 || 0,707 || 2,828 || 2 || 1,414 Tabel 4 Andere typen zekerheden of vorderingen || liquidatieperiode van 20 dagen (%) || liquidatieperiode van 10 dagen (%) || liquidatieperiode van 5 dagen (%) In een hoofdindex opgenomen aandelen en converteerbare obligaties || 21,213 || 15 || 10,607 Andere aan een erkende beurs genoteerde aandelen of converteerbare obligaties || 35,355 || 25 || 17,678 Contanten || 0 || 0 || 0 Goud || 21,213 || 15 || 10,607 Tabel 5 Volatiliteitsaanpassing voor valutamismatch liquidatieperiode van 20 dagen (%) || liquidatieperiode van 20 dagen (%) || liquidatieperiode van 5 dagen (%) 11,314 || 8 || 5,657 38.
Voor gedekte
leningstransacties geldt een liquidatieperiode van 20 werkdagen. Voor
retrocessieovereenkomsten (behalve indien deze betrekking hebben op de
overdracht van grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van
grondstoffen) en verstrekte of opgenomen effectenleningen geldt een
liquidatieperiode van 5 werkdagen. Voor andere kapitaalmarktgerelateerde
transacties geldt een liquidatieperiode van 10 werkdagen. 39.
In
de tabellen 2 tot en met 5 en in de punten 40 tot en met 42 wordt onder de
kredietkwaliteitscategorie waarin een kredietbeoordeling van een schuldtitel is
ondergebracht, de kredietkwaliteitscategorie verstaan waarin de
kredietbeoordeling volgens de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 moet worden ondergebracht. Ook deel 1, punt 10,
is in dit verband van toepassing. 40.
Op niet-toelaatbare
effecten of grondstoffen die in het kader van retrocessieovereenkomsten zijn
uitgeleend of verkocht en op verstrekte of opgenomen effecten- of
grondstoffenleningen wordt dezelfde volatiliteitsaanpassing toegepast als op
aandelen die aan een erkende beurs zijn genoteerd doch die niet in de
hoofdindex zijn opgenomen. 41.
Op toelaatbare rechten
van deelneming in instellingen voor collectieve belegging is de hoogste
volatiliteitsaanpassing van toepassing die, gelet op de in punt 38 genoemde
liquidatieperiode van de transactie, van toepassing zou zijn op activa waarin
het fonds mag beleggen. 42.
Op door instellingen
uitgegeven schuldtitels zonder externe rating, die voldoen aan de
toelaatbaarheidscriteria van deel 1, punt 8, zijn dezelfde volatiliteitsaanpassingen
van toepassing als die welke van toepassing zijn op door instellingen of
ondernemingen uitgegeven effecten waarvan de externe kredietbeoordeling in
kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is ondergebracht. ii) Volatiliteitsaanpassingen
op basis van eigen ramingen 43.
De bevoegde autoriteiten
kunnen kredietinstellingen die aan de in de punten 48 tot en met 57 genoemde
vereisten voldoen, toestaan voor de berekening van de op zekerheden en
vorderingen toe te passen volatiliteitsaanpassingen gebruik te maken van eigen
ramingen. 44.
Wanneer schuldtitels door
een erkende EKBI van goede kwaliteit ("investment grade" of hoger)
worden geacht, kunnen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen toestaan
voor elke categorie effecten een volatiliteitsraming te maken. 45.
Bij de vaststelling van
de relevante categorieën houden de kredietinstellingen rekening met de
instelling die de effecten uitgeeft, evenals met de externe kredietbeoordeling,
de resterende looptijd en de gewijzigde duration van de effecten.
Volatiliteitsramingen moeten representatief zijn voor de effecten die door de
kredietinstelling bij een bepaalde categorie zijn ingedeeld. 46.
Voor schuldtitels die
door een erkende EKBI van minder goede kwaliteit worden geacht ("below
investment grade") en voor andere toelaatbare zekerheden moeten de
volatiliteitsaanpassingen voor elke post afzonderlijk worden berekend. 47.
Kredietinstellingen die
gebruik maken van de benadering op basis van eigen ramingen moeten de
volatiliteit van de zekerheid of de valutamismatch ramen zonder rekening te
houden met eventuele correlaties tussen de niet-gedekte vordering, de
zekerheden en/of de wisselkoers. Kwantitatieve criteria 48.
Bij de berekening van de
volatiliteitsaanpassingen wordt een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99%
gehanteerd. 49.
De liquidatieperiode
bedraagt 20 werkdagen voor gedekte leningstransacties, 5 werkdagen voor
retrocessieovereenkomsten behalve indien dergelijke transacties de overdracht
van grondstoffen of van gegarandeerde rechten inzake de eigendom van
grondstoffen en het opnemen of verstrekken van effectenleningen omvatten, en 10
werkdagen voor andere kapitaalmarktgerelateerde transacties. 50.
Kredietinstellingen
kunnen de volatiliteitsaanpassingscijfers die zij voor kortere of langere
liquidatieperioden hebben berekend, ‘converteren’ naar de liquidatieperiode als
bedoeld in punt 49 voor de desbetreffende soort transactie op basis van de
wortel/tijd-formule: waarbij TM de
relevante liquidatieperiode is; HM de
volatiliteitsaanpassing overeenkomstig de relevante liquidatieperiode is, en HN de
volatiliteitsaanpassing is op basis van de liquidatieperiode TN. 51.
Kredietinstellingen
houden rekening met de illiquiditeit van activa van minder goede kwaliteit. De
liquidatieperiode wordt naar boven bijgesteld indien er twijfels bestaan over de
liquiditeit van de zekerheid. Verder gaan zij na of historische gegevens
wellicht de potentiële volatiliteit onderschatten, bijvoorbeeld in het geval
van een valuta die aan een ankervaluta gekoppeld is. Deze gevallen moeten aan
een stressscenario worden onderworpen. 52.
De historische
waarnemingsperiode (steekproefperiode) voor het berekenen van
volatiliteitsaanpassingen bedraagt ten minste één jaar. Voor
kredietinstellingen die gebruik maken van weging of andere methoden in plaats
van de historische waarnemingsperiode, bedraagt de feitelijke
waarnemingsperiode ten minste één jaar (d.w.z. het gewogen gemiddelde interval
tussen de afzonderlijke waarnemingen mag niet minder dan zes maanden bedragen).
De bevoegde autoriteiten kunnen tevens verlangen dat een kredietinstelling bij
de berekening van haar volatiliteitsaanpassingen een kortere waarnemingsperiode
hanteert indien zij van mening zijn dat dit op grond van een aanmerkelijke
toename van de prijsvolatiliteit gerechtvaardigd is. 53.
Kredietinstellingen
werken hun gegevensbestanden ten minste eens per drie maanden bij en herzien
deze gegevens eveneens wanneer de marktprijzen significante wijzigingen
ondergaan. Dit houdt in dat volatiliteitsaanpassingen ten minste eens per drie
maanden worden berekend. Kwalitatieve criteria 54.
De volatiliteitsramingen
worden in het dagelijkse risicobeheer van de kredietinstelling gebruikt, ook
met betrekking tot haar interne positielimieten. 55.
Indien de
liquidatieperiode die door de kredietinstelling bij haar dagelijkse
risicobeheer wordt toegepast langer is dan die welke in dit deel voor het
desbetreffende soort transactie wordt aangegeven, dan worden de
volatiliteitsaanpassingen van de instelling verhoogd op basis van de
wortel/tijd-formule als bedoeld in punt 50. 56.
De kredietinstelling beschikt
over procedures voor de bewaking en het doen naleven van een schriftelijk
vastgelegde reeks interne gedragslijnen en controlevoorschriften inzake de
werking van het door haar toegepaste systeem voor de raming van
volatiliteitsaanpassingen en voor de integratie van deze ramingen in het
risicobeheer van de instelling. 57.
In het kader van de eigen
interne-controleprocedure van de kredietinstelling wordt periodiek een
onafhankelijke evaluatie uitgevoerd van het door de instelling toegepaste
systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen. Ten minste éénmaal per
jaar voert de instelling een evaluatie uit van het algehele systeem voor de
raming van volatiliteitsaanpassingen en voor de integratie van deze
aanpassingen in haar risicobeheerprocedure. Deze evaluatie betreft ten minste: a) de integratie
van de geraamde volatiliteitsaanpassingen in het dagelijkse risicobeheer; b) de validering
van eventuele significante wijzigingen in de voor de raming van de
volatiliteitsaanpassingen gevolgde procedure; c) de verificatie
van de consistentie, actualiteit en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die
in het kader van het systeem voor de raming van volatiliteitsaanpassingen
gebruikt worden, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen; en d) de accuraatheid
en juistheid van de aannames over volatiliteit. iii) Verhoging
van volatiliteitsaanpassingen 58.
De
volatiliteitsaanpassingen als bedoeld in de punten 37 tot en met 42 moeten
worden toegepast in geval van dagelijkse herwaardering. Evenzo moeten volatiliteitsaanpassingen
die door een kredietinstelling overeenkomstig de punten 43 tot en met 57 met
gebruikmaking van eigen ramingen worden berekend, in eerste instantie worden
berekend op basis van dagelijkse herwaardering. Geschiedt de herwaardering op
minder frequente basis dan eenmaal per dag, dan moeten de
volatiliteitsaanpassingen groter zijn. Zij worden berekend door de
volatiliteitsaanpassingen bij dagelijkse herwaardering te verhogen op basis van
de volgende wortel/tijd-formule: waarbij H de toe te passen
volatiliteitsaanpassing is; HM de
volatiliteitsaanpassing is bij dagelijkse herwaardering; NR het
feitelijke aantal werkdagen is tussen twee herwaarderingen, en TM de
liquidatieperiode voor het desbetreffende soort transactie is. iv) Voorwaarden
voor de toepassing van een volatiliteitsaanpassing van 0% 59.
Met betrekking tot
retrocessieovereenkomsten en verstrekte of opgenomen effectenleningen kunnen de
bevoegde autoriteiten kredietinstellingen die gebruik maken van de
toezichthoudersbenadering of van de eigen-ramingenbenadering, mits aan de onder
a) tot en met h) bedoelde voorwaarden is voldaan, toestaan om, in plaats van de
volatiliteitsaanpassingen overeenkomstig de punten 35 tot en met 58 te
berekenen, een volatiliteitsaanpassing van 0% toe te passen. Kredietinstellingen
die de in de punten 12 tot en met 22 beschreven interne-modellenbenadering
toepassen kunnen niet van deze mogelijkheid gebruik maken. a) Zowel de
positie als de zekerheid neemt de vorm aan van contanten of effecten die onder
deel 1, punt 7, onder b) vallen; b) zowel de
positie als de zekerheid luiden in dezelfde valuta; c) de looptijd van
de transactie bedraagt niet meer dan één dag, of zowel de positie als de
zekerheid worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd of zijn het voorwerp
van dagelijkse margestortingen; d) de tijd die
verstrijkt tussen de laatste waardering tegen marktwaarde vóór het uitblijven
van een margestorting door de tegenpartij en de liquidatie van de zekerheid
beloopt ten hoogste vier werkdagen; e) de transactie
wordt afgewikkeld via een afwikkelingssysteem dat voor dat soort transactie
betrouwbaar is gebleken; f) de
documentatie met betrekking tot de overeenkomst is standaard- marktdocumentatie
voor retrocessieovereenkomsten of voor het verstrekken of opnemen van leningen
in de desbetreffende effecten; g) op de
transactie is documentatie van toepassing waarin wordt bepaald dat indien de
tegenpartij verzuimt om te voldoen aan de verplichting om contanten of effecten
over te dragen of om bij te storten bij onvoldoende marge of anderszins in
gebreke blijft, de transactie onmiddellijk opzegbaar is; h) de tegenpartij
wordt door de bevoegde autoriteiten als "kerndeelnemer aan de markt"
beschouwd. "Kerndeelnemers aan de markt" kunnen de volgende
entiteiten omvatten: –
entiteiten als bedoeld in
deel 1, punt 7, onder b), aan de vorderingen waarop een risicogewicht van 0%
wordt toegekend overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83; –
instellingen; –
andere financiële
ondernemingen (met inbegrip van verzekeringsondernemingen), aan de vorderingen
waarop een risicogewicht van 20% wordt toegekend overeenkomstig de artikelen 78
tot en met 83 of die, indien zij kredietinstellingen zijn die risicogewogen
posten en verwachte verliesposten overeenkomstig de artikelen 83 tot en met 89
berekenen, geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI hebben en waarvan
volgens de interne rating de kans op wanbetaling gelijk is aan die welke in het
kader van de kredietbeoordelingen van EKBI's volgens de bevoegde autoriteiten
moet worden ondergebracht bij kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger conform de
voorschriften inzake de risicoweging van vorderingen op ondernemingen
overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83; –
gereguleerde instellingen
voor collectieve belegging die aan kapitaalvereisten of vereisten inzake de
verhouding eigen/vreemd vermogen zijn onderworpen; –
gereguleerde
pensioenfondsen; en –
erkende
clearinginstellingen. 60.
Wanneer een bevoegde
autoriteit toestaat dat de in punt 59 bedoelde behandeling wordt toegepast op
retrocessieovereenkomsten of verstrekte of opgenomen leningen in door de
nationale overheid uitgegeven effecten, dan kunnen andere bevoegde autoriteiten
ervoor opteren de in hun rechtsgebied gevestigde kredietinstellingen toe te
staan deze transacties op dezelfde wijze te behandelen. c) Berekening
van risicogewogen posten en verwachte verliesposten Standaardbenadering 61.
E* als berekend op de in
punt 34 beschreven wijze, wordt als waarde van de post beschouwd voor de
toepassing van artikel 80. Elementaire
interne-ratingbenadering 62.
LGD* (het effectieve
verlies bij wanbetaling), als berekend op de in dit punt beschreven wijze,
wordt als LGD beschouwd voor de toepassing van bijlage VII. LGD* = Max {0, LGD x
[(E*/E]} waarbij LGD het verlies bij
wanbetaling is dat overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 op de vordering
van toepassing zou zijn indien de vordering niet door zekerheden was gedekt; E de waarde van de post
is overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89; E* de waarde van de post
is als berekend op de in punt 34 beschreven wijze.
1.5.
Overige toelaatbare
zekerheden met het oog op de toepassing van de artikelen 84 tot en met 89
1.5.1.
Waardering
a) Zekerheden
in de vorm van onroerend goed 63.
De waarde van het goed
wordt door een onafhankelijke schatter vastgesteld op of onder de marktwaarde.
In lidstaten die in hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strenge
criteria voor de berekening van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld mag de
waarde van het goed echter door een onafhankelijke schatter worden vastgesteld
op of onder de hypotheekwaarde. 64.
Onder marktwaarde wordt
verstaan het geraamde bedrag waartegen het goed op de dag van de taxatie door
een willige verkoper op marktconforme wijze zou kunnen worden verkocht aan een
willige en onafhankelijke koper na een deugdelijke verkoopprocedure waarbij elk
van de partijen met kennis van zaken, voorzichtig en zonder dwang heeft
gehandeld. De marktwaarde wordt op doorzichtige en heldere wijze
gedocumenteerd. 65.
Onder hypotheekwaarde
wordt verstaan de waarde van het goed die is vastgesteld op grond van een voorzichtige
prognose van de toekomstige verhandelbaarheid van het goed, rekening houdend
met duurzame langetermijnaspecten van het goed, de normale en plaatselijke
marktvoorwaarden, het gebruik dat op dit ogenblik van het goed wordt gemaakt en
eventueel andere doeleinden waarvoor het geschikt is. Speculatieve factoren
mogen niet in de hypotheekwaarde worden verrekend. De hypotheekwaarde wordt op
doorzichtige en heldere wijze gedocumenteerd. 66.
De waarde van de
zekerheid is de marktwaarde of de hypotheekwaarde, zo nodig verlaagd naargelang
van de resultaten van de overeenkomstig deel 2, punt 8, vereiste
controle en om rekening te houden met de eventuele eerdere aanspraken op het
goed. b) Kortlopende
vorderingen 67.
De waarde van kortlopende
vorderingen is het te ontvangen bedrag. c) Andere
materiële zekerheden 68.
Het goed wordt tegen
marktwaarde gewaardeerd - dit is het geraamde bedrag waartegen het goed op de
dag van de taxatie door een willige verkoper op marktconforme wijze zou kunnen
worden verkocht aan een willige en onafhankelijke koper.
1.5.2.
Berekening van
risicogewogen posten en verwachte verliesposten
a) Algemene
behandeling 69.
LGD* (het effectieve
verlies bij wanbetaling), berekend op de in de punten 70 tot en met 73
beschreven wijze, wordt als LGD beschouwd voor de toepassing van
bijlage VII. 70.
Wanneer de ratio van de
waarde van de zekerheid (C) ten opzichte van de waarde van de post (E) lager is
dan een bepaalde drempelwaarde van C* (het vereiste minimumniveau van de
zekerheidsstelling van de vordering) als bedoeld in tabel 6, dan is LGD* de in
bijlage VII bedoelde LGD voor niet door zekerheden gedekte vorderingen op de
tegenpartij. 71.
Wanneer de ratio van de
waarde van de zekerheid ten opzichte van de waarde van de post hoger is dan een
tweede, hogere drempelwaarde van C** (d.w.z. het vereiste niveau van
zekerheidsstelling om volledig in aanmerking te worden genomen bij de
berekening van de LGD) als vermeld in tabel 6, dan is LGD* de in de
hiernavolgende tabel weergegeven LGD. 72.
In dit verband geldt dat
wanneer het vereiste niveau van zekerheidsstelling C** niet wordt bereikt ten
aanzien van de vordering als geheel, de vordering als twee vorderingen moet
worden beschouwd – het gedeelte waarvoor het vereiste niveau van
zekerheidsstelling C** is bereikt en het resterende gedeelte. 73.
In tabel 6 worden de
toepasselijke LGD* en de vereiste niveaus van zekerheidsstelling voor de
gedekte gedeelten van de vorderingen weergegeven: Tabel 6 Minimum LGD voor het
gedekte gedeelte van de vorderingen || LGD* voor niet-achtergestelde schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen || LGD* voor achtergestelde schuld-vorderingen of voorwaardelijke vorderingen || Vereist minimumniveau van de zekerheidsstelling van de vordering (C*) || Vereist minimumniveau van de zekerheidsstelling van de vordering (C**) Kortlopende vorderingen || 35% || 65% || 0% || 125% Niet-zakelijk/ zakelijk onroerend goed || 35% || 65% || 30% || 140% Overige zekerheden || 40% || 70% || 30% || 140% Bij wijze van
uitzondering mogen de bevoegde autoriteiten, tot en met
31 december 2012, naargelang van de aangegeven niveaus van
zekerheidsstelling: a) kredietinstellingen
toestaan een LGD van 30% toe te kennen aan niet-achtergestelde vorderingen in
de vorm van de leasing van zakelijk onroerend goed; en b) kredietinstellingen
toestaan een LDG van 35% toe te kennen aan niet-achtergestelde vorderingen in
de vorm van de leasing van uitrusting. Aan het eind van deze
periode wordt deze uitzondering opnieuw onderzocht. b) Alternatieve
behandeling van zekerheden in de vorm van onroerend goed 74.
Onverminderd de in de
voorgaande punten en punt 75 bedoelde vereisten kunnen de bevoegde autoriteiten
van een lidstaat kredietinstellingen toestaan om, in plaats van de in de punten
69 tot en met 73 beschreven behandeling, een risicogewicht van 50% toe te
passen op het gedeelte van de vordering dat volledig gedekt is door
niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van de
lidstaat bevindt, indien zij kunnen aantonen dat de desbetreffende markten goed
ontwikkeld zijn en reeds geruime tijd bestaan en dat de verliescijfers die uit
door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed gedekte leningen voortvloeien,
aan de volgende voorwaarden voldoen: (a) ten hoogste 50%
van de marktwaarde (of, in voorkomend geval en indien dit bedrag lager uitvalt,
60% van de hypotheekwaarde) mag niet meer zijn dan 0,3% van de in een gegeven
jaar uitstaande leningen op niet-zakelijk en/of zakelijk onroerend goed; (b) de totale
verliezen op leningen gedekt door niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed
mogen niet hoger zijn dan 0,5% van de in een bepaald jaar uitstaande leningen
die door dat type onroerend goed worden gedekt. 75.
Indien in een bepaald
jaar niet aan een van de in punt 74 genoemde voorwaarden wordt voldaan, komt
deze behandeling niet meer voor toepassing in aanmerking totdat in een volgend
jaar opnieuw aan de voorwaarden wordt voldaan. 76.
Wanneer de bevoegde
autoriteiten de in punt 74 beschreven behandeling niet toestaan, kunnen zij
kredietinstellingen toestaan de in het kader van deze behandeling geoorloofde
risicogewichten toe te passen op vorderingen die gedekt zijn door niet-zakelijk
of zakelijk onroerend goed die zich op het grondgebied van de lidstaten
bevinden waarvan de bevoegde autoriteiten deze behandeling wel toestaan, mits
aan de in die lidstaat toepasselijke voorwaarden wordt voldaan.
1.6.
De berekening van
risicogewogen posten en verwachte verliesposten bij gemengde pools van
zekerheden
77.
Wanneer risicogewogen
posten en verwachte verliesposten overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89
worden berekend, en een vordering zowel door financiële zekerheden als door
andere toelaatbare zekerheden wordt gedekt, wordt de LGD* (het effectieve
verlies bij wanbetaling) dat voor de toepassing van bijlage VII als LGD moet
worden beschouwd, als volgt berekend. 78.
De kredietinstelling
wordt verplicht de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de vordering
(d.w.z. de waarde na de toepassing van de volatiliteitsaanpassing als
beschreven in punt 34) op te splitsen, waarbij elk deel door slechts één type
zekerheid wordt gedekt. Dit houdt in dat de kredietinstelling de vordering moet
opsplitsen in een gedeelte dat gedekt wordt door toelaatbare financiële
zekerheden, een gedeelte dat gedekt wordt door kortlopende vorderingen, de
gedeelten die worden gedekt door zekerheden in de vorm van zakelijk en/of
niet-zakelijk onroerend goed, het gedeelte dat gedekt wordt door overige
toelaatbare zekerheden, en het ongedekte gedeelte, naargelang van het geval. 79.
De LGD* wordt voor elk
gedeelte van de vordering afzonderlijk berekend overeenkomstig de relevante
bepalingen van deze bijlage.
1.7.
Overige volgestorte
kredietprotectie
1.7.1.
Bij derde instellingen
aangehouden deposito’s
80.
Wanneer aan de in deel 2,
punt 12, gestelde voorwaarden is voldaan mag kredietprotectie als bedoeld in
deel 1, punt 23, worden behandeld als een garantie van de derde instelling.
1.7.2.
Aan leningverstrekkende
kredietinstellingen in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten
81.
Wanneer aan de in deel 2,
punt 13, gestelde voorwaarden is voldaan mag kredietprotectie als bedoeld in
deel 1, punt 24, worden behandeld als een garantie van de onderneming die de
levensverzekering verstrekt. De waarde van de toelaatbare kredietprotectie is
de afkoopwaarde van de levensverzekeringspolis.
1.7.3.
Op verzoek teruggekochte
instrumenten van instellingen
82.
Instrumenten die op grond
van deel 1, punt 25, toelaatbaar zijn kunnen door de uitgevende instelling als
garantie worden behandeld. 83.
In dit verband is de
waarde van de erkende kredietprotectie als volgt: a) wanneer het
instrument wordt teruggekocht tegen de nominale waarde, is de waarde van de
protectie gelijk aan dat bedrag; b) wanneer het
instrument wordt teruggekocht tegen de marktprijs, is de waarde van de
protectie gelijk aan de waarde van het instrument; deze waarde wordt op
dezelfde wijze vastgesteld als die van de schuldtitels zoals gespecificeerd in
deel 1, punt 8.
2.
Niet-volgestorte
kredietprotectie
2.1.
Waardering
84.
De waarde van
niet-volgestorte kredietprotectie (G) is het bedrag dat de protectiegever heeft
toegezegd te zullen betalen in geval van wanbetaling door de kredietnemer of
bij andere specifieke kredietgebeurtenissen. Indien de in het kader van een
kredietderivaat gespecificeerde kredietgebeurtenissen geen herstructurering van
de onderliggende verplichting omvatten die een kwijtschelding of uitstel van
betaling op de hoofdsom, de rente of provisies behelst welke resulteert in een
verlies op de uitstaande vorderingen (dat wil zeggen een waardeaanpassing of
een soortgelijke debitering van de winst- en verliesrekening), wordt de waarde
van de kredietprotectie als berekend op de in de eerste zin van dit punt
beschreven wijze, verminderd met 40%. 85.
Wanneer de
niet-volgestorte kredietprotectie in een andere valuta luidt dan die van de
vordering (valutamismatch), dan wordt de waarde van de kredietprotectie
verminderd door de toepassing van de volatiliteitsaanpassing HFX en
wel als volgt: G* = G x (1-HFX) waarbij G het nominale bedrag
van de kredietprotectie is; G* gelijk is
aan G, gecorrigeerd voor een eventueel valutarisico, en Hfx de
volatiliteitsaanpassing is voor een eventuele valutamismatch tussen de kredietprotectie
en de onderliggende kredietverplichting. Wanneer er geen
valutamismatch is, dan is G* = G 86.
De
volatiliteitsaanpassingen die op een valutamismatch moeten worden toegepast
kunnen worden berekend op basis van de toezichthoudersbenadering dan wel op
basis van de eigen-ramingenbenadering als beschreven in de punten 35 tot en met
58.
2.2.
Berekening van
risicogewogen posten en verwachte verliesposten
2.2.1.
Gedeeltelijke protectie –
onderverdeling in tranches
87.
Wanneer
de kredietinstelling een deel van het risico van een lening in één of meer
tranches onderverdeelt, zijn de in de artikelen 94 tot en met 101 vastgestelde
bepalingen van toepassing. Materialiteitsdrempels inzake betalingen, bij
onderschrijding waarvan in geval van verlies geen betaling wordt verricht,
worden als gelijkwaardig beschouwd met aangehouden eerste-verliesposities en worden geacht aanleiding te geven
tot een risico-overdracht in tranches.
2.2.2.
Standaardbenadering
a) Volledige
protectie 88.
Voor de toepassing van
artikel 80 is g het risicogewicht dat moet worden toegekend aan een vordering
die volledig gedekt wordt door niet-volgestorte protectie (GA), waarbij g het risicogewicht is
van vorderingen op de protectiegever zoals aangegeven in de artikelen 78 tot en
met 83; en GA de waarde
is van G* als berekend overeenkomstig punt 85 en nader gecorrigeerd voor een
eventueel looptijdverschil als beschreven in deel 4. b) Gedeeltelijke
protectie – gelijke rangorde 89.
Wanneer het bedrag van de
protectie lager is dan de waarde van de post en de gedekte en ongedekte delen
dezelfde rangorde hebben – d.w.z. dat de kredietinstelling en de protectiegever
eventuele verliezen naar rato delen wordt een proportionele vermindering van
het toetsingsvermogen toegekend. Voor de toepassing van artikel 80 worden
risicogewogen posten overeenkomstig de volgende formule berekend: (E-GA) x r +
GA x g waarbij E de waarde van de post
is; GA de waarde
is van G* als berekend overeenkomstig punt 85 en nader gecorrigeerd voor een
eventueel looptijdverschil als beschreven in deel 4; r het risicogewicht is
van vorderingen op de debiteur zoals aangegeven in de artikelen 78 tot en
met 83; g het risicogewicht is
van vorderingen op de protectiegever zoals aangegeven in de artikelen 78 tot en
met 83. c) Overheidsgaranties
90.
De bevoegde autoriteiten
kunnen de in bijlage VI, deel 1, punten 4 tot en met 6, beschreven behandeling
uitbreiden tot vorderingen of delen van vorderingen die door de centrale
overheid of de centrale bank zijn gegarandeerd, wanneer de garantie in de
nationale valuta van de leningnemer luidt en de vordering in die valuta is
gefinancierd.
2.2.3.
Elementaire
interne-ratingbenadering
Volledige protectie /
gedeeltelijke protectie – gelijke rangorde 91.
Wat het gedekte gedeelte
van de vordering (op basis van de gecorrigeerde waarde van de kredietprotectie
GA) betreft kan de voor de toepassing van bijlage VII, deel 2,
te ramen PD de PD van de protectiegever zijn, of een PD tussen die van de
leningnemer en die van de garantiegever indien volledige vervanging niet
gerechtvaardigd wordt geacht. In het geval van achtergestelde vorderingen en
niet-achtergestelde, niet-volgestorte protectie mag voor de toepassing van
bijlage VII, deel 2, de LGD worden gebruikt die van toepassing is op
niet-achtergestelde schuldvorderingen. 92.
Voor een eventueel
ongedekt gedeelte van de vordering is de PD die van de leningnemer en is de LGD
die van de onderliggende vordering. 93.
GA is de
waarde van G* als berekend overeenkomstig punt 85, nader gecorrigeerd voor een
eventueel looptijdverschil als beschreven in deel 4. Deel 4 - Looptijdverschil 1.
In het kader van de
berekening van risicogewogen posten doet zich een looptijdverschil voor wanneer
de resterende looptijd van de kredietprotectie korter is dan die van de gedekte
vordering. Een protectie van minder dan drie maanden resterende looptijd,
waarvan de looptijd korter is dan die van de onderliggende vordering, wordt
niet in aanmerking genomen. 2.
Wanneer zich een
looptijdverschil voordoet, wordt de kredietprotectie niet in aanmerking genomen
indien a) de
oorspronkelijke looptijd van de protectie minder dan een jaar bedraagt, of b) de vordering
een door de bevoegde autoriteiten gespecificeerde kortlopende vordering is
waarvan de looptijd (M) ten minste gelijk is aan een dag veeleer dan aan een
jaar overeenkomstig bijlage VII, deel 2, punt 13.
1.
Definitie van looptijd
3.
De effectieve looptijd
van de onderliggende vordering is de langst mogelijke periode die de debiteur
mag wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij
een maximum geldt van vijf jaar. Behoudens punt 4 is de looptijd van de
kredietprotectie de periode tot de vroegste datum waarop de protectie kan
aflopen of kan worden beëindigd. 4.
Wanneer de protectiegever
over de mogelijkheid beschikt om de protectie te beëindigen wordt als looptijd
van de protectie beschouwd de periode tot de vroegste datum waarop van die
mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. Wanneer de protectienemer over de
mogelijkheid beschikt om de protectie te beëindigen en de voorwaarden van de
overeenkomst die aan de protectie ten grondslag ligt een positieve prikkel voor
de kredietinstelling bevatten om de transactie vóór de vervaldatum van de
overeenkomst af te handelen, wordt als looptijd van de protectie de periode
beschouwd tot de vroegste datum waarop van deze mogelijkheid gebruik kan worden
gemaakt; is dit niet het geval, dan kan worden aangenomen dat een dergelijke
mogelijkheid niet van invloed is op de looptijd van de protectie. 5.
Wanneer protectie in de
vorm van een kredietderivaat kan worden beëindigd vóór het verstrijken van een
eventuele respijtperiode, waarbij het verstrijken van die respijtperiode een
vereiste is voor het optreden van een kredietverzuim als gevolg van
niet-betaling, wordt de looptijd van de protectie verminderd met de
respijtperiode.
2.
Waardering van de
protectie
2.1.
Transacties in het kader
van volgestorte kredietprotectie – Eenvoudige benadering van financiële
zekerheden
6.
Wanneer er een verschil
is tussen de looptijd van de vordering en de looptijd van de protectie, wordt
de zekerheid niet erkend.
2.2.
Transacties in het kader
van volgestorte kredietprotectie – Uitgebreide benadering van financiële
zekerheden
7.
De looptijd van de
kredietprotectie en die van de vordering moeten in de aangepaste waarde van de
zekerheid tot uiting komen overeenkomstig de volgende formule: CVAM = CVA
x (t-t*)/(T-t*) waarbij CVA de voor
volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid is zoals gespecificeerd in
deel 3, punt 34, dan wel het bedrag van de vordering, naargelang
welke van beide het laagst is; t het aantal resterende
jaren is tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend overeenkomstig de
punten 3 tot en met 5, dan wel de waarde van T, naargelang welke van beide
het laagst is; T het aantal resterende
jaren is tot de vervaldatum van de vordering, berekend overeenkomstig de punten 3
tot en met 5, dan wel 5 jaar, naargelang welke van beide het laagst is; en t* = 0,25. CVAM is CVA,
gecorrigeerd voor looptijdverschil, en moet worden opgenomen in de formule voor
de berekening van de volledig aangepaste waarde van de post (E*) als bedoeld in
deel 3, punt 34.
2.3.
Transacties in het kader
van niet-volgestorte kredietprotectie
8.
De looptijd van de
kredietprotectie en die van de vordering moeten tot uiting komen in de
gecorrigeerde waarde van de kredietprotectie overeenkomstig de volgende
formule: GA = G* x
(t-t*)/(T-t*) waarbij G* het bedrag van de
protectie is, gecorrigeerd voor een eventuele valutamismatch; GA G* is,
gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil; t het aantal resterende
jaren is tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend overeenkomstig de
punten 3 tot en met 5, dan wel de waarde van T, naargelang welke van beide
het laagst is; T het aantal resterende
jaren is tot de vervaldatum van de vordering, berekend overeenkomstig de
punten 3 tot en met 5, dan wel 5 jaar, naargelang welke van beide het
laagst is; en t* = 0,25. GA wordt
vervolgens als de waarde van de protectie beschouwd voor de toepassing van
deel 3, punten 84 tot en met 93. Deel 5 –
Combinatie van verschillende vormen van kredietrisicovermindering binnen de standaardbenadering 9.
Wanneer een
kredietinstelling die risicogewogen posten berekent overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83, voor de dekking van één vordering gebruik
maakt van meer dan één vorm van kredietrisicovermindering (zij dekt een
vordering bijvoorbeeld deels door middel van een zekerheid en deels door een
garantie), dan is deze instelling verplicht de vordering in gedeelten op te
splitsen naargelang van het toegepaste kredietrisicoverminderingsinstrument
(bv. een gedeelte dat door een zekerheid wordt gedekt en een gedeelte dat door
een garantie wordt gedekt); de risicogewogen post moet voor elk gedeelte
afzonderlijk worden berekend overeenkomstig de bepalingen van de
artikelen 78 tot en met 83 en deze bijlage. 10.
Wanneer de
kredietprotectie die door één protectiegever wordt geboden verschillende
looptijden heeft, wordt een soortgelijke benadering gevolgd als die welke in
punt 1 is beschreven. Deel 6 –
Basket-technieken inzake kredietrisicovermindering
1.
Kredietderivaten voor het
eerst optredende kredietverzuim
1.
Wanneer een
kredietinstelling voor een aantal vorderingen kredietprotectie verkrijgt onder
de voorwaarde dat het eerst optredende kredietverzuim aanleiding geeft tot
betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met
zich brengt, mag de kredietinstelling de berekening van de risicogewogen post
en, in voorkomend geval, van het verwachte verlies van de post die bij
ontbreken van de kredietprotectie het laagste risicogewicht heeft,
overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 of de artikelen 84 tot en met 89
naargelang van het geval ingevolge deze bijlage wijzigen, doch uitsluitend
indien de waarde van de post lager is dan of gelijk is aan de waarde van de
kredietprotectie.
2.
Kredietderivaten voor het
nde kredietverzuim
2.
In het geval waarin het nde
kredietverzuim ingevolge de kredietprotectie aanleiding geeft tot betaling, mag
de kredietinstelling die de protectie koopt deze slechts voor de berekening van
risicogewogen posten en, in voorkomend geval, van verwachte verliesposten in aanmerking
nemen indien tevens protectie is verkregen voor kredietverzuim 1 tot en met n-1,
of wanneer zich reeds n-1 wanbetalingen hebben voorgedaan. In deze
gevallen wordt dezelfde methodologie toegepast als die welke in punt 1 is
beschreven met betrekking tot kredietderivaten voor het eerst optredende
kredietverzuim, dienovereenkomstig gewijzigd voor kredietderivaten voor het nde
kredietverzuim. BIJLAGE IX –
Securitisatie
Deel 1 – Definities voor de toepassing van bijlage IX 1.
Voor de toepassing van
deze bijlage wordt verstaan onder: –
‘overgebleven
rentemarge’: financieringsvergoedingen en andere vergoedingen die met
betrekking tot gesecuritiseerde vorderingen zijn ontvangen minus kosten en
uitgaven. –
‘opschoon-calloptie’: een
contractuele optie die de initiator het recht geeft de securitisatieposities
terug te kopen of af te lossen voordat alle onderliggende vorderingen zijn
terugbetaald, wanneer het bedrag van de uitstaande vorderingen beneden een
bepaald niveau daalt; –
‘liquiditeitsfaciliteit’:
een securitisatiepositie die voortvloeit uit een contractueel vastgelegde
afspraak om middelen ter beschikking te stellen ten einde de continuïteit van
de kasstroom ten behoeve van de investeerders te waarborgen; –
‘kirb’: 8% van de
risicogewogen posten die overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 met
betrekking tot de gesecuritiseerde vorderingen zouden zijn berekend indien zij
niet gesecuritiseerd zouden zijn, vermeerderd met het bedrag van de
overeenkomstig deze artikelen berekende verwachte verliesposten die met deze
vorderingen verband houden; –
‘ratingbenadering’: de
methode waarbij de risicogewogen posten voor securitisatieposities
overeenkomstig deel 4, punten 45 tot en met 49 worden berekend; –
‘benadering met
toezichthoudersformule’: de methode waarbij de risicogewogen posten voor
securitisatieposities overeenkomstig deel 4, punten 50 tot en met 52
worden berekend; –
‘positie zonder rating’:
een securitisatiepositie waarvoor geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI,
zoals omschreven in artikel 97, beschikbaar is; –
‘positie met een rating’:
een securitisatiepositie waarvoor een kredietbeoordeling van een erkende EKBI,
als omschreven in artikel 97, beschikbaar is; –
‘door activa gedekt
commercial-paperprogramma’ (‘ABCP programme’- ‘ABCP-programma’): een
securitisatieprogramma in het kader waarvan effecten worden uitgegeven,
voornamelijk in de vorm van commercial paper met een oorspronkelijke looptijd
van een jaar of minder. Deel 2 –
Minimumvereisten voor de erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel
van het kredietrisico en de berekening van risicogewogen posten en verwachte
verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen
1.
Minimumvereisten voor de
erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico in
het kader van een traditionele securitisatie
1.
De initiërende
kredietinstelling van een traditionele securitisatie mag gesecuritiseerde
vorderingen buiten de berekening van risicogewogen posten en verwachte
verliesposten houden indien een aanzienlijk deel van het aan de
gesecuritiseerde vorderingen verbonden kredietrisico is overgedragen en de
overdracht aan de volgende voorwaarden voldoet: a) de documentatie
betreffende de securitisatie geeft de belangrijkste economische kenmerken van
de transactie weer; b) de
gesecuritiseerde vorderingen bevinden zich buiten het bereik van de initiërende
kredietinstelling en haar schuldeisers, ook in geval van faillissement of
surséance van betaling. Dit wordt door een gekwalificeerd juridisch adviseur
bevestigd; c) de uitgegeven
effecten vertegenwoordigen geen betalingsverplichtingen van de initiator; d) de overdragende
entiteit is een special-purpose entity voor securitisatiedoeleinden (SSPE); e) de initiërende
kredietinstelling heeft geen daadwerkelijke of indirecte beschikkingsmacht over
de overgedragen vorderingen. Zij wordt slechts geacht daadwerkelijke
beschikkingsmacht over de overgedragen vorderingen te hebben indien zij het
recht heeft de eerder overgedragen vorderingen van de ontvangende entiteit
terug te kopen om de daaraan verbonden baten te realiseren of indien zij
verplicht is het overgedragen risico opnieuw over te nemen. Indien de
initiërende kredietinstelling de rechten of verplichtingen inzake het beheer
van de vorderingen behoudt betekent dit niet dat er sprake is van een indirecte
beschikkingsmacht over die vorderingen. f) Voor
opschoon-callopties gelden de volgende voorwaarden: i) de
opschoon-calloptie mag door de initiërende kredietinstelling naar eigen
goeddunken worden uitgeoefend; ii) de
opschoon-calloptie mag slechts worden uitgeoefend wanneer ten hoogste 10% van
de oorspronkelijke waarde van de gesecuritiseerde vorderingen nog niet is
afgelost; en iii) de
opschoon-calloptie is niet zodanig gestructureerd dat wordt vermeden dat
verliezen aan kredietverbeteringsposities of aan andere door investeerders
ingenomen posities worden toegewezen en is niet anderszins gestructureerd om
kredietverbetering te verschaffen. g) De documentatie
inzake de securitisatie bevat geen clausules die: i) tenzij in het
geval van vervroegde-aflossingsbepalingen, bepalen dat de posities in de
securitisatie door de initiërende kredietinstelling moeten worden verbeterd,
onder meer doch niet uitsluitend door de onderliggende vorderingen te wijzigen
of het aan investeerders uit te keren rendement te verhogen in geval van een
verslechtering van de kredietkwaliteit van de gesecuritiseerde vorderingen, of ii) het aan de
houders van posities in de securitisatie uit te keren rendement verhogen naar
aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende
pool.
2.
Minimumvereisten voor de
erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico in
het kader van een synthetische securitisatie
2.
Een initiërende
kredietinstelling van een synthetische securitisatie mag risicogewogen posten
en, in voorkomend geval, verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde
vorderingen berekenen overeenkomstig de punten 3 en 4 indien een aanzienlijk
gedeelte van het kredietrisico door middel van volgestorte of niet-volgestorte
kredietprotectie aan derde partijen is overgedragen, en de overdracht voldoet
aan de volgende voorwaarden: a) de documentatie
inzake de securitisatie geeft de economische kenmerken van de transactie weer; b) de
kredietprotectie in het kader waarvan het kredietrisico wordt overgedragen voldoet
aan de toelaatbaarheids- en andere vereisten overeenkomstig de artikelen 90 tot
en met 93 voor de erkenning van dergelijke kredietprotectie. In dit verband
worden special purpose entities niet in aanmerking genomen als verstrekkers van
toelaatbare niet-volgestorte protectie; c) de instrumenten
die worden gebruikt om kredietrisico over te dragen bevatten geen voorwaarden
die: i) hoge
materialiteitsdrempels voorschrijven, bij onderschrijding waarvan geen
kredietprotectie behoeft te worden geboden ingeval zich een kredietgebeurtenis
voordoet; ii) de beëindiging
van de protectie toestaan in geval van een verslechtering van de
kredietkwaliteit van de onderliggende vorderingen; iii) tenzij in het
geval van vervroegde-aflossingsbepalingen, voorschrijven dat posities in de
securitisatie worden verbeterd door de initiërende kredietinstelling; iv) de kosten van
kredietprotectie of het aan de houders van posities in de securitisatie te
betalen rendement verhogen naar aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit
van de onderliggende pool; d) de
afdwingbaarheid van de kredietprotectie in alle betrokken jurisdicties door een
gekwalificeerd juridisch adviseur wordt bevestigd.
3.
Berekening door de
initiërende kredietinstelling van risicogewogen posten voor gesecuritiseerde
vorderingen in het kader van een synthetische securitisatie
3.
Bij de berekening van
risicogewogen posten voor gesecuritiseerde vorderingen past de initiërende
kredietinstelling van een synthetische securitisatie, indien aan de in punt 2
genoemde voorwaarden is voldaan en onverminderd de punten 5 tot en met 8, de
berekeningsmethoden toe die in deel 4 zijn vermeld, en niet die welke in
de artikelen 78 tot en met 89 zijn beschreven. Voor kredietinstellingen die de
risicogewogen posten en verwachte verliesposten overeenkomstig de artikelen 84
tot en met 89 berekenen, is de verwachte verliespost met betrekking tot deze
vorderingen nihil. 4.
Voor alle duidelijkheid:
punt 3 heeft betrekking op de gehele pool van vorderingen die deel
uitmaken van de securitisatie. Onverminderd de punten 5 tot en met 8 is de
initiërende kredietinstelling verplicht de risicogewogen posten te berekenen
met betrekking tot alle tranches van de securitisatie overeenkomstig de
bepalingen van deel 4, met inbegrip van de bepalingen inzake de erkenning van
kredietrisicovermindering. Wanneer bijvoorbeeld een tranche door middel van
niet-volgestorte kredietprotectie wordt overgedragen aan een derde partij,
wordt bij de berekening van de risicogewogen posten van de initiërende kredietinstelling
het risicogewicht van die derde partij op de tranche toegepast.
3.1.
Behandeling van
looptijdverschillen bij synthetische securitisatie
5.
Bij de berekening van
risicogewogen posten overeenkomstig punt 3 wordt conform de punten 6 tot en met
8 rekening gehouden met een eventueel looptijdverschil tussen de
kredietprotectie in het kader waarvan de verdeling in tranches heeft
plaatsgevonden en de gesecuritiseerde vorderingen. 6.
De looptijd van de
gesecuritiseerde vorderingen is de langste looptijd van een van deze
vorderingen, met een maximum van vijf jaar. De looptijd van de kredietprotectie
wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage VIII. 7.
Wanneer een initiërende
kredietinstelling voor de berekening van risicogewogen posten gebruik maakt van
deel 4, punten 6 tot en met 35, laat zij bij de berekening van risicogewogen
posten voor tranches zonder rating of met een lagere rating dan investment
grade eventuele looptijdverschillen buiten beschouwing. Voor alle andere
tranches wordt het looptijdverschil behandeld als beschreven in bijlage VIII,
overeenkomstig de volgende formule: RW* = [RW(SP) x
(t-t*)/(T-t*)] + [RW(Ass) x (T-t)/(T-t*)] waarbij RW* de risicogewogen
posten weergeeft met het oog op de toepassing van artikel 75,
onder a); RW(Ass) de risicogewogen
posten weergeeft voor vorderingen alsof deze niet gesecuritiseerd zijn, naar
rato berekend; RW(SP) = de
risicogewogen posten, berekend overeenkomstig punt 3, alsof er geen
looptijdverschil is; T de looptijd van de
onderliggende vorderingen is, uitgedrukt in jaren; t de looptijd van de
kredietprotectie is, uitgedrukt in jaren; t* = 0,25. 8.
Wanneer een initiërende
kredietinstelling voor de berekening van risicogewogen posten gebruik maakt van
deel 4, punten 36 tot en met 74, laat zij bij de berekening van risicogewogen
posten voor tranches of delen van tranches waaraan ingevolge deze punten een
risicogewicht van 1250% is toegekend eventuele looptijdverschillen buiten
beschouwing. Voor alle overige tranches of delen van tranches wordt het
looptijdverschil behandeld zoals in bijlage VIII wordt beschreven
overeenkomstig de in punt 7 genoemde formule. Deel 3 –
Externe kredietbeoordelingen
1.
Vereisten waaraan de
kredietbeoordelingen van EKBI’s moeten voldoen
1.
Om voor de berekening van
risicogewogen posten overeenkomstig deel 4 van deze bijlage te kunnen worden
gebruikt moet een kredietbeoordeling van een erkende EKBI aan de volgende
voorwaarden voldoen: a) er is geen
incongruentie tussen de soorten betalingen die in de kredietbeoordeling tot
uiting komen en de soorten betalingen waarop de kredietinstelling recht heeft
ingevolge het contract dat tot de betrokken securitisatiepositie aanleiding
heeft gegeven; b) de
kredietbeoordeling is voor het publiek toegankelijk. Kredietbeoordelingen
worden slechts als voor het publiek toegankelijk beschouwd indien zij in een
voor het publiek toegankelijk forum zijn bekendgemaakt en zijn opgenomen in de
overgangsmatrix van de EKBI. Kredietbeoordelingen die slechts aan een beperkt
aantal entiteiten ter beschikking zijn gesteld worden niet als voor het publiek
toegankelijk beschouwd.
2.
Gebruik van
kredietbeoordelingen
2.
Een kredietinstelling mag
een of meer erkende EKBI’s aanwijzen als de EKBI's waarvan zij de
kredietbeoordelingen zal gebruiken bij de berekening van haar risicogewogen
posten overeenkomstig de artikelen 94 tot en met 101 ("aangewezen
EKBI"). 3.
Onverminderd de punten 5
tot en met 7 past een kredietinstelling de kredietbeoordelingen van aangewezen
EKBI's ten aanzien van haar securitisatieposities consequent toe. 4.
Onverminderd de punten 5
en 6 mag een kredietinstelling geen gebruik maken van de kredietbeoordelingen
van de ene EKBI ten aanzien van haar posities in bepaalde tranches en van de
kredietbeoordelingen van een andere EKBI voor haar posities in andere tranches
binnen dezelfde structuur waarvoor al dan niet een rating van de eerstgenoemde
EKBI beschikbaar is. 5.
Indien ten aanzien van
een positie twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's beschikbaar zijn,
past de kredietinstelling de minst gunstige kredietbeoordeling toe. 6.
Indien ten aanzien van
een positie meer dan twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI's
beschikbaar zijn, zijn de twee gunstigste kredietbeoordelingen van toepassing.
Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen verschillend zijn, is de minst
gunstige van beide van toepassing. 7.
Wanneer kredietprotectie
die krachtens de artikelen 90 tot en met 93 toelaatbaar is rechtstreeks aan de
SSPE wordt verstrekt, en die protectie tot uitdrukking komt in de
kredietbeoordeling van een positie door een aangewezen EKBI, kan het risicogewicht
worden gebruikt dat met die kredietbeoordeling is verbonden. Is de protectie
krachtens de artikelen 90 tot en met 93 niet toelaatbaar, dan wordt de
kredietbeoordeling niet erkend. Wanneer de kredietprotectie niet aan de SSPE
wordt verstrekt doch rechtstreeks op een securitisatiepositie wordt toegepast,
wordt de kredietbeoordeling niet erkend.
3.
Koppeling van
risicogewichten aan kredietbeoordelingen (“mapping”)
8.
De
bevoegde autoriteiten bepalen in welke kredietkwaliteitscategorie van de in
deel 4 opgenomen tabellen elke kredietbeoordeling van een erkende EKBI
wordt ondergebracht. Hierbij maken zij onderscheid tussen de relatieve
risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven.
Zij houden rekening met kwantitatieve factoren, zoals wanbetalings- en/of
verliesgraden, en met kwalitatieve factoren zoals het scala van de transacties
die door de EKBI worden beoordeeld, evenals met de betekenis van de
kredietbeoordeling. 9.
De
bevoegde autoriteiten trachten ervoor te zorgen dat securitisatieposities
waarop in het kader van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s hetzelfde
risicogewicht is toegepast, aan gelijkwaardige kredietrisicograden blootstaan.
Dit houdt tevens in dat zij in voorkomend geval hun oordeel over de
kredietkwaliteitscategorie waarin een bepaalde kredietbeoordeling moet worden
ondergebracht, wijzigen. Deel 4 -
Berekening
1.
Berekening van
risicogewogen posten
1.
Voor de toepassing van
artikel 96 wordt de risicogewogen post van een securitisatiepositie berekend
door op de waarde van de post het relevante risicogewicht toe te passen zoals
dat op de in dit deel beschreven wijze is berekend. 2.
Onverminderd lid 3 a) is, wanneer een
kredietinstelling risicogewogen posten berekent overeenkomstig de punten 6 tot
en met 35, de waarde van een securitisatiepositie op de balans haar
balanswaarde; b) wordt, wanneer
een kredietinstelling de risicogewogen posten berekent overeenkomstig de punten
36 tot en met 74, de waarde van een securitisatiepositie op de balans bepaald
exclusief waardeaanpassingen; en c) is de waarde
van een securitisatiepositie buiten de balans haar nominale waarde,
vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor op de in deze bijlage voorgeschreven
wijze. Deze omrekeningsfactor bedraagt 100%, tenzij anders is aangegeven. 3.
De waarde van een
securitisatiepositie die voortvloeit uit een in bijlage IV vermeld
kredietderivaat wordt bepaald overeenkomstig bijlage III. 4.
Wanneer op een
securitisatiepositie een volgestorte kredietprotectie van toepassing is, kan de
waarde van die positie worden gewijzigd overeenkomstig de in bijlage VIII
bedoelde vereisten, welke in deze bijlage nader worden toegelicht. 5.
Wanneer een
kredietinstelling twee of meer posities in een securitisatie heeft die elkaar
overlappen, is zij verplicht om, in de mate waarin de posities elkaar
overlappen, bij haar berekening van risicogewogen posten uitsluitend de positie
of deelpositie in aanmerking te nemen die de hogere risicogewogen posten
oplevert. In dit verband betekent "overlappen" dat de posities geheel
of gedeeltelijk aan hetzelfde risico blootstaan waardoor er voor het gedeelte
dat de posities elkaar overlappen, slechts sprake is van één positie.
2.
Berekening van
risicogewogen posten overeenkomstig de standaardbenadering
6.
Onverminderd de punten 8
en 9 worden de risicogewogen posten van een securitisatiepositie met een rating
berekend door op de waarde van de post het risicogewicht toe te passen dat
overeenkomt met de kredietkwaliteitscategorie waarin de kredietbeoordeling door
de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 98 is ondergebracht, zoals in
de tabellen 1 en 2 is weergegeven. Tabel 1 Posities zonder
kredietbeoordeling voor de korte termijn Krediet-kwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 en lager Risico-gewicht || 20% || 50% || 100% || 350% || 1250% Tabel 2 Posities met een kredietbeoordeling
voor de korte termijn Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || Alle overige kredietbeoordelingen Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 1250% 7.
Onverminderd de punten 10
tot en met 16, wordt de risicogewogen post van een securitisatiepositie zonder
rating berekend door een risicogewicht van 1250% toe te passen.
2.1.
Kredietinstellingen die
als initiator of sponsor optreden
8.
Kredietinstellingen die
als initiator of sponsor optreden, passen een risicogewicht van 1250% toe op
alle aangehouden en teruggekochte securitisatieposities waarvoor een
kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is welke door de
bevoegde autoriteiten is ondergebracht in een lagere kredietkwaliteitscategorie
dan categorie 3. Om vast te stellen of voor een positie een dergelijke kredietbeoordeling
beschikbaar is, zijn de bepalingen van deel 3, punten 2 tot en met 7,
van toepassing. 9.
Voor een
kredietinstelling die als initiator of sponsor optreedt, mogen de risicogewogen
posten die met betrekking tot haar posities in een securitisatie worden berekend,
beperkt blijven tot de risicogewogen posten die met betrekking tot de
gesecuritiseerde vorderingen zouden zijn berekend indien zij niet
gesecuritiseerd zouden zijn, onverminderd de veronderstelde toepassing van een
risicogewicht van 150% op alle achterstallige posten en posten die tot de
“posten met verhoogd risico” behoren.
2.2.
Behandeling van posities
zonder rating
10.
De bevoegde autoriteiten
mogen een kredietinstelling met een securitisatiepositie zonder rating toestaan
de in punt 11 uiteengezette behandelingen toe te passen bij de berekening van
de risicogewogen post met betrekking tot die positie, mits de samenstelling van
de pool van gesecuritiseerde vorderingen te allen tijde bekend is. 11.
Een kredietinstelling mag
het gewogen gemiddelde risicogewicht toepassen dat overeenkomstig de artikelen
78 tot en met 83 op de gesecuritiseerde vorderingen zou worden toegepast door
een kredietinstelling die de vorderingen aanhoudt, vermenigvuldigd met een
concentratiefactor. Deze concentratiefactor is gelijk aan de som van de
nominale bedragen van alle tranches, gedeeld door de som van de nominale
bedragen van de tranches met een lagere rang dan, of pari passu met de tranche
waarin de positie wordt aangehouden, met inbegrip van die tranche zelf. Het
resulterende risicogewicht mag niet hoger zijn dan 1250% of lager zijn dan het
risicogewicht dat van toepassing is op een tranche met een rating met een
hogere rang. Wanneer de kredietinstelling niet in staat is de risicogewichten
te bepalen die overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 op de
gesecuritiseerde vorderingen van toepassing zouden zijn, past zij een
risicogewicht van 1250% op de positie toe.
2.3.
Behandeling van
securitisatieposities in een tweede-verliestranche of hoger in het kader van
een ABCP-programma
12.
Behoudens de mogelijkheid
van een gunstiger behandeling op basis van de in de punten 14 tot en met 16
vervatte bepalingen betreffende liquiditeitsfaciliteiten mag een
kredietinstelling op securitisatieposities die voldoen aan de in punt 13
gestelde voorwaarden een risicogewicht toepassen van hetzij i) 100%, hetzij ii)
het hoogste risicogewicht dat overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 op
de gesecuritiseerde vorderingen zou worden toegepast door een kredietinstelling
die de vorderingen aanhoudt, naargelang welk risicogewicht het hoogst is. 13.
De in punt 12 beschreven
behandeling mag slechts worden toegepast indien de securitisatiepositie: a) een tranche
betreft die economisch gezien een tweede-verliespositie of hoger in de
securitisatie inneemt, waarbij de eerste-verliestranche een kredietverbetering
van betekenis moet bieden ten opzichte van de tweede‑verliestranche; b) van goede
kwaliteit is (investment grade of hoger); en c) aangehouden
wordt door een kredietinstelling die geen positie in de eerste- verliestranche
inneemt.
2.4.
Behandeling van
liquiditeitsfaciliteiten zonder rating
2.4.1.
Toelaatbare
liquiditeitsfaciliteiten
14.
Wanneer aan de
hiernavolgende voorwaarden is voldaan mag, om de waarde van een
liquiditeitsfaciliteit te bepalen, een omrekeningsfactor van 20% worden
toegepast op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit met een
oorspronkelijke looptijd van een jaar of minder, en mag een omrekeningsfactor
van 50% worden toegepast op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit
met een oorspronkelijke looptijd van meer dan een jaar. a) De documentatie
betreffende de liquiditeitsfaciliteit moet duidelijk de omstandigheden aangeven
en afbakenen waaronder de faciliteit mag worden benut; b) de faciliteit
kan niet worden benut voor kredietondersteuning ter dekking van verliezen die
op het moment van de benutting reeds zijn geleden – waarbij bijvoorbeeld
liquiditeit wordt verstrekt met betrekking tot vorderingen ten aanzien waarvan
op het moment van de benutting reeds sprake is van wanbetaling, of waarbij activa
worden verworven voor een hogere prijs dan de reële waarde; c) de faciliteit
mag niet worden gebruikt voor een permanente of periodieke financiering van de
securitisatie; d) de
terugbetaling van in het kader van de faciliteit opgenomen bedragen wordt niet
achtergesteld bij andere vorderingen van investeerders dan die welke
voortvloeien uit rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere
soortgelijke betalingen, en komt evenmin in aanmerking voor ontheffing of
uitstel; e) de faciliteit
kan niet worden benut wanneer alle toepasselijke kredietverbeteringen ten
gunste van de liquiditeitsfaciliteit zijn uitgeput; f) de faciliteit
moet een bepaling bevatten op grond waarvan het bedrag dat kan worden opgenomen
automatisch wordt verminderd met het bedrag van de vorderingen waarbij er
sprake is van wanbetaling in de zin van de artikelen 84 tot en
met 89, of een bepaling die, wanneer de pool van gesecuritiseerde
vorderingen uit instrumenten met een rating bestaat, de faciliteit beëindigt
wanneer de gemiddelde kwaliteit van de pool tot beneden investment grade daalt. Het toe te passen
risicogewicht is het hoogste risicogewicht dat overeenkomstig de artikelen 78
tot en met 83 op alle gesecuritiseerde vorderingen zou worden toegepast door
een kredietinstelling die de vorderingen aanhoudt.
2.4.2.
Liquiditeitsfaciliteiten
die uitsluitend mogen worden benut in geval van een algemene marktverstoring
15.
Om de waarde te bepalen
van een liquiditeitsfaciliteit die uitsluitend mag worden benut indien zich een
algemene marktverstoring voordoet (d.w.z. wanneer meer dan één SPE ten aanzien
van verschillende transacties niet in staat is vervallend commercial paper door
te rollen en dat onvermogen niet het gevolg is van een vermindering van de
kredietkwaliteit van de SPE of van de kredietkwaliteit van de gesecuritiseerde
vorderingen), mag op het nominale bedrag van deze faciliteit een
omrekeningsfactor van 0% worden toegepast, mits aan de in punt 14 gestelde
voorwaarden is voldaan.
2.4.3.
Voorschotfaciliteiten
16.
Om de waarde te bepalen
van een liquiditeitsfaciliteit die onvoorwaardelijk opzegbaar is, mag op het
nominale bedrag van deze faciliteit een omrekeningsfactor van 0% worden
toegepast, mits aan in punt 14 bedoelde voorwaarden is voldaan en de
terugbetaling van opnemingen ten laste van de faciliteit een hogere rangorde
heeft dan eventuele andere rechten op de kasstromen die uit de gesecuritiseerde
vorderingen voortvloeien.
2.5.
Aanvullende
kapitaalvereisten voor securitisaties van revolverende posities met
vervroegde-aflossingsbepalingen
17.
Afgezien van de
berekening van risicogewogen posten met betrekking tot haar
securitisatieposities berekent een initiërende kredietinstelling een
risicogewogen post volgens de in de punten 18 tot en met 32 beschreven methode
wanneer zij revolverende posities met een vervoegde-aflossingsbepaling verkoopt
in het kader van een securitisatie. 18.
De kredietinstelling
berekent een risicogewogen post met betrekking tot de som van het belang van de
initiator en het belang van de investeerders. 19.
Ten aanzien van
securitisatiestructuren waarbij de gesecuritiseerde vorderingen zowel
revolverende als niet-revolverende posities omvatten, past de initiërende
kredietinstelling de hieronder beschreven behandeling toe op dat deel van de
onderliggende pool dat revolverende posities bevat. 20.
In dit verband wordt
onder "belang van de initiator" verstaan het nominale bedrag van het
theoretische gedeelte van een in het kader van een securitisatie verkochte pool
van opgenomen bedragen, waarvan de verhouding tot het bedrag van de totale in
het kader van de structuur verkochte pool het gedeelte van de kasstromen
bepaalt die worden gegenereerd door de inning van aflossingsbetalingen op de
hoofdsom en van rentebetalingen en andere daarmee samenhangende bedragen en die
niet beschikbaar zijn om betalingen te verrichten aan degenen die posities in
de securitisatie hebben. Om als belang van de
initiator te kunnen worden aangemerkt mag dit belang niet achtergesteld zijn
aan dat van de investeerders. Onder "belang van
de investeerders" wordt verstaan het nominale bedrag van het resterende
theoretische gedeelte van de pool van opgenomen bedragen. 21.
De positie van de
initiërende kredietinstelling die verband houdt met haar rechten ten aanzien
van het belang van de initiator wordt niet beschouwd als een securitisatiepositie
maar als een positie die evenredig is met de gesecuritiseerde vorderingen alsof
deze niet gesecuritiseerd waren.
2.5.1.
Vrijstelling van
behandeling als vervroegde aflossing
22.
Initiators van de
volgende typen securitisaties zijn vrijgesteld van het in punt 17 bedoelde
kapitaalvereiste: a) securitisaties
van revolverende posities waarbij de investeerders volledig blijven blootstaan
aan alle risico's in verband met toekomstige opnemingen door leningnemers,
zodat het risico dat met de onderliggende faciliteiten is verbonden niet
terugkeert naar de initiërende kredietinstelling, zelfs niet nadat zich een
gebeurtenis heeft voorgedaan die tot vervroegde aflossing aanleiding geeft, en b) securitisaties
waarbij een vervroegde-aflossingsbepaling slechts van kracht wordt naar
aanleiding van gebeurtenissen die geen verband houden met de prestaties van de
gesecuritiseerde activa of de initiërende kredietinstelling, zoals belangrijke
wijzigingen in belastingwetten of fiscale regelgeving.
2.5.2.
Maximumkapitaalvereiste
23.
Voor een initiërende
kredietinstelling die is onderworpen aan het in punt 17 bedoelde vereiste,
is de som van de risicogewogen posten ten aanzien van haar posities in het
belang van de investeerders en de overeenkomstig punt 17 berekende
risicogewogen posten niet groter dan: a) de
risicogewogen posten, berekend ten aanzien van haar posities in het belang van
de investeerders; b) de
risicogewogen posten die ten aanzien van de gesecuritiseerde vorderingen door
een kredietinstelling die de vorderingen houdt zouden worden berekend alsof zij
niet waren gesecuritiseerd tot het volledige bedrag van het belang van de
investeerders, naargelang welke post
het grootst is. 24.
De bij artikel 57
voorgeschreven aftrek van eventuele nettowinsten die voortvloeien uit de
kapitalisatie van toekomstige inkomsten wordt niet in het kader van het in
punt 23 bedoelde maximumbedrag behandeld.
2.5.3.
Berekening van
risicogewogen posten
25.
De risicogewogen post die
overeenkomstig punt 17 moet worden berekend wordt bepaald door het bedrag van
het belang van de investeerders te vermenigvuldigen met het product van de
relevante omrekeningsfactor als bedoeld in de punten 27 tot en met 32 en het
gewogen gemiddelde risicogewicht dat van toepassing zou zijn op de
gesecuritiseerde vorderingen indien zij niet gesecuritiseerd zouden zijn. 26.
Een
vervroegde-aflossingsbepaling wordt als "gecontroleerd" beschouwd
wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de initiërende
kredietinstelling beschikt over een passend financierings- of liquiditeitsplan
om ervoor te zorgen dat zij in geval van vervroegde aflossing over voldoende
kapitaal en liquiditeiten beschikt; b) gedurende de
gehele transactie wordt een evenredige verdeling tussen het belang van de
initiërende kredietinstelling en het belang van de investeerders toegepast met
betrekking tot rentebetalingen en aflossingen op de hoofdsom, uitgaven,
verliezen en inningen op basis van het saldo van de uitstaande kortlopende
vorderingen aan het begin van de maand; c) de
aflossingsperiode wordt toereikend geacht om 90% van de totale schuld (belang
van de initiator en belang van de investeerders) die aan het begin van de
vervroegde-aflossingsperiode uitstond af te lossen of als oninbaar te erkennen; d) het
terugbetalingstempo is niet hoger dan bij lineaire aflossing gedurende de onder
c) genoemde periode het geval zou zijn. 27.
Ten aanzien van de onder
een vervroegde-aflossingsbepaling vallende securitisaties van vorderingen op
particulieren en kleine partijen welke niet gecommitteerd zijn en welke
onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande kennisgeving opzegbaar zijn,
vergelijken de kredietinstellingen, wanneer de vervroegde aflossing afhankelijk
is gesteld van een daling van de overgebleven rentemarge tot een bepaald
niveau, het driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge met het niveau
waarop deze marge moet worden gestrikt. 28.
Wanneer het strikken van
de overgebleven rentemarge niet door de securitisatie wordt voorgeschreven ligt
het strikmoment 4,5 procentpunt hoger dan het niveau waarop tot vervroegde
aflossing wordt overgegaan. 29.
De toe te passen
omrekeningsfactor wordt bepaald door het niveau van het feitelijke
driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge als weergegeven in tabel 3. Tabel 3 || Securitisaties die onder een gecontroleerde vervroegde- aflossingsbepaling vallen || Securitisaties die onder een niet-gecontroleerde vervroegde-aflossingsbepaling vallen 3-maands-gemid-delde van de overge-bleven rente-marge || Omrekeningsfactor || Omrekeningsfactor Boven niveau A || 0% || 0% Niveau A || 1% || 5% Niveau B || 2% || 15% Niveau C || 20% || 50% Niveau D || 20% || 100% Niveau E || 40% || 100% 30.
In tabel 3 betreft
“niveau A” een niveau van overgebleven rentemarges dat lager is dan 133,33%
maar niet lager dan 100% van het strikmoment van de overgebleven rentemarge;
"niveau B" betreft een niveau van overgebleven rentemarges dat
lager is dan 100% maar niet lager dan 75% van dat strikmoment; “niveau C”
betreft een niveau van overgebleven rentemarges dat lager is dan 75% maar niet
lager dan 50% van het strikmoment van de overgebleven marge; “niveau D”
geeft een niveau van de overgebleven rentemarges weer van minder dan 50% maar
niet minder dan 25% van het strikmoment; en "niveau E" houdt een
niveau van overgebleven rentemarges in dat lager is dan 25% van het
strikmoment. 31.
Voor alle andere
securitisaties die onder een gecontroleerde vervroegde-aflossingsbepaling van
revolverende vorderingen vallen geldt een omrekeningsfactor van 90%. 32.
Voor alle andere
securitisaties die onder een niet-gecontroleerde vervroegde- aflossingsbepaling
van revolverende vorderingen vallen geldt een omrekeningsfactor van 100%.
2.6.
Erkenning van
kredietrisicovermindering ten aanzien van securitisatieposities
33.
Wanneer kredietprotectie
ten aanzien van een securitisatiepositie wordt verkregen, mag de berekening van
de risicogewogen posten overeenkomstig bijlage VIII worden gewijzigd.
2.7.
Vermindering van
risicogewogen posten
34.
Overeenkomstig artikel
66, lid 2, mogen kredietinstellingen ten aanzien van een securitisatiepositie
waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing is, de waarde van de positie
in mindering brengen op hun eigen vermogen in plaats van de positie in hun
berekening van risicogewogen posten op te nemen. In dat verband mag bij de
berekening van de post de toelaatbare volgestorte protectie in aanmerking
worden genomen op een wijze die in overeenstemming is met punt 33. 35.
Wanneer een
kredietinstelling gebruik maakt van de in punt 34 bedoelde mogelijkheid, wordt,
voor de toepassing van punt 9, 12,5 maal het bedrag dat overeenkomstig
punt 34 is afgetrokken in mindering gebracht op het bedrag dat in punt 9
wordt gespecificeerd als de maximale risicogewogen post die door de in dat punt
genoemde kredietinstellingen moet worden berekend.
3.
Berekening van
risicogewogen posten overeenkomstig de interne- ratingbenadering
3.1.
Rangorde van methoden
36.
Voor de toepassing van
artikel 96 wordt de risicogewogen post van een securitisatiepositie
overeenkomstig de punten 37 tot en met 74 berekend. 37.
Om de risicogewogen post
van een positie met een rating of een positie ten aanzien waarvan een afgeleide
rating mag worden gebruikt te berekenen, wordt de in de punten 45 tot en met 49
beschreven, ratingbenadering toegepast. 38.
Voor een positie zonder
rating wordt de in de punten 50 tot en met 52 beschreven benadering met
toezichthoudersformule gebruikt, behalve wanneer de in de punten 42 en 43
beschreven interne-beoordelingsbenadering mag worden toegepast. 39.
Een kredietinstelling die
niet als initiator of sponsor optreedt, mag slechts gebruik maken van de
benadering met toezichthoudersformule indien de bevoegde autoriteiten hiervoor
toestemming hebben verleend. 40.
In het geval van een als
initiator of sponsor optredende kredietinstelling die niet in staat is Kirb
te berekenen en die geen toestemming heeft gekregen om bij de berekening van
haar posities in ABCP-programma's gebruik te maken van de
interne-beoordelingsbenadering, alsook in het geval van andere
kredietinstellingen die geen toestemming hebben gekregen om de benadering met
toezichthoudersformule of, ten aanzien van hun posities in ABCP-programma's, de
interne-beoordelingsbenadering te gebruiken, wordt een risicogewicht van 1250%
toegepast op securitisatieposities zonder rating ten aanzien waarvan geen
afgeleide rating mag worden gebruikt.
3.1.1.
Gebruikmaking van
afgeleide ratings
41.
Wanneer aan de volgende
minimale operationele vereisten is voldaan kent een instelling aan een positie
zonder rating een afgeleide kredietbeoordeling toe die gelijk is aan de
kredietbeoordeling van de posities met een rating (de
"referentieposities") van de hoogste rang welke in alle opzichten
zijn achtergesteld bij de betrokken securitisatiepositie zonder rating. a) De
referentieposities moeten in alle opzichten achtergesteld zijn bij de
securitisatietranche zonder rating; b) de looptijd van
de referentieposities moet gelijk zijn aan of langer zijn dan die van de betrokken
positie zonder rating; c) alle afgeleide
ratings moeten voortdurend worden geactualiseerd om rekening te houden met
eventuele wijzigingen in de kredietbeoordeling van de
referentie-securitisatieposities.
3.1.2.
De
interne-beoordelingsbenadering voor posities in ABCP-programma's
42.
Behoudens de goedkeuring
van de bevoegde autoriteiten mag een kredietinstelling overeenkomstig
punt 43 aan een positie zonder rating in een ABCP-programma een afgeleide
rating toekennen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de posities in
het commercial paper dat in het kader van het programma is uitgegeven zijn
posities met een rating; b) de
kredietinstelling overtuigt de bevoegde autoriteiten ervan dat haar interne
beoordeling van de kredietkwaliteit van de positie in overeenstemming is met de
voor het publiek toegankelijke beoordelingsmethodologie die door een of meer
erkende EKBI's wordt toegepast voor de opstelling van kredietbeoordelingen met
betrekking tot effecten die worden gedekt door vorderingen van het gesecuritiseerde
type; c) de EKBI's
waarvan de methodologie wordt toegepast zoals voorgeschreven in punt b),
omvatten tevens EKBI's die een externe rating hebben vastgesteld voor het in
het kader van het programma uitgegeven commercial paper. De kwantitatieve elementen
– zoals stressfactoren – die bij de toekenning van een bepaalde
kredietkwaliteit aan de positie worden gebruikt, moeten tenminste even
conservatief zijn als die welke worden toegepast in het kader van de relevante
beoordelingsmethodologie van de betrokken EKBI's; d) bij de
ontwikkeling van haar interne‑beoordelingsmethodologie neemt de
kredietinstelling alle bekendgemaakte beoordelingsmethodologieën in aanmerking
welke door erkende EKBI's worden toegepast voor de beoordeling van effecten die
door vorderingen van het gesecuritiseerde type worden gedekt. Deze
inaanmerkingneming wordt door de kredietinstelling gedocumenteerd en tenminste
eenmaal per jaar geactualiseerd; e) de interne‑beoordelingsmethodologie
van de kredietinstelling omvat beoordelingsgraden. Er dient overeenstemming te
zijn tussen deze beoordelingsgraden en de kredietbeoordelingen van erkende
EKBI's. Deze overeenstemming is expliciet gedocumenteerd; f) de interne‑beoordelingsmethodologie
wordt in het kader van de interne risicobeheerprocessen van de
kredietinstelling gebruikt, met inbegrip van de door haar toegepaste procedures
inzake besluitvorming, managementinformatie en kapitaalallocatie; g) interne of
externe accountants, een EKBI of de interne kredietbeoordelings- of
risicobeheerfunctie van de kredietinstelling stellen regelmatig een onderzoek
in naar de interne-beoordelingsprocedures en de kwaliteit van de interne
beoordelingen van de kredietkwaliteit van de posities van de kredietinstelling
in een ABCP-programma. Indien de interne accountants-, kredietbeoordelings- of
risicobeheerfuncties van de kredietinstelling dit onderzoek uitvoeren, dan zijn
deze functies onafhankelijk van de voor het ABCP-programma verantwoordelijke
business line, alsook van de business line die verantwoordelijk is voor de
relatie met de cliënten; h) de
kredietinstelling houdt de resultaten van haar interne ratings in de tijd bij
om haar interne‑beoordelingsmethodologie te evalueren en past deze
methodologie zo nodig aan wanneer de prestaties van de posities regelmatig
afwijken van die welke in de interne ratings zijn vermeld; i) het
ABCP-programma bevat overnemingsnormen in de vorm van krediet- en
beleggingsrichtsnoeren. Bij zijn beslissing over de aankoop van een activum
onderzoekt de programmabeheerder het type activum dat wordt aangekocht, het
soort en de geldelijke waarde van de vorderingen die uit het verstrekken van
liquiditeitsfaciliteiten en kredietverbeteringen voortvloeien, de verdeling van
verliezen en de juridische en economische scheiding van de overgedragen activa
van de entiteit die deze activa verkoopt. Er wordt een kredietanalyse van het
risicoprofiel van de verkoper van de activa uitgevoerd, welke tevens een
onderzoek omvat naar de vroegere en te verwachten financiële prestaties, de
huidige marktpositie, het verwachte concurrentievermogen in de toekomst, de
verhouding vreemd/eigen vermogen, de kasstromen, de rentedekking en de
schuldrating. Bovendien wordt een onderzoek uitgevoerd naar de
overnemingsnormen van de verkoper, zijn vermogen om schulden af te lossen en
zijn inningsprocedures; j) in de
overnemingsnormen van het ABCP-programma worden minimale
toelaatbaarheidscriteria voor activa vastgesteld waarbij met name: i) de aankoop van
activa waarvoor er sprake is van een significante betalingsachterstand of van
wanbetaling, wordt uitgesloten; ii) een al te
sterke concentratie op een individuele debiteur of geografisch gebied wordt
tegengegaan; en iii) de
geldigheidsduur van de te kopen activa wordt beperkt; k) het
ABCP-programma beschikt over inningsstrategieën en –procedures die rekening
houden met de operationele capaciteit en kredietkwaliteit van de beheerder. Het
programma beperkt het risico voor de verkoper/beheerder aan de hand van
uiteenlopende methoden, zoals reactiemechanismen op basis van de actuele
kredietkwaliteit waardoor een ‘co-mingling’ van middelen kan worden voorkomen; l) bij de totale
raming van verliezen op een pool van activa die het ABCP-programma overweegt te
kopen moet met alle bronnen van potentiële risico's, zoals krediet- en
verwateringsrisico, rekening worden gehouden. Indien het niveau van de door de
verkoper geboden kredietverbetering uitsluitend is gebaseerd op
kredietgerelateerde verliezen, dan moet een aparte reserve worden ingesteld
voor verwateringsrisico indien dit verwateringsrisico van wezenlijk belang is
voor de specifieke pool van vorderingen. Bovendien onderzoekt het programma,
met het oog op de vaststelling van het vereiste niveau van kredietverbetering,
de historische gegevens van meerdere jaren welke onder meer betrekking hebben
op verliezen, betalingsachterstanden, verwatering en de omlooptijd van
kortlopende vorderingen. m) het
ABCP-programma zorgt ervoor dat de aankoop van posities structurele kenmerken
– zoals afbouwmechanismen – bevat om de potentiële kredietverslechtering
van de onderliggende portefeuille tegen te gaan. De bevoegde autoriteiten
kunnen ontheffing verlenen van de eis dat de beoordelingsmethodologie van de
EKBI voor het publiek toegankelijk moet zijn wanneer zij ervan overtuigd zijn
dat er, gezien de specifieke kenmerken van de securitisatie – bijvoorbeeld
haar unieke structuur – nog geen voor het publiek toegankelijke
beoordelingsmethodologie van een EKBI voorhanden is. 43.
De positie zonder rating
wordt door de kredietinstelling in een van de in punt 42 beschreven
ratingklassen ondergebracht. Aan deze positie wordt dezelfde afgeleide rating
toegekend als aan de kredietbeoordelingen die met die ratingklasse
overeenstemmen zoals in punt 42 wordt uiteengezet. Wanneer deze afgeleide
rating bij de aanvang van de securitisatie een niveau heeft van investment
grade of hoger, wordt deze rating voor de berekening van risicogewogen posten,
op één lijn gesteld met een erkende kredietbeoordeling door een erkende EKBI.
3.2.
Maximale risicogewogen
posten
44.
Voor een initiërende
kredietinstelling, een sponsor of voor andere kredietinstellingen die KIRB
kunnen berekenen, mogen de
risicogewogen posten die zij met betrekking tot hun posities in een
securitisatie berekenen beperkt blijven tot de posten die overeenkomstig artikel 75,
onder a), een kapitaalvereiste zouden opleveren dat gelijk is aan de som
van 8% van de risicogewogen posten die zouden ontstaan indien de
gesecuritiseerde activa niet gesecuritiseerd zouden zijn en op de balans van de
kredietinstelling zouden zijn opgenomen, en de verwachte verliesposten voor
deze vorderingen.
3.3.
Ratingbenadering
45.
Conform de
ratingbenadering wordt de risicogewogen post van een securitisatiepositie met
een rating berekend door op de waarde van de post het risicogewicht toe te
passen dat verbonden is met de kredietkwaliteitscategorie waarin de
kredietbeoordeling door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 98
is ondergebracht, zoals in de tabellen 4 en 5 wordt weergegeven. Tabel 4 Posities zonder
kredietbeoordelingen voor de korte termijn Krediet-kwaliteits-categorie ("Credit Quality Step – CQS") || Risicogewicht || A || B || C CQS 1 || 7% || 12% || 20% CQS 2 || 8% || 15% || 25% CQS 3 || 10% || 18% || 35% CQS 4 || 12% || 20% || 35% CQS 5 || 20% || 35% || 35% CQS 6 || 35% || 50% || 50% CQS 7 || 60% || 75% || 75% CQS 8 || 100% || 100% || 100% CQS 9 || 250% || 250% || 250% CQS 10 || 425% || 425% || 425% CQS 11 || 650% || 650% || 650% Lager dan CQS 11 || 1250% || 1250% || 1250% Tabel 5 Posities met
kredietbeoordelingen voor de korte termijn Krediet-kwaliteits-categorie ("Credit Quality Step – CQS") || Risicogewicht || A || B || C CQS 1 || 7% || 12% || 20% CQS 2 || 12% || 20% || 35% CQS 3 || 60% || 75% || 75% Alle overige krediet-beoordelingen || 1250% || 1250% || 1250% 46.
Onverminderd punt 47
worden de risicogewichten van kolom A van beide tabellen toegepast wanneer
de positie zich in de tranche van een securitisatie van de hoogste rang
bevindt. Om in dit verband vast te stellen of een bepaalde tranche de hoogste
rang heeft behoeft geen rekening te worden gehouden met verschuldigde bedragen
in het kader van rente- of valutaderivatencontracten, verschuldigde
vergoedingen of andere soortgelijke betalingen. 47.
De in kolom C van
beide tabellen genoemde risicogewichten worden toegepast wanneer de positie een
securitisatie betreft met een effectief aantal gesecuritiseerde vorderingen van
minder dan zes. Om het effectieve aantal gesecuritiseerde vorderingen te
berekenen moeten meerdere vorderingen op één debiteur als één vordering worden
beschouwd. Het effectieve aantal vorderingen wordt als volgt berekend: waarbij EADi
de som is van de waarde van alle vorderingen op de ide debiteur.
In geval van hersecuritisatie (de securitisatie van securitisatieposities) moet
de kredietinstelling het aantal securitisatieposities in de pool in aanmerking
nemen en niet het aantal onderliggende vorderingen in de oorspronkelijke pools
dat aan de onderliggende securitisatieposities ten grondslag ligt. Indien het
aandeel in de portefeuille van de grootste vordering, C1,
beschikbaar is, mag de kredietinstelling N berekenen als 1/C1. 48.
De in kolom B
genoemde risicogewichten worden op alle andere posities toegepast. 49.
Kredietrisicovermindering
ten aanzien van securitisatieposities kan overeenkomstig de punten 58, 59
en 60 worden erkend.
3.4.
Benadering met
toezichthoudersformule
50.
Onverminderd de
punten 56 en 57 is, in het kader van de benadering met
toezichthoudersformule, het risicogewicht van een securitisatiepositie 7% of
het risicogewicht dat overeenkomstig punt 51 moet worden toegepast,
naargelang welk risicogewicht het hoogst is. 51.
Onverminderd de
punten 56 en 57 is het risicogewicht dat op de post moet worden
toegepast: 12,5 x (S[L+T] – S[L]) / T waarbij waarbij t =
1000, en w = 20. In deze vergelijkingen verwijst Beta [x; a, b] naar de cumulatieve
betaverdeling waarbij de parameters a en b in x worden gewaardeerd. T (de omvang van de tranche waarin de
positie wordt gehouden) wordt gemeten als de verhouding tussen a) het
nominale bedrag van de tranche en b) de som van de waarde van de
vorderingen die zijn gesecuritiseerd. Hierbij is de waarde van een in bijlage IV
genoemd afgeleid instrument het overeenkomstig bijlage III berekende
potentiële toekomstige kredietrisico indien de actuele vervangingswaarde niet
positief is; Kirbr is de verhouding
tussen a) Kirb en b) de som van de waarde van de
vorderingen die gesecuritiseerd zijn. Kirbr wordt in decimale
vorm uitgedrukt (een Kirb die bijvoorbeeld gelijk is aan 15% van de pool zou
worden weergegeven als een Kirbr van 0,15). L (het kredietverbeteringsniveau) wordt gemeten als de verhouding
tussen het nominale bedrag van alle tranches die achtergesteld zijn bij de
tranche waarin de positie wordt gehouden en de som van de waarde van de
vorderingen die gesecuritiseerd zijn. Gekapitaliseerde toekomstige inkomsten
worden niet in de meting van L betrokken. Door tegenpartijen verschuldigde
bedragen in verband met in bijlage IV genoemde afgeleide instrumenten die
tranches van een lagere rangorde vertegenwoordigen dan de desbetreffende
tranche, kunnen bij de berekening van het niveau van de kredietverbetering
tegen hun actuele vervangingskostprijs worden berekend (exclusief de potentiële
toekomstige kredietrisico's). N is het effectieve aantal vorderingen, berekend overeenkomstig
punt 47. ELGD, het risicogewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling, wordt als
volgt berekend: waarbij LGDi de gemiddelde LGD is die verbonden is met alle
vorderingen op de ide debiteur, en LGD overeenkomstig de
artikelen 84 tot en met 89 wordt bepaald. In geval van
hersecuritisatie wordt een LGD van 100% op de gesecuritiseerde posities
toegepast. Wanneer wanbetaling en verwateringsrisico voor kortlopende gekochte
vorderingen in een securitisatie op geaggregeerde wijze worden behandeld (dat
wil zeggen er is één enkele reserve beschikbaar of er is sprake van
"over-collateralisation" (extra zekerheidsstelling) om verliezen uit
beide bronnen te dekken), wordt de input van de ELGD geconstrueerd als een
gewogen gemiddelde van de LGD voor het kredietrisico en 75% van het LGD voor
het verwateringsrisico. De risicogewichten zijn de afzonderlijke
kapitaalvereisten voor respectievelijk het kredietrisico en het
verwateringsrisico. Vereenvoudigde input Wanneer de waarde van de grootste gesecuritiseerde vordering, C1,
niet meer dan 3% van de som van de waarde van de gesecuritiseerde vorderingen
bedraagt, dan mag de kredietinstelling in het kader van de benadering met
toezichthoudersformule, bepalen dat LGD=50% en N gelijk is aan ofwel , ofwel N=1/ C1. Cm geeft de verhouding weer tussen de totale waarde van de
grootste "m"-vorderingen en de totale waarde van de gesecuritiseerde vorderingen.
Het niveau van "m" mag door de kredietinstelling worden bepaald. Voor securitisaties van vorderingen op particulieren en kleine partijen
mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat de benadering met
toezichthoudersformule wordt toegepast met gebruikmaking van de
vereenvoudigingen h=0 en v=0. 52.
Kredietrisicovermindering
ten aanzien van securitisatieposities mag overeenkomstig de punten 58
en 59 en 61 tot en met 65 worden erkend.
3.5.
Liquiditeitsfaciliteiten
53.
De bepalingen van de
punten 54 en 55 zijn van toepassing voor het vaststellen van de
waarde van securitisatieposities zonder rating in de vorm van bepaalde typen
liquiditeitsfaciliteiten.
3.5.1.
Liquiditeitsfaciliteiten
die slechts beschikbaar zijn indien zich een algemene marktverstoring voordoet
54.
Een omrekeningsfactor van
20% mag worden toegepast op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit
die slechts mag worden benut indien zich een algemene marktverstoring voordoet
en die voldoet aan de in punt 14 genoemde voorwaarden om als "toelaatbare
liquiditeitsfaciliteit" te kunnen worden aangemerkt.
3.5.2.
Voorschotfaciliteiten
55.
Een omrekeningsfactor van
0% kan worden toegepast op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit
die voldoet aan de in punt 16 genoemde voorwaarden.
3.5.3.
Uitzonderlijke gevallen
waarin Kirb niet kan worden berekend
56.
Wanneer het voor de
kredietinstelling niet doenlijk is de risicogewogen posten voor de
gesecuritiseerde vorderingen te berekenen alsof zij niet gesecuritiseerd zijn,
mag zij uitzonderlijk en mits de bevoegde autoriteiten hiervoor toestemming
hebben verleend, tijdelijk de volgende methode toepassen voor de berekening van
risicogewogen posten voor een securitisatiepositie zonder rating in de vorm van
een liquiditeitsfaciliteit. 57.
Het hoogste risicogewicht
dat overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 op alle gesecuritiseerde
vorderingen zou worden toegepast als zij niet gesecuritiseerd zouden zijn, mag
worden toegepast op de securitisatiepositie die door de liquiditeitsfaciliteit
wordt vertegenwoordigd. Om de waarde van de post te bepalen mag een
omrekeningsfactor van 50% worden toegepast op het nominale bedrag van de
liquiditeitsfaciliteit indien deze faciliteit een oorspronkelijke looptijd
heeft van één jaar of minder. Indien de liquiditeitsfaciliteit voldoet aan de
in punt 54 genoemde voorwaarden mag een omrekeningsfactor van 20% worden
toegepast.
3.6.
Erkenning van
kredietrisicovermindering ten aanzien van securitisatieposities
3.6.1.
Volgestorte
kredietprotectie
58.
Toelaatbare volgestorte
kredietprotectie blijft beperkt tot de instrumenten die in aanmerking komen
voor de berekening van risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 78 tot
en met 83, zoals in de artikelen 90 tot en met 93 is bepaald, en kan slechts
worden erkend indien aan de in deze artikelen vastgestelde relevante minimumvereisten
is voldaan.
3.6.2.
Niet-volgestorte
kredietprotectie
59.
Toelaatbare
niet-volgestorte kredietprotectie en erkende verschaffers van niet-volgestorte
kredietprotectie blijven beperkt tot de protectie en protectiegevers die
overeenkomstig de artikelen 90 tot en met 93 toelaatbaar is
respectievelijk voor erkenning in aanmerking komen; erkenning is slechts
mogelijk indien aan de in deze artikelen vastgestelde relevante
minimumvereisten is voldaan.
3.6.3.
Berekening van de
kapitaalvereisten voor securitisatieposities met kredietrisicovermindering
Ratingbenadering 60.
Wanneer risicogewogen
posten worden berekend met gebruikmaking van de ratingbenadering, mag de waarde
en/of de risicogewogen post van een securitisatiepositie ten aanzien waarvan
kredietprotectie is verkregen, worden gewijzigd overeenkomstig de bepalingen
van bijlage VIII die met het oog op de berekening van risicogewogen posten
overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 van toepassing zijn. Benadering met
toezichthoudersformule – volledige kredietprotectie 61.
Wanneer risicogewogen
posten worden berekend met gebruikmaking van de benadering met
toezichthoudersformule, stelt de kredietinstelling het "effectieve
risicogewicht" van de positie vast. Zij doet dit door de risicogewogen
post van de positie te delen door de waarde van de post en de uitkomst met 100
te vermenigvuldigen. 62.
In geval van volgestorte
kredietprotectie wordt de risicogewogen post van de securitisatiepositie
berekend door de voor de volgestorte protectie gecorrigeerde waarde van de post
(E*, als berekend overeenkomstig de artikelen 90 tot en met 93 met het oog op
de berekening van risicogewogen posten ingevolge de artikelen 78 tot en met 83,
waarbij E het bedrag van de securitisatiepositie weergeeft) te vermenigvuldigen
met het effectieve risicogewicht. 63.
In geval van
niet-volgestorte kredietprotectie wordt de risicogewogen post van de
securitisatiepositie berekend door GA (het bedrag van de protectie,
gecorrigeerd voor een eventuele valutamismatch en looptijdverschil
overeenkomstig de bepalingen van bijlage VIII) te vermenigvuldigen met het
risicogewicht van de protectiegever, en dit vervolgens op te tellen bij het
bedrag dat wordt verkregen door het bedrag van de securitisatiepositie minus GA,
te vermenigvuldigen met het effectieve risicogewicht. Benadering met
toezichthoudersformule – gedeeltelijke kredietprotectie 64.
Indien de
kredietrisicovermindering het "eerste verlies" of de verliezen op de
securitisatiepositie op proportionele basis dekt, mag de kredietinstelling de
punten 61, 62 en 63 toepassen. 65.
In de overige gevallen
behandelt de kredietinstelling de securitisatiepositie als twee of meer
posities, waarbij het niet-volgestorte gedeelte als de positie met de laagste
kredietkwaliteit wordt beschouwd. Met het oog op de berekening van de
risicogewogen post voor deze positie zijn de punten 50, 51 en 52 van
toepassing, behoudens de volgende wijzigingen: T wordt vervangen door e* in
geval van volgestorte protectie en door T-g in geval van niet-volgestorte
protectie, waarbij e* de verhouding weergeeft tussen E* en het totale
theoretische bedrag van de onderliggende pool, E* de aangepaste waarde is van
de securitisatiepositie, berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage VIII
die met het oog op de berekening van risicogewogen posten ingevolge de
artikelen 78 tot en met 83 van toepassing zijn, E het bedrag van de
securitisatiepositie weergeeft, en g de ratio weergeeft van het nominale bedrag
van de kredietprotectie (gecorrigeerd voor een eventuele valutamismatch of
looptijdverschil overeenkomstig de bepalingen van bijlage VIII) en de som van
de posten van de gesecuritiseerde vorderingen. In geval van niet-volgestorte
kredietprotectie wordt het risicogewicht van de protectiegever toegepast op dat
gedeelte van de positie dat niet onder de aangepaste waarde van T valt.
3.7.
Aanvullende
kapitaalvereisten voor securitisaties van revolverende posities met
vervroegde-aflossingsbepalingen
66.
Afgezien van de
berekening van de risicogewogen posten ten aanzien van haar
securitisatieposities wordt van een initiërende kredietinstelling verlangd dat
zij een risicogewogen post berekent overeenkomstig de in de punten 17 tot en
met 32 uiteengezette methodologie wanneer zij overgaat tot de verkoop van
revolverende posities in een securitisatie die een
vervroegde-aflossingsbepaling bevat. 67.
Voor de toepassing van
punt 66, worden de punten 20 en 21 vervangen door de punten 68 en 69. 68.
Voor de toepassing
van deze bepalingen is het "belang van de initiator" de som van: a) het nominale
bedrag van het theoretische gedeelte van een in het kader van een securitisatie
verkochte pool van opgenomen bedragen, waarvan de verhouding ten opzichte van
het bedrag van de totale in het kader van de structuur verkochte pool het
gedeelte van de kasstromen bepaalt die worden gegenereerd door de inning van
aflossingsbetalingen op de hoofdsom en van rentebetalingen en andere daarmee
samenhangende bedragen en die niet beschikbaar zijn om betalingen te verrichten
aan degenen die posities in de securitisatie hebben; en b) het nominale
bedrag van het gedeelte van de pool van niet-opgenomen bedragen van de
kredietlijnen waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de securitisatie
zijn verkocht, waarvan de verhouding ten opzichte van het totale bedrag van
dergelijke niet-opgenomen bedragen dezelfde is als de verhouding van het in
punt a) beschreven nominale bedrag en het nominale bedrag van de pool van
opgenomen bedragen die in het kader van de securitisatie zijn verkocht. Om als "belang van
de initiator" te kunnen worden aangemerkt mag dit belang niet
achtergesteld zijn aan het belang van de investeerders. Onder "belang van
de investeerders" wordt verstaan het nominale bedrag van het theoretische
gedeelte van de pool van opgenomen bedragen dat niet onder punt a) valt,
plus het nominale bedrag van het gedeelte van de pool van niet-opgenomen
bedragen van kredietlijnen waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de
securitisatie zijn verkocht, dat niet onder punt b) valt. 69.
De positie van de
initiërende kredietinstelling die verband houdt met haar rechten ten aanzien
van het gedeelte van het belang van de initiator dat in punt 68,
onder a), wordt beschreven, wordt niet als een securitisatiepositie
beschouwd maar als een positie die evenredig is met de gesecuritiseerde
vorderingen in de vorm van opgenomen bedragen alsof zij niet gesecuritiseerd
waren tot een bedrag gelijk aan het in punt 68, onder a), bedoelde
bedrag. De initiërende kredietinstelling wordt tevens geacht een positie in te
nemen die evenredig is met de niet-opgenomen bedragen van de kredietlijnen
waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de securitisatie zijn verkocht
tot een bedrag dat gelijk is aan het in punt 68, onder b), bedoelde
bedrag.
3.8.
Vermindering van
risicogewogen posten
70.
De risicogewogen post van
een securitisatiepositie waarop een risicogewicht van 1250% wordt toegepast,
mag worden verminderd met 12,5 maal het bedrag van de eventuele
waardeaanpassingen die door de kredietinstelling op de gesecuritiseerde
vorderingen worden toegepast. Waardeaanpassingen die aldus in aanmerking worden
genomen, worden buiten beschouwing gelaten voor de berekening welke in
bijlage VII, deel 1, punt 34, wordt vermeld. 71.
De risicogewogen post van
een securitisatiepositie kan worden verminderd met 12,5 maal het bedrag
van de eventuele waardeaanpassingen die door de kredietinstelling op de positie
worden toegepast. 72.
Overeenkomstig
artikel 66, lid 2, beschikken kredietinstellingen ten aanzien van een
securitisatiepositie waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing is over
de mogelijkheid om de waarde van deze positie van hun eigen vermogen af te
trekken, in plaats van de positie bij de berekening van de risicogewogen posten
mee te tellen. 73.
Voor de toepassing van
punt 72: a) mag de waarde
van de positie worden afgeleid van de risicogewogen posten, waarbij rekening
wordt gehouden met eventuele verminderingen overeenkomstig de punten 70
en 71; b) mag bij de
berekening van de waarde van de positie de toelaatbare volgestorte protectie in
aanmerking worden genomen op een wijze die strookt met de in de punten 58
tot en met 65 beschreven methodologie; c) mag, wanneer de
benadering met toezichthoudersformule wordt gebruikt om risicogewogen posten te
berekenen en L < KIRBR en [L+T] > KIRBR, de positie worden behandeld als twee
posities waarbij voor de positie met de hoogste rangorde L gelijk is aan KIRBR. 74.
Wanneer een
kredietinstelling gebruik maakt van de in punt 72 bedoelde mogelijkheid
wordt voor de toepassing van punt 44, 12,5 maal het bedrag dat
overeenkomstig punt 72 is afgetrokken, in mindering gebracht op het bedrag
dat in punt 44 wordt gespecificeerd als de maximale risicogewogen post die
door de in dat punt bedoelde kredietinstellingen moet worden berekend. Bijlage X
Operationeel risico
Deel 1 - Basisindicatorbenadering
1.
Kapitaalvereiste
1.
Volgens de
basisindicatorbenadering is het kapitaalvereiste voor het operationele risico
gelijk aan 15% van de relevante indicator die hieronder wordt gedefinieerd.
2.
Relevante indicator
2.
De relevante indicator is
het driejaarsgemiddelde van de som van de netto rentebaten en de netto
niet-rentebaten. 3.
Het driejaarsgemiddelde
wordt berekend op basis van de laatste zes twaalfmaandelijkse waarnemingen
halverwege en aan het eind van het boekjaar. Wanneer geen gecontroleerde
cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt. 4.
Indien voor een bepaalde
waarneming de som van de netto rentebaten en de netto niet-rentebaten negatief
is of gelijk is aan nul, wordt dit cijfer niet in aanmerking genomen bij de
berekening van het driejaarsgemiddelde. De relevante indicator wordt in dat
geval berekend als de som van de positieve cijfers, gedeeld door het aantal
positieve cijfers.
2.1.
Kredietinstellingen die
onder Richtlijn 86/635/EEG vallen
5.
Uitgaande van de
boekhoudkundige rubrieken voor de winst- en verliesrekening van
kredietinstellingen volgens het schema van artikel 27 van Richtlijn
86/635/EEG wordt de relevante indicator weergegeven als de som van de in
tabel 1 genoemde bestanddelen. Elk bestanddeel wordt meegeteld met het
bijbehorende positieve of negatieve teken. 6.
Het is mogelijk dat deze
bestanddelen moeten worden aangepast om de in de punten 7 en 8
bedoelde kwalificaties weer te geven. Tabel 1 1 Ontvangen rentebaten en soortgelijke baten 2 Rente en soortgelijke lasten 3 Opbrengsten uit waardepapieren: a) opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren b) opbrengsten uit deelnemingen c) opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen 4 Ontvangen provisie/vergoedingen 5 Betaalde provisie/vergoedingen 6 Resultaat uit financiële transacties 7 Overige bedrijfsopbrengsten
2.1.1.
Kwalificaties
7.
De
indicator wordt berekend vóór aftrek van eventuele voorzieningen en
bedrijfskosten. 8.
De
volgende bestanddelen worden niet voor de berekening van de indicator gebruikt: a) gerealiseerd
resultaat uit de verkoop van bestanddelen die geen deel uitmaken van de
handelsportefeuille; b) inkomsten
uit buitengewone of onregelmatige posten; c) inkomsten
uit verzekeringen. Wanneer de herwaardering
van de in de handelsportefeuille opgenomen posten een onderdeel vormt van de
winst- en verliesrekening, kan deze herwaardering worden meegeteld. Wanneer
artikel 36, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG wordt toegepast, dan
dient de in de winst- en verliesrekening geboekte herwaardering te worden
meegeteld.
2.2.
Kredietinstellingen die
aan een ander wettelijk kader voor de financiële verslaglegging zijn
onderworpen
9.
Wanneer
kredietinstellingen onderworpen zijn aan andere verslagleggingsregelgeving dan
die welke bij Richtlijn 86/635/EG is vastgesteld, dienen zij de relevante
indicator te berekenen op basis van gegevens die het best bij de bovenstaande
definitie aansluiten. Deel 2 -
Standaardbenadering
1.
Kapitaalvereiste
1.
Volgens de
standaardbenadering is het kapitaalvereiste voor het operationele risico de
eenvoudige som van de kapitaalvereisten, berekend voor elke in tabel 2
weergegeven business line. 2.
Het kapitaalvereiste voor
een business line is gelijk aan een bepaald percentage van een relevante
indicator. 3.
De indicator wordt voor
elke business line afzonderlijk berekend. 4.
Voor elke business line
is de relevante indicator het driejaarsgemiddelde van de som van de netto
rentebaten en de jaarlijkse netto niet-rentebaten zoals aangegeven in
deel 1, punten 5 tot en met 9. 5.
Het driejaarsgemiddelde
wordt berekend op basis van de laatste zes twaalfmaandelijkse waarnemingen
halverwege en aan het eind van het begrotingsjaar. Wanneer geen gecontroleerde
cijfers beschikbaar zijn, mogen ramingen worden gebruikt. 6.
Indien voor een
waarneming de som van de netto rentebaten en de netto niet-rentebaten negatief
is, wordt aan de uitkomst de waarde van nul toegekend. Tabel 2: Business line || Activiteiten || Per-cen-tage Ondernemings-financiering || Het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie Diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten Beleggingsadvies Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichting op het gebied van fusies en overnames van ondernemingen Onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten || 18% Handel en verkoop || Het handelen voor eigen rekening Bemiddeling op interbankmarkten Het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten Het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten Het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie Het exploiteren van multilaterale handelsfaciliteiten || 18% Courtagediensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen (Activiteiten met individuele natuurlijke personen of met kleine en middelgrote ondernemingen die voldoen aan de in artikel 79 genoemde criteria om in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen te kunnen worden opgenomen) || Het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten Het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten Het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie || 12% Zakelijke bankdiensten || Inontvangstneming van deposito's of andere terugbetaalbare gelden Verstrekken van leningen Leasing Verlenen van garanties en stellen van borgtochten || 15% Bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen (Activiteiten met individuele natuurlijke personen of met kleine en middelgrote ondernemingen die voldoen aan de in artikel 79 genoemde criteria om in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen te kunnen worden opgenomen) || Inontvangstneming van deposito's of andere terugbetaalbare gelden Verstrekken van leningen Leasing Verlenen van garanties en stellen van borgtochten || 12% Betaling en afwikkeling || Betalingsverrichtingen Uitgifte en het beheer van betaalmiddelen || 18% Bemiddelingsdiensten || Bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer || 15% Vermogensbeheer || Portefeuillebeheer Beheer van ICBE's Andere vormen van vermogensbeheer || 12% 7.
De bevoegde autoriteiten
kunnen een kredietinstelling toestaan haar kapitaalvereiste voor het
operationele risico te berekenen met gebruikmaking van een alternatieve
standaardbenadering als bedoeld in de punten 9 tot en met 16.
2.
Beginselen voor de
mapping van business lines
8.
Kredietinstellingen
moeten bijzondere gedragslijnen en criteria ontwikkelen en vastleggen om de
indicator voor bestaande business lines en activiteiten in het
gestandaardiseerde raamwerk in te passen. Voor nieuwe of veranderende
bedrijfsactiviteiten en risico’s moeten de criteria in voorkomend geval aan een
nieuw onderzoek worden onderworpen en worden aangepast. De volgende beginselen
zijn op de mapping van business lines van toepassing: a) alle
activiteiten moeten op een mutueel exclusieve en uitputtende wijze bij business
lines worden ingedeeld; b) een activiteit
die niet gemakkelijk in het raamwerk van business lines kan worden ingepast,
doch die een nevenactiviteit vormt van een in dit raamwerk opgenomen
activiteit, moet bij de business line worden ingedeeld die zij ondersteunt.
Indien meer dan één business line door middel van de nevenactiviteit wordt
ondersteund, moet een objectief criterium worden gehanteerd om deze bij een
bepaalde business line in te delen; c) indien een
activiteit niet bij een bepaalde business line kan worden ingedeeld moet worden
gekozen voor de business line die het hoogste percentage oplevert. Een
eventuele daarmee samenhangende nevenactiviteit moet in dezelfde business line
worden ingedeeld; d) kredietinstellingen
kunnen interne tariferingsmethoden gebruiken om de indicatoren voor de
verschillende business lines vast te stellen. Kosten die in een bepaalde
business line worden gegenereerd doch die aan een andere business line kunnen
worden toegeschreven, mogen heringedeeld worden bij de business line waarop zij
betrekking hebben, bijvoorbeeld door een behandeling toe te passen die
gebaseerd is op de interne overdrachtskosten tussen beide business lines; e) de indeling van
activiteiten bij business lines met het oog op de vaststelling van de
kapitaalvereisten voor het operationele risico moet in overeenstemming zijn met
de categorieën die voor het krediet- en voor het marktrisico worden gebruikt; f) de
bedrijfsleiding is verantwoordelijk voor de mapping, onder toezicht van de
bestuursorganen van de kredietinstelling; g) de mapping moet
aan een onafhankelijk onderzoek worden onderworpen.
3.
Alternatieve indicatoren
voor bepaalde business lines
3.1.
Modaliteiten
9.
De bevoegde autoriteiten
kunnen de kredietinstelling toestaan een alternatieve indicator te gebruiken
voor de business lines ‘bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine
partijen’ en ‘zakelijke bankdiensten’. 10.
Voor deze business lines
geldt als relevante indicator een genormaliseerde inkomstenindicator die gelijk
is aan het driejaarsgemiddelde van het totale nominale bedrag van de verstrekte
leningen en voorschotten, vermenigvuldigd met 0,035. 11.
Voor de business line
‘bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen’ bestaan de
verstrekte leningen en voorschotten uit de totale opgenomen bedragen in de
volgende kredietportefeuilles: particulieren, kleine en middelgrote
ondernemingen behandeld als particulieren of kleine partijen, en gekochte
kortlopende vorderingen op particulieren of op kleine partijen. 12.
Voor de business line
‘zakelijke bankdiensten’ bestaan de verstrekte leningen en voorschotten uit de
opgenomen bedragen in de volgende kredietportefeuilles: ondernemingen, landen,
instellingen, gespecialiseerde kredietverlening, kleine en middelgrote
ondernemingen behandeld als ondernemingen en gekochte kortlopende vorderingen
op ondernemingen. Hieronder vallen tevens buiten de handelsportefeuille
aangehouden effecten.
3.2.
Voorwaarden
13.
Er
mag slechts gebruik worden gemaakt van de alternatieve indicatoren indien aan
de in de punten 14, 15 en 16 genoemde voorwaarden is voldaan.
3.2.1.
Algemene
voorwaarden
14.
De kredietinstelling
voldoet aan de in punt 17 genoemde kwalificatiecriteria.
3.2.2.
Bijzondere voorwaarden
voor ‘bankdiensten ten behoeve van particulieren en kleine partijen’ en
‘zakelijke bankdiensten’
15.
‘Bankdiensten ten behoeve
van particulieren en kleine partijen’ en ‘zakelijke bankdiensten’ vormen veruit
de belangrijkste activiteiten van de kredietinstelling; zij vertegenwoordigen
ten minste 90% van haar inkomsten. 16.
De kredietinstelling kan
aan de bevoegde autoriteiten aantonen dat een significant deel van haar
activiteiten op het gebied van ‘bankdiensten ten behoeve van particulieren en
kleine partijen’ en/of ‘zakelijke bankdiensten’ betrekking heeft op leningen
met een grote kans op wanbetaling, en dat de alternatieve standaardbenadering
een betere grondslag biedt om het operationele risico te analyseren.
4.
Kwalificatiecriteria
17.
Kredietinstellingen
moeten, behalve aan de algemene normen voor het risicobeheer zoals bedoeld in
artikel 22 en bijlage V, tevens aan de onderstaande
kwalificatiecriteria voldoen: a) zij beschikken
over een goed gedocumenteerd systeem voor de beoordeling en het beheer van
operationele risico's, waaraan welomschreven taken zijn toegewezen. Zij geven
hun blootstelling aan het operationele risico aan en houden relevante gegevens
bij inzake het operationele risico, zoals gegevens over materiële verliezen.
Dit systeem wordt regelmatig aan een onafhankelijk onderzoek onderworpen; b) het
beoordelingssysteem voor het operationele risico moet goed geïntegreerd zijn in
de door de kredietinstelling toegepaste risicobeheersprocessen. De output ervan
moet een integraal onderdeel vormen van het proces van bewaking en beheersing
van het operationele risico van de kredietinstelling; c) kredietinstellingen
leggen een systeem van managementverslaggeving ten uitvoer dat voorziet in het
uitbrengen van verslagen over het operationele risico aan de relevante functies
binnen de kredietinstelling. Kredietinstellingen beschikken over procedures om
passende maatregelen te nemen in reactie op de in de managementverslagen
vervatte informatie. Deel 3 –
Geavanceerde meetbenaderingen
1.
Kwalificatiecriteria
1.
Om gebruik te kunnen
maken van een geavanceerde meetbenadering moeten kredietinstellingen de bevoegde
autoriteiten ervan overtuigen dat zij behalve aan de algemene normen voor
risicobeheer als bedoeld in artikel 22 en bijlage V, tevens aan de
onderstaande kwalificatiecriteria voldoen.
1.1.
Kwalitatieve normen
2.
Het interne systeem voor
de meting van het operationele risico is in hoge mate geïntegreerd in het
dagelijkse proces van risicobeheer van de kredietinstelling. 3.
De kredietinstelling moet
over een onafhankelijke risicobeheersfunctie voor het operationele risico
beschikken. 4.
Er moet periodiek verslag
worden uitgebracht over de blootstelling aan operationeel risico en geleden
verliezen. De kredietinstelling beschikt over procedures om passende
corrigerende maatregelen te nemen. 5.
Het risicobeheersysteem
van de kredietinstelling is naar behoren schriftelijk vastgelegd. De instelling
heeft procedures vastgesteld om naleving te waarborgen en beschikt over
gedragslijnen om niet-naleving aan te pakken. 6.
De risicobeheersprocessen
en -metingssystemen voor het operationele risico worden periodiek door interne
en/of externe accountants aan een onderzoek onderworpen. 7.
De validatie door de
bevoegde autoriteiten van het systeem voor de meting van het operationele
risico omvat de volgende elementen: a) er moet worden
nagegaan of de interne validatieprocedures bevredigend functioneren; b) er moet voor
worden gezorgd dat datastromen en procedures in het kader van het
risicometingssysteem doorzichtig en toegankelijk zijn.
1.2.
Kwantitatieve normen
1.2.1.
Procedure
8.
Bij de berekening van hun
kapitaalvereiste houden de kredietinstellingen zowel rekening met verwachte als
met onverwachte verliezen, tenzij zij kunnen aantonen dat verwachte verliezen
in hun interne bedrijfspraktijk naar behoren in aanmerking worden genomen. De
meting van het operationele risico moet met potentieel ernstige gebeurtenissen
rekening houden, en een deugdelijkheidsnorm halen die vergelijkbaar is met een
betrouwbaarheidsinterval van 99,9% over een periode van één jaar. 9.
Het door een
kredietinstelling gehanteerde systeem voor de meting van het operationele
risico moet bepaalde essentiële kenmerken vertonen om aan de bovenbedoelde
deugdelijkheidsnorm te voldoen. Tot deze kenmerken behoren het gebruik van
interne gegevens en het gebruik van externe gegevens, scenario-analyse en
factoren die het ondernemingsklimaat en de interne controlesystemen weergeven
zoals in de punten 13 tot en met 24 wordt beschreven. Een
kredietinstelling moet over een schriftelijk vastgelegde methode beschikken om
het gebruik van deze vier elementen in haar algemene systeem voor de meting van
het operationele risico te wegen. 10.
Het risicometingssysteem
bevat de voornaamste risicobepalende factoren die van invloed zijn op de staart
van de verliesramingen. 11.
Correlaties tussen uit
het operationele risico voortvloeiende verliezen die in afzonderlijke ramingen
zijn opgenomen mogen slechts worden erkend indien de kredietinstelling ten
behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren heeft aangetoond dat de
systemen waarmee zij de correlaties meet deugdelijk zijn, op integere wijze
worden toegepast en de onzekerheid waarmee dergelijke correlatieramingen zijn
omgeven, met name in perioden van stress, in aanmerking nemen. De
kredietinstelling moet haar correlatiehypothesen valideren op grond van
passende kwantitatieve en kwalitatieve technieken. 12.
Het risicometingssysteem is
intern consistent en vermijdt de meervoudige telling van kwalitatieve
beoordelingen of risicoverminderingstechnieken die in andere onderdelen van de
kapitaaltoereikendheidsregeling worden erkend.
1.2.2.
Interne gegevens
13.
Intern tot stand gekomen
metingen van het operationele risico zijn gebaseerd op een historische
waarnemingsperiode van ten minste vijf jaar. Wanneer een kredietinstelling voor
het eerst gebruik maakt van een geavanceerde meetbenadering is een historische
waarnemingsperiode van drie jaar aanvaardbaar. 14.
Kredietinstellingen
moeten hun historische interne verliesgegevens kunnen opsplitsen volgens de
business lines als omschreven in deel 2 en de soorten gebeurtenissen als
omschreven in deel 5, en deze gegevens op verzoek aan de bevoegde
autoriteiten kunnen verstrekken. Er moeten schriftelijk vastgelegde, objectieve
criteria zijn voor de toewijzing van verliezen aan de gespecificeerde business
lines en soorten gebeurtenissen. De uit het operationele risico voortvloeiende
verliezen die verband houden met kredietrisico en die tot dusverre gewoonlijk
in de interne databanken voor kredietrisico werden opgenomen, moeten in de
databanken voor operationeel risico worden geregistreerd en afzonderlijk worden
geïdentificeerd. Deze verliezen vallen niet onder het kapitaalvereiste voor het
operationele risico zolang zij met het oog op de berekening van de
minimumkapitaalvereisten als kredietrisico worden behandeld. De uit het
operationele risico voortvloeiende verliezen die verband houden met
marktrisico’s worden ondergebracht bij het kapitaalvereiste voor het
operationele risico. 15.
De interne
verliesgegevens van de kredietinstelling moeten volledig zijn in die zin dat
zij betrekking hebben op alle belangrijke activiteiten en vorderingen van alle
betrokken systemen en geografische locaties. Kredietinstellingen moeten kunnen
aantonen dat eventuele uitgesloten activiteiten of vorderingen, hetzij
afzonderlijk hetzij tezamen genomen, geen aanzienlijke invloed zouden hebben op
de risicoschattingen als geheel. Er moet een passende minimumverliesdrempel
worden vastgesteld voor de interne verzameling van verliesgegevens. 16.
Afgezien van informatie
over brutoverliezen verzamelen kredietinstellingen tevens gegevens over de
datum van de gebeurtenis en de eventuele recuperatie van brutoverliesbedragen,
en geven zij een beschrijving van de aanleidingen of oorzaken van de
verliesgebeurtenis. 17.
Er zijn gespecificeerde
criteria voorhanden op grond waarvan verliesgegevens kunnen worden toegewezen
die het gevolg zijn van een gebeurtenis in een gecentraliseerde afdeling of
activiteit die zich over meer dan één business line uitstrekt, en op grond
waarvan eveneens verliezen kunnen worden toegewezen die een gevolg zijn van
chronologisch samenhangende gebeurtenissen. 18.
Kredietinstellingen
moeten over schriftelijk vastgelegde procedures beschikken om te beoordelen of
historische verliesgegevens nog steeds relevant zijn, met inbegrip van
situaties waarbij op eigen oordeel wordt afgegaan of gebruik kan worden gemaakt
van de weging van gegevens of van andere aanpassingen, in hoeverre deze
procedures kunnen worden gebruikt en wie bevoegd is om terzake besluiten te
nemen.
1.2.3.
Externe gegevens
19.
Het systeem voor de
meting van het operationele risico van de kredietinstelling maakt gebruik van
relevante externe gegevens, met name wanneer er reden is om aan te nemen dat de
kredietinstelling blootstaat aan occasionele, doch potentieel ernstige
verliezen. Een kredietinstelling moet over een systematische procedure
beschikken om vast te stellen in welke situaties externe gegevens moeten worden
gebruikt en welke methodologieën moeten worden gehanteerd om de gegevens in
haar metingssysteem op te nemen. De voorwaarden en praktijken inzake het
gebruik van externe gegevens moeten regelmatig worden geëvalueerd, schriftelijk
worden vastgelegd en periodiek aan een onafhankelijk onderzoek worden
onderworpen.
1.2.4.
Scenario-analyse
20.
De kredietinstelling
maakt gebruik van deskundige scenario-analyse alsmede van externe gegevens om
haar blootstelling aan zeer ernstige gebeurtenissen te evalueren. Deze
beoordelingen moeten in de loop van de tijd regelmatig worden gevalideerd en
opnieuw geëvalueerd door vergelijking met de feitelijke verlieservaring om de
redelijkheid ervan te verifiëren.
1.2.5.
Factoren inzake
ondernemingsklimaat en interne controle
21.
De risicobeoordelingsmethodologie
van de kredietinstelling die op de gehele onderneming van toepassing is moet
belangrijke factoren inzake het ondernemingsklimaat en de interne controle in
aanmerking nemen die haar profiel inzake het operationele risico kunnen
wijzigen. 22.
Elke gekozen factor moet
een belangrijke risicobepalende factor zijn en de keuze ervan dient te worden
gerechtvaardigd op basis van ervaring en een deskundig oordeel over de
desbetreffende bedrijfsonderdelen. 23.
De gevoeligheid van
risicoramingen voor wijzigingen in de factoren en de relatieve weging van de
verschillende factoren moeten op weldoordachte wijze worden verwerkt. De
methodologie moet niet alleen wijzigingen van het risico als gevolg van
verbeteringen in het risicobeheersingsinstrumentarium in aanmerking nemen, doch
tevens rekening houden met potentieel verhoogde risico's als gevolg van een
grotere complexiteit van activiteiten of een toename van het transactievolume. 24.
De methodologie moet
schriftelijk zijn vastgelegd en zowel binnen de kredietinstelling als door
bevoegde autoriteiten aan een onafhankelijk onderzoek worden onderworpen. De
procedure en de resultaten moeten in de loop van de tijd worden gevalideerd en
geëvalueerd door deze te vergelijken met de feitelijke interne verlieservaring
en relevante externe gegevens.
2.
Impact van verzekering
25.
Kredietinstellingen
kunnen de impact van verzekering in aanmerking nemen mits aan de in de
punten 26 tot en met 29 genoemde voorwaarden is voldaan. 26.
De aanbieder is
gemachtigd om verzekering of herverzekering aan te bieden. 27.
De aanbieder heeft een
minimale solvabiliteitsrating van A (of een equivalent daarvan): a) de
verzekeringspolis moet een oorspronkelijke looptijd hebben van ten minste één
jaar. Voor polissen met een resterende looptijd van minder dan één jaar moet de
kredietinstelling passende reductiefactoren vaststellen die de afnemende
resterende looptijd van de polis weergeven, tot een factor van 100% voor
polissen met een resterende looptijd van 90 dagen of minder; b) voor de
verzekeringspolis geldt een minimumopzegtermijn van 90 dagen; c) de
verzekeringspolis bevat geen uitsluitende of beperkende clausules die naar
aanleiding van toezichtmaatregelen in werking treden of die, in het geval van
een faillerende kredietinstelling, de kredietinstelling, de bewindvoerder of de
curator beletten de door die kredietinstelling geleden schade of gemaakte
kosten terug te vorderen, behalve indien zij betrekking hebben op
gebeurtenissen die na de aanstelling van de bewindvoerder of na de inleiding
van de liquidatieprocedure hebben plaatsgevonden; wel mag de polis boetes,
sancties of schadevergoeding met een punitief karakter als gevolg van door de
bevoegde autoriteit genomen maatregelen uitsluiten; d) de berekeningen
inzake risicovermindering moeten de verzekeringsdekking weergeven op een wijze
die duidelijk gerelateerd is aan en consistent is met de daadwerkelijke kans op
en gevolgen van schade waarvan bij de vaststelling van het kapitaalvereiste
voor het operationele risico wordt uitgegaan; e) de verzekering wordt
verstrekt door een derde partij. In geval van verzekering door middel van
captives en gelieerde ondernemingen moet het risico, bijvoorbeeld door middel
van herverzekering, worden overgedragen aan een onafhankelijke derde partij die
aan de toelatingscriteria voldoet; f) het kader voor
de inaanmerkingneming van verzekering is goed onderbouwd en gedocumenteerd. 28.
De methodologie die met
het oog op de inaanmerkingneming van verzekering wordt toegepast houdt door
middel van kortingen op of verlagingen van het in aanmerking te nemen
verzekeringsbedrag rekening met de volgende elementen: a) de resterende
looptijd van een polis, indien deze minder bedraagt dan één jaar, zoals
hierboven opgemerkt; b) de opzegtermijn
van een polis, indien deze minder dan één jaar bedraagt; c) de onzekerheid
van betaling alsmede verschillen in de dekking van verzekeringspolissen. 29.
De vermindering van het
kapitaalvereiste als gevolg van de inaanmerkingneming van verzekering bedraagt
ten hoogste 20% van het kapitaalvereiste voor het operationele risico, alvorens
met eventuele risicoverminderingstechnieken rekening wordt gehouden.
3.
Aanvraag om gebruik te
mogen maken van een geavanceerde meetbenadering voor de gehele groep
30.
Wanneer een
EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de
dochterondernemingen van een financiële EU-moederinstelling van een
geavanceerde meetbenadering gebruik wensen te maken moet de aanvraag hiertoe
een beschrijving bevatten van de methodologie die wordt toegepast om het
kapitaalvereiste voor het operationele risico over de verschillende entiteiten
van de groep te verdelen. 31.
De aanvraag geeft aan of
en op welke wijze diversificatie-effecten in het risicometingssysteem zullen
worden verwerkt. Deel 4 –
Gecombineerde toepassing van verschillende methodologieën
1.
Toepassing van een
geavanceerde meetbenadering in combinatie met andere benaderingen
1.
Een kredietinstelling mag
een geavanceerde meetbenadering toepassen in combinatie met de
basisindicatorbenadering of de standaardbenadering, mits aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan: a) alle
operationele risico's van de kredietinstelling worden in aanmerking genomen. De
bevoegde autoriteit stemt in met de methodologie die wordt toegepast om de
verschillende activiteiten, geografische locaties, juridische structuren en
andere relevante, intern vastgestelde onderverdelingen in aanmerking te nemen; b) er is aan de in
de delen 2 en 3 genoemde kwalificatiecriteria voldaan ten aanzien van
de activiteiten die met gebruikmaking van, respectievelijk, de
standaardbenadering en de geavanceerde meetbenadering in aanmerking worden
genomen. 2.
De bevoegde autoriteit
mag van geval tot geval de volgende aanvullende voorwaarden stellen: a) vanaf de datum
waarop een geavanceerde meetbenadering wordt ingevoerd wordt deze benadering op
een significant gedeelte van de operationele risico's van de kredietinstelling
toegepast; b) de
kredietinstelling verbindt zich ertoe de geavanceerde meetbenadering over een
aanzienlijk gedeelte van haar activiteiten uit te rollen overeenkomstig een met
de bevoegde autoriteiten overeengekomen tijdschema.
2.
Gecombineerde toepassing
van de basisindicatorbenadering en de standaardbenadering
3.
Een gecombineerde
toepassing van de basisindicatorbenadering en de standaardbenadering is slechts
in uitzonderlijke omstandigheden toegestaan, zoals bij de recente verwerving
van nieuwe activiteiten waarbij een overgangsperiode nodig kan zijn voor het
uitrollen van de standaardbenadering. 4.
Een kredietinstelling mag
de basisindicatorbenadering en de standaardbenadering slechts gecombineerd
gebruiken indien zij zich ertoe heeft verbonden de standaardbenadering binnen
een met de bevoegde autoriteiten overeengekomen tijdschema uit te rollen. Deel 5 –
Indeling van verliesgebeurtenissen Tabel 3 Soort gebeurtenis || Definitie || Interne fraude || Verliezen als gevolg van handelingen waarbij ten minste één interne partij betrokken is en waarmee wordt beoogd te frauderen, eigendommen te verduisteren of wet- of regelgeving of het ondernemingsbeleid te ontduiken of te omzeilen, met uitzondering van gebeurtenissen voortvloeiend uit ongelijkheid/discriminatie || Externe fraude || Verliezen als gevolg van door een derde partij gestelde handelingen met de bedoeling te frauderen, eigendommen te verduisteren of de wet te ontduiken || Praktijken op het gebied van de werkomstandigheden en veiligheid op de werkplaats || Verliezen als gevolg van handelingen die niet in overeenstemming zijn met wetgeving of overeenkomsten op het gebied van werkomstandigheden, gezondheid of veiligheid, als gevolg van de uitkering van schadevergoeding voor letsel, of als gevolg van gebeurtenissen in verband met ongelijkheid/discriminatie || Cliënten, producten en ondernemingspraktijken || Verliezen als gevolg van het onopzettelijk of uit onachtzaamheid niet nakomen van een professionele verplichting (met inbegrip van fiduciaire en geschiktheidseisen) jegens bepaalde cliënten, of als gevolg van de aard of het ontwerp van een product || Schade aan fysieke activa || Verliezen als gevolg van verlies van of schade aan fysieke activa door natuurrampen of andere gebeurtenissen || Verstoring van bedrijfsactiviteiten en systeemfalen || Verliezen als gevolg van een verstoring van bedrijfsactiviteiten of systeemfalen || Uitvoering, levering en procesbeheer || Verliezen als gevolg van falende transactieverwerking of procesbeheer of als gevolg van relaties met handelspartners en verkopers || Bijlage XI
Technische criteria inzake de evaluatie door de bevoegde autoriteiten 1.
De
evaluatie die overeenkomstig artikel 124 door de bevoegde autoriteiten
wordt verricht heeft, afgezien van het kredietrisico, het marktrisico en het
operationele risico, eveneens betrekking op: a) de
resultaten van de stresstests die zijn uitgevoerd door de kredietinstellingen
die een interne-ratingbenadering toepassen; b) de
blootstelling aan en het beheer van het liquiditeitsrisico en het
concentratierisico door de kredietinstellingen, met inbegrip van de naleving
van de in de artikelen 108 tot en met 118 vervatte vereisten door
deze kredietinstellingen; c) de
deugdelijkheid, geschiktheid en wijze van toepassing van de door de
kredietinstellingen gevolgde gedragslijnen en procedures met het oog op het
beheer van het restrisico dat de toepassing van erkende
kredietrisicoverminderingstechnieken met zich brengt; d) de
vraag in hoeverre het eigen vermogen dat een kredietinstelling houdt met
betrekking tot de activa die zij gesecuritiseerd heeft toereikend is in het
licht van de economische kenmerken van de transactie, met inbegrip van de mate
waarin er sprake is van risico-overdracht. 2.
De
bevoegde autoriteiten controleren of een kredietinstelling een securitisatie
stilzwijgend heeft gesteund. Indien blijkt dat een kredietinstelling meer dan
eens stilzwijgende steun heeft verleend, dan neemt de bevoegde autoriteit
passende maatregelen op basis van het vermoeden dat de kans groter is dat zij
ook in de toekomst haar securitisaties zal steunen waardoor er dus geen sprake
is van een aanzienlijke risico-overdracht. Bijlage XII
Technische criteria inzake openbaarmaking
Deel 1
- Algemene criteria 1.
Openbaar gemaakte
informatie wordt als relevant beschouwd indien de weglating of onjuiste
vermelding ervan het oordeel of de beslissing zou kunnen wijzigen of
beïnvloeden van een gebruiker die zich voor het nemen van economische besluiten
op die informatie baseert. 2.
Informatie wordt als
eigendom van een kredietinstelling beschouwd indien het delen van die
informatie met het publiek haar concurrentiepositie zou ondermijnen. Dit geldt
tevens voor informatie over producten of systemen die, indien zij met
concurrenten zou worden gedeeld, de waarde van de investeringen van de
kredietinstelling in die producten of systemen zou verminderen. 3.
Informatie wordt als
vertrouwelijk beschouwd indien er sprake is van verplichtingen jegens afnemers
of relaties met andere tegenpartijen op grond waarvan een kredietinstelling aan
geheimhouding gebonden is. 4.
De bevoegde autoriteiten
verplichten kredietinstellingen ertoe te beoordelen of het noodzakelijk is
sommige of alle informatie meer dan eenmaal per jaar bekend te maken in het
licht van de relevante kenmerken van hun verrichtingen, zoals de omvang van hun
transacties, het spectrum van hun activiteiten, hun aanwezigheid in
verschillende landen, hun betrokkenheid bij verschillende financiële sectoren,
en hun deelname aan internationale financiële markten en betalings-,
afwikkelings- en clearingsystemen. Bij deze beoordeling wordt bijzondere
aandacht besteed aan de mogelijke behoefte aan een frequentere openbaarmaking
van de gegevens die in deel 2, punt 3, onder b) en e), en punt 4,
onder b) tot en met f), worden genoemd, en van informatie over de
risicopositie en andere parameters die aan snelle verandering onderhevig zijn. 5.
De informatie die
overeenkomstig deel 2, punt 4, onder f), wordt verlangd, wordt
conform artikel 71, leden 1 en 2, verstrekt. Deel 2
– Algemene vereisten 1.
De doelstellingen en
gedragslijnen van de kredietinstelling op het gebied van risicobeheer worden
voor elke afzonderlijke risicocategorie openbaar gemaakt, met inbegrip van de
risico's die in de punten 1 tot en met 13 worden genoemd. Deze
openbaarmaking omvat: a) de strategieën
en procedures om deze risico's te beheren; b) de structuur en
organisatie van de relevante risicobeheersfunctie of andere passende
regelingen; c) de reikwijdte
en de aard van de risicorapporterings- en risicometingssystemen; d) de
gedragslijnen inzake het afdekken en verminderen van risico's, en de
strategieën en procedures om de voortdurende effectiviteit van afdekkings- en
verminderingsinstrumenten te bewaken. 2.
De volgende informatie
wordt openbaar gemaakt met betrekking tot het toepassingsgebied van de in deze
richtlijn bedoelde vereisten: a) de naam van de
kredietinstelling waarop de in deze richtlijn vervatte vereisten van toepassing
zijn; b) een overzicht
van de verschillen in de consolidatiegrondslag met het oog op de verslaglegging
en het bedrijfseconomische toezicht, met een korte beschrijving van de
entiteiten die: i) volledig
geconsolideerd zijn; ii) proportioneel
geconsolideerd zijn; iii) afgetrokken
zijn van het eigen vermogen; iv) noch geconsolideerd,
noch afgetrokken zijn; c) eventuele
bestaande of verwachte materiële of juridische belemmeringen die een
onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van verplichtingen
tussen de moederonderneming en haar dochterondernemingen in de weg staan; d) het
totale bedrag waarmee het feitelijke eigen vermogen het vereiste minimum
onderschrijdt ten aanzien van alle dochterondernemingen die niet in de
consolidatie zijn opgenomen, en de naam of namen van deze dochterondernemingen; e) in voorkomend
geval, de omstandigheid dat gebruik wordt gemaakt van de in de
artikelen 69 en 70 vastgestelde bepalingen. 3.
De kredietinstellingen
maken de volgende informatie openbaar over hun eigen vermogen: a) beknopte
informatie over de voornaamste kenmerken van alle eigen vermogensposten en
bestanddelen daarvan; b) het bedrag van
het basisvermogen, met afzonderlijke vermelding van alle positieve posten en
aftrekposten; c) het totale
bedrag van het aanvullend eigen vermogen en van het eigen vermogen volgens de
in [bijlage V van Richtlijn 93/6/EEC] vervatte definitie; d) de bestanddelen
die overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder c), van het
basisvermogen en van het aanvullend eigen vermogen worden afgetrokken, met
afzonderlijke vermelding van de in artikel 57, onder q), genoemde
posten; e) het totale
eigen vermogen zonder de in artikel 66 bedoelde aftrek van bestanddelen en
limieten. 4.
De volgende informatie
wordt openbaar gemaakt betreffende de naleving door de kredietinstelling van de
in de artikelen 75 en 123 bedoelde vereisten: a) een
samenvatting van de benadering die de kredietinstelling hanteert om te
beoordelen of haar interne kapitaal toereikend is om huidige en toekomstige
activiteiten te ondersteunen; b) voor
kredietinstellingen die de risicogewogen posten overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 berekenen, 8% van de risicogewogen posten
voor elk van de in artikel 79 gespecificeerde categorieën vorderingen; c) voor
kredietinstellingen die de risicogewogen posten overeenkomstig de
artikelen 84 tot en met 89 berekenen, 8% van de risicogewogen posten
voor elk van de in artikel 86 gespecificeerde categorieën vorderingen.
Voor de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen is dit
vereiste van toepassing op alle categorieën vorderingen waarmee de verschillende
in bijlage VII, deel 1, punten 9 tot en met 11, bedoelde
correlaties overeenstemmen. Voor de categorie posities in aandelen is het
vereiste van toepassing op: i) alle
benaderingen die in bijlage VII, deel 1, punten 15 tot en
met 25, worden vermeld; ii) ter beurze
verhandelde vorderingen, aandelenposities in voldoende gediversifieerde
portefeuilles, en andere vorderingen; iii) vorderingen
waarop een prudentiële overgangsregeling inzake kapitaalvereisten van
toepassing is; iv) vorderingen
waarop uitzonderingsbepalingen inzake kapitaalvereisten van toepassing zijn; d) minimumkapitaalvereisten,
berekend overeenkomstig artikel 75, onder b) en c); e) minimumkapitaalvereisten,
berekend overeenkomstig de artikelen 103, 104 en 105, en afzonderlijk
openbaar gemaakt; f) de
solvabiliteitsratio's, berekend op basis van het totale eigen vermogen en het
basisvermogen. 5.
De volgende informatie
wordt openbaar gemaakt betreffende de blootstelling van de kredietinstelling
aan kredietrisico en verwateringsrisico: a) de definitie
van de begrippen "achterstallig" en "dubieus" voor
verslagleggingsdoeleinden; b) een
beschrijving van de toegepaste benaderingen en methoden om waardeaanpassingen
en voorzieningen vast te stellen; c) het totale
bedrag van de vorderingen na compensaties en zonder rekening te houden met het
effect van kredietrisicovermindering, en het gemiddelde bedrag van de
vorderingen gedurende de desbetreffende periode, onderverdeeld in categorieën; d) de geografische
onderverdeling van de vorderingen in belangrijke gebieden, zonodig nader
gespecificeerd; e) de verdeling
van de vorderingen naar bedrijfstak of tegenpartij, onderverdeeld in
categorieën, en zonodig nader gespecificeerd; f) de indeling
van alle vorderingen naar resterende looptijd, onderverdeeld in categorieën, en
zonodig nader gespecificeerd; g) per
significante bedrijfstak of tegenpartij, het bedrag van: i) dubieuze
vorderingen en achterstallige vorderingen, afzonderlijk verstrekt; ii) waardeaanpassingen
en voorzieningen; iii) kosten voor
waardeaanpassingen gedurende de periode; h) het bedrag van
de dubieuze vorderingen en achterstallige vorderingen, afzonderlijk verstrekt,
onderverdeeld naar belangrijke geografische gebieden, zo mogelijk met inbegrip
van de bedragen van de waardeaanpassingen en voorzieningen voor elk geografisch
gebied; i) de afstemming
van wijzigingen in de waardeaanpassingen en voorzieningen voor dubieuze
vorderingen, afzonderlijk vermeld. De informatie omvat: i) een
beschrijving van het soort waardeaanpassingen en voorzieningen; ii) de
openingsbalans; iii) de bedragen
die gedurende de betrokken periode ter dekking van de voorzieningen zijn
uitgetrokken; iv) de bedragen die
opzij zijn gezet of teruggeboekt met het oog op vermoedelijke verliezen op
vorderingen gedurende de betrokken periode, eventuele andere aanpassingen zoals
onder meer die welke worden bepaald door wisselkoersverschillen,
bedrijfscombinaties, de verwerving en afstoting van dochterondernemingen, en de
overdracht tussen voorzieningen; v) de eindbalans. Waardeaanpassingen en
ontvangsten op afgeboekte vorderingen die rechtstreeks in de winst- en
verliesrekening worden opgenomen worden afzonderlijk openbaar gemaakt. 6.
Voor kredietinstellingen
die de risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 78 tot en
met 83 berekenen, wordt de volgende informatie openbaar gemaakt voor elk
van de in artikel 79 gespecificeerde categorieën vorderingen: a) de namen van de
aangewezen EKBI's en exportkredietinstellingen en de redenen die aan eventuele
wijzigingen ten grondslag liggen; b) de categorieën
vorderingen waarvoor elke EKBI of exportkredietinstelling wordt gebruikt; c) een
beschrijving van de procedure waarbij de emissies en de daarmee samenhangende
kredietbeoordelingen worden overgedragen op niet in de handelsportefeuille
opgenomen posten; d) de wijze waarop
de externe rating van elke aangewezen EKBI of exportkredietinstelling bij de in
bijlage VI voorgeschreven kredietkwaliteitscategorieën is ondergebracht,
rekening houdende met het feit dat deze informatie niet behoeft te worden openbaar
gemaakt indien de kredietinstelling de door de bevoegde autoriteit
gepubliceerde standaardindeling volgt; e) de waarde van
de posten en de waarde van de posten na kredietrisicovermindering die bij elke
kredietkwaliteitscategorie zijn ondergebracht zoals voorgeschreven in
bijlage VI, alsook de waarde van de posten die op het eigen vermogen in
mindering zijn gebracht. 7.
De kredietinstellingen
die hun risicogewogen posten berekenen overeenkomstig bijlage VII,
deel 1, punt 5 of punten 17, 18 en 19, maken de vorderingen
openbaar per categorie van de in het bovenbedoelde punt 5 opgenomen tabel,
of per risicogewicht als vermeld in de bovenbedoelde punten 17, 18 en 19. 8.
De kredietinstellingen
die hun kapitaalvereisten berekenen overeenkomstig artikel 75,
onder b) en c), maken deze vereisten afzonderlijk openbaar voor elk risico
waarnaar in die bepalingen wordt verwezen. 9.
De volgende informatie
wordt openbaar gemaakt door elke kredietinstelling die haar kapitaalvereisten
berekent overeenkomstig [bijlage V van Richtlijn 93/6/EEG]: a) voor elke
subportefeuille waarvoor dekking wordt geboden: i) de kenmerken
van de gebruikte modellen; ii) een
beschrijving van de op de subportefeuille toegepaste stresstests; iii) een
beschrijving van de benadering die wordt toegepast om de juistheid en
consistentie van de interne modellen en modelleringsprocessen achteraf te
testen en te valideren; b) de
aanvaardbaarheid van het model voor de bevoegde autoriteit; c) voor de
subportefeuilles waarvoor het kapitaalvereiste volgens het model wordt
berekend: i) de meting van
de hoge, gemiddelde en lage risicowaarde gedurende de verslagleggingsperiode en
aan het einde van die periode, ii) een
vergelijking van de risicowaarde-metingen met de feitelijke winst- en
verliesresultaten van de kredietinstelling, met een analyse van belangrijke
uitbijters die uit de backtesting naar voren komen. 10.
Elke kredietinstelling
maakt de volgende informatie openbaar over het operationele risico: a) de benaderingen
die de kredietinstelling mag toepassen met het oog op de beoordeling van de
eigenvermogensvereisten voor het operationele risico; b) een
beschrijving van de in artikel 105 bedoelde methodologie, indien hiervan
door de kredietinstelling gebruik wordt gemaakt, alsmede een bespreking van de
relevante interne en externe factoren waarmee in de meetbenadering van de
kredietinstelling rekening wordt gehouden. In geval van een gedeeltelijk
gebruik, de reikwijdte en het toepassingsgebied van de verschillende toegepaste
methodologieën. 11.
De volgende informatie
wordt openbaar gemaakt over niet in de handelsportefeuille opgenomen posities
in aandelen: a) de
differentiatie tussen vorderingen op basis van de daarmee beoogde doelen, met
inbegrip van kapitaalwinst en strategische oogmerken, en een overzicht van de
toegepaste verslagleggingstechnieken en waarderingsmethoden, met inbegrip van
belangrijke aannames en praktijken die op de waardering van invloed zijn,
alsmede eventuele belangrijke veranderingen in deze praktijken; b) de balanswaarde
en de reële waarde van deze vorderingen en, bij ter beurze verhandelde
aandelenposities, een vergelijking met de marktkoers indien deze in sterke mate
van de reële waarde afwijkt; c) het soort, de
aard en de bedragen van ter beurze verhandelde aandelenposities, van niet ter
beurze verhandelde aandelenposities in voldoende gediversifieerde
portefeuilles, en van andere aandelenposities; d) de gecumuleerde
gerealiseerde winsten en verliezen uit verkopen en liquidaties in de betrokken
periode; e) de som van de
niet-gerealiseerde winsten en verliezen, de som van de latente
herwaarderingswinsten of –verliezen en het totaal van deze bedragen die in het
basisvermogen of in het aanvullend eigen vermogen zijn opgenomen. 12.
De kredietinstellingen
maken de volgende informatie openbaar over het renterisico in verband met
posities die niet in de handelsportefeuille zijn opgenomen: a) de aard van het
renterisico en de belangrijkste aannames (met inbegrip van aannames inzake de
aflossing van leningen en het gedrag van deposito's zonder vaste looptijd), en
de frequentie waarmee het renterisico wordt gemeten; b) de wijzigingen
in rendement, economische waarde of andere relevante maatstaven die door het
management bij opwaartse en neerwaartse renteschokken worden gebruikt om het
renterisico te meten, uitgesplitst naar valuta. 13.
De kredietinstellingen
die risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de artikelen 94 tot en
met 101, maken de volgende informatie openbaar: a) de
doelstellingen van de kredietinstelling met betrekking tot haar
securitisatieactiviteiten; b) de taken van de
kredietinstelling in het securitisatieproces; c) een indicatie
van de mate van betrokkenheid van de kredietinstelling bij elk van deze taken; d) de benaderingen
die de kredietinstelling in het kader van haar securitisatieactiviteiten toepast
met het oog op de berekening van risicogewogen posten; e) een
samenvatting van de door de kredietinstelling gehanteerde grondslagen voor de
financiële verslaggeving met betrekking tot haar securitisatieactiviteiten, met
inbegrip van: i) de vermelding
of de transacties als verkopen dan wel als financieringen worden behandeld; ii) de
inaanmerkingneming van de winsten op de verkopen; iii) de
belangrijkste aannames voor de waardering van behouden belangen, iv) de behandeling
van synthetische securitisaties indien hierop geen andere grondslagen voor de
financiële verslaglegging van toepassing zijn; f) de namen van
de EKBI's die voor securitisaties worden gebruikt en de soorten vorderingen
waarvoor elk van deze instellingen wordt gebruikt; g) het totale
uitstaande bedrag van de vorderingen die door de kredietinstelling zijn
gesecuritiseerd en die onder het securitisatiekader vallen (onderverdeeld in
traditionele en synthetische securitisatie), per categorie; h) voor
vorderingen die door de kredietinstelling zijn gesecuritiseerd en die onder het
securitisatiekader vallen, een onderverdeling in categorieën van het bedrag van
de dubieuze en achterstallige gesecuritiseerde vorderingen, en de door de
kredietinstelling gedurende de betrokken periode in aanmerking genomen
verliezen; i) het
totaalbedrag van de ingenomen of gekochte securitisatieposities, onderverdeeld
in categorieën; j) het
totaalbedrag van de ingenomen of gekochte securitisatieposities, onderverdeeld
in een zinvol aantal risicogewicht-bandbreedtes. Posities waaraan een
risicogewicht van 1250% is toegekend of die zijn afgetrokken, worden
afzonderlijk vermeld; k) het totale
uitstaande bedrag van de gesecuritiseerde revolverende posities, uitgesplitst
naar het belang van de initiator en het belang van de investeerders; l) een
samenvatting van de securitisatieactiviteiten in de betrokken periode, met
vermelding van het bedrag van de gesecuritiseerde vorderingen (per categorie)
en het in aanmerking genomen verkoopresultaat (winst of verlies) per categorie.
3.
Deel 3 – Te vervullen vereisten voor het gebruik van
bepaalde instrumenten of methodologieën
14.
De kredietinstellingen
die de risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89
berekenen maken de volgende informatie openbaar: a) de aanvaarding
van de benadering of de goedkeuring van overgangsbepalingen door de bevoegde
autoriteit; b) een toelichting
op en overzicht van: i) de structuur
van de interne-ratingsystemen en de relatie tussen interne en externe ratings; ii) het gebruik
van interne ramingen in andere gevallen dan voor de berekening van
risicogewogen posten overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89; iii) de procedure
inzake het beheer en de erkenning van kredietrisicovermindering; iv) de
controlemechanismen die van toepassing zijn op de ratingsystemen, inclusief een
beschrijving van de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid daarvan, en de
toetsing van deze systemen; c) een
afzonderlijke beschrijving van de interne-ratingprocedure, voor de volgende
categorieën vorderingen: i) vorderingen op
centrale overheden en centrale banken; ii) vorderingen op
instellingen; iii) vorderingen op
ondernemingen, met inbegrip van het midden en kleinbedrijf, gespecialiseerde
kredietverlening en gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen; iv) vorderingen op
particulieren en kleine partijen, voor elk van de categorieën vorderingen
waarmee de verschillende in bijlage VII, deel 1, punten 9 tot en
met 11, genoemde correlaties overeenkomen; v) posities in
aandelen; d) de waarde van
alle in artikel 86 gespecificeerde categorieën vorderingen. Vorderingen op
centrale overheden en centrale banken, kredietinstellingen en ondernemingen
waarvan de risicogewogen posten door de kredietinstellingen worden berekend op
grond van eigen ramingen van LGD's of omrekeningsfactoren, en vorderingen ten
aanzien waarvan de kredietinstellingen geen gebruik maken van dergelijke
ramingen, worden afzonderlijk vermeld; e) ten aanzien van
elk van de volgende categorieën vorderingen: vorderingen op centrale overheden
en centrale banken, vorderingen op instellingen, vorderingen op ondernemingen
en aandelenposities, en ten aanzien van een toereikend aantal debiteurenklassen
(inclusief wanbetaling) maken de kredietinstellingen de volgende gegevens
openbaar om tot een zinvolle differentiatie van het kredietrisico te komen: i) de som van de
vorderingen (voor de categorieën vorderingen op centrale overheden en centrale
banken, instellingen en ondernemingen, de som van de uitstaande leningen en de
waarde van de onbenutte kredietlijnen; voor aandelenposities, het uitstaande
bedrag); ii) voor de
kredietinstellingen die voor de berekening van risicogewogen posten gebruik
maken van eigen ramingen van LGD’s, de naar vordering gewogen gemiddelde LGD in
procenten; iii) het naar
vordering gewogen gemiddelde risicogewicht; iv) voor de
kredietinstellingen die voor de berekening van risicogewogen posten gebruik
maken van eigen ramingen van omrekeningsfactoren, het bedrag van de onbenutte
kredietlijnen en de risicogewogen posten voor alle categorieën vorderingen; f) voor de
categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen en voor alle onder
c), punt iv), bedoelde categorieën, hetzij de gegevens als vermeld onder
e) (in voorkomend geval op basis van pools), hetzij een analyse van de
vorderingen (uitstaande leningen en de waarde van onbenutte kredietlijnen) ten
aanzien van een toereikend aantal EL-categorieën om tot een zinvolle
differentiatie van het kredietrisico te komen (in voorkomend geval op basis van
pools); g) de feitelijke
waardecorrecties in de voorgaande periode voor alle categorieën vorderingen
(voor vorderingen op particulieren en kleine partijen, voor alle categorieën
als bedoeld onder c), punt iv)) en in hoeverre hierbij
sprake is van een verschil met het verleden; h) een
beschrijving van de factoren die van invloed zijn geweest op de verlieservaring
in de voorgaande periode (heeft de kredietinstelling bijvoorbeeld met een
hogere wanbetalingsgraad gekampt dan gemiddeld, of met hogere LGD's en
omrekeningsfactoren dan gemiddeld); i) de ramingen van
de kredietinstelling, vergeleken met de feitelijke resultaten gedurende een
langere periode. Deze gegevens bevatten ten minste informatie over
verliesramingen ten opzichte van feitelijke verliezen in alle categorieën
vorderingen (vorderingen op particulieren en kleine partijen, en alle
onder c), punt iv), bedoelde categorieën) en strekken zich over een
voldoende lange periode uit om een zinvolle beoordeling van de prestaties van
de interne‑ratingprocedures voor alle categorieën vorderingen mogelijk te
maken (vorderingen op particulieren en kleine partijen, en alle onder c),
punt iv), bedoelde categorieën). In voorkomend geval splitsen de
kredietinstellingen deze informatie verder uit om de resultaten voor PD’s en,
voor zover zij gebruik maken van eigen ramingen van LGD's en/of
omrekeningsfactoren, voor LGD's en omrekeningsfactoren te vergelijken met de
ramingen die in het kader van de bovengenoemde openbaarmaking van kwantitatieve
risicobeoordelingen zijn verstrekt. Voor de toepassing van
letter c) heeft de beschrijving betrekking op de soorten vorderingen die onder
de desbetreffende categorie vallen, de definities, methoden en gegevens voor de
raming en validatie van PD en, in voorkomend geval, LGD en omrekeningsfactoren,
alsook op de aannames die bij de afleiding van deze variabelen worden
gehanteerd; verder worden belangrijke afwijkingen van de definitie van
wanbetaling overeenkomstig bijlage VII, deel 4, punten 44 tot en
met 48, vermeld, alsmede de segmenten in ruime zin waarop deze afwijkingen van
invloed zijn. 15.
De kredietinstellingen
die kredietrisicoverminderingstechnieken gebruiken maken de volgende informatie
openbaar: a) de
gedragslijnen en procedures die zij volgen met het oog op de verrekening van
balansposten en van posten buiten de balanstelling, alsmede een indicatie van
de mate waarin zij van deze technieken gebruik maken; b) de
gedragslijnen en procedures voor de waardering en het beheer van zekerheden; c) een
beschrijving van de voornaamste soorten door de kredietinstelling aanvaarde
zekerheden; d) de voornaamste
soorten garantiegevers en tegenpartijen bij kredietderivaten en hun
kredietwaardigheid; e) informatie over
concentraties van markt- of kredietrisico in het kader van de toegepaste
kredietrisicovermindering; f) voor
kredietinstellingen die risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 of 84 tot en met 89, doch die geen eigen ramingen
van LGD's of omrekeningsfactoren verstrekken, de totale waarde van de post voor
elke afzonderlijke categorie vorderingen (in voorkomend geval na verrekening
van balansposten en van posten buiten de balanstelling) welke – na
volatiliteitsaanpassingen – door financiële zekerheden en andere toelaatbare
zekerheden is gedekt; g) voor
kredietinstellingen die risicogewogen posten berekenen overeenkomstig de
artikelen 78 tot en met 83 of 84 tot en met 89, de totale waarde van de
post voor elke afzonderlijke categorie vorderingen (in voorkomend geval na
verrekening van balansposten of van posten buiten de balanstelling) welke door garanties
of kredietderivaten is gedekt. Voor de categorie posities in aandelen geldt dit
vereiste voor alle benaderingen die in bijlage VII, deel 1,
punten 15 tot en met 24, worden genoemd. 16.
De kredietinstellingen
die gebruik maken van de in artikel 105 bedoelde benadering voor de
berekening van hun eigenvermogensvereisten voor het operationele risico geven
een beschrijving van het gebruik van verzekering met het oog op
risicovermindering. [1] PB C […] van
[…], blz. […]. [2] PB C […] van
[…], blz. […]. [3] PB C […] van
[…], blz. […]. [4] PB C […] van
[…], blz. […].