52004DC0836

Verslag van de Commissie aan de begrotingsautoriteit over de stand van de algemene-begrotingsgaranties op 30 juni 2004 SEC(2004) 1629 /* COM/2004/0836 def. */


Brussel, 12.01.2005

COM(2004) 836 definitief

.

VERSLAG VAN DE COMMISSIE

aan de begrotingsautoriteit over de stand van de algemene-begrotingsgarantiesop 30 juni 2004SEC(2004) 1629

INHOUDSOPGAVE

Deel een: Gebeurtenissen sinds het verslag van 31 december 2003, stand van de risico's en gebruik van de begrotingsgaranties 3

1. Inleiding: aard van de operaties 3

2. Gebeurtenissen sinds het verslag van 31 december 2003 3

3. Stand van de risico's 4

3.1. Uitstaand bedrag in hoofdsom op 30 juni 2004 4

3.2 Maximaal jaarlijks risico voor de begroting van de Europese Unie: op 30juni 2004 uitbetaalde leningen (zie tabel A2 van de bijlage) 5

3.3 Theoretisch maximaal jaarlijks risico voor de begroting van de Europese Unie:op 30 juni 2004 uitbetaalde en toegekende leningen (zie tabel A3 van de bijlage) 5

4. Gebruik van begrotingsgaranties 5

4.1. Gebruik van kasmiddelen 5

4.2. Gebruik van het Garantiefonds 6

5. Analyse van de theoretische lening- en garantiecapaciteit van de Gemeenschapvoor derde landen 6

6. Stand van het Garantiefonds op 30 juni 2004 7

7. Relatieve soliditeit 8

Deel 2: Beoordeling van de potentiële risico's: economische en financiële situatie vande derde landen waaraan de belangrijkste leningen zijn verstrekt 9

1. Inleiding 9

2. Kandidaat-lidstaten 9

3. Westelijke Balkan 9

4. Nieuwe Onafhankelijke Staten 10

5. Overige derde landen 11

Deel een:Gebeurtenissen sinds het verslag van 31 december 2003, stand van de risico's en gebruik van de begrotingsgaranties[1]

1. Inleiding: aard van de operaties

De door de begroting van de Europese Unie gedekte risico’s houden verband met uiteenlopende lening- en garantieoperaties, die in twee categorieën kunnen worden ingedeeld: EG-leningen met een macro-economisch doel (betalingsbalansleningen aan lidstaten en macrofinanciële bijstandsleningen aan derde landen) en leningen met een micro-economisch doel (Euratom- en EG-NCI-leningen[2] in de lidstaten en Euratom- en EIB-leningen[3] buiten de Gemeenschap).

2. Gebeurtenissen sinds het verslag van 31 december 2003

Wat de macrofinanciële bijstand aan derde landen betreft, is bij Besluit 2004/580/EG van de Raad van 29 april 2004 aan Albanië voor een totaalbedrag van 25 miljoen EUR aan buitengewone macrofinanciële bijstand toegekend, waarvan 9 miljoen EUR in de vorm van leningen. Op grond van een bestaand besluit is een lening van 10 miljoen EUR uitbetaald aan Bosnië en Herzegovina.

Op 30 maart 2004 is een nieuw Commissiebesluit (C(2004)891/2) aangenomen tot toekenning van een Euratom-lening voor de kerncentrale van Cernavodă in Roemenië. Op basis van een bestaand besluit is een lening van 35 miljoen EUR uitbetaald aan Bulgarije (Kozloduy).

In de tweede helft van 2004 zal een nieuw Commissiebesluit[4] tot wijziging van een besluit van 13 december 2000 (C(2000)3812) worden aangenomen om het aan Oekraïne toegekende leningsbedrag voor de K2R4-centrale te verminderen.

In het licht van de toetreding van de tien nieuwe lidstaten op 1 mei 2004 heeft de Commissie een voorstel ingediend tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad tot instelling van een Garantiefonds, als gewijzigd. Overeenkomstig het wijzigingsvoorstel zullen de leningen aan de nieuwe lidstaten uit het Garantiefonds worden teruggetrokken (deze leningen blijven wel gedekt door de communautaire garantie), aangezien deze landen vanaf de toetredingsdatum geen derde landen meer zijn. De Raad heeft het wijzigingsvoorstel evenwel nog niet aangenomen. Daarom hebben alle in het vervolg van dit verslag opgenomen gegevens, tenzij anders is vermeld, ook betrekking op de nieuwe lidstaten die in mei 2004 zijn toegetreden. Waar zulks wordt aangegeven, zijn de kerngegevens vermeld zonder dat met deze landen rekening wordt gehouden, daar wordt verwacht dat de Raad het wijzigingsvoorstel eind 2004 of begin 2005 zal aannemen. Indien het voorstel wordt goedgekeurd, zal in het Garantiefonds een bedrag van 338 831 402 EUR vrijkomen, dat naar de begroting van de Europese Unie zal worden overgedragen.

Volgens de mededeling van de Commissie over de financiële vooruitzichten 2007-2013[5] zal het bedrag van de reserve in de toekomst theoretisch onbeperkt zijn, aangezien de financiering van het Garantiefonds zal plaatsvinden aan de hand van een begrotingsonderdeel dat valt onder rubriek 4 (externe betrekkingen) en niet, zoals thans het geval is, met behulp van een specifieke reserve.

3. Stand van de risico's

In onderstaande risicoanalyse wordt uitgegaan van de ontwikkeling van de geijkte maatstaven, namelijk het uitstaande bedrag in hoofdsom, het maximale jaarlijkse risico en het theoretische maximale jaarlijkse risico voor de begroting van de Europese Unie (de gehanteerde methodologie wordt toegelicht in het werkdocument van de diensten van de Commissie). Voor meer gedetailleerde gegevens wordt verwezen naar respectievelijk de tabellen A1, A2 en A3 van de bijlage.

3.1 Uitstaand bedrag in hoofdsom op 30 juni 2004

Op 30 juni 2004 bedroeg het totale risico 15 519 miljoen EUR, tegen 15 062 miljoen EUR op 31 december 2003.

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de operaties die van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van het uitstaande bedrag in hoofdsom sinds het vorige verslag.

Tabel 1: Uitstaand bedrag in hoofdsom op 30 juni 2004* | (miljoen EUR - afgerond) |

Uitstaand bedrag op 31 december 2003 | 15 062 |

Aflossingen |

Euratom |

NCI |

Macrofinanciële bijstand | -7 |

EIB | -661 |

Uitbetalingen |

Euratom | 35 |

NCI |

Macrofinanciële bijstand | 10 |

EIB | 1 217 |

Wisselkoersverschillen tussen de euro en andere valuta's | - 138 |

Uitstaand bedrag op 30 juni 2004 | 15 519 |

* Alle gegarandeerde leningen (lidstaten en derde landen) samen, exclusief verschuldigde rente en achterstallige aflossingen

Het uitstaande bedrag in hoofdsom van de leningen in de lidstaten bedroeg op 30 juni 2004 5 431 miljoen EUR, tegen 24 miljoen EUR op 31 december 2003.

Het uitstaande bedrag in hoofdsom van de leningen in derde landen bedroeg op 30 juni 2004 10 088 miljoen EUR, tegen 15 037 miljoen EUR op 31 december 2003.

De ingrijpende wijzigingen in deze bedragen zijn toe te schrijven aan het feit dat de toetredingslanden met ingang van 1 mei 2004 zijn overgeheveld van de rubriek “derde landen” naar de rubriek “lidstaten” (zie afdeling 2 “Gebeurtenissen sinds het verslag van 31 december 2003”).

3.2 Maximaal jaarlijks risico voor de begroting van de Europese Unie: op 30 juni 2004 uitbetaalde leningen (zie tabel A2 van de bijlage)

- Het totale risico voor 2004 beloopt 1 088 miljoen EUR.

- Het risico wegens leningen in de lidstaten beloopt 325 miljoen EUR.

- Het risico wegens leningen in derde landen beloopt 763 miljoen EUR.

3.3 Theoretisch maximaal jaarlijks risico voor de begroting van de Europese Unie: op 30 juni 2004 uitbetaalde en toegekende leningen (zie tabel A3 van de bijlage)

- Het theoretische maximale risico beloopt 1 194 miljoen EUR in 2004 en neemt toe tot naar schatting 3 667 miljoen EUR in 2012.

- Het theoretische maximale risico wegens leningen in de lidstaten is hetzelfde als het in punt 3.2 vermelde maximale jaarlijkse risico.

- Voor 2004 beloopt het risico wegens leningen in derde landen 869 miljoen euro. Het neemt toe tot naar schatting 3 404 miljoen EUR in 2012.

4. GEBRUIK VAN BEGROTINGSGARANTIES

4.1 Gebruik van kasmiddelen

De Commissie verricht betalingen uit haar kasmiddelen[6] om in geval van wanbetaling door een debiteur vertraging bij de dienst van opgenomen leningen en de daaruit voortvloeiende kosten te voorkomen.

4.2 Gebruik van het Garantiefonds

Bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad van 31 oktober 1994, als gewijzigd, is een Garantiefonds voor externe activiteiten ingesteld. Wanneer de nemer van een door de Gemeenschap toegekende lening in gebreke blijft, wordt binnen drie maanden een beroep op het Garantiefonds gedaan.

Wanneer de nemer van een door de begroting van de Europese Unie gegarandeerde EIB-lening in gebreke blijft, wordt ten vroegste drie maanden na de datum waarop de betaling verschuldigd was, een beroep op de Gemeenschapsgarantie gedaan. De Gemeenschap treedt op binnen drie maanden na ontvangst van het schriftelijke verzoek van de EIB om honorering van de garantie: het wordt de EIB dan toegestaan de desbetreffende bedragen aan het Garantiefonds te onttrekken

De door leningnemers verschuldigde achterstandsrente over de periode tussen de beschikbaarstelling van de kasmiddelen uit de begroting van de Europese Unie en de betaling uit het Garantiefonds wordt uit het Fonds in de begroting van de Europese Unie teruggestort. Voor EIB-leningen wordt de achterstandsrente berekend over de periode tussen de datum waarop een tranche van de lening had moeten worden terugbetaald en de datum waarop de EIB de kasmiddelen van de Commissie ontvangt.

5. Analyse van de theoretische lening- en garantiecapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen

Wegens het mechanisme van het Garantiefonds is de lening- en garantiecapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen in de praktijk beperkt omdat de beschikbare kredieten voor de voorziening van het Fonds afhankelijk zijn van het bedrag dat in de financiële vooruitzichten als garantiereserve is opgenomen[7].

In tabel A4 (bijlage) wordt de leningcapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen voor de periode 2004-2006 geraamd overeenkomstig het mechanisme van het Garantiefonds. De berekeningsmethode en de verwijzingen naar de regelgeving worden toegelicht in de bijlage.

Afgaande op de besluiten die al door de Raad of de Commissie zijn goedgekeurd[8], en die voorgesteld of gepland zijn (zie bijlage, tabel A4), zal de garantiereserve in 2004 naar verwachting voor 208,07 miljoen EUR worden aangesproken, waardoor 12,93 miljoen EUR overblijft voor verdere leningen met een begrotingsgarantie.

Rekening houdend met de invloed op de garantiereserve van de voorziening van het Fonds voor al goedgekeurde leningen en voor leningen die voor 2004 worden voorgesteld of gepland, bedraagt de leningcapaciteit per jaar:

- 143,71 miljoen EUR voor leningen met een EU-begrotingsgarantie van 100%; of

- 221,09 miljoen EUR voor leningen met een garantie van 65% (overeenkomstig Besluit 2000/24/EG van de Raad van 22 december 1999).

Uit tabel 2 blijkt dat de uitstaande leningen en leninggaranties voor derde landen op 30 juni 2004 in totaal 15 658 miljoen EUR bedroegen (bedrag met inbegrip van de tien nieuwe lidstaten).

Tabel 2: Uitstaande leningen en leninggaranties voor derde landen (miljoen EUR – afgerond) |

1. Uitstaand bedrag in hoofdsom, EG (MFB) en Euratom | 1 499 |

2. Uitstaand bedrag in hoofdsom, EIB1 | 14 003 |

3. Achterstallige betalingen | 2 |

4. Achterstandsrente | 1 |

5. Verschuldigde rente2 | 153 |

Uitstaand bedrag op 30 juni 2004 | 15 658 |

1 Met inbegrip van de tien nieuwe lidstaten.

2 "Verschuldigde en niet betaalde intresten" in de zin van de verordening tot instelling van het Garantiefonds.

De verhouding tussen de middelen van het Fonds en het uitstaande bedrag in hoofdsom in de zin van de verordening tot instelling van het Fonds beliep 10,34%, wat meer is dan het streefcijfer van 9% van Verordening (EG, Euratom) nr. 1149/1999 tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 tot instelling van het Fonds. Volgens de voorschriften dient het surplus aan het einde van het jaar te worden teruggeboekt naar een specifiek begrotingsonderdeel in de staat van ontvangsten van de algemene begroting van de Europese Unie.

6. Stand van het Garantiefonds op 30 juni 2004

Op 30 juni 2004 bedroeg het Garantiefonds 1 619,15 miljoen EUR. In de eerste helft van 2004 werden de volgende bewegingen genoteerd:

- de tweede overmaking van 2003, ten belope van 2,25 miljoen EUR, vond plaats op 2 januari 2004;

- op 24 februari 2004 werd het Fonds ingeschakeld als gevolg van een wanbetaling op een lening aan de Republiek Argentinië ten belope van 2 689 781,25 USD (2 140 523,04 EUR equivalent);

- op 30 juni 2004 beliep de totale betalingsachterstand (exclusief achterstandsrente) van de Republiek Argentinië 7 907 132,83 USD (6 968 656,91 EUR equivalent);

- de Commissie werd door de EIB in kennis gesteld van een betalingsachterstand op een andere lening aan de Republiek Argentinië ten bedrage van 2 687 444,26 USD, hetgeen in de tweede helft van 2004 tot een beroep op het Fonds zal leiden;

- netto-inkomsten van 29,2 miljoen EUR uit beleggingen van het Fonds;

- de eerste jaarlijkse overdracht uit de reserve aan het Fonds zal 161,76 miljoen EUR bedragen. Tegelijk met de goedkeuring van een Commissiebesluit (C(2004)891/2) tot toekenning van een nieuwe Euratom-lening in Roemenië zal een tweede overdracht van 20,115 miljoen EUR aan het Fonds plaatsvinden. Het surplus van het Fonds voor 2003 bedroeg 223,16 miljoen EUR. Deze bedragen zullen worden verrekend, hetgeen in de tweede helft van 2004 zal resulteren in een storting van 41,285 miljoen EUR uit het Fonds in de begroting van de Europese Unie.

7. RELATIEVE SOLIDITEIT

De verhouding tussen de stand van het Fonds op 30 juni 2004 (1 619,15 miljoen EUR) en het theoretische maximale jaarlijkse risico voor leningen aan derde landen in 2004 (869 miljoen EUR) wordt geraamd op 93% (zie bijlage, tabel A3[9]). De stijging van het verhoudingsgetal van 78% op 31 december 2003 tot 93% is voornamelijk toe te schrijven aan het feit dat de toetredingslanden op 1 mei 2004 lidstaten geworden zijn. Indien het Commissievoorstel betreffende de terugtrekking van de tien nieuwe lidstaten uit het Garantiefonds wordt aangenomen, zal het Garantiefonds ongeveer 1 280 miljoen EUR bedragen en het verhoudingsgetal circa 74%.

Deel 2:Beoordeling van de potentiële risico's: economische en financiële situatie van de derde landen waaraan de belangrijkste leningen zijn verstrekt

1. Inleiding

In deel een zijn de kwantitatieve aspecten van het risico voor de algemene begroting toegelicht. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de kwalitatieve aspecten, die afhangen van de aard van de operaties en de kredietwaardigheid van de debiteuren. Anders dan in eerdere verslagen wordt de beoordeling van het landenrisico apart gepresenteerd in een werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2004) 1629). Hierna volgt een beknopte samenvatting van de in het werkdocument opgenomen analyse.

2. Kandidaat-lidstaten

De overheidsschuld en de totale buitenlandse schuld van Bulgarije zijn verder afgenomen tot respectievelijk ongeveer 40% en 55% van het BBP na een terugkoop van Brady-obligaties, die tot een daling van beide schuldquoten met circa 3 procentpunt heeft geleid.

Verwacht wordt dat de economie van Roemenië zal worden gekenmerkt door een solide economische groei, een verder afnemende inflatie en een aanzienlijk maar stabiel tekort op de lopende rekening van ruim 5,5% van het BBP. De totale buitenlandse schuld blijft met ongeveer 34% van het BBP op een laag peil.

Turkije blijft vooral als gevolg van de grote omvang van de nog altijd oplopende financieringsbehoefte van de overheidssector, overheidsschuld en bruto buitenlandse schuld (die voor 2004 op respectievelijk 20%, 80% en 53% van het BBP worden geraamd) bijzonder kwetsbaar voor externe schokken en het sentiment op de financiële markten. Verwacht wordt dat de schuldendienst in 2004 ongeveer 40% van de uitvoer van goederen en diensten zal vertegenwoordigen.

3. Westelijke Balkan

De buitenlandse schuld van Bosnië en Herzegovina is gestaag afgenomen en vertegenwoordigt thans 34% van het BBP. Ook de schuldendienstquote heeft de afgelopen twee jaar een neerwaartse tendens te zien gegeven en zal in 2004 vermoedelijk uitkomen op 7% van het BBP, terwijl de deviezenreserves een comfortabele omvang hebben van ongeveer 4,5 maanden invoer. Verwacht wordt evenwel dat in de nabije toekomst een schikking zal worden bereikt met betrekking tot oude vorderingen op de overheid, waardoor de overheidsschuld met ten minste 10% van het BBP zal toenemen.

In 2003 is de buitenlandse schuld van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië met 3 procentpunt teruggelopen tot 38% van het BBP. Verwacht wordt dat zij in 2004 op hetzelfde niveau zal blijven. De schuldendienstverplichtingen zijn in 2003 gedaald tot 14% van de uitvoer van goederen en diensten en zullen in 2004 vermoedelijk vrijwel stabiel blijven.

De uitvoersector van Servië en Montenegro blijft kwetsbaar gelet op de zwakke exportprestaties en de onzekere vooruitzichten op middellange termijn wat de instroom van particulier kapitaal betreft. Aangenomen wordt dat het tekort op de lopende rekening en de buitenlandse schuld in 2004 respectievelijk 11% en 54% van het BBP zullen bedragen. De financieringsbehoefte blijft aan de hoge kant als gevolg van de stijgende schuldendienst en het aflopen van respijtperiodes.

4. Nieuwe Onafhankelijke Staten

De bruto deviezenreserves van de centrale bank van Armenië dekken bijna vier maanden invoer, wat als ruim voldoende mag worden aangemerkt. De externe overheidsschuld beloopt nominaal ongeveer 1,1 miljard USD. Als percentage van het BBP bedroeg zij in 2003 39% en er wordt van uitgegaan dat dit cijfer verder zal teruglopen.

In het eerste halfjaar van 2004 is het BBP van Belarus met 10,3% op jaarbasis gegroeid. Ondanks deze verbetering blijft de economie echter onder een aantal beperkingen gebukt gaan: in het bijzonder de deviezenreserves bevinden zich met minder dan een maand invoer op een zeer laag peil, net nu het land met hogere prijzen voor gasleveringen uit Rusland wordt geconfronteerd.

De bruto deviezenreserves van de centrale bank van Georgië vertegenwoordigen nog steeds slechts anderhalve maand invoer. De buitenlandse overheidsschuld is in 2003 opgelopen tot ongeveer 1,8 miljard USD (ongeveer 49,5% van het BBP). In juli 2004 hebben de crediteuren van de Club van Parijs ingestemd met een herschikking van de buitenlandse schuld van Georgië. Deze herschikking zal naar verwachting resulteren in een daling van de schuldendienstverplichtingen jegens deze crediteuren van 169,2 miljoen USD tot 46,4 miljoen USD.

Moldavië heeft geen wezenlijke vooruitgang geboekt bij het aanpakken van de reeds geruime tijd bestaande structurele problemen waarmee de economie wordt geconfronteerd, zoals een onbevredigend bedrijfsklimaat en de afhankelijkheid van een beperkt scala aan traditionele producten. Macro-economische stabiliteit blijft onbereikbaar omdat de overheidssector er maar niet in slaagt de verplichtingen uit hoofde van de buitenlandse schuld volledig na te komen, de inflatie hoog is en de betalingsbalanspositie problematisch blijft.

Afgelopen juni hebben Tadzjikistan en de Russische autoriteiten een overeenkomst bereikt waardoor de buitenlandse schuld van het land is verminderd tot 700 miljoen USD of ongeveer 50% van het BBP. Na in 2003 een opvallende verbetering te hebben vertoond, is het tekort op de lopende rekening in 2004 echter wederom gestegen wegens de aanhoudend sterke toename van de invoer, waarvan de dekkingsgraad door de bruto deviezenreserves eind 2004 naar verwachting ongewijzigd zal blijken ten opzichte van een jaar eerder (1,9 maanden).

De betalingsbalanspositie van Oekraïne is vrij stevig aangezien de lopende rekening een groot overschot te zien geeft, dat in 2004 een recordhoogte van naar schatting 10% van het BBP zal bereiken (5,8% in 2003). Dit resulteerde in een snelle stijging van de deviezenreserves bij de centrale bank tot bijna vier maanden invoer. Verwacht wordt dat de buitenlandse overheidsschuld als percentage van het BBP zal afnemen van 22,5% in 2003 tot circa 19% in 2004.

5. Overige derde landen

Ondanks het betere macro-economische klimaat blijven er grote risico’s verbonden aan het verstrekken van leningen aan of het doen van investeringen in Argentinië . Doordat er geen vorderingen zijn gemaakt bij het doorvoeren van een aantal essentiële structurele hervormingen en de sluiting van een schuldherschikkingsovereenkomst met particuliere crediteuren vertraging heeft opgelopen, is de derde evaluatie in het kader van de lopende stand-by-overeenkomst met het IMF uitgesteld. Bovendien heeft het land nog steeds enige betalingsachterstand bij de EIB (zie afdeling 6 van deel een).

Hoewel er dankzij de stijging van de deviezenreserves, de comfortabele stand van de lopende rekening en de recente maatregelen van de autoriteiten om een betere samenstelling van de overheidsschuld te bewerkstelligen sprake is van een grotere schokbestendigheid van de economie, blijft Brazilië kwetsbaar voor een verandering in het beleggerssentiment ten aanzien van opkomende markten.

Hoewel aangenomen wordt dat de nominale omvang van de (in USD uitgedrukte) buitenlandse schuld van Algerije vrijwel ongewijzigd blijft, wordt er toch van uitgegaan dat deze schuld in 2004 in verhouding tot het BBP met 5 procentpunt zal teruglopen tot 30,6% en dat de desbetreffende schuldendienst zal afnemen van 79,5% in 2003 tot 62,2% in 2004. De buitenlandse schuld bestaat vrijwel uitsluitend uit overheidsschuld op middellange en lange termijn en de afgelopen jaren zijn geen betalingen gemist.

Hoewel de begrotingsconsolidatie in Jordanië moet worden voortgezet, is er geen onmiddellijke bezorgdheid over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën gezien de recente sterke exportprestatie (met name het grote overschot op de lopende rekening en de accumulatie van reserves), die naar verwachting in de nabije toekomst zal worden volgehouden.

[1] Er zij op gewezen dat de diensten van de Commissie een werkdocument hebben opgesteld dat fungeert als bijlage bij dit verslag en waarin een reeks gedetailleerde tabellen en toelichtingen is opgenomen.

[2] Nieuw communautair instrument (NCI), niet gebruikt sinds 1995. De laatste lening zal op 17.12.2004 volledig zijn afgelost.

[3] Voor nadere bijzonderheden over de mandaten van de Europese Investeringsbank (EIB), zie tabel A1 van de bijlage.

[4] C(2004)2817/3 van 20.7.2004 (EUR equivalent van 83 000 000 USD).

[5] COM(2004) 487.

[6] Overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

[7] In de financiële vooruitzichten 2000-2006 is een jaarlijks bedrag van 200 miljoen EUR(prijzen van 1999) opgenomen; in 2003 betrof het een bedrag van 217 miljoen EUR en in 2004 gaat het om een bedrag van 221 miljoen EUR.

[8] Bij de afsluiting van dit verslag (november 2004) waren geen nieuwe besluiten inzake macrofinanciële bijstand aangenomen of voorgesteld. Het beroep op de reserve kan derhalve ongeveer 17 miljoen EUR lager uitvallen dan in juni 2004 werd verwacht.

[9] Er zij op gewezen dat de in tabel A3 opgenomen raming van het theoretische maximale jaarlijkse risico voor 2004 uitsluitend betrekking heeft op de tweede helft van 2004. Ter wille van de vergelijkbaarheid is dit bedrag omgerekend naar een periode van 12 maanden.