4.4.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 81/1


Advies van het Comité van de Regio's over de Mededelingen van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement „Terreuraanslagen — preventie, paraatheid en reactie”„De voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering door maatregelen om informatie-uitwisseling, transparantie en traceerbaarheid van financiële transacties te verbeteren”„Terrorismebestrijding: paraatheid en beheersing van de gevolgen” en „Terrorismebestrijding: bescherming van kritieke infrastructuur”

(2006/C 81/01)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 oktober 2004„Terreuraanslagen — preventie, paraatheid en reactie” (COM(2004) 698 final),

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 oktober 2004„De voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering door maatregelen om informatie-uitwisseling, transparantie en traceerbaarheid van financiële transacties te verbeteren” (COM (2004) 700 final),

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 oktober 2004„Terrorismebestrijding: paraatheid en beheersing van de gevolgen” (COM(2004) 701 final),

GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 oktober 2004„Terrorismebestrijding: bescherming van kritieke infrastructuur” (COM(2004) 702 final),

GEZIEN het besluit van de Europese Commissie van 12 november 2004 om het Comité, overeenkomstig artikel 265, lid 1, van het EG-Verdrag, over dit onderwerp te raadplegen,

GEZIEN het besluit van zijn voorzitter van 3 november 2004 om de commissie „Constitutionele aangelegenheden en Europese governance” met de voorbereiding van een desbetreffend advies te belasten;

GEZIEN het Verdrag betreffende de Europese Unie en met name Titel I „Gemeenschappelijke bepalingen” en Titel IV „Bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken”, alsmede het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

GEZIEN het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, dat op 29 oktober 2004 werd ondertekend, en met name Titel I „Definitie en doelstellingen van de Unie” in Deel I, het gehele Deel II „Handvest van de grondrechten van de Unie”, alsmede Hoofdstuk IV „Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht” van Titel III („Intern beleid en optreden”) in Deel III,

GEZIEN het actieplan ter bestrijding van het terrorisme dat de Europese Raad op 21 september 2001 heeft goedgekeurd,

GEZIEN het herziene actieplan ter bestrijding van het terrorisme dat de Europese Raad op 18 juni 2004 heeft goedgekeurd,

GEZIEN de conclusies van de Europese Raad van 17 december 2004,

GEZIEN de Verklaring van de Europese Raad betreffende de bestrijding van terrorisme van 25 maart 2004,

GEZIEN het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding,

GEZIEN het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten,

GEZIEN het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams,

GEZIEN het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure,

GEZIEN de verslagen van het Europees Parlement over de onderwerpen van de adviesaanvragen,

GEZIEN zijn advies „De lokale en regionale dimensie van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid” (CdR 61/2003) (1),

GEZIEN zijn resolutie betreffende de steun van het CvdR aan de lokale vertegenwoordigers die het doelwit zijn van aanslagen en bedreigingen in Baskenland (CdR 72/2003 fin) (2),

GEZIEN zijn advies over de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Versterking van de capaciteit op het gebied van civiele bescherming in de Europese Unie” (CdR 241/2003 fin) (3),

GEZIEN zijn advies over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake „Criminaliteitspreventie in de Europese Unie” (CdR 355/2003 fin) (4),

GEZIEN de verklaring die de leden van zijn commissie „Duurzame ontwikkeling” te Udine op 27 mei 2005 over grensoverschrijdende civiele bescherming hebben goedgekeurd,

GEZIEN zijn ontwerpadvies (CdR 465/2004 rév. 1) dat door de commissie „Constitutionele aangelegenheden en Europese governance” op 14 juni 2005 werd goedgekeurd (rapporteur: mevrouw BAKOGIANNI, burgemeester van Athene (EL/EVP),

1)

OVERWEGENDE DAT „de handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid” in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie als een belangrijke doelstelling van de Europese Unie wordt aangemerkt, en deze doelstelling opnieuw wordt vermeld in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, met name in artikel II-66 van Titel II („Vrijheden”) in Deel II („Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”), waarin het „recht” van eenieder „op vrijheid en veiligheid van zijn persoon” uitdrukkelijk wordt bevestigd;

2)

OVERWEGENDE DAT de uitstippeling van een gemeenschappelijk Europees beleid ter bestrijding van het terrorisme en een gecoördineerd optreden van de bevoegde instanties op nationaal en supranationaal niveau absoluut noodzakelijk zijn om dit bovengenoemde recht te beschermen en de eerder vermelde doelstelling van de Unie te verwezenlijken;

3)

OVERWEGENDE DAT terrorisme een bedreiging vormt voor de vrije en open democratie en de samenleving zelf in gevaar brengt;

4)

OVERWEGENDE DAT reële en effectieve bescherming van de grondrechten aan het gemeenschappelijke Europese streven ten grondslag ligt en een absolute en niet-onderhandelbare voorwaarde vormt voor de vaststelling van het Europese actieplan ter bestrijding van het terrorisme;

5)

OVERWEGENDE DAT lokale en regionale overheden in vele landen over aanzienlijke bevoegdheden beschikken die met veiligheid en civiele bescherming verband houden, dat zij (ook) betrokken zijn bij de uitbating van civiele infrastructuurwerken, dat zij dichter bij de burgers staan, dat zij wezenlijk kunnen bijdragen aan de bewustwording van de Europese publieke opinie m.b.t. het gevaar van terrorisme;

6)

OVERWEGENDE DAT het CvdR als vertegenwoordiger van lokale en regionale overheden, die in het kader van het communautaire besluitvormingsproces ijvert voor een democratie dichtbij de burger, rechtstreeks betrokken is bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter bestrijding van het terrorisme;

heeft tijdens zijn 61e zitting van 12 en 13 oktober 2005 (vergadering van 12 oktober) met algemene stemmen het onderstaande advies goedgekeurd.

1.   Standpunten van het Comité van de Regio's

1.1   Opmerkingen over de Mededeling van de Commissie „Terreuraanslagen — preventie, paraatheid en reactie”

1.1.1

Het Comité van de Regio's dankt de Europese Commissie voor de adviesaanvraag die aan zijn verzoek tegemoet komt en een nuttig precedent vormt dat het ontbreken van een rechtsgrondslag in zowel de geldende Verdragen (artikel 22 van het geconsolideerde Verdrag) als het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (artikel III-129) kan compenseren.

1.1.2

Het is ermee ingenomen dat het Handvest van de grondrechten, dat een specifiek hoofdstuk over de bescherming van individuele vrijheden en over rechtvaardigheid bevat, in het Grondwettelijk Verdrag is opgenomen, waardoor het bindende rechtsgeldigheid krijgt, hetgeen ertoe kan bijdragen dat de Europese burger er zich van bewust wordt dat de Unie zich inderdaad ontwikkelt tot een „ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid”.

1.1.3

Het onderschrijft de voorstellen die de Commissie formuleert in haar Mededeling betreffende de preventie van, paraatheid voor en reactie op terreuraanslagen, hoewel deze slechts algemeen van aard zijn. Het is met name ingenomen met het thans algemeen aanvaarde standpunt dat de medewerking van de hele samenleving noodzakelijk is om het terrorisme in zijn kern te treffen. Met het oog daarop moeten zowel nieuwe preventieve en repressieve maatregelen, als nieuwe controlevoorschriften worden vastgesteld om een evenwicht tussen collectieve veiligheid en individuele vrijheid te vinden.

1.1.4

Het zou graag zien dat de eventuele tenuitvoerlegging van maatregelen ter preventie van de gewelddadige radicalisering van het terrorisme zorgvuldig wordt getoetst aan de belangrijkste doelstelling, nl. de veiligheid van de burgers; preventieve maatregelen mogen er in de praktijk niet toe leiden dat de grondrechten in het gedrang komen;

1.1.5

Het herinnert er evenwel aan dat de besluiten ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat die reeds op communautair niveau zijn genomen, nog niet in alle lidstaten ten uitvoer zijn gelegd.

1.1.6

Het merkt op dat preventie, zelfs in het kader van de bestrijding van het terrorisme, als een horizontaal richtsnoer door tal van beleidsterreinen loopt waarop lokale en regionale overheden actief zijn;

1.1.7

Het Comité vindt het een goede zaak dat er tussen de particuliere en de openbare sector een dialoog over veiligheidskwesties op gang is gekomen maar wijst op het gevaar van mogelijke schending van de vertrouwelijkheid van persoons- en commerciële gegevens die om veiligheidsredenen worden verzameld.

1.1.8

Het is zeer te spreken over de inspanningen van de Commissie ter ondersteuning van de slachtoffers van terreuraanslagen en/of hun families, en ter bevordering van de bewustmaking van de publieke opinie; het stemt dan ook in met de instelling van een mechanisme om de economische lasten van terreuraanslagen die buitengewone schade veroorzaken, over de hele Europese Unie te verdelen.

1.1.9

Het is van mening dat de integratie van politiële en justitiële samenwerking in het globale beleid zal bijdragen tot een doeltreffende aanpak van het terrorisme. De desbetreffende bevoegdheden moeten dan evenwel duidelijk zijn afgebakend.

1.1.10

Het CvdR stemt ermee in dat de bestrijding van het terrorisme wordt ingepast in het kader van de externe betrekkingen van de Europese Unie.

1.1.11

Het vindt dat de systemen voor interne communicatie tussen de bevoegde instanties op nationaal en supranationaal niveau bij terroristische aanslagen of soortgelijke noodtoestanden moeten worden versterkt; dit geldt ook voor de communicatie tussen deze instanties en het publiek. Het Comité onderstreept met name het belang van de totstandbrenging van een gebruikersforum, dat moet zorgen voor een doeltreffende toepassing van de bedoelde systemen.

1.1.12

Het is van mening dat op informatiegebied nauwer moet worden samengewerkt tussen Europol en Eurojust en tussen de bevoegde nationale instanties; dit moet evenwel gebeuren binnen een duidelijk vastgesteld institutioneel kader.

1.1.13

Het Comité stemt in met de versterking van wetenschappelijk onderzoek en veiligheidstechnologie.

1.2   Opmerkingen over de Mededeling van de Commissie „De voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering door maatregelen om informatie-uitwisseling, transparantie en traceerbaarheid van financiële transacties te verbeteren”

1.2.1

Het Comité is het er eerst en vooral mee eens dat de bestrijding van terrorismefinanciering samenhangt met zowel een betere samenwerking op het gebied van informatieuitwisseling als een betere traceerbaarheid van financiële transacties en een grotere transparantie van rechtspersonen.

1.2.2

Het is ingenomen met de inspanningen van de Europese Commissie om, mede in het licht van de bepalingen van het Handvest van de grondrechten, een — in ieder geval delicaat — evenwicht tot stand te brengen tussen enerzijds de tenuitvoerlegging van de bovenvermelde maatregelen en anderzijds de bescherming van de individuele vrijheden.

1.2.3

Het stelt vast dat er vorderingen zijn gemaakt op het gebied van informatieuitwisseling tussen de bevoegde instanties en stemt in met de inschakeling van gemeenschappelijke onderzoeksteams, waarvan procureurs en rechters deel zullen uitmaken.

1.2.4

Het wijst erop dat er met het oog op de ontwikkeling van verdere mechanismen voor samenwerking, informatieuitwisseling en feedback tussen openbare overheden en financiële instellingen, nieuwe bepalingen moeten worden vastgesteld om de specifieke bevoegdheden van de betrokkenen en de voorwaarden voor het gebruik van de bedoelde informatie af te bakenen.

1.2.5

Het merkt op dat de totstandkoming van nationale instanties voor het opsporen, blokkeren en in beslag nemen van bezittingen van terroristen op transnationaal niveau, gelet op de verschillen in rechtsorde, pas doeltreffend zal kunnen worden bevorderd als in alle lidstaten op uniforme wijze te werk wordt gegaan.

1.2.6

Het beklemtoont dat, wat het gebruik en de geldigheid van elektonische bewijsstukken ten overstaan van de rechtbank betreft, rekening zal moeten worden gehouden met en onderzoek zal moeten worden verricht naar aspecten die samenhangen met, enerzijds, de geldigheidsvoorwaarden voor dergelijke bewijsstukken en, anderzijds, de mogelijke manipulatie door derden van desbetreffende programma's.

1.2.7

Het is het er in principe mee eens dat verdere wettelijke bepalingen moeten worden uitgewerkt om grensoverschrijdend kapitaalverkeer doeltreffend te kunnen volgen.

1.2.8

Het is van mening dat de vaststelling van communautaire minimumnormen voor financiële instellingen in de EU met het oog op de controle van de identiteit van klanten en de registratie van persoonsgegevens, alsmede de totstandbrenging van een elektronische databank voor het opslaan van kopieën van identiteitskaarten, maatregelen zijn die door gespecialiseerde wetenschappers verder moeten worden onderzocht voor zover zij een aanzienlijke inbreuk vormen op het individuele recht op bescherming van persoonsgegevens.

1.2.9

Het dringt erop aan dat in het licht van de problematiek m.b.t. de vaststelling van minimumnormen met het oog op wetgeving ter verzekering van de transparantie van humanitaire organisaties en organisaties zonder winstoogmerk een bredere dialoog op gang wordt gebracht.

1.2.10

Het merkt op dat de moeilijkheden m.b.t. het opstellen van een Europese lijst van terroristische organisaties, nog niet van de baan zijn.

1.3   Opmerkingen over de Mededeling van de Commissie „Terrorismebestrijding: paraatheid en beheersing van de gevolgen”

1.3.1

Het Comité is ingenomen met de voorgestelde versterking van het mechanisme voor civiele bescherming en is het ermee eens dat een op solidariteit gebaseerd, georganiseerd collectief optreden een tijdige en doeltreffende reactie op terreurscenario's kan bieden.

1.3.2

Het acht het van belang dat het personeel van de betrokken diensten systematisch wordt opgeleid. Helaas is er tot dusver hieraan niet in alle lidstaten de nodige aandacht besteed.

1.3.3

Het Comité is ingenomen met de voorgestelde registratie van de op Europees niveau aanwezige civielebeschermingscapaciteit ter ondersteuning van lidstaten die door een terroristische aanslag worden getroffen. Op lokaal en regionaal niveau zal aldus kunnen worden gezorgd voor een zo doeltreffend mogelijke voorbereiding op en beheersing van de gevolgen van een terreuraanslag.

1.3.4

Het hecht bijzonder belang aan de communautaire mechanismen ter bescherming van de gezondheid; ruime (gecoördineerde) medewerking van de nationale overheden is in dit verband absoluut noodzakelijk.

1.3.5

Het pleit voor een centraal waarschuwingssysteem, waarop de reeds bestaande, afzonderlijke Europese systemen moeten worden aangesloten. Ook moet werk worden gemaakt van een waarschuwingssysteem voor politiediensten en van een centrum voor het beheer van crisissituaties.

1.4   Opmerkingen over de Mededeling van de Commissie „Terrorismebestrijding: bescherming van kritieke infrastructuur”

1.4.1

Het Comité is het er absoluut mee eens dat een terroristische aanslag op kritieke infrastructuur, bv. in het geval van zogenoemd cyberterrorisme, een enorme bedreiging voor een doeltreffende aanpak en het beheer van crisissituaties vormt.

1.4.2

Het onderschrijft de voorgestelde criteria op basis waarvan kritieke infrastructuur zal worden gedefinieerd, en is het ermee eens dat deze criteria specifiek moeten worden uitgewerkt op nationaal vlak, rekening houdend met de sectorale en collectieve ervaring op dit gebied. Het onderstreept tegelijkertijd dat er moet worden gestreefd naar een uniform niveau van bescherming.

1.4.3

Het stelt vast dat wat de bescherming van kritieke infrastructuur betreft, er enkele opmerkelijke vorderingen zijn gemaakt op het gebied van communautaire wetgeving terzake. Het Comité moet dan ook actief meewerken aan de voorbereiding van verdere wetsvoorstellen in dit verband.

1.4.4

Het Comité stemt in met de instelling van een Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur en de oprichting van een waarschuwingssysteem m.b.t. deze infrastructuur, en onderstreept dat het actief moet kunnen deelnemen aan de uitstippeling en tenuitvoerlegging van deze maatregelen, teneinde hun doeltreffendheid te waarborgen.

2.   Aanbevelingen van het Comité van de Regio's

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

2.1   Terreuraanslagen — preventie, paraatheid en reactie

2.1.1

zou graag zien dat binnen een institutioneel kader werk wordt gemaakt van een communicatiebeleid tegen terrorisme en dat er op lokaal en regionaal niveau desbetreffende centra in het leven worden geroepen. Het aanzwengelen van een maatschappelijke discussie daarover is het beste middel om de open democratische samenleving te beschermen tegen de van de buitenwereld afgesloten terreurorganisaties;

2.1.2

pleit ervoor de lokale en regionale overheden te betrekken bij het nemen van maatregelen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat, zodat het desbetreffende communautaire beleid gemakkelijker ten uitvoer kan worden gelegd;

2.1.3

stelt de Raad voor een Europees orgaan in het leven te roepen dat onder de directe verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de Europese coördinator voor terrorismebestrijding belast zal worden met het beleid ten gunste van slachtoffers van terrorisme; dit orgaan moet als coördinator fungeren voor de nationale centra ter ondersteuning en bijstand van slachtoffers van terreuraanslagen en/of hun families, waaraan vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden moeten meewerken; hiervoor moeten de nodige middelen uit de communautaire begroting ter beschikking worden gesteld;

2.1.4

stelt voor in samenwerking met de bevoegde communautaire instellingen een actieplan uit te stippelen met het oog op de bevordering van goed nabuurschap met derde landen, teneinde de communautaire strategie ter bestrijding van het terrorisme in het kader van de externe betrekkingen gemakkelijker ten uitvoer te kunnen leggen;

2.1.5

zou graag zien dat de EU in het kader van haar externe betrekkingen, samen met de lidstaten, als pleitbezorger fungeert voor een snelle goedkeuring van de door de Verenigde Naties voorgestelde Wereldwijde Conventie inzake internationaal terrorisme.

2.2   De voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering door maatregelen om informatie-uitwisseling, transparantie en traceerbaarheid van financiële transacties te verbeteren

2.2.1

zou graag zien dat er wordt voorzien in een uitgebreider geïnstitutionaliseerd toezicht door een onafhankelijke instantie op de door de bevoegde instanties getroffen maatregelen met het oog op het verzamelen en verwerken van informatie. Het pleit tevens voor versterking van de traceerbaarheid van financiële transacties;

2.2.2

herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de Europese Commissie om een voorstel te formuleren betreffende de bescherming en het niet openbaar maken van persoonsgegevens in het kader van de terrorismebestrijding, teneinde de grondrechten van de burgers te beschermen;

2.2.3

stelt voor de bevoegdheden van lokale en regionale overheden m.b.t. het verzamelen en gestructureerd uitwisselen van informatie via regelgeving vast te stellen;

2.2.4

beveelt aan een specifiek comité in het leven te roepen dat nauwlettend moet toezien op de oprichting van nationale instanties die belast worden met het identificeren, opsporen, blokkeren en in beslag nemen van bezittingen van terroristen, gelet op de verschillende rechtssystemen in de lidstaten, en op de samenwerking tussen deze instanties en andere overheden op nationaal en supranationaal niveau. Hoe dan ook zou het een goede zaak zijn te voorzien in mogelijke gerechtelijke controle van door deze instanties genomen initiatieven;

2.2.5

dringt aan op expliciete institutionalisering van de deelname van een vertegenwoordiger van de lokale en regionale overheden aan het raadgevend comité voor onderzoek op veiligheidsgebied, en vraagt dat er wordt voorzien in een specifieke post in de communautaire begroting voor de financiering van desbetreffende onderzoeksprogramma's.

2.3   Terrorismebestrijding: paraatheid en beheersing van de gevolgen

2.3.1

stelt voor te voorzien in systematische opleiding van het personeel van de dienstencentra voor civiele bescherming op lokaal en regionaal niveau, en zou graag zien dat die opleiding o.m. slaat op ondersteuning bij het gebruik van het crisisbeheerprogramma, de analyse van crisissituaties en de communicatie met het publiek. Voorts zou ook aan uitwisseling van opleidingsprogramma's kunnen worden gedacht;

2.3.2

dringt aan op ontwikkeling van zijn institutionele rol bij de uitstippeling van Europees beleid ter versterking van de mechanismen voor civiele bescherming;

2.3.3

vraagt uitdrukkelijk te voorzien in deelname van een vertegenwoordiger van de lokale en regionale overheden aan het voorgestelde centrum voor het beheer van crisissituaties;

2.3.4

pleit voor bevordering van terdege georganiseerde lokale netwerken die als interventiecentra kunnen fungeren, over de nodige alarm- en coördinatiecapaciteiten in noodsituaties beschikken en onmiddellijk met de terzake bevoegde instanties op nationaal en supranationaal vlak in contact kunnen treden en samenwerken;

2.3.5

herhaalt zijn voorstel om een Europees waarnemingscentrum voor stadsveiligheid in het leven te roepen met deelname van vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden van de lidstaten, dat met het CvdR en de bevoegde Europese instanties informatie over de uitstippeling van het beleid, de bevordering en coördinatie van onderzoek, de verzameling, structurering en verwerking van veiligheidsgegevens zal uitwisselen, en met name ook voorbeelden van goede praktijken zal verspreiden en regionale en lokale partnerschappen tot stand zal brengen.

2.4   Terrorismebestrijding: bescherming van kritieke infrastructuur

2.4.1

stelt voor een specifiek comité op te richten dat zich zal buigen over de criteria die door de lidstaten worden voorgesteld met het oog op de omschrijving van kritieke infrastructuur. Van dit Comité moet een vertegenwoordiger van de lokale en regionale overheden van elke lidstaat deel uitmaken, zodat het Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur gemakkelijker vorm kan worden gegeven en ten uitvoer worden gelegd;

2.4.2

zou graag zien dat op nationaal niveau centra voor de bescherming van alle kritieke infrastructuur worden opgericht, waarvan vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden deel uitmaken. Deze centra moeten problemen helpen oplossen en voorstellen daartoe formuleren; zij moeten onderling contact houden en rechtstreeks met elkaar samenwerken op horizontaal niveau.

2.4.3

beveelt aan bepaalde personeelsleden van de diensten m.b.t. kritieke infrastructuur systematisch aan te moedigen een specifieke opleiding te volgen op het gebied van controlesystemen en IT-netwerken.

Brussel, 12 oktober 2005

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 73 van 23 maart 2004, blz. 41.

(2)  PB C 244 van 10 oktober 2003, blz. 53.

(3)  PB C 43 van 18 februari 2005, blz. 38.

(4)  PB C 43 van 18 februari 2005, blz. 10.