52004DC0491

Verslag van de Commissie aan de begrotingsautoriteit over de stand van de algemene-begrotingsgaranties op 31 december 2003 {SEC(2004) 922} /* COM/2004/0491 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE aan de begrotingsautoriteit over de stand van de algemene-begrotingsgaranties op 31 december 2003 {SEC(2004) 922}

INHOUDSOPGAVE

Deel een: Gebeurtenissen sinds het verslag van 30 juni 2003, stand van de risico's en gebruik van de begrotingsgaranties

1. Inleiding: aard van de operaties

1.1. Leningen met een macro-economisch doel

1.2. Leningen met een micro-economisch doel

2. Gebeurtenissen sinds het verslag van 30 juni 2003

3. Stand van de risico's

3.1. Uitstaand bedrag in hoofdsom op 31 december 2003

3.2 Maximaal jaarlijks risico voor de Gemeenschapsbegroting: op 31 december 2003 uitbetaalde leningen

3.3 Theoretisch maximaal jaarlijks risico voor de Gemeenschapsbegroting: op 31 december 2003 uitbetaalde en toegekende leningen

4. Gebruik van begrotingsgaranties

4.1. Gebruik van kasmiddelen

4.2. Gebruik van het Garantiefonds

5. Analyse van de theoretische lening- en garantiecapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen

6. Stand van het Garantiefonds op 31 december 2003

7. Relatieve soliditeit

Deel twee: Beoordeling van de potentiële risico's: economische en financiële situatie van de derde landen waaraan de belangrijkste leningen zijn verstrekt

1. Inleiding

2. Kandidaat-lidstaten

2.1. Bulgarije

2.2 Roemenië

2.3 Turkije

3. Westelijke Balkan

3.1 Bosnië-Herzegovina (BiH)

3.2 Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (VJRM)

3.3 Servië en Montenegro

4. Nieuwe Onafhankelijke Staten

4.1 Armenië

4.2 Belarus

4.3 Georgië

4.4 Moldavië

4.5 Tadzjikistan

4.6 Oekraïne

5. Andere derde landen

5.1 Algerije

5.2 Argentinië

5.3 Brazilië

5.4 Jordanië

Lijst van afkortingen

Deel een:

Gebeurtenissen sinds het verslag van 30 juni 2003, stand van de risico's en gebruik van de begrotingsgaranties [1]

[1] Er zij op gewezen dat de diensten van de Commissie een werkdocument hebben opgesteld dat fungeert als bijlage bij dit verslag en waarin een reeks gedetailleerde tabellen en toelichtingen is opgenomen.

1. Inleiding: aard van de operaties

De door de Gemeenschapsbegroting gedekte risico's houden verband met uiteenlopende lening- en garantieoperaties, die in twee categorieën kunnen worden ingedeeld: leningen met een macro-economisch doel en leningen met een micro-economisch doel.

1.1. Leningen met een macro-economisch doel

De leningen met een macro-economisch doel omvatten in de eerste plaats de betalingsbalansleningen voor lidstaten of derde landen. Aan deze leningen zijn doorgaans strikte economische beleidsvoorwaarden gekoppeld.

1.2. Leningen met een micro-economisch doel

De leningen met een micro-economisch doel dienen voor projectfinanciering. Doorgaans worden ze over een langere periode afgelost met de verwachte opbrengst van de projecten. Deze leningen worden meestal toegekend aan ondernemingen, financiële instellingen of derde landen en worden niet alleen door de garantie van de Gemeenschap, maar ook door de gewoonlijk door banken geëiste garanties gedekt.

Tot deze categorie behoren Euratom- en NCI-leningen [2] in de lidstaten en Euratom- en EIB-leningen buiten de Gemeenschap (in landen van het Middellandse-Zeegebied, Midden- en Oost-Europa, Latijns-Amerika en Azië, in de Republiek Zuid-Afrika en in Rusland).

[2] Niet gebruikt sinds 1995.

2. Gebeurtenissen sinds het verslag van 30 juni 2003

Wat de macrofinanciële bijstand aan derde landen betreft, is op 25 november 2003 een nieuw besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 2002/882/EG inzake aanvullende macrofinanciële bijstand aan Servië en Montenegro aangenomen [3]. Op grond van bestaande besluiten zijn leningen uitbetaald aan Roemenië (50 miljoen EUR), Servië en Montenegro (30 miljoen EUR) en de VJRM (18 miljoen EUR).

[3] PB L 311 van 27.11.2003, blz. 28.

Tijdens de verslagperiode zijn geen nieuwe Commissiebesluiten tot toekenning van Euratom-leningen aangenomen. Er zijn evenmin tranches van dergelijke leningen uitgekeerd op basis van bestaande besluiten.

3. Stand van de risico's

Er bestaan twee methoden om de risico's voor de Gemeenschapsbegroting te beoordelen:

- aan de hand van het vaak door banken gehanteerde criterium van het totale op een bepaalde datum uitstaande bedrag in hoofdsom van de operaties (zie bijlage, tabel A1);

- meer specifiek budgettair, door voor elk begrotingsjaar het maximale bedrag te berekenen dat de Gemeenschap kan moeten uitbetalen.

De tweede methode is op twee verschillende manieren toegepast:

- alleen op de effectieve uitbetalingen tot en met de verslagdatum, ervan uitgaande dat er geen vervroegde aflossingen zijn (tabel A2 (bijlage) toont de ondergrens van dit maximale risico voor de Gemeenschapsbegroting);

- in prospectieve zin, op alle door de Raad goedgekeurde of door de Commissie voorgestelde operaties, om de weerslag ervan op de toekomstige begrotingen te ramen, ervan uitgaande dat de in behandeling zijnde en geplande voorstellen van de Commissie worden aanvaard (tabel A3 (bijlage) toont de bovengrens van dit maximale risico voor de Gemeenschapsbegroting).

In dit laatste geval wordt een beeld verkregen van het toekomstige risico dat met de voorstellen samenhangt. Wel moeten er aannamen worden gemaakt met betrekking tot de uitbetalingsdata en aflossingsvoorwaarden (voor nadere bijzonderheden, zie bijlage), alsook ten aanzien van de rentetarieven [4] en wisselkoersen [5].

[4] Voor de nieuwe operaties in tabel A3 is een rentevoet van 5,49% (meegedeeld door de EIB) gehanteerd.

[5] Voor leningen in andere valuta's dan de euro zijn de wisselkoersen van 31 december 2003 toegepast.

De uitkomsten zijn weergegeven in de tabellen A1 tot en met A3 (bijlage), waarin ten aanzien van het risico onderscheid is gemaakt tussen lidstaten en derde landen.

De totalen in de tabellen betreffen risico's van uiteenlopende aard, zoals leningen aan een land in het kader van macrofinanciële bijstand en leningen voor projecten in het geval van NCI- of EIB-leningen.

In onderstaande analyse wordt een onderscheid gemaakt tussen het totale risico, het risico van de operaties in de lidstaten en het risico van de operaties in derde landen.

3.1. Uitstaand bedrag in hoofdsom op 31 december 2003

Op 31 december 2003 bedroeg het totale risico 15 062 miljoen EUR, tegen 15 067 miljoen EUR op 30 juni 2003. Voor nadere bijzonderheden, zie bijlage (tabel A1).

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de operaties die van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van het uitstaande bedrag in hoofdsom sinds het vorige verslag.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Het uitstaande bedrag in hoofdsom van de leningen in de lidstaten bedroeg op 31 december 2003 24 miljoen EUR, tegen 32 miljoen EUR op 30 juni 2003.

Het uitstaande bedrag in hoofdsom van de leningen in derde landen bedroeg op 31 december 2003 15 037 miljoen EUR, tegen 15 035 miljoen EUR op 30 juni 2003.

3.2 Maximaal jaarlijks risico voor de Gemeenschapsbegroting: op 31 december 2003 uitbetaalde leningen

- Het totale risico voor 2004 beloopt 1 962 miljoen EUR.

- Het risico wegens leningen in de lidstaten beloopt 24 miljoen EUR.

- Het risico wegens leningen in derde landen beloopt 1 938 miljoen EUR.

- Voor nadere bijzonderheden over het maximale jaarlijkse risico, zie tabel A2 (bijlage).

3.3 Theoretisch maximaal jaarlijks risico voor de Gemeenschapsbegroting: op 31 december 2003 uitbetaalde en toegekende leningen

Voor 2004 beloopt het theoretische maximale risico 2 076 miljoen EUR. Vanaf 2005 stijgt het tot 3 712 miljoen EUR in 2012.

- De trend van het theoretische maximale risico wegens leningen in de lidstaten is dezelfde als in tabel A2.

- Voor 2004 beloopt het risico wegens leningen in derde landen 2 053 miljoen EUR. Vanaf 2005 stijgt het tot 3 712 miljoen EUR in 2012.

Voor nadere bijzonderheden over het theoretische maximale jaarlijkse risico, zie tabel A3 (bijlage).

4. Gebruik van begrotingsgaranties

4.1. Gebruik van kasmiddelen

Overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen verricht de Commissie betalingen uit haar kasmiddelen om in geval van wanbetaling door een debiteur vertraging bij de dienst van opgenomen leningen en de daaruit voortvloeiende kosten te voorkomen.

4.2. Gebruik van het Garantiefonds

Bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad van 31 oktober 1994 is een Garantiefonds voor externe activiteiten ingesteld. Wanneer de nemer van een door de Gemeenschap toegekende lening in gebreke blijft, wordt binnen de drie maanden na de datum waarop de betaling verschuldigd was, een beroep op het Garantiefonds gedaan.

Wanneer de nemer van een door de EG-begroting gegarandeerde EIB-lening in gebreke blijft, wordt ten vroegste drie maanden na de datum waarop de betaling verschuldigd was, een beroep op de Gemeenschapsgarantie gedaan. De Gemeenschap treedt op binnen drie maanden na ontvangst van het schriftelijke verzoek van de EIB om honorering van de garantie. De Commissie staat de EIB dan toe de desbetreffende bedragen aan het Garantiefonds te onttrekken.

De door de leningnemer verschuldigde achterstandsrente over de periode tussen de beschikbaarstelling van de kasmiddelen uit de Gemeenschapsbegroting en de betaling uit het Garantiefonds wordt uit het Fonds in de kas teruggestort. Voor EIB-leningen wordt de achterstandsrente berekend over de periode tussen de datum waarop een tranche van de lening had moeten worden terugbetaald en de datum waarop de EIB de kasmiddelen van de Commissie ontvangt.

5. Analyse van de theoretische lening- en garantiecapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen

Wegens het mechanisme van het Garantiefonds is de lening- en garantiecapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen beperkt omdat de beschikbare kredieten voor de voorziening van het Fonds afhankelijk zijn van het bedrag dat in de financiële vooruitzichten als garantiereserve is opgenomen [6].

[6] In de financiële vooruitzichten 2000-2006 is 200 miljoen EUR (prijzen van 1999) opgenomen; in 2003 betrof het een bedrag van 217 miljoen EUR en in 2004 zal het gaan om 221 miljoen EUR.

De leningcapaciteit hangt steeds samen met de resterende ruimte in de garantiereserve. Deze ruimte is gelijk aan het verschil tussen de reserve en de raming van de voorziening van het Garantiefonds op grond van de operaties die al zijn goedgekeurd of nog in voorbereiding zijn.

In tabel A4 (bijlage) wordt de leningcapaciteit van de Gemeenschap voor derde landen voor de periode 2003-2006 geraamd overeenkomstig het mechanisme van het Garantiefonds. De berekeningsmethode en de verwijzingen naar de regelgeving worden nader toegelicht in de bijlage.

Afgaande op de besluiten die al door de Raad of de Commissie zijn goedgekeurd, of die voorgesteld of gepland zijn (zie bijlage, tabel A4), zal de garantiereserve in 2004 naar verwachting voor 208,07 miljoen EUR worden aangesproken, waardoor 12,93 miljoen EUR overblijft voor verdere leningen met een EG-begrotingsgarantie.

Rekening houdend met de invloed op de garantiereserve van de voorziening van het Fonds voor al goedgekeurde leningen en voor leningen die voor 2004 worden voorgesteld of gepland, bedraagt de leningcapaciteit per jaar:

- 143,71 miljoen EUR voor leningen met een EG-begrotingsgarantie van 100%; of

- 221,09 miljoen EUR voor leningen met een garantie van 65% (overeenkomstig Besluit 2000/24/EG van de Raad van 22 december 1999).

Op 31 december 2003 bedroegen de uitstaande leningen en leninggaranties voor derde landen in totaal 15 186 miljoen EUR.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De verhouding tussen de middelen van het Fonds en het uitstaande bedrag in hoofdsom, in de zin van de verordening tot instelling van het Fonds, beliep 10,48%, wat meer is dan het streefcijfer van 9% van Verordening (EG, Euratom) nr. 1149/1999 tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 tot instelling van het Fonds. Volgens de voorschriften dient het surplus aan het einde van het jaar te worden teruggeboekt naar een specifiek begrotingsonderdeel in de staat van ontvangsten van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen. Aan het einde van het begrotingsjaar 2003 beliep het surplus 223,16 miljoen EUR.

6. Stand van het Garantiefonds op 31 december 2003

Op 31 december 2003 bedroeg het Garantiefonds 1 592,13 miljoen EUR. In de tweede helft van 2003 werden de volgende bewegingen genoteerd:

- op 22 augustus 2003 werd het Fonds ingeschakeld als gevolg van een wanbetaling op een lening aan de Republiek Argentinië ten belope van 2 688 551,39 USD (2 468 518,13 EUR);

- de Commissie werd door de EIB in kennis gesteld van een betalingsachterstand op een andere lening aan de Republiek Argentinië ten bedrage van 2 689 781,25 USD, hetgeen in de eerste helft van 2004 tot een beroep op het Fonds kan leiden;

- netto-inkomsten van 30,3 miljoen EUR uit beleggingen van het Fonds;

- de eerste jaarlijkse overdracht uit de reserve aan het Fonds beliep 145,67 miljoen EUR. Het surplus van het Fonds voor 2002 bedroeg 263,33 miljoen EUR. Beide bedragen werden verrekend, hetgeen op 25 augustus 2003 resulteerde in een storting van 117,66 miljoen EUR uit het Fonds in de begroting van de Europese Unie. De tweede overmaking, ten belope van 2,25 miljoen EUR, vond plaats op 2 januari 2004.

7. Relatieve soliditeit

De verhouding tussen de stand van het Fonds op 31 december 2003 (1 592,13 miljoen EUR) en het theoretische maximale jaarlijkse risico voor leningen aan derde landen in 2004 (2 053 miljoen EUR) is 78% (zie bijlage, tabel A3).

Deel twee:

Beoordeling van de potentiële risico's: economische en financiële situatie van de derde landen waaraan de belangrijkste leningen zijn verstrekt

1. Inleiding

In deel een zijn de kwantitatieve aspecten van het risico voor de algemene begroting toegelicht. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de kwalitatieve aspecten, die afhangen van de aard van de operaties en de kredietwaardigheid van de debiteuren. Hieronder worden de recente gebeurtenissen besproken die van invloed kunnen zijn op het landenrisico van de portefeuille.

Zoals in eerdere verslagen wordt in deel twee het landenrisico beoordeeld aan de hand van een tabel van risico-indicatoren (zie bijlage) voor elk derde land dat macrofinanciële bijstand van de EG heeft ontvangen en nog schulden aan de EG heeft. Voorts wordt het risico beoordeeld voor derde landen die meer dan 2% van de in totaal uitstaande EG-leningen voor hun rekening nemen (vooral wegens garanties op projectleningen van de EIB) en die volgens de criteria van de Wereldbank zeer hoge schulden hebben of waarvan de externe of schuldpositie ernstige onevenwichtigheden vertoont.

Hierna volgt een analyse van alle onderzochte landen, zodat bij de risicobeoordeling met de nieuwste gegevens rekening kan worden gehouden.

De landenanalyse heeft betrekking op 44,8% van de totale vorderingen van de EG wegens leningen of door de begroting gedekte garanties en geeft dus een goed beeld van het risico.

2. Kandidaat-lidstaten

De reële groeicijfers in de regio bleven hoger dan 4%, wat de budgettaire stabilisatie in de hand werkte maar leidde tot een aanzienlijke toename van de invoer en dus tot een verslechtering van de respectieve lopende rekeningen.

2.1. Bulgarije

Ondanks het sombere mondiale economische klimaat in 2003 bleef de Bulgaarse economie gekenmerkt door een snelle groei en een grote stabiliteit. In de eerste drie kwartalen van 2003 bleef het reële BBP groeien met 4,2%. De groei wordt geschraagd door een krachtige particuliere consumptie en investeringsactiviteit als gevolg van een forse toename van de bankkredieten, de werkgelegenheid en de instroom van BDI. De sterke binnenlandse vraag resulteerde evenwel in een hoge invoergroei, waar geen even krachtige uitvoergroei tegenover stond. Na in de eerste helft van 2003 op een laag peil te zijn gebleven, versnelde de inflatie in het tweede halfjaar enigszins wegens hogere voedsel- en energieprijzen. De inflatie bedroeg daardoor gemiddeld 2,3% en aan het einde van 2003 5,6%. De werkloosheid is sterk teruggelopen tot 12,7% van de beroepsbevolking in september 2003, hetgeen neerkomt op een daling met ruim 4,5 procentpunten in vergelijking met een jaar eerder. Zowel in de particuliere sector als in het kader van banenplannen van de overheid werden tal van arbeidsplaatsen geschapen. Het gedeeltelijk uitgestelde privatiseringsprogramma kan in de komende weken en maanden een nieuwe impuls krijgen naar aanleiding van de beslissing om de privatisering van de telecommunicatiesector in februari te voltooien en om een nieuwe strategie te gaan volgen voor de privatisering van het tabaksbedrijf, dat in verschillende fasen zal worden verkocht. De tenuitvoerlegging van de stand-by-overeenkomst van februari 2002 met het IMF werd met goed gevolg afgerond in februari 2004 en er wordt een nieuwe voorzorgsovereenkomst overwogen.

Dankzij de hoge deviezenreserves kon de currency board, waarbij de nationale valuta aan de euro is gekoppeld tegen een koers van 1,95583 BGN voor 1 EUR, probleemloos worden gehandhaafd. De krachtige appreciatie van de euro ten opzichte van de VS-dollar was debet aan enige verslechtering van het externe concurrentievermogen. Deze verslechtering zou evenwel slechts vrij beperkt mogen uitvallen als gevolg van de structuur van het buitenlandse handelsverkeer van Bulgarije, waarvan de invoer voor een groot deel in dollar (energie, grondstoffen) en de uitvoer voornamelijk in euro luidt (industrieproducten, toerisme). Uit de betalingsbalansgegevens tot november 2003 blijkt dat het tekort op de lopende rekening veel hoger is uitgekomen dan de afgelopen jaren omdat het grote handelstekort slechts in mindere mate dan in de voorbije jaren werd gecompenseerd door andere posten van de lopende rekening. De vergissingen en weglatingen vertegenwoordigden per saldo echter nog steeds meer dan 2% van het BBP en kunnen derhalve bijdragen tot een beter resultaat zodra de definitieve gegevens beschikbaar komen. De netto-instroom van buitenlandse directe investeringen, die in de periode tot en met november reeds 6,6% van het BBP bedroeg, zal in 2003 een recordomvang bereiken. De deviezenreserves van de centrale bank bleven toenemen en zijn thans goed voor ruim 6 maanden goederen- en diensteninvoer.

De begrotingsdiscipline blijft van cruciaal belang voor het handhaven van de interne en externe stabiliteit. In oktober 2003 bereikte het begrotingsoverschot (op kasbasis) van de overheid een piek van 2,8%. Als gevolg van een aantal buitengewone uitgaven naar het einde van het jaar toe kon voor het gehele jaar een vrijwel sluitende begroting worden gerealiseerd. De overheidsschuld is verder blijven afnemen van ruim 100% van het BBP in 1997 tot minder dan 50% van het BBP in de tweede helft van 2003. De totale buitenlandse schuld is gedaald tot onder de 70% van het BBP, mede als gevolg van het feit dat deze schuld voor een groot deel in VS-dollar luidt. Ter beperking van de risico's voert de overheid een actief schuldbeheer door geleidelijk over te schakelen van VS-dollar naar euro, van kortlopende naar langlopende schuld, van obligaties met een variabele rente naar obligaties met een vaste rente en van buitenlandse naar binnenlandse financiering.

2.2 Roemenië

In de tweede helft van 2003 bleven de macro-economische trends algemeen genomen positief: er was sprake van een solide groei die gepaard ging met een verder afnemende inflatie. De groei leek echter steeds onevenwichtiger te worden en de zich aftekenende toename van het tekort op de lopende rekening zette door.

In oktober 2003 wist Roemenië met succes de laatste evaluatie in het kader van zijn stand-by-overeenkomst met het IMF af te ronden. Deze SBO heeft ertoe bijgedragen dat een gezond macro-economisch beleid werd gevoerd en dat vooruitgang werd geboekt bij het doorvoeren van structurele hervormingen. Het begrotingsbeleid is vrij voorzichtig gebleven en het monetaire beleid bleef erop gericht de inflatie te beteugelen en tegelijkertijd het externe concurrentievermogen in stand te houden. In 2003 heeft de inflatie haar neerwaartse tendens voortgezet. Aan het einde van het jaar bedroeg zij 14,1%, waarmee het streefcijfer van de regering werd gehaald.

Het reeds vier jaar aan de gang zijnde economische herstel van Roemenië hield ook in 2003 aan, want er was wederom sprake van een stevige groei. Na in 2002 met 4,9% te zijn gegroeid, nam het reële BBP in de eerste drie kwartalen van 2003 immers opnieuw met 4,7% op jaarbasis toe. De groei werd echter uitsluitend gedragen door de binnenlandse vraag, die in het bijzonder werd gekenmerkt door een forse toename van het gezinsverbruik. Dit steeg in het derde kwartaal met ruim 6% op jaarbasis als gevolg van een krachtige expansie van het consumentenkrediet en een gemiddelde reële loonstijging met bijna 9% in 2003.

Doordat de investeringsuitgaven snel bleven toenemen (met bijna 8% op jaarbasis tijdens de eerste drie kwartalen van 2003), was er opnieuw sprake van een krachtige invoergroei: de invoer is met bijna 12% gestegen ten opzichte van de overeenkomstige periode van 2002. Tegelijkertijd deed zich in 2003 een scherpe vertraging van de uitvoergroei voor tot iets meer dan 8% in vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder. Ook de industriële productie is in 2003 in een veel trager tempo gegroeid dan in de voorgaande jaren. Dit alles had tot gevolg dat de groeibijdrage van de netto-uitvoer in 2003 negatief werd.

Het tekort op de lopende rekening is in 2003 fors gestegen en zal naar verwachting voor het jaar als geheel ruim boven de 5% van het BBP uitkomen. Tegen deze achtergrond zijn begrotingsmaatregelen aangekondigd voor 2004 en worden er maatregelen met betrekking tot het bankstelsel voorbereid die erop gericht zijn de kredietgroei zodanig te reduceren dat het tekort op de lopende rekening binnen de perken kan worden gehouden.

Er is nog steeds sprake van een vrij geringe netto-instroom van buitenlandse directe investeringen, maar in de eerste tien maanden van 2003 beliep deze toch meer dan 1 miljard EUR, hetgeen neerkomt op een lichte toename ten opzichte van de voorgaande jaren.

De officiële deviezenreserves van Roemenië zijn naar het einde van 2003 toe teruggelopen, maar waren toch nog goed voor 3,7 maanden invoer van goederen en diensten. In december hebben tal van ratingbureaus hun ratings voor zowel de in nationale valuta als de in buitenlandse valuta luidende overheidsschuld van Roemenië verhoogd. Na te zijn toegenomen tot 14,9 miljard EUR aan het einde van 2002, is de buitenlandse schuld verder opgelopen tot 16,0 miljard EUR in oktober 2003. Als percentage van het BBP is de buitenlandse schuld met 34,4% evenwel ongewijzigd gebleven.

2.3 Turkije

Op korte en middellange termijn worden de Turkse autoriteiten geconfronteerd met de uitdaging de door het IMF ondersteunde hervormingen door te voeren en de zware schuldenlast te financieren tegen de achtergrond van een toenemend tekort op de lopende rekening als gevolg van een zich herstellende vraag en een forse reële wisselkoersstijging.

De productie is in 2003 met ruim 5% gestegen onder impuls van een krachtige uitvoer en voorraadaanvulling. De consumptie is tot dusver evenwel lusteloos gebleven als gevolg van de zwakke groei van het reële beschikbare inkomen. Een van de belangrijkste ontwikkelingen tijdens de afgelopen maanden was de voortdurende daling van de inflatiedruk: in de 12 maanden tot december 2003 bereikte de consumentenprijsinflatie een nieuw dieptepunt van 18,4%. De officiële doelstelling voor eind 2003 was 20% en die voor december 2004 is 12%. De gemiddelde inflatie op jaarbasis is daardoor teruggelopen van 45,0% in 2002 tot 25,3% in 2003. Deze gunstige ontwikkeling werd vooral in de hand gewerkt door een strikt begrotingsbeleid en de forse reële appreciatie van de Turkse valuta. De stevigheid van de Turkse valuta is in belangrijke mate toe te schrijven aan het verbeterde marktvertrouwen, omgekeerde muntsubstitutie en het nog steeds grote reële renteverschil. Dankzij de voortdurend afnemende inflatoire spanningen en de dalende inflatieverwachtingen was de Turkse centrale bank in staat de basisrentetarieven aanzienlijk te verlagen, hetgeen de investeringen en de consumptie ten goede zou moeten komen. Bovendien zijn de financieringskosten van de overheidstekorten scherp gedaald.

Hoewel de huidige regering een aantal genereuze uitgavenmaatregelen heeft genomen, beantwoordt het begrotingsbeleid tot dusver grotendeels aan de doelstellingen. In maart 2004 zijn er evenwel plaatselijke verkiezingen gepland, waardoor er op korte termijn een risico bestaat dat de budgettaire teugels worden gevierd. In 2003 hebben de Turkse autoriteiten zich gehouden aan het met het IMF overeengekomen streefcijfer voor het primaire overschot van de centrale overheid van 5% van het BBP. Het primaire begrotingsoverschot voor de gehele overheidssector zal vermoedelijk dicht in de buurt komen van het officiële streefcijfer van 6,5% van het BBP. Verwacht wordt dat de bruto schuldquote zal teruglopen van 95% van het BBP in 2002 tot 86,3% van het BBP eind 2003.

Het tekort op de lopende rekening is in de loop van de tweede helft van 2003 verslechterd van 1,8% in de eerste 6 maanden tot ongeveer 2,5% in november. De inkomsten uit toerisme gaven evenwel een verrassend gunstige ontwikkeling te zien nadat snel een einde kwam aan de oorlog in het buurland Irak, terwijl de instroom van BDI verwaarloosbaar bleef. In december 2003 beliepen de deviezenreserves van de centrale bank 38 miljard EUR, hetgeen goed is voor ongeveer 6 maanden invoer.

3. Westelijke Balkan

Sinds het vorige verslag hebben zich geen opvallende veranderingen in de omvang van de openbare en de buitenlandse schuld van de landen uit de regio voorgedaan. De situatie in de VJRM is evenwel verder verbeterd.

3.1 Bosnië-Herzegovina (BiH)

In het kader van het lopende IMF-programma (op schema), dat recentelijk is verlengd tot eind februari 2004, heeft BiH in 2003 de macro-economische stabiliteit en een lage inflatie weten te handhaven en verdere inspanningen geleverd op het gebied van de begrotingsconsolidatie. Volgens de laatste ramingen zou de reële BBP-groei evenwel zijn vertraagd tot 3,5% (tegen 5,5% in 2002), niet alleen wegens de negatieve externe omgeving en een periode van droogte, maar ook omdat er weinig factoren zijn die bijdragen tot een autonome economische groei tegen een achtergrond van afnemende officiële hulp. Als gevolg van een strikte handhaving van de currency board is de inflatie onder controle gebleven: in de eerste negen maanden van 2003 bedroeg deze gemiddeld 0,6%. De overheidsuitgaven blijven weliswaar hoog, maar zouden toch zijn teruggelopen van 51% van het BBP in 2002 tot 48% van het BBP in 2003. Na de betere belastinginning in 2002, waardoor het geraamde geconsolideerde begrotingstekort voor dat jaar neerwaarts werd herzien tot 7,1% van het BBP (2,2% na giften), streefden de autoriteiten voor 2003 een tekort na van 6,4% van het BBP (2,2% na giften). Wegens de gunstige ontwikkeling van de ontvangsten en ook als gevolg van bezuinigingen aan de uitgavenzijde lijkt deze doelstelling ruimschoots te zijn gehaald (gegevens voor september). Het overheidstekort wordt thans immers geraamd op 3,4% van het BBP (na giften zou er zelfs sprake zijn van een gering overschot). De omvang van de binnenlandse overheidsschuld (met inbegrip van achterstallige betalingen, oorlogsschadeclaims en bevroren deviezentegoeden) ligt nog steeds niet volledig vast. Deze schuld bedraagt vermoedelijk ongeveer 45% van het BBP, waardoor de totale overheidsschuld circa 80% van het BBP zou belopen.

Als gevolg van een verkrapping van het monetaire beleid om de forse expansie van de kredietverlening een halt toe te roepen, zou het tekort op de lopende rekening enigszins zijn teruggelopen tot iets minder dan 18% van het BBP (tegen 18,5% in 2002). De bruto deviezenreserves zouden goed zijn voor ongeveer 4,2 maanden invoer (tegen 4,8 maanden eind 2002). Volgens de laatste gegevens zou de buitenlandse overheidsschuld (vooral ten gevolge van aflossingen aan het IMF en de Wereldbank) eind 2002 39% van het BBP hebben bedragen (neerwaarts herzien van 47%) en op middellange termijn naar verwachting licht afnemen. De schuldendienst, die in 2002 toenam tot 8,5% van de uitvoer, bleef in 2003 op hetzelfde peil en zal de komende jaren vermoedelijk teruglopen. BiH heeft geen kredietrating. Voor de transitie-indicatoren van de EBWO, die de voortgang van de hervormingen in Midden- en Oost-Europa weergeven, is de score van BiH aan de lage kant, al is er enige vooruitgang merkbaar.

Hoewel BiH ook in het tweede halfjaar van 2003 zijn buitenlandse schuldendienstverplichtingen is nagekomen, bleven de betalingsbalans en de schuldpositie tegenover het buitenland algemeen genomen kwetsbaar als gevolg van grote buitenlandse tekorten, afnemende buitenlandse bijstand en een zware binnenlandse schuldenlast van de overheid.

3.2 Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (VJRM)

In 2003 zou het BBP van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië met naar schatting 3% zijn gegroeid, een percentage dat grotendeels in de lijn lag van de oorspronkelijke prognoses van de autoriteiten en het IMF. De inflatie is laag gebleven: de consumentenprijzen waren in december 2003 met slechts 2,6% op jaarbasis gestegen. De begrotingsresultaten zijn in 2003 aanmerkelijk verbeterd. Het overheidstekort wordt thans immers op ongeveer 1,5% van het BBP geraamd, terwijl aan het begin van het jaar nog een tekort van 2,7% werd voorspeld en in 2002 een tekort van 5,7% werd geboekt. In oktober 2003 hechtte het College van Bewindvoerders van het IMF zijn goedkeuring aan de eerste evaluatie in het kader van een stand-by-overeenkomst, die in juni 2004 afloopt.

Wat de buitenlandse handel betreft, was er in 2003 sprake van een lichte daling van het totale handelsverkeer in nominale (euro)termen. De uitvoer bleef stabiel in vergelijking met 2002, terwijl de invoer met 6% terugliep. Het handelstekort is vermoedelijk uitgekomen op ongeveer 700 miljoen EUR of 17,2% van het BBP en lag daarmee lager in eurotermen en als percentage van het BBP maar hoger in dollartermen (als gevolg van wisselkoerseffecten) dan in 2002. In 2003 zou het tekort op de lopende rekening (vóór giften) naar schatting 8,3% van het BBP hebben bedragen en 6,2% van het BBP wanneer rekening wordt gehouden met de buitenlandse bijstand (2,1% van het BBP). In 2003 werden de deviezenreserves gehandhaafd op een niveau equivalent met vier maanden invoer, wat overeenstemt met het streefcijfer dat in het IMF-programma is vastgesteld. De buitenlandse schuld is sterk teruggelopen tot 33% van het BBP eind 2003 en bleef daarmee op een vrij bescheiden peil in vergelijking met andere landen uit de regio.

Er kunnen risico's voor de betalingsbalans ontstaan als gevolg van mogelijke speculatieve druk op de valutamarkt, een groter dan verwachte invoer wegens tariefverlagingen en een daling van de inkomende overdrachten van particulieren. De grootste risico's op middellange termijn blijven samenhangen met de binnenlandse politieke situatie, en met name met de aanhoudende etnische spanningen in het land. Algemeen genomen is het risicoprofiel van de VJRM in het tweede halfjaar van 2003 verder verbeterd dankzij de begrotingsconsolidatie en de instandhouding van een gezond macro-economisch kader in overleg met het IMF.

3.3 Servië en Montenegro

In de tweede helft van 2003 bleef het macro-economisch beleid in Servië en Montenegro gericht op de ondersteuning van de macro-economische stabiliteit, hetgeen spoort met het lopende IMF-programma, een in mei 2002 goedgekeurde uitgebreide financieringsfaciliteit voor een periode van drie jaar. In 2003 vorderden de structurele hervormingen evenwel in een trager tempo. Zo hebben met name de herstructurering van grote collectieve en staatsbedrijven en het privatiseringsproces in de banksector vertraging opgelopen. Het reële BBP groeide met naar schatting 3% (tegen een aanvankelijke groeidoelstelling van 3,5 à 4,5%), vooral onder impuls van een gunstige ontwikkeling van de diensten- en de vervoersector, terwijl de industriële en de landbouwproductie terugliepen in vergelijking met het voorafgaande jaar. De inflatie bleef verder afnemen tot 8% eind 2003.

In het kader van het IMF-programma werd aangenomen dat het tekort op de lopende rekening van Servië en Montenegro in 2003 zou teruglopen tot 11% van het BBP vóór giften (12,8% in 2002) als gevolg van een geringere invoervraag en een aanhoudend uitvoerherstel. De dekkingsgraad van de invoer door de uitvoer bedraagt echter nog steeds slechts 38,5% en het handelstekort zou zijn opgelopen tot naar schatting 23,3% van het BBP. De netto inkomensoverdrachten, die veelal de vorm aannamen van overmakingen, zijn met 37% gestegen (in de eerste acht maanden van 2003) en hebben een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de financiering van het handelstekort. Sommige negatieve tendensen die zich in de eerste helft van 2003 op de financiële en kapitaalrekening aftekenden, konden in het tweede deel van het jaar worden omgebogen dankzij een aantal succesvolle privatiseringen in Servië, die er in aanzienlijke mate toe hebben bijgedragen dat de netto-instroom van buitenlandse directe investeringen (BDI) sterk aanzwol tot 1 060 miljoen EUR, terwijl aanvankelijk was uitgegaan van een bedrag van 550 miljoen EUR. Dit had tot gevolg dat de deviezenreserves bleven stijgen en eind 2003 een omvang van ruim 3 miljard EUR zouden hebben bereikt, hetgeen gelijk is aan 4,5 maanden invoer. Verwacht wordt evenwel dat de instroom van BDI in de komende jaren sterk zal verminderen en dat het daarom steeds belangrijker zal worden dat het hervormingsproces in Servië en Montenegro meer nieuwe BDI aantrekt, zodat de externe positie van het land houdbaar blijft.

Wat de buitenlandse schuld betreft (die eind september op 11,5 miljard EUR of ongeveer 61% van het BBP werd geraamd), zijn na het bereiken van een algemene overeenkomst met de Club van Parijs in 2001 (een geleidelijke reductie van de schuld met 66%) bilaterale overeenkomsten gesloten met de voornaamste leden ervan (met uitzondering van Italië, Japan en Finland). In november 2003 zijn belangrijke schuldverlichtingsovereenkomsten ondertekend met China en de Russische Federatie. Ondanks een hervatting van de onderhandelingen en nieuwe inspanningen van de zijde van de autoriteiten zijn Servië en Montenegro er echter nog steeds niet in geslaagd tot een overeenkomst te komen met de Club van Londen van particuliere crediteuren, die weigerachtig staan tegenover het verzoek van de autoriteiten om hun even milde voorwaarden toe te kennen als die van de Club van Parijs. Na een moeilijk eerste halfjaar is de externe positie in de tweede helft van 2003 algemeen genomen verbeterd. Het zal de komende jaren echter nog steeds een hele opgave zijn om ervoor te zorgen dat de externe positie van de economie houdbaar blijft.

4. Nieuwe Onafhankelijke Staten

Solide groeicijfers hebben bijgedragen tot budgettaire stabilisatie en tot een algemene verbetering van de lopende rekeningen. Indien deze trend doorzet en gepaard gaat met verdere vooruitgang bij de structurele hervormingen, kan dit gunstige gevolgen hebben voor de houdbaarheid van de schuld.

4.1 Armenië

De economische groei in Armenië blijft de verwachtingen overtreffen. In de eerste drie kartalen van 2003 bedroeg de reële BBP-groei 15,2%, waarbij vooral de diamantsector, de bouwnijverheid, de mijnbouw en de metaalindustrie als drijvende krachten moeten worden aangemerkt. Investeringen in woongebouwen, wegen en culturele sites werden gefinancierd door van de Armeense diaspora afkomstige particuliere giften en leningen ten belope van 2 à 3% van het BBP in zowel 2002 als 2003. Volgens voorlopige gegevens zou de economische groei voor heel 2003 uitkomen op een nieuw recordpercentage van 13,9%. De industriële productie is met bijna 15% gestegen, terwijl de groei in de landbouwsector slechts 4% beliep. Doordat sommige voedselprijzen in de loop van het jaar fors zijn gestegen, bedroeg de inflatie in de twaalf maanden tot december 2003 8,5% en overtrof daarmee het streefcijfer van drie procent van de centrale bank van Armenië. Het begrotingsbeleid blijft voorzichtig en de regering was in staat de binnenlandse betalingsachterstanden in 2003 vrijwel volledig in te lopen. De belastingontvangsten als percentage van het BBP zijn nog steeds vrij laag (14,6% in 2002). In 2003 werden de nominale doelstellingen op het gebied van de belastinginning weliswaar gehaald, maar de belastingontvangsten als percentage van het BBP zijn vermoedelijk teruggelopen. Deze ontwikkeling is ten dele toe te schrijven aan de sterke groei van met giften gefinancierde economische activiteiten, waarop geen belasting wordt geheven. Verwacht wordt dat het begrotingstekort in 2003-2004 zal uitkomen op 2 à 2,5% van het BBP. Evenals de voorgaande jaren wordt dit tekort vooral gedekt door middel van buitenlandse financiering tegen gunstige voorwaarden.

Dankzij particuliere en officiële overdrachten is de lopende rekening de afgelopen jaren geleidelijk verbeterd. De handelsbalans is in 2003 evenwel verslechterd wegens de sterke invoervraag van de op volle toeren draaiende bouwsector en de speciale cycli van de invoer en uitvoer van de diamantverwerkende nijverheid. Het tekort op de lopende rekening is opgelopen van 6,6% van het BBP in 2002 tot naar schatting 7,7% in 2003. De bruto deviezenreserves van de centrale bank van Armenië dekten bijna vier maanden invoer, wat als ruim voldoende mag worden aangemerkt. De dram is over het algemeen stabiel gebleven. De reële effectieve wisselkoers van de Armeense munt zou in 2003 zelfs iets zijn gestegen na in 2002 een daling te hebben vertoond. Als gevolg van de met Rusland overeengekomen schulden/aandelenruil is de stijging van de nominale buitenlandse schuld in 2003 omgebogen: deze is in 2003 stabiel gebleven op ongeveer 1 020 miljoen USD, terwijl zij als percentage van het BBP zou zijn afgenomen tot minder dan 40%. Armenië heeft tevens zijn uitstaande schuld aan Turkmenistan in natura vereffend. Daarnaast heeft de krachtige groei van de export (voornamelijk gepolijste diamanten) ertoe geleid dat de actuele nettowaarde van de buitenlandse schuld als percentage van de uitvoer is afgenomen van ongeveer 130% eind 2002 tot naar schatting 94% in 2003.

4.2 Belarus

Volgens voorlopige officiële cijfers is de reële BBP-groei in Belarus versneld van 4,7% in 2001-2002 tot 6,8% in 2003. De economie lijkt bijgevolg weer aan te trekken na de sterke groeivertraging van de voorbije jaren, toen de economische ontwikkeling in Belarus sterk achterbleef bij die in de economische ruimte van de voormalige Sovjet-Unie. De ontwikkeling van de economie van Belarus loopt in de pas met die van Rusland en het opveren van de Belarussische economie in 2003 is dan ook grotendeels toe te schrijven aan het feit dat de Russische economie sterk presteerde. Een groot deel van de Belarussische verwerkende industrie is immers sterk geïntegreerd met Russische ondernemingen. Bovendien voert Belarus een aanzienlijke hoeveelheid van zijn industrie- en landbouwproducten uit naar zijn buurland en zijn vele Belarussen in Rusland werkzaam.

In 2003 lag de inflatie nog steeds hoger dan 25% (het hoogste inflatiecijfer op jaarbasis in de voormalige Sovjet-Unie). Hoewel dit percentage duidelijk beter is dan de laatste jaren, toen er sprake was van hyperinflatie (in 2000 bedroeg de inflatie 169%), duidt het toch op een nog steeds vrij laks monetair beleid, hetgeen niet consistent is met de harde koppeling van de wisselkoers aan de Russische roebel (Belarus wil in januari 2005 een volledige monetaire unie met Rusland tot stand brengen). Om de inflatie permanent te beteugelen, mogen de loonstijgingen de productiviteitswinsten niet overtreffen en dient een rem te worden gezet op de goedkope kredietverlening, hetgeen politiek moeilijk ligt omdat de overheidsbedrijven een grote rol spelen en omdat wordt vastgehouden aan een economisch model dat erop gericht is de sterke greep van de administratie op de politieke en economische ruimte van het land te bestendigen. Het voeren van een krapper monetair beleid zou tevens een krachtige impuls geven aan de herstructurering van de bestaande verouderde en inefficiënte economische structuren, aangezien het thans de gewoonte is belangrijke ondernemingen solvabel te houden door middel van het toekennen van kredieten tegen milde voorwaarden. Het hardnekkig vasthouden aan een dergelijk beleid heeft de hervatting van financiering door het IMF tot dusver steeds geblokkeerd.

Sinds begin 2000 heeft de regering ermee ingestemd de diverse wisselkoersen van de munteenheid tot één enkele wisselkoers samen te voegen, alle niet in de begroting voorkomende transacties van de centrale bank vervangen door in de overheidsbegroting opgenomen subsidies en de druk op commerciële banken om krediet te verlenen aan sleutelsectoren verminderd. Met de liberalisering van de wisselkoers door de overheid en de voorgenomen muntunie met Rusland kan een belangrijke stap in de goede richting worden gezet, mits deze initiatieven met veelomvattende structurele hervormingen gepaard gaan.

Sinds eind 2001 onderhandelt de regering over de verkoop van petrochemische bedrijven aan Russische ondernemingen - ter betaling van gasleveringen en in de hoop dat dit de extra financiering kan opleveren die nodig is om de economische groei en de lage werkloosheid te handhaven zonder het huidige beleid te hoeven wijzigen.

Hoewel de externe positie van Belarus wordt bedreigd door een oplopend handelstekort en zeer lage deviezenreserves, is de budgettaire situatie van het land stabiel en het overheidstekort op kasbasis gering (in 2003 werd het op iets meer dan 1% van het BBP geraamd). De buitenlandse overheidsschuld van Belarus is laag (4,4% van het BBP eind 2003). De schuld aan de EU wordt op de gestelde termijnen afgelost. In 2003 is de buitenlandse schuld met 9,4% afgenomen.

4.3 Georgië

Vooral dankzij de krachtige expansie in de bouwnijverheid en de landbouwsector is de reële BBP-groei in de eerste drie kwartalen van 2003 uitgekomen op 8,3% op jaarbasis. In april is op het Georgische grondgebied een aanvang gemaakt met de aanleg van de oliepijpleiding Bakoe-Tbilisi-Ceyhan (BTC); de werkzaamheden zullen tot 2005 duren. Volgens voorlopige ramingen zal er voor geheel 2003 sprake zijn van een reële BBP-groei van circa 8,5%. De landbouw, de grootste economische sector, gaf in 2003 mede als gevolg van gunstige weersomstandigheden een groei te zien van ongeveer 10%. Afgezien van de landbouw en de bouwnijverheid hebben ook de mijnbouwsector (aluminium, ferrolegeringen, koper, goud en schroot) en de be- en verwerkende industrie (wijn, meststoffen en mineraalwater) een forse groei vertoond.

Een groot deel van de economische activiteit wordt echter niet geregistreerd en smokkel is wijdverbreid. Om die reden kwamen de robuuste groeicijfers die in tal van economische sectoren werden geboekt, niet tot uiting in betere belastingontvangsten. Op basis van de vastleggingen was voor 2003 een begrotingstekort van 2,9% van het BBP gepland, terwijl het tekort op kasbasis in werkelijkheid lager was dan in 2002 als gevolg van de nettotoename van de betalingsachterstand. De politieke beroering in november bracht extra problemen op het gebied van het begrotingsbeheer met zich mee, maar er was donorfinanciering beschikbaar om aan de onmiddellijke behoeften te voldoen. De ontwerpbegroting voor 2004, die in oktober 2003 bij het parlement was ingediend, is ter herziening teruggegaan naar de nieuwe regering. De parameters voor het begrotingsprogramma zullen begin 2004 met het IMF worden besproken.

De centrale bank van Georgië heeft consequent vastgehouden aan een voorzichtig monetair beleid. Ondanks het gunstige jaar voor de landbouw, waardoor de inflatoire spanningen enigszins werden getemperd, is de consumentenprijsinflatie opgelopen tot 7% eind december 2003. Dit was ten dele te wijten aan tariefverhogingen en een toename van de prijzen van nutsvoorzieningen, maar ook omdat zich tijdens de politieke beroering van november prijsstijgingen hebben voorgedaan. De lari is opmerkelijk stabiel gebleven tegenover de VS-dollar, ook in de maanden november and december. De reële effectieve wisselkoers van de lari zou in 2003 iets zijn gestegen.

In 2003 is het tekort op de lopende rekening sterk toegenomen tot ongeveer 10% van het BBP als gevolg van de met de aanleg van de BTC-pijpleiding samenhangende invoer. Deze stijging van het tekort werd gedekt door buitenlandse directe investeringen. De bruto deviezenreserves van de centrale bank van Georgië liepen terug van een reeds laag niveau tot ongeveer 1,5 maanden uitvoer (exclusief de met de pijpleiding samenhangende invoer). In VS-dollar uitgedrukt bleef de buitenlandse schuld van Georgië in 2003 vermeerderen, maar als percentage van het BBP is de nominale schuldenlast gedaald tot naar schatting 48% eind 2003. Georgië heeft geen verzoek kunnen richten tot zijn bilaterale crediteuren van de Club van Parijs voor een herschikking van de in 2003 vallende vervaldagen van leningen zoals in de overeenkomst van 2001 met de Club van Parijs was bepaald, omdat de overeenkomst met het IMF in augustus 2003 is opgeschort.

4.4 Moldavië

In 2003 is het BBP van Moldavië met ongeveer 6% gegroeid. Deze ontwikkeling was grotendeels te danken aan de zeer gunstige economische situatie in Rusland en Oekraïne, de voornaamste handelspartners van Moldavië. Verwacht wordt dat de algemeen genomen gezonde beleidsmix dit jaar zal resulteren in een vrij krachtige groei van ongeveer 5% en grote prijs- en wisselkoersinstabiliteit zal tegengaan.

Hoewel de uitvoer in een snel tempo is blijven groeien, is de invoer onder invloed van de zeer hoge overmakingen van in het buitenland werkzame Moldaviërs nog sterker gestegen, met alle negatieve gevolgen vandien voor het structureel hoge tekort op de lopende rekening. Ook al zouden de olieprijzen snel dalen, dan nog zal Moldavië in de komende jaren naar verwachting jaarlijkse handelstekorten van grofweg 25% van het BBP en jaarlijkse lopende-rekeningtekorten tussen 7 en 8% van het BBP boeken.

De risico's die voortvloeien uit de concentratie van de export van Moldavië op een beperkt productengamma (met name wijn en landbouwproducten), worden getemperd doordat er naar alle waarschijnlijkheid sprake zal blijven van aanzienlijke inkomensoverdrachten uit het buitenland. Op korte termijn blijven dergelijke overdrachten van cruciaal belang voor Moldavië, omdat het land naar verwachting moeilijkheden zal blijven ondervinden om toegang te krijgen tot externe financiering of om investeringen aan te trekken. Op middellange à lange termijn zal het tempo van de economische ontwikkeling in cruciale mate afhangen van het vermogen van Moldavië om buitenlandse directe investeringen (BDI) aan te trekken en van de vraag of het land erin zal slagen opnieuw toegang te krijgen tot de euro-obligatiemarkt.

Ondanks een bevredigende BBP-groei blijft de begrotingssituatie zeer ernstig. De buitenlandse schuld als percentage van het BBP is onhoudbaar [7], in weerwil van een reeks bilaterale schuldherschikkingen tussen 1999 en 2002. Om alle schuldendienstverplichtingen na te komen, is bijna de helft van de overheidsinkomsten nodig. Moldavië heeft eind 2001 de schuldaflossingen aan Gazprom opgeschort en in augustus 2003 die aan de bilaterale crediteuren. De betalingen aan de multilaterale organisaties en de euro-obligatiehouders zijn echter voortgezet.

[7] Eind 2002 beliep de totale buitenlandse schuld 102% van het BBP. De openbare en door de overheid gegarandeerde schuld vertegenwoordigde 65% van het BBP.

De regering heeft onder grote druk besloten het begrotingsbeleid aanzienlijk te verstrakken en fors gesnoeid in de sociale uitgaven. In 2003 werd een primair begrotingsoverschot van ongeveer 2% van het BBP bewerkstelligd. Ondanks de positieve BBP-groei sinds 2000 steunen de begrotingsplannen nog steeds in zeer belangrijke mate op privatiseringsopbrengsten. Deze zijn evenwel veel geringer uitgevallen dan verhoopt omdat de structurele hervormingen slechts langzaam vorderen en omdat westerse investeerders in Moldavië met een aantal moeilijkheden werden geconfronteerd die ertoe hebben geleid dat de instroom van BDI zeer beperkt is gebleven.

De overheid zal de sinds 1999 gerealiseerde verbeteringen op budgettair gebied vermoedelijk niet terugdraaien, maar heeft weinig manoeuvreerruimte gezien de beperkte financieringsmogelijkheden. In 2003 is zij er niet in geslaagd financiering van het IMF en de Wereldbank los te weken, op een aantal kleine bedragen voor specifieke projecten na. Het streefbedrag voor de privatiseringsopbrengsten lijkt optimistisch. In 2004 zullen de problemen inzake de begrotingsplanning en -uitvoering er vermoedelijk niet op verbeteren, aangezien in de IMF-prognoses wordt uitgegaan van een aanzienlijk financieringstekort en de vooruitzichten voor een nieuw IMF-programma somber zijn. Het begrotingsbeleid blijft in het algemeen hinder ondervinden van een tekortschietende administratieve capaciteit, het voortdurende risico dat het parlement populistische maatregelen doordrukt, en de enorme schuldendienstverplichtingen.

4.5 Tadzjikistan

In de eerste drie kwartalen van 2003 heeft zich een krachtige groei voorgedaan van het reële BBP, dat met 7,9% is toegenomen in vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder. Er is bovendien sprake van een steeds grotere diversificatie van de drijvende krachten achter de groei. Zo gaven de traditionele sectoren (katoen en aluminium) slechts een bescheiden expansie te zien, terwijl de diensten (vooral de handel), de verwerkende industrie (exclusief aluminiumverwerking) en de landbouw (exclusief katoen) in de eerste negen maanden van 2003 twee derden van de economische groei voor hun rekening namen. De groei van de binnenlandse vraag werd geschraagd door een forse toename van de overdrachten van migranten (deze zullen in 2003 naar verwachting 15% van het BBP vertegenwoordigen). In het licht van de sterke productieprestatie en de hoge katoen- en aluminiumprijzen op de wereldmarkt wordt voor heel 2003 een groei van 9% voorspeld.

Het totale begrotingsoverschot voor 2003 wordt op 0,6% van het BBP geraamd. Het openbare investeringsprogramma en de quasi-budgettaire tekorten zijn niet in de officiële begrotingscijfers opgenomen. Volgens het IMF bedraagt het quasi-budgettaire tekort in de energiesector 5,5% van het BBP, waarvan ongeveer twee derden toe te schrijven zijn aan lage tarieven en technische verliezen en het resterende derde terug te voeren is op een slechte inning. Als gevolg van een sterkere economische groei en een betere belastinginning zijn de belastingontvangsten als percentage van het BBP gestegen van 14,1% in 2001 tot 14,7% in 2002. De belastingontvangsten voor geheel 2003 worden op 15,5% van het BBP geraamd en zullen dit jaar naar verwachting verder toenemen tot 16,2%. Deze stijging is vooral toe te schrijven aan een betere belastingadministratie, met name wat de BTW betreft. Het privatiseringsprogramma blijft bijzonder weinig opbrengen en zal derhalve wellicht slechts een zeer geringe bijdrage leveren aan de financiering van de begroting. De regering zal hoe dan ook aangewezen blijven op financiering van multilaterale organisaties om haar begrotingstekort te dekken.

Tadzjikistan heeft weliswaar een hoge buitenlandse schuld, maar dat neemt niet weg dat deze is teruggelopen van 82% van het BBP eind 2002 tot naar schatting 73% eind 2003 dankzij schuldherschikkingsovereenkomsten met bilaterale crediteuren en de krachtige BBP-groei van de afgelopen jaren. De aflossingsvrije periode waarin de in december 2002 met Rusland gesloten herschikkingsovereenkomst voorziet, loopt af in 2005, waardoor de kosten van de schuldendienst tijdens de periode 2005-2009 waarschijnlijk aanzienlijk zullen toenemen.

Tijdens de eerste negen maanden van 2003 is het saldo op de lopende rekening verbeterd in vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder. Dit is het gevolg van groter dan verwachte overdrachten van migranten in combinatie met hogere internationale katoen- en aluminiumprijzen. De grotere omvang van de overmakingen van migranten via particuliere banken is niet alleen terug te voeren op een toegenomen vertrouwen in de banken, maar ook op het feit dat er meer in het buitenland werkende migranten zijn omdat binnenlandse arbeidskansen ontbreken. De bruto deviezenreserves zijn tijdens de eerste negen maanden van 2003 met 38% gestegen. Doordat echter ook de invoer als gevolg van de snelle groei aanzienlijk is toegenomen, wordt ervan uitgegaan dat de dekkingsgraad van de invoer eind 2003 ongewijzigd is gebleven ten opzichte van eind 2002 (1,8 maanden).

4.6 Oekraïne

De BBP-groei versnelde van 4,1% in 2002 tot 8,5% in 2003 en kwam daarmee ruim hoger uit dan verwacht Deze snelle economische expansie in combinatie met het effect van de tegenvallende oogst op de voedselprijzen heeft de inflatoire spanningen wederom doen toenemen (na de nooit eerder geziene deflatie van 2002), al blijft de inflatie onder de 10%. Als gevolg van de sneller dan verwachte economische groei is de begrotingsontwikkeling in 2003 gunstiger uitgevallen dan geraamd: de overheid heeft het jaar afgesloten met een klein overschot. De begroting voor 2004 is in overeenstemming met het streefcijfer van 1,5% van het BBP voor de geconsolideerde begroting.

De betalingsbalanspositie van Oekraïne is sinds 1990 aanzienlijk versterkt. Vanaf 1999 liet de lopende rekening bovendien steeds een overschot zien, dat in 2003 ongeveer 5% van het BBP vertegenwoordigde. Het overschot op de lopende rekening heeft bijgedragen tot een aanzienlijke toename van de officiële deviezenreserves, die zijn opgelopen van 1 miljard USD eind 1999 tot 7 miljard USD (iets meer dan 3 maanden invoer) begin januari 2004. Als gevolg van de schuldherschikking die in april 2000 met particuliere obligatiehouders en in juni 2001 met de Club van Parijs is overeengekomen, zijn de Oekraïense schuldendienstverplichtingen aanzienlijk verlicht. Sinds 2000 geven de schuldquote en de schuldendienstquote een neerwaartse tendens te zien, al wordt ervan uitgegaan dat de schuldendienst in 2003-2006 tijdelijk zal toenemen. In december 2002 kreeg Oekraïne weer toegang tot de internationale kapitaalmarkten (in de nasleep van de Russische financiële crisis van 1998 was het land de toegang tot deze markten ontzegd) met de emissie van een euro-obligatielening van 350 miljoen USD, die begin juni 2003 werd gevolgd door de succesvolle plaatsing van een tienjarige euro-obligatielening van 800 miljoen USD. Op laatstgenoemde lening met een jaarlijkse coupon van slechts 7,65% is zelfs overingeschreven. Sinds 2001 zijn de rendementspreads op de secundaire markten voor Oekraïense euro-obligaties aanzienlijk verkleind en de internationale kredietratings van Oekraïne diverse keren opwaarts bijgesteld.

In 2001-2002 werden aanzienlijk minder vorderingen gemaakt bij het doorvoeren van structurele hervormingen. Het boeken van vooruitgang terzake blijft dan ook de voornaamste economische uitdaging voor het land. In de loop van 2003 zijn bemoedigende maatregelen genomen, zoals onder meer een belastinghervorming en de goedkeuring van nieuwe pensioenwetgeving. De voortgang in andere sectoren, zoals met name de energiesector, blijft echter ronduit teleurstellend.

Oekraïne staat op het punt een voorzorgsovereenkomst te sluiten met het IMF en overweegt een deel van zijn schulden jegens het IMF vervroegd af te lossen. Voorts bespreekt het land met de Europese Commissie de mogelijke beleidsvoorwaarden die zullen worden verbonden aan de uitkering van een nieuwe macrofinanciële bijstandslening van ten hoogste 110 miljoen EUR, die in juli 2002 door de Raad is goedgekeurd.

5. Andere derde landen

Algemeen genomen worden deze economieën gekenmerkt door een verbetering van hun lopende rekening, die in 2003 in alle betrokken landen een overschot te zien gaf.

5.1 Algerije

In 2003 is de economische groei sterk versneld tot ongeveer 7%. Deze ontwikkeling was vooral toe te schrijven aan een krachtig herstel in de landbouwsector en een forse toename van de olie- en gasbaten. De graanproductie is met meer dan 20% gestegen, niet alleen dankzij betere weersomstandigheden, maar ook omdat de regering financiële steun heeft verleend en er meer investeringen in de landbouwsector hebben plaatsgevonden. De grootste groeibijdrage werd geleverd door de olie- en gassector (de aardolieproductie bedroeg gemiddeld 1,11 miljard vaten per dag). De begroting liet in 2003 een overschot zien omdat de sterke toename van de uitgaven werd overtroffen door de stijging van de oliebaten. Het primaire tekort (exclusief olie- en gasbaten) verslechterde evenwel tot circa 32% van het BBP. Aangezien het expansieve begrotingsbeleid ook in 2004 wordt voortgezet, wordt aangenomen dat het primaire tekort (exclusief olie- en gasbaten) het reeds hoge niveau van 2003 zal evenaren.

De lopende rekening van Algerije is in 2003 verder verbeterd. Gedurende de eerste acht maanden gaf de uitvoer een forse toename te zien tot 15,2 miljard USD, hetgeen neerkomt op een stijging met 30% ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. Deze ontwikkeling was vooral toe te schrijven aan de sterke groei van de olie- en gasuitvoer in combinatie met een gunstig beloop van de olieprijzen. Daar staat evenwel tegenover dat de niet-olie-export met 10,7% is afgenomen. Al bij al heeft Algerije in 2003 wederom een aanzienlijk overschot op de lopende rekening geboekt (11,5% van het BBP), terwijl de schuldendienstquote onder de 20% bleef. Dankzij de gedane schuldaflossingen zijn de indicatoren van de buitenlandse schuld in 2003 verbeterd. Deze schuld, die reeds was teruggelopen van 28,3 miljard USD eind 1999 tot naar schatting 23 miljard USD eind 2002 (40% van het BBP), is verder verminderd tot circa 33% van het BBP eind 2003. Wegens de gunstige looptijdstructuur van de buitenlandse schuld - 99,3 % van de schuld heeft een middellange of lange looptijd - is de positie van Algerije in de nabije toekomst minder kwetsbaar, vooral gezien de sterk stijgende deviezenreserves (die eind december 2003 31,5 miljard USD bedroegen).

Ondanks de gunstige externe en schuldpositie is er sprake van een aantal gevaren ten aanzien van de houdbaarheid van de schuld en de macro-economische stabiliteit. Ten eerste kan een langdurige en aanhoudende daling van de olieprijzen resulteren in een forse stijging van de overheidsschuld, aangezien de oliebaten thans 95% van de uitvoeropbrengsten en 60% van de begrotingsinkomsten uitmaken. Ten tweede verhogen het expansieve begrotingsbeleid en de daaruit voortvloeiende grotere liquiditeit de inflatierisico's en zijn zij tevens schadelijk voor de macro-economische stabiliteit. Ten slotte maken de slechts langzaam vorderende structurele hervormingen en de daarmee samenhangende trage banengroei het onmogelijk de spanningen te verminderen die worden teweeggebracht door de sterke toename van de beroepsbevolking en de wijdverbreide armoede.

5.2 Argentinië

De economische en financiële situatie van Argentinië is er verder op vooruitgegaan. Het reële BBP zou in 2003 met naar schatting 7 à 8% zijn gegroeid als gevolg van een krachtige opleving in de verwerkende industrie en de bouwnijverheid. Tegelijkertijd is de inflatie onder controle gebleven. De consumentenprijsindex is in 2003 immers met slechts 3,7% gestegen, hetgeen aanzienlijk minder is dan de 5,6% waarvan in het IMF-programma is uitgegaan. Dit beter dan verwachte inflatieverloop is echter ten dele toe te schrijven aan een vertraging bij de aanpassing van de tarieven van de nutsvoorzieningen.

Het begrotingsbeleid blijft sporen met het IMF-programma, waarbij de belastingontvangsten enigszins hoger liggen dan de programmaprognoses. Het parlement heeft zijn goedkeuring gehecht aan een begroting voor 2004 die in overeenstemming is met de in het kader van het IMF-programma overeengekomen doelstelling om een primair begrotingsoverschot van ten minste 3% van het BBP te bewerkstelligen. Wat het monetaire beleid betreft, is ruimschoots voldaan aan de in het kader van het IMF-programma vastgestelde kwantitatieve criteria voor eind oktober en is er bovendien verdere vooruitgang geboekt bij de terugbetaling van het quasi-geld. De fondsen zijn langzaam blijven terugstromen naar het bankwezen. De wisselkoers is betrekkelijk stabiel gebleven: hij bewoog zich meestal binnen een vrij smalle bandbreedte van 2,9 à 3 peso voor 1 dollar. De lopende rekening laat nog steeds een omvangrijk overschot zien en de officiële deviezenreserves zijn toegenomen tot ongeveer 14 miljard EUR eind 2003.

Op 20 september 2003 heeft het IMF zijn goedkeuring gehecht aan een nieuwe driejarige stand-by-overeenkomst (SBO) voor Argentinië ten belope van circa 12,5 miljard USD en aan een uitstel met een jaar van terugbetalingen ten bedrage van ongeveer 2,43 miljard USD. De afronding van de eerste evaluatie van het SBO-programma, die aanvankelijk voor december was gepland, vond pas op 28 januari plaats. Hoewel Argentinië heeft voldaan aan alle macro-economische criteria die voor eind oktober 2003 waren vastgesteld, heeft het nagelaten een aantal structurele maatregelen te nemen, waardoor het College van Bewindvoerders van het IMF zich verplicht zag diverse afwijkingen toe te staan. Voorts hebben tal van bewindvoerders twijfels geuit ten aanzien van het feit of de autoriteiten zich bij hun schuldonderhandelingen met particuliere crediteuren wel hebben gehouden aan het vereiste dat te goeder trouw dient te worden gehandeld, een vereiste waaraan moet zijn voldaan opdat het IMF leningen verstrekt aan landen met betalingsachterstanden.

De afronding van de eerste evaluatie stelde Argentinië in staat een tranche van ongeveer 335 miljoen USD op te nemen. Voor medio maart 2004 is de uitkering van een belangrijke tranche (van ongeveer 2,9 miljard USD) gepland, welke samenvalt met een terugbetaling van dezelfde orde van grootte. De vrijmaking van deze tranche is afhankelijk gesteld van de voltooiing van de tweede evaluatie van het IMF-programma. De autoriteiten hebben evenwel reeds te kennen gegeven dat de betaling van de voor maart geplande aflossing afhankelijk zal zijn van de succesvolle afronding van de tweede evaluatie, waardoor wederom het risico bestaat dat Argentinië nog maar eens in gebreke blijft bij de aflossing van zijn schulden bij de internationale financiële instellingen. Wat ten slotte de terugbetaling van de EIB-leningen betreft, zij vermeld dat Argentinië in de tweede helft van 2003 opnieuw in gebreke is gebleven (zie de afdelingen 4.2 en 6 van deel I).

5.3 Brazilië

In 2003 was er sprake van een teleurstellende groei van de Braziliaanse economie. Het BBP is immers nagenoeg onveranderd gebleven in vergelijking met een jaar eerder. Dat neemt evenwel niet weg dat de economische activiteit zich in het derde kwartaal van 2003 begon te herstellen. Verwacht wordt dan ook dat de BBP-groei zal versnellen tot 3,5% in 2004 en 4,5% in 2005. De inflatie, die fors is toegenomen van ongeveer 7% medio 2002 tot bijna 18% in mei 2003, laat sindsdien een neerwaartse tendens zien. De regering streeft voor eind 2004 een inflatie na van 4 à 7%.

Het voorzichtige beleid van de nieuwe regering en de grotere belangstelling bij beleggers voor effecten van opkomende markten resulteerden in een indrukwekkende correctie van de indicatoren van de financiële markten. Sinds de verkiezing van president Lula da Silva is de wisselkoers met circa 30% gestegen en zijn de deviezenreserves fors vermeerderd. De spreads op Braziliaanse obligaties zijn niet meer zo klein geweest sinds 1998, de Braziliaanse emittenten hebben opnieuw toegang tot de internationale kapitaalmarkten en de instroom van buitenlandse beleggingen heeft de beursindex doen opveren tot een recordhoogte. Een van de factoren die tot de verbetering van het marktsentiment heeft bijgedragen, is het feit dat gestage vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het structurele hervormingsprogramma. Zo heeft het parlement onder meer zijn goedkeuring gehecht aan belangrijke wetten op het gebied van de belasting- en de pensioenhervorming en aan een faillissementswet.

Sinds juni 2003 heeft de centrale bank de rente met ongeveer 8 procentpunten teruggeschroefd, waardoor een einde kwam aan de sterke verkrapping van het monetaire beleid die tussen oktober en februari had plaatsgevonden. Voorts is een zodanig strak begrotingsbeleid gevoerd dat de doelstellingen van het IMF-programma werden overtroffen. Voor 2004 wordt net als voor 2003 een primair begrotingsoverschot van 4,25% van het BBP nagestreefd, hetgeen (uitgaande van redelijke macro-economische veronderstellingen) consistent is met een aanzienlijke vermindering van de schuldquote op middellange termijn. Verwacht wordt dat de financieringsbehoefte van de overheidssector zal teruglopen van 5,5% van het BBP in 2003 tot circa 3,25% van het BBP in 2004.

Als gevolg van een sterke uitvoer en een beperkte binnenlandse vraag liet de lopende rekening vorig jaar een gering overschot zien, maar dit zal naar verwachting in 2004-2005 wederom omslaan in een tekort naarmate het herstel van de binnenlandse vraag doorzet. De autoriteiten hebben verdere vorderingen gemaakt bij de verbetering van de samenstelling van de overheidsschuld, waarmee wordt beoogd de kwetsbaarheid voor externe financiële schokken te reduceren. Dit neemt evenwel niet weg dat de externe financiële positie van Brazilië kwetsbaar blijft: de instroom van BDI is sterk teruggelopen, de schuldaflossingen zullen dit jaar fors toenemen en het verhoudingsgetal tussen de brutoreserves en de kortlopende schuld blijft kleiner dan 1.

5.4 Jordanië

Het conflict in Irak heeft de economische ontwikkeling in 2003 negatief beïnvloed. De reële BBP-groei is immers vertraagd van 5% in 2002 tot ongeveer 3%. Gezien de ongunstige regionale omgeving moet deze prestatie echter nog als vrij behoorlijk worden aangemerkt. Zij is vooral te danken aan massale buitenlandse steun en een beter economisch klimaat in de tweede helft van 2003 (met name het herstel van de vervoer- en de toerismesector, de hervatting van de uitvoer naar Irak en een bescheiden herstel van de binnenlandse vraag). Eind 2003 was de inflatie opgelopen tot naar schatting 3,6% op jaarbasis als gevolg van verhogingen van de belastingen op goederen en diensten en een toegenomen geldhoeveelheid.

De lopende rekening werd in 2003 afgesloten met een groot overschot van ongeveer 7% van het BBP, dat ten dele terug te voeren was op aanvullende donorbijstand. De externe positie van Jordanië is de afgelopen jaren minder kwetsbaar geworden doordat een beter beleid werd gevoerd en structurele hervormingen, zoals onder meer privatiseringen, zijn doorgevoerd. Deze ontwikkeling komt tot uiting in een verbetering van de economische indicatoren en hogere deviezenreserves (4,5 miljard USD of ruim 10 maanden invoer), waardoor Jordanië beter bestand is tegen externe schokken. Hoewel de schuld, en dan vooral de buitenlandse schuld, nog steeds zeer hoog blijft, wordt verwacht dat het gezonde beleid en de hervormingen tot verdere verbeteringen zullen leiden. De buitenlandse overheidsschuld is teruggedrongen van 95% van het BBP in 1998 tot circa 80% in 2003 en de autoriteiten mikken op een reductie van de schuld tot circa 50% tegen 2007 door de tekorten terug te schroeven en de privatiseringsopbrengsten te gebruiken voor schuldreductie. Belangrijk is dat ook de schuldendienstquote aanzienlijk is afgenomen (van circa 34% tien jaar geleden tot 21% in 2003), waardoor het risico dat het land in gebreke blijft bij de terugbetaling van zijn buitenlandse schuld, is verminderd.

Medio 2003 heeft het ratingbureau Moody's zijn rating van Jordaniës overheidsobligaties in vreemde valuta opgetrokken van Ba2 tot Ba3 en die van de binnenlandse overheidsschuld van Baa3 tot Ba3. Alle nieuwe ratings wijzen op stabiele vooruitzichten. De opwaartse bijstelling van de ratings is ingegeven door het positieve effect van de in de voorbije paar jaar doorgevoerde hervormingen op de macro-economische ontwikkeling en de stijging van de deviezenreserves.

Lijst van afkortingen

BBP // Bruto binnenlands product

BDI // Buitenlandse directe investeringen

EBWO // Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling

EG // Europese Gemeenschap

EIB // Europese Investeringsbank

EU // Europese Unie

EUR // Euro

IMF // Internationaal Monetair Fonds

SBO // Stand-by-overeenkomst

USD // Amerikaanse dollar