Rapport van de Commissie - Solidariteitsfonds van de Europese Unie - Jaarverslag 2002-2003 en Rapport over de ervaring die is opgedaan gedurende het eerste jaar waarin het nieuwe instrument is toegepast /* COM/2004/0397 def. */
RAPPORT VAN DE COMMISSIE - Solidariteitsfonds van de Europese Unie - Jaarverslag 2002-2003 en Rapport over de ervaring die is opgedaan gedurende het eerste jaar waarin het nieuwe instrument is toegepast Voorwoord Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie [1] werd opgericht als antwoord op de uitzonderlijk zware overstromingen die Midden-Europa in de zomer van 2002 hebben getroffen en is op 15 november 2002 in werking getreden [2]. Artikel 12 van de verordening bepaalt dat een verslag van de activiteiten van het Fonds in het voorgaande jaar dient te worden ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. Het eerste jaarverslag heeft betrekking op de periode van 6 weken vanaf de oprichting van het Fonds tot het einde van 2002 en het jaar 2003. [1] Hierna te noemen "het Fonds". [2] Verordening (EG) nr. 2012/2002 van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, PB L 311/3 van 14.11.2002, hierna te noemen "de verordening". Toepassing van de verordening op de 15 aanvragen die vanaf november 2002 [3] werden ingediend, vereisten een bepaalde mate van interpretatie in het licht van de concrete omstandigheden van de ramp in kwestie. De Raad heeft de Commissie verzocht een rapport op te stellen over de methode die is gebruikt bij de toepassing van de verordening gedurende het eerste jaar waarin ervaringen zijn opgedaan. Twee punten verdienen bijzondere aandacht: (1) de toepasselijkheid en rechtvaardiging van de wijze waarop de Commissie per geval de hoeveelheid steun heeft bepaald en (2) de wijze waarop de Commissie de specifieke criteria van de bepalingen van de verordening heeft toegepast ten aanzien van de uitzonderlijke beschikbaarstelling van middelen uit het Fonds voor "regionale rampen" [4]. [3] Zie overzichtstabellen in bijlage 1 en 2. [4] Artikel 2, lid 2, laatste alinea. Het onderstaande rapport bestaat daarom uit twee delen: Deel 1 behandelt de activiteiten van het Fonds in 2002 en 2003. Deel 2 richt zich op de methode die de Commissie heeft ontwikkeld voor het toepassen van de verordening. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de criteria voor uitzonderlijke regionale rampen en aan de methode volgens welke de hoeveelheid steun wordt bepaald. Achtergronden 1. Antwoord van de Commissie op de overstromingen in de zomer van 2002 De overstromingen die Midden-Europa in de zomer van 2002 hebben getroffen, waren van ongekende omvang. Velen verloren het leven en alleen al de directe schade in Oostenrijk, Tsjechië en Duitsland en enkele weken later in het zuiden van Frankrijk bedroeg meer dan 15 miljard euro. De sociaal-economische infrastructuur van volledige regio's werd ontwricht en het natuurlijke en culturele erfgoed raakte beschadigd. Het werd snel duidelijk dat de Europese Unie moest reageren uit een gevoel van solidariteit en op een wijze die de bestaande instrumenten van de Gemeenschap zou overtreffen. Binnen twee weken na de "overstromingstop" die op 18 augustus in Berlijn werd gehouden en waarbij de regeringsleiders van de getroffen landen, de voorzitter van de Commissie en de leden van de Commissie onder Deens voorzitterschap bijeenkwamen, presenteerde de Commissie een voorstel aan het Europese Parlement en de Raad. [5] Het betrof een voorstel tot de instelling van een nieuw, specifiek instrument met inzetprocedures dat specifiek kon worden gebruikt om de gevolgen van grote rampen te bestrijden door op een snelle manier nieuwe middelen beschikbaar te stellen. [5] "Antwoord van de Europese Gemeenschap op de overstromingen in Oostenrijk, Duitsland en verschillende kandidaat-lidstaten; een initiatief op basis van solidariteit", COM(2002) 481 def. van 28.8.2002. Volgens dit voorstel, diende het nieuwe instrument van de Gemeenschap een aanvulling te vormen op de inspanningen van de betrokken landen en diende het te worden gebruikt om een deel van de overheidsuitgaven als gevolg van de ramp te dekken. Het Fonds diende te voorzien in noodhulp voor gebieden die door een grote ramp werden getroffen, ongeacht de status daarvan onder de structuurfondsen. De hoeveelheid steun zou worden gerelateerd aan de omvang van de ramp, waarbij tevens rekening zou worden gehouden met de relatieve welvaart van de desbetreffende regio of regio's. De activiteiten van het Fonds moesten zich primair richten op herstel van de verwoeste infrastructuren op de korte termijn, met inbegrip van voorlopige huisvestingsmaatregelen en onmiddellijke preventieve infrastructurele voorzieningen, zoals dammen en dijken. Middelen uit het Fonds zouden worden toegekend als een subsidie voor noodhulp op verzoek van het getroffen land. Of een ramp qua omvang tussenkomst op Europees niveau rechtvaardigt en de hoeveelheid steun zouden worden bepaald door de begrotingsautoriteit op voorstel van de Commissie. De implementatie van de subsidie zou worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het getroffen land en de getroffen regio's. Het Fonds zou worden onderworpen aan de normale regels van de Gemeenschap zoals die gelden voor financiële hulp, inclusief de daarbij geldende controleaspecten. Zoals op de top in Berlijn was overeengekomen, diende het Fonds zodanig te worden ingericht dat het zo snel mogelijk operationeel zou zijn en in de eerste fase ten minste 500 miljoen euro beschikbaar zou stellen. Het Fonds kon worden uitgebreid tot de landen waarmee toetredingsbesprekingen gaande waren. Op de vergadering van lidstaten die op 29 augustus 2002 onder Deens voorzitterschap werd bijeengeroepen, ondersteunden de vertegenwoordigers van de lidstaten unaniem het idee om te komen tot een specifiek instrument van de Gemeenschap waarmee de gevolgen van grote rampen zouden kunnen worden bestreden door nieuwe middelen snel beschikbaar te stellen. Het Europees Parlement heeft eveneens zijn volledige steun uitgesproken voor de instelling van een special instrument van de Gemeenschap en beloofde de voorstellen onmiddellijk te zullen uitwerken. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat de begroting van de Gemeenschap van 1977 tot 1997 een specifieke voorziening bevatte voor het verlenen van noodhulp aan bewoners van de Gemeenschap die het slachtoffer waren geworden van vooral natuurrampen [6]. Voor deze begrotingslijn werd jaarlijks gemiddeld vijf miljoen euro uitgetrokken. Na herhaalde kritiek van het Europees Parlement dat een permanente toekenning van gelden niet gerechtvaardigd was, gegeven de onvoorspelbaarheid van kosten betreffende uitzonderlijke gebeurtenissen en het feit dat een wettelijke basis ontbrak, trok de Commissie de voorstellen voor de begrotingslijn in 1998 in. Bovendien leidden de beperkte beschikbare financiële middelen ertoe dat de hulp van de Gemeenschap in de meeste gevallen slechts van symbolische aard was, hetgeen door het Europees Parlement om subsidieredenen werd betwist. [6] Begrotingslijn B4-3400, "Aides d'urgence à des populations de la Communauté victimes de catastrophes". 2. De verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie Op 18 september 2002, nog geen drie weken na de publicatie van de mededeling, presenteerde de Commissie haar voorstel tot de oprichting van een nieuw Solidariteitsfonds [7] op basis van artikel 159, lid 3, van het EG-Verdrag, dat alleen unaniem in de Raad kon worden aangenomen en dat overleg met het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's behoefde, evenals op basis van artikel 308 van het EG-Verdrag dat unaniem door de Raad moet worden aangenomen in overleg met het Europees Parlement. [7] Voorstel tot een verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, COM(2002) 514 def. van 18 september 2002. In de Raad werd het voorstel besproken door een ad hoc groep die hoofdzakelijk bestond uit leden van de begrotingscommissie van de Raad. De besprekingen werden gekenmerkt door het verlangen naar solidariteit en het op tijd realiseren van een nieuw instrument om het Fonds voor het einde van het jaar te mobiliseren voor de vier rampen die de oorsprong van het Fonds markeerden. Tevens werd overwogen om het nieuwe instrument volgens het principe van subsidiariteit tot een laatste toevlucht te maken en om garanties in te bouwen om frequent gebruik ervan te vermijden. Daarnaast onderhandelde de Commissie met de Raad en het Europees Parlement over de herziening van het Interinstitutioneel Akkoord om de noodzakelijke budgetten beschikbaar te maken. De acceptatie door het Europees Parlement van de juridische basis - de verordening - was een feitelijke randvoorwaarde voor het aannemen van het voorstel. Het Berend [8] verslag waarin de steun van het Europees Parlement aan het voorstel van de Commissie wordt uitgedrukt, werd op 8 oktober 2002 in een plenaire zitting aangenomen. Daarna volgden een positief besluit van het Comité van de Regio's [9] en een gunstig advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [10]. [8] Rapport over het voorstel tot een verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, Comité voor Regionaal Beleid, Verkeer en Toerisme A5-0341/2002 def. [9] Besluit van het Comité van de Regio's over de recente overstromingen in Europa en de oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, CvdR 294/2002 def. van 10 oktober 2002. [10] Mening van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel van een vordering tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, CES 1185/2002 van 25 oktober 2002. Als gevolg van het tripartiete overleg (zie ook hoofdstuk 3 hieronder) dat plaatsvond op 7 november 2002, werd een aantal wijzigingen in het voorstel van de Commissie aangebracht, waarvan we de belangrijkste hier noemen: - De reikwijdte van het Fonds werd "vooral" beperkt tot grote natuurrampen, in tegenstelling tot grote natuur-, technologische of milieurampen zoals door de Commissie was voorgesteld; - De drempel voor grote rampen werd substantieel verhoogd van schade die werd geraamd op meer dan 1 miljard euro, volgens het prijsniveau van 2002, of meer dan 0,5% van het bruto nationaal product tot schade van meer dan 3 miljard euro, volgens het prijsniveau van 2002, of 0,6% van het BNI van het land; - De criteria voor het bij uitzondering inzetten van het Fonds voor regionale rampen waar de schade onder de drempelwaarde blijft (zogenaamde kwalitatieve criteria) werden aanzienlijk verzwaard en het totale jaarlijkse bedrag werd beperkt tot 75 miljoen euro. De tamelijk open formulering van het voorstel ("Onder bijzonder uitzonderlijke omstandigheden kan iedere ramp worden inbegrepen die van invloed is op een substantieel deel van de bevolking van het betrokken gebied of de betrokken staat") wordt nu als volgt verwoord: - "... een regio kan ook steun uit het Fonds krijgen, indien die regio is getroffen door een buitengewone ramp, vooral een natuurramp, welke het grootste deel van de bevolking treft en ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden en de macro-economische stabiliteit van de regio heeft. Het totale jaarlijkse bedrag van de steun uit hoofde van deze alinea is beperkt tot maximaal 7,5% van het jaarbedrag waarover het Fonds kan beschikken. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar afgelegen of geïsoleerde regio's, zoals de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde insulaire en ultraperifere gebieden. De Commissie zal de uit hoofde van deze alinea ingediende verzoeken met de grootste zorgvuldigheid onderzoeken"; - De aanvraagtermijn is verlengd van twee maanden tot 10 weken; - In aanmerking komende operaties bleven in wezen ongewijzigd, maar er werd een bepaling opgenomen volgens welke betalingen uit het Fonds in principe zijn beperkt tot financiële maatregelen ter verlichting van onverzekerbare schade; - Er werd bepaald dat regionale en lokale autoriteiten in het akkoord betreffende de implementatie van de subsidie geen partij konden zijn naast de Commissie en de begunstigde staat; - De periode voor implementatie van de subsidie werd teruggebracht van twee jaar naar één jaar; - De bepaling volgens welke de Commissie zou zijn gemachtigd om bij uitzondering aanvullende subsidie toe te kennen wanneer de schade aanmerkelijk hoger uitvalt dan aanvankelijk geraamd, werd geschrapt. Een nieuwe bepaling werd opgenomen voor het tegenovergestelde geval dat de schade aanmerkelijk lager uitvalt dan geschat, waarbij een overeenkomstig steunbedrag dient te worden terugbetaald door de begunstigde staat. Op 11 november 2002 werd de nieuwe verordening tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie door de Raad aangenomen. Deze werd op 15 november, de dag na publicatie van de verordening in het Publicatieblad, van kracht. 3. Begrotingsaangelegenheden: financiering van solidariteit Om het gebruik van het nieuwe Fonds, dat buiten de normale EU-begroting wordt ingezet, mogelijk te maken, zijn twee stappen vereist: het opstellen van een procedure en een financieel instrument om geld beschikbaar te maken en het opstellen van een begrotingslijn waar het geld voor implementatie naar kan worden overgemaakt. Door de totstandkoming van een nieuw flexibel instrument voor rampen werd het mogelijk in onvoorziene en buitengewone omstandigheden op te treden terwijl de bovengrenzen van de algehele financiële vooruitzichten van Berlijn werden gehandhaafd. Het nieuwe instrument werd ingesteld via een herziening van het Interinstitutioneel Akkoord, dat was gesloten tijdens het tripartiete overleg van 7 november 2002, waarin de regels voor de inzet van het instrument werden vastgesteld. Deze voorzien in het inzetten van het Fonds tot het jaarlijks maximum van 1 miljard euro, naast de relevante rubrieken van het financieel perspectief waarin de noodzakelijke middelen alleen kunnen worden ingezet als het Fonds wordt ingezet. De nieuwe begrotingslijnen werden ondergebracht in rubriek 3 (Begrotingslijn B2-400) van de financiële vooruitzichten (interne acties) en in rubriek 7 (Begrotingslijn B7-090) voor landen waarvan de toetredingsbesprekingen gaande zijn. Deel 1: jaarverslag 2002-2003 1. Inzet van het Fonds in 2002 Terwijl de Commissie, de Raad en het Europees Parlement de voorgestelde verordening nog aan het bespreken waren, was de Commissie in nauw overleg met de autoriteiten van Oostenrijk, Tsjechië, Frankrijk en Duitsland de inzet van het Fonds voor deze landen informeel aan het voorbereiden. Aanvragen werden informeel ontvangen en geanalyseerd en waar nodig werd aanvullende informatie ingewonnen. Tevens werden er modellen voor gestandaardiseerde subsidiebesluiten en implementatieovereenkomsten ontwikkeld, evenals een methode om de hoogte van de steun te bepalen (vgl. deel 2, hoofdstuk 3). Op deze manier was het slechts twee dagen nadat de verordening was aangenomen mogelijk aan het Europees Parlement en de Raad als begrotingsautoriteit een voorontwerp van gewijzigde en aanvullende begroting voor te stellen voor inzet van het Fonds [11]. De aanvragen werden als volgt samengevat (vgl. overzichtstabel in bijlage 1): [11] Voorontwerp van aanvullende en gewijzigde begroting nr. 5 voor de begroting voor 2002, SEC(2002) 1221 def. van 13.11.2002. "Duitsland: de eerste door overstromingen veroorzaakte schade werd geregistreerd op 10 augustus 2002. Meer dan 337.000 personen en meer dan 10.000 bedrijven werden rechtstreeks getroffen en meer dan 100.000 personen moesten worden geëvacueerd. De regio's Sachsen en Sachsen-Anhalt werden het zwaarst getroffen. De totale schade werd geraamd op 9,151 miljard euro, waarvan ongeveer 5 miljard euro openbare schade betrof. De Duitse autoriteiten zeiden niet in een positie te zijn een indicatie van de verzekeringsdekking te kunnen geven. De schade aan de openbare infrastructuur bedroeg meer dan 3,3 miljard euro. De kosten van inspanningen zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening worden geschat op ongeveer 1,5 miljard euro. Oostenrijk: de eerste schade die door overstromingen werd veroorzaakt ontstond op 6 augustus 2002. Het zwaarst getroffen waren de gebieden Neder-Oostenrijk, Opper-Oostenrijk en Salzburg. Meer dan 200.000 personen en 2.400 bedrijven werden getroffen. De totale schade werd geraamd op 2,939 miljard euro, waarvan ongeveer 1,448 miljard euro openbare schade betrof. De Oostenrijkse aanvraag bevat geen informatie over verzekeringsdekking. De schade aan de openbare infrastructuur bedroeg bijna 600 miljoen euro. Tsjechië: de eerste door overstromingen veroorzaakte schade ontstond op 5 augustus 2002. De totale schade werd geraamd op 2,341 miljard euro, waarvan ongeveer 770 miljoen openbare schade betrof. Men schat dat 800 miljoen tot 1 miljard euro door de verzekering wordt gedekt. Andere middelen van de Gemeenschap zullen naar verwachting de schade helpen dekken tot een bedrag van 51 miljoen euro (PHARE (Actieprogramma voor gecoördineerde hulp aan Polen en Hongarije), ISPA (Structureel pretoetredingsinstrument), SAPARD (Instrument ter ondersteuning van landbouw en plattelandsontwikkeling)). Ook verwacht men een EIB-lening van maximaal 400 miljoen euro. Frankrijk: op 8 en 9 september 2002 troffen zware overstromingen de regio Languedoc-Roussillon. De Franse aanvraag beperkt zich tot het Département du Gard, dat verreweg het zwaarst werd getroffen. In dit departement werd de eerste door overstromingen veroorzaakte schade geregistreerd op 8 september 2002. 295 gemeenten (van de 353) werden getroffen, samen goed voor 94% van de bevolking van de Gard. 8.000 huishoudens werden dakloos. De totale schade werd geraamd op 834,5 miljoen euro, waarvan ongeveer 275 miljoen euro openbare schade betrof. De Franse autoriteiten verklaarden zich in deze fase niet in een positie te bevinden om een indicatie te kunnen geven van de verzekeringsdekking (er zijn ongeveer 50.000 schadeclaims van particulieren en bedrijven geregistreerd). De schade aan de openbare infrastructuur bedroeg meer dan 200 miljoen euro. De kosten van inspanningen zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening worden geschat op ongeveer 225 miljoen euro. Oostenrijk, Tsjechië en Duitsland voldeden alle aan het criterium voor "grote ramp"; op de overstromingen in Frankrijk was het criterium voor "regionale ramp" van toepassing. Op basis van een methode die door de Commissie is ontwikkeld voor het op een billijke manier bepalen van de hoeveelheid hulp (gedetailleerd toegelicht in deel 2), waarbij met name rekening wordt gehouden met de omvang van de totale schade en de relatieve welvarendheid van het begunstigde land, werden de volgende bedragen voorgesteld en goedgekeurd: Oostenrijk // EUR134 miljoen Tsjechië // EUR129 miljoen Frankrijk // EUR21 miljoen Duitsland // EUR444 miljoen Totaal 2002 // EUR728 miljoen De gewijzigde begroting werd zonder veranderingen op 21 november 2002 door het Europees Parlement aangenomen. De vier subsidiebesluiten werden op 11 december namens de Commissie door de heer Barnier ondertekend. Tevens besprak de Commissie met de vier landen de overeenkomsten voor implementatie van de subsidies op basis van modelovereenkomsten die eerder door de Commissie waren ontwikkeld. De overeenkomsten hebben tot doel een aantal bepalingen vast te leggen om het financiële belang van de Gemeenschap te garanderen, met name met betrekking tot financiële controle. Hierin wordt bepaald welke autoriteiten in de begunstigde staat verantwoordelijk zijn voor de implementatie van de subsidie en tevens worden hierin conform artikel 3 van de verordening de soorten inspanning bepaald waarvoor de begunstigde staat zich voorneemt de subsidie te gebruiken. Voor kandidaat-lidstaten bevat de implementatieovereenkomst de bepalingen van het subsidiebesluit dat niet rechtstreeks op hen van toepassing is omdat zij nog geen lidstaten zijn. Op de zitting van de Europese Raad op 12 december hebben de heer Barnier en de ministers van buitenlandse zaken van Oostenrijk, Frankrijk en Duitsland de desbetreffende implementatieovereenkomsten ondertekend. De implementatieovereenkomst met Tsjechië werd op 18 december door de heer Barnier in Brussel ondertekend en op 19 december in Praag door de Tsjechische minister van financiën. De volledige betaling vond in de daaropvolgende dagen plaats. Ofschoon de verordening geen specifieke controleactiviteiten verwacht, is het de algemene plicht van de Commissie om de activiteiten waarvoor zij de politieke en de begrotingsverantwoordelijkheid draagt, regelmatig te evalueren. Daarom achtte men het belangrijk de voortgang van implementatie in praktijk te verifiëren. In dit kader werden er in mei (Berlijn en Dresden, Wenen en Praag) en juli (Nîmes) 2003 bezoeken gebracht aan alle begunstigde landen en de belangrijkste getroffen gebieden. Het doel van deze bezoeken was tweeledig: de begunstigden konden eventuele problemen ter sprake brengen waarvoor naar hun oordeel de hulp van de Commissie vereist was; en de Commissie kon bekijken of het implementatiesysteem adequaat was en of er voldoende voortgang was om de verwachting te rechtvaardigen dat volledige implementatie van de subsidie binnen het beschikbare jaar mogelijk was. De Commissie verzocht voorts om voortgangsrapporten van de implementerende autoriteiten die deze voor interne doeleinden hadden opgesteld en heeft deze voortgangsrapporten ook ontvangen. 2. Inzet van het Fonds in 2003 In 2003 ontving de Commissie een totaal van 10 nieuwe aanvragen voor het inzetten van het Fonds (vgl. overzichtstabel in bijlage 2) [12]. [12] Dit rapport is wezenlijk beperkt tot de gevallen waartoe in de rapportageperiode is besloten. De overige gevallen zullen nader worden behandeld in het verslag van het jaar waarin de desbetreffende besluiten zijn genomen. In juli 2003 deed de Commissie een voorstel het Fonds voor een tweede maal [13] in te zetten voor een pakket van drie rampen in verband met de uitbarsting van de Etna, de aardbeving bij Molise en Apulia in Italië en de gezonken tanker Prestige en de daaropvolgende olievervuiling in Spanje. Terwijl dit pakket in behandeling was, deed de Commissie tevens een voorstel tot inzetten van het Fonds voor de bosbranden die in augustus 2003 in Portugal ontstonden [14]. De twee voorstellen werden vervolgens samengevoegd tot één gewijzigde begroting [15]. De belangrijkste redenen om de inzet van het Fonds voor te stellen waren de volgende [16]: [13] Voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 5 voor de begroting voor 2003, SEC(2003) 886 def. van 30.7.2003 [14] Voorontwerp van gewijzigde begroting nr. 6 voor de begroting voor 2003, SEC(2003) 1059 def. van 25.9.2003. [15] Definitieve aanneming van de gewijzigde begroting nr. van de Europese Unie voor het boekjaar 2003, PB L 310/1 van 26.11.2003. [16] Zie APBR 5/2003 voor de volledige tekst. Olieramp met de Prestige: op 13 januari 2003 dienden de Spaanse autoriteiten een aanvraag in voor inzet van het Fonds naar aanleiding van de ramp die werd veroorzaakt door het zinken van de olietanker Prestige op 19 november 2002. De ramp had geen natuurlijke oorzaak en viel daarom buiten het hoofdkader voor toepassing van het Fonds. De Spaanse autoriteiten hebben echter aangetoond dat de specifieke omstandigheden, met name de omvang en de aard van de veroorzaakte schade, de twijfel omtrent het tijdstip waarop een oplossing voor de bron van de voortgaande verontreiniging kon worden gerealiseerd en de negatieve effecten voor de getroffen regio op de lange termijn, zodanig waren dat de inzet van het Fonds gerechtvaardigd bleek te zijn. De diensten van de Commissie hielden er rekening mee dat de rechtstreekse schade zou worden geraamd op 436 miljoen euro (aangepast bedrag op basis van IOPC-vergoedingen (International Oil Pollution Compensation Fund) en aftrek van bepaalde indirecte schade van het bedrag dat aanvankelijk werd opgegeven). Een bijzondere omstandigheid in het geval van de Prestige-zaak was het feit dat vaststelling of de zaak voldeed aan alle verordeningscriteria voor "regionale rampen" op een feitelijke moeilijkheid stuitte. Omdat de verontreiniging rechtstreeks vooral de zee en de stranden trof, bleek het lastig een redelijke definitie van "de getroffen regio" te geven, zoals voorgeschreven in artikel 2.2 van de verordening, en tevens bleek het moeilijk om na te gaan of "het grootste deel van de bevolking" dat in het gebied woont, is getroffen. Anderzijds zijn er ernstige en blijvende gevolgen geregistreerd voor de levensomstandigheden en de economische stabiliteit voor het gebied langs de kust, waar een groot deel van de bevolking van de vier autonome gebieden is geconcentreerd. Deze effecten treffen de economie in zijn geheel en de levensomstandigheden van een groot aantal personen. Om deze redenen kwam de Commissie tot de conclusie dat in dit specifieke geval de regeling diende te worden toegepast in het licht van het buitengewone karakter en de uitzonderlijke omstandigheden van de ramp en de duidelijk aantoonbare negatieve gevolgen, en dat daarom de inzet van het Solidariteitsfonds gerechtvaardigd bleek. Aardbeving bij Molise en Apulia: de ramp begon op 31 oktober 2002 en de aanvraag voor de inzet van het Fonds werd ingediend op 13 januari 2003, binnen de periode waarin dit met terugwerkende kracht mogelijk is, zoals bepaald in artikel 13 van de verordening. De ramp kende een natuurlijke oorsprong en valt daarom binnen het hoofdkader voor toepassing van het Fonds. De directe schade werd geraamd op 1,558 miljard euro. De getroffen regio werd duidelijk aangeduid als 65 gemeenten in de provincie Campobasso/Molise en 14 gemeenten in de provincie Foggia/Apulia). De bevolking van het aldus gedefinieerde getroffen gebied bedroeg 243.000 inwoners waarvan het merendeel rechtsreeks door de ramp was getroffen. In algemene zin zou het niet gerechtvaardigd zijn het Fonds in te zetten voor regionale rampen die geografische gebieden of bevolkingsaantallen van een beperkt niveau troffen. Desondanks dient dit aspect van geval tot geval te worden beoordeeld met inachtneming van de relatieve omvang van de schade en de ernst van de gevolgen. In het onderhavige geval rechtvaardigde de enorme omvang van de directe schade en het tamelijk geïsoleerde karakter van het gebied de conclusie dat hier van een aanzienlijk niveau sprake was. Ernstige en langdurige gevolgen op de levensomstandigheden en de economische stabiliteit van de regio werden aangetoond: hier was sprake van een tamelijk geïsoleerde ligging, ook al kon de getroffen regio niet als "afgelegen" worden omschreven. De Italiaanse autoriteiten toonden aan dat de gevolgen van de aardbeving op het getroffen gebied, dat voor de aardbeving was gekenmerkt als zwak en sociaal versplinterd, dermate ernstig waren dat de inzet van het Fonds gerechtvaardigd bleek. Uitbarsting van de Etna: de aanvraag werd ingediend op 13 januari 2003 binnen de periode waarin dit met terugwerkende kracht mogelijk is, zoals bepaald in artikel 13 van de verordening, na de uitbarsting van de Etna op 26 oktober en de daaropvolgende aardbevingen en asregens over een periode van enkele maanden. De ramp kende een natuurlijke oorsprong en valt daarom binnen het hoofdkader voor toepassing van het Fonds. De diensten van de Commissie hielden er rekening mee dat de totale directe schade zou worden geraamd op 849 miljoen euro (aangepast bedrag na aftrek van niet in aanmerking komende indirecte schade). De getroffen regio werd gedefinieerd als de provincie Catania met een bevolking van 1.069.000 personen waarvan er 920.000 (86%) rechtstreeks waren getroffen. In 14 gemeenten werd ernstige schade door aardschokken en lava geregistreerd, waardoor 160.000 mensen werden getroffen; meer dan 3.000 woningen en een aantal openbare gebouwen werden onveilig verklaard. De schade werd geschat op ongeveer 590 miljoen euro aan particuliere bezit, openbare gebouwen en infrastructuur. Ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden en de economische stabiliteit van de regio waren het gevolg van (i) het voortduren van uitbarstingen en seismische activiteit gedurende enkele maanden en (ii) de hoeveelheid werk die nodig zou zijn voor het herstel van de schade - dit zou naar verwachting meer dan twee jaar in beslag nemen - en het beoordelen van de effecten die de blootstelling aan as op de gezondheid zou hebben. De verwachte economische schade van 3 miljard euro zou naar verwachting ook gevolgen hebben voor de Siciliaanse economie in haar geheel. De verliezen in de agrarische sector, de primaire economische motor van de provincie Catania waarin meer dan 30.000 personen de kost verdienen, worden geschat op 50% van de inkomsten van dat seizoen. De algehele vertraging van de economie ligt rond 35% en de reserveringen door toeristen, van vitaal belang voor de economie van het eiland, liepen terug met 80%. De sluiting of aanzienlijk lagere activiteit van het vliegveld van Catania werd als bijzonder schadelijk beschouwd. De provincie Catania maakt deel uit van Sicilië, waar de levensomstandigheden en de economie worden gekenmerkt door de insulaire en afgelegen geografische ligging, de beperkte toegankelijkheid en gedeeltelijke afzondering van de centra van de Italiaanse economie, allemaal factoren die de Siciliaanse economie tot een bijzonder kwetsbare maken. Bosbranden in Portugal: de ramp begon op 20 juli 2003. De formele aanvraag werd ingediend op 13 augustus 2003, binnen de voorgeschreven periode, en op 22 augustus ontvangen, voorzien van aanvullende informatie. De ramp bestond uit een groot aantal branden van grote omvang in bosrijke en agrarische gebieden, ten gevolge van zeer hoge temperaturen en lage luchtvochtigheid. 18 personen kwamen om. De branden verwoestten naar schatting 270.000 hectare bos en 25.000 hectare landbouwgebied en veroorzaakte een verlies aan winsten en salarissen van 45.000 personen. De directe schade voor Portugal werd geraamd op 946,489 miljoen euro. Omdat dit bedrag hoger is dan 0,6% van het Portugese BNI (d.w.z. hoger dan 718,120 miljoen euro) voldoet de ramp aan de criteria van een "grote ramp" zoals bedoeld in de verordening. De kosten van essentiële noodhulp waarvoor men volgens artikel 3, lid 2, van de verordening in aanmerking komt, wordt geschat op 79,579 miljoen euro. De toekenning van de volgende bedragen werden voorgesteld en per besluit vastgelegd op basis van de vastgestelde methode: // Hoogte van de subsidie Italië - aardbeving Molise/Apulia // EUR 30,826 miljoen Italië - uitbarsting Etna // EUR 16,798 miljoen Spanje - Prestige // EUR 8,626 miljoen Portugal - bosbranden // EUR 48,539 miljoen Totaal // EUR 104,789 miljoen Een andere aanvraag van Italië met betrekking tot hevige overstromingen in verschillende delen van het noorden van Italië werden afgewezen op grond van het feit dat deze werden ingediend na de voorgeschreven deadline van 10 weken na de eerste schade. Bovendien kon op basis van de geleverde informatie onvoldoende worden vastgesteld of aan de criteria voor uitzonderlijke regionale rampen feitelijk werd voldaan. Op 8 oktober 2003 nam het Europees Parlement de gewijzigde begroting zonder veranderingen aan. Op 17 november 2003 ondertekende de heer Barnier namens de Commissie de besluiten over de subsidie aan Portugal, op 5 december 2003 voor de twee Italiaanse zaken en op 12 december 2003 voor Spanje. Op 17 november werd de implementatieovereenkomst met Portugal ondertekend door de heer Barnier en de Portugese Staatssecretaris voor Europese Zaken in Brussel. De volledige betaling van de subsidie vond in de daaropvolgende dagen plaats. Op het moment van de totstandkoming van deze rapportage bevonden Italië en Spanje zich in de ondertekeningsfase van de overeenkomsten (in de schriftelijke procedure). Tijdens de rapportageperiode waren de eindbesluiten voor vijf zaken die in 2003 werden ontvangen in behandeling [17]: [17] Op 9 maart 2004 nam de Commissie in deze zaken een besluit (zie de overzichtstabel in bijlage 2). Twee daarvan waren gebaseerd op het criterium voor grote rampen: de ramp in Malta die werd veroorzaakt door storm en overstromingen in september en de aanvraag van Griekenland betreffende extreme weersomstandigheden tijdens de wintermaanden van 2002/2003. In september diende Frankrijk op basis van het criterium voor regionale rampen een aanvraag in met betrekking tot de bosbranden die in juli en augustus 2003 in verschillende delen van Zuid-Frankrijk en Corsica hadden gewoed. De Spaanse aanvraag met betrekking tot bosbranden in de zomer was aanvankelijk gebaseerd op het criterium voor buitengewone regionale rampen, waaraan naar het oordeel van de Commissie niet werd voldaan. Op het moment van totstandkoming van dit rapport zijn de diensten van de Commissie aan het vaststellen of het geleverde bewijsmateriaal de toepassing van het criterium voor buurlanden toelaat voor de Spaanse branden die in het Portugese grensgebied hebben gewoed. In november diende Italië op basis van het criterium voor regionale rampen een andere aanvraag in met betrekking tot overstromingen in Friuli Venzia-Giulia. Deel 2: Wijze waarop de verordening is toegepast Tot eind november 2003, dus binnen het eerste jaar waarin het Fonds van kracht was, ontving de Commissie in totaal 14 aanvragen voor het inzetten van het Fonds. Vijf daarvan waren gebaseerd op het hoofdcriterium van "grote natuurrampen", zoals omschreven in artikel 2, lid 1, eerste alinea van de verordening [18]. Eén aanvraag, met betrekking tot de Spaanse bosbranden in 2003, was gebaseerd op het criterium voor buurlanden, zoals bepaald in artikel 2, lid 1, tweede alinea van de verordening, terwijl de overige acht aanvragen [19], het merendeel van de gevallen, waren gebaseerd op het criterium voor regionale rampen, zoals bepaald in artikel 2, lid 1, derde alinea van de verordening. Slechts één ramp, de olieramp ten gevolge van de gezonken tanker Prestige, had geen natuurlijke oorzaak. In elk van deze gevallen moest de Commissie beoordelen of aan de voorwaarden voor de inzet van het Fonds werd voldaan. [18] In 2002 : overstromingen in Oostenrijk, Duitsland en Tsjechië ; in 2003 : bosbranden in Portugal, overstromingen en storm in Malta. [19] In 2002 : overstromingen in het Département du Gard/Frankrijk; in 2003 : overstromingen in Noord-Italië, uitbarsting van de Etna, aardbeving bij Molise en Apulia, extreme weersomstandigheden in Griekenland, de gezonken Prestige voor de kust van Spanje, bosbranden in Frankrijk en overstromingen in Friuli Venezia-Giulia/Italië. Voor grote rampen voorziet de verordening in één beslissend criterium voor honorering van de aanspraak op inzet van het Fonds: de omvang van de aangerichte schade, waardoor de Commissie haar onderzoek in zeer korte tijd kon afronden. De overige gevallen, waarbij om de uitzonderlijke inzet van het Fonds werd verzocht, vereisten een veel gedetailleerder onderzoek. Men moest de landen die de aanvraag hadden ingediend om aanvullende informatie vragen, hetgeen een tijdrovende aangelegenheid bleek te zijn. In sommige gevallen was het noodzakelijk dat de aanvragen en de daaropvolgende informatie werden vertaald alvorens deze konden worden verwerkt, wat tot verdere vertraging leidde. Uit de analyse van de aanvragen bleek dat bepaalde sleutelbegrippen die door de verordening waren geïntroduceerd, dienden te worden geïnterpreteerd om in de praktijk te kunnen worden toegepast. De Commissie heeft de verordening gehanteerd zoals beschreven in hoofdstuk 1 hieronder, niet in de laatste plaats om te komen tot een billijke behandeling van alle zaken, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2 van de verordening. Om een billijke behandeling mogelijk te maken, moest een methode worden ontwikkeld om de hoeveelheid steun te bepalen als men eenmaal had geconcludeerd dat een ramp in aanmerking komt voor steun uit het Solidariteitsfonds. De methode die de Commissie heeft ontwikkeld en de principes die daaraan ten grondslag liggen komen hieronder in hoofdstuk 3 aan de orde. 1. Algemene begrippen De volgende begrippen bleken een nadere definiëring te behoeven: Aard van de ramp Steun uit het Fonds kan "hoofdzakelijk worden verleend wanneer ... een grote natuurramp voordoet" (artikel 2, lid 1). Terwijl niet-natuurrampen niet zijn uitgesloten, bestemt de verordening de steun van het Fonds "hoofdzakelijk" voor natuurlijke gebeurtenissen. Dit betekent dat rampen die geen natuurlijke oorzaak hebben, in aanmerking kunnen komen voor steun van het Solidariteitsfonds, maar hiervoor is een speciale rechtvaardiging vereist. Dit criterium werd onder andere in de verordening opgenomen om tegenspraak met het principe "de vervuiler betaalt" te vermijden en om de juridische aansprakelijkheid voor de aangerichte schade niet te ondermijnen. Als een land ondanks de niet-natuurlijke oorzaak van het incident de steun van het Fonds aanvraagt, moet het redenen opgeven waarom de tussenkomst van het Fonds toch gerechtvaardigd is (bijvoorbeeld faillissement van de aansprakelijke partij). Het feit dat de aansprakelijke partij onvoldoende was verzekerd, is op zichzelf niet voldoende reden. Schadedrempel Om als "grote ramp" te kunnen worden aangemerkt, moeten rampen de laagste van de dubbele schadedrempel van 3 miljard euro of 0,6% van het BNI overschrijden. Kleinere rampen komen alleen in aanmerking onder de criteria voor "buurlanden" of "regionale rampen" (zie paragraaf 2.1 en 2.2 hieronder). Cumulatie van meerdere gebeurtenissen De verordening heeft betrekking op afzonderlijke gebeurtenissen (een ramp). Cumulatie van een aantal gebeurtenissen over een langere periode en van mogelijk uiteenlopende aard wordt niet geaccepteerd. Om die reden werd de Griekse autoriteiten gevraagd hun aanvraag te herzien, die aanvankelijk op het criterium voor "grote rampen" was gebaseerd en betrekking had op talloze gebeurtenissen die over een periode van drie maanden waren veroorzaakt door extreme weersomstandigheden (vorst, hevige sneeuwval, storm etc.), om na te gaan of er afzonderlijke gebeurtenissen waren die als uitzonderlijke regionale ramp in aanmerking zouden kunnen komen [20]. [20] Op het moment van totstandkoming van dit rapport was het formele besluit van de Commissie in behandeling. Een aantal gebeurtenissen van dezelfde aard die gedurende een betrekkelijk korte periode van slechts enkele weken plaatsvinden, kunnen worden geaccepteerd als één grote ramp, op voorwaarde dat de gebeurtenissen dezelfde (niet slechts een vergelijkbare) oorzaak hebben, zelfs als verschillende regio's van het land zijn getroffen. Deze redenering werd toegepast op het geval van de bosbranden in Portugal in de zomer van 2003. De voorwaarden waaraan volgens het criterium voor "regionale rampen" moet worden voldaan, verschillen echter van de criteria die voor grote rampen gelden. Om die reden wordt de cumulatie van geografisch verspreid voorkomende gebeurtenissen niet als één regionale ramp geaccepteerd, zelfs als het gaat om de verschillende gebeurtenissen van dezelfde aard. Berekening van de drempel Schade die "wordt geschat op hetzij meer dan 3 miljard EUR in prijzen van 2002, hetzij meer dan 0,6% van zijn BNI" (artikel 2, lid 2, eerste alinea). Voor het equivalent van de prijzen van 2002 hanteert de Commissie een deflatiefactor voor het bedrag van 3 miljard euro. De meest recente deflatiefactor die in de begroting van de Gemeenschap in 2003 op basis van de macro-economische ontwikkeling van de Unie werd gebruikt, is 1,8%. 3 miljard euro volgens het prijsniveau van 2002 komt dan overeen met 3,054 miljard euro volgens het prijsniveau van 2003 (3 x 1,018). Voor de bepaling van het BNI hanteert de Commissie de geharmoniseerde EUROSTAT-cijfers voor het tweede jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum, hetgeen als algemeen betrouwbaar kan worden geacht. Als er geen betrouwbare, recente waarde voor het BNI beschikbaar is, wordt het bruto nationaal product gehanteerd (dit is tot nu toe nog niet voorgekomen). Concept van verzekerbaarheid "Betalingen uit het Fonds zijn in beginsel beperkt tot ... niet-verzekerbare schade" (artikel 3, lid 3). Het argument volgens welk alles verzekerbaar is zolang de premies hoog genoeg zijn, blijkt niet met de realiteit overeen te komen, is niet haalbaar en is naar het oordeel van de Commissie niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De reden waarom het concept van onverzekerbaarheid in de verordening werd opgenomen, was om het principe van "de vervuiler betaalt" en de verantwoordelijkheid van personen om afdoende voorzorgsmaatregelen te nemen niet te ondermijnen. Het was de bedoeling om aldus te voorkomen dat het Solidariteitsfonds moest worden ingeschakeld om schade te dekken die redelijkerwijs had moeten zijn verzekerd of waarvoor een duidelijke aansprakelijkheid kan worden bepaald. Om verschillende redenen bleek het echter moeilijk te zijn om dit idee in praktijk te brengen. Zo bestaat er bijvoorbeeld geen uniforme verzekeringsmarkt voor alle landen die aanspraak op het Fonds kunnen maken. In bepaalde landen is er een verzekeringsdekking voor bepaalde risico's of is daar zelfs verplicht, terwijl iets vergelijkbaars in andere landen niet bestaat [21]. In de particuliere sector is het vrijwel onmogelijk binnen 10 weken te weten wat er in feite is verzekerd. Het is zelfs nog moeilijker vast te stellen wat verzekerd had kunnen zijn, oftewel wat verzekerbaar was. Omdat het Fonds echter voor publieke kosten kan worden gemobiliseerd, is alleen deze bepaling van ondergeschikt belang. Anderzijds verzekeren de openbare autoriteiten hun activa en middelen in de regel niet, zelfs als er in bepaalde gevallen een verzekering beschikbaar is. De Commissie is van mening dat de wetgever de bedoeling had de algemene gang van zaken binnen de lidstaten niet te verstoren. [21] In deze context beloofde de Commissie onderzoek te doen naar de verzekeringssystemen die in de lidstaten worden toegepast. Om die redenen nam de Commissie bij bestudering van de aanvragen voor het Fonds genoegen met informatie over het feit of de voorgestelde noodmaatregelen feitelijk waren verzekerd of anderszins gedekt, bijvoorbeeld door internationale instrumenten zoals het IOPC-fonds in het geval van de Prestige. Waar dit het geval was, bracht de Commissie het relevante bedrag in mindering op de totale kosten van de noodmaatregelen (om dubbele financiering te vermijden) en op het bedrag van de totale directe schade, wat leidde tot verlaging van de subsidie (vgl. het hoofdstuk over de berekeningsmethode hieronder, van belang voor de zaak van de Prestige en de branden in Portugal). Wellicht zijn aanpassingen achteraf noodzakelijk, nadat de begunstigden hun definitieve rapporten met daarin alle relevante informatie hebben ingediend. Deadline voor aanvragen "...uiterlijk binnen tien weken na de datum waarop de eerste met de ramp verband houdende schade zich heeft voorgedaan" (artikel 4, lid 1). Aanvragen moeten binnen 10 weken na de begindatum van een ramp worden ingediend. Deze deadline wordt berekend vanaf de datum van de eerste schade, die dient te worden bevestigd door het aanvragende land en die door de Commissie wordt gecontroleerd op basis van andere beschikbare informatie. Aanvragen moeten door de Commissie binnen de deadline worden ontvangen, voorzien van het registratiestempel voor binnenkomende post. Deze aanpak is in overeenstemming met de regels voor andere financiële instrumenten van de Gemeenschap, zoals de structuurfondsen, en is conform de algemene praktijk binnen de lidstaten. Vanwege de aard van het Fonds als noodinstrument accepteert van de Commissie echter ook aanvragen per e-mail. In dat geval wordt de datum van ontvangst automatisch gegenereerd door de e-mailserver. Als wordt vastgesteld dat de aanvraag na het verstrijken van de voorgeschreven deadline van 10 weken na de schade die aan de ramp word toegeschreven, is ingediend, wordt de aanvraag afgewezen. Dit was het geval bij de aanvraag die Italië indiende in verband met de overstromingen in Noord-Italië. De aanvraag dient alle volgens de verordening vereiste informatie te bevatten. Indien dit anderszins niet mogelijk is, mag aanvullende informatie op een latere datum, doch zo spoedig mogelijk, worden verstrekt. Om in aanmerking te kunnen komen, moet de aanvraag ten minste de volgende informatie bevatten: vermelding van de ramp, locatie en begindatum. Anders wordt de aanvraag afgewezen. Een aanvraag wordt past geacht te zijn ontvangen op het moment dat deze basisinformatie wordt ingediend. Alle aanvragen betreffende "grote rampen" konden vrij vlot worden verwerkt. Dit was echter niet het geval bij aanvragen die op basis van het criterium voor "regionale rampen" werden gedaan. In al dergelijke gevallen moest de Commissie de aanvragende staat minstens éénmaal om aanvullende informatie verzoeken, om te kunnen controleren of aan de gedetailleerdere vereisten van de verordening was voldaan. In sommige gevallen waren de antwoorden onvolledig of werden deze slechts na enkele maanden ontvangen, hetgeen - samen met de noodzaak van vertaling (in enkele gevallen) - leidde tot vertragingen van soms één jaar. Dit is niet overeenkomstig de aard van het Fonds als noodinstrument. Om dergelijke onbevredigende situaties te voorkomen, zal de Commissie in de toekomst een tijdslimiet bepalen voor de verstrekking van aanvullende gegevens en haar beoordeling van de aanvraag niet later dan vier maanden na het indienen daarvan voltooien op basis van de informatie die haar dan ter beschikking staat (vgl. de conclusies van dit rapport). Definitie van schade "Totale schade" (artikel 4, lid 1(a)). Bij het bepalen van de omvang van de ramp let men alleen op de directe schade; de indirecte schade, zoals verlies aan inkomsten en productie vanwege de onderbreking van economische activiteiten (salarissen, bedrijfsopbrengsten, annuleringen in toerisme), lagere bijdragen aan systemen voor sociale uitkeringen, verlies aan toekomstige oogsten (daarentegen wordt de vernielde huidige oogst wél geaccepteerd), wordt terzijde gelaten. Hypothetische schade, zoals een fictieve prijs voor verlies aan recreatieve waarde door verbrande bossen ("5 euro per verloren bezoek"), wordt evenmin in beschouwing genomen. Men laat het aan het aanvragende land over om de hoeveelheid schade te bepalen volgens de methode van het land zelf. Voor onroerende zaken betekent dit meestal de "kosten van wederopbouw" (voor gebouwen en infrastructuurvoorzieningen in het bijzonder); voor andere goederen, bijvoorbeeld vernielde roerende goederen, dient de huidige waarde van de activa te worden gehanteerd. Ecologische schade kan in aanmerking komen voor zover daar werkelijke kosten aan zijn verbonden, bijvoorbeeld voor schoonmaakoperaties. De kosten van hulp van de nooddiensten maken deel uit van de totale schade. Om de volgende redenen koos men ervoor directe schade te gebruiken als basis voor het vaststellen of de drempel voor inzet van het Fonds wordt gehaald: er bestaat geen algemeen aanvaard concept van indirecte schade. Betrouwbare schattingen van directe schade bleken binnen de voorgeschreven aanvraagperiode van 10 weken moeilijk te kunnen worden verstrekt; het hanteren van indirecte schade zou leiden tot enorme vertekeningen, verdere vertragingen en waarschijnlijk een grotere noodzaak tot correcties en schadevergoedingen achteraf. Werkelijke en verwachte betalingen door verzekeraars of internationale bronnen, zoals het IOPC (echter geen andere EU-subsidies) voor noodoperaties volgens artikel 3 van de verordening, zullen van de totale schade worden afgetrokken (zoals in de zaak van de Prestige is toegepast). Donaties mogen echter geen invloed hebben op de hoogte van de totale schade, omdat dit anders ten koste zou gaan van de bereidheid donaties te verstrekken. Ook EIB-leningen zijn niet van invloed op de totale schade. De Commissie beoordeelt waar mogelijk de aannemelijkheid van de schadecijfers op basis van gegevens uit andere bronnen. Waar dit nodig is, heeft de Commissie de door de aanvragende staat verstrekte cijfers bijgesteld alvorens deze te gebruiken als basis voor bepaling van de hoeveelheid steun. Overige informatie is echter niet in alle gevallen beschikbaar en de Commissie heeft geen specifieke deskundigheid op dit terrein. Het kan in de toekomst noodzakelijk zijn onafhankelijke externe deskundigheid in te schakelen, maar daarvoor zullen specifieke kredieten beschikbaar moeten worden gemaakt. In aanmerking komende kosten "Schatting van de kosten ... van de acties" (artikel 4, lid 1(b)). Het doel van subsidies uit het Fonds is het dekken van een deel van de overheidsuitgaven van de begunstigde staat. Subsidies mogen slechts worden gebruikt voor het financieren van de kosten van bepaalde essentiële noodoperaties zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, en mogen daarom nooit hoger zijn dan deze kosten. De selectie van dergelijke acties (zoals gespecificeerd in de implementatieovereenkomst) wordt overgelaten aan het begunstigde land. Daar de overheidsuitgaven in alle gevallen niet is beperkt tot financiering van alleen de kosten van de noodoperaties, lijkt aan het vereiste van de verordening om de subsidie te beperken tot het dekken van "een deel" van de overheidsuitgaven te zijn voldaan. Deze bepaling strekt in ieder geval niet tot een verplichting tot medefinanciering voor afzonderlijke operaties. Om een gelijke behandeling te verzekeren lijkt het wenselijk te overwegen de subsidie te beperken tot een bepaald aandeel van de totale kosten van in aanmerking komende operaties, zoals geschat op het moment dat de Commissie voorstelt het Fonds in te zetten. Dit aspect zal worden besproken tijdens de volgende conferentie over het Solidariteitsfonds in het najaar van 2004. Op grond van deze besprekingen zal de Commissie de geëigende voorstellen doen. Het geschatte bedrag voor noodoperaties mag niet hoger zijn dan het bedrag dat als direct noodzakelijk wordt beschouwd (herstel van het functioneren) en dekt over het algemeen niet de kosten van een volledige reconstructie. Men erkent echter dat er gevallen kunnen zijn waarin volledige reconstructie de enige mogelijk oplossing is. Als reconstructie wordt gebruikt voor het aanbrengen van verbeteringen, mogen de extra kosten in geen geval bij het Fonds worden gevorderd. Indien apparatuur moet worden vervangen (bijvoorbeeld voertuigen van hulpdiensten die tijdens de operatie worden vernield), mag alleen de huidige waarde van die apparatuur worden opgegeven. Het aandeel van de essentiële noodoperaties in de totale schade bleek aanzienlijk te variëren, afhankelijk van de aard van de ramp en de kenmerken van het getroffen gebied (vgl. bijlage 1 en 2). Een extreem geval was dat van de olieramp met de Prestige, waarbij praktisch geen particuliere of openbare goederen werden beschadigd en de kosten bijna uitsluitend betrekking hadden op de (in aanmerking komende) schoonmaakoperaties. In dit geval bestond 95% van het bedrag van de totale schade uit kosten voor in aanmerking komende operaties. Daarentegen werd het merendeel van de schade van de Portugese bosbranden toegebracht aan particuliere bossen, zodat de kosten van de in aanmerking komende operaties slechts 8% uitmaakte van het totale schadebedrag. Coördinatie met andere financiële instrumenten "Andere communautaire financieringsbronnen" (artikel 4, lid 1(c)). Informatie over financiering vanuit bronnen van de Gemeenschap in geval van rampen - met name bij rampen die voor steun van het Fonds in aanmerking komen - is om twee redenen noodzakelijk: coördinatie van deze instrumenten, om ze zo efficiënt mogelijk in te zetten en het vermijden van dubbele financiering. De Commissie heeft aanvragende staten regelmatig aangemoedigd gebruik te maken van de structuurfondsen, het Cohesiefonds of de pretoetredingsinstrumenten die ter beschikking staan, als de getroffen regio voor steun op basis van een van deze instrumenten in aanmerking komt. Binnen de geldende beperkingen van deze instrumenten was en is de Commissie bereid de steun zo flexibel mogelijk te verlenen om de gevolgen van een ramp te helpen bestrijden en, wat nog belangrijker is, een grotere nadruk te leggen op beleid dat is gericht op het voorkomen van rampen. De EOGFL-garantie kan ook bijdragen aan de steun via afwijkingen van eerstelijns maatregelen (bijvoorbeeld via vooruitbetalingen, agrarisch gebruik van gereserveerde grond) en de specifieke herstelmaatregelen onder plattelandsontwikkeling. "Andere nationale of internationale financieringsbronnen, met inbegrip van publieke en particuliere verzekeringen" (artikel 4, lid 1(d)). Aanvragende landen worden verzocht een schatting van openbare en particuliere bronnen, inclusief verzekeringsdekking, te overleggen, die zou kunnen bijdragen aan herstel van de schade. Het bleek uiterst moeilijk te zijn om binnen 10 weken na een ramp betrouwbare gegevens te ontvangen over verzekeringsdekking, omdat het indienen van particuliere claims meestal langer duurt en het afwikkelen daarvan zelfs nog langer. Aanvragers kunnen meestal wel aangeven of de openbare schade was verzekerd - en dat is doorgaans niet het geval. De overheid van Sachsen heeft samen met het Rode Kruis een elektronisch programma ontwikkeld, genaamd PHOENIX, een interactieve database, die met succes is gebruikt om gegevens te verzamelen over de verschillende financieringsbronnen op projectniveau vanuit de verschillende publieke en particuliere lichamen die bijdroegen aan het vergoeden van de schade van de overstroming in 2002. Deze database is aan de Commissie ter beschikking gesteld en kan nu door andere begunstigde landen worden gebruikt. Begindatum van subsidiariteit (artikel 4, lid 5) De begindatum van subsidiariteit is de datum waarop de eerste schade die door de ramp wordt veroorzaakt, plaatsvindt (vgl. artikel 4, lid 1, van de verordening). Dit betekent dat aanspraak kan worden gemaakt op steun uit het Fonds voor in aanmerking komende noodacties zoals gedefinieerd in artikel 3 van de verordening en gespecificeerd in artikel 5 van het akkoord dat tussen die datum en de ondertekening van het subsidiebesluit is gesloten. Implementatieperiode "De subsidie wordt gebruikt binnen één jaar" na uitbetaling door de Commissie (artikel 8, lid 1). De verordening voorziet in een periode van één jaar waarin de subsidie dient te worden geïmplementeerd, gerekend vanaf de uitbetaling door de Commissie. Om eventuele dubbelzinnigheden te vermijden betreffende de exacte data, is met de begunstigde partijen tot nu toe overeengekomen dat hiermee de periode wordt bedoeld die loopt vanaf de feitelijke bijschrijving van de subsidie op de eerste rekening van het begunstigde land. De begunstigde staat moet het bewijs van de exacte datum uiterlijk bij het eindrapport leveren. Gebruik van de subsidie betekent feitelijk het besteden (uitbetalen) van geld voor doeleinden die in het implementatieakkoord zijn vermeld en het verstrekken van bewijzen van die uitgaven. Volgens de Commissie staat de verordening niet toe dat de implementatieperiode van één jaar wordt verlengd. Dit standpunt is in een vroeg stadium aan alle begunstigde partijen tot nu toe medegedeeld. 2. Uitzonderlijke inzet van het Fonds De verordening voorziet in twee uitzonderingen waarin het Fonds kan worden ingezet als aan het criterium van schade van meer dan 3 miljard euro of 0,6% van het BNI niet wordt voldaan. 2.1. Het criterium van de buurlanden Buurlanden " die door dezelfde ramp worden getroffen" (artikel 2, lid 2, tweede alinea). Dit criterium is alleen van toepassing op landen die grenzen aan een land waarin een grote ramp heeft plaatsgevonden waarbij volgens de Commissie aan de voorwaarden voor steun vanuit het Fonds wordt voldaan. De ramp in het naburige land (dit kan één gebeurtenis of een reeks gebeurtenissen zijn, vgl. hoofdstuk 1) die het grensgebied van de twee desbetreffende landen treft, moet dezelfde ramp betreffen. Vergelijkbare omstandigheden zijn op zichzelf niet voldoende. Als een ramp aan dit criterium voldoet, zijn op de inzet van het Fonds geen verdere voorwaarden van toepassing, ongeacht de omvang van de ramp. Subsidies volgens dit criterium maken deel uit van de totale jaarlijkse toekenning die voor het Fonds is uitgetrokken en behoort niet tot de toekenning van 7,5% van het totale jaarlijkse bedrag dat voor buitengewone regionale rampen is bedoeld. De steun wordt bepaald aan de hand van dezelfde methode zoals beschreven in hoofdstuk 3 hieronder (dat wil zeggen op basis van 2,5% van de totale directe schade). 2.2. Regionale rampen Rampen die niet voldoen aan de criteria voor "grote rampen" of "buurlanden", kunnen bij uitzondering in aanmerking komen voor steun uit het Fonds als zij aan een aantal specifieke criteria voldoen die in artikel 2, lid 2, derde alinea, worden vermeld. Deze criteria worden aangeduid als de "kwalitatieve" criteria. Definitie van de getroffen regio De verordening geeft geen definitie van het begrip van een getroffen regio. Daar rampen zich niet laten beperken door bestuurlijke grenzen, is het redelijk dat de aanvragende staat de regio mag definiëren (met controlebevoegdheid van de Commissie) volgens criteria van eigen keuze die in lijn is met de aard van de schade. Dit dient in de aanvraag duidelijke te worden toegelicht. De verordening bepaalt geen minimumvereisten met betrekking tot de omvang van het getroffen gebied of de bevolking. Gegeven de principes die aan het Fonds ten grondslag liggen en om betekenis te geven aan de specifieke criteria voor regionale rampen, met name met betrekking tot "economische stabiliteit", dient volgens de Commissie het getroffen gebied of de getroffen bevolking vanuit nationaal perspectief van aanzienlijke omvang zijn. Terwijl strikt lokale gebeurtenissen derhalve niet voor het Fonds in aanmerking komen, geldt het belangrijkste principe dat een regio als kleiner kan worden gedefinieerd naarmate een ramp verwoestender is. Merk op dat dit niet vooraf kan worden gekwantificeerd; het dient van geval tot geval te worden beoordeeld. Het concept werd toegepast op het geval van de aardbeving bij Molise, waarbij slechts een relatief klein deel van de Italiaanse bevolking van minder dan een kwart miljoen personen werd getroffen terwijl de verwoesting enorm was. Voor rampen die niet voldoen aan het criterium voor "grote rampen" voorziet de verordening volgens de Commissie niet in een samenvoeging van de schade van verschillende gebieden, zelfs als die schade een gemeenschappelijke achterliggende oorzaak heeft. Op basis van de verordening kan het Fonds worden ingezet als het merendeel van de bevolking van een bepaald gebied is getroffen door een ramp met ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden. De term "een regio" in de verordening verwijst naar een aaneengesloten of samenhangend gebied en kan niet worden opgevat als een verzameling van gebieden die binnen een groter gebied verspreid liggen. Dit standpunt wordt ondersteund door het feit dat artikel 2, lid 2, laatste alinea, een uitzondering is en derhalve strikt dient te worden opgevat. Een brede interpretatie waarbij allerlei verschillende en onderling niet samenhangende gebieden als een regio kunnen worden beschouwd, zou ook leiden tot problemen bij het toepassen van de andere criteria van artikel 2, lid 2, in het bijzonder met betrekking tot het bewijzen van blijvende gevolgen voor de economische stabiliteit van de getroffen regio. Uitzonderlijke inzet van het Fonds Het Fonds kan bij uitzondering worden gemobiliseerd voor regionale rampen onder drie voorwaarden: * Rampen moeten overwegend natuurlijk zijn [22] [22] Zie pagina 14 voor de betekenis van "vooral". * Het merendeel van de bevolking van de regio moet zijn getroffen en * Ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden en de economische stabiliteit moeten worden aangetoond. In dergelijke gevallen wordt een ramp als buitengewoon beschouwd, omdat deze qua aard en omvang van de schade of qua invloed op de regio al hetgeen men redelijkerwijs had kunnen verwachten, overtreft. "Ramp ... welke het grootste deel van de bevolking treft." Om na te gaan of het merendeel van de bevolking van een door een ramp geteisterde regio is getroffen, zijn twee elementen vereist. Ten eerste moet de regio nauwkeurig worden aangeduid en moet worden aangegeven wat de normale bevolking van dat gebied is. Ten tweede moet de bevolking die door de ramp is getroffen, worden aangeduid. Volgens de Commissie betekent het merendeel niet minder dan 50%. Om aan dit criterium te voldoen, moet er een bepaalde vorm van rechtstreekse invloed op die personen zijn, zoals verlies van of schade aan gezondheid, eigendom of economische schade (bijvoorbeeld het niet kunnen uitoefenen van het beroep) of een andere vorm van ernstig persoonlijk nadeel, zoals tijdelijke behuizing, de onmogelijkheid kinderen naar school te sturen etc. Het is niet voldoende om in een getroffen gebied te wonen zonder daarbij ernstig persoonlijk nadeel te ondervinden. Staten mogen hun aanvraag baseren op het zwaarst getroffen gebied, zelfs als dit kleiner is dan het gebied dat werkelijk is getroffen, om aan het bevolkingscriterium te voldoen. Dit kan acceptabel zijn, maar in een dergelijk geval mag de opgegeven schade alleen betrekking hebben op de gedefinieerde regio. In uitzonderlijke gevallen kan worden aanvaard dat de subsidie wordt gebruikt in het in bredere zin getroffen gebied. "Ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden en de macro-economische stabiliteit". Dit betekent directe negatieve invloed op de bevolking, zoals langdurige voorlopige huisvesting, het blijvend verstoken zijn van normale infrastructuren (water, energie, vervoer, telecommunicatie etc.), blijvende gezondheidsrisico's etc. Langdurig betekent dat de verwachte duur van de directe negatieve gevolgen niet korter dan één jaar is. De aanvragende staat moet kunnen aantonen dat de aanzienlijke negatieve gevolgen op werkgelegenheid en/of economische activiteit naar verwachting langer dan één jaar zullen aanhouden (aanzienlijke stijging van de werkloosheid, aanzienlijke daling van de industriële en agrarische productie, aanzienlijke daling in de dienstensector, bijvoorbeeld toerisme etc.). Bijzonder accent op afgelegen en geïsoleerde gebieden Volgens de Commissie moet aan de drie bovengenoemde criteria afzonderlijk worden voldaan. De oproep tot een bijzonder accent op de afgelegen en geïsoleerde regio's is echter geen apart criterium waaraan een ramp moet voldoen om voor steun in aanmerking te komen. Volgens de Commissie is er sprake van een afgelegen of geïsoleerde karakter van een regio, als deze op grote afstand van het nationaal economisch centrum is gelegen (bijvoorbeeld de ultraperifere regio's) of als de regio binnen de nationale economie is geïsoleerd vanwege zijn geografische ligging (bepaalde bergachtige gebieden, eilanden etc.) met onderontwikkelde infrastructurele aansluitingen, of vanwege een andere bijzondere kwetsbaarheid. Indien de regio geen afgelegen of geïsoleerd karakter heeft, moet de aanvragende staat redenen geven waarom het Fonds desondanks moet worden ingezet. Dit kan bijvoorbeeld de bijzondere ernst van de drie eerdergenoemde criteria zijn. 3. Bepaling van de hoeveelheid steun Behalve de algemene voorwaarden van artikel 4, lid 2, bevat de verordening zelf geen regels voor de wijze waarop de hoeveelheid te verlenen steun moet worden bepaald. De verordening bevat echter wel een aantal indicaties, zoals de verplichting een kwart van de toekenning van het Fonds in te houden tot 1 oktober van ieder jaar en vooral de noodzaak dat alle aanvragen billijk worden behandeld. Bij het bepalen van een methode voor het vaststellen van de steun van het Fonds heeft de Commissie zich daarom laten leiden door twee principes: - Billijkheid en transparantheid: de methode laat meerdere subsidies toe bij een aantal rampen van verschillende omvang en in landen van uiteenlopende economische sterkte gedurende de periode van één jaar, met inachtneming van de jaarlijkse maximumtoekenning voor het Fonds in zijn geheel (1 miljard euro), het maximumaandeel van 7,5% in de totale jaarlijkse toekenning voor uitzonderlijke regionale rampen en het vereiste dat 25% van de totale toekenning van het Fonds tot 1 oktober van elk jaar wordt ingehouden. De hoogte van de steun mag onder normale omstandigheden en naar alle waarschijnlijkheid niet afhangen van het moment waarop een aanvraag in de loop van het begrotingsjaar wordt ingediend en evenmin van de hoeveelheid steun die reeds eerder in hetzelfde jaar is verleend; - Solidariteit en subsidiariteit : de intensiteit van steun uit het Fonds dient voor grotere rampen hoger te zijn dan voor kleinere rampen. Het steunpercentage dient dus toe te nemen naarmate de schade hoger is. De hoeveelheid steun dient in verhouding te zijn tot de mate waarin een door een ramp getroffen land in staat is de situatie op eigen kracht het hoofd te bieden. Voor dezelfde hoeveelheid schade zouden armere landen (op basis van het bruto nationaal inkomen) meer steun moeten ontvangen dan rijkere landen. Deze principes werden getoetst aan een aantal alternatieve oplossingen en simulaties en bracht de Commissie ertoe het volgende systeem te hanteren: Een progressief systeem in twee groepen waarbij een land dat door een ramp is getroffen een lager steunpercentage ontvangt van 2,5% voor het deel van de schade dat onder de drempelwaarde blijft en een hoger steunpercentage ontvangt van 6% voor het deel van de schade dat de drempelwaarde overschrijdt. De twee bedragen worden bij elkaar opgeteld. De drempel is het in de verordening gedefinieerde waardeniveau van de schade waarbij het Fonds in werking treedt, oftewel 0,6% van het BNI of 3 miljard euro volgens het prijsniveau van 2002. Door dit element wordt rekening gehouden met het relatieve vermogen van een staat om zelf de gevolgen van een ramp aan te pakken. Daarnaast zorgt dit element ervoor dat relatief armere landen voor dezelfde hoeveelheid schade in absolute zin meer steun ontvangen dan rijkere landen. Op buitengewone regionale rampen is dezelfde methode toegepast, wat dus betekent dat landen die door rampen zijn getroffen die per definitie onder de drempel blijven, 2,5% van de totale directe schade in steun ontvangen. Het eerste jaar waarin de verordening is gebruikt, heeft aangetoond dat aanvragen die niet voldoen aan de criteria voor "grote rampen" eerder regel dan uitzondering zijn (9 van de 14 aanvragen). Ofschoon de Commissie om uiteenlopende redenen enkele van deze aanvragen niet heeft gehonoreerd, blijft het aantal kleinere rampen onverwacht groot. Dit had onder andere tot gevolg dat de begrotingsmiddelen die in 2003 beschikbaar waren voor uitzonderlijke regionale rampen, onvoldoende bleken te zijn indien het steunpercentage van 2,5% van de totale directe schade moest worden toegepast. Daarom moest het percentage naar rato worden teruggebracht tot net onder 2%. Twee oplossingen kunnen voorkomen dat dergelijke situaties die de billijke behandeling van alle gevallen in gevaar brengen, in de toekomst ontstaan: 1) de verordening aanpassen door het maximum jaarbedrag dat voor regionale rampen mag worden besteed te verhogen of 2) de berekeningsmethode van de Commissie aanpassen door het lagere van twee percentages voor schade onder de drempel voor grote rampen onder 2,5% te stellen. De totale directe schade is gekozen als basis voor bepaling van de hoeveelheid steun, omdat deze de algehele gevolgen op de levensomstandigheden en de economie van een land het beste weergeven. Daarentegen kunnen de kosten van in aanmerking komende noodoperaties en de relatieve omvang in verhouding tot de totale schade sterk variëren (zie het bovenstaande gedeelte over totale schade). De druk op de openbare begrotingen ten gevolge van een ramp overtreft ruimschoots de hoeveelheid kosten die voor steun vanuit het Fonds in aanmerking komen en omvat tevens indirecte gevolgen, zoals lagere belastingopbrengsten, stijging in betaling van sociale voorzieningen etc. Het ligt voor de hand dat de hoeveelheid steun het bedrag aan in aanmerking komende kosten niet te boven mag gaan. Conclusies Algehele beoordeling van de implementatie van het Fonds 1. Alvorens conclusies te trekken is het van belang het oorspronkelijke doel en concept dat aan de oprichting van het Fonds ten grondslag ligt, nogmaals in herinnering te roepen. Naar aanleiding van de ongekende schaal van de overstromingen van 2002 was men van mening dat de Europese Unie dient te beschikken over een instrument waarmee praktische solidariteit kan worden betoond aan lidstaten en kandidaat-lidstaten door uitzonderlijke financiële steun te verlenen indien deze zouden worden getroffen door rampen van zodanig ongewone omvang (in de verordening aangeduid als "grote rampen") dat de grenzen van die landen om zelf die rampen het hoofd te bieden zouden worden bereikt. Onder deze omstandigheden, waarin het principe van subsidiariteit werd weerspiegeld, waren de lidstaten bereid de financiële middelen te verhogen naast de normale begroting van de Gemeenschap. 2. Afgezien van de drie grote rampen die de ontstaansreden van het Fonds vormden - de overstromingen in Oostenrijk, Duitsland en Tsjechië - heeft er tot nu toe slechts één grote ramp plaatsgevonden waarvoor het Fonds is ingezet, namelijk de bosbranden in Portugal [23]. Al deze gevallen konden in de kortst mogelijk tijd worden afgewikkeld, hetgeen aantoonde dat de Europese Unie de verwachtingen die met het nieuwe instrument samenhingen, kon waarmaken. De Commissie was in feite in staat de dossiers te beoordelen en binnen een maand na het indienen van de aanvraag de inzet van het Fonds aan de begrotingsautoriteit voor te stellen. [23] De Griekse aanvraag was ook gebaseerd op de criteria voor "grote rampen" maar werd door de Commissie afgewezen omdat niet aan deze criteria werd voldaan. (Vergelijk ook de bovenstaande voetnoot.) Ofschoon het Fonds werd opgericht voor het verlenen van noodhulp, dient men zich te realiseren dat het in wezen is ontwikkeld als een herfinancieringsinstrument. De doelstelling is het snel beschikbaar stellen van geld en moet dat ook blijven. De feitelijke betaling van de hulp zou nog sneller kunnen plaatsvinden, als bepaalde administratieve verbeteringen worden doorgevoerd en vooral als er meer armslag is voor het stroomlijnen van de begrotingsprocedure tussen het Europees Parlement en de Raad. Onderzocht moet worden of het haalbaar is om in bepaalde gevallen onmiddellijk contante middelen beschikbaar te stellen zodat lidstaten kunnen reageren op rampen waarvoor hun onmiddellijke financiële capaciteit ontoereikend is. Dergelijke financiële middelen zouden op een later tijdstip moeten worden terugbetaald. De toekenning van hulp zou in dat geval los staan van enige latere beslissing over het al dan niet in aanmerking komen voor het Solidariteitsfonds [24]. [24] Zie het voorstel van de Commissie over "Versterken van de capaciteit op het gebied van de civiele bescherming in de Europese Unie". In het geheel bezien en gelet op de principes die aan de oprichting van het Fonds ten grondslag liggen, moeten de operaties van het Fonds als overwegend positief worden beoordeeld: het Fonds beantwoordt aan zijn doel. 3. Voor de gevallen die buiten de reikwijdte van het Fonds vielen, moet het oordeel genuanceerder zijn. Ten eerste bleek het in het merendeel van de gevallen te gaan om aanvragen voor de inzet van het Fonds bij rampen die onder de drempel voor "grote rampen" bleven, aanvragen die waren bedoeld als absolute uitzondering. Tot nu toe had slechts één aanvraag betrekking op het criterium voor "buurlanden". Gelet op het normale doel van het Fonds en het uitzonderlijke karakter van dit criterium, dient het Fonds alleen te worden ingezet in gevallen waarin duidelijk wordt vastgesteld dat het één en dezelfde ramp betreft die het grensgebied van de twee landen heeft getroffen. Bij de beoordeling van het relatief groot aantal aanvragen op basis van het criterium voor "regionale rampen" deden zich bepaalde problemen voor. Aanvankelijke aanvragen bevatten nauwelijks voldoende informatie om de vele en specifieke vereisten van dit criterium te kunnen controleren. Daarom moest men aanvullende informatie zoeken, wat leidde tot nog grotere vertragingen in het onderzoek. In sommige gevallen was vertaling noodzakelijk, zodat de vertragingen nog verder werden vergroot. In andere gevallen bleek de verordening niet voldoende precies te zijn en interpretatie te behoeven, bijvoorbeeld met betrekking tot de definitie van de getroffen regio en het gedeelte van de getroffen bevolking. Ondanks bepaalde zwakke punten, voor sommige waarvan de Commissie administratieve oplossingen voorstelt (zie vijfde punt), kan men concluderen dat het Fonds ook voor de uitzonderlijke gevallen in het algeheel naar redelijke tevredenheid heeft gewerkt. 4. Iets meer dan een jaar ervaring is natuurlijk een te korte periode voor een eindoordeel. Het is met name te vroeg om substantiële wijzigingen in de verordening voor te stellen. De ervaring heeft echter al geleerd dat iedere ramp uniek is en dat de verordening bij ieder geval weer op de proef wordt gesteld. Het lijkt daarom beter om meer ervaring op te doen en na te denken over mogelijke aanpassingen in de verordening in 2006, zoals reeds vermeld in artikel 14. Operationele richtlijnen voor activiteiten in de toekomst Als het te vroeg blijkt te zijn om de juridische basiswet te wijzigen, denkt de Commissie dat op de korte termijn een aantal praktische maatregelen voor toepassing van de verordening moet worden genomen om tot verbeteringen te komen, met name om de verwerking van aanvragen te stroomlijnen en te versnellen: 1. Zoals hierboven reeds beschreven, heeft de tijd voor het ontvangen van aanvullende informatie die noodzakelijk is voor het controleren van verschillende vereisten die door de verordening worden gesteld - vooral voor aanvragen op basis van het criterium voor "regionale rampen" - geleid tot een verlenging van de onderzoeksperiode. Gegeven de ervaring die het afgelopen jaar is opgedaan met aanvragen voor het Fonds, streeft het Fonds ernaar in de toekomst de beoordeling op basis van de beschikbare informatie op zijn laatst 4 maanden na ontvangst van de aanvraag te voltooien. Een gestandaardiseerd aanvraagformulier dat in alle talen beschikbaar zal zijn (vgl. het model in de bijlage) zal bijdragen aan de stroomlijning van het onderzoeksproces. Afhankelijk van de beschikbare budgettaire en personele middelen zal de Commissie trachten prioritaire middelen voor vertalingsfaciliteiten beschikbaar te stellen. 2. Bij de beoordeling van aanvragen heeft de Commissie herhaaldelijk de noodzaak van externe technische deskundigheid bespeurd, vooral voor het verifiëren van de betrouwbaarheid van schattingen van de totale schade en van de kosten van in aanmerking komende operaties. De Commissie kan een begroting voorstellen om een dergelijke technische ondersteuning vanaf 2005 beschikbaar te maken. 3. De noodzaak van het vertalen van aanvraagdossiers kan wegens de beperkte middelen vertraging veroorzaken. Ten einde de reactietijd bij een ramp te bekorten, stelt de Commissie voor dat de aanvraagdossiers zoveel mogelijk moeten worden gestandaardiseerd volgens het gestandaardiseerd "aanvraagformulier" (zie alinea a. hierboven en vgl. model in de bijlage) en moeten waar mogelijk worden ingediend in een van de grote werktalen, zoals het Engels, Frans of Duits, met dien verstande dat noch het gebruik van het "gestandaardiseerde formulier" noch het gebruik van een van de officiële EU-talen verplicht zijn voor het indienen van aanvragen. 4. Voor "regionale rampen" wordt de maximale jaarlijkse toewijzing beperkt tot 75 miljoen euro. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de verordening moet ten minste een kwart van dit bedrag beschikbaar zijn op 1 oktober van ieder jaar, waardoor het maximale jaarlijkse bedrag dat voor die datum kan worden toegekend wordt beperkt tot 56,25 miljoen euro. Bij de huidige methode van berekening van het steunbedrag bestaan risico's dat deze limieten worden overschreden, vooral als verschillende regionale rampen plaatsvinden voor 1 oktober van een bepaald jaar. Zoals hierboven vermeld, zal de Commissie in deze fase geen voorstel tot wijziging van de verordening doen. Mochten vergelijkbare situaties zich voordoen, dan kan de Commissie haar berekeningsmethode wijzigen door voor alle toekomstige gevallen het lagere van de twee percentages dat geldt voor het deel van de schade dat onder drempel voor grote rampen blijft, op een afdoende lager niveau (bijvoorbeeld 2%) te stellen. 5. Om een gelijke behandeling te verzekeren lijkt het wenselijk te overwegen de subsidie te beperken tot een bepaald aandeel van de totale kosten van in aanmerking komende operaties, zoals geschat op het moment dat de Commissie voorstelt het Fonds in te zetten. Dit aspect zal worden besproken tijdens de volgende conferentie over het Solidariteitsfonds in het najaar van 2004. Op grond van deze besprekingen zal de Commissie de geëigende voorstellen doen. BIJLAGEN Bijlage 1: aanvragen voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie in 2002 >RUIMTE VOOR DE TABEL> * Registratie van initiële aanvraag bij de Commissie Bijlage 2: aanvragen voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie in 2003 >RUIMTE VOOR DE TABEL> * Registratie van initiële aanvraag bij de Commissie ** Commissiebesluit op 9 maart 2004. Bijlage 3: Aanvraagformulier voor inzet van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (EUSF) De op dit formulier te verstrekken informatie dient te worden beschouwd als een samenvatting van uw aanvraag. Deze dient niet ter vervanging van de eigenlijke aanvraag. Alle ondersteunende documentatie, rapporten, foto's en statistische gegevens en dergelijk waarnaar in dit samenvattend aanvraagformulier wordt verwezen, dient te worden genummerd en/of geïndexeerd en met uw aanvraag te worden meegezonden. Alle documenten kunnen in een van de officiële talen van de Europese Unie naar de Commissie worden gestuurd. Om de verwerking van de aanvraag echter te bespoedigen, zou het op prijs worden gesteld als de samenvattende aanvraag (ook) kan worden verstrekt in het Engels, Frans of Duits. Dit samenvattende aanvraagformulier stelt de diensten van de Commissie in staat een voorafgaande beoordeling te maken om vast te stellen of een aanvraag voor de inzet van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie in aanmerking komt. Het formulier is geenszins bedoeld als bindende interpretatie van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 2012/2002. Als een aanvraag als in aanmerking komend wordt beschouwd, zal een volledig en nauwkeurig onderzoek van de aanvraag worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de verordening. Ter ondersteuning en om redenen van duidelijkheid wordt u verzocht de verordening betreffende het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en de handleiding voor aanvragen te raadplegen die door het Solidariteitsfondsteam, directoraat-generaal Regionaal Beleid is verstrekt. Iedere vraag is voorzien van een richtlijnreferentienummer aan de hand waarvan u het handboek kunt raadplegen voor toelichting en over richtlijnen beschikt bij het beantwoorden van de hieronder vermelde vragen. De aanvraagdocumenten, inclusief het samenvattend aanvraagformulier, dient u te sturen naar: EUROPESE COMMISSIE DG REGIONAAL BELEID B-1049 Brussel België Een elektronische versie van de aanvraag dient u te sturen naar: eu-solidarity-fund@cec.eu.int >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> Bijlage 4: Richtlijnen voor aanvragen voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie - gebruikershandleiding Deze richtlijnen en rubrieken zijn opgesteld om u bij het indienen van claims behulpzaam te zijn. Ze bieden geen uitputtende weergave van de verplichtingen van de verordening, behandelen geen gedetailleerde juridische kwesties en dienen niet te worden opgevat als een interpretatie van de verordening. De geboden informatie is derhalve onder voorbehoud van het standpunt dat de Commissie zal innemen op basis van de ontvangen informatie. De referentienummers corresponderen met die op het aanvraagformulier. >RUIMTE VOOR DE TABEL> Samenvattende richtlijnen voor aanvragen voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie - gebruikershandleiding Bruto nationaal inkomen 2001 >RUIMTE VOOR DE TABEL> * (~ 3 miljard volgens het prijsniveau van 2002).