52004PC0004

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van op Europees niveau actieve organisaties en ter ondersteuning van gerichte activiteiten op het gebied van onderwijs en opleidingen (2004-2006) /* COM/2004/0004 def. - COD 2003/0114 */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van op Europees niveau actieve organisaties en ter ondersteuning van gerichte activiteiten op het gebied van onderwijs en opleidingen (2004-2006)

2003/0114 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van op Europees niveau actieve organisaties en ter ondersteuning van gerichte activiteiten op het gebied van onderwijs en opleidingen (2004-2006)

1. ACHTERGROND

Indiening van het voorstel bij het EP en de Raad (document COM(2003)273 def. - 2003/0114(COD)): // 27 mei 2003

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: // 29 oktober 2003

Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: // 6 november 2003

Politiek akkoord in de Raad (unaniem): // 24 november 2003

Goedkeuring van het gemeenschappelijk standpunt: // 22 december 2003

2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE

Dit voorstel, dat gebaseerd is op de artikelen 149 en 150 VEG, is een van zeven voorstellen betreffende basisbesluiten voor subsidies waarvoor nu geen aparte rechtsgrondslag bestaat. Het besluit betreft de vaststelling van een meerjarenprogramma (2004-2008) voor subsidies voor organisaties die op Europees niveau actief zijn op de terreinen van onderwijs en opleiding. Het programma is verdeeld in 3 Acties:

Actie 1: Subsidies ter ondersteuning van de lopende activiteiten van een aantal met name genoemde organisaties van algemeen Europees belang:

* Europacollege (campussen in Brugge en Natolin)

* Europees Universitair Instituut, Florence

* Academie voor Europees Recht, Trier

* Europees Instituut voor bestuurskunde, Maastricht

* European Inter-University Centre for Human Rights and Democratisation

* Centre International de formation européenne

* Europees Agentschap voor de ontwikkeling van speciaal onderwijs

Actie 2: Subsidies ter ondersteuning van de lopende activiteiten van andere Europese verenigingen die op het gebied van onderwijs en opleiding actief zijn. De subsidies, voor één of voor meerdere jaren, zullen worden toegekend na een selectie op basis van een oproep tot het indienen van voorstellen.

Actie 3: Deze actie is onderverdeeld in drie sub-acties:

* Actie 3A: Steun voor activiteiten in het hoger onderwijs met betrekking tot Europese integratie, inclusief de Jean Monnet-leerstoelen.

* Actie 3B: Steun voor activiteiten die bijdragen tot de verwezenlijking van de toekomstige doelstellingen van de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa.

* Actie 3C: Steun voor opleidingen in Europees recht voor nationale rechters.

3. COMMENTAREN BETREFFENDE HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

3.1. Onderzoek van de door het Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen

3.1.1. Amendementen die volledig of inhoudelijk door de Commissie zijn aanvaard en in het gemeenschappelijk standpunt zijn verwerkt

Amendement 1 op overweging 10: voegt een verwijzing toe naar de verklaring van de Commissie ten tijde van de goedkeuring van het nieuwe Financieel Reglement dat zij rekening zou houden met opmerkingen in de begroting in de context van de implementatie.

Amendement 3 op artikel 4: verduidelijkt welke acties ondersteund worden op basis van een oproep tot het indienen van voorstellen.

Amendement 12 op de bijlage: verplicht begunstigden om de bron van de financiering te vermelden in publicaties etc.

3.1.2. Amendementen die door de Commissie in principe zijn aanvaard en niet in het gemeenschappelijk standpunt zijn opgenomen - 4, 6, 8, 9, 10, 11

Deze groep amendementen behelst wijzigingen van de begroting van het programma (artikel 6) en van de maximum- en minimumpercentages voor de verdeling daarvan als aangegeven in de bijlage.

Aangezien de drie instellingen op de bemiddelingsvergadering van 24 november tot overeenstemming zijn gekomen over een budget van 77 miljoen euro (1,888 miljoen meer dan in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie) en dit bedrag al in het gemeenschappelijk standpunt is opgenomen, is amendement 4 niet langer relevant.

Na afsluiting van de begrotingsprocedure voor 2004 zal moeten worden nagegaan of de maximum- en minimumpercentages in de bijlage bij het besluit herzien moeten worden om rekening te houden met veranderingen van de individuele begrotingslijnen in de definitieve begroting voor 2004. Als dat het geval mocht zijn, kunnen dergelijke aanpassingen bij de tweede lezing worden aangebracht.

3.2. Gemeenschappelijk standpunt van de Raad

De tekst van het gemeenschappelijk standpunt is aanvaardbaar voor de Commissie, aangezien die grotendeels overeenstemt met de essentie van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en rekening houdt met de door het Parlement voorgestelde en door de Commissie volledig overgenomen amendementen.

Door de Raad aangebrachte wijzigingen die in het gemeenschappelijk standpunt zijn verwerkt:

- In artikel 1 wordt de duur van het programma teruggebracht tot 2004-06 in plaats van 2004-08. Dit sluit aan bij het akkoord dat de drie instellingen tijdens het tripartiet overleg van 13 november hebben bereikt. Met het oog op snelle goedkeuring van de rechtsgrondslag acht de Commissie dit een aanvaardbaar compromis.

- In artikel 3 verwijst een herziene bepaling betreffende de deelname van niet-EU-lidstaten specifiek naar de verschillende juridische instrumenten voor die deelname. Dit is een juridisch-technische redactionele aanpassing.

- In artikel 6 wordt het budget op 77 miljoen euro bepaald, zoals overeengekomen op de bemiddelingsvergadering.

- Er wordt een nieuw artikel 7 ingevoerd, dat specificeert dat de Commissie verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van het programma. Hierover bestaat geen twijfel.

- In een nieuw artikel 8 wordt bepaald dat de Commissie jaarlijks verslag dient uit te brengen aan het Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van het programma, en de verwijzing naar een tweede evaluatieverslag in 2009 is geschrapt, gezien de inkorting van de duur van het programma.

- Er zijn nog enkele andere redactionele wijzigingen aangebracht ter verduidelijking van de tekst.

De Commissie aanvaardt deze wijzigingen van en toevoegingen in het gemeenschappelijk standpunt omdat zij het oorspronkelijke voorstel verbeteren en verduidelijken.

4. CONCLUSIE

De Commissie is van mening dat de tekst van het gemeenschappelijk standpunt een goede basis vormt voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad.

Het voorgestelde gemeenschappelijk standpunt is dan ook aanvaardbaar voor de Commissie, op voorwaarde dat de in de bijlage aangegeven maximum- en minimumpercentages (zie 3.1.2 hierboven) indien noodzakelijk herzien worden en dat de op de bemiddelingsvergadering van 24 november 2003 besproken overgangsbepalingen worden ingevoegd.

De overgangsbepalingen dienen als volgt te luiden:

"Voor de in 2004 toegekende subsidies kan het tijdvak voor subsidiëring op 1 januari 2004 van start gaan mits de desbetreffende uitgaven noch vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag, noch vóór het begin van het boekjaar van de begunstigde gedaan zijn.

In 2004 kan worden afgeweken van de verplichting dat de ondertekening van de subsidie overeenkomst uiterlijk binnen de eerste vier maanden na het begin van het boekjaar van de begunstigde moet plaatsvinden (zoals bepaald in artikel 112, lid 2, van de Verordening nr. 1605/2002 van de Raad, betreffende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen) voor begunstigden van wie het boekjaar voor 1 maart van het lopende jaar begint. In dit geval kunnen de subsidie overeenkomsten tot uiterlijk 30 juni 2004 worden ondertekend".